PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer19/00487 Zitting 22 juni 2021 CONCLUSIE F.W. Bleichrodt In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, hierna: de verdachte. Het cassatieberoep De verdachte is bij arrest van 28 januari 2019 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 4. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, derde lid van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en 5. “van het plegen van witwassen een gewoonte maken en medeplegen van witwassen en medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(
(45). Die twee moet jij eventjes bijhouden want dat komt die man van dat briefje ophalen. Maar ik probeer er morgen zelf bij te zijn om elf uur. Dan ben ik hier. Maar goed, dat zien we later.” [betrokkene 7] zegt: “Een doosje en dan komt het allemaal goed he.” Vervolgens vertrekt [verdachte], (bron 1.1, p. 263) Op 13 februari 2014 omstreeks 16.10 uur komen [verdachte] en [betrokkene 7] de antiekzaak binnen. Uit het gesprek blijkt dat [verdachte] geld, zeer vermoedelijk 90.000 euro, op komt halen bij [betrokkene 7]. [betrokkene 1] bevindt zich die dag nog in Spanje. Vanaf 16.12 uur zijn er ping geluiden hoorbaar zeer vermoedelijk van de telefoon van [verdachte]. Uit het gesprek dat volgt is af te leiden dat [betrokkene 1] aan [verdachte] vraagt om een boeket van 30 rode rozen te regelen voor [betrokkene 14] in verband met Valentijnsdag. (bron 1.1, p. 265-266) Verder blijkt uit het gesprek dat [verdachte] op de hoogte is dat [betrokkene 1] die avond omstreeks 23.00 uur terug is uit Spanje, (bron 1.1, p. 267) Op 21 februari 2014 is [betrokkene 1] in de antiekzaak als omstreeks 10.45 uur [verdachte] binnenkomt. [betrokkene 1] vraagt of [verdachte] [w]eer aan het werk is. [verdachte] zegt dat [betrokkene 1] nog 10 minuten heeft, waarna ze samen de antiekzaak uitlopen. (bron 1.1, p. 268) Op 21 februari 2014 omstreeks 11.47 uur komt [betrokkene 8], voornoemd, de antiekzaak binnen. [betrokkene 8] vraagt of ”ze” het nummer nog hebben opgehaald, omdat hij nog niemand heeft gehoord. [betrokkene 8] vraagt aan wie [betrokkene 7] het nummer gegeven heeft, waarop [betrokkene 7] zegt dat hij het nummer aan [verdachte] heeft gegeven. [betrokkene 8] vraagt naar [betrokkene 1]. [betrokkene 7] zegt dat die er vanmiddag misschien weer is. Uit het gesprek blijkt dat [betrokkene 8] denkt dat hij enkele weken geleden het nummer verkeerd heeft doorgegeven. Vervolgens herhaalt [betrokkene 8] het telefoonnummer [telefoonnummer 12]. (bron 1.1, p. 270) [betrokkene 8] vraagt aan [betrokkene 7] het nummer door te geven. [betrokkene 7] zegt dat hij dat zal doen en wijst [betrokkene 8] een eettentje op het pleintje (bron 1.1, p. 271). Op 21 februari 2014 omstreeks 12.55 uur komen [betrokkene 1] en [verdachte] de antiekzaak binnen. [betrokkene 7] zegt dat [betrokkene 8] uit Spanje hier is en dat hij even diens nummer aan [betrokkene 1] zal geven. [verdachte] zegt dat hij het nummer de eerste keer heeft opgeschreven. Omstreeks 13.17 uur zegt [betrokkene 1] dat hij nu naar [betrokkene 8] toe gaat. (bron 1.1, p. 275) Op 21 februari 2014 omstreeks 15.22 uur zijn [betrokkene 1] en [verdachte] in de antiekzaak. [betrokkene 1] en [verdachte] praten zacht tegen elkaar en uit het gesprek is af te leiden dat [betrokkene 1] instructies geeft aan [verdachte]. Er wordt gesproken over iets voor maandag en [verdachte] zegt dat het geen probleem is en ze alles klaar hebben. [betrokkene 1] zegt dat hij het ook allemaal aan “hem” heeft uitgelegd en “hij” weet hoe en wat. [betrokkene 1] en [verdachte] verlaten samen de antiekzaak. (bron 1.1, p. 278-279) Op 15 maart 2014 omstreeks 10.17 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen en voert een gesprek met [betrokkene 7]. [betrokkene 1] bevindt zich op dat moment in Spanje. Uit het gesprek blijkt dat [verdachte] een aanzienlijk geldbedrag van [betrokkene 1] op komt halen bij [betrokkene 7]. Er ligt kennelijk geld van [betrokkene 1] in de antiekzaak en bij [betrokkene 7] thuis. Voorts is uit het gesprek af te leiden dat [verdachte] weet hoeveel geld er ligt. Er wordt gesproken over biljetten van 20,100 en 500 en verschillende stapels. Er wordt gesproken over het feit dat er veel twintigers (bankbiljetten van 20 euro) zijn en ze daar nog niet vanaf zijn. [verdachte] doet alles in een doos en geeft die zo aan die jongen. [betrokkene 7] zegt dat er hij van vijfhonderd, honderd en twintig heeft bijgedaan (bron 1.1, p. 281-282) Op 31 maart 2014 omstreeks 16.06 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen. [verdachte] zegt dat [betrokkene 1] naar Arnhem is, even zijn auto na laten kijken en iets ophalen. [verdachte] zegt: “die stuurde mij net dus die zal wel om een uur of zeven terug zijn.” (bron 1.1, p. 285) Op 3 april 2014 omstreeks 12.57 uur bevindt [betrokkene 1] zich in de antiekzaak en voert een gesprek met een persoon genaamd [betrokkene 15]. Uit dit gesprek is af te leiden dat [betrokkene 1] en [verdachte] samen in de handel zitten en er kennelijk sprake is van een partij die de zaak bedriegt. Er wordt gesproken over geldbedragen en dat de andere partij heeft gelogen over de opbrengst. [betrokkene 1] zegt tijdens het gesprek op enig moment woordelijk: Nee maar snap je wat ik bedoel. Nou elke keer een beetje, in het begin was het wel en dinge... en dan zeg ik tegen [verdachte] laat maar want ik heb er toch nog wel wat tussen zitten, ik denk onverstaanbaar... gelukkig met ze, Maar ik weet wel meteen hoe het is. Maar dan is het voor mij klaar snap je. Ik vind het kinderachtig.” (bron 1.1, p. 287) Op 17 april 2014 omstreeks 14.02 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen. [betrokkene 7] zegt dat er jongens voor [betrokkene 1] kwamen, maar dat hij heeft gezegd dat [betrokkene 1] vertrokken was. [betrokkene 7] vraagt aan [verdachte] of [betrokkene 1] er toch is. [verdachte] zegt dat het vol zat en [betrokkene 1] dus vanavond via Amsterdam vertrekt (bron 1.1, p. 289). Uit het onderzoek is gebleken dat [betrokkene 1] die dag naar Malaga is gevlogen. Op 28 april 2014 omstreeks 17.20 uur komt [betrokkene 1] de antiekzaak binnen. Uit het gesprek met [betrokkene 7] blijkt dat [verdachte] eerder die week 5000 heeft afgegeven voor [betrokkene 1]. (bron 1.1, p. 290) Op 1 mei 2014 omstreeks 14.57 uur bevinden [betrokkene 7] en [betrokkene 1] zich in de antiekzaak. [betrokkene 7] vraagt of het nog gelukt is met het bestellen van een ticket. [betrokkene 1] zegt dat [verdachte] dat nu aan het doen is. (bron 1.1, p. 291) Op 3 mei 2014 omstreeks 13.57 uur is [betrokkene 1] in de antiekzaak en vertelt een verhaal dat hij een keer bij [verdachte] ‘s nachts het rolluik er af heeft getrokken, omdat hij [verdachte] nodig had en [verdachte] net deed of hij niet thuis was. (bron 1.1, p. 295) Op 6 mei 2014 omstreeks 11.32 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen. Het gesprek gaat over een klant van [betrokkene 7] die [verdachte] met een taxi naar Maastricht heeft laten brengen. De man had nogal wat vermogen en pondjes bij en [betrokkene 1] was vergeten dat door te geven aan [verdachte]. [verdachte] had zelf geen tijd omdat hij al twee afspraken en de kleine had. (bron 1.1, p. 296) Op 7 mei 2014 omstreeks 16.13 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen. [betrokkene 7] zegt: “He maat ben je al terug.” [verdachte] zegt: “Ja snel he.” Even later volgt er een gesprek over geld tussen [betrokkene 7] en [verdachte]. [verdachte] zegt dat hij eigenlijk