ECLI:NL:PHR:2021:537
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer20/01749 C Zitting 1 juni 2021 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, hierna: de verdachte.
Inleiding 1. De verdachte is bij vonnis van 20 februari 2020 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van [E], Sint Eustatius en Saba, wegens onder 9a “Het medeplegen van gewoontewitwassen” en onder 15 ”Deelneming aan een misdadige organisatie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 104 dagen met aftrek van voorarrest. Het vonnis is gewezen nadat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 maart 2018, het vonnis van het Hof van 31 maart 2016 in de onderhavige zaak had vernietigd en de zaak had teruggewezen opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Het eerste middel 4. Het middel valt in twee klachten uiteen, waarvan de onderlinge samenhang mij niet zonder meer duidelijk is. De eerste klacht houdt verband met een op 25 mei 2018 door derden ingediend klaagschrift tegen het beslag dat was gelegd op goudstaven waarvan aan de verdachte ten laste is gelegd – en bewezenverklaard – dat die uit enig misdrijf afkomstig zijn. De tweede klacht houdt verband met de motivering van de afwijzing door het Hof van het door de verdachte op grond van art. 57, tweede lid, SvNA gedane verzoek om mr. G.G.J. Knoops en mr. C.J. Knoops toe te staan als zijn advocaten op te treden. Door de motivering van de afwijzing van dit verzoek is de verdachte later verrast door de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten. De toelichting op het middel wordt afgesloten met het verzoek om de zaak niet naar het Hof “terug te verwijzen” maar naar een ander in het Koninkrijk gevestigd hof, omdat “thans voor de 2e maal de door het Hof in zijn zaak gewezen arrest door de Hoge Raad zal moeten worden vernietigd”.
Het ontbreken van de in een beklagzaak door derden overgelegde producties 5. De eerste klacht houdt verband een door een derde ingediend klaagschrift tegen een beslag dat was gelegd op goudstaven die behoren tot de hoeveelheid goudstaven waarvan aan de verdachte ten laste is gelegd – en bewezenverklaard – dat die uit enig misdrijf afkomstig zijn. De klacht heeft betrekking op handelingen van het OM, mr. M.L.A. Angela als procureur-generaal, mr. D. Radder als voorzitter van het Hof en van het Hof zelf. Aangevoerd wordt dat de stukken die betrekking hebben op dat door derden ingediende klaagschrift, waaronder de beslissing van het Hof op dat klaagschrift, niet door het OM zijn toegevoegd aan de stukken van de onderhavige zaak. Het OM heeft daarmee in strijd gehandeld met het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces en/of beginselen van een goede procesorde omdat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geen beroep heeft kunnen doen op wat de derden in de beklagprocedure naar voren hebben gebracht over de herkomst van het goud.
In verband met de tweede klacht wordt opgemerkt dat bij de beoordeling van dat klaagschrift mr. M.L.A. Angela als procureur-generaal is opgetreden en mr. D. Radder als voorzitter was betrokken, terwijl beiden ook in deze functies betrokken zijn bij de onderhavige zaak. Het Hof, zo wordt aangevoerd, was eveneens op de hoogte van de betreffende stukken in de beklagzaak, en heeft vervolgens verzuimd het onderzoek ter terechtzitting aan te houden en te gelasten dat het OM de betreffende stukken aan de stukken van de onderhavige zaak toevoegt.
Dit is mij ambtshalve bekend omdat in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] eveneens cassatieberoep is ingesteld en ik vandaag in die zaak ook concludeer. Uit de beschikking van het Hof op het klaagschrift blijkt dat de 31 goudstaven onder de medeverdachte [medeverdachte] in beslag waren genomen, wat de reden zal zijn dat hij – en niet de verdachte – voor de behandeling van het klaagschrift was opgeroepen. De beschikking van het Hof houdt onder 1.2 verder in dat de behandeling van het klaagschrift op 18 september 2018 in raadkamer heeft plaatsgevonden in Curaçao. Daar was het Hof aanwezig en daar was verder nog verschenen “mr. [betrokkene 4] (namens mr. D. Kock) als raadsvrouw van de verdachte [medeverdachte]”.
Hieruit kan worden afgeleid dat mr. D.G. Kock ook toen optrad als raadsman van de medeverdachte. Hieruit kan eveneens worden afgeleid dat de raadsman van de verdachte op de hoogte was van de behandeling van het klaagschrift. Vervolgens kan niet in cassatie met succes worden geklaagd dat de verdachte, die bij de behandeling van de zaak in hoger beroep door dezelfde raadsman werd bijgestaan, “niet voorafgaande aan de behandeling van zijn strafzaak door het Openbaar Ministerie en/of het Hof in kennis gesteld van de omstandigheid dat [betrokkene 2] een klaagschrift had ingediend en derhalve ook geen kennis heeft genomen van de door [betrokkene 2] overgelegde producties e.d., zulks terwijl zowel het OM en de voorzitter van het Hof hiervan wel kennis hebben genomen”.
