ECLI:NL:PHR:2021:623
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/00524 M Zitting 22 juni 2021 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de verdachte.
Inleiding De verdachte is bij arrest van 13 februari 2020 door de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, (verder: het hof) wegens “opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 38 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 19 dagen hechtenis.
Namens de verdachte heeft mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.
Tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering 3. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding ten laste gelegd dat: “1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 4 december 2017 te IJmuiden, in ieder geval in Nederland, (telkens) een geheim waarvan hij wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van zijn ambt van politieambtenaar/ [functie] Koninklijke Marechaussee en/of wettelijk voorschrift te weten artikel 7 van de Wet Politiegegevens, verplicht was het te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft verdachte (telkens) in/uit het (geautomatiseerd) bedrijfsprocessensysteem van politie/KMar en/of het Recherche Basissysteem en/of […] en/of […] in elk geval uit een of meerdere politionele informatie systemen informatie over strafrechtelijke onderzoeken en/of informatie en/of persoonsgegevens en/of contactgegevens van personen heeft bevraagd en/of opgezocht en/of uit dat systeem/die systemen heeft gehaald voor eigen privé gebruik;”
Ik heb de planning laten uitzoeken of op de opgegeven data en tijdstippen dat deze bevragingen zijn gedaan [verdachte] op dienst was: Deze tijdstippen waren: 4 jan 2017 10:49:50 6 jan 2017 12:15:47 17 mrt 2017 9 :58:59 3 mei 2017 11:31:52 9 mei 2017 9 :21:05 15 mei 2017 13:23:31 6 juni 2017 12:36:55 14 juni 2017 13:52:30 19 juni 2017 17:20:36 2 okt 2017 20:58:54 1 nov 2017 10:06:11 10 nov 2017 16:40:53 19 nov 2017 14:16:41 Op de aangegeven dagen was [verdachte] wel op dienst. 2. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 25 januari 2018 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk adjudant-onderofficier en eerste luitenant der Koninklijke Marechaussee opgemaakte proces-verbaal van 17 januari 2018 (dossierpagina 19 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven: V: Welke systemen kan jij raadplegen binnen jouw functie?A: Meerdere, BPS, VBS, […] , […] , GBA, internet.
A: BPS is een Marechaussee invoersysteem van zaken die je onderzoekt. Het zijn politie en informatiesystemen. V: Met wie mag je deze informatie delen?A: Met de mensen waarmee ik werkzaam ben bij de Marechaussee. V: Heb je [betrokkene 1] opgezocht in politionele systemen? A: Misschien dat ik ooit heb gezocht op haar straat en dat ik zo ook bij haar ben uitgekomen. O: In ons gesprek had je al aangegeven dat je je buurman had nagetrokken of te wel opgezocht in de politionele systemen.A: Ik heb in […] gekeken en gezocht op “No Fear”. Toen kwam ik al redelijk snel op de naam [betrokkene 2] . Dat bleek [betrokkene 2] te zijn. Ik heb toen op zijn naam gezocht en heb gezien wat voor antecedenten hij had.
Ik heb op zijn naam in […] gelezen. Ik heb onder andere gezien dat [betrokkene 2] vuurwapengevaarlijk was. Ik heb dat opgezocht voor mijn eigen veiligheid en die van mijn gezin. Er was weer een incident gebeurd en mijn buurman, [betrokkene 3] , was in emotionele toestand bij ons. Op een gegeven moment hoorden we de hond weer en ik zag dat [betrokkene 3] helemaal uit zijn slof schoot en naar de deur liep. Ik hoorde dat hij zei: “Zijn kop gaat er af”. Ik was er van overtuigd dat hij die [betrokkene 2] of die hond van [betrokkene 2] wat aan wilde doen waardoor [betrokkene 2] [betrokkene 3] iets aan zou doen. Ik heb tegen [betrokkene 3] geroepen: “Hier blijven. Die gek is vuurwapengevaarlijk”. De enige die dat op dat moment ook gehoord heeft was [betrokkene 4] , mijn vrouw.
V: Heb je behalve [betrokkene 2] nog meer opgezocht in de politionele systemen?A: Ik heb [betrokkene 5] ook bekeken. Die kwam er tegelijk met [betrokkene 2] uit. Ze hadden veel gezamenlijke incidenten. [betrokkene 3] , mijn eigen buurman, heb ik ook gekeken.
