PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/02304 Datum 17 juni 2021 Belastingkamer III Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1 januari 2014 – 31 december 2014 Nr. Gerechtshof BK-19/00750 Nr. Rechtbank SGR 19/2584 CONCLUSIE R.E.C.M. Niessen in de zaak van [X] tegen de Staatssecretaris van Financiën Deze conclusie is er één van drie die – mede of uitsluitend – worden genomen vanwege daarin voorkomende klachten die betrekking hebben op het zogenoemde Project 1043 dat door de Belastingdienst is opgezet ter voorkoming van systeemfraude. In deze zaak is verder in geschil of bedragen die zijn aangegeven als (
(3)Op welke gronden kan de rechtmatigheid van de selectie worden aangevochten? Leidt een onrechtmatigheid in de selectie tot een onrechtmatige belastingaanslag? 5.5 In het fiscale geschil waarover de nu aanhangige zaak handelt is, naar ik in deze conclusie heb betoogd, de belastingaanslag op materieel juiste gronden door de Inspecteur vastgesteld, maar de belanghebbende meent of vermoedt dat bij de selectie een of meer onrechtmatigheden zijn opgetreden en betoogt dat deze aan de geldigheid van die aanslag in de weg staan. 5.6 Gesteld dat van een onrechtmatige selectie sprake is, brengt deze dan mee dat de belastingaanslag dat ook is? De selectie is een handeling die direct betrekking heeft op de belanghebbende. Verder staat vast dat zonder de selectie de belastingaanslag niet of niet tot het vastgestelde bedrag zou zijn opgelegd. De onrechtmatigheid (een selectieregel of een ‘vinkje’) bewerkstelligt dat de inspecteur onderzoek verricht (of dat de kans op een dergelijk onderzoek groter wordt). De onrechtmatigheid die in de selectie schuilt, voert dus tot het onderzoek dat de inspecteur verricht en vervolgens in voorkomende gevallen tot een hogere belastingaanslag. Tussen selectie, onderzoek en (verhoogde) aanslag bestaat dus een causaal verband. Zie tevens onderdeel 4.22: wanneer geen selectieregel van toepassing is, wordt de aanslag conform aangifte opgelegd. 5.7 Het bewijs dat leidde tot verhoging van de aanslag, berust in die gevallen dus op een onrechtmatige grondslag. In de conclusie voor de zogenoemde ‘ANPR-arresten’ betoogde ik op basis van de bestaande rechtspraak dat onbevoegdelijk door de inspecteur verkregen informatie niet ter onderbouwing van de aanslag kan worden gebruikt (bijlage, hoofdstuk 4). De Hoge Raad oordeelde eveneens in die zin (onderdeel 2.3.8, tweede volzin). Na verwijzing moest worden onderzocht of de stelling van de fiscus ook met andere bewijsmiddelen kon worden gestaafd. Nu in andere gevallen de bewijslast op de belanghebbende ligt, moet meer in het algemeen gelden dat de resultaten van een onrechtmatige actie van de fiscus (antwoorden op vragen, ander onderzoek) bij het vaststellen van de belastingaanslag niet in aanmerking worden genomen. 5.8 Het EHRM leert dat een schending van art. 8 EVRM niet automatisch een schending van art. 6 EVRM impliceert die zou kunnen nopen tot bewijsuitsluiting. De vraag welke gevolgen aan schending van art. 8 moeten worden verbonden, laat het echter over aan het nationale recht nu het EVRM daarover geen voorschrift geeft. Van belang is of de betrokkene de bewijsgaring kon aanvechten en of de procedure in haar geheel fair was. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik schrijven naar aanleiding van de ANPR-arresten dat bewijsuitsluiting in dergelijke zaken regel is en merken op dat in één van de drie betreffende arresten van de Hoge Raad afgezien wordt van nader onderzoek omdat geen ander bewijsmiddel was aangedragen. In de jurisprudentie van de Strafkamer van de Hoge Raad aangaande art. 359a Sv. is in nader omlijnde gevallen ruimte voor bewijsuitsluiting. Eerder omschreef hij die als waarin ‘een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden’. In een recent overzichtsarrest verwoordde hij dit als volgt: ‘Is (…) sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Bij de beoordeling van de laatstgenoemde toets moet rekening worden gehouden met de eventuele aanwezigheid van (zeer ernstige) strafbare feiten en de vraag of al maatregelen zijn getroffen om herhaling van de voorgevallen schendingen te voorkomen.’ Zie voorts onderdeel 5.39. 5.9 De eerste vraag moet dus in beginsel bevestigend worden beantwoord. Bevoegde rechter: verhouding met burgerlijke rechter 5.10 Is de belastingrechter bevoegd? Of moet dan wel kan over de in het selectieproces opgetreden onrechtmatigheid worden geklaagd bij de burgerlijke rechter als ‘restrechter’ omdat bij de bestuursrechter geen ingang bestaat nu de selectie niet bij besluit in de zin van de AWB plaats vindt? 5.11 Uit de in het vorige hoofdstuk opgenomen teksten uit documenten van de zijde van de regering kan worden afgeleid dat in selectie en behandeling verschillende fasen of momenten optreden of kunnen optreden. In de onderdelen 4.19 e.v. is geciteerd wat daarover in het Feitenrelaas is opgenomen. Alhoewel de volgorde en samenhang van de verschillende elementen mij niet helemaal duidelijk zijn, blijkt in elk geval dat gebruik wordt gemaakt van een selectiemodule, selectieregels, query’s, soms de beslissing van een behandelaar persoonlijk, criteria, parameters, de aanduiding ‘uitworp gewenst’, AKI’s en een beslissing tot selectie voor nader onderzoek. Elk van deze elementen of acties voltrekt zich binnen de ‘muren’ van de Belastingdienst. De belastingplichtigen waarop zij betrekking hebben, zijn er niet van op de hoogte. In de door mij geraadpleegde documenten zijn de selectiecriteria ook niet bekend gemaakt. 5.12 Na de selectie voor nader onderzoek volgt een informatieverzoek van de inspecteur. 5.13 Noch tegen de acties genoemd in onderdeel 5.11 noch tegen het informatieverzoek als zodanig staat een bestuursrechtelijke rechtsgang open. 5.14 De fasen van het proces die zich binnen de organisatie van de Belastingdienst afspelen, zijn aan de belanghebbenden onbekend zodat zij daartegen ook niet, zo dat in theorie al mogelijk zou zijn, een onrechtmatige-daadsactie kunnen instellen voordat de Belastingdienst met gebruikmaking van de verwerkte gegevens actie onderneemt. 5.15 Dan resteert de vraag of zij een dergelijke actie kunnen instellen tegen een verzoek van de inspecteur om informatie. Deze weg is bij mijn weten nimmer bewandeld. De eerste vraag die daarbij rijst, is of en in welke omstandigheden het stellen van vragen als een onrechtmatige daad kan kwalificeren waarover bij de burgerlijke rechter moet worden geklaagd. Maar nog los van die vraag dunkt mij doorslaggevend dat naar thans geldend recht na een eventuele weigering van de belastingplichtige om de informatie te verstrekken, wanneer de inspecteur ‘het niet erbij laat zitten’, ofwel een belastingaanslag volgt ofwel een informatiebeschikking. 5.16 Dat betekent dat een belastingplichtige die meent dat zijn aangifte op onrechtmatige wijze voor nader onderzoek is geselecteerd, daarover klachten in bezwaar en beroep tegen de belastingaanslag of tegen de beschikking kan aanvoeren. Hieruit volgt dat in het gegeven geval steeds een bestuursrechtelijke rechtsingang open staat zodat de gang naar de burgerlijke rechter als ‘restrechter’ in beginsel niet open staat. 5.17 Het antwoord op de tweede vraag, te weten of de belastingrechter bevoegd is, moet dus in beginsel eveneens bevestigend luiden. Het antwoord van de staatssecretaris dat is aangehaald in onderdeel 4.24, duidt erop dat hij deze visie deelt. Bevoegde rechter: verhouding met andere bestuursrechters 5.18 Voor het antwoord op de tweede vraag is echter ook van belang of wellicht een andere bestuursrechter eveneens of zelfs bij uitsluiting bevoegd is. Om hierop in te kunnen gaan zal ik in het kort aandacht schenken aan diverse bepalingen waarin het recht op privacy is geregeld. EVRM 5.19 Allereerst is van belang art. 8 EVRM dat aan ‘eenieder recht op respect voor privé leven (…)’ toekent (lid 1). Lid 2 verbiedt inmenging van het openbaar gezag hierin tenzij (