Die stukken zijn niet in cassatie overgelegd “vanwege de omvang” van die producties. Ten tweede blijkt uit het in cassatie overgelegde klaagschrift dat daarin wordt aangevoerd dat [betrokkene 2] “eigenaar is van het goud” en dat zij dat goud hebben aangekocht via [D], die beschikt over de voor deze aankoop in Venezuela vereiste vergunning, en dat [betrokkene 2] dit goud vervolgens heeft verkocht aan [E]. Maar dat standpunt was al ter terechtzitting van het Hof naar voren gekomen, zoals blijkt uit de door het Hof voor het bewijs gebruikte verklaring van [betrokkene 1] die onder meer inhoudt dat zij goud afkomstig uit de mijnen van Venezuela verkochten aan [E].
Het debat waarop de zaak in hoger beroep is toegespitst 13. De tweede klacht houdt verband met de afwijzing door het Hof van het verzoek op grond van art. 57, tweede lid, SvNA om twee kennelijk niet bij het Hof ingeschreven advocaten toe te staan als zijn raadslieden op te treden. Door de motivering van deze beslissing is de verdachte later verrast door de beslissing van het Hof in de onderhavige strafzaak, wat in strijd is met het recht op een eerlijk proces en de beginselen van een behoorlijke procesorde.
In het onderhavige geval is de verdachte bij vonnis van dit Hof van 31 maart 2016 veroordeeld ter zake van, kort gezegd: feit 9a: het medeplegen van gewoontewitwassen (...) en feit 15: deelneming aan een organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (...). Bij arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2018 is voornoemd vonnis van het Hof vernietigd op grond van het feit dat het oordeel van het Hof dat de baren of broodjes goud van misdrijf afkomstig waren, niet toereikend is gemotiveerd.
Het Hof onderkent dat de onderhavige zaak aanvankelijk als een redelijk complexe zaak kon worden gekwalificeerd. Dat het om een omvangrijke en complexe zaak zou gaan houdt thans niet meer stand, nu de zaak in deze fase van het strafproces gelet op voornoemd arrest van de Hoge Raad is afgebakend en teruggebracht tot betrekkelijke proporties. Immers, thans is het debat toegespitst op de vraag of bewezen kan worden verklaard dat de desbetreffende baren of broodjes goud van misdrijf afkomstig waren. Niet is gebleken dat behandeling van de zaak thans bijzondere expertise vergt die niet in voldoende mate wordt aangetroffen bij advocaten die bij het Hof staan ingeschreven. Dat de verdachte persoonlijk zich meer op zijn gemak voelt bij de verzochte raadslieden en dat hij van mening is dat hij door zijn voormalige raadslieden tekort is gedaan, leidt niet tot een ander oordeel.”
In deze beschikking heeft het Hof aangegeven dat het debat thans is “toegespitst op de vraag of bewezen kan worden verklaard dat de desbetreffende baren of broodjes goud van misdrijf afkomstig waren.” Aangevoerd wordt dat het Hof vervolgens in het vonnis heeft overwogen dat de verdachte “geen aannemelijke verklaring heeft gegeven over de herkomst en financiering van het goud” en dat dit “een wezenlijk andere bewijsvoering betreft dan het Hof eerder in de beschikking heeft aangegeven.” Het Hof heeft bij de beslissing op het verzoek op grond van art. 57, tweede lid, SvNA “nagelaten te betrekken dat van verdachte ook zou worden verlangd een aannemelijke verklaring te geven over de herkomst van het goud, waardoor verdachte in zijn verdedigingsbelangen is geschaad”.
Met de beschikking van het Hof, waarbij het debat werd “toegespitst op de vraag of bewezen kan worden verklaard dat de desbetreffende baren of broodjes goud van misdrijf afkomstig waren”, is de raadsman ter terechtzitting van het Hof in de strafzaak in feite “beperkt in zijn pleidooi”. Als ik het goed begrijp, is het vonnis van het Hof een “verrassingsbeslissing” omdat uit de beschikking van het Hof volgde dat het debat ter terechtzitting in hoger beroep zou zijn toegespitst op de kwestie of bewezen kan worden “dat de desbetreffende baren of broodjes goud van misdrijf afkomstig waren”, terwijl in het vonnis over een andere kwestie is beslist, te weten: heeft de verdachte een aannemelijke verklaring gegeven “over de herkomst en financiering van het goud”.
Dat is het geval indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen voorwerpen – in dit geval: baren en/of boordjes goud – met een bepaald misdrijf, maar de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig. Het hof heeft geoordeeld dat van een dergelijk vermoeden sprake is. De overweging van het Hof in het bestreden vonnis, dat de verdachte “geen aannemelijke verklaring heeft gegeven over de herkomst en financiering van het goud”, moet daarom worden beschouwd als een onderdeel van de wijze waarop overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2018 de vraag wordt beantwoord “of bewezen kan worden verklaard dat de desbetreffende baren of broodjes goud van misdrijf afkomstig waren”, wat in de beschikking van het Hof is aangegeven als de vraag waarop het debat thans, na terugwijzing door de Hoge Raad, is toegespitst.
Bij de bespreking van de derde klacht van het tweede middel ga ik nader in op het oordeel van het Hof dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig, en het hier genoemde arrest van de Hoge Raad van 18 december 2018.
