← Nederland

ECLI:NL:PHR:2021:73

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/03887 H Zitting 2 februari 2021 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de aanvrager. 1Inleiding 1.1. De aanvrager is bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van 12 december 2000 door het gerechtshof te Arnhem wegens 1. subsidiair “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest. Verder is de vordering van de benadeelde partij toegewezen en is aan de aanvrager een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. 1.2. Namens de aanvrager heeft mr. P.B.A. Acda, advocaat te Roermond, bij brief gedateerd 23 november 2020 een aanvraag tot herziening van de genoemde uitspraak ingediend. Bij de aanvraag zijn acht bijlagen (producties) gevoegd. 1.3. Er bestaat samenhang met de zaken 20/00985 H, 20/01228 H, 20/01711 H, 20/01886 H, 20/03889 H, 20/03891 H en 20/03892 H. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. 2Waarover gaat deze zaak? 2.1. Op 2 september 1998 vond er tussen 19.00 en 20.00 uur een gewelddadige overval plaats in een villawoning aan de [a-straat] in Arnhem. Bij deze overval is de bewoonster, [slachtoffer 1] , doodgeschoten. Op een andere vrouw, [slachtoffer 2] , die op dat moment de woning bezocht, is ook geschoten. Zij is daardoor gewond geraakt. Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij, toen zij de woning binnenkwam, de bewoonster met een onbekende manspersoon zag staan. Zij werden vervolgens beiden door deze man naar de slaapkamer gedirigeerd en hen werd verzocht om op het bed te gaan liggen. Er is daarna tweemaal op de hoofden van de vrouwen geschoten, als gevolg waarvan [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 2] een schampschot aan haar hoofd opliep. Uit de woning zijn enkele bankpasjes en wat geld weggenomen. Ook is een zogenaamde gouden slavenarmband buitgemaakt. 2.2. Voor deze overval zijn acht mannen veroordeeld, te weten [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 1], [medeveroordeelde 2], [medeveroordeelde 3] , [medeveroordeelde 4], [aanvrager] , [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 8] . In de zaken van deze mannen, met uitzondering van [medeveroordeelde 8] , zijn herzieningsaanvragen ingediend. [medeveroordeelde 7] was door de rechtbank eveneens veroordeeld voor deze overval. Na zijn overlijden, ten tijde van de behandeling van het hoger beroep, heeft het hof in zijn zaak de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging. In de zaak van [medeveroordeelde 7] is namens een nabestaande een herzieningsaanvraag ingediend. Een tiende man, [betrokkene 1] , is in Nederland niet vervolgd, omdat een aan Duitsland gericht uitleveringsverzoek niet is gehonoreerd. Wel zijn de Duitse autoriteiten een (eigen) strafrechtelijk onderzoek naar [betrokkene 1] gestart op verdenking van betrokkenheid bij de genoemde overval. Dat Duitse onderzoek, waarop ik hierna nog zal ingaan, heeft niet tot een vervolging geleid. 2.3. Deze zaak staat bekend als de “Arnhemse Villamoord”. 3Opsporingsonderzoek 3.1. Op de plaats delict zijn twee kogels (kaliber 7.65

  1. mm)en twee hulzen gevonden. Ook zijn er een paar vingerafdrukken gevonden in de villa. Reeds op 6 november 1998 worden deze vingerafdrukken vergeleken met de vingerafdrukken van zeven personen, waaronder [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 4] , [medeveroordeelde 6] , [aanvrager] en [medeveroordeelde 8] . Dit levert geen resultaat op. Nadien worden deze vingerafdrukken ook met de vingerafdrukken van de andere veroordeelden vergeleken, ook dan zonder resultaat. 3.2. Het duurt uiteindelijk meer dan een half jaar voordat in deze zaak een verdachte wordt opgepakt. Op 8 maart 1999 wordt [medeveroordeelde 9] aangehouden. In de daaropvolgende weken worden ook de andere veroordeelden aangehouden. Ten tijde van de verhoren van de veroordeelden had het politieonderzoek onder meer een getuigenverklaring opgeleverd waarin door de getuige was gezien dat op de avond van het misdrijf tussen 19.30-19.45 een donkerblauwe of mogelijke zwarte Volkswagen Golf de inrit van de villa opreed en op dat moment een man (signalement: getinte huidskleur, 30-35 jaar, geen baard of snor, donker haar, bol gezicht, klein stevig postuur) langs het fietspad stond die keek hoe genoemde Volkswagen de inrit inreed. En een getuigenverklaring inhoudende dat de getuige iets na 19.00 uur op de [b-straat] een personenauto zag staan met daarachter, bij de openstaande kofferbak, een manspersoon met donker haar en vermoedelijk een snor en zittend op de achterbank nog een tweede manspersoon. De aangehouden verdachten zijn veelvuldig door de politie verhoord. Op een zeker moment – ten tijde van zijn vijfde verhoor als verdachte – heeft [medeveroordeelde 6] een grotendeels bekennende verklaring afgelegd, waarin hij tevens voor de andere verdachten belastend verklaart. Ook [medeveroordeelde 2] heeft op enig moment een bekennende verklaring afgelegd, maar daarop is hij later – in wisselende bewoordingen – teruggekomen. Van een groot deel van de verhoren van de verdachten zijn door de politie video-opnames gemaakt. De videobanden van die opnames bevinden zich in het dossier. 4De uitspraak waarvan herziening wordt aangevraagd 4.1. In het arrest waarvan herziening wordt aangevraagd, is ten laste van de aanvrager onder 1 subsidiair bewezen verklaard dat: “ “hij op 2 september 1998 te Arnhem, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een slavenarmband en een aantal bankpasjes en een geldbedrag en een aantal portemonnees, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , “ welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , “ gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat door verdachte of door één van zijn mededader(s), “ opzettelijk een pistool, is gericht op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ; en “ is gevraagd om geld aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ; en “ vervolgens opzettelijk is geschoten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , tengevolge waarvan voornoemde G. van […] - [slachtoffer 1] is overleden.” 4.2. Het hof heeft volstaan met een verkort arrest. Daarom ontbreekt een aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv. Wel heeft het hof in het verkorte arrest, voor zover van belang, het volgende overwogen: “1. Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de in deze strafzaak afgelegde verklaringen niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Dit algemene verweer vergt nader onderzoek op verschillende onderdelen. 1.1 1.1 Betwist is dat verdachten hun verklaringen in vrijheid hebben afgelegd. De uitgeoefende druk zou in de weg staan aan de betrouwbaarheid van het door verdachten verklaarde. Het hof heeft waargenomen dat het verzoek om medische hulp niet (direct) is gehonoreerd en dat verdachten soms langdurig zijn verhoord. Voorts is op een bepaald moment door een verbalisant aan een verdachte gevraagd of men bij elke leugen een vinger mocht afhakken. Tijdens meerdere verhoren hebben verbalisanten op verschillende momenten met stemverheffing gesproken, met de hand op tafel geslagen, zijn zij dicht bij de verdachte gaan zitten of staan en is een verdachte benaderd door een arm om hem heen te leggen. Tenslotte staat vast dat tijdens één verhoor door een verbalisant is gezegd dat de politie ervoor kan zorgen dat de verdachte twintig jaren krijgt opgelegd alsmede dat het mogelijk is om verdachtes gezichtsprofiel te laten passen in de in het dossier aanwezige compositietekening. Het hof is van oordeel dat voormelde feiten en omstandigheden niet structureel hebben plaatsgevonden. Het geringe aantal momenten dat van een zekere druk sprake was weegt niet op tegen de grote hoeveelheid uren die de verdachten zijn verhoord. Het hof merkt de incidentele uitlatingen, waaraan de verdediging refereert, niet aan als ernstig maar plaatst deze in de context van het gebruikelijke verhoor in een zware strafzaak op grond waarvan een zekere verbale en non-verbale druk toelaatbaar is en gericht op het verkrijgen van een in vrijheid afgelegde verklaring. Van de politieverhoren kan niet worden gezegd dat er een ontoelaatbare druk op verdachten uitging die hun verklaringsvrijheid op onaanvaardbare wijze heeft geschonden. Kennisgenomen hebbend van vele - audio-visueel vastgelegde -politieverhoren stelt het hof vast dat de verhoren veeleer worden gekenmerkt door een rustig verloop van het gesprek en bijbehorende opstelling van verbalisanten en verdachten dan door een intimiderend en bedreigende gang van zaken. Het hof is voorts van oordeel dat het - al dan niet tijdelijk - weigeren van medische zorg gelegen is in de pleitbare inschatting van verbalisanten dat nog geen directe zorg was geboden danwel dat medische zorg aanstaande was. Voormelde uitlatingen van verbalisanten die betrekking hebben op het ervoor zorgen dat de verdachte twintig jaren krijgt opgelegd en dat diens profiel kan worden ingepast in de compositietekening zijn naar het oordeel van het hof wellicht minder professioneel maar zijn binnen de context van de andere verhoormomenten als incidenteel en niet onrechtmatig aan te merken. Voorts staat de lengte van de verhoren niet in de weg aan het oordeel dat zorgvuldig is verhoord nu de verhoren veelvuldig zijn onderbroken en de onderbrekingen veelal gepaard gingen met het nuttigen van voedsel. 1.2 1.2 Door de verdediging is voorts aangevoerd dat het opsporingsteam bepaalde verhoormethoden zou hebben gebezigd die een behoorlijk opsporingsonderzoek onmogelijk hebben gemaakt. Aan de onder 1 weergegeven feiten en omstandigheden zou een structurele verhooraanpak met bijbehorende verhoormethodieken kunnen worden afgelezen. Het hof heeft uit de verklaringen van verhorende verbalisanten, afgelegd als getuigen ter terechtzitting in hoger beroep, alsmede uit het strafdossier niet anders afgeleid dan dat het opsporingsteam in deze strafzaak op structurele basis de voortgang in het onderzoek heeft besproken waarbij de verhorende verbalisanten zich onderling met een zekere regelmaat hebben verstaan over de achterliggende en komende verhoren. Het hof is niet gebleken dat de onder 1 gememoreerde feiten en omstandigheden waren ingebed in een planning binnen het opsporingsteam. Ook in dit verband diskwalificeert de gang van zaken rond en tijdens de politieverhoren noch de betrouwbaarheid van de door verdachte(
  2. n)afgelegde verklaringen noch de verklaringsvrijheid van verdachte(n). 1.3 1.3 De verdediging heeft aangevoerd dat tijdens verschillende (delen van) verhoren de politie aan verdachte de bijstand van een tolk bewust heeft onthouden danwel dat bij - niet geplande - afwezigheid van een tolk het verhoor toch is voortgezet, ondanks het (herhaalde) verzoek van verdachten om het verhoor later voort te zetten in aanwezigheid van een tolk. Een en ander zou een dermate ernstige inbreuk op de verklaringsvrijheid van verdachte hebben meegebracht dat op die momenten geen sprake was van een zorgvuldige waarheidsvinding. Tijdens de zitting in hoger beroep van 14 juni 2000 heeft de getuige [verbalisant 18] verklaard dat in het vijfde verhoor van [medeveroordeelde 6] de tolk om tactische redenen is weggehaald. [medeveroordeelde 6] zou zich achter de tolk hebben verscholen en zich aldus bedenktijd hebben verschaft alvorens vragen te beantwoorden. Deze beslissing stoelde op de gedachte dat het verhoor zonder tolk beter zou verlopen. Het hof is van oordeel dat het primair aan de verbalisanten is voorbehouden om te bepalen of een verdachte een tolk nodig heeft. Indien uit de zonder tolk afgelegde verklaringen blijkt dat de verdachte de verhorende politieambtenaren lijkt te begrijpen kan slechts bij voorlezing van het op schrift gestelde verhoor blijken of de verdachte heeft verklaard overeenkomstig hetgeen hij wilde verklaren. In die gevallen dat een (gedeelte van een) verhoor zonder bijstand van een tolk plaatsvond is bij voorlezing van de verklaringen gebruik gemaakt van een tolk zodat verdachte(
  3. n)op die momenten in staat was (waren) om zijn (hun) verklaringen bij te stellen. Van die (behoefte aan) bijstelling is het hof overigens niet gebleken. Waar specifiek is gerefereerd aan het vijfde verhoor van [medeveroordeelde 6] stelt het hof vast dat [medeveroordeelde 6] als getuige ter zitting heeft verklaard dat hij geen moeite had met de wijze van verhoren door de politie. Voorts is het hof gebleken dat [medeveroordeelde 6] de Nederlandse taal voldoende machtig is, zodat hij door de gewraakte gang van zaken minder in zijn rechten is geschonden dan door de verdediging is betoogd. Bovenal is het hof van oordeel dat de gewraakte opmerking van de getuige [verbalisant 18] louter betrokken kan worden op het verhoor van [medeveroordeelde 6] , hetgeen de kwaliteit van de verhoren van andere verdachten niet regardeert. Voorgaande verweren, in onderlinge samenhang beschouwd, worden verworpen. Niet aannemelijk is geworden dat de tegenover de politie afgelegde verklaringen onder rechtens ontoelaatbare druk zijn afgelegd. 1.4 1.4 De verdediging heeft de betrouwbaarheid van met name de verklaringen van [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] betwist. De betrouwbaarheid van de persoon van [medeveroordeelde 6] is ernstig in twijfel getrokken terwijl van [medeveroordeelde 2] is gesteld dat deze een zwakke persoonlijkheid bezit. De leugenachtigheid van [medeveroordeelde 6] zou het waarheidsgehalte van zijn verklaringen sterk verminderen, hetgeen zou moeten blijken uit de vele innerlijke tegenstrijdigheden in de door hem afgelegde verklaringen. [medeveroordeelde 2] daarentegen zou door zijn persoonlijkheidsstructuur (gedeeltelijke) bekentenissen hebben afgelegd die niet stroken met de waarheid. Het hof stelt vast dat de verdediging tijdens de zittingen in hoger beroep in ruime mate in de gelegenheid is geweest om de verklaringen van met name [medeveroordeelde 6] adequaat aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. De verdediging heeft [medeveroordeelde 6] indringend kunnen bevragen en van die mogelijkheid is overvloedig gebruik gemaakt. De verklaringen die [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] hebben afgelegd zijn innerlijk consistent gebleken. Daarbij heeft [medeveroordeelde 6] ter terechtzitting in hoger beroep toegegeven dat hij - toen hij zichzelf nog wilde ontlasten - meermalen tegen de politie onwaarheden heeft verteld. In de latere verhoren zou hij verklaringen hebben bijgesteld en aangevuld, waardoor uiteindelijk een waarheidsgetrouw beeld van de gebeurtenissen op 2 september 1998 zou zijn ontstaan. Niet alle discrepanties in zijn verhoren kunnen door deze uitleg worden verklaard. Niettemin acht het hof deze gang van zaken voldoende betrouwbaar; mede door tijdsverloop kunnen bepaalde herinneringen inaccuraat zijn. Immers, verdachten zijn ongeveer een half jaar na het delict aangehouden. Dat gegeven staat evenwel niet aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen in de weg. Het hof wijst er bovendien op dat [medeveroordeelde 6] zich door zijn eigen verklaringen ernstig heeft belast, hetgeen het betrouwbaarheidsgehalte van zijn verklaringen ten goede komt. Het hof oordeelt de verklaringen van [medeveroordeelde 6] als betrouwbaar en dientengevolge bruikbaar voor het bewijs aangezien ze op meerdere punten bevestigd worden door de verklaringen van [medeveroordeelde 2] . Deze verklaart gedetailleerd over zijn rol en die van andere verdachten. Als motief voor zijn bekennende verklaring voert [medeveroordeelde 2] zijn hoop op strafvermindering aan, hetgeen een betrouwbare uitleg vormt voor zijn bekentenissen. Als overeenkomst met de verklaringen van [medeveroordeelde 6] wijst het hof op de verklaring van [medeveroordeelde 2] dat hij op 2 september 1998 in een donkerblauwe Golf reed. [medeveroordeelde 2] heeft verschillende van de verdachten aangewezen als zijnde degenen die bij de voorbereiding en uitvoering van de overval op 2 september 1998 betrokken waren. Hij heeft gedetailleerd verklaard over de personen die zijn meegegaan naar de [a-straat 1] alsmede over degenen die in of bij de auto's zijn blijven wachten en over de personen die in de richting van het huis zijn gelopen. Voorts heeft hij informatie verschaft over de plaats waar de betrokken voertuigen geparkeerd waren. Deze daderinformatie spoort in hoge mate met de informatie uit de bekennende verklaringen van [medeveroordeelde 6] . Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] zeer gedetailleerd en bevatten concrete redenen van wetenschap die bovendien steun vinden in verklaringen van anderen danwel in ander bewijsmateriaal. [medeveroordeelde 6] heeft verklaard dat hij op 2 september 1998 met pech aan zijn auto langs de kant van de weg kwam te staan, waarna [medeveroordeelde 1] door [medeveroordeelde 6] is gebeld die vervolgens met de auto van zijn vader [medeveroordeelde 6] is komen helpen. Nadat beide voertuigen weer verder reden is benzine getankt bij een tankstation. De betaling van de benzine met behulp van de tankpas van [medeveroordeelde 6] was niet succesvol aangezien de pas van [medeveroordeelde 6] was geblokkeerd. Daarna heeft [medeveroordeelde 6] zijn mobiele telefoon bij het tankstation als onderpand achtergelaten. Voor deze verklaring van [medeveroordeelde 6] is steun te vinden in de verklaringen van [medeveroordeelde 1] , diens vader en [medeveroordeelde 4] alsmede in de informatie van de op 2 september 1998 bij het tankstation werkzame [getuige 4] . De verklaringen van [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] dat een deel van de verdachten in de blauwe Golf bij de woning arriveerden waarin is ingebroken, wordt gestaafd door de waarneming van de getuige [getuige 1] die op 2 september 1998 tussen 19.30 uur en 19.45 uur heeft gezien dat een donkerblauwe of mogelijk zwarte Golf, oud model, de oprit van het pand [a-straat 1] opreed. [medeveroordeelde 6] heeft verklaard dat hij na het parkeren van zijn Mercedes aan de [a-straat 1] de kofferbak heeft opengemaakt. Deze verklaring vindt steun in de getuigenverklaring van [getuige 2] die een man bij een openstaande kofferbak van een Mercedes heeft zien staan. [medeveroordeelde 6] heeft voorts verklaard dat de voorzijde van het huis van de familie […] bij schemer of duisternis verlicht werd door een lamp die werd aangeschakeld door middel van een sensor. De sensor zou reageren na detectie van bewegingen. [medeveroordeelde 6] verklaart deze waarneming te hebben gedaan vanachter het huis en vanuit deze positie te hebben gezien dat op 2 september 1998 een vrouw het huis aan de voorzijde naderde waarna de lamp aanging. Deze waarnemingen van de werking van de buitenlamp zijn bevestigd door het politieonderzoek waaruit bovendien naar voren kwam dat het mogelijk is vanaf de achterzijde van het huis waar te nemen wat aan de voorzijde van het huis gebeurt doordat de hal van de woning zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde is voorzien van niet afgedekt helder glas. Het hof stelt verder vast dat [medeveroordeelde 6] een beschrijving geeft van de plafondschilderingen van de koepels aan het viaduct over de [c-straat] . Deze informatie van de situatie ter plaatse is niet algemeen bekend en staaft op een ander onderdeel de verklaringen van [medeveroordeelde 6] . [medeveroordeelde 2] verklaart dat hij na de inbraak aan de [a-straat 1] met [medeveroordeelde 9] en [medeveroordeelde 4] naar het huis van [getuige 5] (die hij overigens niet kende) is gereden en daar verdachte [aanvrager] zag. Deze lezing van de feiten vindt steun in de verklaring van [aanvrager] die vertelt dat hij op 2 september 1 998 in de woning van [getuige 5] was en daar [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 4] zag en hij [medeveroordeelde 2] hoorde zeggen: "In dat vrijstaande huis was geen geld te halen". 1.5 1.5 Voorzover de verweren onder 1.1 tot en met 1.4 van de verdediging ertoe strekken te betogen dat het opsporingsonderzoek onrechtmatig was danwel de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie regarderen dan wel tot strafmitigering aanleiding behoort te geven, leidt het vorenoverwogene eveneens tot verwerping van die verweren. 