PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/01996 P Zitting 11 mei 2021 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, hierna: de betrokkene.
- Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 10 april 2019 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 9079,
- Na matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep, heeft het hof aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van € 8000,00 aan de staat.
- Er bestaat samenhang met de strafzaak 19/
- In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
- Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
- Het eerste middel klaagt dat het hof de voordeelberekening ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, rechtstreeks heeft gebaseerd op een strafbaar feit dat in de strafzaak (gedeeltelijk) is verjaard. Derhalve is de betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk voordeel strijdig met de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM en de uitleg die daaraan in de (post-) Geerings-jurisprudentie is gegeven, aldus het middel.
- In de toelichting op het middel wordt verwezen naar een cassatieklacht in de strafzaak die inhoudt dat het hof het OM ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, ontvankelijk heeft geacht in zijn vervolging van het strafbare feit waarop de ontnemingsvordering berust, en wel voor zover het de periode van 15 mei 2012 tot 26 juni 2012 betreft.
- De steller van het middel doelt op het eerste cassatiemiddel in de samenhangende strafzaak. Dat middel in de strafzaak faalt op de gronden bij de bespreking van dat middel uiteengezet, waarnaar ik hier kortheidshalve wil verwijzen.
- Nu de cassatieklacht over de vermeende verjaring in de strafzaak niet kan slagen, komt daarmee de grond onder het voorliggende eerste middel in de ontnemingszaak te vervallen.
- Het middel kan daarom nergens toe leiden.
- Het tweede middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
- Op 19 april 2019 is namens de betrokkene beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 1 juli 2020 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim zes maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep zijn verstreken.
- Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden. Nu de redelijke termijn ook is overschreden in de eveneens bij de Hoge Raad aanhangige en met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, kan de compensatie, tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, worden toegepast in de hoofdzaak en kan in de onderhavige zaak worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
- Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 RO ontleende motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld, maar met die enkele constatering kan worden volstaan.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG