PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/03053 B Zitting 15 juni 2021 CONCLUSIE T.N.B.M. Spronken In de zaak [klaagster] , Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, hierna: de klaagster. 1Het cassatieberoep 1.1. De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij beschikking van 29 juni 2020 het klaagschrift ex art. 552a Sv van de klaagster gedeeltelijk gegrond verklaard. 1.2. Er bestaat samenhang met de zaak 20/03059. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 1.3. Uit de gedingstukken blijkt dat het in deze zaak en in de samenhangende zaak gaat om het volgende. De klaagster en haar ex-partner worden verdacht van het plegen van overtredingen van de Opiumwet die mede gelieerd zijn aan een growshop en een coffeeshop en het witwassen van geldbedragen. Het geld dat binnen deze ondernemingen is verdiend zou zijn aangewend bij de aankoop van diverse panden. Op grond van deze verdenkingen is onder zowel de klaagster als haar ex-partner onder andere beslag gelegd op meerdere panden alsmede op de huuropbrengsten daarvan. De klaagster heeft zich bij de rechtbank beklaagd over het uitblijven van een last tot teruggave van een deel van het onder haar gelegde beslag. De rechtbank heeft het klaagschrift gegrond verklaard voor zover dit ziet op de huuropbrengsten vanaf 1 juli 2020 van de onder de klaagster in beslag genomen panden en heeft vanaf 1 juli 2020 de teruggave gelast aan de klaagster van die huuropbrengsten. Voor het overige is het klaagschrift ongegrond verklaard. 1.4. Tegen deze beschikking is door de officier van justitie cassatieberoep ingesteld. 1.5. De plaatsvervangend officier van justitie, mr. H.H.J. Knol, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel keert zich tegen de motivering van de beslissing van de rechtbank tot gedeeltelijke gegrondverklaring van het beklag. Het tweede middel ziet op het oordeel van de rechtbank dat het beslag op de huuropbrengsten vanaf 1 juli 2020 van de onder de klager in beslag genomen panden disproportioneel moet worden geacht. 2De beschikking 2.1. Op 28 januari 2020 is namens de klaagster een klaagschrift ingediend, gericht tegen het uitblijven van een last tot teruggave met betrekking tot hetgeen onder haar in beslag genomen is. Nadat er nog schriftelijk stukken zijn gewisseld door de klaagster en de officier van justitie is het klaagschrift op 15 juni 2020 in raadkamer behandeld. De rechtbank heeft hetgeen door partijen is aangevoerd in haar beschikking van 29 juni 2020 als volgt samengevat: “Standpunt verdediging In het klaagschrift wordt verzocht om opheffing van een deel van het beslag. Klaagster is van mening dat de waarde van het beslag het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel ruimschoots overstijgt. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is in het thans voorhanden zijnde dossier geschat op € 1.616.090,83. Nu het beslagdossier nog (lang) niet gereed is, heeft de raadsman van klaagster zelf een overzicht van de waarde van het beslag opgesteld. De waarde van het beslag op banktegoeden en panden van klaagster wordt door de raadsman geschat op € 2.234.293 en de gezamenlijke waarde van het beslag van klaagster en medeverdachte [medeverdachte] wordt geschat op € 3.529.634,86. Bovendien loopt de waarde van het beslag op doordat beslag is gelegd op huuropbrengsten van in beslag genomen panden. Door de raadsman is voorts aangevoerd dat klaagster over onvoldoende financiële middelen kan beschikken om in haar kosten en de kosten van de kinderen te voorzien. Ook kan zij geen zorg dragen voor betaling van haar hypotheek waardoor zij in betalingsproblemen is gekomen. Standpunt openbaar ministerie De officier van justitie heeft er op gewezen dat klaagster ten aanzien van een deel van de beslagen, die onder medeverdachte [medeverdachte] zijn gelegd niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat klaagster geen belanghebbende is. De voorlopige berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, die ook is opgenomen in de aanvraag van een Strafvorderlijk Financieel Onderzoek (SFO) kwam uit op € 1.616.090. Bij het verweerschrift heeft de officier van justitie een proces-verbaal van bevindingen gevoegd waaruit blijkt dat de voorlopige inschatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de criminele organisatie minimaal € 2.200.000 beloopt. Daarbij is er onder meer op gewezen dat de huuropbrengsten, verdiend via de witwaspanden, als vervolgprofijt aangemerkt kunnen worden. Het financieel onderzoek loopt nog en de rapporten berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van de individuele verdachten moeten nog worden geschreven. De officier van justitie heeft middels een aan het verweerschrift toegevoegde bijlage de door de verdediging gestelde waardebepaling van de panden bestreden en gesteld dat deze waarde (veel) lager moet zijn.” 2.2. In aanvulling hierop maak ik nog melding van de volgende passage op p. 5 van het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer: “De officier van justitie voert het woord, zakelijk weergegeven:Er is een uitvoerig overzicht verstrekt van het in beslag genomene met de bijbehorende waarde daarvan. Ik verneem dat de rechtbank en de verdediging niet in het bezit is van dit overzicht. Ik zal daarop het overzicht direct aan partijen mailen. De raadsman mr. L. de Leon verzet zich tegen toevoeging van het bedoelde overzicht, aangezien de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld het overzicht te betwisten. De officier van justitie voert het woord, zakelijk weergegeven:Het stuk betreft geen discussiestuk. De oudste rechter stelt dat het eindproces-verbaal in mei gereed zou zijn, maar dit wordt telkens uitgesteld. De bedoeling is dat het eindproces-verbaal in oktober 2020 gereed is. De politie werkt hard aan de opstelling hiervan.” 2.3. De rechtbank heeft het klaagschrift gedeeltelijk gegrond verklaard en de teruggave aan de klaagster gelast van de huuropbrengsten vanaf 1 juli 2020 van de onder de klaagster in beslag genomen panden en daartoe het volgende overwogen: “Oordeel rechtbank De verdenking in deze zaak betreft onder meer het in crimineel verband plegen van Opiumwetdelicten die mede gelieerd zijn aan een (illegale) coffeeshop en het witwassen van geldbedragen. De rechtbank stelt voorop dat voorafgaand aan de zitting aangeleverde procestukken (dit betreft de processen verbaal van voorgeleiding en voortgang van de eerder gehouden pro forma zitting in de hoofdzaak) slechts summiere en fragmentarische informatie bevatten over objecten die in beslag zijn genomen. Weliswaar is door de officier van justitie tijdens de zitting per e-mailbericht een Excel-bestand met een overzicht van het beslag en de waarde daarvan verstuurd, maar gelet op deze late verstrekking en het daardoor ontbreken van een mogelijkheid bij de verdediging om daarover een standpunt in te nemen zal de rechtbank geen acht slaan op dit bestand. De rechtbank heeft hierdoor onvoldoende gedetailleerde informatie over onder wie welk beslag berust en welke grondslag dit heeft. Om die reden zal de rechtbank klaagster ontvankelijk achten. Daar komt bij dat de officier van justitie heeft gesteld dat er tussen (de bezittingen van) klaagster en medeverdachte [medeverdachte] met betrekking tot de verdenkingen en het wederechtelijk verkregen voordeel een grote mate van verwevenheid bestaat. Ook om die reden zal de rechtbank klaagster ontvankelijk achten en zal zij voorts komen tot een integrale beoordeling van de vraag naar de gegrondheid van het beklag. Zoals uit vaste jurisprudentie blijkt draagt het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave indien de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, ook in een zaak betreffende een ander dan de klaagster, of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen. Indien sprake is van een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv dient de rechter die over het beklag van de beslagene heeft te oordelen, te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de rechter op gronden van proportionaliteit en subsidiariteit tot het oordeel komt dat het beslag niet gehandhaafd kan worden. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan een wanverhouding tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van het te ontnemen bedrag (in het kader van artikel 94a Sv-beslag), maar ook een afweging tussen de belangen van strafvordering enerzijds en de persoonlijke belangen van de klaagster anderzijds. Het dossier bevat ten aanzien van klaagster een in een proces verbaal aanvraag SFO vervatte berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarin dit voordeel voorlopig wordt geschat op € 1.616.090. Ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte] wordt in een aanvraag proces verbaal SFO het voordeel voorlopig geschat op ten minste € 80.000. In de klaagschriftprocedure is door de officier van justitie aangegeven dat er sprake is van voortschrijdend inzicht over de hoogte van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel en dat een voorlopige inschatting is dat het voordeel thans minimaal € 2.200.000 beloopt. De rechtbank constateert dat het klaagschriftdossier geen onderbouwende berekening van dit bedrag bevat. Desgevraagd heeft de officier van justitie in raadkamer aangegeven dat als rekening wordt gehouden met een lagere taxatiewaarde dan door de verdediging is gesteld, de totale waarde van het beslag (met uitzondering van de als vervolgprofijt aangemerkte huuropbrengsten) in evenwicht is met het op dit moment door het openbaar ministerie geschatte voordeel. Het beslag dekt, aldus de officier van justitie, thans het voorlopig geschatte door klaagsters verkregen (en te ontnemen) wederrechtelijke verkregen voordeel. Zoals hiervoor overwogen draagt het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter. Van de rechter kan niet worden verwacht dat hij ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure treedt, met name niet omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Daar staat naar het oordeel van de rechtbank tegenover dat er tevens voor gewaakt dient te worden dat door (een te ruime) beslaglegging vooruit wordt gelopen op de mogelijke uitkomst van de beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.