- i)bij de wet voorzien, (
- ii)en in een democratische samenleving noodzakelijk (iii) in het belang van onder meer het economisch welzijn van het land en het voorkomen van strafbare feiten. Onder meer voor het vergaren en opslaan van persoonsgegevens moet zijn voorzien in een wettelijke basis. Grondwet 5.20 Art. 10 van de Grondwet houdt in: ‘1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. 2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens. 3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt (…).’ 5.21 De beide onder dit kopje van deze conclusie hierna vermelde wetten verwijzen in de considerans naar art. 20, lid 2 en 3, Grondwet. Europees recht 5.22 Tevens bestaan Europeesrechtelijke bepalingen met daarop aansluitende Nederlandse wetgeving. Ik vermeld ook regelgeving die intussen is vervallen, aangezien deze voor oudere zaken mogelijk nog van belang is. Richtlijn 95/46/EG 5.23 In de Europese Gemeenschap kwam tot stand de Richtlijn nr. 95/46/EG van 23 november 1995 betreffende ‘de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens’. Wet bescherming persoonsgegevens 5.24 Nederland implementeerde die Richtlijn bij de Wet bescherming persoonsgegevens van 6 juli 2000 (geldend tot en met 24 mei 2018). Onder meer was daarin bepaald dat verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk was voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens werden verstrekt (art. 8, aanhef en onderdeel e), mits de verwerking ‘toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig’ was (art. 9, lid 1). De art. 16 e.v. behelzen een reeks verboden van verwerking van bepaalde soorten persoonsgegevens. Art. 35 e.v. verlenen de burger het recht om geïnformeerd te worden over eventueel ten aanzien van hen verwerkte persoonsgegevens en om deze zo nodig te doen corrigeren. Hierop wordt uitzondering gemaakt in art. 43 in het belang van onder andere ‘gewichtige economische en financiële belangen van de staat en andere openbare lichamen’ en ‘het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van ‘die belangen. Art. 40 en 45 voorzien, kort gezegd, in rechtsbescherming bij de bestuursrechter, onder meer inzake beslissingen ex art. 8 onderdeel e, en art. 35. AVG 5.25 De Richtlijn van 1995 is opgevolgd door de Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 betreffende ‘de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens’. Het begrip ‘persoonsgegevens’ omvat ‘alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare persoon’ (art. 4 sub 1 AVG). Deze verordening is bekend als de Algemene verordening gegevensbescherming, hierna: AVG, die per 25 mei 2018 in werking trad. Van een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens is sprake indien deze noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting van de verwerkingsverantwoordelijke of voor de vervulling van een taak van algemeen belang dan wel in de uitoefening van diens openbaar gezag (art. 6, lid 1, aanhef, onderdelen c en e); of daarvan sprake is, moet worden vastgesteld bij Unierecht of nationaal recht (lid 3). De categorieën van gegevens waarvan verwerking is verboden, zijn geregeld in art. 9 (onder meer ras en etnische afkomst). De verplichte verstrekking van informatie aangaande niet van de betrokkene verkregen persoonsgegevens is geregeld in art. 14, het recht op onder meer inzage in art. 15 - 20. Art. 21 verleent het recht op bezwaar en stipuleert dat dit uitdrukkelijk aan de betrokkene kenbaar moet worden gemaakt op het moment van het eerste contact met deze (lid 4). Uitvoeringswet AVG 5.26 Onder vigeur van de AVG is de Wet bescherming persoonsgegevens met ingang van 25 mei 2018 vervangen door de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, hierna: UAVG. Zowel uit de titel als de considerans blijkt dat deze voorziet in wettelijke regels ter uitvoering van de AVG. Hoofdstuk 2 behelst de instelling, inrichting en taken van de Autoriteit Persoonsgegevens. Art. 23 staat onder zware voorwaarden met toepassing van art. 9, lid 2, onderdeel g, AVG uitzonderingen toe op de verboden van art. 9. De rechtsbescherming na de bezwaarfase volgt de regels van de AWB (art. 34). Bevoegde rechter 5.27 Welke rechter is bevoegd om te beoordelen of de verwerking van persoonsgegevens door een bestuursorgaan rechtmatig is? Voor zover het gaat om de uitgewerkte regelingen op de voet van de Richtlijn van 1995 en de AVG, is dit blijkens het vorenstaande de algemene bestuursrechter, dat wil zeggen in hoogste instantie de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State, hierna: de Afdeling. 5.28 In gevallen waarin een belastingplichtige wil klagen over onrechtmatige selectie van zijn aangifte op de voet van Project 1043/ FSV, zou hij zich dus voor een oordeel daarover moeten wenden tot de bestuursrechter en daarna tot de belastingrechter. Dit leidt op zijn best tot een vermoedelijk door de wetgever niet voorziene dubbele procedure hetgeen allerminst burgervriendelijk is. Daar komt bij dat de belanghebbende in de regel geen weet zal hebben gehad van de toepassing van Project 1043/FSV zodat hij feitelijk geen mogelijkheid tot bezwaar en beroep daartegen had; in de praktijk zullen de alsdan te voeren procedures – met een beroep op art. 6:11 Awb – onder omstandigheden min of meer gelijktijdig moeten worden opgestart, met allerlei ongemakken van dien. 5.29 Veronderstellende dat ‘niemand’ dit wil en in het belang van de klagende burger, zou ik het ervoor willen houden dat de verwijzing in art. 34 UAVG, uitsluitend voor ‘fiscale gevallen’ zoals zojuist bedoeld, kan worden opgevat als een verwijzing naar de belastingrechter; een beroep op hem (m/