Het verzoek om de zaak niet naar het Hof terug te verwijzen 18. Tot besluit van de bespreking van het eerste middel, sta ik stil bij het verzoek om de zaak niet naar het Hof “terug te verwijzen” maar naar een ander in het Koninkrijk gevestigd hof. Ongeacht de beslissing van de Hoge Raad, kan aan dat verzoek niet worden voldaan gelet op de toepasselijke Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor [E], Sint Eustatius en Saba. Met betrekking tot de verwijzing van de zaak door de Hoge Raad, houdt art. 14, eerste lid, in dat indien verwijzing van de zaak naar een andere rechter moet plaatshebben, deze “steeds” geschiedt naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van [E], Sint Eustatius en Saba.
De memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat leidde tot de voorganger van deze wet, de Cassatieregeling Nederlandse Antillen, houdt hierover in dat aangezien zich “in de Nederlandse Antillen slechts één Hof van Justitie bevindt, […] verwijzing naar een ander Hof […] niet mogelijk [is] zodat hetzelfde Hof zich nogmaals met de zaak zal moeten bezig houden.” Om “zoveel mogelijk een nieuwe behandeling van de verwezen zaak te waarborgen”, is in art. 14, tweede lid, voorgeschreven dat het Hof na verwijzing zoveel mogelijk is samengesteld uit rechters die nog niet over de zaak hebben geoordeeld. Hieruit volgt dat de wetgever de mogelijkheid heeft onderkend dat de zaak na vernietiging door de Hoge Raad opnieuw wordt beoordeeld door een rechter die in een eerdere fase over de zaak heeft geoordeeld, en dat die niet aan een nieuwe behandeling door het Hof in de weg staat.
Het tweede middel 20. Het tweede middel komt met drie klachten op tegen het onderdeel van de bewijsvoering van het onder 9a bewezenverklaarde feit, dat de verdachte en zijn mededaders wisten dat “één of meer baren en/of broodjes goud […] afkomstig waren uit enig misdrijf”. Aangevoerd wordt de gebreken in de bewijsvoering van dit feit tot gevolg hebben dat ook de bewijsvoering van het onder 15a bewezenverklaarde feit tekort schiet.
De bewezenverklaring, de gebruikte bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen 22. Ten behoeve van de bespreking van het middel en de drie deelklachten, geef ik eerst de bewezenverklaring weer, gevolgd door de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen.
Het Hof vult deze bewijsmiddelen voorts aan met de bewijsmiddelen zoals deze volgen uit de hierna vermelde voetnoten.
Op 10 juni 2008 werd in opdracht van [F] NV (hierna ook [F] NV) gevestigd op Curaçao door notaris Eshuis opgericht het bedrijf:[E] NV (hierna ook [E] NV genoemd).Daartoe gemachtigd door de directeur van [F] NV, [betrokkene 3], werd [F] bij de oprichting van [E] NV vertegenwoordigd door [betrokkene 4]. Uit de oprichtingsakte blijkt dat als managing directors zijn aangesteld/benoemd [G] NV en [betrokkene 4] voornoemd.
Door [betrokkene 3], namens [E] NV is op 22 augustus 2008 middels een zogenoemde power of attorney bepaald dat [medeverdachte] is aangewezen en benoemd als wettelijk vertegenwoordiger van [E] NV. Deze power of attorney is geldig tot 21 augustus 2009.
Door [betrokkene 3], namens [E] NV is op 22 januari 2009 middels een zogenoemde power of attorney wederom bepaald dat [medeverdachte] is aangewezen en benoemd als wettig vertegenwoordiger van [E] NV. Deze power of attorney is geldig tot 22 januari 2010.
Op 23-12-2008 is er bij de Girobank op Curaçao door [E] NV rekeningnummer [001] geopend. Gemachtigden van die rekening zijn [medeverdachte] en [G] NV. [medeverdachte] voornoemd is daarbij gemachtigd om met betrekking tot dat rekeningnummer te internetbankieren.
In de periode van 8 december 2008 tot en met 26 maart 2009 zijn door [E] NV de hieronder genoemde goudtransporten uitgevoerd via de route Venezuela - Aruba- Nederland- België.In de periode van 29 (het Hof leest: 24) april 2009 tot en met 5 september 2009 zijn er door [E] NV de hieronder genoemde goudtransporten uitgevoerd via de route Venezuela-Curaçao-Nederland-België.
Aankomst Aruba Gewicht (gram) 9-12-2009 (het Hof leest 2008) 36.907,91 21-12-2009 (het Hof leest 2008) 97.481,29 7-1-2009 71.309,83 9-1-2009 75.783,78 18-1-2009 98.925,50 25-01-2009 121.527,85 8-2-2009 116.213,40 1-3-2009 73.533,81 6-3-2009 95.316,15 26-3-2009 77.018,73 864.018,25 (totaal Aruba) Aankomst Curaçao Gewicht (gram) 24-2-2009 80.512,35 29-4-2009 57.694,40 30-04-2009 45.847,50 03-06-2009 52.659,72 08-06-2009 52.848,75 23-06-2009 30.872,13 16-7-2009 34.757,67 29-07-2009 40.082,17 12-08-2009 38.303,44 433.578,13 (Totaal Curaçao) Totaal 1.297.596,38 3. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 15 november 2012, ordner 30, tabblad 25, van de getuige [betrokkene 1] in het kader van een internationaal rechtshulpverzoek, voor zover inhoudende als verklaring van die getuige:
Vraag: kent u het bedrijf [E]?
Ja, dat is het bedrijf van [medeverdachte], wij verkochten goud. De commerciële relatie was sinds eind 2008 tot september 2009.
Het goud kwam uit de Venezolaanse mijnen, de staat heeft enkele terreinen ten zuiden van de staat Bolivar in concessie gegeven aan de bedrijven PMG, Rusoro en de coöperatieven, deze bedrijven extraheren het oud materiaal.
Het goud werd door ons verkocht aan [E] en het was goud uit de mijnen van Venezuela.
Vraag: hoe weet u dat het goud uit de Venezolaanse mijnen kwam?
Antwoord: Opdat de bedrijven het materiaal konden bezorgen was nodig een leidraad voor vervoer, uitgegeven door het Ministerie van Industrie en Mijnbouw op dat moment. De Inspecteur van Mijnbouw die de leidraad ondertekent als hij wel aanwezig was op het moment van de productie was het voor mij meer dan logisch dat dat goud geproduceerd werd in Venezuela.
Vraag: Niettegenstaande heeft [E] altijd aan de Antilliaanse autoriteiten certificaten van oorsprong gepresenteerd van een Colombiaanse entiteit, die lieten zien dat het gekochte goud voor [E] afkomstig was van een Colombiaanse mijn. Hebt u uitleg hiervoor?
Antwoord: Ik koop goud in Venezuela en verkoop goud in Venezuela. Ik ben 99,99% zeker dat het goud dat ik verkocht goud uit Venezuela was, wat [E] doet is niet mijn zaak.
U vraagt mij naar mijn betrokkenheid bij het bedrijf [E]. Naar ik meen werd ik in de maand maart of april van 2008 door [medeverdachte] benaderd om bij een bijeenkomst met ene [betrokkene 5] aanwezig te zijn in verband met plannen voor een goudhandel. Ik weet niet meer wanneer de eerste zending goud gekomen is. De eerste zending is volgens mij via Aruba naar het bedrijf [H] in Amsterdam gegaan. Ik heb in totaal ongeveer tien zendingen goud begeleid. Ik ontving van [medeverdachte] een vergoeding van 600,00 dollar per zending. Ik denk dat ik zes à zeven keer bij zendingen via Curaçao ben geweest.
Gespreksnummer 2803338809 Tapjoumaal 08-12-2008 10:01:18 Beller: [verdachte] Gebelde: [betrokkene 6] [verdachte] zegt dat er problemen zijn en dat alles plat ligt. [verdachte] komt samen met [medeverdachte]. [betrokkene 6] vraagt of hij nog wat heeft gezegd. [verdachte] zegt dat hij (verm. [medeverdachte]) heeft gezegd dat hij 2,5% maakt. [verdachte] zegt dat het niet klopt wat ze doen. Om het cru te zeggen: zonder toestemming van de autoriteiten, het eerste traject. Het is regelrechte smokkel.
6 Een proces-verbaal van politie d.d. 16 oktober 2009, ordner 20, p. 4.1325-4.1330) op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk brigadier en buitengewoon agent van politie, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte]:
De verdachte wordt geconfronteerd met het nummer 280338809 d.d. 8-12-2008.
Het gesprek is naar aanleiding van een ontmoeting tussen [medeverdachte], [betrokkene 6] en mij, die ik had geregeld. Ik wilde namelijk dat [medeverdachte] in contact kwam met [betrokkene 6] in verband met het feit dat [betrokkene 6] binnen het e-zone verhaal mijn klankbord is. [betrokkene 6] heeft veel meer zicht op transacties en dat type business. Ik bedoel daarmee de goudhandel en de percentage en dergelijke. Met ‘zij’ in dit gesprek bedoel ik [medeverdachte] en zijn organisatie.
V: heeft [E] werknemers in dienst?
A: Nee. Er zijn wel mensen die wat voor ons doen, maar dat is wat anders.
V: Wie zijn dat dan?
A: Als er een zending goud is in Curaçao dan maak ik de papieren klaar op mijn computer. Deze zaken stuur ik naar [verdachte]. [verdachte] gaat met deze spullen naar Curaçao. Op het moment dat [verdachte] klaar is met zijn papieren krijgt hij de airwaybill en de factuur. Die scant hij en stuurt hij per mail aan mij. Het is zo dat ik hem die 600 dollar gun. Hij heeft het al moeilijk genoeg.
Hoe bent u met [E] in aanraking gekomen?
De eerste keer via [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Zij vroegen mij om goud van Venezuela naar Curaçao te exporteren. [E] heeft contact met mij opgenomen via e-mail. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] betaalden mijn rekening.
Waar komt het goud dat u transporteerde vandaan?
Het komt of uit de mijnen van Venezuela of het is gesmolten door juweliers.
Ik weet niet van bedrijven die openlijk waardetransporten verzorgen van Venezuela naar Curaçao. Als we het kunnen vermijden de douane te vertellen over het goudtransport dan doen we dat. In Venezuela wordt 25 procent van de misdrijven door de politie gepleegd.