2. Hetgeen overigens nog moet worden geacht aangevoerd te zijn door of namens verdachte, doet aan al het hiervooroverwogene niet af.” 4.3. In deze zaak heeft het hof als gezegd volstaan met een verkort arrest en ontbreekt een aanvulling bewijsmiddelen. In de overige zaken heeft het hof echter telkens dezelfde bewijsmiddelen gebezigd. Daarom kan mijns inziens worden aangenomen dat de bewezenverklaring van het hof in de zaak van de aanvrager steunt op diezelfde bewijsmiddelen. Daarbij merk ik op dat, waar processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep in de zaak van aanvrager ontbreken, ik meen dat tot uitgangspunt kan worden genomen dat voor zover het hof in de overige zaken ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen voor het bewijs heeft gebezigd, deze verklaringen ook in de zaak van de aanvrager zijn afgelegd. Uitzondering daarop vormt de door het hof als bewijsmiddel 18 gebezigde verklaring van de aanvrager die hij als getuige heeft afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep. De door het hof in de overige zaken gebezigde bewijsmiddelen houden aldus het volgende in: “1. “1. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0710/98-149794 - als bijlage 1 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent van politie, gesloten en ondertekend op 3 september 1998, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten: “1. Op 2 september 1998, omstreeks 20.06 uur, kwam er een melding binnen bij het RMIC van de politieregio Gelderland Midden van een schietpartij op het adres [a-straat 1] te Arnhem. “1. Er zou 1 dode en 1 gewonde zijn. “1. Gezamenlijk kwamen wij aan bij genoemd perceel. Dit betrof een vrijstaand pand. Wij liepen links langs de woning en kwamen achter de woning terecht bij een trap omhoog. Deze trap liepen wij omhoog en kwamen bij de deur van de bijkeuken. Deze deur was wel dicht, maar niet afgesloten. Via de bijkeuken kwamen we terecht in de keuken. Via de keuken liepen we de vide op. Aldaar kregen we al roepend contact met een vrouw die riep dat zij in de slaapkamer was. Via de vide kwamen we op de overloop. Via de overloop liepen we de slaapkamer in. In het midden van de slaapkamer tegen de muur stond een 2-persoonsbed. Aldaar zagen wij dat er een oudere vrouw languit op het rechter gedeelte van het 2-persoonsbed lag met het hoofd naar beneden, geheel bebloed. Op het linkergedeelte bij het hoofdeinde zat een jongere vrouw, eveneens onder het bloed. Zij zat daar met de telefoon in de hand en bleek contact te hebben met onze meldkamer. “1. Personeel van de GG & GD had inmiddels geconstateerd dat de liggende vrouw was overleden. De gewonde vrouw werd behandeld. Terwijl zij behandeld werd vertelde zij dat zij [slachtoffer 2] was, geboren op [geboortedatum] . “1. 2. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 20 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 3] , brigadier van politie, gesloten en ondertekend op 3 september 1998, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant: “1. Naar aanleiding van het onnatuurlijk overlijden van [slachtoffer 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1935, gewoond hebbende te Arnhem, [a-straat 1] , op 2 september 1998, werd door de officier van justitie te Arnhem een bevel tot gerechtelijke sectie gegeven. “1. Op 3 september 1998 werd het reeds inbeslaggenomen stoffelijk overschot van voornoemde [slachtoffer 1] onder mijn toezicht overgebracht vanuit de sectiekamer van het politiebureau in Arnhem naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk. “1. Bij aankomst in het Gerechtelijk Laboratorium heb ik het stoffelijk overschot ter beschikking gesteld van de patholoog dr.Torenbeek. “1. 3. een geschrift, zijnde een faxbericht, inhoudende een rapport van het Ministerie van Justitie, Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie, genummerd 98-372/T065, op 13 oktober 1998 opgemaakt door dr.R.Torenbeek, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als relaas van dr.R.Torenbeek: “1. Op 3 september 1998 heeft ondergetekende, dr. Rolf Torenbeek, arts en patholoog, ingevolge mondelinge opdracht van de officier van justitie te Arnhem als beedigd deskundige in het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie te Rijswijk, de uit- en inwendige schouwing verricht van het lijk van: “1. [slachtoffer 1] , “1. geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1935, gewoond hebbende te Arnhem, [a-straat 1] en aldaar dood aangetroffen op 2 september 1998 omstreeks 20.00 uur, teneinde na te gaan de oorzaak van diens dood en hetgeen verder van belang mocht blijken. “1. Het lijk van [slachtoffer 1] voornoemd werd mij aangewezen en daarna overhandigd door [verbalisant 3] , brigadier van regiopolitie Gelderland Midden en na gedane schouwing aan genoemde [verbalisant 3] teruggegeven. “1. Samenvatting: “1. Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] , oud 63 jaren, is het navolgende gebleken: “1. A1 Er was een doorschotverwonding met een inschotverwonding links aan het achterhoofd, met een schotkanaal horizontaal verlopend naar voor en naar rechts, met perforatie van de hersenstam, en een uitschotverwonding zijwaarts aan het rechteroog. De oogkasdaken waren beiderzijds verbrijzeld. “1. A2 De rechter achterhoofdskwab was aan de onderzijde verbrijzeld en de rechter slaappool was aan de voorzijde verbrijzeld. De hersenslagaders waren in de schotbaan onderbroken, zonder dat een (zeer) uitgebreide bloeding was ontstaan. “1. A3 In de rechterhartboezem was lucht aanwezig ( = luchtembolie). “1. B Er waren geen ziekelijke veranderingen aanwijsbaar, welke ten aanzien van het overlijden van betekenis zijn geweest. “1. De bevindigen A zijn opgeleverd door een kogel. Gezien de bevindingen A2 heeft het overlijden (zeer) kort na het oplopen van het letsel plaatsgevonden. “1. Het overlijden kan zonder meer worden verklaard door de verbrijzeling van de hersenstam en de gebleken luchtembolie in het hart. “1. Conclusie: “1. Bij [slachtoffer 1] , oud 63 jaren, was zeer uitgebreid schedel- en hersenletsel gebleken, tengevolge van een doorschotverwonding aan het hoofd. De gebleken letsels kunnen het overlijden zonder meer verklaren. “1. 4. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 27 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie, gesloten en ondertekend op 4 september 1998, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven -: “1. als relaas van verbalisanten: “1. Het stoffelijk overschot werd door ons op 4 september 1998 getoond aan [betrokkene 2] , wonende te Arnhem, [a-straat 1] . “1. als verklaring van [betrokkene 2] : “1. Ik herken het slachtoffer zeer zeker als [slachtoffer 1] , mijn echtgenote. “1. 5. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 148 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 3] , respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie, ondertekend op 17 september 1998, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als aangifte door [slachtoffer 2] : “1. Ik doe aangifte van poging tot doodslag cq diefstal door middel van geweld. De verdachte heeft gepoogd mij opzettelijk van het leven te beroven. De uitvoering van de doodslag is niet voltooid omdat de kogel mijn hoofd alleen maar heeft geschampt. “1. Op 2 september 1998 omstreeks 19.30 uur kwam ik op bezoek bij [slachtoffer 1] , wonende [a-straat 1] te Arnhem. In de woning heb ik kennelijk een inbreker overlopen. Ik zag daar namelijk [slachtoffer 1] met een mij onbekende manspersoon staan. De man sommeerde vervolgens mij en [slachtoffer 1] naar de slaapkamer te gaan. Wij moesten van de man op het bed gaan liggen. Daarna heeft deze man twee keer op de hoofden van [slachtoffer 1] en mij geschoten. [slachtoffer 1] is aan de verwondingen terstond overleden. Ik heb een schampschot aan mijn hoofd gekregen. “1. Later bleek dat die man 1 bankpasje ten name van [betrokkene 3] , 1 bankpas ten name van [betrokkene 3] , 1 bankpas ten name van [slachtoffer 2] , 1 portemonnee kleur rood, 1 portemonnee kleur bruin, 1 rijbewijs en geld, ongeveer 8 losse guldens heeft weggenomen. De dader heeft de goederen die aan mij toebehoren zonder mijn toestemming en tegen de wil van de rechthebbende weggenomen. “1. 6. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 55 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 6] , hoofdagent van politie, gesloten en ondertekend op 8 september 1998, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer 2] : “1. U toont mij de tas welke ik op 2 september 1998 bij me had in de woning [a-straat 1] . Tijdens de overval heb ik mijn tas omgekeerd zodat de inhoud daarvan op een kleed viel. Vervolgens heb ik de twee portemonnees leeg gemaakt en deze inhoud op het kleed gelegd. Ik vermis beide portemonnees. In een portemonnee met pantermotief zat een drietal bankpasjes. Deze bankpasjes ten name van [betrokkene 3] , [betrokkene 3] en [slachtoffer 2] vermis ik. Ik vermis nog een aantal losse guldens. “1. 7. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 114 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en ondertekend op 18 september 1998, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2] : “1. Onbekenden hebben op de avond van 2 september 1998 tussen 19.05 uur en 23.00 uur ingebroken of zijn wederrechtelijk binnengedrongen in mijn woning aan de [a-straat 1] te Arnhem. Daarbij heeft men geweld gebruikt tegen mijn vrouw [slachtoffer 1] . Ook een vriendin van ons genaamd [slachtoffer 2] was daarbij betrokken. Bij dit geweld is mijn echtgenote om het leven gekomen en is [slachtoffer 2] gewond geraakt. Mogelijk dat men door het gebruik van dit geweld zonder enige toestemming goederen heeft kunnen wegnemen danwel mijn echtgenote gedwongen heeft door middel van bedreiging met geweld goederen te doen afgeven. Deze goederen heeft men zich wederrechtelijk kunnen toeeigenen. De goederen waren mijn eigendom en ik heb niemand hiervoor toestemming gegeven. “1. De goederen die uit mijn woning zijn weggenomen betreffen: “1. - een portemonnaie met als inhoud Nederlands muntgeld; “1. - van mijn vrouw is weggenomen een gouden slavenarmband. “1. 8. een in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] en [verbalisant 7] opgemaakt proces-verbaal, gesloten en ondertekend op 3 september 1998, voorzover inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] (bijlage 8 bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422): “1. Vanavond, woensdag 2 september 1998 omstreeks 19.05 uur ben ik met mijn personenauto naar Arnhem gereden. Ik heb de afslag Arnhem-Noord genomen en kwam zo op de [a-straat] . Ik reed met mijn auto hun erf op. Ik ben naar de voordeur gelopen en belde aan. Toen er niemand aan de deur kwam ben ik naar de achterzijde van de woning gelopen. Ik ben doorgelopen over een pad naar de achtertrap. Deze trap liep ik op. Ik doe de deur open en loop de bijkeuken in. “1. Plotseling verscheen [slachtoffer 1] in de deuropening van