A: Ter lering van nieuwe […] heb ik mijn eigen naam wel eens bevraagd of mijn ouders. V: Jij kan je niet herinneren dat je meer hebt opgevraagd?A: Ja, ik heb meer opgevraagd. Telefoonnummers. De straat. [a-straat] bijvoorbeeld. A: Ik heb mijn buurvrouw [betrokkene 6] in […] bekeken. O: Ook heb je straten in [plaats] bevraagd.V: Weet je welke adressen je bevraagd hebt?A: De [b-straat] denk ik echt. [a-straat] en mijn nieuwe straat de [c-straat] ook. V: Waarom heb je die adressen bevraagd? A: [b-straat] vanwege [betrokkene 1] denk ik. [a-straat] om te kijken wat er allemaal gebeurd was. Een [c-straat] heb ik bevraagd omdat ik op de voetbalclub had gezegd dat ik zou gaan verhuizen. Ik hoorde dat daar een drugsverslaafde man woonde.
Ik heb toen ook in […] gekeken en zag dat er inderdaad wel een man met criminele antecedenten woonde. O: [a-straat 1] is bevraagd.V: Wie woont daar?A: Ik denk dat [betrokkene 8] daar woonde. O: [a-straat 2] is bevraagd.V : Waarom heb je dat adres bevraagd?A: Dat is het adres van [betrokkene 6] en [betrokkene 5] en [betrokkene 2] . O: [a-straat 3] is bevraagd.V: Wie woont daar?A: [betrokkene 9]. O: [a-straat 4] is bevraagd.V: Waarom heb je je eigen adres bevraagd?A: Omdat ik toen bezig was om te kijken wat daar allemaal gebeurd was voor mijn tijd dat ik daar woonde. V: Heb je deze bevragingen gedaan voor de uitvoering van de dienst?A: Nee. V: Wat heb je met deze informatie gedaan?A: Alles voor mezelf gehouden.
Behalve dan dat ik in die opwelling aan [betrokkene 3] verteld heb dat [betrokkene 2] vuurwapengevaarlijk was. A: Ik denk dat ik de [c-straat] heb ingevoerd en bij de adressen waar ik meer heb zien staan, heb ik doorgevraagd om te zien wat voor mensen daar woonden. V: Heb je deze bevragingen gedaan voor de uitvoering van de dienst?A: Nee. V: Waarom heb je specifiek het adres van je ouders bevraagd?A: Nieuwgierigheid. V: Heb je deze bevragingen gedaan voor de uitvoering van de dienst?A: Nee. O: En [d-straat] is bevraagd.V: Waarom heb je deze zoekslag gemaakt?A: Daar stond een huis te koop waar ik interesse in had. V : Waarom heb je specifiek de adressen [d-straat 1] , [d-straat 2] en [d-straat 3] bevraagd?A: Dat is dan weer gebeurd omdat er meerdere incidenten op zo’n adres stonden in die straat.
Dan heb ik door gevraagd. O: Ook heb je de persoonssleutel […] bevraagd. V: Wie is dit? A: Dat is mijn vader. Puur uit nieuwsgierigheid.
O: Ook is verbalisantnummer […] in combinatie met [plaats] bevraagd. V: Wie is deze verbalisant?A: Dit is een parkeerwachter in [plaats] . Ik zag dat er een bekeuring onder mijn ruitenwisser zat. Omdat er wel verhalen gingen over die parkeerwachter, dat hij voor de lulligste dingen boetes schreef en dat er vaker klachten over hem waren, heb ik het verbalisantnummer van de parkeerwachter in […] nagekeken. O: [betrokkene 7] is ook bevraagd door je. V: Waarom heb je hem bevraagd?A: Misschien dat ik op mijn achternaam gezocht heb en dat ik gewoon uit nieuwsgierigheid hem heb doorbevraagd. V: Wist je dat bij het gebruik van je account medegedeeld wordt dat het oneigenlijk gebruik strafbaar gesteld is?A: Ja, dat weet ik.
Maar na verloop van tijd klik je dat gewoon door. 3. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 30 januari 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik heb uit veiligheid voor mezelf en voor mijn omgeving verschillende systemen geraadpleegd. [betrokkene 2] had een pitbull die al eens gebeten had. Ik had een kleine meid. Ik wilde dit eventueel aan de wijkagent doorgeven. Uit de systemen die ik bevroeg bleek dat de persoon die ik bevroeg vuurwapengevaarlijk was. Ik wist dat hij lid was van een motorbende. Ik zou aan de politie doorgeven wat zij niet wisten. We zaten in ons tijdelijke huis en hoorden dat er weer iets was gebeurd met de pitbull. Mijn buurman was kwaad en ik heb hem toen in een split second ingelicht.
Ik heb ook een parkeerwachter nagetrokken. Ik was het niet eens met een uitgeschreven boete. Uit de systemen kwam echter niets over die parkeerwachter. Ik heb de boete daarom gewoon betaald en ik heb niets met de informatie gedaan. Ik heb ook op het huis van mijn ouders gekeken. Ik heb ook in de buurt van een nieuwe woning in het systeem gekeken.”
Daarmee heeft verdachte zijn ambtsgeheim geschonden. De stelling van de verdediging dat verdachte die informatie niet met een of meer derden heeft gedeeld, doet daaraan niet af. Bovendien heeft verdachte, zoals hiervoor reeds vermeld, in een enkel geval de door hem opgevraagde informatie wel degelijk gedeeld. Verdachte heeft immers verklaard dat hij de informatie over [betrokkene 2] heeft gedeeld met [betrokkene 3] en dat hij dat in een split second deed omdat [betrokkene 3] [betrokkene 2] , dan wel diens hond, in een emotionele toestand te lijf dreigde te gaan. Dat verdachte bij het delen van die informatie handelde uit overmacht (door een noodsituatie) zoals betoogd, acht het hof niet aannemelijk geworden.[…]”
Het eerste middel en de bespreking daarvan (preliminair verweer nietigheid inleidende dagvaarding) 7 . Het eerste middel klaagt dat de beslissing van het hof met betrekking tot de geldigheid van de tenlastelegging onbegrijpelijk en onvoldoende is gemotiveerd doordat het hof de dagvaarding niet nietig heeft verklaard na een daartoe opgeworpen preliminair verweer ex art. 283 Sv, inhoudend dat de dagvaarding in strijd met art. 261 Sv onvoldoende duidelijk en/of feitelijk is en daardoor niet voldoet aan de eis van de beschuldigingsfunctie van de tenlastelegging.
9 . Tegen de uitspraak van de militaire politierechter heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 30 januari 2020 is het preliminaire verweer van de verdediging als volgt verworpen: “De raadsman deelt mede, zakelijk weergegeven:Ik wens een preliminair verweer te voeren. Ik ben namelijk van mening dat de dagvaarding nietig is omdat de tenlastelegging van het feit onvoldoende feitelijk is omschreven. Er staat niet vermeld in welke gevallen er sprake was van schending van het ambtsgeheim. De tenlastelegging is onvoldoende feitelijk en niet concreet. De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:Naar mijn mening is de tenlastelegging wel voldoende duidelijk. Voor verdachte is het voldoende duidelijk waar het om gaat. Na schorsing voor beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het gaat om de dagvaarding in samenhang met het strafdossier. In het onderhavige geval is het voor verdachte voldoende duidelijk waar hij van wordt verdacht en waartegen hij zich dient te verweren. Ook voor het hof is het duidelijk waarover dient te worden geoordeeld. De dagvaarding is daarom niet nietig en het preliminaire verweer wordt verworpen.”
Art. 261 Sv: “1. De dagvaarding behelst een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn; verder vermeldt zij de wettelijke voorschriften waarbij het feit is strafbaar gesteld.
Art. 283 Sv: “1. In de gevallen waarin van nietigheid van de dagvaarding, onbevoegdheid van de rechtbank of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zonder onderzoek van de zaak zelf kan blijken, is de verdachte bevoegd dit verweer reeds dadelijk na de ondervraging bedoeld in artikel 273, voor te dragen en toe te lichten.
Het tweede middel en de bespreking daarvan (ontvankelijkheid openbaar ministerie; klachtvereiste) 21. Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het hof ten onrechte het openbaar ministerie niet niet-ontvankelijk heeft verklaard, althans dat het zijn beslissing ter zake ontoereikend heeft gemotiveerd, nu aan de vervolging van de verdachte geen daartoe strekkende klacht ten grondslag ligt.
De militaire kamer van het hof verwerpt dit verweer aangezien de met het tenlastegelegde feit geschonden norm (mede) strekt tot bescherming van de integriteit van het opsporingsapparaat van de Koninklijke Marechaussee en niet uitsluitend van het belang van degene wiens gegevens zijn bevraagd. Daarnaast is conform artikel 7 Wet politiegegevens, artikel 272, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing in geval van (schending van de geheimhoudingsplicht van) politiegegevens.”
Art. 272 Sr: “1. Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
Art. 7 Wet politiegegevens: “1. De ambtenaar van politie of de persoon aan wie politiegegevens ter beschikking zijn gesteld is verplicht tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift tot verstrekking verplicht, de bepalingen van paragraaf 3 verstrekking toelaten of de taak, bedoeld in artikel 1, onderdeel a , in bijzondere gevallen tot verstrekking noodzaakt.
Het derde middel (schending geheim als bedoeld in art. 272, eerste lid, Sr) 29. Het derde middel klaagt dat uit de door het hof gebezigde bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte in de zin van art. 272, eerste lid, Sr een geheim uit hoofde van ambt, beroep en/of wettelijk voorschrift ‘opzettelijk heeft geschonden’.