Als de douane merkt dat je goud bij je hebt dan moet je steekpenningen betalen en ze vragen wanneer je weer komt. Je moet steekpenningen betalen om te voorkomen dat je exportrechten moet betalen. Als je het op de juiste manier doet moet je en de uitvoerrechten en de steekpenningen betalen. Als je het op de foute manier doet betaal je alleen de steekpenningen, of helemaal niets alsje niet gepakt wordt.
De verdachte heeft ontkend dat hij wist dan wel redelijkerwijs moest weten dat het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning strafbaar is. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat iedereen, waaronder Swissport, de douane, de douanerecherche en KLM, de transporten als normaal behandelde en dat ook [betrokkene 6], die verstand had van goudhandel en aan wie de verdachte enkele documenten had toegestuurd, tegen hem had gezegd dat de goudhandel naar zijn gevoel legaal was. Dit betekende volgens de verdachte feitelijk dat de goudhandel kennelijk voor legaal kon worden gehouden, wat hem heeft doen besluiten ermee door te gaan.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.
De wijze waarop het transport van het goud vanuit Venezuela heeft plaatsgevonden (het betalen van smeergeld, het vervoeren van het goud buiten het zicht van de autoriteiten om via een bootje dan wel een vliegtuigje) en het opmaken en gebruiken van vervalste documenten om de oorsprong van het goud te verhullen, kan niet anders worden begrepen dan zijnde erop gericht om de exportvergunning te omzeilen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zelf de handel in kwestie als ‘regelrechte smokkel’ aanduidde. Dat deed hij niet in vraagvorm. Integendeel: hij poneerde de stelling dat van regelrechte smokkel sprake was. Dit alles in combinatie met het door de verdachte erkende gebrek aan enig onderzoek naar de voorwaarden waaronder Venezolaans goud kan worden geëxporteerd, maakt dat het Hof tot het oordeel komt dat de verdachte wist en begreep dat het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning strafbaar is.
Ten aanzien van de deelname door verdachte aan de organisatie overweegt het Hof het volgende.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte negentien keer aanwezig is geweest bij aankomst van het goudtransport uit Venezuela. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij aankomst van het goud de airwaybill in ontvangst nam, dat hij erbij stond als het goud gewogen werd en dat hij meeliep naar de kluis waarin het goud werd opgeborgen en dat hij wachtte tot de kluis gesloten werd.
Met deze werkzaamheden leverde de verdachte een wezenlijk aandeel aan, dan wel ondersteunde hij in belangrijke mate gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 146 Wetboek van Strafrecht BES bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven.’ Het Hof verenigt zich met deze bewijsoverwegingen, neemt deze over, verwijst daarnaar en legt deze ten grondslag aan zijn strafoplegging. "Uit misdrijf afkomstig"
Ter terechtzitting van 30 januari 2020 heeft de raadsman ten verweer betoogd dat het goud niet uit misdrijf afkomstig is.
Daaromtrent overweegt het Hof als volgt.
Vanaf december 2008 zijn er door [E] NV ([E]) goudtransporten uitgevoerd via de route Venezuela-Curaçao-Nederland-België. Vaststaat dat het goud afkomstig is uit Venezuela en zonder exportvergunning uit Venezuela is geëxporteerd. Uit het dossier blijkt van de strafbaarheid en strafbaarstelling van het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning. Verder is bij het exporteren van Venezolaans goud gebruik gemaakt van strafbare feiten, te weten het plegen van valsheid in geschrift en het gebruik maken van vervalste geschriften. Deze drie misdrijven leveren evenwel nog niet zonder meer de conclusie op dat het goud zelf afkomstig is uit enig misdrijf.
Het eerste goudtransport Ten aanzien van het eerste goudtransport is onvoldoende duidelijkheid gekregen omtrent de precieze afkomst van dat goud en over de vraag of die afkomst is gelegen in een specifiek misdrijf. Het Hof gaat er om die reden vanuit dat- in ieder geval met betrekking tot dat eerste goudtransport- het directe bewijs voor het gronddelict ontbreekt.
In een dergelijk geval dient de zittingsrechter ter toetsing de volgende stappen te doorlopen. (a) Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. (b) Indien daarvan sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. (c) Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. (d) Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. (e) Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. a.
Ervan uitgaande dat het directe bewijs voor het gronddelict ontbreekt, ziet het Hof zich geplaatst voor de vraag of de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Naar het oordeel van het Hof is dit het geval. Hiertoe neemt het Hof de navolgende feiten en omstandigheden in aanmerking:
Indien, zoals in casu, zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het goud. Daarover heeft de verdachte slechts gezegd dat het goud vanuit Venezuela werd getransporteerd naar Aruba en Curaçao. Onderzoek naar de herkomst van het goud heeft hij niet gedaan. c.
De door de verdachte gegeven verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Dat is echter niet het geval; de verklaring van de verdachte maakt de herkomst en financiering van het goud immers niet inzichtelijk. De verdachte heeft geen enkele legale bron aangedragen, waar dat, gezien het witwasvermoeden, wel op zijn weg had gelegen. Naar het oordeel van het Hof heeft de verdachte derhalve geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het goud gegeven. d.