- v)valt immers even goed onder de werking van de AWB. Dat laat onverlet dat het merendeel van de klachten over schending van de AVG en UAVG wordt behandeld door de algemene bestuursrechter. 5.30 Een en ander neemt niet weg dat over schending van het privacyrecht ook kan worden geklaagd en geoordeeld op de voet van art. 8 EVRM en art. 10 Grondwet. Dat heeft de Hoge Raad dan ook gedaan in de al eerder genoemde ANPR-arresten van 24 februari 2017. In deze zaken werden gegevens omtrent het autogebruik door belastingplichtigen verzameld met behulp van langs de weg geplaatste fotocamera’s. De Hoge Raad oordeelde dat het systematisch verzamelen, vastleggen, bewaren en bewerken van privégegevens een precieze wettelijke grondslag behoeft, en dat deze niet is neergelegd in de AWR. De inmenging in het privéleven, aldus de Hoge Raad in onderdeel 2.3.2 van het arrest HR BNB 2017/79 ‘moet berusten op een naar behoren bekend gemaakt wettelijk voorschrift waaruit de burger met voldoende precisie kan opmaken welke op zijn privéleven betrekking hebbende gegevens met het oog op de vervulling van een bepaalde overheidstaak kunnen worden verzameld en vastgelegd, en onder welke voorwaarden die gegevens met dat doel kunnen worden bewerkt, bewaard en gebruikt.’ Bovendien kunnen beperkingen op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer slechts worden gerechtvaardigd door of krachtens een wet in formele zin. De Afdeling sloot zich hierbij nog in datzelfde jaar aan. 5.31 Voor zover nodig kunnen de bestuursrechtelijke colleges, zoals eerder, communis opinio over bepaalde rechtsvragen tot stand brengen door middel van het zogenoemde ‘rechtseenheidsoverleg’. 5.32 Nadat de ANPR arresten waren gewezen, beëindigde de Belastingdienst de gegevensverwerving met toepassing van ANPR. Met ingang van 1 januari 2019 is art. 77a ingevoegd in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. In deze bepaling wordt aan de inspecteur bevoegdheid verleend om ‘op of aan de weg van een motorrijtuig met behulp van een technisch hulpmiddel kentekengegevens (…) te verwerken ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van deze wet. De aanwezigheid van een technisch hulpmiddel wordt op duidelijke wijze kenbaar gemaakt.’ In de verdere bepalingen van dit artikel worden diverse voorschriften gegeven met onder meer het doel de regelgeving in overeenstemming te brengen met de privacyregulering. 5.33 Ten overvloede wijs ik op een wettelijke ‘risicomeldingsregeling’ die door de rechter als in strijd met art. 8 EVRM onverbindend is verklaard. Al met ingang van 2014 was in de Wet SUWI ingebracht het Systeem Risicoindicatie, kortweg SyRi. Het is in de MvT bij de wijzigingswet gekenschetst als een wettelijk instrument dat de overheid gebruikt ter voorkoming en bestrijding van fraude op het terrein van de sociale zekerheid en inkomensafhankelijke regelingen, de belasting- en premieheffing en de arbeidswetten. De SyRi-regeling in wet en uitvoeringsbesluit behelst ‘een technische infrastructuur en bijbehorende procedures waarmee in een beveiligde omgeving anoniem data kunnen worden gekoppeld en geanalyseerd, zodat risicomeldingen kunnen worden gegenereerd.’ Rechtbank Den Haag oordeelt in het in de voetnoot vermelde vonnis dat de wet onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar is, en niet voldoet aan de ‘fair balance’ die het EHRM eist wil van een voldoende gerechtvaardigde inbreuk op het privéleven kunnen worden gesproken; zij besluit dat de SyRi-regeling onverbindend is. Hoger beroep is niet ingesteld, en SyRi is buiten werking gesteld. 5.34 Gelet op het vorenstaande meen ik dat de belastingrechter bevoegd is om te oordelen over vragen van privacyrecht wanneer deze aan de orde komen in een fiscaalrechtelijk geschil dat volgens de overigens relevante bepalingen tot zijn competentie behoort. Gronden voor klachten: bestaat voor Project 1043/FSV een wettelijke basis? 5.35 Op welke gronden zou een belastingplichtige zich kunnen beklagen over een handeling van de fiscus die verband houdt met Project 1043/FSV? 5.36 Eerst en vooral kan de belastingplichtige onder verwijzing naar het ANPR-arrest (zie onderdeel 5.30) aanvoeren dat voor het verzamelen en vastleggen van de onderhavige persoonsgegevens en vervolgens bewerken, bewaren en gebruiken een wettelijke grondslag ontbreekt die voldoet aan de eisen van het EVRM, het recht van de Europese Unie en de Grondwet. 5.37 Een dergelijke klacht slaagt naar mijn oordeel. De gegevens die in Project 1043 worden betrokken, zijn niet in den brede bekend gemaakt. Uit de mededelingen die omtrent het project zijn gedaan, blijkt echter dat zij betrekking hebben op de gedragingen van de betrokken personen in relatie tot hun fiscale aangelegenheden. Niettegenstaande het gebrek aan precieze informatie kan dit niet anders betekenen dan dat het gaat om persoonsgegevens, aldus ook de staatssecretaris (zie 4.26), zodat de inmenging daarin een formeel-wettelijke grondslag behoeft die de nodige waarborgen biedt. De AWR biedt deze grondslag niet (zie 5.30 en 5.32 alsmede de rapporten vermeld in 4.10 en 4.14 en de ANPR-arresten). Anders dan in de ANPR zaken zijn de criteria en doelstelling van de ‘verwerking’ van de gegevens bovendien niet duidelijk omlijnd. Voor de goede orde merk ik op dat de beëindiging van de toepassing van de AKI’s 1043 en 1044 door de staatssecretarissen van Financiën (zie 4.28 alsmede voor CAF 4.31) impliceert dat zij niet zeker zijn van hun juridische fundament. 5.38 De ANPR-arresten betroffen waarnemingen van de Belastingdienst omtrent het (privé)gebruik van auto’s die bewijs opleverden van onjuiste aangiftes. Het doen van deze waarnemingen was op zichzelf beschouwd niet onrechtmatig maar wel de methode van onderzoek, te weten het gebruik van de fotocamera’s. In de zaken die in deze conclusie aan de orde zijn, stelt de Belastingdienst vragen aan de belastingplichtige met betrekking tot zijn aangifte waarop deze bij wet is verplicht om antwoord te geven en waaruit hij bewijs verkrijgt van onjuiste aangiftes. Op zichzelf beschouwd is het stellen van de vragen niet onrechtmatig, maar wel de methode waarvan zij een onderdeel uitmaken, te weten die waarbij door middel van profielsignalering en -selectie en de overige verwerkingsvormen van deze persoonsgegevens een vermoeden of vooringenomenheid is ontstaan. 5.39 Over de gevolgen van een verband tussen een onrechtmatig onderzoek en een (verhoogde) belastingaanslag handelt al onderdeel 5.8. Onder meer is daar aan de orde gekomen dat de Strafkamer van de Hoge Raad slechts in een beperkt aantal gevallen bewijsuitsluiting geboden acht. In het spoor van het EHRM oordeelt de Hoge Raad dat daarvoor behalve een direct verband tussen vormverzuim ex art. 359a Sv. nodig is dat niet alleen art. 8 EVRM is geschonden maar ook art. 6. Daarnaast is er een categorie waarin ernstige schending van art. 8 EVRM volstaat. Nu is fiscaalrechtelijk van belang dat in het heffingsrecht art. 6 EVRM niet geldt en in het boeterecht weliswaar in diverse opzichten wordt aangesloten bij strafrechtelijke principes doch dat art. 359a Sv. niet van toepassing is. Dat hoeft aan interne rechtsvergelijking niet in de weg te staan, maar een belangrijk verschil tussen beide rechtsgebieden doet zich hier gevoelen. In strafrechtelijke zaken is steeds een derde partij: de gelaedeerde ofwel het slachtoffer, betrokken. Voor deze persoonlijk betrokken partij is het moeilijk te verteren wanneer voorhanden bewijs van het delict van tafel verdwijnt. In het belastingrecht is niet sprake van een slachtoffer in de bedoelde zin, terwijl anders dan in grote delen van het overige bestuursrecht ook geen derde-belanghebbende bestaat. Zonder het belang van de staat te willen negeren moet worden vastgesteld dat daarmee de impact van bewijsuitsluiting in belastingzaken geringer is dan in relatie tot vele delicten uit het commune strafrecht. 