2.4.1 Artikel 272 lid 1 Sr luidt: “Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.”
2.4.2 De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 272 lid 1 Sr houdt ten aanzien van de daarin voorkomende term ‘schenden’ onder meer het volgende in. Naar aanleiding van de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke regeringsontwerp van artikel 291 Sr, de voorloper van artikel 272 Sr, is bij de inwerkingtreding op 1 september 1886 van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1881, 35) het woord ‘openbaren’ in artikel 291 Sr gewijzigd in ‘bekendmaken’. Dat werd als volgt toegelicht: “Zowel voor “openbaart” in art. 291, als voor “bekend maakt of mededeelt” in art. 292, is de uitdrukking “bekendmaakt” gesteld. Deze laatste uitdrukking is de juiste en voor verschil in terminologie in de beide artikels geene reden. (...) “Openbaren” is te eng, want het veronderstelt dat iets ter algemeene kennis gebragt wordt; terwijl toch verraad ook aan één persoon strafbaar zijn moet.” (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, 1891, p. 427) 2.4.3 Bij wet van 30 juni 1967 houdende vaststelling van algemene bepalingen omtrent de bestraffing van schending van geheimen (Stb. 1967, 377) is in artikel I artikel 272 Sr gewijzigd, in die zin dat ‘bekendmaken’ is gewijzigd in ‘schenden’. De geschiedenis van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 30 juni 1967 (Stb. 1967, 377) houdt onder meer het volgende in: de memorie van toelichting: “Nieuw is in de voorgestelde redactie van het artikel ook het werkwoord „schenden”. Dit lijkt juister dan het door de bestaande tekst gebezigde „bekendmaken”. Niet strafbaar is immers de ambtsdrager, die een geheim bekend maakt aan degene, aan wie hij het ambtshalve juist moet bekendmaken; zo zal bij voorbeeld de opsporingsambtenaar straffeloos het opgespoorde feit moeten kunnen vastleggen in een proces-verbaal, en het lid ener adviescommissie de hem bekende gegevens moeten kunnen gebruiken bij de opstelling van een (zo nodig geheim) advies. In deze niet-strafbare gevallen nu, wordt het geheim wel degelijk aan iemand „bekend gemaakt”, doch het wordt niet „geschonden”.” (Kamerstukken II 1952/53, 3030, nr. 3, p. 5) de memorie van antwoord: “Tenslotte moet de ondergetekende tegen het voorstel dat in het voorlopig verslag wordt gedaan nog deze bedenking aanvoeren, dat het woord „bekendmaken”, dat overigens ook in de huidige wet staat, sterk het beeld oproept van publiceren, althans van ter kennis brengen aan een ruimere kring van personen, terwijl artikel 272 mede het oog heeft op het doen van mededelingen aan één tot kennisneming onbevoegde.” (Kamerstukken II 1963/64, 3030, nr. 5, p. 2)
2.5 Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het ‘schenden’ van een geheim in de zin van artikel 272 Sr moet worden uitgelegd als het verstrekken van geheime gegevens aan een ander die tot kennisneming daarvan onbevoegd is. Gelet hierop geeft het oordeel van het hof dat de verdachte zijn ambtsgeheim heeft geschonden door geheime gegevens voor zichzelf te ontsluiten, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”
Het vierde middel (overmacht in de zin van noodtoestand) 36. Het voorgaande brengt mee dat het vierde middel, dat erover klaagt dat het hof het beroep van de verdediging op overmacht in de zin van noodtoestand ten onrechte heeft verworpen, geen bespreking behoeft.
Slotsom 37. Het eerste en het tweede middel falen en kunnen beide met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan. Het derde middel slaagt. Het vierde middel behoeft geen bespreking.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie hierover nader G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, tiende druk, 2021, XIV.2.
Zie ook HR 1 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1409, NJ 1999/181.
Vgl. HR 5 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1944, NJ 2002/46, m.nt. Van Angeren, waarin niet problematisch was de overweging van het hof: “[…] tegen de achtergrond van het dossier waarin de genoemde transacties worden beschreven aan de hand van de overeenkomsten tussen de verschillende in het geding zijnde partijen en de gegevens omtrent de uitvoering die aan de contracten is gegeven: te weten orderformulieren en de 'statements' van de rekeningen van de in de tenlastelegging genoemde natuurlijke personen, is de tenlastelegging voldoende concreet”. Zie ook de overweging van het hof in HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:394, NJ 2018/171: “Het hof is van oordeel dat de omschrijving van het onder 4 ten laste gelegde voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De omschrijving van het feit is bezien tegen de achtergrond van het dossier voldoende duidelijk en feitelijk. De dagvaarding is daarom - en ook overigens – geldig”. Ik wijs in dit verband ook nog op de aan dit laatste arrest voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt (randnummers 8-13).
Zie over de responsieplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv: HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma.