← Nederland

ECLI:NL:PHR:2021:629

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer19/00487 Zitting 22 juni 2021 CONCLUSIE F.W. Bleichrodt In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, hierna: de verdachte. Het cassatieberoep De verdachte is bij arrest van 28 januari 2019 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 4. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, derde lid van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en 5. “van het plegen van witwassen een gewoonte maken en medeplegen van witwassen en medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(

  1. a)Sr. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer van een in beslag genomen, nog niet teruggegeven vuurwapen bevolen. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. De middelen 3. Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde niet naar de eis van de wet met redenen is omkleed, omdat het hof ten aanzien van twee belangrijke onderdelen van de bewijsvoering in strijd met art. 359, derde lid, Sv heeft verzuimd om deze te doen steunen op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Uit de bewijsvoering kan niet met voldoende mate van nauwkeurigheid worden afgeleid (
  2. a)waarop het hof baseert welke telefoon(nummer)s aan de verdachte kunnen worden toegeschreven en (
  3. b)wat de inhoud is geweest van de OVC-gesprekken die zijn gevoerd in de antiekzaak van de medeverdachte [betrokkene 1]. Ten aanzien van deze onderdelen van de bewijsvoering zou het hof zich hoofdzakelijk hebben verlaten op interpretaties en conclusies van verbalisanten. 4. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezen verklaard dat: “hij in de periode van 15 augustus 2012 tot en met 23 september 2014 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, te weten onder meer [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in - artikel 10, derde lid (van de Opiumwet), te weten het aanwezig hebben en/of - artikel 10, vierde lid (van de Opiumwet), te weten het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of het vervaardigen en/of - artikel 10, vijfde lid (van de Opiumwet), te weten het buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en - artikel 10a, eerste lid (van de Opiumwet), te weten het verrichten van handelingen zoals omschreven in artikel 10a eerste lid van de Opiumwet, zulks om (een) feit(
  4. en)als bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen en - artikel 11, derde lid (van de Opiumwet), te weten het in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af leveren, verstrekken of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, en in de periode van 15 augustus 2012 tot en met 23 september 2014 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, gevormd door verdachte en anderen, te weten onder meer [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 420bis en/of 420ter van het Wetboek van Strafrecht, te weten (gewoonte)witwassen;” 5. Het hof heeft in de bestreden uitspraak de bewezenverklaring ter zake van feit 4 uitvoerig gemotiveerd. Daarnaast beslaat de aanvulling op het arrest met bewijsmiddelen 209 bladzijden. Het gaat het bestek van deze conclusie te buiten de omvangrijke bewijsconstructie hier integraal weer te geven. Ik zal de door het hof gehanteerde relevante bewijsoverwegingen daarom schetsen in verkorte vorm. 6. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte deel heeft uitgemaakt van de criminele organisatie onder leiding van [betrokkene 1], waaraan naast de verdachte ook [betrokkene 2] en [betrokkene 3] deelnamen. In zijn bewijsoverwegingen bespreekt het hof zes ‘pijlers’ waarop het zijn oordeel baseert dat sprake was van een criminele organisatie met het oogmerk op de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven en dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen. 7. In het kader van de eerste pijler gaat het hof in op de onderlinge verhouding en samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. Uit vooral een OVC-gesprek van 22 mei 2014 concludeert het hof dat [betrokkene 1] aan dit gesprek deelnam en sprak over onder meer de export van verdovende middelen en zijn werkwijze daarbij. In dit gesprek noemt [betrokkene 1] ook de naam van de verdachte. Het hof slaat daarnaast in het verband van deze eerste pijler acht op een OVC-gesprek van 1 mei 2014 waaraan onder anderen [betrokkene 1] en de verdachte deelnamen. Aan deze gesprekken, in samenhang met het overige bewijsmateriaal, verbindt het hof de conclusie dat [betrokkene 1] spreekt over criminele activiteiten die de in de tenlastelegging bedoelde criminele organisatie ontplooit. Het hof oordeelt daarnaast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en [betrokkene 1] niet alleen al jarenlang vrienden van elkaar zijn, maar ook zakelijk intensief met elkaar hebben samengewerkt. Het hof wijst er daartoe op dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat (
  5. i)de verdachte als “een soort intermediair” voor [betrokkene 1] optrad, in die zin dat hij voor hem contacten onderhield, berichten doorgaf, met hem zakelijke besprekingen en overleg voerde; (
  6. ii)de verdachte bij ontmoetingen van [betrokkene 1] met derden aanwezig was en dat bij twee van die ontmoetingen op 11 en 24 oktober 2013 monsters van verdovende middelen worden afgegeven en daarbij wordt gesproken over ‘housenootjes’, waarmee kennelijk XTC werd bedoeld; (iii) [betrokkene 1], wanneer hij over zichzelf en de verdachte praat, op 4 november 2013 zegt dat ‘wij toch de cannaclub zijn’; (
  7. iv)zij beide aanwezig zijn op verschillende momenten in de antiekzaak waarbij klaarblijkelijk grote hoeveelheden geld worden geteld; (
  8. v)uit een OVC-gesprek en een sms-bericht kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] de leiding had over de verdachte. Uit de bewijsmiddelen die zien op de export van verdovende middelen naar het Verenigd Koninkrijk komt volgens het hof naar voren dat de verdachte andere personen aanstuurde. 8. Deze export van verdovende middelen naar het Verenigd Koninkrijk noemt het hof de tweede pijler. Volgens het hof loopt de betrokkenheid van de verdachte als een ‘rode draad’ door deze transporten. Het is telkens de verdachte geweest die via sms-contacten met Britse chauffeurs de tijdstippen en locaties voor ontmoetingen regelt. Uit de bewijsmiddelen ten aanzien van de transporten leidt het hof ook af dat het bedrijfspand aan [a-straat 1] te Best bij de activiteiten is betrokken. Dit onder meer doordat bij de transporten van 4 maart 2014 en 27/28 mei 2014 is waargenomen dat een VW Crafter die werd bestuurd door de Britse chauffeur [betrokkene 4] het bedrijfspand binnen is gereden. Het hof schrijft het deel van het bedrijfspand onder [a-straat 2] toe aan de verdachte. 9. Onder de derde (‘hennepactiviteiten’) en de vierde pijler (‘productie van synthetische drugs c.q. voorbereidingshandelingen daartoe’) brengt het hof tot uitdrukking op grond van welke feiten en omstandigheden het tot het oordeel komt dat de organisatie zich bezighield met de handel in hennep en met (de voorbereiding van) de productie van synthetische drugs. 10. De vijfde pijler betreft transporten van contante geldbedragen in de periode van 20 januari 2014 tot en met 4 juli 2014. Het oordeel dat inderdaad sprake is geweest van een groot aantal geldtransporten baseert het hof hoofdzakelijk op de aanhouding op heterdaad van geldkoerier [betrokkene 5] op 4 juli 2014, terwijl hij een contant geldbedrag van € 95.000,- onder zich had, in combinatie met de daaraan voorafgaande sms-contacten tussen deze [betrokkene 5] en de verdachte. De auto waarin [betrokkene 5] werd aangehouden stond bovendien op naam van hetzelfde bedrijf als de auto’s van [betrokkene 1] en de verdachte. Uit politiële observatie was voorts gebleken dat op 1 mei 2014 een ontmoeting had plaatsgevonden waarbij [betrokkene 1], de verdachte en [betrokkene 5] aanwezig waren. Dat ook de eerdere transporten geldbedragen betroffen, leidt het hof af uit de “min of meer identieke gang van zaken bij deze transporten”, die er onder meer in bestond dat de verdachte contact heeft met de klaarblijkelijke geldgever. Voorts stoelt het hof dit oordeel op de inhoud van de gevoerde communicatie, in het bijzonder op een sms-bericht van verdachte van 23 januari 2014 waarin deze na verwarring over het kennelijk ontvangen geldbedrag een dag eerder meldt dat ‘de geldmachine’ niet liegt en een tapgesprek van 23 juni 2014 waarin [betrokkene 3] zegt dat hij ‘het geld’ al heeft gehaald. De feitelijke en directe betrokkenheid van de verdachte vloeit uit de bewijsmiddelen naar het oordeel van het hof rechtstreeks voort. Hij is de persoon die elk transport orkestreert en daarnaast op 13 mei en 16 juni 2014 ook feitelijk als chauffeur/ophaler van het geld heeft gefungeerd. Steun voor zijn conclusie vindt het hof in OVC-gesprekken waaraan deverdachte en [betrokkene 1] deelnemen en waar het tellen van geld te horen is en een telmachine wordt genoemd. 11. Als pijler 6 bespreekt het hof de professionaliteit en georganiseerdheid van de organisatie. 12. Het middel heeft in het bijzonder betrekking op twee onderdelen van de bewijsvoering van het hof. Ten eerste gaat het om de vaststelling dat de telefoon(nummer)s die aan de verdachte worden toegeschreven daadwerkelijk bij hem in gebruik waren. Deze vaststelling speelt in de bewijsvoering van het hof een belangrijke rol. Het hof heeft mede op basis van vele sms-berichten die zijn verstuurd met telefoon(nummer)s van de verdachte vastgesteld dat hij bij de export van verdovende middelen naar het Verenigd Koninkrijk en bij de geldtransporten een spilfunctie had. Het tweede bestreden onderdeel betreft de OVC-gesprekken in de antiekzaak, zoals die in de aanvulling op het arrest onder 4.4 zijn uitgewerkt. 13. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van het telefoongebruik van de verdachte, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. De verdediging heeft op de gronden als nader in haar twee pleitnotities verwoord (primair) integrale vrijspraak bepleit. De verweren zullen, voor zover zij betrekking hebben op de bewezen verklaarde feiten en zij niet reeds hun weerlegging vinden in de gebruikte bewijsmiddelen, hieronder nader worden besproken. Het hof overweegt omtrent het bewijs, grotendeels overeenkomstig de rechtbank, het volgende.[…]2. Telefoongebruik verdachte en medeverdachten Veel van het beschikbare bewijsmateriaal bestaat uit tapgesprekken en sms-correspondentie. Het onderzoeksteam heeft ten aanzien van de verdachte en de medeverdachten [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] telkens in een op het betreffende individu toegesneden proces-verbaal van bevindingen uitgewerkt dat en waarom een bepaald 06-nummer aan deze specifieke verdachte kan worden toegeschreven. De stukken op grond waarvan die conclusie wordt getrokken zijn telkens als bijlage bij het betreffende proces-verbaal van bevindingen gevoegd. De onderzoeksbevindingen die per genoemde (mede)verdachte(
  9. n)tot deze conclusies hebben geleid zijn neergelegd in processen-verbaal van telkens verbalisant [verbalisant 1]. Deze processen-verbaal bevinden zich in het Algemeen Dossier (bron 1.1) als volgt: t.a.v. [betrokkene 1] op pag. 447 t/m 462, met bijlagen op pag. 463 t/m 606; t.a.v. verdachte op pag. 608 t/m 626, met bijlagen op pag. 627 t/m 791; t.a.v. [betrokkene 3] op pag. 793 t/m 803, met als bijlagen pag. 804 t/m 889; t.a.v. [betrokkene 2] op pag. 891 t/m 900, met bijlagen op pag. 901 t/m 1020. Uit de processen-verbaal in combinatie met de daarbij behorende bijlagen volgt dat aan de hand van onder meer CIOT-gegevens, de inzet van een IMSI-catcher, tapgesprekken, sms-berichten, OVC-gesprekken, zendmastgegevens, peilbaken-gegevens en observaties de gebruiker van een bepaald 06-nummer is geïdentificeerd. De verdediging heeft betwist dat verdachte de (unieke) gebruiker was van de in het onderzoek aan hem gelieerde 06-nummers. Het hof heeft in navolging van de rechtbank de onderzoeksbevindingen en de daarop gebaseerde conclusies ten aanzien van alle afzonderlijke 06-nummers gecontroleerd en is tot het oordeel gekomen dat de door verbalisant [verbalisant 1] getrokken conclusies over welke verdachte de gebruiker van een in de bewijsvoering van belang zijnd 06-nummer is geweest, valide is en steun vindt in de voor het bewijs gebruikte onderzoeksbevindingen zoals neergelegd in de bijlagen. Het hof verenigt zich daarom met de conclusies van verbalisant [verbalisant 1] in de door deze verbalisant opgemaakte processen-verbaal van bevindingen en maakt die tot de zijne. Het hof heeft in het strafdossier noch het verhandelde ter terechtzitting aanknopingspunten gevonden om aan deze conclusies, voor zover tot bewijs dienend, te twijfelen.” 14. De aanvulling met bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, ten aanzien van het telefoongebruik van de verdachte het volgende in: “A.1 Telefoongebruik verdachte en medeverdachten: Het hof overweegt het volgende: In onderstaande processen-verbaal van bevindingen omtrent het telefoongebruik van verdachte en medeverdachten worden conclusies geformuleerd uit de daarbij aangegeven bijlagen. Het hof heeft deze conclusies gecontroleerd aan de hand van de bijgevoegde onderliggende stukken en geconstateerd dat deze conclusie juiste gevolgtrekkingen zijn uit de in de bijlagen weergegeven bevindingen en informatie. Het hof volstaat dan ook met de concluderende weergave en interpretatie van de onderliggende stukken, telkens met de vermelding van de vindplaats. […] A.1.3 [verdachte] een relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 23 januari 2015 (bron 1.1. p. 793-803): Gebruik telecommunicatie [verdachte] Gebruik prepaid toestellen en alleen sms-en Uit het onderzoek bleek dat [verdachte] gedurende de onderzoeksperiode gebruik heeft gemaakt van meerdere prepaid telefoontoestellen. Deze toestellen gebruikt hij voor het ontvangen en verzenden van sms-berichten. Dit berichtenverkeer had veelal te maken met criminele activiteiten. In een OVC gesprek d.d. 24 oktober 2014 te 10.33 zei [verdachte] onder ander dat hij nog gewoon een sms-telefoon had met die andere. Zie voor het gebruik prepaid toestellen en alleen sms-en de paragraaf “telefoonnummers in gebruik bij [verdachte]”. CIOT gegevens, bijlage 3. Veelvuldig wisselen van telefoon(
  10. s)Gebleken is dat [verdachte] veelvuldig wisselde van nummer. Zie hiervoor de paragraaf “telefoonnummers in gebruik bij [verdachte]”. Uitschakelen telefoons Uit het onderzoek is gebleken dat [verdachte] vaak zijn reguliere telefoons uitzette als hij met criminele zaken bezig was. Dit bleek onder andere op 27 mei 2014. Op deze dag vond er een levering van verdovende middelen plaats vanuit de stash aan [a-straat 1] in Best. Daarnaast bleek dat [verdachte], voordat hij deze drugs afleverde, nog naar Breukelen moest. Voor deze afspraak in Breukelen gebruikte hij de telefoon met het nummer [telefoonnummer 1]. Uit de opgenomen gesprekken van het nummer [telefoonnummer 2] (reguliere telefoon in gebruik bij [verdachte]) bleek dat deze telefoon uit stond. Dit nummer werd omstreeks 17.30 uur uitgeschakeld en pas weer omstreeks 22.31 uur in gebruik genomen. Zie de paragraaf “[verdachte] gebruiker [telefoonnummer 1]” en het zaaksdossier uitvoer UK [betrokkene 4]. Gebruik series telefoonnummers Ook bleek dat binnen het onderzoek gebruik was gemaakt van opeenvolgende telefoonnummers. Kennelijk waren deze telefoonnummers met meerdere tegelijk gekocht. Zo hebben [verdachte] en zijn handlanger de nog nader te noemen [betrokkene 3] gebruik gemaakt van de nummers [telefoonnummer 3], [telefoonnummer 4], [telefoonnummer 5], [telefoonnummer 6], [telefoonnummer 7] en [telefoonnummer 1]. Zie hiervoor de paragraaf: “telefoonnummers in gebruik bij [verdachte]”. Gebruik blackberry’s Uit het onderzoek bleek dat [verdachte] in het bezit was van meerdere blackberry’s. In gesprekken die [verdachte] voerde, met zijn reguliere nummer ([telefoonnummer 2]), was meerdere keren het geluid van een blackberry telefoon te horen, ook sprak hij over speciale blackberry’s. Zie hiervoor bijgevoegde gesprekken d.d. 22-11-2013 te 15.46 u, 14-02-2013 te 13.26 u, 02-04-2014 te 20.44 u en 27-08-2014 te 18.13 u. Daarnaast werden bij hem en zijn moeder meerdere encryptie kaarten aangetroffen, zie hiervoor de paragraaf gebruik PGP bij het verzenden van berichten. Uit de paragraaf gebruik blackberry’s, blijkt dat er onder andere gebruik werd gemaakt van een blackberry met een Amerikaanse simkaart (telefoonnummer [telefoonnummer 8]). Tap en OVC gesprekken bijlage 2. Opmerking verbalisant: Communicatie gevoerd met blackberry’s met encryptie of blackberry’s met Amerikaanse simkaarten is (nog) niet af te luisteren en ook het gegevensverkeer kan niet/slechts beperkt worden onderschept. Afscherming berichtenverkeer Gebruik PGP bij verzenden berichtenUit een sms-bericht met het nummer [telefoonnummer 7] (in gebruik bij [verdachte]) d.d. 22-06-2014 te 18.07 uur bleek dat men bij het verzenden van berichten gebruik maakt van PGP. Tap en OVC gesprekken bijlage 2. Opmerking verbalisant: PGP staat voor Pretty Good Privacy. Door gebruik te maken van PGP kan men berichten verzenden en ontvangen die alleen door de verzender en ontvanger te openen zijn. PGP cryptografie is gebaseerd op een schema van asymmetrische cryptografie. Dit houdt in dat er twee verschillende sleutels zijn, één voor vercijferen en één voor ontcijferen van informatie. Gebruik encryptiekaarten Daarnaast bleek dat men vermoedelijk ook gebruik had gemaakt van telefoon encryptiekaarten. Met deze kaarten is het mogelijk om de blackberry ping communicatie op een zodanige wijze te versleutelen dat deze niet meer aftapbaar dan wel te decrypten is. Deze encryptiekaarten werden aangetroffen en in beslag genomen in de woning van [verdachte], aan [b-straat 1] te [plaats] en in de woning van de moeder van [verdachte] aan de [c-straat 1] te [plaats]. Twee processen-verbaal aantreffen encryptiekaarten, nr’s [001] en [002], bijlage 4. Telefoon(nummer)s in gebruik bij [verdachte] Hieronder zijn de voor het onderzoek van belang zijnde nummer/imeinummers weergegeven die bij [verdachte] in gebruik waren. [verdachte] gebruiker [telefoonnummer 2] (TT09, TT20 en TT21) Het nummer [telefoonnummer 2] is het nummer dat [verdachte] gebruikte voor zijn sociale contacten. Dat [verdachte] gebruik maakte van het nummer [telefoonnummer 2] bleek uit: De verkregen CIOT gegevens van dit nummer die luiden: [verdachte], [b-straat 1] te [plaats]. CIOT gegevens, bijlage 3. Het bijgevoegde telefoongesprek d.d. 18 november 2013 te 08/17 uur. Hij belt dan namelijk met de belastingdienst en geeft zijn BSN-nummer door [003]. Tap en OVC gesprekken bijlage 2. Daarnaast werd er een proces-verbaal stemherkenning opgemaakt waaruit tevens blijkt dat hij dit nummer gebruikt. Proces-verbaal stemherkenning nr. 2611128HZ-3745, bijlage 5. [verdachte] gebruiker [telefoonnummer 9] (TT32 en TT38) Dat [verdachte] gebruik maakte van het nummer [telefoonnummer 9] bleek uit: In het kader van het onderzoek Gutenberg werden van diverse telefoons de gesprekken opgenomen en afgeluisterd, waaronder gesprekken gevoerd met het telefoonnummer [telefoonnummer 10] in gebruik bij [betrokkene 6], geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats], verder in dit proces-verbaal [betrokkene 6] genoemd. Uit het onderzoek is gebleken dat [betrokkene 6] een contact is van [verdachte] en van [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1981, verder in dit proces-verbaal [betrokkene 1] genoemd. In een gesprek op vrijdag 21 februari 2014 omstreeks 12.24 uur geeft [betrokkene 6] aan dat hij in Eindhoven is. Vervolgens krijgt [betrokkene 6] om 12.48 uur een sms-bericht binnen vanaf het nummer [telefoonnummer 11] met de tekst: "rond twee uur bij jou". Omstreeks 12.55 uur wordt [betrokkene 6] gebeld door een nn-man, die gebruik maakt van dit nummer [telefoonnummer 11]. De man vraagt of hij ([betrokkene 6]) rond twee uur bij hem kan zijn. [betrokkene 6] zegt hierop dat hij denkt dat hij dat wel redt en dat hij nu nog in Eindhoven zit. Tijdens dit gesprek is op de achtergrond de stem van [verdachte] en de nog nader te noemen [betrokkene 7] te horen. [betrokkene 7] zegt tijdens dit gesprek tegen iemand: "moet jij het nummer van [betrokkene 8] hebben dan?"; een onbekend persoon zegt hierop ja. Vervolgens zegt [betrokkene 7]: ... onverstaanbaar...dat had ik al ge...onverstaanbaar... nummer even geven van [betrokkene 8]. In de antiekzaak [A], gevestigd aan de [d-straat 1] te Eindhoven werd vertrouwelijke communicatie opgenomen, zo ook op vrijdag 21 februari 2014. Die dag is er tussen 11.47 uur en 12.20 uur een gesprek opgenomen waaraan onder andere [betrokkene 8], geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats], verder in dit proces-verbaal [betrokkene 8] genoemd en [betrokkene 7], geboren op [geboortedatum] 1952 te [geboorteplaats], deelnemen. Hij is de vader van [betrokkene 1] en wordt in dit proces-verbaal [betrokkene 7] genoemd. Gesprek gaat over het doorgeven van het telefoonnummer [telefoonnummer 12] aan [verdachte]. Later is in het gesprek ook nog [betrokkene 6] te horen. Die dag is er tussen 12.43 uur en 12.56 uur nog een gesprek in de antiekzaak, hieraan namen onder andere [betrokkene 7], [betrokkene 6], [verdachte] en [betrokkene 1] deel. Uit dit gesprek bleek dat om 12.55 uur [betrokkene 1] en [verdachte] binnen komen en dat [betrokkene 8] een nieuw nummer had doorgegeven aan [betrokkene 7]. [betrokkene 8] is volgens [betrokkene 7] een broodje eten op het pleintje. Binnen het onderzoek Gutenberg werden ook de gesprekken opgenomen en afgeluisterd gevoerd met het nummer [telefoonnummer 12] in gebruik bij [betrokkene 8]. Op vrijdag 21 februari 2014 omstreeks 12.58 uur kreeg [betrokkene 8] op het nummer [telefoonnummer 12] een sms-bericht binnen vanaf het nummer [telefoonnummer 9] met de tekst: "hallo vriend hoe gaat het". Door [betrokkene 8] werd om 12.59 uur een sms-bericht gestuurd naar het nummer [telefoonnummer 9], met de tekst: "goed zit pp pleintje". Vervolgens werd om 13.00 uur vanaf het nummer [telefoonnummer 9] naar het nummer van [betrokkene 8] een sms-bericht gestuurd met de tekst: "ok je ziet ons zo vriend". Dit bericht werd een aantal keren beantwoord met "ok vriend". Tap en OVC gesprekken bijlage 2. Vanaf 25 februari 2014 tot 20 april 2014 werden gesprekken gevoerd met het telefoonnummer [telefoonnummer 9] opgenomen en afgeluisterd. Hieruit bleek dat er alleen maar sms-berichten werden verzonden en ontvangen met dit nummer. Bij het verzenden van deze berichten werd veelal gebruik gemaakt van de masten in de omgeving van de woning van [verdachte], gelegen aan het [b-straat 1] te [plaats], zoals de mast Huiskesweg te Eindhoven, Fort 2 te Veldhoven en Flight Forum vliegveld Eindhoven. Ook uit de historische printgegevens van het nummer [telefoonnummer 9] bleek dat veelal van deze masten gebruik werd gemaakt. Een overzichtskaart van de woning en de locaties van de masten is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. Overzichtskaarten masten, bijlage 6. Daarnaast bleek op 3 maart 2014 dat [verdachte] naar Hoofddorp/Amsterdam is geweest en onderweg gebruik had gemaakt van zowel zijn sociale telefoon met het nummer [telefoonnummer 2] als van het nummer [telefoonnummer 9]. Hieronder is het gebruik van deze telefoonnummers samen met de gebruikte masten weergegeven. Datum Tijd telefoonnummer via zendmast 03-03-2014 18.10.56 [telefoonnummer 2] A65, Vught 03-03-2014 18.19.53 [telefoonnummer 9] Hoge Weg, Zaltbommel 03-03-2014 18.26.15 [telefoonnummer 2] Parallelweg, Zijderveld (gemeente Vianen) 03-03-2014 18:35:02 [telefoonnummer 9] Strijlandweg, Utrecht 03-03-2014 18:41:30 [telefoonnummer 9] ’T Heycoop, Breukelen 03-03-2014 18.45.31 [telefoonnummer 9] A-2, Abcoude 03-03-2014 18.50.45 [telefoonnummer 9] Langs A 9 Ouderkerk aan de Amstel 03-03-2014 18.50.55 [telefoonnummer 2] De Flinesstraat, Duivendrecht 03-03-2014 18.51.46 [telefoonnummer 2] Joan Muyskensweg, Amsterdam 03-03-2014 19.01.17 [telefoonnummer 2] Taurus Avenue Hoofddorp 03-03-2014 19.01.44 [telefoonnummer 9] Antareslaan, Hoofddorp Tevens vond er op 4 maart 2014 een observatie plaats naar aanleiding van sms-verkeer tussen het nummer [telefoonnummer 9] en het Engelse telefoonnummer [telefoonnummer 13]. Hierbij werd door de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 9] op 4 maart 2014 te 08.37 doorgegeven: "The address is [e-straat 1] at best. Zip code is [postcode] its a big parking place from a store with the name […].". [e-straat 1] in Best is gelegen op 1,4 kilometer van [a-straat 1] te Best. In dit pand is onder andere de bloemengroothandel van de zus van [verdachte] gevestigd. Vastgesteld werd dat een gedeelte van dit pand door [verdachte] werd gebruikt als stash voor verdovende middelen. Gezien werd die dag dat het voertuig, merk Audi, voorzien van het kenteken [kenteken 1], in gebruik bij [verdachte], geparkeerd stond bij het pand [a-straat 1] te Best en even later reed over de Erica gevolgd door een Volkswagen Crafter met het Britse kenteken [kenteken 2]. Beide voertuigen reden naar het pand [a-straat 1] te Best. Processen-verbaal observatie, bijlage 7. Uit het onderzoek van telecommunicatie is gebleken dat [verdachte] met het telefoonnummer [telefoonnummer 9] contact had met een beperkt aantal mobiele telefoonnummers (prepaid aansluitingen) en met de gebruikers van deze nummers uitsluitend sms verkeer onderhield. Via deze sms berichten werden onder meer afspraken gemaakt voor ontmoetingen. Dit nummer werd op 15 februari 2014 in gebruik genomen en is tot en met 11 maart 2014 gebruikt. Het nummer [telefoonnummer 9] is een prepaid nummer uitgegeven door Vodafone. CIOT gegevens, bijlage 3. Gezien bovenstaande bevindingen is het zeer aannemelijk dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 9]. [verdachte] gebruiker [telefoonnummer 14] (TT34) Dat [verdachte] de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 14] is blijkt uit: [verdachte] onderhield met het nummer [telefoonnummer 9] sms-contact met het nummer [telefoonnummer 12]. Het nummer [telefoonnummer 12] is in gebruik bij [betrokkene 8]. Ook de gesprekken/berichten met nummer [telefoonnummer 12] werden opgenomen en uitgeluisterd binnen het onderzoek Gutenberg. Op 8 maart 2014 was het laatste sms-contact tussen de nummers [telefoonnummer 9] en [telefoonnummer 12]. In de berichten tussen deze twee nummers werd telkens begonnen met "Hallo vriend", waarna over en weer sms-berichten werden verzonden. Ook werd in deze sms-berichten gesproken over "die vriend van die lange". Vermoedelijk wordt met "die lange" de al genoemde [betrokkene 1] bedoeld. Op 9 maart 2014 werd met het nummer [telefoonnummer 12] in gebruik bij [betrokkene 8] een sms-bericht ontvangen van het nummer [telefoonnummer 14] met de tekst: "Hallo vriend hier heb je me nieuwe nummer". Hierop werd door [betrokkene 8] geantwoord met de tekst: "ben jij [verdachte]". Waarop door de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 14] werd geantwoord met de tekst: "Ben die vriend van die lange. Ja". Vervolgens werden enkele sms-berichten verstuurd, die vermoedelijk te maken hadden met eerdere sms-berichten tussen de nummers [telefoonnummer 12] en [telefoonnummer 9]. In dit berichten verkeer was namelijk een locatie van belang om door te geven. Uit het berichten verkeer tussen de nummers [telefoonnummer 12] en [telefoonnummer 14] was op te maken dat dit vermoedelijk opgelost was. Daarnaast werden de mastgegevens van het nummer [telefoonnummer 14] vergeleken met de mastgegevens van het nummer [telefoonnummer 2] en een observatie 26 maart 2014. Datum Tijd telefoonnummer via zendmast 26-03-2014 15.36.03 [telefoonnummer 14] Torentje NS Stationsplein 22a Eindhoven 26-03-2014 15.48-16.23 observatie [verdachte] bij De Bengel, Stationsplein 28 Eindhoven 26-03-2014 16.32 - 17.20 observatie. [verdachte] [b-straat 1] te [plaats] 26-03-2014 16.45.06 [telefoonnummer 14] Flight Forum Eindhoven Airport 26-03-2014 17.00.06 [telefoonnummer 14] Fort feb-56 te Veldhoven 26-03-2014 17.31.22 [telefoonnummer 14] Mathildelaan Eindhoven 26-03-2014 17.35-17.38 observatie [verdachte] Krabbendampad Eindhoven 26-03-2014 17.39.36 [telefoonnummer 14] Paradijslaan, Eindhoven 26-03-2014 18.02 - 18.17 observatie [verdachte] [b-straat 1] te [plaats] 26-03-2014 18.15.05 [telefoonnummer 14] Fort feb-56 Veldhoven Tevens bleek dat [verdachte] op 26 maart 2014 kennelijk in de gaten had dat hij werd geobserveerd door de politie. Er volgde namelijk sms-verkeer met de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 15], waarin dit onder andere werd weergegeven. Zie hiervoor de paragraaf [verdachte] gebruiker [telefoonnummer 16]. Overzichtskaarten masten, bijlage 6. Processen-verbaal observatie, bijlage 7. Vanaf 11 maart 2014 tot en met 7 april 2014 werden gesprekken gevoerd met het telefoonnummer [telefoonnummer 14] opgenomen en afgeluisterd. Hieruit bleek dat [verdachte] met het telefoonnummer [telefoonnummer 14] contact had met een beperkt aantal mobiele telefoonnummers (prepaid aansluitingen) en er alleen maar sms-berichten werden verzonden en ontvangen met dit nummer. Bij het verzenden van deze berichten werd veelal gebruik gemaakt van de masten in de omgeving van de woning van [verdachte], gelegen aan het [b-straat 1] te [plaats], zoals de mast Huiskesweg te Eindhoven, Fort 2 te Veldhoven en Flight Forum vliegveld Eindhoven. Het nummer [telefoonnummer 14] is een prepaid nummer uitgegeven door Vodafone. CIOT gegevens, bijlage 3. Overzichtskaarten masten, bijlage 6. Gezien bovenstaande bevindingen is het zeer aannemelijk dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 14]. [verdachte] gebruiker [telefoonnummer 16] (TT41) Dat [verdachte] de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 16] was blijkt uit: Op 26 maart 2014 werd er een observatie verricht op [verdachte]. Gezien werd dat hij die dag omstreeks 17.20 uur vanuit zijn woning [b-straat 1] te [plaats] vertrok in de Suzuki Swift voorzien van het kenteken [kenteken 3] en naar het centrum van Eindhoven reed. Omstreeks 17.55 uur raakte het observatieteam de Suzuki Swift kwijt in het centrum van Eindhoven. Omstreeks 18.03 uur werd de Suzuki Swift aangetroffen bij de woning van [verdachte]. Omstreeks 18.20 uur werd gezien dat [verdachte] zijn woning uit komt en te voet de wijk in loopt. Voorts kwam er sms verkeer op gang tussen [verdachte] ([telefoonnummer 14]) en de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 15], waaruit kan w[o]rden afgeleid dat [verdachte], kennelijk de observatie had opgemerkt. Het nummer [telefoonnummer 15] werd in het belang van het onderzoek eveneens afgetapt en was zeer vermoedelijk in gebruik bij een man genaamd [betrokkene 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982. Het sms verkeer werd hieronder weergegeven gezien vanuit de gsm [telefoonnummer 14] in gebruik bij [verdachte]. Datum Tijd In/uit inhoud 26-03-2014 18.48 uur Uit Maat jij moet nu iets doen heel belangrijk. Ik heb pette voor mijn deur. Kun je naar mijn werk gaan en aan bellen. En zeggen tegen vrouw dat haar auto leeg moet en tas die er achter stat ook. Jij moet spullen even bij houden. Je moet ook zeggen dat als je werkhok in loopt er ook nog spullen liggen. 