de woonkamer naar de hal. Wat mij opviel was dat [slachtoffer 1] zeer gespannen leek. Het eerste wat [slachtoffer 1] tegen mij zei was:" [slachtoffer 2] ik heb hier een boef". Op dat moment zag ik dat achter [slachtoffer 1] een onbekende persoon stond. [slachtoffer 1] zei nog:"Het is menens". Ik liep naar [slachtoffer 1] toe en vroeg wat er aan de hand was. [slachtoffer 1] antwoordde:"We zoeken naar geld, ik heb nog wel een plekje". “1. Ik had een grote bruinachtige leren tas bij me en die gooide ik op het kleed leeg. Ik hurkte en zocht naar mijn portemonnaie. Ik keek vanuit mijn gehurkte houding op en zag dat de manspersoon achter [slachtoffer 1] een pistool op haar rug richtte. “1. Ik hoorde dat de man zei:"Loop jij ook eventjes met me mee". Op een of andere wijze wees de man mij de weg naar de slaapkamer. “1. De man zei:"Gaan jullie op het bed liggen". “1. [slachtoffer 1] kroop het eerst op het bed. Ik kroop ook op het bed en ging naast haar liggen. We lagen met onze gezichten naar elkaar toe. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] nog wat zei. De zin begon met:"lk weet nog wel ergens...." “1. Direct nadat ik [slachtoffer 1] hoorde praten hoorde ik twee harde knallen. De knallen volgden elkaar snel op. Ik voelde dat ik werd geraakt aan mijn hoofd. Ik besefte dat ik aan mijn hoofd was geraakt. “1. 9. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 24 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , beiden hoofdagent van politie, gesloten en ondertekend op 4 september 1998, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 1] : “1. Op 1 september 1998 reed ik omstreeks 19.15 uur over de [a-straat] richting Arnhem-Centrum. Villa " [A] " ken ik vrij goed. Ik en mijn dochter zagen op ongeveer 100 meter voorbij de villa een manspersoon staan. Wij vroegen ons af wat die man daar deed. De man stond aan de zijde waar zich ook de villa bevindt. Ik vond het vreemd dat de man daar zo stond. De man had een getinte huidskleur. Ik schat de leeftijd op ongeveer 30-35 jaar. De man had geen baard of snor. De man had kort donker haar en een bol gezicht. De man had een klein stevig postuur. “1. Op 2 september 1998 rond 19.30-19.45 uur reed ik weer over de [a-straat] . Ik zag een donkerblauwe of mogelijk zwarte Volkswagen Golf, oud model, de oprit van de villa " [A] " inrijden. De auto kwam uit de richting Arnhem-Centrum. Op het moment dat ik zag dat voornoemde auto de inrit in reed, zag ik op het zelfde moment de man, die ik de dag eerder ook had zien staan, wederom langs het fietspad staan. Hij stond op dezelfde lokatie als dinsdag. Ik had sterk de indruk dat de man daar wat uitspookte of op de uitkijk stond. Ik zag dat de man naar de Volkswagen Golf keek, die de inrit inreed. “1. 10. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 39 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 5] voornoemd, gesloten en getekend op 6 september 1998, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 2] : “1. Op 2 september 1998 ben ik iets na 19.00 uur over de [a-straat] in de richting van de Rijksweg A50 gereden. Net na het viaduct over de [c-straat] zag ik een personenauto op de parallelweg, de [b-straat] , staan. Ik zag dat achter de auto een manspersoon stond. Verder zag ik dat de kofferbak van deze auto geopend was. De man had donker haar en vermoedelijk een snor. Op het moment dat ik de auto passeerde zag ik in de auto nog een tweede persoon. Aan de contouren vermoedde ik dat het hier een manspersoon betrof. Iets zegt mij dat ik deze persoon op de achterbank heb zien zitten. “1. 11. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof op 29 mei 2000, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [medeveroordeelde 6] (pag. 4 e.v.): “1. Ik word ook wel [medeveroordeelde 6] of [medeveroordeelde 6] genoemd. “1. Ongeveer 2 weken voor 2 september 1998 ben ik per auto van Eindhoven naar Arnhem gekomen. [medeveroordeelde 9] , die toen bij mij in de auto zat, vertelde mij dat hij had gehoord dat er in een bepaald huis veel geld zou zijn. “1. Er is toen ook een rolverdeling besproken. Ik zou als chauffeur optreden. Twee weken voor 2 september 1998 ben ik bij [medeveroordeelde 7] geweest. Ik ben toen, met onder anderen [medeveroordeelde 1] , naar de [a-straat] te Arnhem gereden. [medeveroordeelde 1] wees daar verschillende mooie huizen aan. Vlak voor 2 september 1998 is dat huis nogmaals afgelegd. [aanvrager] zat toen ook in de auto en wees een huis aan. We zijn toen allemaal uitgestapt om te kijken. [aanvrager] zei toen:"Dat gaat makkelijk, er is geen beveiliging". [medeveroordeelde 7] was de professionele inbreker die makkelijk sloten kon openbreken. [medeveroordeelde 1] was meestal de leider van de groep; [medeveroordeelde 4] en [medeveroordeelde 9] traden ook wel als zodanig op. Ik zou als chauffeur in de auto blijven. De anderen waren vrienden van elkaar. Ik kon goed rijden. Bovendien konden we met zes personen in mijn Mercedes. “1. [medeveroordeelde 9] zou naar de kluis zoeken en [medeveroordeelde 7] ging mee omdat hij de kluis zou kunnen openen. [betrokkene 1] zou ook mee gaan. “1. [medeveroordeelde 2] bestuurde de blauwe VW Golf. [medeveroordeelde 3] zou ook