Desalniettemin heeft het openbaar ministerie onderzoek verricht naar de herkomst van het goud. Blijkens hetgeen ter terechtzitting door de procureur-generaal naar voren is gebracht, is uit dat onderzoek eens te meer gebleken dat het goud niet uit Colombiaanse goudmijnen, maar uit Venezolaanse goudmijnen afkomstig is. De verdachte heeft daarnaar geen onderzoek verricht en wist dat in feite sprake was van smokkel van het goud. e.
Gelet op het vorenstaande kan met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het genoemde goud een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
De vervolgtransporten Het Hof stelt voorop dat de voorgaande redenering ook opgaat voor de goudtransporten die na het eerste transport zijn gevolgd. Ook hier kan derhalve met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het goud een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Echter, naar het oordeel van het Hof is ook zonder deze vaststelling voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat het goud uit deze transporten uit misdrijf afkomstig is.
De witwasbepalingen kunnen immers in zeer uiteenlopende gevallen toepassing vinden. Daarbij kan worden onderscheiden tussen (i) de situatie waarin het vermogen ‘gedeeltelijk’ van misdrijf afkomstig is, aldus dat legaal vermogen is ‘besmet’ doordat daaraan van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd (vermenging), en (ii) de situatie waarin het vermogen ‘middellijk’ van misdrijf afkomstig is, dus bestaat uit vermogensbestanddelen die afkomstig zijn van (vervolg)transacties die zijn uitgevoerd met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen. Dit onderscheid sluit niet uit dat beide situaties zich ten opzichte van een bepaald vermogen voordoen. Denkbaar is dat in zulke situaties een vermogensbestanddeel met een criminele herkomst zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laat individualiseren. In het bijzonder in die situatie kan zich het geval voordoen dat het vermogen - en nadien elke betaling daaruit - wordt aangemerkt als (middellijk) gedeeltelijk van misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen.
Uit onder meer de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] kan worden afgeleid dat het geld dat met de goudtransporten werd verdiend weer werd geherinvesteerd in vervolgtransporten. Dat betekent dat het in dergelijke vervolgtransporten betrokken goud werd aangeschaft met geld dat (geheel of gedeeltelijk) uit enig misdrijf afkomstig was, zodat dat goud zelf hierdoor ook middellijk afkomstig was uit misdrijf.
Conclusie Gelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is het Hof van oordeel dat al het in de bewezenverklaring bedoelde goud afkomstig was uit misdrijf, zoals bewezen verklaard.
Hetgeen door de raadsman overigens is aangevoerd, leidt niet tot andere oordelen dan hier gegeven.
Het verweer wordt mitsdien verworpen.”
Het middel klaagt onder meer over de bewezenverklaring van het onder 9a en 15 tenlastegelegde en in het bijzonder over het oordeel van het Hof dat de in de bewezenverklaring onder 9a vermelde baren en/of broodjes goud afkomstig waren uit enig misdrijf.
3.2.
Art. 435a en 435b van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen luidden ten tijde van de tenlastegelegde feiten: ‘Artikel 435a 1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van ten hoogste een miljoen gulden: a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf; b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet of begrijpt dat het voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf.
Artikel 435b Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zestien jaren of geldboete van ten hoogste een miljoen en tweehonderdduizend gulden.’ 3.3.1.
De tenlastelegging onder 9a is toegesneden op de art. 435a en 435b van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen. Het in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende begrip ‘afkomstig uit enig misdrijf’ moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepalingen. Het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring onder 15 vermelde ‘gewoontewitwassen’ moet worden geacht te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 435b van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.
3.3.2.
De delictsomschrijving in art. 435a, eerste lid, Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen is gelijkluidend aan die in art. 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van Nederland. Ten aanzien van laatstgenoemde delictsomschrijving geldt dat voorwerpen in beginsel slechts kunnen worden aangemerkt als ‘uit enig misdrijf afkomstig’ indien deze afkomstig zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de daarin genoemde delictsgedragingen (vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3046, NJ 2015/324). Voorwerpen met betrekking tot welke een misdrijf is begaan, zijn bovendien niet reeds daardoor ‘afkomstig’ uit enig misdrijf.
3.4.1.
Blijkens 's Hofs bewijsvoering zijn er goudtransporten verzorgd onder andere tussen Venezuela en Aruba alsmede tussen Venezuela en Curaçao. De export van het goud uit Venezuela heeft plaatsgevonden zonder exportvergunning, terwijl bij de export onder meer sprake is geweest van het opmaken en gebruiken van vervalste documenten teneinde de exportvergunning te omzeilen. De verdachte heeft meerdere van deze goudtransporten begeleid. De onder 15 bewezenverklaarde deelneming aan een vereniging die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven waaronder het gewoontewitwassen van op geld waardeerbare goederen, heeft gelet op die bewijsvoering betrekking op de genoemde goudtransporten.
3.4.2.
