PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/02273 Zitting 18 mei 2021 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, hierna: de verdachte. 1Inleiding 1.1. De verdachte is bij arrest van 22 juli 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens 1 primair “medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”, 2 “medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid” en 3 “van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van voorarrest. 1.2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. C. Grijsen, advocaat te Almere, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. 2Eerste middel 2.1. Het middel komt met twee klachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde en de bewijsvoering. 2.2. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat: “hij op 13 november 2015, in de gemeente Lelystad, tezamen en in vereniging met een ander, in een authentieke akte, te weten een akte van koop en levering van een registergoed, opgemaakt op 13 november 2015, een valse opgave heeft/hebben doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, te weten dat hij, verdachte, en/of zijn mededader in die (notariële) akte heeft op laten nemen dat het BTW nummer van de koper, zijnde [betrokkene 1] , luidt [001] , terwijl in werkelijkheid dat BTW nummer niet bestond en/of aan koper geen BTW nummer was toegewezen, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid”. 2.3. Het hof heeft deze bewezenverklaring als volgt gemotiveerd: “De rechtbank heeft in haar vonnis het volgende overwogen: ‘Op 13 november 2015 heeft er middels een notariële akte een verkoop plaatsgevonden van een registergoed door [A] B.V., vertegenwoordigd door verdachte, aan [betrokkene 1] . Het registergoed betreft het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de bedrijfsruimte op de begane grond en een parkeerplaats op het daarbij behorende terrein, gelegen aan de [a-straat 1] te Lelystad. In de akte is de 'verleggingsregel' toegepast voor de omzetbelasting. Dit houdt in dat de verkoper ( [A] B.V.) over het bedrag van € 53.500, 21% aan omzetbelasting in rekening brengt en dat de koper ( [betrokkene 1] ) dit bedrag kan verrekenen of moet afdragen aan de Belastingdienst. De verleggingsregel kan alleen worden toegepast als het registergoed wordt geleverd aan een ondernemer. In de akte wordt melding gemaakt van het omzetbelastingnummers, als bedoeld in artikel 35a lid 1 onderdelen c en d Wet op de Omzetbelasting, van de verkoper [002] en van de koper [001] . Het BTW-nummer van koper bestond in de periode tot 29 maart 2017 echter niet. Op 15 maart 2017 is medeverdachte [betrokkene 1] tijdens het verhoor door de Fiod gevraagd of zij ondernemer was in de zin van de Wet op de Omzetbelasting, waarop zij heeft geantwoord met “nee’’. Vervolgens is op 03 april 2017 door de Fiod geconstateerd dat in het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst, genaamd 'Beheer van Relaties', het Burger Servicenummer [003] van [betrokkene 1] op 29 maart 2017 met terugwerkende kracht per 13 november 2015 is geactiveerd voor de omzetbelasting. Een medewerkster van de Belastingdienst Rotterdam, team ‘Klantbeheer, opvoeren startende ondernemers voor de omzetbelasting ’, heeft telefonisch hierbij toegelicht dat er een formulier "Opgaaf Startende onderneming” bij de Belastingdienst was binnengekomen op 27 maart 2017 op naam en ondertekend door [betrokkene 1] . In dat formulier is vermeld dat: - de startdatum van de onderneming 13 november 2015 is; - de handelsnaam van de onderneming " [betrokkene 1] " betreft; - Administratiekantoor [B] uit Lelystad de boekhouder is van de onderneming " [betrokkene 1] "; - de activiteiten van " [betrokkene 1] " bestaan uit 'de verhuur van een loods aan de BV van mijn echtgenoot. Ik heb zelf een baan van 32 uur per week bij een werkgever’; - de geschatte omzet in het startjaar € 6.000,-- betreft. Op 5 april 2017 is genoemde boekhouder [betrokkene 2] gehoord door de Fiod. Hij heeft het volgende verklaard: “Ik kan u vertellen dat [verdachte] mij telefonisch benaderd heeft, ongeveer 2 weken geleden, met de mededeling dat hij een BTW nummer wil aanvragen op naam van zijn vrouw [betrokkene 1] . Ik heb hem aangeven dat het als het een eenmanszaak wordt, in dat geval het BS nummer van zijn partner aangevuld gaat worden met 'B01 '. (...) [verdachte] vertelde me dat hij een BTW nummer nodig had voor zijn vrouw omdat hij in het verleden een pand had verkocht aan de [b-straat] in Lelystad aan zijn vrouw. Zij had een pand aan de [b-straat] gekocht en zij had daarvoor een BTW nummer nodig. Daarom moest [verdachte] nu een BTW nummer hebben voor zijn vrouw [betrokkene 1] . Mij is niet bekend dat [betrokkene 1] een onderneming heeft. Ik heb hem gezegd dat hij, [verdachte] , in dat geval een BTW nummer maar voor haar moest aanvragen. Dat zal hij dan wel gedaan hebben. Ik heb dit formulier niet eerder gezien. De naam van mijn kantoor staat wel op dit formulier, maar daar wist ik niets van.” Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat het BTW-nummer niet bij het opmaken van de akte is aangevraagd. Verdachte had een brief ontvangen van een schuldeiser en wilde zijn vermogen, waaronder dit onroerend goed, veilig stellen. Hij zou op advies van de notaris de loods aan de [a-straat] hebben overgedragen aan zijn echtgenote, medeverdachte [betrokkene 1] . Voor de verlegging van de BTW was een BTW-nummer nodig. Dat nummer had zijn echtgenote nog niet. Naar verklaring van verdachte is hij vergeten dat nummer alsnog aan te vragen. Het bij artikel 227 Sr gestelde vereiste, dat de in dat artikel bedoelde opgave in een authentieke akte moet betreffen een feit 'van welks waarheid de akte moet doen blijken' dient te worden getoetst aan de regels voor de bewijskracht van authentieke akten in de wet gesteld. Aan dat vereiste is voldaan wanneer de akte is bestemd om van de waarheid van dat feit te doen blijken. Conform artikel 157 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering levert een authentieke akte ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Met andere woorden; een authentieke akte wordt juist opgemaakt om als (dwingend) bewijs te kunnen dienen van de waarheid van hetgeen erin is opgenomen, waarbij van belang is met welke bedoeling de akte is opgesteld. Verdachte wist dat zijn echtgenote geen ondernemer was in de zin van de Wet op de Omzetbelasting. Desondanks heeft hij, namens [A] , ‘haar’ BTW-nummer laten opnemen in de akte, zodat met die akte de BTW verlegd zou kunnen worden. Zijn verplichting om het nummer alsnog aan te vragen bij de Belastingdienst is hij niet nagekomen. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte doelbewust heeft willen misleiden en derhalve wel degelijk het oogmerk heeft gehad om de akte te gebruiken als ware de opgave in die akte in overeenstemming met de waarheid. Het onder 2 ten laste gelegde kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen en kan, zoals hierna wordt uitgewerkt, worden gekwalificeerd als strafbaar feit.’ Het hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Naar aanleiding van het pleidooi van de raadsman in hoger beroep overweegt het hof nog het volgende. De raadsman heeft betoogd dat er geen sprake was van een niet bestaand of onjuist BTW-nummer, omdat in feite iedere ingezetene in Nederland al een BTW-nummer bezit, namelijk zijn Burgerservicenummer met de toevoeging ‘01’. Dat nummer behoeft – aldus de raadsman – alleen nog maar op aanvraag van betrokkene door de Belastingdienst ‘geactiveerd’ te worden. Het feit dat het in de akte vermelde BTW-nummer – te weten het Burgerservicenummer van [betrokkene 1] met de toevoeging ‘01 ’ – op het moment van het opmaken van de akte niet was geactiveerd, doet aan de juistheid van die vermelding niet af. Het hof volgt de raadsman daarin niet. Uit openbare bronnen blijkt dat een BTW-nummer (evenals thans het BTW-identificatienummer) eerst wordt toegekend door de Belastingdienst, nadat de ondernemer bij de Kamer van Koophandel als zodanig is ingeschreven. Die procedure hebben verdachte en [betrokkene 1] niet gevolgd voorafgaand aan het moment van het opmaken van de akte. Dat betekent dat aan [betrokkene 1] op dat moment geen BTW-nummer was toegekend en dat zij – anders dan in de akte is vermeld – dus geen BTW-nummer had. De omstandigheid dat volgens de indertijd door de Belastingdienst gevolgde systematiek voorspelbaar was welk nummer de Belastingdienst na toetsing van een eventuele aanvraag zou gaan toekennen is daarbij niet relevant. Het vorenstaande komt overeen met de bevinding dat bij controle in de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst het in de notariële akte genoemde BTW-nummer niet bestond en nooit bestaan heeft. Het verweer wordt verworpen.” 2.4. De eerste klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de opgave van het btw-nummer van [betrokkene 1] in de notariële akte is aan te merken als 'een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken' getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd en onbegrijpelijk is. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat het hof aldus een te ruime uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel 'een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken'. 2.5. Voor de beoordeling van deze klacht zijn de volgende bepalingen van belang: - art. 227, eerste lid, Sr: “Hij die in een authentieke akte een valse opgave doet opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.” - art. 2a, eerste lid, Wet OB 1968: “In deze wet en in de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder: (…) g. btw-identificatienummer: het nummer dat ingevolge artikel 214 van de BTW-richtlijn 2006 door een lidstaat aan een ondernemer of aan een rechtspersoon, andere dan ondernemer, is toegekend; (…)” - art. 11, eerste lid, Wet OB 1968: “Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld: a. de levering van onroerende zaken en van rechten waaraan deze zijn onderworpen, met uitzondering van: (…) 2° leveringen, andere dan die bedoeld onder 1°, aan personen die de onroerende zaak gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting op de voet van artikel 15 bestaat, mits de ondernemer die de levering verricht en degene aan wie wordt geleverd, blijkens de notariële akte van levering daarvoor hebben gekozen of in andere gevallen gezamenlijk een verzoek daartoe aan de inspecteur hebben gedaan en overigens voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; - art. 12, vijfde lid, Wet OB 1968: “In bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen wordt onder bij of krachtens deze maatregel te stellen regelen de belasting, ten einde voor de inning daarvan meer waarborgen te scheppen, geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend.” - art. 15, eerste en tweede lid, Wet OB 1968: “1. De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, is: (…) 2. De ondernemer brengt eveneens in aftrek de belasting, bedoeld in het eerste lid, voorzover de goederen en diensten door de ondernemer worden gebruikt voor: (…)” - art. 24ba, eerste lid, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968: “Als gevallen als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de wet, worden mede aangewezen de gevallen waarin: a. een onroerende zaak of een recht waaraan deze is onderworpen, wordt geleverd met toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, 2°, van de wet; (…)” - art. 6 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968: 1. De keuze blijkens de notariële akte of het verzoek om te worden uitgezonderd van de vrijstelling van belasting voor de levering van onroerende zaken en van rechten waaraan deze zijn onderworpen kan voor elke onroerende zaak en voor elk recht waaraan een onroerende zaak is onderworpen worden gedaan. 2. In de notariële akte of het verzoek wordt vermeld een omschrijving van de onroerende zaak en het recht waaraan deze is onderworpen met plaatselijke en kadastrale aanduiding alsmede de datum van aanvang van het boekjaar. In de notariële akte of het verzoek wordt een door de afnemer ondertekende verklaring gevoegd waaruit blijkt dat hij de onroerende zaak gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting op de voet van artikel 15 van de wet bestaat. (…)” 2.6. Vooropgesteld moet worden dat het in art. 227, eerste lid, Sr gestelde vereiste dat de in die bepaling bedoelde opgave in een authentieke akte een feit ‘van welks waarheid de akte moet doen blijken’ moet betreffen, dient te worden getoetst aan de regels voor de bewijskracht van authentieke akten in de wet gesteld. Aan dat vereiste is voldaan wanneer de akte is bestemd om van de waarheid van dat feit te doen blijken. 2.7. De vraag of een akte was bestemd om van de waarheid van een feit te doen blijken, is in de rechtspraak van de Hoge Raad enkele malen aan de orde gekomen. Zo oordeelde de Hoge Raad in een zaak waarin een gefingeerde koopprijs was vermeld in een notariële akte van koop en verkoop dat deze akte ertoe strekte om de koopprijs te bewijzen en dus ook om de waarheid van de daaromtrent gedane opgaven te bewijzen. Ook de opgave in een notariële akte van oprichting van een naamloze vennootschap van hetgeen in contanten is gestort, betrof een feit “van welks waarheid de akte moet doen blijken”. Dat geldt eveneens voor de vermelding in een notariële akte van koop en verkoop dat de koopsom is voldaan en dat daarvoor kwijting wordt verleend. Dat lag anders wat betreft de garantie in een notariële akte betreffende een levering van aandelen dat de balans van de vennootschap “duidelijk en getrouw de grootte van het vermogen van de vennootschap per die datum en de verdeling van de actief- en passiefposten weergeeft”. Daarover overwoog de Hoge Raad het volgende: “Het oordeel van het Hof dat de in de notariële akte opgenomen, door de verdachte gegeven ‘garantie’ met de in de bewezenverklaring weergegeven inhoud, een feit oplevert ‘van welks waarheid die akte moet doen blijken’, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Niet valt in te zien op grond waarvan het Hof heeft geoordeeld dat niet slechts de verklaring dat de verdachte de duidelijkheid en getrouwheid van de balans garandeert – in die zin dat de verdachte instaat voor die juistheid en getrouwheid en aansprakelijk is als komt vast te staan dat die balans niet duidelijk en getrouw is – maar ook de duidelijkheid en getrouwheid van die balans zelf moet worden aangemerkt als een ‘verklaring van welks waarheid die akte moet doen blijken’.” 2.8. In de onderhavige zaak komt uit de bewijsvoering van het hof naar voren dat in de notariële akte van koop en levering overeenkomstig art. 11, eerste lid, onder a, onder 2, Wet OB 1968 is gekozen voor een belaste levering van de onroerende zaak, waarbij de btw op grond van art. 12, vijfde lid, Wet OB 1968 in verbinding met art. 24ba, eerste lid, onder a, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 wordt verlegd van de verkoper naar de koper. Deze keuze voor een belaste levering is op grond van art. 11, eerste lid, onder a, onder 2, Wet OB 1968 slechts mogelijk bij leveringen aan personen die de onroerende zaak gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting op de voet van art. 15 Wet OB 1968 bestaat. Op grond van art. 15 Wet OB 1968 kunnen alleen ondernemers voorbelasting in aftrek brengen. Toepassing van deze regeling vereist derhalve dat degene aan wie het onroerend goed geleverd wordt dat pand als ondernemer zal gebruiken. 2.9. Bij het voorgaande moet worden opgemerkt dat de keuze voor een belaste levering van een onroerende zaak tot 1 januari 2009 alleen kon worden gedaan bij afzonderlijk verzoek aan de inspecteur. Op een dergelijk verzoek beslist de inspecteur – ook thans nog – bij voor bezwaar vatbare beschikking. Sinds 1 januari 2009 is het op grond van art. 11, eerste lid, onder a, onder 2, Wet OB 1968 ook mogelijk om zonder afzonderlijk verzoek te kiezen voor een belaste levering van een onroerende zaak. Daartoe moet de keuze blijken uit de notariële akte van levering. De memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Fiscale Onderhoudswet 2009 houdt over deze wijziging, voor zover hier van belang, het volgende in: “In dit wetsvoorstel wordt een wijziging voorgesteld van de regeling voor de optie voor belaste levering en verhuur van onroerende zaken, waarbij niet langer altijd een verzoek nodig zal zijn. De wijziging in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) leidt ertoe dat voor het kenbaar maken van een optie voor belaste levering geen gezamenlijk verzoek aan de inspecteur meer is vereist in die gevallen waarin voor de leveringen een notariële akte van levering is opgemaakt en waaruit blijkt dat voor de belaste levering is gekozen. De inspecteur geeft in die gevallen dan ook geen beschikking meer af. Van de optie voor belaste levering kan tot nu toe alleen gebruik worden gemaakt wanneer