moet wisselen als dat kan. [verdachte] zegt dat hier nog duizend ligt en hij nog iemand vijf moet geven. [betrokkene 7] vraagt of hij die veertig even moet pakken. [verdachte] zegt dat dit goed is als [betrokkene 7] dat heeft (bron 1.1, p. 298). Op 12 mei 2014 omstreeks 17.17 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen. [betrokkene 7] vraagt aan [verdachte] wanneer [betrokkene 1] terug komt uit Spanje. [verdachte] zegt dat hij ([betrokkene 1]) net iets stuurde dat hij op het vliegveld was. Ze denken dat [betrokkene 1] dinsdag terugkomt. (bron 1.1. p. 300) Op 14 mei 2014 omstreeks 11.28 uur komt [verdachte] de antiekzaak binnen. [betrokkene 1] is al aanwezig in de antiekzaak en zegt dat hij gisteravond is teruggekomen, (opmerking verbalisant: [betrokkene 1] heeft in de periode van 3 tot 13 mei 2014 in Spanje verbleven) Omstreeks 11.30 uur vraagt [verdachte] naar de container. [betrokkene 1] zegt dat ze dat zo wel doen. [betrokkene 1] vraagt hoe laat [verdachte] heeft afgesproken. [verdachte] zegt dat hij nog niets heeft afgesproken, eerst wacht tot hij het heeft en dan pas gaat rijden. Verderop in het gesprek zegt [betrokkene 1] dat hij wel een berichtje stuurt dat [verdachte] er om drie uur is. (bron 1.1, p. 303) Op 16 mei 2014 omstreeks 16.46 uur is [verdachte] in de antiekzaak en aan het telefoneren met ene [betrokkene 16]. [betrokkene 1] komt binnen, waarop [verdachte] zegt dat [betrokkene 1] het al gevonden heeft en het zelfs al in een envelop heeft gedaan. (bron 1.1, p. 304) Op 17 juni 2014 omstreeks 14.36 uur zijn [betrokkene 1] en [verdachte] in de antiekzaak. [betrokkene 1] vraagt aan [verdachte] of hij weet wie die Maarten is. [verdachte] zegt: Jawel, volgens mij heb ik hem gezien en zal er al wel zijn. [betrokkene 1] zegt dat ze dadelijk een hapje eten (bron 1.1, p. 305). sms-berichten d.d. 26 februari 2014 tussen [verdachte] als gebruiker van het Imeinummer [006] (bron 1.1 p. 623) en [betrokkene 3] als gebruiker van het nummer [telefoonnummer 15] (bron 1.1, p. 796): 12.44 uur ([verdachte] aan [betrokkene 3]) Ik lig lekker thuis op de bank haha. Ik kom zo wel even die kant op vriend (bron 1.7, p. 362) 12.46 uur ([betrokkene 3] aan [verdachte]) Lig je nog op de bank is 1 uur met je lui kont van de bank af mooi leven jij (bron 1.7, p. 362) 12.55 uur ([verdachte] aan [betrokkene 3]) Ha ha ha je moet op tijd rusten en de baas heb toch nog vakantie dus neem ik het er ook maar van ha ha ha (bron 1.7, p 362)” 16. Op grond van art. 359, derde lid, Sv moet de beslissing dat het ten laste gelegde feit door de verdachte is begaan, steunen op de inhoud van de in het arrest van het hof opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden welke bewijsmiddelen in het vonnis of op de voet van art. 365a, tweede lid, Sv in de daar bedoelde aanvulling, dienen te zijn opgenomen. Dit voorschrift geldt niet indien de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend. In dat geval mag met een opgave van bewijsmiddelen worden volstaan, behoudens indien de verdachte nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit. Indien de rechter zich beroept op feiten of omstandigheden die door hem redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring maar die niet zijn vermeld in de in het vonnis of de in artikel 365a, tweede lid, Sv bedoelde aanvulling opgenomen bewijsmiddelen, moet de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (
- a)die feiten of omstandigheden aanduiden en (
- b)het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Als het daarbij gaat om feiten of omstandigheden die zijn vermeld in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, moeten die stukken ter terechtzitting zijn voorgelezen of moet daarvan daar de korte inhoud zijn medegedeeld. 17. De steller van het middel doet in de toelichting op het middel een beroep op HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:192, NJ 2021/110, m.nt. Vellinga. In die zaak klaagde de steller van het middel namens de medeverdachte [betrokkene 7] in cassatie eveneens over de wijze waarop het hof de redengevende feiten en omstandigheden had weergegeven. In die zaak ging het om het bewijs van (gewoonte)witwassen. Het hof had voor het bewijs van verdachtes wetenschap dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig waren vrijwel uitsluitend een beroep gedaan op ‘OVC-gesprekken’. De redengevende inhoud van deze OVC-gesprekken was niet opgenomen in het arrest van het hof of een aanvulling daarop. Het hof citeerde louter uit een deel van het loopproces-verbaal, dat conclusies van verbalisanten bevatte en samenvattingen van de OVC-gesprekken waaruit de verbalisanten deze conclusies trokken. De Hoge Raad oordeelde dat het hof “door op deze wijze het relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] in de aanvulling met bewijsmiddelen op te nemen” een verklaring heeft gebruikt die voor het bewijs ontoelaatbare conclusies inhoudt. Dit behoeft, zo vervolgde de Hoge Raad, niet onder alle omstandigheden tot cassatie te leiden, bijvoorbeeld als de door het hof gemaakte gevolgtrekkingen overeenkomen met de in de verklaring getrokken conclusies. In de toen voorliggende zaak had het hof niet de wettige bewijsmiddelen opgenomen waaraan het de voor die gevolgtrekking redengevende feiten en omstandigheden had ontleend. Evenmin had het hof met voldoende nauwkeurigheid naar die feiten en omstandigheden verwezen. De enkele vermelding dat het hof de inhoud van een relaas van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] waarin de onderzoeksresultaten – waaronder ook de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] – zijn weergegeven, heeft gecontroleerd en dat het hof zich met de daarin verwoorde interpretaties en conclusies kan verenigen, is daarvoor niet voldoende. Het oordeel van het hof was daarom ontoereikend gemotiveerd. 18. In de onderhavige zaak is het hof tot op zekere hoogte op een vergelijkbare wijze te werk gegaan. In de aanvulling op zijn verkorte arrest heeft het hof voorafgaand aan de gewraakte onderdelen overwogen dat het ten aanzien van het telefoongebruik van de verdachte en de opgenomen OVC-gesprekken de in samenvattende vorm weergegeven processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] tot uitgangspunt neemt. Het hof heeft daarnaast over het telefoongebruik overwogen de uit de bij het proces-verbaal van bevindingen over het telefoongebruik van de verdachte aangegeven bijlagen waaruit conclusies worden geformuleerd, te hebben gecontroleerd aan de hand van de bijgevoegde stukken. Het hof heeft geconstateerd dat “deze conclusie juiste gevolgtrekkingen zijn uit de in de bijlagen weergegeven bevindingen en informatie” en dat daarom kan worden volstaan met de concluderende weergave en interpretatie van de onderliggende stukken. Ten aanzien van de OVC-gesprekken heeft het hof de samenvattende inhoud gecontroleerd aan de hand van de bij het proces-verbaal gevoegde stukken van de OVC-gesprekken. Het hof heeft tussen beide “geen noemenswaardige verschillen” geconstateerd. Op grond hiervan heeft het hof volstaan met de samenvattende weergave en interpretatie van de onderliggende gesprekken. 