26-03-2014 18.52 uur In Ok rij nu aan moet bij de tassen zijn toch 26-03-2014 18.57 uur Uit Ja maat. Zeg ook tegen vrouw dat werkhok spullen liggen zei zegt wel waar is. Stuur me als je daar bent aub 26-03-2014 19.17 uur In Ik ben er 26-03-2014 19.18 uur Uit Is er iemand. 26-03-2014 19.19 uur In Mevrouw weet niet waar alles ligt 26-03-2014 19.20 uur In Je moet zelf komen van haar 26-03-2014 19.21 uur Uit zeg maar in haar auto en waar ik altijd werk ligt ook nog 26-03-2014 19.22 uur Uit Kan niet heb observatie 26-03-2014 19.38 uur In Ben weg vrouw is wel ongerust 26-03-2014 19.38 uur Uit Ok maat. Heb je ook gepakt wat in werkhok lag waar machine staat om te verpakken? 26-03-2014 19.43 uur Uit Lag een hoop op die plank langs machine. Heb je alles gepakt of alleen dat wat je altijd mij brengt? 26-03-2014 19.47 uur In Alles 26-03-2014 19.48 uur Uit Dank je. Kun je bij houden tot morgen aub? Vervolgens houdt het sms verkeer via de getapte lijn [telefoonnummer 14] op. Vanaf de getapte lijn [telefoonnummer 15] gaat het sms verkeer verder via een nieuw tegennummer [telefoonnummer 16]. De sms-berichten worden hieronder weergegeven, gezien vanuit de getapte lijn [telefoonnummer 15]: Datum Tijd In/uit inhoud 26-03-2014 19.55 uur In Kun je bij houden tot morgen en even auto ergens binnen zetten ofzo? 26-03-2014 19.56 Uit Ok 26-03-2014 19.59 In Stuur me e deze met nieuwe gooi ouwe weg aub 26-03-2014 20.00 Uit Wilde net doen Uit vorenstaande was af te leiden dat [verdachte] op 26 maart 2014 omstreeks 19.55 uur het nummer [telefoonnummer 16] in gebruik had genomen. Dat [verdachte] de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 16] was bleek naast bovenstaande tevens uit: Op 5 april 2014 omstreeks 16.33 uur had [verdachte] een telefoongesprek met zijn vriendin waarin werd afgesproken om 17.30 a 18.00 uur bij "[B]" te gaan eten. Zie hiervoor bijgevoegd telefoongesprek. Het is mij verbalisant bekend dat aan de [f-straat 1] te Waalre een restaurant gevestigd is genaamd "[B]". Uit mastgegevens van het nummer [telefoonnummer 16] bleek dat op 05-04-2014 te 18:11:46 uur de mast Malvalaan te Aalst, gemeente Waalre werd aangekozen. Deze mast is niet ver gelegen van het restaurant "[B]". Een overzichtkaart van deze twee locaties is als bijlage bij dit proces verbaal gevoegd. Overzichtskaarten masten, bijlage 6. Vanaf 26 maart 2014 tot en met 23 juli 2014 werden gesprekken gevoerd met het telefoonnummer [telefoonnummer 16] opgenomen en afgeluisterd. Hieruit bleek dat er alleen maar sms-berichten werden verzonden en ontvangen met dit nummer. Bij het verzenden van deze berichten werd veelal gebruik gemaakt van de masten in de omgeving van de woning van [verdachte], gelegen aan het [b-straat 1] te [plaats], zoals de mast Huiskesweg te Eindhoven, Fort 2 te Veldhoven en Flight Forum vliegveld Eindhoven. Verder is gebleken dat [verdachte] met het telefoonnummer [telefoonnummer 16] contact had met een beperkt aantal mobiele telefoonnummers (prepaid aansluitingen.). Via de sms berichten werden onder meer afspraken gemaakt voor ontmoetingen. Het nummer [telefoonnummer 16] is in gebruik geweest vanaf 26 maart 2014 tot en met 10 april 2014. Het nummer [telefoonnummer 16] betrof een prepaid aansluiting van Vodafone. Overzichtskaarten, bijlage 6. CIOT gegevens, bijlage 3. Gezien bovenstaande bevindingen is het zeer aannemelijk dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 16]. [verdachte] gebruiker [telefoonnummer 4] (TT45) Dat [verdachte] de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] was blijkt uit: Uit het onderzoek bleek dat er ontmoetingen plaatsvonden in de directe omgeving van de Louwesweg in Amsterdam, waarbij [betrokkene 3] door [verdachte] werd aangestuurd zeer waarschijnlijk om geld in ontvangst te nemen. Bij een aantal van deze ontmoetingen werd vastgesteld dat [verdachte] steeds na de ontmoeting sms berichten uitwisselde met de gebruiker van het Pakistaanse nummer [telefoonnummer 17]. Uit sms-verkeer was onder andere af te leiden dat er op 20 april 2014 een dergelijke geldtransactie had plaatsgevonden. Na de inbeslagname van een partij verdovende middelen in Engeland, op 9 april 2014, maakte [verdachte] geen gebruik meer van de sms-lijnen, die bij het onderzoeksteam bekend waren. Naar aanleiding hiervan werden van het hierboven aangehaalde Pakistaanse nummer de historische printgegevens opgevraagd over de periode 1 maart 2014 tot en met 22 april 2014. Uit de analyse van de printgegevens van dit Pakistaanse nummer bleek dat er op 20 april 2014 omstreeks 19.38 uur een sms bericht was verzonden naar het telefoonnummer [telefoonnummer 4]. CD printgegevens, bijlage 1. Vervolgens werden op 24 april 2014 de historische printgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] over de periode van 1 april 2014 tot 23 april 2014 opgevraagd. Uit de analyse van de printgegevens bleek dat het telefoonnummer [telefoonnummer 4] zeer vermoedelijk werd gebruikt door [verdachte]. De meest voorkomende zendmast die door het nummer werd aangestraald (125 maal in de bevraagde periode) stond namelijk op de Huiskesweg in Eindhoven. Vanaf 29 april 2014 tot en met 26 mei 2014 werden gesprekken gevoerd met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] opgenomen en afgeluisterd. Hieruit bleek dat hij contact had met een beperkt aantal mobiele telefoonnummers (prepaid aansluitingen) en met de gebruikers van deze nummers uitsluitend sms verkeer onderhield. Bij het gebruik van deze telefoon werd veelal gebruik gemaakt van de masten in de omgeving van de woning van [verdachte], zoals de mast Huiskesweg te Eindhoven, Fort 2 te Veldhoven en Anthony Fokkerweg te Eindhoven. Via de sms berichten werden onder meer afspraken gemaakt voor ontmoetingen. Dit nummer werd op 7 april 2014 in gebruik genomen en is tot en met 13 mei 2014 gebruikt. Het nummer [telefoonnummer 4] is een prepaid nummer uitgegeven door KPN. CIOT gegevens, bijlage 3. Overzichtskaarten, bijlage 6. Uit de printgegevens bleek verder dat er veelvuldig contact (32 maal) contact is geweest met het telefoonnummer [telefoonnummer 18]. Laatstgenoemd nummer werd in de periode van 11 maart 2014 tot 7 april 2014 getapt in het onderzoek. Het nummer bleek een sms telefoon die zeer vermoedelijk in gebruik is geweest bij [betrokkene 2], geboren [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats]. [betrokkene 2] was evenals [betrokkene 3] een loopjongen van [verdachte]. Gezien bovenstaande bevindingen is het zeer aannemelijk dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 4]. [verdachte] gebruiker [telefoonnummer 1] (TT50) 618 Dat [verdachte] de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] was blijkt uit: Binnen het onderzoek werd vastgesteld dat er met het nummer [telefoonnummer 1] (in gebruik bij [verdachte]) sms-contact was met het nummer [telefoonnummer 5] (in gebruik bij [betrokkene 3]). Deze beide telefoonaansluitingen werden vrijwel uitsluitend gebruikt voor het verzenden en ontvangen van sms berichten. Op 13 mei 2014 omstreeks 11.26 uur werd vanaf het nummer [telefoonnummer 5] onderstaand sms-bericht gestuurd naar [telefoonnummer 4]. Sms-bericht: "Maatje hoe is het de timmerman was gisteren bij jou maar je was er niet hij komt morgen om 10 uur is dat goed". Omstreeks 12.51 uur wordt vanaf de telefoonaansluiting [telefoonnummer 1] onderstaand sms bericht gezonden naar het nummer [telefoonnummer 5]. Sms-bericht: Hallo vriend das lekker slim want ik stond er vandaag om 10 uur ha ha. Ik dacht dat het vandaag was ha ha. Morge om 10 ben ik daar is goed. Uit deze sms-berichten is op te maken dat [verdachte] het nummer [telefoonnummer 1] eveneens in gebruik had. Vervolgens werd op 13 mei 2014 omstreeks 14.58 uur vanaf het nummer [telefoonnummer 1] een bericht gestuurd met de vraag of de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 5] kan rijden. Deze antwoordt dat hij vandaag niet kan, waarop bericht wordt: "Nee vriend moet vandaag. Ik regel wel even iets anders." Tap en OVC gesprekken bijlage 2. Het nummer [telefoonnummer 1] betrof een prepaid aansluiting van KPN Lebara. CIOT gegevens, bijlage 3. Uit sms-verkeer d.d. 13 mei 2014 bleek dat de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 1] een afspraak maakte met een onbekende man bij Mac Donalds in Best en dat hij met een motor kwam. De onbekende man sms-t dat hij op de parkeerplaats staat bij het hamburger woord. Tap en OVC gesprekken bijlage 2. Middels observatie op 13 mei 2014 werd vastgesteld dat de bestuurder van de motorscooter op het in het sms-verkeer aangegeven tijdstip komt bij de Mac Donalds in Best. Hij wordt herkend als [verdachte] en gezien wordt dat hij contact maakt met een onbekende man, waarna ze samen naar een voertuig lopen. Processen-verbaal observaties bijlage 4. Uit de verkregen historische printgegevens van het nummer [telefoonnummer 1] over de periode 1 maart 2014 tot en met 13 mei 2014 bleek dat het nummer op 8 mei 2014 in gebruik was genomen. Op die dag was er tussen 09.41 uur en 21.38 uur veel sms-verkeer met een UK nummer. De aangekozen masten lagen in de omgeving van de woning van [verdachte]. Verder bleek uit de verkregen printgegevens dat er nagenoeg alleen maar sms-verkeer plaats vond met dit nummer. Vanaf 13 mei 2013 te 16.01 uur werden gesprekken gevoerd met dit nummer opgenomen en uitgeluisterd. Uit de verkregen gesprekken/berichten bleek dat ook in deze periode de telefoon werd gebruikt voor het ontvangen en verzenden van sms-berichten met een beperkt aantal nummers. De aangekozen masten waren veelal in de omgeving van de woning van [verdachte] en er was slechts contact met een beperkt aantal telefoonnummers. Het nummer [telefoonnummer 1] is in gebruik geweest tot en met 31 mei 2014. Gezien bovenstaande bevindingen is het zeer aannemelijk dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 1]. [verdachte] gebruiker [telefoonnummer 3] (TT55) Dat [verdachte] vanaf 4 juni 2014 de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] was blijkt uit: Op 14 mei 2014 te 14.12 uur bleek dat met het nummer [telefoonnummer 1] (in gebruik bij [verdachte]) een sms-bericht werd verstuurd naar het nummer [telefoonnummer 3] met de tekst: "Tot hoe laat ben je bezig vandaag? Ik ruil even auto dan weet je dat. Ben op tijd terug. Zo niet haal ik klein wel op dan ga jij huis maar ben wel op tijd terug". Uit dit sms-bericht is op te maken dat dit nummer ([telefoonnummer 3]) op dat moment in gebruik was bij de vriendin van [verdachte]. Vervolgens werd vanaf 19 mei 2014 op bevel van de officier van justitie een zogenaamde printertap aangesloten op het nummer [004]:. Hieruit bleek dat dit nummer drie maal kort achter elkaar sms contact had met het nummer [telefoonnummer 19]. datum tijd van aan Mastlocatie 06-26172160 04-06-2014 12:25 uur [telefoonnummer 19] [telefoonnummer 3] Kempenweg Oirschot 04-06-2014 12:35 uur [telefoonnummer 3] [telefoonnummer 19] Anthony Fokkerweg Eindhoven 04-06-2014 12:38 uur [telefoonnummer 19] [telefoonnummer 3] Geer Veldhoven Het nummer [telefoonnummer 19] was binnen het onderzoek niet bekend. De mastlocatie Anthony Fokkerweg Eindhoven is in de directe omgeving van de woning van [verdachte] aan het [b-straat 1] in [plaats]. De mastlocatie Geer Veldhoven is een binnen het onderzoek bekende locatie waar telefoons in gebruik bij [verdachte] vaker gebruik van maken. Overzichtskaarten, bijlage 6. Op 5 juni 2014 werd een bevel afgegeven voor het opnemen en afluisteren van gesprekken gevoerd met het nummer [telefoonnummer 3]. De gesprekken werden opgenomen tot 2 juli 2014. Uit de verkregen gesprekken/berichten bleek dat ook in deze periode de telefoon werd gebruikt voor het ontvangen en verzenden van sms-berichten met een beperkt aantal nummers. De aangekozen masten waren veelal in de omgeving van de woning van [verdachte] en er was slechts contact met een beperkt aantal telefoonnummers. Het nummer [telefoonnummer 1] is in gebruik geweest tot en met 17 juni 2014. Tot 2 juli 2014 werd er nog wel gebeld en ge-sms't naar dit nummer, maar er werd niet meer opgenomen/beantwoord. Uit de verkregen historische printgegevens van het nummer [telefoonnummer 3] over periode 1 maart 2014 tot en met 19 mei 2014 bleek dat het nummer op 13 mei 2014 omstreeks 14.47 uur in gebruik was genomen. De aangekozen mast (Huiskesweg te Eindhoven) ligt in de omgeving van de woning van [verdachte] (- 1 km). Het nummer is in de eerste dagen van het gebruik vermoedelijk in gebruik geweest bij zijn vriendin [betrokkene 9], geboren op [geboortedatum] 1986. Verder bleek uit de verkregen printgegevens dat er tot en met 19 mei 2014 alleen maar sms-verkeer plaats vond met het nummer [telefoonnummer 1]. Het nummer [telefoonnummer 3] betrof een prepaid aansluiting van KPN Lebara. CIOT gegevens, bijlage 3. Gezien bovenstaande bevindingen is het zeer aannemelijk dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 3]. [verdachte] gebruiker [telefoonnummer 7] (TT57) Dat [verdachte] de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 7] was blijkt uit: Op dinsdag 17 juni 2014 had [verdachte] met het nummer [telefoonnummer 3] sms contact met het nummer [telefoonnummer 20]. Uit dit sms-verkeer ontstond het vermoeden dat deze sms berichten verband hielden met de handel in verdovende middelen, dan wel de betalingen daarvan. Omstreeks 18.48 uur die dag werd het beltegoed opgevraagd van het nummer [telefoonnummer 3]. Dit bleek slechts 14 cent te zijn. Vervolgens werden er nog twee berichten ontvangen van het nummer [telefoonnummer 20] waarna dit nummer ([telefoonnummer 3]) niet meer werd gebruikt. Vanaf 19 mei 2014 werd voor het nummer [telefoonnummer 7] een printertap aangesloten. Uit de verkregen gegevens van deze printertap bleek dat het nummer [telefoonnummer 7] op 17 juni 2014, omstreeks 19.13 uur, contact had met het nummer [telefoonnummer 20] en dat er een vijftal sms-berichten werden verzonden/ontvangen tussen deze twee nummers. Het nummer [telefoonnummer 7] was in de periode daarvoor (19 mei 2014 tot 17 juni 2014) niet in gebruik geweest. Op 18 juni 2014 werd een bevel afgegeven voor het opnemen en afluisteren van gesprekken gevoerd met het nummer [telefoonnummer 7]. De gesprekken werden opgenomen tot 15 juli 2014. Uit de verkregen gesprekken/berichten bleek dat ook in deze periode de telefoon werd gebruikt voor het ontvangen en verzenden van sms-berichten. De aangekozen masten waren veelal in de omgeving van de woning van [verdachte] en er was slechts contact met een beperkt aantal telefoonnummers. Het nummer [telefoonnummer 7] is in gebruik geweest tot en met 27 juni 2014. Tot 2 juli 2014 werd er nog wel gebeld en ge-sms’t naar dit nummer, maar er werd niet meer opgenomen/beantwoord. Uit de verkregen mastgegevens van het nummer [telefoonnummer 7] bleek dat op 27 juni 2014 masten in Arnhem, Nijmegen en Veghel waren aangekozen. Het voertuig, een Audi personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 1], in gebruik bij [verdachte], was op 27 juni 2014 voorzien van een peilbaken. Uit de verkregen bakengegevens van dit baken bleek dat dit baken toen in Arnhem is geweest. Processen-verbaal bakengegevens, bijlage 8. In onderstaande tabel zijn een aantal gegevens verwerkt van de hierboven aangehaalde mast- en bakengegevens. Datum Tijdstip Lijn/baken Straat plaats 27-06-2014 11.46 uur Baken [kenteken 1] Esp Eindhoven 27-06-2014 12.08 uur Baken [kenteken 1] A50, km paal 142,5 Wijchen 27-06-2014 12.57 uur Baken [kenteken 1] Orchislaan Arnhem 27-06-2014 12.59 uur TT57 Apeldoornseweg Arnhem 27-06-2014 13.11 uur Baken [kenteken 1] A325, km paal 21.0 Arnhem 27-06-2014 13.30 uur TT57 Apeldoornseweg Arnhem 27-06-2014 13.31 uur Baken [kenteken 1] Sleedoornlaan 34 Arnhem 27-06-2014 13.37 uur Baken [kenteken 1] A325, km-paal 14.6 Elst 27-06-2014 13.40 uur TT57 Stationsstraat Nijmegen 27-06-2014 13.41 uur Baken [kenteken 1] A15, km-paal 155.4f Valburg 27-06-2014 14.05 uur TT57 Schoolhuisweg Veghel 27-06-2014 14.07 uur Baken [kenteken 1] A50, km-paal 107.1 Veghel Het nummer [telefoonnummer 7] betrof een prepaid aansluiting van KPN Lebara. CIOT gegevens, bijlage 3. Gezien bovenstaande bevindingen is het zeer aannemelijk dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 7]. [verdachte] gebruiker [telefoonnummer 6] (TT59) Dat [verdachte] de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] was blijkt uit: Op 27 juni 2014 te 14.23 uur bleek uit de printertap dat het nummer [telefoonnummer 6] actief werd en dat die dag te 14.25 uur en 14.27 uur telefonisch contact plaatsvond met het nummer [telefoonnummer 21]. Het nummer [telefoonnummer 21] had op 27 juni 2014 om 14.01 uur nog sms-contact met het nummer [telefoonnummer 7] in gebruik bij [verdachte]. Uit vorenstaande valt af te leiden dat [verdachte] kennelijk op dat moment het nummer [telefoonnummer 6] in gebruik had genomen. Op 27 juni 2014 werd een bevel afgegeven voor het opnemen en afluisteren van gesprekken gevoerd met het nummer [telefoonnummer 6]. Uit de verkregen gesprekken/berichten bleek dat in de periode 28 juni 2014 tot en met 4 juli 2014 de telefoon werd gebruikt voor het ontvangen en verzenden van sms-berichten met een beperkt aantal nummers. De aangekozen masten waren veelal in de omgeving van de woning van [verdachte] en er was slechts contact met een beperkt aantal telefoonnummers. Uit de verkregen mastgegevens van het nummer [telefoonnummer 6] bleek dat op 4 juli 2014 masten in Arnhem waren aangekozen. Het voertuig, een Audi personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 1], in gebruik bij [verdachte], was op 4 juli 2014 voorzien van een peilbaken. Uit de verkregen baken gegevens van dit baken bleek dat dit baken toen in Arnhem is geweest. Processen-verbaal bakengegevens. In onderstaande tabel zijn een aantal gegevens verwerkt van de hierboven aangehaalde mast- en bakengegevens Datum Tijdstip Lijn/baken Straat plaats 04-07-2014 10.24 uur Baken [kenteken 1] Noord Brabantlaan Eindhoven 04-07-2014 10.40 uur Baken [kenteken 1] A50, km-paal 119,3 Veghel 04-07-2014 11.00 uur Baken [kenteken 1] A325, km-paal 12.3 Nijmegen 04-07-2014 11.01 uur TT59 Stationsstraat Nijmegen 04-07-2014 11.51 uur TT59 Apeldoornseweg Arnhem 04-07-2014 13.15 uur Baken [kenteken 1] Velperplein Arnhem 04-07-2014 12.13 uur TT59 Apeldoornseweg Arnhem 04-07-2014 13.41 uur Baken [kenteken 1] A50, km-paal 116.7 Veghel 04-07-2014 13.41 uur Baken [kenteken 1] [b-straat] [plaats] Het nummer [telefoonnummer 6] betrof een prepaid aansluiting van KPN Lebara. CIOT gegevens, bijlage 3. Gezien bovenstaande bevindingen is het zeer aannemelijk dat [verdachte] de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 6]. Blackberry's in gebruik bij [verdachte]: Uit het onderzoek is verder gebleken dat [verdachte] vermoedelijk voor zijn criminele activiteiten naast sms-telefoons ook gebruik maakte van blackberry's. Bij een observatie op 10 januari 2014 werd gezien dat [verdachte] gebruik maakte van een blackberry en men hoorde dat hij zei dat hij ging "pingen". Opmerking verbalisant: pingen is een term die gebruikt wordt door blackberry-gebruikers voor het verzenden van gratis berichten.Processen-verbaal observatie, bijlage 7. Op 13 januari 2014 vond er wederom een observatie plaats op [verdachte]. Bij deze observatie werd tevens gebruik gemaakt van een zogenaamde IMSl-catcher. Door de inzet van deze IMSl-catcher bleek dat [verdachte] toen vermoedelijk in het bezit was van 6 gsm-toestellen. Processen-verbaal inzet IMSl-catcher, bijlage 9. 3 van deze 6 gsm-toestellen hadden Imeinummers vermoedelijk behorende bij toestellen van het merk/type Blackberry Curve. Opmerking verbalisant: Uit onderzoek is bekend dat het 1 laatste cijfer van het imeinummer een variabel nummer is en op verschillende momenten een ander getal kan zijn. Proces-verbaal bevindingen imeinummers 30-531 306, bijlage 10. [verdachte] (tijdelijke) gebruiker blackberry [005] (TT24) ([telefoonnummer 8]) Op 15 januari 2014 werd een bevel afgegeven voor het opnemen en afluisteren van gesprekken gevoerd met het nummer [005] tot 11 februari 2014. Gedurende deze periode werden er geen gesprekken opgenomen en bleek dat het toestel alleen werd gebruikt om te internetten. Het berichten verkeer kon niet worden gelezen. Uit het proces-verbaal telefoongebruik [betrokkene 1] blijkt onder andere dat als [betrokkene 1] in Nederland is, hij de gebruiker is van deze Blackberry met het (meinummer [005]. Echter als [betrokkene 1] in Spanje is vermoedelijk [verdachte] de gebruiker van dit Imeinummer. Gedurende het onderzoek bleek namelijk dat [betrokkene 1] meerdere malen naar Spanje is afgereisd. [betrokkene 1] verbleef onder andere in Spanje gedurende de volgende periodes:  04 mei 2013 t/m 14 mei 2013  12 juni 2013 t/m 14 juni 2013  16 juli 2013 t/m 31 juli 2013  04 september 2012 t/m 06 september 2013  13 oktober 2013 t/m 20 oktober 2013  18 november 2013 t/m 22 november 2013  16 december 2013 t/m 19 december 2013  07 januari 2014 t/m 23 januari 2014  06 februari 2014 t/m 13 februari 2014  01 maart 2014 t/m 07 maart 2014  12 maart 2014 t/m 20 maart 2014  17 april 2014 t/m 25 april 2014  03 mei 2014 t/m 13 mei 2014  25 juli 2014 t/m 5 september 2014  10 september 2014 t/m 17 september 2014 Het proces-verbaal van bevindingen verblijf [betrokkene 1] in Spanje, nr. 2611128HZ-3751 is als bijlage bij het algemeen dossier gevoegd. Dat [verdachte] de tijdelijke gebruiker van het toestel met het IMEI nr. [005] blijkt uit: De hierboven genoemde inzet van de IMSI-catcher op 13 januari 2014. Tijdens de hierboven genoemde perioden (als [betrokkene 1] in Spanje
  11. is)is uit de historische printgegevens af te leiden dat het blackberry toestel met het imeinummer [005] andere mastlocaties aanstraalde. Veel van de dan aangestraalde mastlocaties lagen in de directe omgeving van de woning van [verdachte], woonachtig aan [b-straat 1] te [plaats]. Een van de meest aangestraalde mastlocatie in boven genoemde perioden is de Graspieper, een overzichtskaart is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. Overzichtskaarten masten, bijlage 6. Daarnaast bleek uit onderzoeksgegevens dat [verdachte] met een ander telefoonnummer, bij hem in gebruik, een afspraak maakte met een NN-man op donderdag 16 januari 2014 omstreeks 13.30 uur. Deze afspraak met deze NN-man vond plaats bij het Van der Valk hotel te Breukelen. Uit de historische printgegevens is af te leiden dat het toestel met het Imeinummer [005] op 16 januari 2014 omstreeks 13.34 uur, een mast aanstraalde gelegen aan de Broekdijk Oost te Breukelen. Dit is overeenkomstig met de observatie die op dat tijdstip plaats vond op [verdachte]. Processen-verbaal observatie, bijlage 7. Uit de historische printgegevens van dit imeinummer, over een periode 01 augustus 2013 tot en met 15 mei 2014 is verder nog af te leiden:  dat er data beschikbaar is vanaf 21 augustus 2013;  dat in het toestel het Amerikaanse telefoonnummer [telefoonnummer 8] is gebruikt; Gezien bovenstaande bevindingen is het zeer aannemelijk dat [verdachte] de-tijdelijk-e gebruiker is van het toestel met het imeinummer [005]. [verdachte] gebruiker blackberry [006] (TT26) ([telefoonnummer 22]) Dat [verdachte] de gebruiker van het toestel met het imeinummer [006] blijkt uit: De hierboven genoemde inzet van de IMSl-catcher op 13 januari 2014. Op 15 januari 2014 werd een bevel afgegeven voor het opnemen en afluisteren van gesprekken gevoerd met het nummer [006] geldig tot 8 april 2014. Uit het onderzoek van telecommunicatie is gebleken dat [verdachte] met het toestel met het imeinummer [006] contact had met een beperkt aantal mobiele telefoonnummers (prepaid aansluitingen) en met de gebruikers van deze nummers uitsluitend sms verkeer onderhield. Via de sms-berichten werden onder meer afspraken gemaakt voor ontmoetingen. Bij het verzenden van deze berichten werd veelal gebruik gemaakt van de masten in de omgeving van de woning van [verdachte], gelegen aan het [b-straat 1] te [plaats], zoals de mast Huiskesweg te Eindhoven. Tevens werden de historische printgegevens van dit imeinummer opgevraagd over de periode 1 augustus 2013 tot en met 14 januari 2014. In het toestel werd het telefoonnummer [telefoonnummer 22] gebruikt en dit toestel/nummer is in gebruik geweest in de periode 13 januari 2014 tot en met 12 maart 2014. Uit opgenomen gesprekken van het imeinummer [006] ([telefoonnummer 22]) bleek dat er middels sms-berichten een afspraak was gemaakt bij hotel [C] voor een ontmoeting op 16 januari 2014. Zie hiervoor bijgevoegde sms-berichten. Op 16 januari 2014 omstreeks 13.08 uur werd bij een observatie op [verdachte] gezien dat het bij hem in gebruik zijnd voertuig, merk Audi AB, kenteken [kenteken 1], stond op het parkeerterrein nabij hotel/restaurant [C], [g-straat 1]. Tussen 13.20 en 13.30 uur werd gezien dat [verdachte] in het genoemde hotel/restaurant aan een tafel zat samen met een nn-man. Processen-verbaal observatie, bijlage 7. Het nummer [telefoonnummer 22] is een prepaid nummer uitgegeven door Vodafone CIOT gegevens, bijlage 3. Gezien bovenstaande bevindingen is het zeer aannemelijk dat [verdachte] de gebruiker is van het toestel met het imeinummer [006] en telefoonnummer [telefoonnummer 22]. [verdachte] mogelijk gebruiker [007] (TT27) ([telefoonnummer 23]) Dat [verdachte] mogelijk de gebruiker van het toestel met het imeinummer [007] blijkt uit: De hierboven genoemde inzet van de IMSl-catcher op 13 januari 2014. Van dit derde Imeinummer [007], dat op 13 januari 2014 middels de IMSl-catcher was verkregen, werden de gesprekken opgenomen vanaf 15 januari 2014 tot 11 maart 2014. In deze periode werden er slechts twee sms-berichten verzonden en een sms-bericht ontvangen. In het toestel werd het telefoonnummer [telefoonnummer 23] gebruikt. Dit betreft een prepaid nummer van Vodafone. CIOT gegevens, bijlage 3. Uit de historische printgegevens van het imeinummer [007], bleek dat het toestel op 11 januari 2014 in gebruik was genomen en contact heeft gehad met een ander nummer. Tevens bleek dat het toestel veelvuldig een mast aan koos die was gelegen in de omgeving van de woning van [verdachte]. Het is gezien bovenstaande aannemelijk dat [verdachte] het toestel met het Imeinummer [007] in gebruik heeft gehad. [verdachte] gebruiker blackberry [008] (TT51) ([telefoonnummer 24]) Uit de inzet van de IMSl-catcher in januari en maart 2014, bleek dat [verdachte] vermoedelijk in het bezit was van toestel met het imeinummer [008]. Processen-verbaal inzet IMSI-catcher, bijlage 9. Vervolgens werden de historische printgegevens van dit imeinummer [008] opgevraagd. Uit de verkregen gegevens bleek dat dit imeinummer zeer vermoedelijk in gebruik is geweest bij [verdachte]. Uit de printgegevens bleek dat dit nummer op 20-01-2014 in gebruik is genomen en dat er alleen maar gebruik is gemaakt van het internet. Ook werden de gesprekken gevoerd via dit imeinummer opgenomen en uitgeluisterd in de periode 14 mei 2014 tot 10 juni 2014. In deze periode werd echter alleen maar gebruik gemaakt van het internet en was de verkregen data niet te lezen. Dat [verdachte] de gebruiker van dit toestel is blijkt onder andere uit het feit dat: - dit toestel bij gebruik veelvuldig de mast aan de Graspieper in Eindhoven aanstraalde. Dit was de meest voorkomende mast in de bevraagde periode. Deze mast is bekend binnen het onderzoek Gutenberg als een "thuismast" van [verdachte]; - op 28 januari 2014 vond er een observatie plaats op [verdachte], de bevindingen van deze observatie zijn vergeleken met de historische gegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 24], dat op die dag in het toestel met het imeinummer [008] werd gebruikt. Hieruit bleek dat deze telefoon kennelijk "mee reist", zie onderstaand overzicht. Lijn/middel Tijdstip locatie 31681515914 8:34:46 Graspieper 7, Eindhoven observatie 09.21 Opel Vivaro staat bij de woning [b-straat 1], [plaats] observatie 10.55 lichten Opel Vivaro worden ontstoken [b-straat 1], [plaats] 31681515914 10:57:13 Industrieweg 26, Eindhoven observatie 10.57 [verdachte] rijdt in de Vivaro Sliffertsestraat, Eindhoven 31681515914 11:39:17 Reinesteinseweg 8, Nieuwegein observatie 12.30-13.40 [verdachte] parkeert de vivaro Doctor CJK van Aalstweg, Hoorn observatie 14.40 Opel Vivaro rijdt over de A2 thv km paal 73,5 A2, Vianen 31681515914 14:52:48 Slimweistraat 2, Waardenburg observatie 15.27 Vivaro staat bij de woning [b-straat 1], [plaats] 31681515914 17:59:14 Steijgerweg 3, Eindhoven observatie 18.09 [verdachte] rijdt in de vivaro Pyrmontstraat, Eindhoven observatie 18.21 vivaro staat op een oprit bij een woning [c-straat], [plaats] 31681515914 18:22:43 Meiveld 12, Veldhoven 31681515914 18:26:48 Dorpstraat 18, Veldhoven 31681515914 18:27:45 Meiveld 12, Veldhoven observatie 18:33 vivaro rijdt weg bij een woning [c-straat], [plaats] 31681515914 18:34:29 De Schaatsenmaker 8, Veldhoven observatie 18.43 [verdachte] parkeert de vivaro Kastelenplein, Eindhoven 31681515914 19:20:22 Herman Gorterlaan 1, Eindhoven 31681515914 19:24:56 Genneperweg, Eindhoven observatie 19.35 [verdachte] parkeert de vivaro Industrieweg, Eindhoven 31681515914 21:26:02 Meerenakkerweg 7, Eindhoven 31681515914 23:26:02 Meerenakkerweg 7, Eindhoven 31681515914 23:59:19 Prof Dr Dorgelolaan 50, Eindhoven Processen-verbaal observatie, bijlage 7. Ook op andere dagen vertoonde het imeinummer [008] een zelfde beeld waaruit blijkt dat [verdachte] hoogst waarschijnlijk de gebruiker is van dit nummer. Het imeinummer is alleen gebruikt voor internetverkeer via Blackberry.net, Freelntemet en Internet. Het nummer [telefoonnummer 24] werd veelvuldig gebruikt in het toestel. Dit telefoonnummer [telefoonnummer 24], stond op haam van [D] BV, gevestigd [h-straat 1] te Arnhem. Bestuurder van [D] BV is [E] BV, waarvan de directeur [betrokkene 10], geboren op [geboortedatum]-1979 te [geboorteplaats] is. Genoemde [betrokkene 10] werd op 12 maart 2014 bij een observatie op [betrokkene 1] gezien. Zij zijn toen samen naar Spanje gereisd. Van [betrokkene 10] is bekend dat hij zich bezig houdt/heeft gehouden met het faciliteren van criminelen door middel van het leveren van gecrypte communicatie middelen en het sweepen van auto’s en woningen. In het toestel met het imeinummer [008], werd nog een tweede telefoonnummer ten name van [D] BV gebruikt. Daarnaast zijn er nog 5 andere Nederlandse simkaarten gebruikt in dit toestel, deze zijn telkens enkele keren gebruikt op verschillende dagen. Deze nummers hebben allen n.a.w. gegevens, die nog niet bekend waren binnen het onderzoek. CIOT gegevens, bijlage 3. [verdachte] gebruiker/bezitter blackberry [009] ([telefoonnummer 25]) Bij de aanhouding van [verdachte] bleek dat hij in het bezit was van twee telefoons, waaronder een blackberry bold met het imeinummer [009]. Proces-verbaal van bevindingen nr 2611128HZ - 3417, bijlage 11. Uit de verkregen historische gegevens van dit imeinummer over de periode 1 januari.2014 tot en met 23 september 2014 bleek dat er alleen data was op 8 augustus 2014. Er werd toen alleen gebruik gemaakt van het internet. In dit toestel werd toen het nummer [telefoonnummer 25] gebruikt. Het nummer [telefoonnummer 25] betreft een telefoonnummer op naam van [D] B.V. voornoemd. CIOT gegevens, bijlage 3.” 15. Onder het kopje ‘FEIT 4 DEELNAME AAN CRIMINELE (DRUGS)ORGANISATIE’ bevat de aanvulling op de bestreden uitspraak een groot aantal bewijsmiddelen, die zijn gerubriceerd onder diverse subkopjes. De steller van het middel is het in het bijzonder te doen om de werkwijze die het hof heeft gehanteerd in paragraaf 4.4 van de aanvulling. Deze paragraaf houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: “4.4 OVC-gesprekken antiekzaak [A] en sms-verkeer op 26 februari 2014. een relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] d.d. 11 augustus 2014 (bron 1.1 p. 40-63). Opmerking hof vooraf: In dit proces-verbaal worden OVC-gesprekken in samenvattende vorm weergegeven en geïnterpreteerd. Het hof heeft de samenvattende inhoud van de hierna door de verbalisant opgesomde OVC-gesprekken gecontroleerd aan de hand van de tevens bij dit proces-verbaal bijgevoegde onderliggende stukken (volledige weergaven) van die gesprekken en heeft hierin geen noemenswaardige verschillen geconstateerd. Het hof volstaat dan ook met de samenvattende weergave en interpretatie van de gesprekken met daarbij telkens de vermelding van de vindplaats van het onderliggende gesprek. Op 10 september 2013 bevindt [betrokkene 1] zich in de antiekzaak en is in gesprek met een NN man. De man vraagt hoe het met [verdachte] is. [betrokkene 1] zegt dat het goed is en dat het goed is met die kleine. (opmerking verbalisant: op […] 2013 is [verdachte] vader geworden van een zoon) (bron 1.1. p. 133) Op 14 september 2013 bevindt [betrokkene 7] zich in de antiekzaak en is in gesprek met NN mannen. Een van de mannen vraagt hoe het eigenlijk met [verdachte] gaat. [betrokkene 7] zegt dat hij vorige week zondag bij [verdachte] naar de kleine is gaan kijken. [betrokkene 7] zegt dat ze een cadeautje zijn gaan brengen en bijgepraat hebben en [verdachte] helemaal happy was. (bron 1.1, p. 135) Op 26 september 2013 voert [verdachte] in de antiekzaak een gesprek met [betrokkene 7]. [verdachte] en [betrokkene 7] gaan zachtjes praten en [verdachte] vraagt of [betrokkene 7] nog dinges voor hem heeft. [betrokkene 7] zegt dat net gehaald te hebben en [betrokkene 7] zegt dat hij een tasje pakt. (bron 1.1, p. 137-138) Op 11 oktober 2013 om 10:31 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen, gevolgd door [betrokkene 1] (bron 1.1, p. 139). Uit de OVC in de antiekzaak blijkt dat [betrokkene 1] en [verdachte] de hele dag samen op pad zijn, afspraken aflopen en de antiekzaak in en uitlopen. [verdachte] weet een “zij stapelaartje” te staan en gaat daar samen met [betrokkene 1] naar kijken. [betrokkene 1] zegt dat er nog iets is dat ze moeten doen, waarop [verdachte] zegt: Niet teveel op een dag hoor (bron 1.1, p. 140). Voorts informeert [verdachte] naar een straat, waarop [betrokkene 1] zegt dat hij denkt dat dit in Amsterdam is. [betrokkene 1] zegt dat [verdachte] moet zeggen dat hij hier in de buurt zit, want [betrokkene 1] denkt dat hun toch naar Antwerpen moeten. [betrokkene 1] zegt tegen [verdachte] dat hij hen later op de dag kan zien in Breda of zo. [verdachte] zegt niet te weten wat te moeten sturen want hij weet niet hoe of wat. [betrokkene 1] stelt voor aan [verdachte] om te gaan rijden. Wat is het plan vraagt [verdachte]. [betrokkene 1] stelt voor om even langs [betrokkene 11] te rijden (bron 1.1, p. 143) en ze nemen eerst nog even samen een ontbijtje. [verdachte] zegt dat hij 34 en een halve meier heeft gegeven aan die oplichter. [betrokkene 1] zegt tegen [verdachte] dat hij ook nog geld van hem ([betrokkene 1]) krijgt. [verdachte] zegt dat “hij” nog een heftruck had staan voor drie rooien maar [verdachte] weet niet hoe het zit (bron 1.1, p. 144). Omstreeks 12.09 uur blijkt dat [betrokkene 1] en [verdachte] samen weg zijn (bron 1.1, p. 145). Omstreeks 15.05 uur zijn [betrokkene 1] en [verdachte] weer terug in de antiekzaak met enkele anderen. Op enig moment zegt [betrokkene 1] tegen [verdachte]: “Ja een paar miljoen. Om half vijf heb ik effe met hem afgesproken”, (bron 1.1, p. 147). Omstreeks 15.12 uur vraagt [verdachte] aan [betrokkene 1] hoe laat hij met “kanaal” (fonetisch) heeft afgesproken. [betrokkene 1] zegt: “twintig minuten”. [verdachte] vraagt: “Zal ik hem sturen”. [betrokkene 1] antwoordt: “Nee hij is er nog niet, anders had die al lang gestuurd die zenuwlijer”. Omstreeks 15.15 uur zegt [betrokkene 1] tegen [verdachte]: “Kom... naar de King”. [verdachte] zegt lachend: “Naar de grootste”, waarna ze samen vertrekken, (bron 1.1, p. 150) Omstreeks 16.03 uur zijn [betrokkene 1] en [verdachte] weer terug in de antiekzaak (bron 1.1, p. 151) en vanaf omstreeks 16.13 uur gaat het gesprek over xtc pillen. [betrokkene 1] noemt ze “housenootjes”. Uit het gesprek blijkt dat [betrokkene 1] kennelijk diverse pillen heeft liggen in verschillende kleuren en samenstelling en ze mee wil geven aan een van de bezoekers om te proberen. [verdachte] zegt op enig moment: “Die heb ik er nog niet bij zitten” en ‘Die moet ik ook nog ophalen ja”. [betrokkene 1] laat kennelijk pillen zien en zegt: “Dit is een lichtere, deze is iets zwaarder en deze is nog iets zwaarder.” (bron 1.1, p. 152-154). Vanaf 16.20 uur volgt een gesprek over gebruik van ketamine en cocaïne, [betrokkene 1] vertelt over een keer dat [verdachte] dacht dat hij coke gebruikte, maar hij had kennelijk ketamine gebruikt. Gesprek verder over dure horloges, (bron 1.1, p. 155). Omstreeks 16.31 uur blijkt dat [verdachte] een afspraak heeft waar [betrokkene 1] van op de hoogte is. [betrokkene 1] vraagt waar [verdachte] “hem” moet zien. [verdachte] zegt dat hij in Tilburg moet zijn. [betrokkene 1] zegt dat [verdachte] aan moet rijden, omdat hij anders te laat komt. (bron 1.1, p. 157) Op 14 oktober 2013 omstreeks 12.44 uur komt er een man in de antiekzaak, die later kan worden geïdentificeerd als [betrokkene 12], geboren [geboortedatum] 1967. [betrokkene 12] voert een gesprek met [betrokkene 7], waaruit blijkt dat er kennelijk een transport met weed is onderschept of mislukt. Uit het gesprek blijkt dat [betrokkene 12] contact wil met [verdachte] of [betrokkene 1]. [betrokkene 7] zegt dat [betrokkene 1] in Spanje zit en hij [verdachte] wel zal sturen, (bron 1.1, p. 160) Op 24 oktober 2013 omstreeks 10.33 uur zijn [betrokkene 1] en [verdachte] samen in de antiekzaak. Beiden lopen die dag meerdere keren in en uit en uit gevoerde gesprekken blijkt dat ze die dag samen afspraken met anderen hebben. [betrokkene 1] geeft [verdachte] opdracht iets te regelen. [betrokkene 1] zegt dat die jongens om half twee hier zijn [verdachte] zegt 2, 3 of 4 berichtjes te hebben gestuurd maar er wordt niet gereageerd. [verdachte] zegt dat ‘hij” ook van geen kanten wil. [verdachte] zegt: Ik heb gewoon gezegd ja we komen even praten jongens, we willen praten, we willen geen ruzie, die willen geen ruzie maken, we willen geen ruzie krijgen, we willen gewoon even praten en weten hoe het in elkaar zit, meer niet. Hij reageert gewoon niet. Ik zeg ja dan moeten ze het zelf weten, ze weten in ieder geval waar jij woont, ze weten waar je kale vriend woont dus... Dat zien ze van zelf.” [betrokkene 1] en [verdachte] vragen zich af waarom de andere partij niet even aan tafel komt om te kijken of er nog een uitweg is. [verdachte] zegt dat hij nog een sms telefoon met die Belg heeft. [betrokkene 1] zegt dat hij dadelijk met [verdachte] wil meerijden en dat ze iets afgooien bij die jongen in Strijp, dan heeft [verdachte] die ook een keer gezien (bron 1.1. p. 165-166). Op 24 oktober 2013 omstreeks 11.25 uur blijkt dat [verdachte] broodjes is gaan halen voor iedereen (bron 1.1. p. 168). Op 24 oktober 2013 omstreeks 12.21 uur blijkt dat [verdachte] een afspraak heeft gemaakt met iemand op de antiekzaak. [betrokkene 1] zegt dat ze zo weg zijn waarop [verdachte] zegt dat ‘hij” meteen zou komen. Omstreeks 12.24 uur zegt [verdachte] woordelijk tegen [betrokkene 1]: “Nou zit ik allemaal die dingen te sturen, stuurt die me niks terug die rukeend!” Wie? vraagt [betrokkene 1]. [verdachte]: “Venlo. Zit ik daar op dinge te wachten” (bron 1.1, p. 170). Even later zegt [verdachte] tegen [betrokkene 1] dat het vanavond half acht wordt. [betrokkene 1] heeft al afgesproken met iemand anders en [verdachte] vraagt of [betrokkene 1] die niet kan afzeggen. [verdachte] zegt dat “ze” ook navraag naar die vader hebben gedaan en dat schijnt een oplichter en een dief te zijn. [betrokkene 1] zegt dat “hun” het hebben aangepakt en niet wij. [verdachte] zegt: “Nee wij hebben alleen service verleend.” en “die bril weet ook dat wij nergens niks mee van doen hebben.” (bron 1.1, p. 172) Op 24 oktober 2013 omstreeks 12.54 uur vraagt [verdachte] aan [betrokkene 1] hoe hij dat wil doen met die afspraak. [betrokkene 1] zegt of hij niet wil vragen of het eerder kan hij heeft toch een afspraak. [verdachte] vraagt of de afspraak daar bij “hem” is. [betrokkene 1] zegt dat “hij” om half tien hier heen komt. Vervolgens vraagt [verdachte] hoe laat dingetje hier is. [betrokkene 1] zegt daarop: “Hij is hier acht uur. Moet je ff (even) sturen, moet je zeggen hij zegt ’s-middags twee uur tegen mij. Dat ken ik niet in één keer veranderen van acht uur ‘s avonds naar twee uur.” (bron 1.1, p. 175) Op 24 oktober 2013 omstreeks 13.44 uur vraagt [betrokkene 1] aan [verdachte]: “Waren toch goed of niet, die 17?” [verdachte] zegt dat hij die nog moet maken, maar dat die wel goed zijn. [betrokkene 1] zegt vervolgens: “Hij moet ze weer maken nog. Wat doe jij toch heel de dag?” [verdachte] zegt: “Ik geloof dat ik hier al vanaf vanmorgen ben niet.” [betrokkene 1] vraagt wat [verdachte] gisteren dan gedaan heeft. [verdachte] zegt dat hij gisteren laat terug was en ‘s avonds niet werkt. (bron 1.1, p. 178) Omstreeks 13.58 uur blijkt uit de OVC opname dat [betrokkene 1] en [verdachte] uit de antiekzaak vertrekken (bron 1.1. p. 181). Omstreeks 14.04 uur komt [betrokkene 1] weer binnen en zegt tegen een NNman: “dit was [verdachte] maar die is hetzelfde als ik”. Nnman zegt dat hij dat al begrepen had. [verdachte] komt ook weer binnen. Omstreeks 14.06 uur zegt [betrokkene 1] dat “hij” weer een keer op en neer moest. NNman zegt dat hij dan gewoon monsters heeft, dan komt dat wel goed. Hij moest er 50 voor iemand hebben. Dan heb ik 20 pakjes over die kan ik dan als monstertjes uit delen. Ze hebben wel veel belangstelling maar ze willen allemaal een keer proeven he. [betrokkene 1] zegt dat dat normaal is he. Omstreeks 14.07 uur zegt [betrokkene 1]: “In principe als je weer een beetje op de dinge en ze hebben continue, is dat een leuk handeltje kun je gewoon iedere week goed de kost van verdienen. Maar dat blijft altijd, want over twee weken is het weer op.” Tijdens voorgaand gesprek zijn ook [betrokkene 7] en een NNman aanwezig. [betrokkene 7] zegt: “Is goed jongen, komt goed. Niet teveel over buurten, rustig aan een beetje he.” De NNman zegt: “Nee daar praat ik nooit over [betrokkene 7]. Nee dat kun je wel aan mij overlaten.” NNman zegt vervolgens: “Ja maar ik weet nu wie er bij zit he want anders praat ik er helemaal niet over. Dan zal je mij er niet over horen. Maar ik doe ook nooit niks over de telefoon of zo.” [betrokkene 7] zegt: “Nee nooit niet doen, ik zeg gewoon, lampje ophalen, of klokske ophalen of zo.” NNman zegt: “ja... dan weet ik wel wat er aan de hand is.” Omstreeks 14.08 uur zegt [betrokkene 1]: “Zullen we even rijden?’ (bron 1.1, p. 182-183) (hof: hiervoor onder 11.4 is reeds opgemerkt dat [betrokkene 1] en [verdachte] op 24 oktober 2013 een ontmoeting hadden met twee onbekende mannen, vermoedelijk Engelsen, in het Van der Valk Motel in Gilze) Op 4 november 2013 omstreeks 18.07 uur zijn [betrokkene 1] en [verdachte] in de antiekzaak. [verdachte] vraagt aan [betrokkene 1]: “Wanneer moeten we weer ehh.” [betrokkene 1] zegt: “Ik weet het niet, ik zit te wachten, hij reageert niet onze [betrokkene 6].” [betrokkene 1] vraagt zich vervolgens af waar al dat geld toch vandaan komt en zegt dat het niet normaal is. [verdachte] zegt ook dat het niet normaal is en zegt iets onverstaanbaars over gaan sturen en ‘als ik bij hem een dag geen meier moet betalen dan ehh.” [betrokkene 1] zegt dat hij ‘hem” laatst vijfhonderd extra had gegeven om telefoons te laten halen en dat ‘hij” toen zat te zeuren dat “hij” twee keer op en neer naar Amsterdam was geweest, (bron 1.1, p. 185) Verder op in gesprek vraagt [verdachte] of ze nog iets moeten hebben, waarop [betrokkene 1] zegt: “Ja als hij komt brengen wel. Heb jij nog drie?” [verdachte] zegt van wel, maar dat het een ander merk is. [betrokkene 1] zegt: “Ja maat dat maakt niet uit. We kijken niet zo nauw. Vol er op. Beginnen we mee. Als de kleur goed is. Ja toch.” [verdachte] zegt dat dat klopt en [betrokkene 1] zegt: “Wij zijn toch de cannaclub. Oh geloof me dat hij dat heeft gedaan he.” Vervolgens zegt [betrokkene 1]: “Dat is het enigste waar hij wel wat mee verdiend heeft he.” [verdachte] zegt: “En veel hoor. Als we daar wel eens tien stukjes mee maken dan had hij zo een grote afwasteil en daar gooide hij een haffel in en die sprayde hij nat en die deed hij een beetje mengen en dan sprayde hij die weer nat en gooide hij erop en deed hij een beetje schudden dat het eraan bleef plakken en hij deed dat wel hoor.” (bron 1.1, p. 186) Op 6 november 2013 omstreeks 16.21 uur loopt [verdachte] de antiekzaak binnen en vraagt naar [betrokkene 1]. [betrokkene 7] zegt dat die even een broodje is gaan halen. Kort daarna komt er een NNman de antiekzaak binnen en volgt een gesprek tussen [verdachte] en deze NNman. Uit het gesprek blijkt dat [verdachte] vier dozen met onbekende inhoud voor de man heeft. Het betreft kennelijk illegale handel want er wordt gezegd dat als ze je met die rommel pakken, moet je belasting betalen. [verdachte] zegt dat hij al twee keer bij de man aan de deur is geweest en er nu vier achterin heeft liggen. [verdachte] zegt dat “hij” stuurt dat ze alle vier voor de man zijn. (bron 1.1, p. 189-190) [verdachte] vraagt aan [betrokkene 7] of hij iets van de frietzaak moet hebben. [betrokkene 7] zegt dat [betrokkene 1] al iets mee zou brengen. Omstreeks 16.39 uur zegt [verdachte] tegen [betrokkene 7]: “Waar is die tijd gebleven dat we 500-tjes konden koppen, (lacht) nu moeten we 50-tigjes koppen.” [betrokkene 7] zegt dat vele kleintjes ook groot maken (bron 1.1., map 1, p. 193). Omstreeks 16.44 uur komt [betrokkene 1] binnen, waarop [verdachte] zegt: “Hé leider.” Vervolgens zegt [verdachte] tegen [betrokkene 1] dat “hij” hier net was en maar twee dozen wilde, “hij” wilde niks thuis hebben staan. [verdachte] zegt dat “hij” twee dozen heeft afgerekend. [betrokkene 1] zegt dat het oke is. [verdachte] zegt: “Het zijn andere, ruiken anders. Moet je dadelijk maar eens ruiken, ze ruiken anders. Nou ruiken ze chemisch.” [betrokkene 1] bevestigt dit. [verdachte] zegt: “Ja en nou zijn ze aan één kant hol en aan de andere kant zit die haai. En aan één kant zijn ze hol en dat waren die andere niet.” [betrokkene 1] zegt dat die andere mooier waren. [betrokkene 1] vraagt of [verdachte] gezegd heeft dat ze al twee keer bij “hem” zijn geweest. (bron 1.1, p. 195). [verdachte] zegt dat maandag dingetje hier is. Oke zegt [betrokkene 1]. [verdachte] zegt dat “hij” alles even uit komt leggen en in elkaar duwen. [verdachte] zegt: “Hé.. .. hij tovert overal het geld vandaan hoor.” [verdachte] zegt: “Dat zou fijn zijn zo als je uit iedere zak zo even 5 rooie kunt trekken, hé?” en “Die andere die uhh 5 die nog komen, die wil [betrokkene 6] ook hebben. Ze hebben nog niet gekeken zei hij maar ze willen ze wel hebben.” [betrokkene 1] vraagt of [verdachte] daar toch wel iets aan wint, waarop [verdachte] aangeeft dat ze dan wel iets duurder worden. [betrokkene 1] zegt dat hij er bij hun ook iets af probeert te krijgen. [verdachte] praat verder over iets dat stinkt in die zak, een hele rare chemische lucht en dat ze al iemand hebben om te proberen, (bron 1.1, p. 196) Omstreeks 16.58 uur is weer het geluid van papier wat snel over elkaar heen gehaald wordt (vermoedelijk geld tellen) Iemand telt ook in zichzelf. [verdachte] zegt dat hij er niks heeft afgehaald. [betrokkene 1] vraagt of deze ook goed is. [verdachte] zegt dat hij dat niet weet en denkt dat die er al in zat, [verdachte] vraagt hoeveel [betrokkene 1] in zijn tas had, waarop [betrokkene 1] zegt 6,6. [verdachte] zegt dat het dan goed is en dat hij alles wat hij [betrokkene 1] gegeven heeft gecheckt is. [verdachte] zegt dat sinds ze hebben gezegd dat er vals bij zit, is het geen één keer meer voorgekomen. Omstreeks 16.59 uur is weer het geluid van papier over elkaar schuiven (geld tellen) en iemand die telt. [betrokkene 1] zegt dat er een elastiek om moet, waarop [verdachte] zegt dat hij in het binnenvak van de tas van [verdachte] allemaal elastiekjes zitten en die er in heeft gegooid. [verdachte] zegt: “Hij heeft alles jongen, hoeft alleen nog maar een telmachine in.” (bron 1.1, map 1, p. 197) Op enig moment verlaten [betrokkene 1] en [verdachte] samen de antiekzaak, (bron 1.1, p. 199) Op 11 november 2013 omstreeks 15.00 uur zijn [betrokkene 1] en [verdachte] in de antiekzaak. [verdachte] zegt tegen [betrokkene 1] dat hij meteen even ergens (onverstaanbaar) langs rijdt en die vijf geeft. [betrokkene 1] zegt dat dat goed is. [verdachte] zegt: “Dan zijn we weer er door heen.” Vervolgens zegt [verdachte] dat hij een rooitje heeft opgehaald voor [betrokkene 1]. [betrokkene 1] zegt dat hij dat weet en daarna zegt [betrokkene 1]: ‘Ja, 52, compleet”, (bron 1.1, p. 201) Vervolgens zegt [betrokkene 1] iets onverstaanbaars waarop [verdachte] antwoordt: “Ja dat weet ik die zou vandaag komen. Maar ja dat kan niet toch. Die zie ik nog wel als het moet en anders morgen. Ga nou telefoontjes ophalen thuis, en even bij pakken...onverstaanbaar... stuur straks wel even, pak even telefoontjes op.. onverstaanbaar. Vervolgens praten ze verder over iets dat [verdachte] nog niet na heeft getrokken en het woord digitaal valt. [verdachte] heeft een jongen gezien en heeft kennelijk iets gehaald. [betrokkene 1] zegt dat ze even moeten kijken en dat het meer is, iets van 2 of 53 of 54, moet [verdachte] even tellen. [verdachte] zegt dat het nog niet door die dinge is gegooid en hij dat nog even moet doen. (bron 1.1, p. 203) Op 14 november 2013 omstreeks 12.29 uur komt [betrokkene 1] de antiekzaak binnen en vraagt aan zijn vader of [verdachte] is geweest. [betrokkene 7] zegt van niet (bron 1.1, p. 206). [betrokkene 1] zegt dat hij stom is geweest en zijn telefoontjes bij [verdachte] in de auto heeft laten liggen. [betrokkene 7] vraagt of hij [verdachte] even moet bellen. [betrokkene 1] zegt van niet en dat hij had verwacht dat [verdachte] wel zo slim was geweest om die telefoons af te gooien. [betrokkene 7] zegt dat [betrokkene 1] zijn telefoon kan nemen en vraagt of hij [verdachte] net een berichtje kan sturen of bellen. [betrokkene 1] zegt van niet. (bron 1.1, p. 207) Op 14 november 2013 omstreeks 13.28 uur komt [betrokkene 1] binnen. [betrokkene 1] verontschuldigt zich bij [betrokkene 13] en zegt dat hij het een beetje druk heeft. [T]egen [verdachte] zegt hij dat ze moeten gaan. [betrokkene 1] zegt tegen [verdachte] dat hij zijn telefoon bij hem in de auto heeft laten liggen. [verdachte] zegt dat hij dat niet wist maar dat hij dat net hoorde van [betrokkene 7]. [betrokkene 1] kon hem daarom niet bereiken. [betrokkene 13] komt er tussen en heeft het over staal en iets meegeven. [betrokkene 1], [betrokkene 13] en [verdachte] lopen het kantoor uit. (bron 1.1, p. 211) Op 15 november 2013 omstreeks 10.10 uur komen [betrokkene 1] en [verdachte] samen in de antiekzaak en vertrekken van daaruit naar de Dongenseweg in Dongen. Uit het gesprek is op te maken dat ze naar [betrokkene 6] rijden. Uit nader onderzoek is gebleken dat [betrokkene 6], geboren [geboortedatum] 1956 zich zeer vermoedelijk bezig houdt met antiekhandel en het opkopen van hennep (bron 1.1, p. 215). Verder blijkt die dag dat [verdachte] en [betrokkene 1] die avond bij [F] (restaurant) hebben gereserveerd (bron 1.1, p. 216). Op 13 december 2013 omstreeks 17.10 uur zijn [betrokkene 1] en [verdachte] samen in de antiekzaak. [betrokkene 1] heeft het over klokken en dat ze die andere toch niet om doet. Nu heeft hij ze omgeruild en is het toch goed. Verder over afspraken die [verdachte] kennelijk heeft lopen en wisselen beiden informatie uit over zaken die spelen. [betrokkene 1] vraagt onder meer of [verdachte] het nummer van die jongen heeft. [verdachte] vraagt aan [betrokkene 1]: “Dan kwam hij zeker van de dinges af hoe heet dat, die kampert uit Den Haag.” Ze zeggen nog iets tegen elkaar maar dit is niet te verstaan. [betrokkene 1] zegt iets tegen [verdachte] of hij ergens naar toe gaat, waar naar toe is niet te verstaan. [verdachte] zegt dat die nu op hem zit te wachten. 3 stukjes ophalen zegt [verdachte]. [betrokkene 1] vraagt of [verdachte] het nummer van die jongen heeft. [verdachte] zegt dat hij dat heeft, maar dat die jongen zijn telefoon uit heeft staan. [verdachte] zegt dat het maandag wordt. [verdachte] en [betrokkene 1] praten zo zacht met elkaar dat het niet te verstaan is. [betrokkene 1] zegt iets over wat ze vandaag of morgen krijgen. [verdachte] vraagt of het negen was. Omstreeks 17.20 uur zegt [verdachte] dat hij zo moet gaan, omdat hij bij dingetje moet zijn en [verdachte] vraagt wat hij nog meer tegen “hem” moet zeggen. [verdachte] staat op en wenst [betrokkene 7] een fijn weekend en zegt dat hij morgen misschien nog wel even binnen loopt. Dat vindt [betrokkene 7] fijn. [verdachte] zegt: “[betrokkene 1]... ik ben naar Sjakie toe.” Ja zegt [betrokkene 1]. Dan vertrekt [verdachte], (bron 1.1, p. 218) Op 14 december 2013 omstreeks 15.06 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen. Uit het gesprek blijkt dat hij bij [betrokkene 7] telefoontjes af komt geven die voor [betrokkene 1] bestemd zijn. (bron 1.1, p. 220) Op 20 december 2013 is [betrokkene 1] in de antiekzaak en voert een gesprek met [betrokkene 7]. Hij vertelt dat hij twee weken geleden in het Holiday Inn hotel was, samen met [verdachte] en nog een man. [betrokkene 1] heeft daar drie whisky besteld en moest 133 euro afrekenen. Voorts gaat het gesprek over geld. Er vindt een discussie plaats waaruit blijkt dat [betrokkene 1] kennelijk aan iemand 5000 euro teveel heeft betaald. Er worden meerdere bedragen genoemd. [betrokkene 7] zegt op enig moment in het gesprek: ‘Dat moest eigenlijk 17 half zijn en toen heb jij nog 2500 gegeven. Die heb jij in je zak ehh want die wou jij eerst aan mij geven want toen zei jij die komt [verdachte] (fon) ophalen. Toen zei jij van ehh oh die zie ik vanmiddag zelf nog wel. Dan heb jij dat geld gepakt en toen werd 17 half, 12 en een half.” Met “[verdachte]” wordt zeer vermoedelijk [verdachte] bedoeld. Verderop in het gesprek zegt [betrokkene 7] namelijk: “Ja ik zei tegen [verdachte] al van dat vind ik zo vervelend altijd he. Ik heb nog nooit zoiets gehad. Het is van jou maar het is toch ehh ik vind het zelf ook vervelend.’ (bron 1.1, p. 222) Op 15 januari 2014 omstreeks 16.21 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen en zegt: “Dit kwam ik jou even brengen. Ik speel voor postbode vandaag.” [betrokkene 7] zegt oké en bedankt [verdachte]. [verdachte] vraagt of [betrokkene 7] nog iets moet hebben toevallig. Vervolgens verlaten [verdachte] en [betrokkene 7] het vertrek. (bron 1.1, p. 227) Omstreeks 16.37 uur zijn [betrokkene 7] en [verdachte] weer terug in het kantoor. [verdachte] zegt dat “ze” bij [betrokkene 14] zijn geweest en dat het te maken heeft met dat knokken. [verdachte] zegt dat zij daarna bij hem is geweest en dat hij “hem” gestuurd heeft (bron 1.1, p. 229) Op 21 januari 2014 omstreeks 16.55 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen en voert een gesprek met [betrokkene 7]. [verdachte] vraagt aan [betrokkene 7] of er nog vervelende mensen zijn geweest, waarop [betrokkene 7] zegt van niet. [verdachte] zegt dat er bij hem toevallig twee aan de deur stonden die zeiden dat ze al een paar keer bij “hem” waren geweest, maar dat “hij” er niet is. [verdachte] zegt dat hij heeft gezegd dat “hij” voorlopig niet terug komt ook. Uit het vervolg van het gesprek blijkt dat [betrokkene 1] wordt bedoeld. Voorts blijkt dat [betrokkene 7] kennelijk niet weet hoe zijn eigen zoon en er in Spanje bij zit. [verdachte] vertelt namelijk tegen [betrokkene 7] dat [betrokkene 1] een appartement heeft gehuurd in Marbella en bezig is met inrichten. [verdachte] vertelt dat [betrokkene 14] nu daar is. [verdachte] zegt dat [betrokkene 1] iedere keer een paar weken daar zit en het goedkoper is dan steeds een hotel pakken. [verdachte] zegt tegen [betrokkene 7] dat ze elkaar wel zien als er iets spannends is en dat “hij” ([betrokkene 1]) vrijdag weer terug is. (bron 1.1, p. 231) Op vrijdag 24 januari 2014 blijkt dat [betrokkene 1] terug is uit Spanje en samen met [verdachte] in de antiekzaak is. Gesprek over nieuwe klok (horloge) die [verdachte] heeft besteld en waar [betrokkene 1] voor moet zorgen. Even later verlaten [betrokkene 1] en [verdachte] samen de antiekzaak (bron 1.1, p. 233) Op zaterdag 25 januari 2014 zijn [betrokkene 1] en [verdachte] in de antiekzaak. Ze praten samen over een box nummer, iets sturen naar mensen, aantallen worden genoemd en een prijsopgaaf. (bron 1.1, p. 236-237) Voorts wordt tussen beiden gesproken over iemand die een adres heeft door gegeven. Volgens [verdachte] is het niet die jongen waar ze toen thuis ‘s nachts hebben gezeten. [betrokkene 1] zegt tegen [verdachte]: “Dinge stuurt jou box ja voor die 28. Geeft ie maandag aan jou weer terug.” [betrokkene 1] en [verdachte] verlaten samen de antiekzaak (bron 1.1, p. 240). Op dinsdag 28 januari 2014 [w]ordt [betrokkene 1] aangehouden door de lokale politie als verdachte van zware mishandeling en wordt in verzekering gesteld voor de duur van drie dagen. Op 30 januari 2014 komt [verdachte] in de antiekzaak en praat met [betrokkene 7] over de aanhouding en hechtenis van [betrokkene 1]. [betrokkene 7] zegt dat hij twee telefoontjes van [betrokkene 1] heeft liggen en vraagt of [verdachte] die moet hebben. [verdachte] zegt van niet omdat hij een klein probleempje heeft gehad en legt uit wat er gebeurd is. [verdachte] doelt kennelijk op de observatie die op 28 januari 2014 op hem heeft plaatsgevonden. [verdachte] heeft thuis alles opgeruimd en doet een paar weken rustig aan (bron 1.1, p. 243). Opgemerkt wordt dat [verdachte] op 28 januari 2014 door een observatieteam werd geobserveerd. Gezien werd dat hij in zijn Opel Vivaro zeer vermoedelijk in Hoorn/Zwaag een partij verdovende middelen heeft opgehaald en daar mee terug is gereden naar Eindhoven. Uit het onderzoek is gebleken dat [verdachte] gedurende die dag zeer vermoedelijk op enig moment deze observatie heeft opgemerkt, (bron 1.1, p. 307 ev). Op 30 januari 2014 omstreeks 13.53 uur vindt er een gesprek plaats tussen [betrokkene 7] en een NNman. Uit het gesprek blijkt dat [verdachte] die ochtend een envelop met vermoedelijk geld heeft afgegeven aan [betrokkene 7], (bron 1.1, p. 247) Op 1 februari 2014 omstreeks 15.29 uur is [betrokkene 1] in de antiekzaak en komt [verdachte] binnen. Gesprek over contact opnemen met [betrokkene 6] de kabouter (opmerking verbalisant: [betrokkene 6] uit [plaats]) (bron 1.1, p. 249). Op 4 februari 2014 omstreeks 15.00 uur is [betrokkene 1] in de antiekzaak (bron 1,1, p. 255). Op 15:20 uur komt [verdachte] binnen en heeft een gesprek met [betrokkene 1]. Uit het gesprek is af te leiden dat ze vermoedelijk bezig zijn om aantekeningen van zaken die afgewerkt zijn te vernietigen, waarbij [betrokkene 1] aan [verdachte] instructies geeft. [betrokkene 1] zegt onder meer dat [verdachte] het meteen weg moet doen en niet weer drie maanden moet laten liggen. Verderop in het gesprek zegt [betrokkene 1]: ‘Hij heeft dat geteld en dat geteld, ik zeg ja hij moet zelf weten wat hij telt. Ik zeg maar ik heb niks met andere mensen te maken. Ik zeg ik heb alleen iets met jou te maken. Als gij dat toe geeft aan andere mensen, zeg zal ik van de week bij jou ook eens iets doen. Ik zeg als jij toch zo makkelijk bent en iedereen kan je maar afschuiven dan doe ik dat van de week ook bij jou. Toen was hij toch in één keer terug. Ik zeg maar als jij dat zo wil berekenen, ik zeg doe ik Met jou nooit niks meer.” (bron 1.1, p. 256) Omstreeks 15.50 uur verlaat [verdachte] de antiekzaak. [betrokkene 1] zegt dat hij [verdachte] om 18.00 uur ziet (bron 1.1, p. 260) Op 8 februari 2014 omstreeks 13.19 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen en vraagt naar [betrokkene 7], (opmerking verbalisant: [betrokkene 1] bevindt zich dan in Spanje). Vervolgens vindt er een onduidelijk gesprek plaats tussen [verdachte] en [betrokkene 7], waarin [betrokkene 7] zegt dat [verdachte] zelf maar even langs sinterklaas moet gaan en de boel de boel moet doen. (bron 1,1, p. 262) Op 12 februari 2014 omstreeks 14.45 uur is [verdachte] in de antiekzaak en vraagt of [betrokkene 7] toevallig nog iets in de buurt heeft, (opmerking verbalisant: [betrokkene 1] bevindt zich dan in Spanje en [verdachte] komt vermoedelijk geld ophalen). [betrokkene 7] zegt van niet en vraagt of ze even moeten gaan rijden. [verdachte] zegt dat hij het pas vanavond nodig heeft. [betrokkene 7] zegt dat hij hier niks heeft en zegt dat hij wel even met [verdachte] mee kan rijden. [verdachte] zegt beter van niet. [betrokkene 7] zegt: “Hij heeft het zelf weg gelegd natuurlijk, ik weet wel waar het ligt.” Vervolgens vraagt [betrokkene 7]: “Vanavond dus”. [verdachte] zegt: “Ja. Als het zou kunnen wel. En dan ehh even kijken, vijfenveertig

(45). Die twee moet jij eventjes bijhouden want dat komt die man van dat briefje ophalen. Maar ik probeer er morgen zelf bij te zijn om elf uur. Dan ben ik hier. Maar goed, dat zien we later.” [betrokkene 7] zegt: “Een doosje en dan komt het allemaal goed he.” Vervolgens vertrekt [verdachte], (bron 1.1, p. 263) Op 13 februari 2014 omstreeks 16.10 uur komen [verdachte] en [betrokkene 7] de antiekzaak binnen. Uit het gesprek blijkt dat [verdachte] geld, zeer vermoedelijk 90.000 euro, op komt halen bij [betrokkene 7]. [betrokkene 1] bevindt zich die dag nog in Spanje. Vanaf 16.12 uur zijn er ping geluiden hoorbaar zeer vermoedelijk van de telefoon van [verdachte]. Uit het gesprek dat volgt is af te leiden dat [betrokkene 1] aan [verdachte] vraagt om een boeket van 30 rode rozen te regelen voor [betrokkene 14] in verband met Valentijnsdag. (bron 1.1, p. 265-266) Verder blijkt uit het gesprek dat [verdachte] op de hoogte is dat [betrokkene 1] die avond omstreeks 23.00 uur terug is uit Spanje, (bron 1.1, p. 267) Op 21 februari 2014 is [betrokkene 1] in de antiekzaak als omstreeks 10.45 uur [verdachte] binnenkomt. [betrokkene 1] vraagt of [verdachte] [w]eer aan het werk is. [verdachte] zegt dat [betrokkene 1] nog 10 minuten heeft, waarna ze samen de antiekzaak uitlopen. (bron 1.1, p. 268) Op 21 februari 2014 omstreeks 11.47 uur komt [betrokkene 8], voornoemd, de antiekzaak binnen. [betrokkene 8] vraagt of ”ze” het nummer nog hebben opgehaald, omdat hij nog niemand heeft gehoord. [betrokkene 8] vraagt aan wie [betrokkene 7] het nummer gegeven heeft, waarop [betrokkene 7] zegt dat hij het nummer aan [verdachte] heeft gegeven. [betrokkene 8] vraagt naar [betrokkene 1]. [betrokkene 7] zegt dat die er vanmiddag misschien weer is. Uit het gesprek blijkt dat [betrokkene 8] denkt dat hij enkele weken geleden het nummer verkeerd heeft doorgegeven. Vervolgens herhaalt [betrokkene 8] het telefoonnummer [telefoonnummer 12]. (bron 1.1, p. 270) [betrokkene 8] vraagt aan [betrokkene 7] het nummer door te geven. [betrokkene 7] zegt dat hij dat zal doen en wijst [betrokkene 8] een eettentje op het pleintje (bron 1.1, p. 271). Op 21 februari 2014 omstreeks 12.55 uur komen [betrokkene 1] en [verdachte] de antiekzaak binnen. [betrokkene 7] zegt dat [betrokkene 8] uit Spanje hier is en dat hij even diens nummer aan [betrokkene 1] zal geven. [verdachte] zegt dat hij het nummer de eerste keer heeft opgeschreven. Omstreeks 13.17 uur zegt [betrokkene 1] dat hij nu naar [betrokkene 8] toe gaat. (bron 1.1, p. 275) Op 21 februari 2014 omstreeks 15.22 uur zijn [betrokkene 1] en [verdachte] in de antiekzaak. [betrokkene 1] en [verdachte] praten zacht tegen elkaar en uit het gesprek is af te leiden dat [betrokkene 1] instructies geeft aan [verdachte]. Er wordt gesproken over iets voor maandag en [verdachte] zegt dat het geen probleem is en ze alles klaar hebben. [betrokkene 1] zegt dat hij het ook allemaal aan “hem” heeft uitgelegd en “hij” weet hoe en wat. [betrokkene 1] en [verdachte] verlaten samen de antiekzaak. (bron 1.1, p. 278-279) Op 15 maart 2014 omstreeks 10.17 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen en voert een gesprek met [betrokkene 7]. [betrokkene 1] bevindt zich op dat moment in Spanje. Uit het gesprek blijkt dat [verdachte] een aanzienlijk geldbedrag van [betrokkene 1] op komt halen bij [betrokkene 7]. Er ligt kennelijk geld van [betrokkene 1] in de antiekzaak en bij [betrokkene 7] thuis. Voorts is uit het gesprek af te leiden dat [verdachte] weet hoeveel geld er ligt. Er wordt gesproken over biljetten van 20,100 en 500 en verschillende stapels. Er wordt gesproken over het feit dat er veel twintigers (bankbiljetten van 20 euro) zijn en ze daar nog niet vanaf zijn. [verdachte] doet alles in een doos en geeft die zo aan die jongen. [betrokkene 7] zegt dat er hij van vijfhonderd, honderd en twintig heeft bijgedaan (bron 1.1, p. 281-282) Op 31 maart 2014 omstreeks 16.06 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen. [verdachte] zegt dat [betrokkene 1] naar Arnhem is, even zijn auto na laten kijken en iets ophalen. [verdachte] zegt: “die stuurde mij net dus die zal wel om een uur of zeven terug zijn.” (bron 1.1, p. 285) Op 3 april 2014 omstreeks 12.57 uur bevindt [betrokkene 1] zich in de antiekzaak en voert een gesprek met een persoon genaamd [betrokkene 15]. Uit dit gesprek is af te leiden dat [betrokkene 1] en [verdachte] samen in de handel zitten en er kennelijk sprake is van een partij die de zaak bedriegt. Er wordt gesproken over geldbedragen en dat de andere partij heeft gelogen over de opbrengst. [betrokkene 1] zegt tijdens het gesprek op enig moment woordelijk: Nee maar snap je wat ik bedoel. Nou elke keer een beetje, in het begin was het wel en dinge... en dan zeg ik tegen [verdachte] laat maar want ik heb er toch nog wel wat tussen zitten, ik denk onverstaanbaar... gelukkig met ze, Maar ik weet wel meteen hoe het is. Maar dan is het voor mij klaar snap je. Ik vind het kinderachtig.” (bron 1.1, p. 287) Op 17 april 2014 omstreeks 14.02 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen. [betrokkene 7] zegt dat er jongens voor [betrokkene 1] kwamen, maar dat hij heeft gezegd dat [betrokkene 1] vertrokken was. [betrokkene 7] vraagt aan [verdachte] of [betrokkene 1] er toch is. [verdachte] zegt dat het vol zat en [betrokkene 1] dus vanavond via Amsterdam vertrekt (bron 1.1, p. 289). Uit het onderzoek is gebleken dat [betrokkene 1] die dag naar Malaga is gevlogen. Op 28 april 2014 omstreeks 17.20 uur komt [betrokkene 1] de antiekzaak binnen. Uit het gesprek met [betrokkene 7] blijkt dat [verdachte] eerder die week 5000 heeft afgegeven voor [betrokkene 1]. (bron 1.1, p. 290) Op 1 mei 2014 omstreeks 14.57 uur bevinden [betrokkene 7] en [betrokkene 1] zich in de antiekzaak. [betrokkene 7] vraagt of het nog gelukt is met het bestellen van een ticket. [betrokkene 1] zegt dat [verdachte] dat nu aan het doen is. (bron 1.1, p. 291) Op 3 mei 2014 omstreeks 13.57 uur is [betrokkene 1] in de antiekzaak en vertelt een verhaal dat hij een keer bij [verdachte] ‘s nachts het rolluik er af heeft getrokken, omdat hij [verdachte] nodig had en [verdachte] net deed of hij niet thuis was. (bron 1.1, p. 295) Op 6 mei 2014 omstreeks 11.32 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen. Het gesprek gaat over een klant van [betrokkene 7] die [verdachte] met een taxi naar Maastricht heeft laten brengen. De man had nogal wat vermogen en pondjes bij en [betrokkene 1] was vergeten dat door te geven aan [verdachte]. [verdachte] had zelf geen tijd omdat hij al twee afspraken en de kleine had. (bron 1.1, p. 296) Op 7 mei 2014 omstreeks 16.13 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen. [betrokkene 7] zegt: “He maat ben je al terug.” [verdachte] zegt: “Ja snel he.” Even later volgt er een gesprek over geld tussen [betrokkene 7] en [verdachte]. [verdachte] zegt dat hij eigenlijk moet wisselen als dat kan. [verdachte] zegt dat hier nog duizend ligt en hij nog iemand vijf moet geven. [betrokkene 7] vraagt of hij die veertig even moet pakken. [verdachte] zegt dat dit goed is als [betrokkene 7] dat heeft (bron 1.1, p. 298). Op 12 mei 2014 omstreeks 17.17 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen. [betrokkene 7] vraagt aan [verdachte] wanneer [betrokkene 1] terug komt uit Spanje. [verdachte] zegt dat hij ([betrokkene 1]) net iets stuurde dat hij op het vliegveld was. Ze denken dat [betrokkene 1] dinsdag terugkomt. (bron 1.1. p. 300) Op 14 mei 2014 omstreeks 11.28 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen. [betrokkene 1] is al aanwezig in de antiekzaak en zegt dat hij gisteravond is teruggekomen, (opmerking verbalisant: [betrokkene 1] heeft in de periode van 3 tot 13 mei 2014 in Spanje verbleven) Omstreeks 11.30 uur vraagt [verdachte] naar de container. [betrokkene 1] zegt dat ze dat zo wel doen. [betrokkene 1] vraagt hoe laat [verdachte] heeft afgesproken. [verdachte] zegt dat hij nog niets heeft afgesproken, eerst wacht tot hij het heeft en dan pas gaat rijden. Verderop in het gesprek zegt [betrokkene 1] dat hij wel een berichtje stuurt dat [verdachte] er om drie uur is. (bron 1.1, p. 303) Op 16 mei 2014 omstreeks 16.46 uur is [verdachte] in de antiekzaak en aan het telefoneren met ene [betrokkene 16]. [betrokkene 1] komt binnen, waarop [verdachte] zegt dat [betrokkene 1] het al gevonden heeft en het zelfs al in een envelop heeft gedaan. (bron 1.1, p. 304) Op 17 juni 2014 omstreeks 14.36 uur zijn [betrokkene 1] en [verdachte] in de antiekzaak. [betrokkene 1] vraagt aan [verdachte] of hij weet wie die Maarten is. [verdachte] zegt: Jawel, volgens mij heb ik hem gezien en zal er al wel zijn. [betrokkene 1] zegt dat ze dadelijk een hapje eten (bron 1.1, p. 305). sms-berichten d.d. 26 februari 2014 tussen [verdachte] als gebruiker van het Imeinummer [006] (bron 1.1 p. 623) en [betrokkene 3] als gebruiker van het nummer [telefoonnummer 15] (bron 1.1, p. 796): 12.44 uur ([verdachte] aan [betrokkene 3]) Ik lig lekker thuis op de bank haha. Ik kom zo wel even die kant op vriend (bron 1.7, p. 362) 12.46 uur ([betrokkene 3] aan [verdachte]) Lig je nog op de bank is 1 uur met je lui kont van de bank af mooi leven jij (bron 1.7, p. 362) 12.55 uur ([verdachte] aan [betrokkene 3]) Ha ha ha je moet op tijd rusten en de baas heb toch nog vakantie dus neem ik het er ook maar van ha ha ha (bron 1.7, p 362)” 16. Op grond van art. 359, derde lid, Sv moet de beslissing dat het ten laste gelegde feit door de verdachte is begaan, steunen op de inhoud van de in het arrest van het hof opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden welke bewijsmiddelen in het vonnis of op de voet van art. 365a, tweede lid, Sv in de daar bedoelde aanvulling, dienen te zijn opgenomen. Dit voorschrift geldt niet indien de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. In dat geval mag met een opgave van bewijsmiddelen worden volstaan, behoudens indien de verdachte nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit. Indien de rechter zich beroept op feiten of omstandigheden die door hem redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring maar die niet zijn vermeld in de in het vonnis of de in artikel 365a, tweede lid, Sv bedoelde aanvulling opgenomen bewijsmiddelen, moet de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (
  1. a)die feiten of omstandigheden aanduiden en (
