PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/02950 Zitting 28 mei 2021 CONCLUSIE B.J. Drijber In de zaak van [betrokkene] , verzoekster tot cassatie, advocaat: mr. H.J.W. Alt tegen Google LLC, verweerster in cassatie, advocaat: mr. H.J. Pot 1Inleiding en samenvatting 1.1 Deze zaak gaat over het ‘recht om vergeten te worden’. Verzoekster tot cassatie (hierna: Betrokkene) heeft verweerster in cassatie (hierna: Google) verzocht om bepaalde zoekresultaten te verwijderen uit de resultaten bij een zoekopdracht op haar naam. Google heeft dat verzoek afgewezen, volgens de rechtbank ten onrechte maar volgens het hof terecht. 1.2 De zoekresultaten die Betrokkene verwijderd wil zien, betreffen URL’s van de Stichting Slachtoffers Iatrogene Nalatigheid Nederland (hierna: SIN-NL), waaronder ‘zwarte lijst artsen’. Betrokkene, die werkzaam is als chirurg, staat met naam en foto op die zwarte lijst naar aanleiding van een haar opgelegde tuchtrechtelijke maatregel. Ik heb er ambtshalve kennis van genomen dat de website zwartelijsartsen.nl hangende deze cassatieprocedure door de rechtbank Midden-Nederland is verboden in het kader van een collectieve actie. Op dit moment is Betrokkene dan ook niet meer vindbaar op genoemde website op de wijze als weergegeven in het verzoekschrift tot cassatie onder 1.1. en 1.2. 1.3 Eerder heeft de Hoge Raad moeten oordelen over een andere website van de stichting SIN-NL en daarbij het oordeel in stand gelaten dat die website onrechtmatig is. Begin 2017 heeft de Hoge Raad geoordeeld over een tot Google gericht verzoek tot verwijdering van zoekresultaten in een zaak over een niet-onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling. 1.4 Nadien zijn er in het gegevensbeschermingsrecht de nodige ontwikkelingen geweest, in de wetgeving als gevolg van de invoering van de AVG en in de rechtspraak als gevolg van het arrest GC e.a./CNIL van het Hof van Justitie. Van deze ontwikkelingen, die van direct belang zijn voor de beoordeling van dit cassatieberoep, geef ik in hoofdstuk 4 een samenvatting. 1.5 In de kern zijn in deze zaak twee vragen aan de orde. Ten eerste de vraag of gegevens over een tuchtrechtelijke procedure aan te merken zijn als strafrechtelijke gegevens in de zin van art. 10 AVG. Ten tweede de vraag of het hof bij de toepassing van het recht om vergeten te worden een juiste afweging heeft gemaakt tussen de eerbiediging van het privéleven en de bescherming van de persoonsgegevens van Betrokkene enerzijds en de vrijheid van meningsuiting en informatie van Google en internetgebruikers anderzijds. Ik kom tot de slotsom dat de bestreden beschikking in stand moet blijven. Noodzaak voor een prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie zie ik niet. 2Feiten 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: 2.2 Betrokkene is plastisch chirurg en werkzaam vanuit haar eigen kliniek. Zij houdt zich in haar kliniek onder meer bezig met het verwijderen van siliconen borstprothesen bij vrouwen met lichamelijke klachten die aan dergelijke borstprothesen worden toegeschreven. 2.3 Google is exploitant van de zoekmachine Google Search. Gebruikers kunnen een of meer zoektermen opgeven, waarna de zoekmachine een pagina met zoekresultaten weergeeft. De zoekresultatenpagina toont hyperlinks die onder andere naar webpagina’s (ook wel: bronpagina’
(2016)en dat de proeftijd van [Betrokkene] op 18 mei 2018 is afgelopen. Het publiek kan daaruit afleiden dat de (ernstige) feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de maatregel niet noodzakelijkerwijs overeenkomen met de huidige stand van zaken in de praktijk van [Betrokkene]. De inhoud van de informatie is gelet op de zichtbaarheidstermijn van vijf jaar van de tuchtmaatregelen in het BIG-register actueel. Van [Betrokkenes] voorwaardelijke schorsing en de proeftijd van twee jaar is een wettelijk verplichte aantekening gemaakt in het BIG-register die tijdens de proeftijd en nog vijf jaar daarna zichtbaar blijft. Gedurende de zichtbaarheidstermijn blijft [Betrokkene] met de aan haar opgelegde maatregel vermeld op het overzicht van zorgverleners met een maatregel dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport jaarlijks op de website van het BIG-register publiceert. De litigieuze zoekresultaten maken overigens een ondergeschikt deel uit van de zoekresultatenpagina, waarop ook positieve berichtgeving over [Betrokkene] wordt getoond, en zijn om die reden niet bovenmatig. (…) 2.15 Het hof acht verder aannemelijk dat een gemiddelde internetgebruiker zal begrijpen dat de website van SIN-NL geen ‘officiële’ zwarte lijst van overheidswege bevat. De subtitel van de ‘zwarte lijst artsen’ luidt “een initiatief van SIN-NL” en het particuliere karakter van de website blijkt uit onder andere de naam, de vormgeving en het taalgebruik ervan. Weliswaar heeft de aanduiding ‘zwarte lijst’ een negatieve lading en is invoelbaar dat [Betrokkene] tegen haar vermelding op die lijst bezwaar heeft maar SIN-NL, en niet Google, is verantwoordelijk voor deze aanduiding op haar website en de rechtmatigheid daarvan ligt in deze zaak niet ter beoordeling voor. Het is aan [Betrokkene] om desgewenst rechtsmaatregelen tegen SIN-NL te nemen. Dat [Betrokkene] ervoor kiest om daarvan af te zien omdat zij daar weinig heil van verwacht, is op zichzelf weliswaar niet onbegrijpelijk maar de gevolgen daarvan komen wel voor haar rekening en risico.” 5.43 Het middel betoogt dat het hof met de eerste volzin van rov. 2.13 heeft miskend dat het recht op privacy niet beperkt is tot ‘informatie over haar privéleven’, maar ook ziet op aantasting van de eer en goede naam en dus de professionele reputatie. Ook is het hof ten onrechte voorbij gegaan aan het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens. Voorts heeft het hof miskend dat bij een belangenafweging, ook onder de subsidiaire grondslag, van belang is of de gewraakte uitlatingen rechtmatig, dan wel onrechtmatig zijn. In zoverre lag die beoordeling dus wel aan het hof voor. 5.44 Met de klacht dat het hof heeft miskend dat het recht op privacy niet beperkt is tot informatie over het privéleven van Betrokkene gaat het middel uit van een onjuiste lezing van de beschikking. Het hof heeft niet geoordeeld dat het recht op privacy daartoe is beperkt, maar heeft overwogen dat de informatie waarnaar de zoekresultaten verwijzen uitsluitend betrekking heeft op professioneel handelen van haar en dat díe informatie voor het publiek, in het bijzondere de (potentiële) patiënten, relevant is en geen informatie betreft over haar privéleven. Om onder meer die redenen heeft het hof geoordeeld dat de informatie relevant, feitelijk van aard en niet onnodig grievend is. 5.45 Wat betreft de klacht over het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens waaraan het hof ten onrechte voorbij zou zijn gegaan, wijs ik op hetgeen ik reeds bij de bespreking van de klachten onder 2.2.4 en 2.2.5 heb opgemerkt over de gebondenheid van het hof aan een dergelijk advies in een andere zaak (zie hiervoor, 5.23). 5.46 Voor het overige verliest het middel uit het oog dat deze zaak gaat over de rechtmatigheid van de vermelding van de zoekresultaten door Google. Zoals het hof in rov. 2.4 en 2.5 heeft uiteengezet, gaat het daarbij alleen om de eigen verwerking van persoonsgegevens door Google als exploitant van de zoekmachine, in het bijzonder het indexeren van de webpagina en het weergeven van een link naar de webpagina en is Google niet verantwoordelijk voor het feit dat de betrokken persoonsgegevens op een webpagina staan die door een derde is gepubliceerd. Om die reden geeft het oordeel van het hof in rov. 2.15 dat de rechtmatigheid van de benaming ‘zwarte lijst artsen’ en de vermelding van Betrokkene op die lijst in deze zaak niet voorligt geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 5.47 Onderdeel 3 faalt in zijn geheel. 5.48 Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 2.12-2.17 en 2.19 en betoogt onder 2.4.1 dat het hof bij zijn belangenafweging heeft miskend dat alle omstandigheden van het geval van belang zijn, dan wel dat het hof essentiële stellingen heeft gepasseerd door de omstandigheden genoemd onder 2.4-I t/m 2.4-XVI ten onrechte mee te wegen. Punt 2.4.2 bevat een conclusie. 5.49 Ik stel voorop dat een groot aantal van de klachten niet verwijst naar vindplaatsen in de stukken in feitelijke instanties waar de stellingen zijn ingenomen, waardoor die klachten niet voldoen aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv. Daarnaast wijs ik erop dat de klachten enkel gaan over essentiële stellingen die het hof ten onrechte niet kenbaar zou hebben beoordeeld. 5.50 2.4.1-I betreft de door Betrokkene in appel aangevoerde stellingen over de systematiek van de wet BIG en de stelling dat de tuchtrechtelijke sancties thans rechtstreeks vindbaar zijn op internet. 5.51 Anders dan het middel aanvoert, is het hof voldoende ingegaan op de stellingen over de systematiek van de wet BIG. Het hof heeft in rov. 2.13 daar aandacht aan besteed door in te gaan op de zichtbaarheidstermijn van een aantekening in het BIG-register en daarmee samenhangend de actualiteit van de informatie waarnaar wordt verwezen. 5.52 Voorts geldt dat Betrokkene bij pleidooi in hoger beroep in het kader van de nieuwe ontwikkelingen die van belang zijn voor de toets ex nunc, onder meer heeft gesteld dat tuchtrechtelijke sancties tegenwoordig wél rechtstreeks via Google vindbaar zijn. Hiermee heeft zij echter niet weersproken dat het BIG-register in de praktijk nauwelijks wordt geraadpleegd. Betrokkene is evenmin ingegaan op de stellingen van Google over de technische set-up van de website en de anonimisering die de informatie ontoegankelijk maken. Het hof behoefde daarom niet nader in te gaan op de stelling van Betrokkene. 5.53 2.4-II betreft de stelling dat de wet BIG is gewijzigd in die zin dat opgelegde tuchtrechtelijke maatregelen alleen nog in het BIG-register worden gepubliceerd als het tuchtcollege dit noodzakelijk acht ten einde onevenredige naming and shaming te voorkomen. Het hof heeft deze stelling volgens het middel niet in zijn inhoudelijk beoordeling betrokken. 5.54 Het hof heeft echter voldoende op deze stellingen gerespondeerd door te overwegen dat de inhoud van de informatie waarnaar de zoekresultaten van Google verwijzen voldoende actueel is gezien de zichtbaarheidstermijn van vijf jaar van de tuchtmaatregelen in het BIG-register. 5.55 2.4-III, 2.4-V, 2.4-VI, 2.4-VII, 2.4-X, 2.4-XI, 2.4-XII betreffen stellingen over de rechtmatigheid of kwaliteit van de website zwartelijstartsen.nl, zoals de stelling dat voor het bijhouden van een zwarte lijst toestemming nodig is van de Autoriteit Persoonsgegevens, een stelling over de werking van Zorgkaartnederland.nl, de stelling dat zwartelijsartsen.nl geen objectieve berichtgeving bevat, die bijdraagt aan het deugdelijk informeren van patiënt en consument en dat rechters kritisch tegenover zwarte lijsten staan. 