5.40 De handelwijze van de Belastingdienst in het raam van Project 1043/FSV is in strijd met het verdragsrechtelijk en grondwettelijk gegarandeerde grondrecht op privacy, zoals onder meer geregeld in art. 8 EVRM. De wetgever heeft niet voorzien in een specifieke wettelijke regeling die hierin zou kunnen voorzien, ondanks dat al in oudere literatuur erop was gewezen dat de AWR een dergelijke regeling niet behelst, en ondanks dat in rechtspraak van o.a. het EHRM te ‘vage’ regelingen ontoereikend werden geoordeeld. Ook nadat de Hoge Raad in 2017 in dezelfde zin had geoordeeld, is niet de inrichting van een dergelijke regeling ter hand genomen, afgezien van art. 77a Wet MB. Dit leidde ertoe dat belastingplichtigen die van wie de aangiften werden geselecteerd in dit systeem dat was gericht op voorkoming van systeem fraude, daarover niet werden geïnformeerd en dus niet in staat waren om rechtsbescherming te verkrijgen ter zake van klachten voor het geval de selectie om een of andere reden onrechtmatig was. Gelet verder op de lange periode gedurende welke deze situatie heeft bestaan, de omvang van het project, de grote aantallen personen die op de lijsten waren vermeld, de omstandigheid dat voor zover ik heb kunnen nagaan de selectieregels nog steeds niet integraal bekend zijn, en intussen is medegedeeld dat van een aantal personen de reden van opneming in de lijst waarschijnlijk niet kan worden achterhaald, meen ik dat het argument dat intussen het project is stilgelegd en een AVG conforme werkwijze op een termijn van drie jaar kan worden verwacht, relatief beperkte waarde in de schaal legt. Mede gelet op de kindertoeslagaffaire zou de indruk kunnen ontstaan dat bij het op zich terechte streven om belastingfraude te verhinderen dan wel op te sporen sommige waarborgen voor de contribuabelen te weinig aandacht krijgen. Een en ander afwegend meen ik dat hier de grond die de Strafkamer van de Hoge Raad onderkent voor toepassing van bewijsuitsluiting omwille van de bewaking van rechtsstatelijke waarborgen, opgeld doet. Voor zeer ernstige belastingfraudes kan een uitzondering worden gemaakt. 5.41 Het gevolg van de zojuist getrokken conclusie is dat acties van de Belastingdienst (zoals het stellen van vragen over een ingediende aangifte) die voortvloeien uit de selectie van een belastingplichtige door toepassing van Project 1043/FSV, moeten worden genegeerd. Het al dan niet beantwoorden van vragen door de belastingplichtige en de eventuele inhoud van die antwoorden kunnen niet in aanmerking worden genomen bij het opleggen van diens belastingaanslag(en). Dus dienen de desbetreffende belastingaanslagen te worden verminderd voor zover zij daarop stoelen. Gronden voor klachten: overige 5.42 Onder dit kopje ga ik in op de vraag welke klachten in bepaalde individuele gevallen kunnen worden aangevoerd in verband met de toepassing van selectieregels op de voet van Project 1043 wanneer mijn zojuist weergegeven standpunt niet mocht worden gevolgd. 5.43 Uit hetgeen is bekend gemaakt over Project 1043 (onderdeel 4.15 e.v.), blijkt dat het de fiscus erom te doen was aangiften te selecteren voor nader onderzoek wegens de mogelijkheid van systeem fraude. Die signalen werden opgeslagen in FSV (onderdeel 4.7 e.v.) waarin kennelijk ook langs andere weg verkregen signalen werden opgeslagen. 5.44 Wegens de verkregen signalen werden door de betreffende personen ingediende aangiften aan een nader onderzoek onderworpen. Alhoewel niet met zoveel woorden in de aangetroffen documenten geschreven, sluit ik niet uit dat de thesaurus ook werd gebruikt om bijvoorbeeld aan burgers en bedrijven die nog niet als belastingplichtig te boek staan, vragen te stellen, of om bijvoorbeeld nader onderzoek in te stellen los van een concrete aangifte. Ik beperk mij hier echter tot de gevallen waarin de belastingplichtige een aangifte heeft ingediend (art. 6 AWR). 5.45 Bij de totstandkoming van de onderhavige wetgeving is waarschijnlijk wel ervan uitgegaan dat in principe elke aangifte zou worden gecontroleerd, maar in elk geval sedert enkele decennia wordt dit niet meer opportuun geacht. De wet (verg. art. 47 e.v. AWR) verplicht de Belastingdienst ook niet daartoe. Er bestaat in feite een discretionaire bevoegdheid. De Belastingdienst mag bepalen welke aangiftes meer of minder uitgebreid worden gecontroleerd, bijv. op basis van doelmatigheidsargumenten. 5.46 Als bestuursorgaan is de Belastingdienst, hier in het bijzonder de inspecteur, uiteraard gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een belastingplichtige kan dus bij de rechter klagen ingeval de inspecteur bij de selectie van zijn aangifte mocht hebben gehandeld in strijd met bijvoorbeeld het verbod van willekeur, het gelijkheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel. 5.47 Het behoeft geen betoog dat hetzelfde geldt mocht de inspecteur hebben gehandeld in strijd met (grond)wettelijke bepalingen of met directe werkende bepalingen in verdragen, waaronder die betreffende de mensenrechten. 5.48 In algemene zin valt over mogelijke onrechtmatigheden bij de selectie van aangiften, al dan niet in het kader van Project 1043, weinig te zeggen aangezien de selectieregels niet bekend zijn. Mij is niet bekend is of daarvoor interne circulaires bestaan of bestonden. 5.49 Er zijn maar enkele gegevens over naar buiten gekomen. Blijkens onderdeel 4.20, voetnoot 48 waren ‘zorgkosten, giften en uitgaven voor pensioenvoorzieningen’ aspecten die in de risicoselectie konden zijn opgenomen. Er bestond een FSV toezichtslijst ‘Kwitanties voor contante giften’ waarop de namen van 4000 belastingplichtigen voorkwamen. 5.50 In voetnoot 48 is ook het voorbeeld weergegeven van de aangifte van giften tot een bedrag van € 10.000 bij een inkomen van € 25.000. Tussen de regels door lees ik hierbij dat gedoeld wordt op personen die ook niet over substantieel vermogen beschikken. Dat in die situatie die claim vragen oproept, zal weinigen verbazen. Toch zou de rechtvaardiging van nader onderzoek in twijfel kunnen worden getrokken wanneer de selectie mede zou afhangen van de vraag om welke begunstigde instanties het gaat. 5.51 Nationaliteit of dubbele nationaliteit kan in het verleden een rol hebben gespeeld, zie dienaangaande onderdeel 4.21. In sommige gevallen zou dit verboden discriminatie kunnen impliceren. 5.52 In elk geval waren belanghebbenden niet op de hoogte van toepassing van Project 1043 in hun geval. De mogelijkheid om informatie te vragen, lijkt ook pas onlangs te zijn geïntroduceerd en was in elk geval niet aan de betrokkenen bekend gemaakt. Bovendien is niet geconcretiseerd wat hier wordt verstaan onder – het kennelijk aan de AVG ontleende begrip - persoonsgegevens die ter informatie zullen worden verstrekt, en wordt een voorbehoud gemaakt voor gevallen waarin het ‘toezichtsbelang’ dat naar het oordeel van de Belastingdienst niet toelaat. Zie onderdeel 4.26. 5.53 Over het niet honoreren van rechten uit hoofde van de AVG en haar voorganger kan de burger in beginsel alleen bij de algemene bestuursrechter klagen; slechts wanneer een schending gevolgen heeft voor de toepassing van de fiscale selectieregels, kan hij zich wat dit betreft tot de belastingrechter wenden (zie 5.18 tot en met 5.34). Allereerst kan hij verlangen dat de Belastingdienst zo nodig alsnog de ten aanzien van hem opgeslagen gegevens bekend maakt. Voor zover de Belastingdienst stelt dat bepaalde gegevens wegens het toezichtsbelang niet kunnen worden overgelegd, kan hij aanvoeren dat dat belang in zijn geval niet zwaar genoeg is in de zin van de Richtlijn of de AVG. 5.54 Een belastingplichtige die het aangaat, zou voorts kunnen aanvoeren dat de omstandigheid dat Project 1043 was gericht op het signaleren van mogelijke ‘systeem fraude’ en de gegevens werden opgeslagen in de Fraude signalering voorziening, erop wijst dat hij werd verdacht van fraude. Zulks kan afhankelijk van de omstandigheden gevolgen hebben voor de verplichting tot het verschaffen van gegevens en de aan een weigering te verbinden gevolgen. Deze conclusie leent zich niet ervoor om een en ander hier te bespreken. Stelplicht en bewijslast 5.55 Als algemene regel kan worden aangenomen dat in fiscale procedures de plicht tot stellen en bewijzen van feiten ligt bij de partij die daarbij belang heeft. Aangenomen nu dat een belastingplichtige wenst aan te voeren dat hij (m/