  2. b)het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Als het daarbij gaat om feiten of omstandigheden die zijn vermeld in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, moeten die stukken ter terechtzitting zijn voorgelezen of moet daarvan daar de korte inhoud zijn medegedeeld. 17. De steller van het middel doet in de toelichting op het middel een beroep op HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:192, NJ 2021/110, m.nt. Vellinga. In die zaak klaagde de steller van het middel namens de medeverdachte [betrokkene 7] in cassatie eveneens over de wijze waarop het hof de redengevende feiten en omstandigheden had weergegeven. In die zaak ging het om het bewijs van (gewoonte)witwassen. Het hof had voor het bewijs van verdachtes wetenschap dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig waren vrijwel uitsluitend een beroep gedaan op ‘OVC-gesprekken’. De redengevende inhoud van deze OVC-gesprekken was niet opgenomen in het arrest van het hof of een aanvulling daarop. Het hof citeerde louter uit een deel van het loopproces-verbaal, dat conclusies van verbalisanten bevatte en samenvattingen van de OVC-gesprekken waaruit de verbalisanten deze conclusies trokken. De Hoge Raad oordeelde dat het hof “door op deze wijze het relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] in de aanvulling met bewijsmiddelen op te nemen” een verklaring heeft gebruikt die voor het bewijs ontoelaatbare conclusies inhoudt. Dit behoeft, zo vervolgde de Hoge Raad, niet onder alle omstandigheden tot cassatie te leiden, bijvoorbeeld als de door het hof gemaakte gevolgtrekkingen overeenkomen met de in de verklaring getrokken conclusies. In de toen voorliggende zaak had het hof niet de wettige bewijsmiddelen opgenomen waaraan het de voor die gevolgtrekking redengevende feiten en omstandigheden had ontleend. Evenmin had het hof met voldoende nauwkeurigheid naar die feiten en omstandigheden verwezen. De enkele vermelding dat het hof de inhoud van een relaas van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] waarin de onderzoeksresultaten – waaronder ook de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] – zijn weergegeven, heeft gecontroleerd en dat het hof zich met de daarin verwoorde interpretaties en conclusies kan verenigen, is daarvoor niet voldoende. Het oordeel van het hof was daarom ontoereikend gemotiveerd. 18. In de onderhavige zaak is het hof tot op zekere hoogte op een vergelijkbare wijze te werk gegaan. In de aanvulling op zijn verkorte arrest heeft het hof voorafgaand aan de gewraakte onderdelen overwogen dat het ten aanzien van het telefoongebruik van de verdachte en de opgenomen OVC-gesprekken de in samenvattende vorm weergegeven processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] tot uitgangspunt neemt. Het hof heeft daarnaast over het telefoongebruik overwogen de uit de bij het proces-verbaal van bevindingen over het telefoongebruik van de verdachte aangegeven bijlagen waaruit conclusies worden geformuleerd, te hebben gecontroleerd aan de hand van de bijgevoegde stukken. Het hof heeft geconstateerd dat “deze conclusie juiste gevolgtrekkingen zijn uit de in de bijlagen weergegeven bevindingen en informatie” en dat daarom kan worden volstaan met de concluderende weergave en interpretatie van de onderliggende stukken. Ten aanzien van de OVC-gesprekken heeft het hof de samenvattende inhoud gecontroleerd aan de hand van de bij het proces-verbaal gevoegde stukken van de OVC-gesprekken. Het hof heeft tussen beide “geen noemenswaardige verschillen” geconstateerd. Op grond hiervan heeft het hof volstaan met de samenvattende weergave en interpretatie van de onderliggende gesprekken. 19. Door de beschreven werkwijze bevat de bewijsvoering ook in de voorliggende zaak conclusies van verbalisanten. Het hof heeft tot uitdrukking gebracht dat die conclusies overeenkomen met de door het hof zelf uit de onderliggende stukken gemaakte gevolgtrekking. Ten aanzien van het gebruik van de telefoons schort het vooral aan voldoende mate van nauwkeurigheid in de verwijzingen naar de onderliggende bewijsmiddelen. Het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] maakt in het algemeen wel met voldoende nauwkeurigheid inzichtelijk welke feiten en omstandigheden de conclusie dragen dat de verdachte de gebruiker is van de desbetreffende telefoon(nummer)s. Het hof heeft in zoverre echter niet de wettige bewijsmiddelen opgenomen waaraan het deze redengevende feiten en omstandigheden heeft ontleend. Wel heeft het hof vindplaatsen in het dossier vermeld van deze wettige bewijsmiddelen, maar die verwijzingen zijn niet over de gehele linie voldoende nauwkeurig. Zo wordt een aantal keer in algemene zin verwezen naar ‘Tap en OVC gesprekken bijlage 2’. De weergave van de OVC-gesprekken in de aanvulling onder 4.4 bestaat in de kern uit een door de betrokken verbalisant gegeven samenvatting van de inhoud van die gesprekken. Die samenvattingen bevatten conclusies, waarvan niet steeds duidelijk is aan welke daartoe redengevende feiten en omstandigheden zij zijn ontleend. 20. De benadering van het hof maakt van de controle van de desbetreffende onderdelen van bewijsconstructie in cassatie een buitengewoon bewerkelijke exercitie. De bewijsvoering is daarmee geen toonbeeld van inzichtelijkheid. Mijn ambtgenoot Spronken heeft voorafgaand aan het arrest inzake de medeverdachte Van Sommen opgemerkt dat de wijze waarop het hof inhoud heeft gegeven aan het voorschrift van art. 359, derde lid, Sv niet voldoet aan de regelen der kunst. Zij merkt in dit verband ook op dat door de werkwijze die het hof heeft gevolgd een wezenlijke functie van de bewijsmotivering ondergesneeuwd is geraakt, te weten dat de rechter zich op controleerbare wijze ervan vergewist dat de beslissing dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan steunt op daartoe redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Dat bezwaar geldt ten dele ook voor de bewijsvoering in de onderhavige zaak. 21. Daarmee is nog niet gezegd dat de geconstateerde gebreken in de bewijsconstructie ook in de onderhavige zaak tot cassatie dienen te leiden. Een belangrijk verschil met de genoemde zaak waarin de Hoge Raad op 9 februari 2021 arrest wees, is gelegen in het belang van de tot het bewijs gebezigde samenvattingen en conclusies voor de bewijsvoering als geheel. In die zaak waren conclusies van verbalisanten ten aanzien van de wetenschap van de verdachte over de handel in verdovende middelen door zijn zoon ten grondslag gelegd aan het bewijs dat de verdachte wetenschap droeg van de criminele herkomst van de geldbedragen. Die conclusies waren onvoldoende tot wettige bewijsmiddelen te herleiden. In de onderhavige zaak ligt dit anders. Het hof heeft in de onderhavige zaak in totaal ruim 200 pagina’s aan bewijsmiddelen opgenomen, die ten dele zelfstandig steun bieden aan het bewijs dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, zoals onder 4 bewezen is verklaard. 22. In zijn rechtspraak over de toepassing van art. 80a RO heeft de Hoge Raad beslist dat bepaalde gebreken in de bewijsmotivering die voorafgaand aan de invoering van die bepaling grond voor vernietiging vormden, zich voortaan voor toepassing van art. 80a RO lenen. Dat is onder meer het geval wanneer de bewezenverklaring, ook als een gebrek in de bewijsvoering wordt weggedacht, zonder meer toereikend is gemotiveerd. Zonder het belang van de vaststelling van de door de verdachte gebruikte telefoon(nummer)s in de bewijsconstructie te willen relativeren, meen ik dat ook zonder deze vaststelling én zonder paragraaf 4.4 van de aanvulling ter zake van de OVC-gesprekken in de antiekzaak, de gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring van feit 4 kunnen dragen. Ook als die onderdelen uit de bewijsconstructie worden weggedacht, heeft het hof immers uit de resterende bewijsmiddelen zonder meer kunnen afleiden dat sprake is geweest van een criminele organisatie met het oogmerk op de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven, alsmede dat de verdachte aan deze organisatie heeft deelgenomen. Ik zal de bewijsvoering die overblijft als de gebrekkige onderdelen daaruit worden weggedacht gelet op de omvang daarvan niet integraal weergeven of bespreken. Ik beperk mij tot het belichten van elementen van de bewijsvoering die leiden tot het oordeel dat de bewezenverklaring van feit 4 uit de resterende bewijsvoering kan worden afgeleid. 23. Voordat ik nader inga op de bewijsvoering die specifiek betrekking heeft op de onder 4 bewezen verklaarde deelneming aan een criminele organisatie, merk ik het volgende op. Het hof heeft bewezen verklaard dat het oogmerk van de criminele organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen onder meer was gericht op het buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen als bedoeld in lijst 1 bij de Opiumwet. Deze veroordeling staat niet op zichzelf. Het hof heeft de verdachte voorts onder meer veroordeeld tot het op tijdstippen die zijn gelegen in de onder 4 bewezen verklaarde periode in Nederland en het Verenigd Koninkrijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van “telkens hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne, zijnde MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I” (feit 1). Tegen de bewezenverklaring van feit 1 wordt in cassatie niet opgekomen. Deze bewezenverklaring en de bewijsvoering ter zake sluiten aan bij de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde, zowel wat betreft de aard van de feiten en de betrokkenheid van de verdachte als ten aanzien van de mededaders met wie hij in dat verband samenwerkte. Het hof heeft in dit verband vastgesteld dat “het crimineel samenwerkingsverband waarvan [betrokkene 1] en [verdachte] deel uitmaken, geregeld partijen verdovende middelen naar Groot-Brittannië vervoerde” en dat met name de verdachte in dit verband een actieve rol vervulde. 24. Ten aanzien van de bewijsvoering van feit 4 valt te wijzen op de OVC-gesprekken waarvan niet is bestreden dat zij op de in de wet voorgeschreven wijze in de aanvulling op de bestreden uitspraak zijn opgenomen. De aanvulling op het verkorte arrest bevat niet alleen samenvattingen van en gevolgtrekkingen uit OVC-gesprekken in de antiekzaak, zoals hiervoor weergegeven onder 15. Het hof bezigt ook bewijsmiddelen waarvan de inhoud in overeenstemming met art. 359, derde lid, Sv de integrale weergave van een OVC-gesprek behelst. Deze OVC-gesprekken betreffen deels dezelfde gesprekken uit de antiekzaak waaraan het hof in de bestreden onderdelen van de bewijsmotivering refereert. Uit de bewijsoverwegingen van het hof blijkt dat het hof voor zijn vaststelling van het bestaan van een criminele organisatie, waaraan [betrokkene 1] leiding gaf, in het bijzonder belang heeft gehecht aan een OVC-gesprek dat plaatsvond op 22 mei 2014. De relevante onderdelen van dit gesprek zijn op de voorgeschreven wijze weergegeven in de aanvulling op het arrest. Uit de inhoud van dit gesprek heeft het hof niet onbegrijpelijk afgeleid dat [betrokkene 1] onder meer praat over de export van verdovende middelen. Het hof heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat wordt gesproken over het verpakken en transporteren van verdovende middelen, over de inbeslagname van een partij verdovende middelen, over grote geldbedragen, over de productie van en handel in synthetische drugs en over het feit dat [betrokkene 1] ‘in hennep’ doet. Het hof ontleent aan dat gesprek tevens “een goede indicatie” ten aanzien van de hoogte van de met die handel gemoeide geldbedragen. In dat gesprek wordt de naam van de verdachte genoemd. In de bewijsoverwegingen refereert het hof daarnaast ook in het bijzonder aan een OVC-gesprek van 1 mei 2014, waaraan onder meer [betrokkene 1] en de verdachte deelnamen. De inhoud van dit gesprek is in de aanvulling op het verkorte arrest eveneens volgens de regelen der kunst weergegeven. Uit observaties op de locatie waar het bewuste gesprek plaatshad, blijkt dat het daadwerkelijk de verdachte was die aan dit gesprek deelnam. Het hof heeft niet onbegrijpelijk acht geslagen op de “criminele context” van dit gesprek. 25. In dit verband kan ook worden gewezen op de uitwerkingen van OVC-gesprekken uit de antiekzaak die in de aanvulling op het verkorte arrest zijn opgenomen onder ‘4.5 Gesprekken antiekzaak [A]’. Zo is sprake van een gesprek van 11 oktober 2013, waaraan onder meer de verdachte deelnam en waarin wordt gesproken over verdovende middelen. In een gesprek van 14 oktober 2013 waaraan de verdachte niet deelnam, wordt kennelijk verhullende taal gebezigd en wordt de naam van de verdachte in dat verband in samenhang met die van [betrokkene 1] genoemd. Ook gesprekken die zijn opgenomen op 24 oktober 2013, 6 november 2013, 30 januari 2014, 15 maart 2014 en 7 mei 2014, waarbij de verdachte aanwezig was, bieden steun aan het oordeel van het hof dat de verdachte deelnam aan de criminele organisatie. Daarin wordt gesproken over handel en wordt verhullende taal gebezigd. De verdachte noemt de medeverdachte [betrokkene 1] “leider” en heeft het over dozen die zijn afgerekend waarbij het ging om materiaal dat “chemisch” ruikt. [betrokkene 1] en de verdachte praten over winst en de verdachte zegt onder meer tegen [betrokkene 1]: “In jouw tas, zit helemaal vol, voor in het binnenvak, als je de grote rits open doet, zitten allemaal elastiekjes in van degene die ik er in heb gegooid hij heeft alles jongen, hoeft alleen nog maar een telmachine in”. In een gesprek van de verdachte met [betrokkene 7] wordt gesproken over twee telefoons van de medeverdachte [betrokkene 1] die de verdachte “even” niet kan hebben omdat hij is achtervolgd door drie auto’s. Een daarvan heeft hij laten natrekken. Omdat ze maar één dag achter hem aanzaten, heeft hij de dag ervoor de “dingen” gedaan die hij moest doen, hij heeft “handel” gedaan en doet nu twee weken rustig. Thuis had hij alles opgeruimd. Uit andere gesprekken heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat [betrokkene 7] en de verdachte grote hoeveelheden geld telden en dat de verdachte geld ophaalde. De verdachte had geld opgehaald voor [betrokkene 1]. Het door het hof in zijn bewijsoverwegingen aangehaalde OVC-gesprek van 4 november 2013 waarin [betrokkene 1] tegen de verdachte zegt “Wij zijn toch de cannaclub”, is in zoverre eveneens op de voorgeschreven wijze onder de bewijsmiddelen opgenomen. 26. De gerichtheid van de organisatie op onder meer (de voorbereiding van) de productie van synthetische drugs blijkt daarnaast uit de bevindingen bij de doorzoeking van een opslagruimte op de adressen [i-straat 1] te Best en [f-straat 2] te Best. Van de vele aan opiumdelicten gerelateerde goederen die aldaar werden aangetroffen, bleek bovendien een aantal in verband te kunnen worden gebracht met chauffeurs [betrokkene 17] en [betrokkene 4], die beiden zijn aangehouden toen zij harddrugs exporteerden naar het Verenigd Koninkrijk. Daarbij gaat het om de uitvoer van verdovende middelen die eveneens onder 1 is bewezen verklaard en waarbij het hof – in cassatie onbestreden – heeft vastgesteld dat deze plaatsvond in het kader van “het crimineel samenwerkingsverband waarvan [betrokkene 1] en [verdachte] deel uitmaken”. 27. W

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.