5.56 Deze stellingen zijn niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de weergave van de zoekresultaten door Google. Zij betreffen de rechtmatigheid van het opnemen van informatie over Betrokkene op de lijst van zwartelijstartsen. Gelet op hetgeen het hof hierover in rov. 2.15 heeft overwogen, behoefde het hof niet nader in te gaan op deze stellingen. 5.57 Daarnaast heeft het hof gerespondeerd op de stelling dat de kwaliteit van de website zwartelijstartsen.nl te wensen over laat. Het hof heeft wat betreft de informatie over Betrokkene in (de eerste volzin van) rov. 2.13 immers geoordeeld dat de informatie waarnaar de zoekresultaten verwijzen relevant, feitelijk van aard en niet onnodig grievend is. 5.58 2.4-IV betreft opnieuw de stelling over de gewijzigde opstelling van de Autoriteit Persoonsgegevens ten aanzien van zwartelijstartsen.nl. 5.59 Ik verwijs nogmaals naar hetgeen ik bij de bespreking van de klachten onder 2.2.4 en 2.2.5 hierover heb opgemerkt (zie hiervoor, 5.23). 5.60 2.4-VIII betreft de stelling over de geringe speelruimte die een arts in verband met zijn geheimhoudingsplicht heeft om zich uit te laten over een tuchtzaak, waardoor een arts zich niet goed kan verweren. Het middel verwijst naar de conclusie van A-G Langemeijer in de tweede zaak tussen SIN-NL en een arts (vgl. hiervoor, 1.3). 5.61 In tegenstelling tot hetgeen het middel aanvoert, is het hof in rov. 2.16 (midden) hier wel degelijk op ingegaan door te overwegen dat Betrokkene actief de publiciteit zoekt en al geruime tijd een prominente plaats inneemt in het debat over de risico’s van borstimplantaten. Het hof is tevens van oordeel dat in dat kader relevant is dat zij een zware tuchtrechtelijke maatregel opgelegd heeft gekregen. Ik citeer rov. 2.16: “Dat [Betrokkene] substantiële hinder ondervindt van de litigieuze zoekresultaten heeft zij niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Het is op zichzelf overigens niet onaannemelijk dat haar vermelding op de ‘zwarte lijst’ bij huidige en potentiële patiënten vragen oproept en voorstelbaar is dat dit er zelfs toe geleid kan hebben dat potentiële patiënten zich door een andere arts hebben laten behandelen. [Betrokkene]zoekt echter actief de publiciteit en neemt al geruime tijd een prominente plaats in in het debat over de risico’s van borstimplantaten. In dat debat is het feit dat zij een zware tuchtrechtelijke maatregel opgelegd heeft gekregen relevant. Daarnaast houdt zij zich bezig met promotie van het ‘zonedieet’ waarvoor zij via haar website voedingssupplementen verkoopt en met controversiële behandelingen van mensen met seksuele problemen. Volgens [Betrokkene] hebben haar (potentiële) patiënten veelal weinig behandelopties. Juist voor dergelijke patiënten acht het hof van groot belang dat online informatie beschikbaar en eenvoudig toegankelijk is over de voor- en nadelen van de behandelingen van [Betrokkene]. Dat belang geeft voor het hof in de belangenafweging de doorslag.” 5.62 2.4-IX betreft de stelling van Betrokkene dat de publicatie van een tuchtrechtelijke maatregel een grote impact heeft en onevenredig veel schade toebrengt. 5.63 Het hof heeft in rov. 2.16 op deze stelling gerespondeerd door te overwegen dat Betrokkene niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd dat zij substantiële hinder ondervindt van de litigieuze zoekresultaten en is vervolgens ingegaan op de gevolgen die de betreffende publicaties mogelijk voor Betrokkene kunnen hebben. 5.64 Ik voeg toe dat, ook als men zich kan voorstellen dat een arts als Betrokkene last ondervindt van plaatsing op zwartelijsten.nl, dat eerder een reden is om de voor die website verantwoordelijke persoon in rechte te betrekken omdat deze inhoudelijk verantwoordelijk is voor de informatie. Betrokkene heeft ervan afgezien dat te doen, maar zoals hiervoor opgemerkt in 1.2 is dat inmiddels wel (met succes) gedaan in een actie op grond van art. 3:305a BW. 5.65 2.4-XIII betreft de stelling dat de snippet die Google toont zelfstandig beoordeeld dient te worden en onrechtmatig is. 5.66 Deze stelling gaat over de verhouding tussen de beoordeling van de rechtmatigheid van de vermelding van Betrokkene op de lijst van ‘zwarte artsen’ en de rechtmatigheid van de vermelding van de zoekresultaten door Google. Het hof heeft in rov. 2.4, 2.5 en 2.15 overwegingen gewijd aan die verhouding en is in rov. 2.13-2.16 ingegaan op de lijst met resultaten zelf en de vindbaarheid van de informatie via de zoekresultaten van Google. Hiermee heeft het hof voldoende gerespondeerd op de stelling. 5.67 2.4-XIV betreft een stelling over de procesopstelling van Google inhoudende dat Google zich op het standpunt heeft gesteld dat het belangrijk is dat patiënten worden gewaarschuwd voor Betrokkene en dat Google nieuwe publicaties over Betrokkene opneemt in de lijst met zoekresultaten van een search op haar naam. 5.68 Daargelaten of de stelling over de nieuwe publicaties voldoende relevant is, is de stelling onvoldoende onderbouwd. De genoemde producties gaan niet over de zeven nieuwe publicaties en ook verder wordt hierover geen duidelijkheid geschapen. Tevens is het hof in rov. 2.16 ingegaan op het belang om (potentiële) patiënten te informeren. 5.69 2.4-XV ziet op de stelling dat volgens de EDPB het vergeetrecht onder de AVG aanzienlijk is versterkt doordat de bewijslast is verschoven naar Google. 5.70 Uit het middel volgt niet eenduidig tegen welke overweging de klacht is gericht en waaruit blijkt dat het hof de bewijslastverdeling heeft miskend. Hoe dan ook gaat de klacht uit van een onjuiste lezing van de richtsnoeren van de EDPB. Ik verwijs naar hetgeen ik daarover heb opgemerkt (zie hiervoor, 4.24). 5.71 2.4-XVI bevat de stelling dat bij de vermelding op zwartelijstartsen.nl ten onrechte staat dat zij met toestemming van de Nederlandse rechter op die lijst staat en dat de lijst een officiële zwarte lijst is. 5.72 Het hof heeft in rov. 2.13 te kennen gegeven dat zijn oordeel dat de informatie waarnaar de zoekresultaten verwijzen relevant, feitelijk van aard en niet onnodig grievend is, niet ziet op de vermelding dat Betrokkene met toestemming van de Nederlandse rechter op de ‘zwarte lijst’ van SIN-NL zou staan. In rov. 2.15 overweegt het hof dat het aannemelijk is dat een gemiddelde internetgebruiker zal begrijpen dat de website van SIN-NL geen ‘officiële’ zwarte lijst van overheidswege bevat, dat SIN-NL (en niet Google) verantwoordelijk is voor deze aanduiding op haar website en dat de rechtmatigheid daarvan in deze zaak niet ter beoordeling voorligt. 5.73 2.4.2 bevat een conclusie en behoeft geen afzonderlijke bespreking. Onderdeel 4 faalt in zijn geheel. 5.74 Onderdeel 5 is gericht tegen rov. 2.13, 2.15 en 2.16 (alle reeds geciteerd). Het middel betoogt onder 2.5.1 dat het hof het bezwaar van Betrokkene heeft miskend dat de koppeling van haar naam aan de aanduiding ‘zwarte lijst’ de onjuiste indruk wekt dat zij niet mag werken als arts, waarvan zij veel hinder ondervindt, onder 2.5.2 dat het hof niet heeft gemotiveerd op welke gronden het op dit punt tot een ander oordeel is gekomen dan de rechtbank, onder 2.5.5 dat onjuist en onbegrijpelijk is het oordeel dat Betrokkene onvoldoende heeft onderbouwd dat zij substantiële hinder ondervindt en onder 2.5.6 dat het oordeel van het hof innerlijk tegenstrijdig is waar eerst in rov. 2.16 wordt geoordeeld dat Betrokkene onvoldoende heeft onderbouwd dat zij substantiële hinder ondervindt en vervolgens wordt overwogen dat het niet onaannemelijk is dat potentiële patiënten zich door een andere arts hebben laten behandelen. 5.75 De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Het hof heeft geoordeeld dat Betrokkene niet voldoende heeft aangetoond op welke manier en in welke mate zij substantiële hinder ondervindt van de litigieuze zoekresultaten. Met de overweging in rov. 2.15 dat de aanduiding ‘zwarte lijst’ een negatieve lading heeft en dat invoelbaar is dat Betrokkene tegen haar vermelding op de lijst bezwaar heeft, heeft het hof bovendien te kennen dat het onder ogen heeft gezien wat haar bezwaar is. Het hof heeft echter met juistheid geoordeeld dat Google niet verantwoordelijk is voor de aanduiding ‘zwarte lijst’ op de website en dat de rechtmatigheid daarvan in deze zaak niet ter beoordeling voorligt. Hiermee heeft het hof ook voldoende gemotiveerd waarom het tot een ander oordeel is gekomen dan de rechtbank. Het feit dat de appelrechter een ander oordeel geeft dan de rechter in eerste aanleg betekent niet dat de appelrechter een verzwaarde motiveringsplicht heeft, zoals het middel lijkt te suggereren. De reikwijdte van de motiveringsplicht van de appelrechter wordt bepaald door het debat tussen partijen. De klachten onder 2.5.1 en 2.5.2 falen. 5.76 Dat het hof ook onder ogen heeft gezien dat Betrokkene hinder ondervindt van de vermelding komt tot uitdrukking in rov. 2.16 waar wordt overwogen dat het op zichzelf overigens niet onaannemelijk is dat haar vermelding op de ‘zwarte lijst’ bij huidige en potentiële patiënten vragen oproept en voorstelbaar is dat dit er zelfs toe geleid kan hebben dat potentiële patiënten zich door een andere arts hebben laten behandelen. Het hof weegt dit echter af tegen de belangen van potentiële patiënten en komt tot de conclusie dat die belangen zwaarder wegen. Het hof is dus van oordeel dat de hinder die Betrokkene stelt te ondervinden niet zodanig substantieel is dat de rechten van Betrokkene zwaarder wegen dan die van potentiële patiënten. Het is derhalve rechtens niet onjuist, innerlijk tegenstrijdig of onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat Betrokkene onvoldoende heeft onderbouwd dat zij substantiële hinder ondervindt. De klachten onder 2.5.5 en 2.5.6 falen eveneens. 5.77 Onder 2.5.3 betoogt het middel dat het hof ten onrechte niet de informatie op de gehele pagina over Betrokkene heeft meegewogen, maar alleen de tekst op het witte tekstvlak. 5.78 Onder 2.5.4 voegt het middel hieraan toe dat het hof in rov. 2.13, 2.15 en 2.16 heeft miskend dat Betrokkene heeft gewezen op het onheilspellende karakter van de website zwartelijstartsen.nl in zijn geheel en ten onrechte alleen de pagina over Betrokkene in zijn oordeel heeft betrokken. 5.79 Blijkens rov. 2.15 heeft het hof acht geslagen op de naam, de vormgeving en het taalgebruik en aldus klaarblijkelijk niet alleen gekeken naar de tekst op het witte tekstvlak. 5.80 Daarnaast verliezen deze klachten uit het oog dat het hof, zoals het heeft overwogen in rov. 2.5, in deze zaak de rechtmatigheid heeft beoordeeld van de weergave door Google van een verwijzing naar een bronpagina. De rechtmatigheid van de inhoud en het karakter van de bronpagina ligt, in lijn met hetgeen het hof in rov. 2.16 heeft overwogen, in de onderhavige zaak niet ter beoordeling voor. De klachten onder 2.5.3 en 2.5.4 falen derhalve. 5.81 Onder 2.5.7 klaagt het middel dat het hof de bewijslastverdeling heeft miskend, omdat het niet op de weg van Betrokkene ligt om te onderbouwen dat zij substantiële hinder ondervindt. 5.82 Ik wijs erop dat het hof in rov. 2.4 heeft overwogen dat ingevolge art. 6 lid 1 aanhef en sub f AVG de verwerking van persoonsgegevens slechts dan een rechtmatige grondslag heeft als deze noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen. In rov. 2.12 heeft het hof overwogen dat uit art. 17 AVG volgt dat beoordeeld dient te worden of Google dwingende, gerechtvaardigde gronden voor de verwerking heeft aangevoerd die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van Betrokkene als bedoeld in art. 21 lid 1 AVG (recht van bezwaar, zie hiervoor 4.22). Voor een succesvol beroep op art. 21 lid 1 AVG is volgens het hof vereist dat een afweging van alle betrokken belangen in het voordeel van de betrokkene uitvalt om redenen die de betrokkene aanvoert en die verband houden met zijn specifieke situatie. Nog los van de vraag op wie de bewijslast rust, is het dus aan de verzoeker om zijn stellingen over zijn belangen die relevant zijn voor de te maken belangenafweging voldoende te onderbouwen. De klacht faalt. 5.83 Onderdeel 5 kan daarmee niet tot cassatie leiden. 5.84 Onderdeel 6 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.13 dat de litigieuze zoekresultaten een ondergeschikt deel uitmaken van de zoekresultatenpagina, waarop ook positieve berichtgeving over Betrokkene wordt getoond, en om die reden niet bovenmatig zijn. 5.85 Onder 2.6.1 klaagt het middel dat het hof met dit oordeel buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, omdat geen van de partijen heeft gesteld dat de litigieuze zoekresultaten een ondergeschikt deel uitmaken van de zoekresultatenpagina. 5.86 Onder 2.6.2 betoogt het middel dat het hof voorbij is gegaan aan de stelling dat het zoekresultaat dat verwijst naar zwartelijstartsen.nl juist zeer prominent wordt getoond op Google en dat het hof een rechtens onjuist of onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. 5.87 Onder 2.6.2 geeft Betrokkene aan dat zij in feitelijke instanties heeft aangevoerd dat het zoekresultaat dat verwijst naar zwartelijstartsen.nl zeer prominent wordt getoond op Google. Door Google is daar tegen ingebracht dat de litigieuze zoekresultaten een ondergeschikt deel uitmaken van zoekresultatenpagina, met daarop ook (veel) positieve berichtgeving over Betrokkene, en dus niet bovenmatig zijn. Partijen hebben hierover dus debat gevoerd. De klacht onder 2.6.1 dat het hof derhalve buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden faalt om die reden. 5.88 Het oordeel van het hof dat de zoekresultaten een ondergeschikt deel uitmaken van de zoekresultatenpagina is feitelijk van aard en kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Gelet op hetgeen partijen in feitelijke instanties hierover hebben aangevoerd is dit oordeel niet onbegrijpelijk. De klacht onder 2.6.2 faalt derhalve. 5.89 Onder 2.6.3 klaagt het middel dat het oordeel van het hof onjuist en onbegrijpelijk is omdat het een feit van algemene bekendheid is dat de vermelding dat iemand op een zwarte lijst staat de aandacht trekt en niet onopgemerkt blijft. Dat er ook positieve berichtgeving over Betrokkene is maakt niet dat zij geen hinder ondervindt. 5.90 Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, heeft het hof niet geoordeeld dat de vermelding geen aandacht trekt, onopgemerkt blijft of dat Betrokkene hierdoor geen hinder ondervindt. Gelet op de gehele zoekresultatenpagina gaat het het hof erom dat er zowel naar positieve als naar negatieve berichten wordt verwezen, waardoor de litigieuze zoekresultaten niet zodanig prominent aanwezig zijn dat zij als bovenmatig zouden kunnen worden aangemerkt. Dit oordeel moet ook in samenhang worden gelezen met rov. 2.16, waarin het hof heeft overwogen dat het van groot belang is voor potentiële patiënten dat online informatie beschikbaar en eenvoudig toegankelijk is over de voor- en nadelen van de behandelingen van Betrokkene. Het oordeel dat de litigieuze zoekresultaten een ondergeschikt deel uitmaken van de zoekresultatenpagina, waarop ook positieve berichtgeving over Betrokkene wordt getoond, en om die reden niet bovenmatig zijn, is daarmee niet onbegrijpelijk. 5.91 Onderdeel 6 faalt daarmee in zijn geheel. 5.92 Onderdeel 7 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.14 waarin het hof heeft overwogen dat Google onweersproken heeft gesteld dat het BIG-register in de praktijk nauwelijks wordt geraadpleegd en dat de technische set-up van de website van het BIG-register ervoor zorgt dat die niet altijd en prominent doorwerkt in een zoekresultatenpagina. 5.93 Onder 2.7.1 klaagt het middel dat het hof ten onrechte uitgaat van een algemene stelling over de raadpleging van het BIG-register en zijn uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd. De pagina over Betrokkene in het BIG-register is uitstekend vindbaar. Het hof is zonder toelichting voorbijgegaan aan de stellingen van Betrokkene over de zoekresultaten die verwijzen naar haar vermelding in het BIG-register. Bij pleidooi in hoger beroep heeft zij gesteld dat Google tegenwoordig rechtstreeks zoekresultaten toont uit het BIG-register. 5.94 Onder 2.7.2 voegt het middel hieraan toe dat het oordeel van het hof dat de technische set-up van de website van het BIG-register ervoor zorgt dat die niet altijd en niet heel prominent doorwerkt in een zoekresultatenpagina feitelijk onjuist is. 5.95 Zelfs als ervan moet worden uitgegaan dat een vermelding in het BIG-register tegenwoordig via Google kan worden gevonden, betekent dit nog niet dat het BIG-register in de praktijk veelvuldig wordt gebruikt en de overweging van het hof dat de website nauwelijks wordt geraadpleegd onbegrijpelijk is. 5.96 Daar komt bij dat Betrokkene geen belang heeft bij de klacht. De overweging die de klacht bestrijdt moet namelijk in samenhang worden gelezen met de rest van rov. 2.
- Het hof heeft daar tevens overwogen dat het publiek op de website van het BIG-register niet eenvoudig kan kennisnemen van de inhoud van de tuchtrechtelijke uitspraken over Betrokkene omdat de uitspraken geanonimiseerd zijn. Dat de vermelding in het BIG-register via Google kan worden gevonden, maakt het voorgaande niet anders. 5.97 Onderdeel 7 faalt in zijn geheel. 5.98 Onderdeel 8 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.15 (hiervoor geciteerd in 5.42). 5.99 Onder 2.8.1 betoogt het middel dat het hof bij zijn oordeel niet heeft meegewogen wat het gevolg is van de onjuiste stelling ‘de vermelding dat [Betrokkene] met toestemming van de Nederlandse rechter op de ‘zwarte lijst’ van SIN-NL staat’. Het hof gaat er ten onrechte van uit dat bij de vraag of de zwarte lijst serieus wordt genomen de ‘gemiddelde internetgebruiker’ als maatman moet worden genomen. Volgens het middel moet dat zijn ‘een normaal geïnformeerd en redelijk oplettende en bedachtzame gemiddelde consument’, de maatman uit het reclamerecht. 5.100 De klacht faalt reeds omdat niet is voldaan aan de op grond van art. 426a lid 2 Rv aan een cassatieklacht te stellen eisen. Het middel geeft niet aan waarom van de maatman in het reclamerecht moet worden uitgegaan en hoe dit tot een ander oordeel zou hebben geleid. Hierdoor wordt ook niet duidelijk in welk opzicht het oordeel van het hof onjuist zou zijn. 5.101 Onder 2.8.2 klaagt het middel dat het bestreden oordeel van het hof inhoudelijk onjuist en onbegrijpelijk is. Het publiek zal op basis van de subtitel ‘Een initiatief van SIN NL’ niet herkennen dat het hier om een privé-initiatief gaat. Daarnaast is het voor de hinder die Betrokkene ondervindt niet relevant of het publiek zwartelijstartsen.nl al dan niet als ‘officiële zwarte lijst van overheidswege’ zal herkennen. 5.102 De klacht verliest uit het oog dat het hof in zijn oordeel heeft betrokken dat het particuliere karakter van de website naast de subtitel blijkt uit onder andere de naam, de vormgeving en het taalgebruik ervan. Daar komt bij dat het hof hier niet uit heeft afgeleid dat Betrokkene geen hinder ondervindt van de vermelding op de lijst. Uit het vervolg van de overweging blijkt dat het hof wel degelijk heeft onderkend dat de aanduiding op de lijst een negatieve lading heeft en dat het invoelbaar is dat Betrokkene er bezwaar tegen heeft. Tevens volgt uit rov. 2.16 dat het hof van mening is dat Betrokkene enige hinder ondervindt in die zin dat het vragen bij patiënten oproept of zelfs zorgt voor een afname van het aantal patiënten. Zoals reeds aan de orde is gekomen bij de bespreking van de klachten onder 2.5.5 en 2.5.6, heeft het hof dit afgewogen tegen de belangen van potentiële patiënten. 5.103 Ook onderdeel 8 faalt. 5.104 Onderdeel 9 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.16 (hiervoor geciteerd in 5.61). 5.105 Onder 2.9.1 betoogt het middel dat het hof zonder nadere toelichting voorbijgaat aan het standpunt van A-G Langemeijer dat een arts gebonden is aan zijn professionele geheimhoudingsplicht waardoor hij niet altijd in het openbaar gedetailleerd kan reageren. 5.106 Het middel gaat uit van een onjuiste lezing van het oordeel van het hof. Ik verwijs daartoe naar de bespreking van de klacht onder 2.4-VIII (zie hiervoor, 5.61). 5.107 Onder 2.9.2 klaagt het middel dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd hoe het tot het oordeel is gekomen dat het feit dat Betrokkene een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd heeft gekregen relevant is voor het debat over de risico’s van borstimplantaten. 5.108 Ook deze klacht gaat uit van een onjuiste lezing van de beschikking van het hof. Het hof heeft niet geoordeeld dat de informatie over de tuchtrechtelijke maatregel relevant is voor het debat over de risico’s van borstimplantaten, maar veeleer dat deze informatie relevant is voor potentiële patiënten die overwegen zich door Betrokkene te laten behandelen. 5.109 Onder 2.9.3 betoogt het middel, als ik het goed zie, dat het hof heeft miskend dat het feit dat Betrokkene een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd heeft gekregen op dit moment wel in het BIG-register staat. 5.110 Deze klacht bouwt voort op de klachten in onderdeel 7 en faalt om dezelfde redenen. 5.111 Onder 2.9.4 klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat de opgelegde maatregel zwaar is, onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is, gezien het door Betrokkene in feitelijke instanties ingenomen standpunt dat de maatregel niet zwaar is. 5.112 Bij deze klacht ontbreekt belang. Het hof zou namelijk niet anders hebben geoordeeld indien het in overweging had genomen dat een zwaardere tuchtrechtelijke maatregel opgelegd had kunnen worden en de opgelegde maatregel daarom niet zo zwaar is. Het gaat het hof immers om het belang van potentiële patiënten bij eenvoudig toegankelijke informatie hierover. 5.113 Onder 2.9.5 klaagt het middel dat het hof een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven door te overwegen dat Betrokkene zich bezig houdt met de promotie van het ‘zonedieet’ en met controversiële behandelingen van mensen met seksuele problemen. Google heeft hier pas op gewezen bij pleidooi in hoger beroep. Dit betreft derhalve een nieuwe stelling die het hof op grond van art. 347 Rv buiten beschouwing had moeten laten. Tevens heeft hierover geen debat meer plaatsgevonden waardoor het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen. 5.114 Het middel heeft geen belang bij deze klacht. Het betreft geen wezenlijk onderdeel van de belangenafweging van het hof. Met deze overweging heeft het hof louter een beeld geschetst van de behandelingen die Betrokkene aan haar patiënten aanbiedt. 5.115 Daarmee faalt onderdeel 9 in zijn geheel. 5.116 Onderdeel 10 bestaat uit drie subonderdelen en is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.16 dat het belang van potentiële patiënten dat online informatie beschikbaar en eenvoudig toegankelijk is in de belangenafweging de doorslag geeft. 5.117 De klachten onder 2.10.1 slagen niet. De klacht onder (i) is een herhaling van de klacht onder 2.9.4 en faalt om dezelfde redenen. De klachten onder (ii) en (iv) voldoen niet aan de op grond van art. 426a lid 2 Rv aan een cassatieklacht te stellen eisen. De klacht onder (iii) vormt een herhaling van de klachten van onderdeel 7 en faalt om dezelfde redenen. 5.118 Onder 2.10.2 voert het middel aan dat het hof met zijn oordeel dat de vermelding van Betrokkene op zwartelijstartsen.nl inclusief de daar opgenomen volledige tekst van de tuchtrechtelijke uitspraak juist voor de (potentiële) patiënten van groot belang is, heeft miskend dat het verzoek van Betrokkene helemaal niet gericht is op het buiten het zicht houden van de tuchtrechtelijke uitspraak, maar enkel om niet op Google als ‘zwarte lijst arts’ te worden neergezet. Daarnaast heeft het hof ten onrechte doorslaggevend gewicht toegekend aan de vaststelling dat de patiënten van Betrokkene weinig behandelopties hebben en dat het hof hiermee ten onrechte een andere maatstaf heeft aangelegd dan de medisch tuchtrechter. 5.119 Naar mijn mening heeft het hof met zijn oordeel de strekking van het verzoek van Betrokkene niet miskend, maar is het tot de conclusie gekomen dat het belang van potentiële patiënten dat online informatie beschikbaar en eenvoudig toegankelijk is de doorslag geeft. Dat (potentiële) patiënten van Betrokkene veelal weinig behandelopties hebben speelt in samenhang met andere omstandigheden daarbij een rol. 5.120 Onder 2.10.3 betoogt het middel dat het hof heeft miskend dat er via zwartelijstartsen.nl helemaal niet ‘eenvoudig online informatie beschikbaar en toegankelijk is over de voor- en nadelen van de behandelingen van [Betrokkene]’. 5.121 Ook deze klacht gaat uit van een onjuiste lezing van het oordeel van het hof. Het hof heeft niet geoordeeld dat er via zwartelijstartsen.nl eenvoudig online informatie beschikbaar en toegankelijk is over de voor- en nadelen van de behandelingen van [Betrokkene], maar dat het van belang is dat online informatie daarover beschikbaar en eenvoudig toegankelijk is. 5.122 Onderdeel 10 faalt in zijn geheel. 5.123 Onder 2.11 komt het middel tot een conclusie betreffende de onderdelen 2.5 t/m 2.10, hetgeen afzonderlijke bespreking behoeft. Tussenconclusie 5.124 Ik kom tot de slotsom dat de klachten gericht tegen het oordeel van het hof over de subsidiaire grondslag falen. Proceskosten 5.125 Onderdeel 12 is gericht tegen de kostenveroordeling (rov. 2.20). 5.126 Onder 2.12.1 voert het middel aan dat het hof Betrokkene ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten in beide feitelijke instanties. Het hof heeft hierbij miskend dat bij een procedure waarbij een natuurlijk persoon van zijn rechten in het kader van de Wbp/AVG gebruik maakt, die persoon, ook als hij of zij in het ongelijk wordt gesteld, niet dient te worden veroordeeld in de proceskosten van de aangesproken verwerker van zijn persoonsgegevens. Het middel beroept zich op art. 79 AVG en op art. 47 Handvest, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in de zaak Puškár en in twee uitspraken van het hof Den Bosch. Het hof heeft met zijn oordeel over de proceskosten blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel op dit punt onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. 5.127 Onder 2.12.2 voert het middel aan dat indien geen van de klachten in cassatie zou slagen, de proceskosten in alle instanties dienen te worden gecompenseerd en indien één of meer van de klachten in cassatie wél zouden slagen, Google dient te worden veroordeeld in de proceskosten van Betrokkene in alle instanties. 5.128 Onder 2.12.3 geeft het middel in overweging om bij twijfel hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. 5.129 Ik stel voorop dat art. 289 Rv voor verzoekschriftprocedures bepaalt dat een eindbeschikking een veroordeling in de proceskosten kan inhouden. De rechter kan hiertoe ook ambtshalve overgaan. Het uitgangspunt is dat het aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt is overgelaten of deze aanleiding ziet in het gegeven geval een veroordeling in de proceskosten uit te spreken. Een dergelijk oordeel behoeft in beginsel geen motivering. Ik merk tot slot op dat in verzoekschriftprocedures de rechter niet het Liquidatietarief hoeft toe te passen. 5.130 Het middel stelt de vraag aan de orde of art. 79 AVG in verbinding met art. 47 Handvest in de weg staat aan een proceskostenveroordeling van de verzoeker in een zaak jegens een verwerkingsverantwoordelijke onder de AVG. 5.131 Art. 79 AVG garandeert het recht van een betrokkene op een doeltreffende voorziening in rechte. Lid 1 van art. 79 bepaalt het volgende: “Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep, waaronder het recht uit hoofde van artikel 77 een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, heeft elke betrokkene het recht een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen indien hij van mening is dat zijn rechten uit hoofde van deze verordening geschonden zijn ten gevolge van een verwerking van zijn persoonsgegevens die niet aan deze verordening voldoet.” 5.132 Art. 47 Handvest garandeert hiermee het recht op doeltreffende rechterlijke bescherming – dat het recht op toegang tot de rechter omvat – aan individuen die rechten aan het Unierecht ontlenen. Het recht van natuurlijke personen om persoonsgegevens te doen wissen is een dergelijk recht. 5.133 In het door het middel aangehaalde Puškár-arrest heeft het Hof van Justitie de vraag moeten beantwoorden of art. 47 Handvest in de weg staat aan nationale wetgeving op grond waarvan een persoon die stelt dat zijn door richtlijn 95/46 gewaarborgde recht op bescherming van persoonsgegevens is geschonden, pas beroep in rechte kan instellen nadat hij eerst beschikbare administratieve beroepswegen heeft uitgeput. Het Hof oordeelde dat dit niet het geval is, mits de wijze waarop in concreto over die beroepswegen kan worden beschikt, het in art. 47 Handvest bedoelde recht op een doeltreffende voorziening in rechte niet onevenredig aantast. Het staat de lidstaten in beginsel vrij om een passende vergoeding voor de instelling van beroep voor een bestuurlijke instantie vast te stellen, die echter niet op een niveau mag liggen waardoor de uitoefening van het in art. 47 Handvest gewaarborgde recht wordt belemmerd. Het gaat hier om kosten die ontstaan naast de kosten voor de (eventueel later te vragen) voorziening in rechte. 5.134 In de Nederlandse wetgeving bestaat geen verplichting voor een betrokkene om zich eerst tot de toezichthouder te wenden (of anderszins een bestuursrechtelijke toetsing te laten uitoefenen) in geval van een vermeende schending van zijn rechten onder de AVG. Dit betekent dat een betrokkene de keuze heeft tussen het verzoeken van een bestuursrechtelijke of een civielrechtelijke voorziening. In zoverre kan uit het Puškár-arrest niet worden afgeleid dat het door art. 79 AVG en art. 47 Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte in de weg staat aan een kostenveroordeling in een gerechtelijke procedure zoals hier aan de orde is. 5.135 Zoals het middel verder aanvoert, heeft het hof Den Bosch in het Puškár-arrest een aanknopingspunt gezien om gelet op de aard van de procedure (waarin een natuurlijk persoon rechten ten aanzien van zijn persoonsgegevens uitoefende) de proceskosten te compenseren, ook al werd die persoon in het ongelijk gesteld. Deze uitspraken bevestigen dat art. 47 Handvest de rechter een handvat kan geven om procedurele obstakels (gedeeltelijk) weg te nemen. Het Bossche hof gaf daarmee invulling aan zijn discretionaire bevoegdheid om gezien de omstandigheden van het geval al dan niet een proceskostenveroordeling uit te spreken. Uit deze uitspraken kan niet worden afgeleid dat in procedures inzake verzoeken van een natuurlijk persoon op grond van de AVG deze persoon, indien zijn verzoek wordt afgewezen, niet in de kosten zou mogen worden veroordeeld. In de procedures waarin een feitenrechter een verzoek tot gegevenswissing afwees, wat het geval is in de meerderheid van de zaken, werd de verzoeker ex art. 289 Rv in de kosten veroordeeld. 5.136 Daar komt bij dat het Nederlandse stelsel van forfaitaire proceskosten er juist op is gericht de omvang van de proceskosten te beheersen. De geliquideerde tarieven zijn, ook in vergelijking met enkele andere West-Europese jurisdicties, relatief laag. Daaruit mag niet zonder meer worden afgeleid dat de toepassing van een dergelijk stelsel onder alle omstandigheden in overeenstemming is met het Unierecht, wel mag worden aangenomen dat het stelsel als zodanig verenigbaar is met het doeltreffendheidsbeginsel en met art. 47 Handvest.Dat klemt te meer voor de verzoekschriftprocedure omdat daar als gezegd (zie 5.129) niet de wettelijke regel om de in het ongelijk gestelde partij in de kosten te veroordelen. 5.137 Uit het voorgaande volgt dat art. 79 AVG in verbinding met art. 47 Handvest niet in de weg staat aan een proceskostenveroordeling van de in het ongelijk gestelde verzoeker in een zaak jegens een verwerkingsverantwoordelijke. 5.138 Ik zie geen reden om voor de onderhavige zaak tot een ander oordeel te komen. Betrokkene heeft in feitelijke instanties niet aangevoerd dat zij in geen geval in de kosten zou mogen worden veroordeeld of dat de gebruikelijk te begroten omvang van de kosten buitensporig hoog zou zijn. Het hof heeft haar verwezen in de kosten van het geding in beide instanties (zie rov. 2.20). In eerste aanleg zijn deze kosten aan de zijde van Google begroot op € 626,- aan verschotten en € 1.086,- voor salaris en in hoger beroep op € 726,- aan verschotten en € 2.148,- voor salaris. Het gaat in totaal dus om € 4.586,-, hetgeen niet als buitensporig hoog kan worden aangemerkt. Deze zaak heeft bovendien betrekking op Betrokkenes professionele activiteit als arts. 5.139 Gelet op het voorgaande faalt de klacht. Aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen is er naar mijn mening niet. 5.140 Onderdeel 13 is een voortbouwklacht en behoeft evenmin bespreking. Tussenconclusie 5.141 Ik kom tot de slotsom dat ook de klachten gericht tegen de beslissing van het hof over de proceskosten falen. 6Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Hof Amsterdam 23 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:
- Vzr. Rb. Midden-Nederland 8 januari 2021, ECLI:NL:RBNME:2021:23, GJ 2021/46, m.nt. T.A.M. van den Enden en T. Schroten (Stichting Stop Online Shaming/Stichting Slachtoffers Iatrogene Nalatigheid-Nederland en H). Ik heb niet kunnen vaststellen of hoger beroep is ingesteld door SIN-NL en H. HR 2 november 2011 (art. 81 RO), ECLI:NL:HR:2012:BX8122 en HR 20 december 2013 (art. 81 RO), ECLI:NL:HR:2013:2072 (Stichting Slachtoffers Iatrogene Nalatigheid-Nederland /verweerder). HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:316 (X/Google). Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), Pb. 2016, L 119/
- HvJEU 24 september 2019, C-136/17, ECLI:EU:C :2019:773, NJ 2019/434, m.nt. E.J. Dommering (GC e.a./CNIL). Ontleend aan de tussenbeschikking van het hof Amsterdam van 7 april 2020, rov. 2.1-2.
- Rb. Amsterdam 19 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:
- Hof Amsterdam 23 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1802, Tijdschrift voor Internetrecht 2020/6, m.nt. L.C. Molenaars en E.J. Peerboom-Gerrits. Behoudens de vermelding dat Betrokkene met toestemming van de Nederlandse rechter op de ‘zwarte lijst’ staat. Wet van 6 juli 2000, houdende regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, Stb 2000/
- Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, Pb. 1995, L 281/
- In die zin ook, onbestreden, rov. 2.3 van de bestreden beschikking. H. Hijmans omschrijft de AVG als ‘een verordening met richtlijn-achtige kenmerken’. Zie H. Hijmans, NJB 2018/
- Er bestaan ook sectorspecifieke bepalingen over de bescherming van persoonsgegevens, die hier niet aan de orde zijn. Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, Stb. 2018/
- Kamerstukken II 2017/18, 34851, nr. 3, p.
- Kamerstukken II 2017/18, 34851, nr. 3, p. 98-
- Kamerstukken II 1997/98, 25892, nr. 3, p.
- In zie zin ook het verweerschrift van Google, punten 73-
- HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:316 (Google/X), rov. 3.6.
- HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:316 (Google/X), rov. 3.6.
- Beschikking rechtbank 19 juli 2018, rov. 4.
- Daarbij speelde mogelijk mee de overweging dat het handelen van betrokkene dat het voorwerp vormt van deze tuchtzaak als (veel) minder ernstig is aan te merken dan het misdrijf waarvoor verzoeker in de genoemde strafzaak was veroordeeld. Rb. Amsterdam 25 september 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:8329, rov. 6.
- Rb. Amsterdam 23 december 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:
- De rechtbank overweegt in rov. 4.20: “Het komt erop neer dat de aard van de betrokken informatie, het beperkte tijdsverloop sinds het opleggen van de tuchtmaatregelen, het feit dat de publicatietermijn nog niet is verlopen en het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken gelet op de rol die [verzoeker] in het openbare leven speelt, in dit geval dermate zwaarwegend zijn en noodzakelijk ter bescherming van de vrijheid van informatie, dat het privacybelang en het recht op bescherming van persoonsgegevens van [verzoeker] moet wijken voor het recht op vrije meningsuiting inclusief het door Google gediende belang van de internetgebruiker (…).” HvJEU 13 maart 2014, C-131/12, ECLI:EU:C:2014:
- In die zin H.R. Kranenborg en L.F.M. Verhey, De Algemene Gegevensbescherming in Europees en Nederlands perspectief, Deventer: Kluwer 2018, par. 8.6 op p.
- Zie o.a. S Kulk & F.J. Zuiderveen Borgesius, ‘De implicaties van het Google Spain arrest voor de vrijheid van meningsuiting’, NTM/NJCM-Bull. 2015