- v)op onrechtmatige grond is geselecteerd, dan rijzen voor hem twee problemen. Het eerste is dat aan hem de wijze van selectie niet bekend is zodat hij ook niet op de gedachte komt om ertegen op te komen; het tweede probleem is dat hij, zo hij wel een al dan niet vaag idee heeft over dat proces, niet bekend is op welke grond de selectie heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat hij aan de stelplicht en/of de bewijslast niet kan voldoen. 5.56 Hieruit volgt dat er in principe grond bestaat voor omkering van de bewijslast (verschuiving van de bewijslast naar de Belastingdienst); redelijk lijkt het een minimale grond voor twijfel aan de geldigheid van de selectie van de klager te verlangen. Ik herinner er voor zover nodig nog aan dat in de laatste maanden veel gezegd en geschreven is over ‘de menselijke maat’ en de gedachte dat de overheid de burger waar nodig terzijde moet staan. 5.57 Van belang is hier mede het rapport van de Nationale Ombudsman ‘Verkleurde beelden’ over Klachtbehandeling etnisch profileren. In het begeleidende Nieuwsbericht wordt onder meer het volgende medegedeeld: ‘De Ombudsman heeft onderzocht hoe de overheid moet omgaan met klachten over etnisch profileren. (…) Bij klachten over etnisch profileren is het grootste probleem dat vaak niet duidelijk is of etniciteit überhaupt een rol heeft gespeeld. Het is niet reëel de bewijslast hiervoor bij de burger te leggen.’ 5.58 Het rapport behelst een onderzoek waarbij onder meer interviews zijn gehouden met zowel burgers als ambtenaren van verschillende overheidsinstanties waaronder de Belastingdienst. Op blz. 31 wordt vastgesteld: ‘Over het algemeen is het idee van burgers dat de overheidsinstantie in zo’n geval onvoldoende onderzoek heeft gedaan en er bewust voor kiest de feiten niet te achterhalen.’ De Ombudsman betoogt in par. 8.5 dat de overheidsinstantie actief onderzoek moet doen bij klachtbehandeling, en in par. 9.1 dat zij moet kunnen uitleggen waarom de burger is geselecteerd. 5.59 Uit hoofdstuk 9 over de aanbevolen wijze van behandeling van klachten haal ik een wat langere passage aan (met weglating van één voetnoot): ‘Vaak is het moeilijk om de feiten vast te stellen bij klachten over etnisch profileren. Het gaat om het woord van de één tegen de ander. Of juist om dingen die niet gezegd zijn. Over het algemeen zal een ambtenaar immers niet expliciet zeggen dat hij iemand staande houdt vanwege zijn etniciteit. Zelfs als signalen erop wijzen, weten we nog steeds niet zeker wat er omging in het hoofd van de betreffende ambtenaar. Het neerleggen van de bewijslast bij de burger is dan ook niet evenredig en in strijd met het behoorlijkheidsvereiste van fair play. Van de overheid mag worden verwacht dat zij kan uitleggen waarom zij handelt zoals zij doet. De burger mag verwachten dat de overheid kan uitleggen op basis waarvan hij is geselecteerd en in hoeverre etniciteit daarbij een rol heeft gespeeld. Dat betekent dat de overheidsinstantie inzichtelijk moet kunnen maken waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt. Kan de overheidsinstantie dit niet? Dan heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat etniciteit geen rol heeft gespeeld en zal ervan moeten worden uitgegaan dat dit wel het geval is.’ (blz. 64). Gevolgen voor de rechtstoepassing 5.60 Uit het vorenstaande volgt dat de mogelijkheid bestaat dat door een onrechtmatige selectie van een aangifte een belastingaanslag op onrechtmatige grond tot een bepaald bedrag is opgelegd terwijl de belanghebbende daarvan geen weet heeft en hij dus niet een reële kans heeft om zich daartegen in rechte te verweren. 5.61 Belastingplichtigen die weten of vermoeden dat aan hen een belastingaanslag is opgelegd met toepassing van Project 1043/FSV, kunnen zonder te beschikken over de desbetreffende gegevens eventuele bezwaren daartegen niet waar maken. Voor het belastingrecht is hier van belang dat de rechter – als gezegd - de bewijslast waar dat nodig is door omkering daarvan kan leggen op de meest gerede partij. Dat ligt voor de hand wanneer een belastingplichtige niet weet hoe de selectie van zijn aangifte voor nader onderzoek heeft plaatsgevonden. 5.62 In essentie verlangt de AVG dit ook. In punt 60 van de Considerans wordt opgemerkt dat de betrokkene op de hoogte moet worden gesteld van het feit dat verwerking van persoonsgegevens plaatsvindt en met welk doel. Voorts moet betrokkene worden geïnformeerd over het bestaan van profilering en de gevolgen daarvan. Profilering wordt hierbij gedefinieerd als ‘elke vorm van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens waarbij aan de hand van persoonsgegevens bepaalde persoonlijke aspecten van een natuurlijke persoon worden geëvalueerd, met name met de bedoeling zijn beroepsprestaties, economische situatie, gezindheid, persoonlijke voorkeuren, interesses, betrouwbaarheid, gedrag, locatie of verplaatsingen te analyseren of te voorspellen.’ 5.63 Theoretisch lijkt denkbaar om voortaan bij belastingaanslagen te vermelden dat door de Belastingdienst desgevraagd informatie zal worden verstrekt over persoonsgegevens die betreffende de belastingplichtige zijn verkregen. Het zou dan vervolgens aan de belanghebbende zijn om te besluiten om de informatie al dan niet daadwerkelijk op te vragen en om een eventueel later opgelegde belastingaanslag aan te vechten wegens onrechtmatige selectie. 5.64 Maar een dergelijke regel of praktijk bestaat tot nu toe niet. Belastingplichtigen kunnen daardoor in principe niet meer terug komen op aanslagen die zij ontvingen terwijl zij niet op de hoogte waren van hun vermelding op wat intussen ook wel ‘de fraudelijst’ wordt genoemd. Als hoofdregel geldt immers dat op onherroepelijk vaststaande aanslagen in rechte niet kan worden teruggekomen. 5.65 Onder omstandigheden zou de belastingplichtige zodra hij alsnog kennis neemt van de toepassing van Project 1043 in zijn geval, wellicht een verzoek om ambtshalve vermindering kunnen indienen. Aan deze bijzondere rechtsgang kleven echter additionele wettelijke en ministeriële voorwaarden. Maar de belastingplichtige kan in een dergelijke situatie ook alsnog een ‘vol’ bezwaar en zo nodig beroep instellen met een beroep op verschoonbare termijnoverschrijding. Hem kan immers redelijkerwijs niet worden verweten dat hij in verzuim was; de grond voor de verschoonbaarheid – de onbekendheid met de plaatsing op de lijst en/of de reden daarvoor – was niet aan de belanghebbende te wijten en bestond ook van meet af aan. Ambtshalve vermindering zou wel goede diensten voor de rechtsbescherming kunnen bieden in gevallen waarin iemand tegen een aanslag of navorderingsaanslag al een rechtsmiddel heeft aangewend maar niet met een klacht over onrechtmatige selectie, aangezien hij geen weet had van Project 1043, de selectieregels en zijn (mogelijke) plaats op de meergenoemde lijst. Het enkele argument van een verschoonbare termijnoverschrijding verschaft hem dan nog geen mogelijkheid om op die grond alsnog bezwaar en eventueel beroep in te stellen, aangezien de wet een tweede bezwaar niet toestaat. Voor deze en mogelijk andere zeer bijzondere gevallen zou kunnen worden overwogen de mogelijkheid voor het rechtsgeldig verzoeken om ambtshalve vermindering te verruimen. 5.66 De mogelijkheid van opkomen tegen de selectie is nu wel aan de orde voor diegenen die in het voorjaar van 2021 ervan op de hoogte werden en worden gebracht dat hun naam in de FSV-lijst is/was opgenomen en daaruit afleiden of vermoeden dat hun aanslag geheel of gedeeltelijk uit die vermelding is voortgevloeid. 5.67 Een belastingplichtige aan wie niet is of wordt bericht dat hij op ‘de fraudelijst’ heeft gestaan, maar vermoedt dat, dan wel zich afvraagt of, dat wel het geval was, kan thans alsnog een verzoek om informatie indienen (zie 4.26). Mocht blijken dat hij toch op de lijst stond, kan hij zich in geval van een fiscaal belang in bezwaar en eventueel beroep daarover beklagen bij respectievelijk de inspecteur en de belastingrechter. Samenvatting 5.68 De belangrijkste conclusies uit dit hoofdstuk zijn de volgende: De belastingrechter is bevoegd te beoordelen of een belastingaanslag te hoog is vastgesteld op basis van gegevens die zijn verkregen doordat de Belastingdienst de belastingplichtige met schending van de privacyregels heeft geselecteerd voor onderzoek. De profilering van belastingplichtigen wegens risico van systeem fraude op de voet van Project 1043 (met opslag van de gegevens in FSV) is in strijd met de privacyregels, omdat deze zulks alleen toestaan wanneer een afzonderlijke wet met specifieke voorschriften daarin voorziet, hetgeen de AWR niet doet. Wanneer het Project 1043/FSV niet zonder meer in strijd met wet en verdrag mocht worden aangemerkt wegens het ontbreken van een specifieke wettelijke grondslag, kan een belastingplichtige zijn aanslag toch aanvechten wanneer de wijze waarop hij voor onderzoek is geselecteerd, in strijd is met bijvoorbeeld een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of met een bij verdrag geregeld mensenrecht. Ingeval de belastingaanslag op een van die gronden inderdaad te hoog blijkt te zijn vastgesteld, moet de aanslag in zoverre worden verminderd tenzij de Belastingdienst ook langs andere weg dan door middel van het gewraakte onderzoek kan bewijzen dat de aanslag niet te hoog was vastgesteld. Een belastingplichtige die pas na het verstrijken van de termijn voor bezwaar en/of beroep verneemt dat hij op de lijst van Project 1043/FSV stond, kan in de zojuist bedoelde gevallen alsnog rechtsmiddelen aanwenden met een beroep op verschoonbare termijnoverschrijding. 6Behandeling van grief 1 6.1 Belanghebbende klaagt erover dat zij kennelijk op de lijst van Project 1043/FSV is geplaatst en dat zij daarom onrechtmatig aan onderzoek is onderworpen. 6.2 In het verweerschrift in cassatie weerspreekt de Staatssecretaris niet dat belanghebbende op die lijst was geplaatst. 6.3 Pas in het beroepschrift in cassatie beroept belanghebbende zich erop dat zij op de genoemde lijst stond. Dit gegeven dat als gezegd in het verweerschrift in feite is erkend, is klaarblijkelijk bedoeld om de voor het Hof al aangevoerde klacht over het jaarlijks ‘uitvragen’ te ondersteunen. 6.4 Nu dit feit voor het eerst in cassatie wordt gesteld, kan het volgens de gangbare leer worden aangemerkt als een ‘novum in cassatie’ en zou het dan om die reden buiten beschouwing moeten worden gelaten. In het verweerschrift neemt de Staatssecretaris echter niet het standpunt in dat de klacht niet kan worden ontvangen. 6.5 Nu belanghebbende eerder niet in staat was om het genoemde feit aan te voeren, aangezien het bestaan van de lijst en haar plaats daarop eerder niet aan haar bekend waren en tussen partijen in cassatie niet in geschil is dat belanghebbende inderdaad op de lijst Project 1043/FSV was geplaatst, lijkt het mij met het oog op de rechtsbescherming en de proceseconomie zinvoller wanneer de Hoge Raad in een zeer bijzondere casus als de onderhavige dit feit voor waar aanneemt en op basis daarvan de klacht behandelt. 6.6 De Staatssecretaris wijst er in het verweerschrift in cassatie op dat al voor diverse jaren was geconstateerd dat belanghebbende aftrekposten claimde die niet met bewijsstukken werden geschraagd. Deze mededeling is in zoverre in overeenstemming met hetgeen belanghebbende in de klacht opmerkt, te weten dat de Inspecteur in verschillende achtereenvolgende jaren vragen aan haar stelde. 6.7 De omstandigheid dat een belastingplichtige in zijn of haar aangifte te hoge en onbewezen aftrekposten opvoert, vormt in beginsel een objectieve en redelijke grond voor de Belastingdienst om ook in het daarop volgende jaar te controleren of de aangifte correct is. 6.8 Het staat echter niet vast om welke reden de belanghebbende op de genoemde lijst is opgenomen, of die plaatsing ertoe leidde dat aan haar vragen over de ingediende aangifte werden gesteld, en of de uitkomst van dat onderzoek tot gevolg heeft gehad dat zij jaarlijks opnieuw werd bevraagd. Het is kortom niet uitgesloten dat uit een initieel onrechtmatige selectie een keten causaal verbonden acties voortvloeide waaronder (deels) de hoogte van de in geschil zijnde belastingaanslag. 6.9 Voor een beoordeling van de klacht is derhalve nader onderzoek omtrent die feitenonontbeerlijk. 6.10 De klacht is derhalve gegrond; verwijzing van het geding naar een gerechtshof moet volgen. 7Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard en verwijzing dient te volgen voor een onderzoek naar de vraag of belanghebbende is geplaatst op de lijst van Project 1043 dan wel FSV en, zo ja, of (de hoogte van) de aanslag het gevolg is van deze plaatsing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen. De inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag. De rechtbank Den Haag. Rechtbank Den Haag 4 november 2019, nr. SGR 19/2584, ECLI:NL:RBDHA:2019:12935, FutD 2020-1522, NTFR 2020/1850, V-N Vandaag 2020/1278. Het gerechtshof Den Haag. Gerechtshof Den Haag 12 juni 2020, nr. BK-19/00750, ECLI:NL:GHDHA:2020:1206 (niet gepubliceerd). De staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst. Het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Voor de goede orde: belanghebbende brengt dus niet in dat het berekenen van belastingrente van minstens 4% in haar geval neerkomt op een individuele en buitensporige last. Algemene wet inzake rijksbelastingen. Zie artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang gelezen met artikel 6:120, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1 van het Besluit wettelijke rente (telkens tekst voor 2013). Zie artikel I van Wet wijziging percentages belasting- en invorderingsrente, Stb. 2013, 568. Kamerstukken II 2013-2014, 33 755, nr. 3, p. 2. Zie onder meer Hoge Raad 29 januari 2016, nr. 15/03090, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2016:124, BNB 2016/164 met annotatie Happé, FED 2016/65 met annotatie M.C. Cornelisse, FutD 2016-0262 met annotatie van de redactie, NJB 2016/357, NTFR 2016/548 met annotatie Van Mulbregt, V-N 2016/7.18, r.o. 2.3.2 en de aldaar aangehaalde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Vergelijk HR BNB 2016/164 (zie voetnoot 14), r.o. 2.4.2. Idem, r.o. 2.5.2. Zie onder meer HR BNB 2016/164 (zie voetnoot 14), r.o. 2.3.2 en de aldaar aangehaalde rechtspraak van het EHRM. Terzijde merk ik op dat weliswaar de wettelijke regeling onderscheidt in de voorwaarden waaronder belastingrente wordt vergoed en die waaronder zij wordt berekend, maar dit onderscheid komt niet aan de orde in de klacht van belanghebbende. Ik abstraheer dan ook van dit onderscheid. Zie het beroepschrift voor het Hof, p. 4. Hoge Raad 24 januari 2001, 35.913, ECLI:NL:HR:2001:AA9626, BNB 2001/110, FED 2001/200 met annotatie Poelmann, NTFR 2001/167 met annotatie Ligthart, V-N 2001/9.20 met annotatie van de redactie, r.o. 3.3. Hoewel dit arrest is gewezen onder de werking van artikel 46 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, is het niet anders onder die van artikel 6.17 Wet IB 2001. Vergelijk Hoge Raad 29 juni 2018, nr. 17/05455, ECLI:NL:HR:2018:1018 , BNB 2018/159, FED 2018/137 met annotatie Weerepas, FutD 2018-1751, NTFR 2018/1592 met annotatie Van Arnhem, V-N 2018/38.8 met annotatie van de redactie. Zie HR BNB 2018/159 (zie voetnoot 20), r.o. 2.3.2. EHRM 10 november 2004, Pizzati / Italië, nr. 62361/00, ECLI:CE:ECHR:2004:1110JUD006236100, AB 2005/257 met annotatie Barkhuysen, BNB 2005/335 met annotatie Feteris, JB 2005/1 met annotatie AMLJ, O&A 2005/59, V-N 2005/59.10 met annotatie van de redactie. Zie EHRM Pizatti / Italië, punten 21-23. Idem, punt 26. EHRM 10 november 2004, Cocchiarella / Italië, nr. 64886/01, ECLI:CE:ECHR:2004:1110JUD006488601; EHRM 10 november 2004, Apicella / Italië, nr. 64890/01, ECLI:CE:ECHR:2004:1110JUD006489001; EHRM 10 november 2004, Procaccini / Italië, nr. 65075/01, ECLI:CE:ECHR:2004:1110JUD006507501; EHRM 10 november 2004, Mostacciuolo / Italië, nrs. 64705/01 en 65102/01, ECLI:CE:ECHR:2004:1110JUD006470501 en ECLI:CE:ECHR:2004:1110JUD006510201; EHRM 10 november 2004, Musci / Italië, nr. 64699/01, ECLI:CE:ECHR:2004:1110JUD006469901; en EHRM 10 november 2004, Zullo / Italië, nr. 64879/01, ECLI:CE:ECHR:2004:1110JUD006489701, telkens punt 26. Vergelijk de annotatie in V-N 2005/59.10 (zie voetnoot 22), waarin wordt opgemerkt dat blijkens de voorbeelden in punt 26 van Pizatti / Italië, het EHRM bij geschillen inzake aanzienlijke belangen niet denkt aan geschillen over fiscale boetes. Verschillende van de bedoelde bronnen komen hierna aan de orde. Alle in deze conclusie vermelde bronnen, voor zover niet gedingstukken, zijn online te raadplegen. Tussen aanhalingstekens geplaatste voetnoten zijn overgenomen uit het geciteerde document waar zij bij horen. De kwestie is algemeen bekend. Ik volsta hier daarom met verwijzingen naar het rapport ‘Ongekend onrecht’ van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag, Den Haag 17 december 2020, en mijn conclusie voor HR 27 maart 2020, nr. 18/05180, ECLI:NL:HR:2020:513, BNB 2020/84 met noot Heithuis, NTFR 2020/880 met noot Van Arnhem, V-N 2020/16.6 met noot redactie, FED 2020/90 met noot Weerepas, NLF 2020/0819 met noot Thomas. Antwoord van de regering van 13 oktober 2020 op vraag 73 van 14 juli 2020 van het Kamerlid Azarkan, Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, Aanhangsel. Kenmerk 2020-0000046117. Ik neem aan dat hier onder meer wordt gedoeld op het artikel ‘Belastingdienst had een geheime fraudelijst, in strijd met de privacywet’ in Trouw van 29 februari 2020. Bij de brief is gevoegd een afschrift van de GEB van 5 november 2019. Kenmerk 2020-0000082569. Algemene Verordening Gegevensbescherming, Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016, van toepassing met ingang van 25 mei 2018. Zie de reactie op dit rapport van de staatssecretarissen van Financiën bij brief van 10 juli 2020 aan de Tweede Kamer, kenmerk 2020-0000130507, alsmede Lijst van Vragen en Antwoorden van 16 oktober 20202, Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 31 066, nr. 710, in het bijzonder vragen 23 en 39 e.v. Antwoord van 20 oktober 2020 van de regering op vraag 17 van 14 juli 2020 van het Kamerlid Azarkan, Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, Aanhangsel. Kenmerk 0000015631. De Werkinstructie Insolventie L.I.C., versie 13 april 2014, is bij de brief gevoegd. Toen de eerste 60.000 brieven waren verstuurd, interviewde NOS Nieuws een aantal van de betrokkenen (‘Belastingdienst stuurt excuusbrief: ‘Ik was echt laaiend toen ik hem las’’) (11 mei 2021). Mensen zijn geschokt dat zij op een ‘fraudelijst’ stonden. Blijkens het NOS bericht kon de Belastingdienst nog niet zeggen waarom de briefontvangers in het systeem stonden. V-N Vandaag 2021/1256. Zie ook: Fiscus kan reden registratie zwarte lijst vaak niet achterhalen | TaxLive. Samenvatting rapport, blz. 3. Zie van staatssecretaris Van Huffelen de Reactie op het rapport in de brief van 17 juli 2020 kenmerk 0000130811 en Antwoorden op vragen van de vaste commissie voor Financiën in de brief van 17 november 2020 kenmerk 0000215374. RTL Nieuws 7 juli 2020. Trouw 7 juli 2020. RTL Nieuws 10 juli 2020. IH is de afkorting van Inkomensheffingen. Bijlage bij brief van de staatssecretarissen van Financiën van 13 oktober 2020, Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 31 066 nr. 711. ‘Kamerstukken II 2012-2013, 17 050 – 432.’ Blijkens het antwoord van 13 oktober 2020 van de regering op vraag 23 van 14 juli 2020 van het Kamerlid Azarkan kunnen ‘zorgkosten, giften en uitgaven voor pensioenvoorzieningen (…) aspecten zijn die in de risicoselectie zijn opgenomen.’ Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, Aanhangsel. In het antwoord op vraag 33 wordt toegelicht dat de claim van giftenaftrek voor € 10.000 bij een bruto jaarinkomen van € 25.000 een dusdanig deel van het inkomen vormt dat de inspecteur daarin een gerechtvaardigde reden voor het stellen van vragen en opvragen van bewijsstukken heeft. Zie tevens vraag en antwoord 63. Op de FSV toezichtslijst ‘Kwitanties voor contante giften’ staan ruim 4000 belastingplichtigen, aldus Antwoord 18 van staatssecretaris Vijlbrief, Lijst van vragen en antwoorden van 16 oktober 2020, Tweede Kamer vergaderjaar 2020-2021, 31 066, nr. 710. Hierbij is in het origineel een voetnoot geplaatst die in deze conclusie in de volgende alinea in de hoofdtekst van deze conclusie wordt geciteerd. Voor lezers die zoals auteur dezes weinig vertrouwd zijn met het computerjargon, zij opgemerkt dat ‘query’ staat voor ‘vraag’ of ‘zoekopdracht’. ‘Er bestaat ook een projectcode 1044 “steekproef Ondernemingen”. Deze projectnummering heeft geen enkele relatie met de hier genoemde AKI 1044.’ Zie tevens antwoord van de regering van 13 oktober 2020 op vragen 7 en 85 van 14 juli 2020 van Kamerlid Azarkan, Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, Aanhangsel. Kenmerk 2020-0000130507. Zie tevens Antwoord 38 van 16 oktober Lijst van vragen en antwoorden, Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 31 066, nr. 710. Kenmerk 2020-0000195040, tevens gepubliceerd als Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 31 066, nr. 711. ‘Het onderhanden werk van het CAF-team is per 3 juli jl. [2020, a-g] door de gezamenlijke opdrachtgevers opgeschort.’ Kenmerk 2020-0000130507. Kenmerk 0000015631. Zie de slotzin van onderdeel 4.22. Wanneer deze lezing van die tekst onjuist mocht zijn, zal in elk geval de belanghebbende een grotere kans op ‘ontdekking’ hebben dan diegenen die mogelijk at random uit een paar miljoen belastingplichtigen worden gekozen voor controle. De selectie leidt dus tot een ongelijke behandeling die rechtvaardiging behoeft. Vergelijk onderdeel 5.38. HR 24 februari 2017, nr. 15/02068, na mijn conclusie, ECLI:NL:HR:2017:286, BNB 2017/79 nt Haas, NTFR 2017/562 nt Castelijn, FED 2017/68 nt. Maas, V-N 2017/12.3 nt Red., AB 2018/27 nt Barkhuysen en Van Emmerik, FutD 2017-0479 nt. Red.; HR 24 februari 2017 nr 15/02069, ECLI:NL:HR:2017:287, NTFR 2017/562 nt. Castelijn, FutD 2017-0479 nt. Red., NLF 2017/0545 nt. Barmentlo; en HR 24 februari 2017 nr. 16/05826, ECLI:NL:HR:2017:288 , NTFR 2017/562 nt. Castelijn, FutD 2017-0749 nt. Red., NLF 2017/0756 nt. Barmentlo. ANPR is de afkorting van Automatic Number Plate Registration. Zie hierover tevens HR 3 juli 2012, na conclusie Machielse, ECLI:NL:HR:2012:BV7438, NJ 2013,175 nt. Bleichrodt. EHRM 12 mei 2000 (Kahn vs. Verenigd Koninkrijk), ECLI:NL:XX:2000:AE 1368, NJ 2002,180 nt. Schalken. Noot AB 2018/27. O.a. HR 7 juli 2009, NJ 2009,399, en HR 19 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013,308 nt. Keulen. HR 1 december 2020, na concl. Bleichrodt, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021,169 nt. N. Jörg. Zie voor uitzonderingen P.J. Wattel, ‘De burgerlijke rechter en het belastingrecht’, in: R.J.N. Schlössels e.a. (red.), De burgerlijke rechter in het publiekrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, blz. 363. Vergelijk M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 519-520; Ch.J. Langereis, Fiscale rechtsbescherming: een onderzoek naar ontvankelijkheid en omvang van het beroep in belastingzaken’, Deventer: Kluwer 1986, p. 322-323, en P.J. Wattel, a.w., blz. 360. Verg. EHRM 16 februari 2006, Amann t. Zwitserland, ECLI:NL:XX:2000:AP0622, EHRC 2000/31: de tap van een handelsgesprek met de Russische ambassade werd vastgelegd in een steekkaartenregister van de Zwitserse geheime dienst; schending van art. 8 EVRM omdat de desbetreffende wet niet concreet genoeg was. Zie tevens T. Barkhuysen e.a., De betekenis van het EVRM voor het materiële bestuursrecht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2004, blz. 68-69. Verg. tevens art. 8 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en art. 17 BUPO. Zie nader o.a. D.F. Bunschoten, Commentaar bij art. 10 Grondwet, in: Tekst en Commentaar Grondwet en Statuut, Wolters Kluwer vijfde druk 2018. Naast de hierna vermelde bepalingen zij nog gewezen op art. 39 VEU, art. 16 VWEU en art. 8 Handvest. Zie de definitie in art. 4 onderdeel 2 AVG als ‘een bewerking of geheel van bewerkingen’, al dan niet geautomatiseerd, ‘zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens’. Zie voetnoot 60. Onderdeel 2.3.4 van het arrest. Zie voorts mijn conclusie van 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:36 over de zogenoemde ‘trustvraag’. In deze zin eveneens G.J. Zwenne en P.E. Bolle, ‘Privacyregulering en rijksbelastingen’, die nog vermelden dat de Registratiekamer destijds aandrong op ‘een wettelijke regeling die meer waarborgen biedt. (…) Die wettelijke regeling zou inmiddels in voorbereiding zijn.’ In: J.E.J. Prins en J.M.A. Berkvens, Privacyregulering in theorie en praktijk, Deventer: Kluwer 2002, blz. 234. ABRvS 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2008, NTFR 2017/2128 noot Caljé, NLF 2017/2027 met noot Barmentlo, FutD 2017-1885 met noot redactie. Wet Overige fiscale maatregelen 1019 van 19 december 2018, Stb. 507. De MvT bespreekt uitgebreid het verband met onder meer de AVG (kamerstukken nr. 35027). Wet structuur uitvoeringsorganisatie en inkomen van 19 november 2001. Kamerstukken II 2012/13, 33579, nr. 3. Aldus Rechtbank Den Haag 5 februari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:865, NJ 2020/386 met noot Dommering, AB 2020/236 met noot Van Kolfschooten, Computerrecht 2020/87 met noot Van Schendel, TRA 2020/49 met noot Roozendaal, Q&A 2020/28 met noot Barkhuysen, Jak en Bastiaans. Thans aan te duiden met het verzamelbegrip ‘verwerken’ in de zin van de AVG. Zie de voetnoot bij 5.27. Een dergelijke wet kan zelf ook aan toetsing worden onderworpen, zie het in voetnoot 68 vermelde arrest EHRM Amman vs Zwitserland. Zie voor de eisen waaraan een specifieke wet moet voldoen: EHRM 24 maart 1988, Olsson v. Zweden (no. 1), nr. 10465/83, r.o. 61. HR 19 februari 2013 na conclusie A-G Silvis, ECLI:NL:HR:BV5321, NJ 2013,308 nt. Keulen. Inmiddels worden betrokkenen alsnog door de Belastingdienst geïnformeerd, zie 4.13. Art. 6 EVRM en art. 5:10a Awb. Rapport van 30 maart 2021, nr. 2021/030. ‘Zie het behoorlijkheidsvereiste van goede motivering. De overheid legt haar handelen en haar besluiten duidelijk aan de burger uit. Zij handelt niet alleen naar wat haar goed uitkomt of op basis van willekeur. Drie bouwstenen zijn voor een goede motivering van belang: wettelijke voorschriften, de feiten en belangen, en een heldere redenering.’ Zie voor beslissingen over dergelijke kwesties Rechtbank Gelderland 24 december 2020, nr. AWB 20/379, ECLI:NL:RBGEL:2020:6870 en Rechtbank Gelderland 13 april 2021, nr. AWB 20/379, ECLI:NL:RBGEL:2021:2129. Zie tevens art. 13 en 14 AVG. Wettelijke beperking van de rechten van de burger is onder strenge voorwaarden onder meer toegestaan in verband met fiscale aangelegenheden van de lidstaat (art. 23 AVG). Art. 4, aanhef en onderdeel 4, AVG. Zie tevens art. 22 AVG. Vergelijkbaar met de diverse nationale en internationale actieve informatieplichten die in de laatste jaren aan belastingplichtigen zijn opgelegd. Vergelijkenderwijs kan ook worden gedacht aan de zogenoemde rechtsmiddelverwijzing. Zie tevens de waarschuwingsplicht die de Hoge Raad aan de ontvanger heeft opgelegd in verband met de verstrekkende gevolgen van de mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 36 Invorderingswet (o.a. HR 24 mei 2002, nr. C00/203HR, ECLI:NL:HR:2002:AE2881, NJ 2002, 413 met noot Zwemmer, V-N 2002/38.34 met noot redactie, Ondernemingsrecht 2002,46 met noot Wezeman, JOR 2002/130 met noot Borrius, alsmede Commentaar punt 4.3 van Van der Voort Maarschalk en Swaving Dijkstra in NDFR bij art. 36 IW). Art. 9.6 Wet IB 2001. Art. 45aa Uitv.reg. IB 2001. Art. 6:11 Awb. Art. 9.6 Wet IB 2001 en art. 45aa Uitv. Reg. IB 2001. Zie onderdeel 4.26. Zie het verweerschrift in cassatie, p. 1.