19. Door de beschreven werkwijze bevat de bewijsvoering ook in de voorliggende zaak conclusies van verbalisanten. Het hof heeft tot uitdrukking gebracht dat die conclusies overeenkomen met de door het hof zelf uit de onderliggende stukken gemaakte gevolgtrekking. Ten aanzien van het gebruik van de telefoons schort het vooral aan voldoende mate van nauwkeurigheid in de verwijzingen naar de onderliggende bewijsmiddelen. Het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] maakt in het algemeen wel met voldoende nauwkeurigheid inzichtelijk welke feiten en omstandigheden de conclusie dragen dat de verdachte de gebruiker is van de desbetreffende telefoon(nummer)s. Het hof heeft in zoverre echter niet de wettige bewijsmiddelen opgenomen waaraan het deze redengevende feiten en omstandigheden heeft ontleend. Wel heeft het hof vindplaatsen in het dossier vermeld van deze wettige bewijsmiddelen, maar die verwijzingen zijn niet over de gehele linie voldoende nauwkeurig. Zo wordt een aantal keer in algemene zin verwezen naar ‘Tap en OVC gesprekken bijlage 2’. De weergave van de OVC-gesprekken in de aanvulling onder 4.4 bestaat in de kern uit een door de betrokken verbalisant gegeven samenvatting van de inhoud van die gesprekken. Die samenvattingen bevatten conclusies, waarvan niet steeds duidelijk is aan welke daartoe redengevende feiten en omstandigheden zij zijn ontleend. 20. De benadering van het hof maakt van de controle van de desbetreffende onderdelen van bewijsconstructie in cassatie een buitengewoon bewerkelijke exercitie. De bewijsvoering is daarmee geen toonbeeld van inzichtelijkheid. Mijn ambtgenoot Spronken heeft voorafgaand aan het arrest inzake de medeverdachte Van Sommen opgemerkt dat de wijze waarop het hof inhoud heeft gegeven aan het voorschrift van art. 359, derde lid, Sv niet voldoet aan de regelen der kunst. Zij merkt in dit verband ook op dat door de werkwijze die het hof heeft gevolgd een wezenlijke functie van de bewijsmotivering ondergesneeuwd is geraakt, te weten dat de rechter zich op controleerbare wijze ervan vergewist dat de beslissing dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan steunt op daartoe redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Dat bezwaar geldt ten dele ook voor de bewijsvoering in de onderhavige zaak. 21. Daarmee is nog niet gezegd dat de geconstateerde gebreken in de bewijsconstructie ook in de onderhavige zaak tot cassatie dienen te leiden. Een belangrijk verschil met de genoemde zaak waarin de Hoge Raad op 9 februari 2021 arrest wees, is gelegen in het belang van de tot het bewijs gebezigde samenvattingen en conclusies voor de bewijsvoering als geheel. In die zaak waren conclusies van verbalisanten ten aanzien van de wetenschap van de verdachte over de handel in verdovende middelen door zijn zoon ten grondslag gelegd aan het bewijs dat de verdachte wetenschap droeg van de criminele herkomst van de geldbedragen. Die conclusies waren onvoldoende tot wettige bewijsmiddelen te herleiden. In de onderhavige zaak ligt dit anders. Het hof heeft in de onderhavige zaak in totaal ruim 200 pagina’s aan bewijsmiddelen opgenomen, die ten dele zelfstandig steun bieden aan het bewijs dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, zoals onder 4 bewezen is verklaard. 22. In zijn rechtspraak over de toepassing van art. 80a RO heeft de Hoge Raad beslist dat bepaalde gebreken in de bewijsmotivering die voorafgaand aan de invoering van die bepaling grond voor vernietiging vormden, zich voortaan voor toepassing van art. 80a RO lenen. Dat is onder meer het geval wanneer de bewezenverklaring, ook als een gebrek in de bewijsvoering wordt weggedacht, zonder meer toereikend is gemotiveerd. Zonder het belang van de vaststelling van de door de verdachte gebruikte telefoon(nummer)s in de bewijsconstructie te willen relativeren, meen ik dat ook zonder deze vaststelling én zonder paragraaf 4.4 van de aanvulling ter zake van de OVC-gesprekken in de antiekzaak, de gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring van feit 4 kunnen dragen. Ook als die onderdelen uit de bewijsconstructie worden weggedacht, heeft het hof immers uit de resterende bewijsmiddelen zonder meer kunnen afleiden dat sprake is geweest van een criminele organisatie met het oogmerk op de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven, alsmede dat de verdachte aan deze organisatie heeft deelgenomen. Ik zal de bewijsvoering die overblijft als de gebrekkige onderdelen daaruit worden weggedacht gelet op de omvang daarvan niet integraal weergeven of bespreken. Ik beperk mij tot het belichten van elementen van de bewijsvoering die leiden tot het oordeel dat de bewezenverklaring van feit 4 uit de resterende bewijsvoering kan worden afgeleid. 23. Voordat ik nader inga op de bewijsvoering die specifiek betrekking heeft op de onder 4 bewezen verklaarde deelneming aan een criminele organisatie, merk ik het volgende op. Het hof heeft bewezen verklaard dat het oogmerk van de criminele organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen onder meer was gericht op het buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen als bedoeld in lijst 1 bij de Opiumwet. Deze veroordeling staat niet op zichzelf. Het hof heeft de verdachte voorts onder meer veroordeeld tot het op tijdstippen die zijn gelegen in de onder 4 bewezen verklaarde periode in Nederland en het Verenigd Koninkrijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van “telkens hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne, zijnde MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I” (feit 1). Tegen de bewezenverklaring van feit 1 wordt in cassatie niet opgekomen. Deze bewezenverklaring en de bewijsvoering ter zake sluiten aan bij de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde, zowel wat betreft de aard van de feiten en de betrokkenheid van de verdachte als ten aanzien van de mededaders met wie hij in dat verband samenwerkte. Het hof heeft in dit verband vastgesteld dat “het crimineel samenwerkingsverband waarvan [betrokkene 1] en [verdachte] deel uitmaken, geregeld partijen verdovende middelen naar Groot-Brittannië vervoerde” en dat met name de verdachte in dit verband een actieve rol vervulde. 24. Ten aanzien van de bewijsvoering van feit 4 valt te wijzen op de OVC-gesprekken waarvan niet is bestreden dat zij op de in de wet voorgeschreven wijze in de aanvulling op de bestreden uitspraak zijn opgenomen. De aanvulling op het verkorte arrest bevat niet alleen samenvattingen van en gevolgtrekkingen uit OVC-gesprekken in de antiekzaak, zoals hiervoor weergegeven onder 15. Het hof bezigt ook bewijsmiddelen waarvan de inhoud in overeenstemming met art. 359, derde lid, Sv de integrale weergave van een OVC-gesprek behelst. Deze OVC-gesprekken betreffen deels dezelfde gesprekken uit de antiekzaak waaraan het hof in de bestreden onderdelen van de bewijsmotivering refereert. Uit de bewijsoverwegingen van het hof blijkt dat het hof voor zijn vaststelling van het bestaan van een criminele organisatie, waaraan [betrokkene 1] leiding gaf, in het bijzonder belang heeft gehecht aan een OVC-gesprek dat plaatsvond op 22 mei 2014. De relevante onderdelen van dit gesprek zijn op de voorgeschreven wijze weergegeven in de aanvulling op het arrest. Uit de inhoud van dit gesprek heeft het hof niet onbegrijpelijk afgeleid dat [betrokkene 1] onder meer praat over de export van verdovende middelen. Het hof heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat wordt gesproken over het verpakken en transporteren van verdovende middelen, over de inbeslagname van een partij verdovende middelen, over grote geldbedragen, over de productie van en handel in synthetische drugs en over het feit dat [betrokkene 1] ‘in hennep’ doet. Het hof ontleent aan dat gesprek tevens “een goede indicatie” ten aanzien van de hoogte van de met die handel gemoeide geldbedragen. In dat gesprek wordt de naam van de verdachte genoemd. In de bewijsoverwegingen refereert het hof daarnaast ook in het bijzonder aan een OVC-gesprek van 1 mei 2014, waaraan onder meer [betrokkene 1] en de verdachte deelnamen. De inhoud van dit gesprek is in de aanvulling op het verkorte arrest eveneens volgens de regelen der kunst weergegeven. Uit observaties op de locatie waar het bewuste gesprek plaatshad, blijkt dat het daadwerkelijk de verdachte was die aan dit gesprek deelnam. Het hof heeft niet onbegrijpelijk acht geslagen op de “criminele context” van dit gesprek. 25. In dit verband kan ook worden gewezen op de uitwerkingen van OVC-gesprekken uit de antiekzaak die in de aanvulling op het verkorte arrest zijn opgenomen onder ‘4.5 Gesprekken antiekzaak [A]’. Zo is sprake van een gesprek van 11 oktober 2013, waaraan onder meer de verdachte deelnam en waarin wordt gesproken over verdovende middelen. In een gesprek van 14 oktober 2013 waaraan de verdachte niet deelnam, wordt kennelijk verhullende taal gebezigd en wordt de naam van de verdachte in dat verband in samenhang met die van [betrokkene 1] genoemd. Ook gesprekken die zijn opgenomen op 24 oktober 2013, 6 november 2013, 30 januari 2014, 15 maart 2014 en 7 mei 2014, waarbij de verdachte aanwezig was, bieden steun aan het oordeel van het hof dat de verdachte deelnam aan de criminele organisatie. Daarin wordt gesproken over handel en wordt verhullende taal gebezigd. De verdachte noemt de medeverdachte [betrokkene 1] “leider” en heeft het over dozen die zijn afgerekend waarbij het ging om materiaal dat “chemisch” ruikt. [betrokkene 1] en de verdachte praten over winst en de verdachte zegt onder meer tegen [betrokkene 1]: “In jouw tas, zit helemaal vol, voor in het binnenvak, als je de grote rits open doet, zitten allemaal elastiekjes in van degene die ik er in heb gegooid hij heeft alles jongen, hoeft alleen nog maar een telmachine in”. In een gesprek van de verdachte met [betrokkene 7] wordt gesproken over twee telefoons van de medeverdachte [betrokkene 1] die de verdachte “even” niet kan hebben omdat hij is achtervolgd door drie auto’s. Een daarvan heeft hij laten natrekken. Omdat ze maar één dag achter hem aanzaten, heeft hij de dag ervoor de “dingen” gedaan die hij moest doen, hij heeft “handel” gedaan en doet nu twee weken rustig. Thuis had hij alles opgeruimd. Uit andere gesprekken heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat [betrokkene 7] en de verdachte grote hoeveelheden geld telden en dat de verdachte geld ophaalde. De verdachte had geld opgehaald voor [betrokkene 1]. Het door het hof in zijn bewijsoverwegingen aangehaalde OVC-gesprek van 4 november 2013 waarin [betrokkene 1] tegen de verdachte zegt “Wij zijn toch de cannaclub”, is in zoverre eveneens op de voorgeschreven wijze onder de bewijsmiddelen opgenomen. 26. De gerichtheid van de organisatie op onder meer (de voorbereiding van) de productie van synthetische drugs blijkt daarnaast uit de bevindingen bij de doorzoeking van een opslagruimte op de adressen [i-straat 1] te Best en [f-straat 2] te Best. Van de vele aan opiumdelicten gerelateerde goederen die aldaar werden aangetroffen, bleek bovendien een aantal in verband te kunnen worden gebracht met chauffeurs [betrokkene 17] en [betrokkene 4], die beiden zijn aangehouden toen zij harddrugs exporteerden naar het Verenigd Koninkrijk. Daarbij gaat het om de uitvoer van verdovende middelen die eveneens onder 1 is bewezen verklaard en waarbij het hof – in cassatie onbestreden – heeft vastgesteld dat deze plaatsvond in het kader van “het crimineel samenwerkingsverband waarvan [betrokkene 1] en [verdachte] deel uitmaken”. 27. W