de ondernemer die de levering verricht en de ondernemer die de levering afneemt, daartoe gezamenlijk een verzoek doen aan de inspecteur. Vanuit het oogpunt van een signaalfunctie voor de handhaving door de Belastingdienst is een dergelijk afzonderlijk verzoek niet meer nodig. Daartoe beschikt de inspecteur over de notariële akte. Dat neemt niet weg dat een afzonderlijk verzoek nog wel nodig is als uit de notariële akte niet blijkt dat gekozen is voor heffing van btw over de levering of als ter zake van de levering geen notariële akte is opgemaakt. Ook uit oogpunt van bescherming van de koper is een verzoek dan niet meer nodig omdat in de akte van levering de keuze voor de heffing duidelijk naar voren komt en de koper door ondertekening van de akte zich daarvan dus bewust is.” 2.10. Uit het voorgaande volgt dat een notariële akte van verkoop en levering in een geval als het onderhavige, waarin in de akte de keuze wordt gemaakt voor een belaste levering van een onroerende zaak, tevens ertoe dient om te bewijzen dat is voldaan aan de vereisten voor die keuze. Tot die vereisten behoort onder meer dat de afnemer de onroerende zaak zal gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting op de voet van art. 15 Wet OB 1968 bestaat. In dat kader kan een rol spelen of de koper (reeds) ondernemer is in de zin van de Wet OB 1968, omdat alleen ondernemers op grond van art. 15 Wet OB 1968 voorbelasting in aftrek kunnen brengen. In dit kader is bijvoorbeeld relevant of de koper een btw-identificatienummer heeft, omdat dit een nummer betreft dat, zoals ook blijkt uit art. 2a, eerste lid, onder g, Wet OB 1968, wordt toegekend aan onder meer ondernemers. 2.11. In deze zaak volgt uit de bewijsvoering van het hof dat in de notariële akte als btw-nummer van [betrokkene 1] het burgerservicenummer van [betrokkene 1] met de toevoeging B01 is opgegeven. In het licht van het voorgaande meen ik dat het oordeel van het hof dat deze opgave van het btw-nummer van [betrokkene 1] in de notariële akte is aan te merken als een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. 2.12. De eerste klacht faalt. 2.13. De tweede klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat een niet bestaand btw-nummer van [betrokkene 1] in de notariële akte is opgenomen, omdat "uit openbare bronnen blijkt dat een BTW-nummer (evenals thans het BTW-identificatienummer) eerst wordt toegekend door de Belastingdienst, nadat de ondernemer bij de Kamer van Koophandel als zodanig is ingeschreven" en die procedure door de verdachte en [betrokkene 1] niet is doorlopen, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat de inhoud van deze openbare bronnen niet ter terechtzitting ter sprake is gebracht en dat de verdediging geen gelegenheid heeft gehad om op de uitleg die het hof kennelijk aan de websites van de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst heeft gegeven te betwisten en ter discussie te stellen, terwijl de uitleg die het hof geeft aan wat op die websites aan informatie te vinden is over het btw-nummer onjuist is. 2.14. In dit kader stel ik voorop dat feiten of omstandigheden van algemene bekendheid op grond van art. 339, tweede lid, Sv geen bewijs behoeven. In de regel is een gegeven dat aan een internetbron is ontleend van algemene bekendheid indien dat gegeven geen specialistische kennis veronderstelt en de juistheid daarvan redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. Geen rechtsregel dwingt de rechter ertoe een algemeen bekend gegeven bij het onderzoek op de terechtzitting ter sprake te brengen. Indien echter niet zonder meer duidelijk is of het gaat om een algemeen bekend gegeven, behoort de rechter dat gegeven aan de orde te stellen bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting. Aldus wordt voorkomen dat hij zijn beslissing doet steunen op mededelingen of waarnemingen die hem buiten het geding ter kennis zijn gekomen en waarvan de overige bij het geding betrokkenen onkundig zijn gebleven, zodat zij niet in staat zijn geweest zich daarover uit te laten. Indien bij dat onderzoek op de terechtzitting vervolgens het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt wordt ingenomen dat en waarom het gegeven niet van algemene bekendheid is, zal de rechter in geval van afwijking van dat standpunt in zijn uitspraak op de voet van artikel 359 lid 2 Sv de redenen dienen op te geven die daartoe hebben geleid. 2.15. In deze zaak heeft het hof op basis van informatie die is ontleend aan de websites van de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst, kennelijk geoordeeld dat het van algemene bekendheid in de zin van art. 339, tweede lid, Sv is dat “een BTW-nummer (evenals thans het BTW-identificatienummer) eerst wordt toegekend door de Belastingdienst, nadat de ondernemer bij de Kamer van Koophandel als zodanig is ingeschreven”. Zoals ook in de toelichting op het middel wordt opgemerkt, wordt sinds 1 januari 2020 zowel een omzetbelastingnummer als een btw-identificatienummer toegekend aan ondernemers, zodat het burgerservicenummer van de ondernemer niet langer deel uitmaakt van zijn btw-identificatienummer. Daarmee wijkt de huidige situatie af zoals die gold op 13 november 2015, toen de onderhavige notariële akte werd opgemaakt. In aanmerking genomen dat de informatie op de websites van de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst is aangepast aan de situatie per 1 januari 2020, komt het kennelijke oordeel van het hof dat aan deze websites kan worden ontleend dat een btw-nummer eerst wordt toegekend door de Belastingdienst nadat de ondernemer bij de Kamer van Koophandel als zodanig is ingeschreven mij zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk voor. 2.16. Daarnaast verdient opmerking dat, zoals ook in de toelichting op het middel wordt opgemerkt, een korte blik op de websites waarnaar het hof verwijst, leert dat het omzetbelastingnummer en het btw-identificatienummer niet alleen kunnen worden toegekend nadat de ondernemer bij de Kamer van Koophandel als zodanig is ingeschreven, maar ook nadat een onderneming – die niet kan worden ingeschreven in het Handelsregister – is geregistreerd bij de Belastingdienst. Dat volgt overigens ook reeds uit de bewijsvoering van het hof. Die houdt namelijk in dat het burgerservicenummer van [betrokkene 1] is geactiveerd voor de omzetbelasting nadat zij bij de Belastingdienst een formulier “Opgaaf Startende onderneming” had ingediend. 2.17. Gelet op het voorgaande komt de overweging van het hof dat "uit openbare bronnen blijkt dat een BTW-nummer (evenals thans het BTW-identificatienummer) eerst wordt toegekend door de Belastingdienst, nadat de ondernemer bij de Kamer van Koophandel als zodanig is ingeschreven" mij niet begrijpelijk voor. Tot cassatie hoeft dit mijns inziens echter niet te leiden. De bewijsoverwegingen van het hof houden namelijk tevens in dat het btw-nummer van [betrokkene 1] bij controle in de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst niet bestond en nooit bestaan heeft en dat het burgerservicenummer van [betrokkene 1] eerst op 29 maart 2017 met terugwerkende kracht per 13 november 2015 is geactiveerd voor de omzetbelasting nadat zij bij de Belastingdienst een formulier “Opgaaf Startende onderneming” had ingediend. Daaruit volgt reeds dat ten tijde van het opmaken van de notariële akte aan [betrokkene 1] geen btw-nummer was toegekend. Deze vaststellingen, bezien in samenhang met het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof dat de omstandigheid dat voorspelbaar was welk nummer de Belastingdienst na toetsing van een eventuele aanvraag zou gaan toekennen niet relevant is, kunnen naar mijn mening het oordeel van het hof dat een niet bestaand btw-nummer van [betrokkene 1] in de notariële akte is opgenomen en de verwerping van het verweer dat er geen sprake was van een niet bestaand of onjuist btw-nummer zelfstandig dragen. De tweede klacht is aldus tevergeefs voorgesteld. 2.18. Het middel faalt in al zijn onderdelen. 3Tweede middel 3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, aangezien het oordeel van het hof dat de voorwerpen afkomstig waren uit valsheid in geschrift en niet-ambtelijke omkoping blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd. 3.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat: “hij op tijdstippen in de periode van 01 november 2013 tot en met 1 januari 2016 in de gemeente Lelystad,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.