Blijkens hetgeen hiervoor onder 2.2 is weergegeven heeft het Hof geoordeeld dat de in de bewezenverklaring onder 9a vermelde baren of broodjes goud ‘afkomstig waren uit enig misdrijf’ omdat het exporteren van Venezolaans goud op strafbare wijze heeft plaatsgevonden. Hierin ligt als het kennelijke oordeel van het Hof besloten dat de baren of broodjes goud reeds van misdrijf afkomstig waren omdat misdrijven zijn begaan teneinde de ter zake van het mede onder begeleiding van de verdachte transporteren van die baren of broodjes goud benodigde exportvergunning te omzeilen, zodat sprake is van gewoontewitwassen. De bewezenverklaring onder 15 heeft daarop mede betrekking. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3.2 is vooropgesteld en in aanmerking genomen dat het Hof omtrent de herkomst van het goud uitsluitend heeft vastgesteld dat het goud afkomstig is uit Venezuela, is het oordeel van het Hof dat de baren of broodjes goud van misdrijf afkomstig waren, niet toereikend gemotiveerd.”
Vervolgens stelt het Hof vast dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, zoals onder de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verlangd, en dat voor zover de verdachte heeft verklaard over een alternatieve herkomst van het goud, de inhoud van die verklaring door het openbaar ministerie is onderzocht en – kort gezegd – onjuist is gebleken. Op grond hiervan komt het Hof tot het oordeel dat een criminele herkomst van het goud “als enige aanvaardbare verklaring kan gelden”.
Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.
De wijze waarop het transport van het goud vanuit Venezuela heeft plaatsgevonden (het betalen van smeergeld, het vervoeren van het goud buiten het zicht van de autoriteiten om via een bootje dan wel een vliegtuigje) en het opmaken en gebruiken van vervalste documenten om de oorsprong van het goud te verhullen, kan niet anders worden begrepen dan zijnde erop gericht om de exportvergunning te omzeilen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zelf de handel in kwestie als ‘regelrechte smokkel’ aanduidde. Dat deed hij niet in vraagvorm. Integendeel: hij poneerde de stelling dat van regelrechte smokkel sprake was. Dit alles in combinatie met het door de verdachte erkende gebrek aan enig onderzoek naar de voorwaarden waaronder Venezolaans goud kan worden geëxporteerd, maakt dat het Hof tot het oordeel komt dat de verdachte wist en begreep dat het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning strafbaar is.”
In het bijzonder is ter terechtzitting aangevoerd dat de strafbaarheid van de invoer van goud van Venezolaanse oorsprong, herkomst of afkomst, in Curaçao pas strafbaar is gesteld door middel van een ministeriële regeling die op 21 juni 2019 is ondertekend. Door of namens de verdachte is niet uitdrukkelijk het verweer voorgedragen dat en waarom de strafbaarheid van Venezolaans goud zonder exportvergunning, naar Venezolaans recht ontbreekt. Ook daarom faalt de klacht. Hier komt bij dat de uitleg die het Hof heeft gegeven aan Venezolaans recht in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst gelet op art. 79, tweede lid aanhef en onder b, RO waarin is bepaald dat de Hoge Raad vonnissen vernietigt “wegens schending van het recht met uitzondering van het recht van vreemde staten”.
Onbegrijpelijk is de uitleg niet. Daarmee faalt de eerste klacht.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
2.3.3.
Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.”
Het derde middel 44. Het derde middel heeft betrekking op de onder 15 bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie en klaagt dat de “kennelijke rechtsopvatting van het Hof, dat uit de enkele deelname aan bepaalde feiten de bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie volgt, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans [dat] dat oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen [is] omkleed”. Aangevoerd wordt dat het Hof “immers niet meer bewezenverklaard [heeft] dan dat verdachte heeft deelgenomen aan misdrijven; daartoe per telefoon en/of per e-mail of anderszins contacten heeft onderhouden met één of meer deelnemers en op geld waardeerbare goederen verkregen door misdrijf voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen. Dat bijvoorbeeld sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband en dat het samenwerkingsverband het oogmerk heeft gehad misdrijven te plegen heeft het Hof niet vastgesteld.” In de toelichting op het middel wordt ook nog aangevoerd dat het Hof heeft overwogen dat de verdachte negentien keer aanwezig is geweest bij de aankomst van een goudtransport uit Venezuela, maar dat dit niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
Als tegenprestatie ontving de verdachte vervolgens 600 dollar. Uit deze verklaring van [medeverdachte] heeft het Hof kennelijk de taak van de verdachte bij de zendingen afgeleid. Dat de verdachte per zending 600 dollar ontving en niet alleen betrokken is geweest bij zendingen via Curaçao, maar ook via Aruba blijkt uit zijn eigen voor het bewijs gebruikte verklaring. Dat hij het aantal zendingen lager heeft geschat dan het Hof heeft vastgesteld, doet daaraan niet af. Uit de bewijsmiddelen heeft het Hof dan ook niet onbegrijpelijk kunnen afleiden dat de verdachte aanwezig is geweest bij alle negentien zendingen van goud vanuit Venezuela via Aruba en Curaçao.
Slotsom 50. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG ECLI:NL:OGHACMB:2020:44.
HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:327, NJ 2019/7 m.nt. H.D. Wolswijk.
A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 180.
Vgl. art. 57 lid 3 SvNA: “Medeverdachten, die geen tegenstrijdige belangen hebben, kunnen door dezelfde raadsman worden bijgestaan.”
Art. 57 lid 1 en 2 SvNA: “1. Als raadslieden worden slechts toegelaten advocaten, die bij het Hof van Justitie zijn ingeschreven.2. In bijzondere gevallen kan het Hof van Justitie op verzoek van de verdachte aan advocaten, die niet bij het Hof van Justitie zijn ingeschreven, toestaan als raadsman op te treden, mits deze samenwerkt met een bij het Hof van Justitie ingeschreven advocaat.”
HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. N. Rozemond, r.o. 2.3.3 m.b.t. heling. Herhaald in HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:668, NJ 2019/299 m.nt. N. Rozemond onder NJ 2019/298, r.o. 2.3 m.b.t. gewoontewitwassen ex art. 420bis/420ter Sr. Zie nader de tekst bij randnummer 38.
Kamerstukken II 1959/60, 5959 (R194), nr. 3, p. 5.
Kamerstukken II 1959/60, 5959 (R194), nr. 3, p. 5.
Zie het tapgesprek tussen verdachte en [betrokkene 6] van 12 januari 2009, ZD Goud, p. 40 316: “[dat medeverdachte [medeverdachte]] vier partners heeft, twee in Venezuela, een in Isla Margerita en een Duitser [...] en [dat medeverdachte [medeverdachte]] met zijn leven speelt, want hij gaat met criminelen om. Als er iets fout gaat is het voor Swissport Aruba, alles wat daarvoor gebeurt kost [medeverdachte] zijn leven.”
De formeel directeur van [E], [betrokkene 3], verklaarde niets te weten “van de regelgeving met betrekking tot de handel en export van goud vanuit Venezuela [...] naar de Nederlandse Antillen, Aruba, Nederland en België” (ZD Goud, p.41705 e.v.).
Op de vraag welke documenten nodig zijn bij de legale goudhandel vanuit Venezuela, antwoordde de medeverdachte [medeverdachte] met “geen flauw idee.” (ZD Goud, p. 41277 e.v.).
Het proces-verbaal analyse van de bankrekening van [E], ZD Goud, p. 41690.
Het goud werd in Venezuela in tassen in een eenmotorige boot geladen om over zee overgebracht te worden, (ZD Goud, p. 41367 e.v.). [betrokkene 2] verklaarde dat het goud, nadat het was afgeleverd, verder werd getransporteerd in anonieme voertuigen (verklaring van [betrokkene 2], afgelegd bij de rechter-commissaris op 16 januari 2013).
Zie ZD Goud, p. 41277 e.v. [betrokkene 2] verklaarde dat “zolang de zaak draaide, namen we nooit geld op vanuit de handel, we investeerden weer opnieuw” (verklaring van [betrokkene 2], afgelegd bij de rechter-commissaris op 16 januari 2013). [betrokkene 1] verklaarde: “Het geld van de inkomsten werd geherinvesteerd in de handel, [...] de winst werd geherinvesteerd in de handel (ZD Goud, p. 41902).
HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:327, NJ 2019/7 m.nt. H.D. Wolswijk.
Onder verwijzing naar de Tijdelijke regeling in, uit- en doorvoerverbod Venezolaans goud, P.B. Curaçao 2019, no. 25.
Vgl. HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3766, NJ 2008/482 m.nt. A.H. Klip, r.o. 4.5 jo. 4.4 onder b.
Art. 435a en 435b Sr NA zoals ingevoerd bij art. I onder MM Landsverordening strafbaarstelling terrorisme, terrorismefinanciering en witwassen, P.B. Nederlandse Antillen 2008, no. 46, i.w.tr. 21 juni 2008 (art. III). De tekst van beide bepalingen is weergegeven in r.o. 3.2 van het hierboven bij randnummer 29 weergegeven arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2018.
HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, NJ 2019/298 m.nt. N. Rozemond, m.b.t. heling. Herhaald in HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:668, NJ 2019/299 m.nt. N. Rozemond onder NJ 2019/298, r.o. 2.3 m.b.t. gewoontewitwassen ex art. 420bis/420ter Sr.
J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel bewezen is. De onschuldpresumptie in rechtshistorisch, theoretisch, internationaalrechtelijk en Nederlands strafprocesrechtelijk perspectief (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 389.
HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97, NJ 2019/310 n.nt. N. Rozemond, r.o. 2.3.3: “De omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. De rechter mag echter bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. Art. 6, tweede lid, EVRM staat daaraan niet in de weg (vgl. HR 5 juni 2012, ECLI:NL: HR:2012:BW7372, met verwijzing naar EHRM 18 maart 2010, nr. 13201/05 (Krumpholz tegen Oostenrijk) en het daarin opgenomen overzicht van de rechtspraak van het EHRM). Datzelfde geldt, mede gelet op overweging 28 van de preambule bij Richtlijn 2016/343/EU, voor art. 6 van deze Richtlijn, nog daargelaten dat de omzettingstermijn eerst op 1 april 2018 - en derhalve na de bestreden uitspraak - is verstreken (art. 14, eerste lid, Richtlijn 2016/343/EU).”