meegaan. Er was niet besproken waarom [medeveroordeelde 3] mee ging; hij was er op een bepaald moment. “1. Op 2 september 1998 reed [medeveroordeelde 4] met mij in mijn auto mee. Op een gegeven moment had ik een lekke band. [medeveroordeelde 1] kwam mij helpen en kwam in een busje aanrijden. Bij een Shell pompstation is de band verwisseld. Mijn travelpas was geblokkeerd en ik heb toen mijn telefoon ais onderpand gegeven. Mijn telefoon bleef als onderpand achter bij de pomphouder. “1. Na in cafe [B] in Nijmegen te zijn geweest ben ik met [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 8] Boszdemir, [medeveroordeelde 4] en [betrokkene 1] naar het huis van [medeveroordeelde 1] in Arnhem gereden. [medeveroordeelde 7] en [aanvrager] waren daar ook. Er werd niet gesproken over de plaats waar we heen gingen omdat iedereen dat wist. Bij een tankstation op de Overmaat te Arnhem zijn de Volkswagen Golf en het busje van [medeveroordeelde 3] vol getankt. “1. Ik had handschoenen, touw en wapens in de auto. [medeveroordeelde 9] en [medeveroordeelde 8] hadden wapens. In het huis van [medeveroordeelde 1] was tevoren besproken wie er wapens zouden meenemen. Bij [medeveroordeelde 1] thuis was ook besproken dat er touw mee moest. “1. Het was wel min of meer besproken dat [betrokkene 1] zou schieten omdat hij niet goed bij zijn hoofd was. [betrokkene 1] was voor 60% gek verklaard. “1. [medeveroordeelde 3] zou de brandkast meenemen. Het was zo dat hij een busje bij zich had. “1. In de kofferbak van mijn auto lag een blauwe sporttas. Die was van [medeveroordeelde 9] . In die tas zaten sleutels om auto's te repareren. “1. Vanaf de [d-straat] zijn we naar de [a-straat] gereden. “1. Bij mij in de auto zaten [medeveroordeelde 8] , [medeveroordeelde 4] , [medeveroordeelde 9] en [betrokkene 1] . De anderen, [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 7] , zaten in de Volkswagen die door [medeveroordeelde 2] bestuurd werd. “1. De mannen die bij [medeveroordeelde 2] in de auto zaten stapten uit. De mannen die bij mij in de auto zaten stapten ook uit, met uitzondering van [medeveroordeelde 8] . [medeveroordeelde 7] haalde de sporttas uit mijn auto. Ik ben over het vlakbij gelegen viaduct gelopen. Ik zag in de koepeltjes op dat viaduct plafondschilderingen. “1. Op een gegeven moment kwam er een auto aanrijden waar een vrouw in zat. De vrouw stapte uit de auto en liep om het huis heen. Ik heb gezien dat de vrouw de trap aan de achterzijde van het huis opliep. Toen de vrouw met de auto de oprit op reed ging er een buitenlamp aan de voorzijde van het huis aan. Die lamp heeft een tijdje gebrand. “1. [medeveroordeelde 8] zat in mijn auto. Ik ben in de richting van het huis gelopen en hoorde een aantal knallen. Ik rende terug naar mijn auto en wilde weg rijden. [medeveroordeelde 8] , die in mijn auto zat, zette een pistool tegen mijn hoofd en zei tegen mij:"Wij zijn hier samen gekomen en we gaan ook samen weer weg". “1. [medeveroordeelde 4] , [medeveroordeelde 9] , [betrokkene 1] , [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 7] kwamen er aan. [medeveroordeelde 4] , [medeveroordeelde 9] en [betrokkene 1] gingen bij mij in de auto, de anderen bij [medeveroordeelde 2] . Ik ben weggereden. We zijn naar het huis van [medeveroordeelde 1] gereden. Er werd tijdens de rit tegen [betrokkene 1] gezegd dat deze fout niet gemaakt had mogen worden. Er heerste een gespannen sfeer in de auto. Er zat bloed aan de jas van [betrokkene 1] . [medeveroordeelde 3] reed met zijn busje achter ons. “1. [medeveroordeelde 9] zei tegen mij :"Als je je mond opendoet...." “1. [medeveroordeelde 7] is door [medeveroordeelde 9] en [medeveroordeelde 1] bedreigd omdat hij verkeerde informatie zou hebben gegeven. “1. Op een slaapkamer in het huis van [medeveroordeelde 1] is het wapen schoon gemaakt door [medeveroordeelde 4] , [medeveroordeelde 9] en [medeveroordeelde 1] . “1. [aanvrager] heb ik bij de villa zien lopen. “1. De personen die hier als verdachten in de zaal zitten hebben een rol gespeeld bij de inbraak. “1. Bij de overval op 2 september 1998 ben ik als chauffeur opgetreden. Ik was wel vaker chauffeur voor de groep van [medeveroordeelde 4] , [medeveroordeelde 9] en [medeveroordeelde 8] . Wij waren als groep samen. Ik reed omdat ik een auto had. “1. De groep draaide eigenlijk om [medeveroordeelde 9] . “1. De kluis die in het huis zou zitten zou door [medeveroordeelde 3] in zijn bestelbus vervoerd worden. “1. Op de vraag waarom we met zoveel mensen naar de villa aan de [a-straat] gingen antwoord ik dat dat misschien wel nodig was om iets zwaars uit dat huis te halen. “1. 12. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof op 30 mei 2000, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [medeveroordeelde 6] (pag. 9 e.v.): “1. Ongeveer twee/drie weken voor 2 september 1998 is er begonnen met de voorbereidingen voor de overval. [medeveroordeelde 7] , [medeveroordeelde 4] , [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 1] en ik waren daarbij betrokken. [medeveroordeelde 1] heeft het huis waar moest worden ingebroken aangewezen. De besprekingen werden gehouden in het huis van [medeveroordeelde 1] . [medeveroordeelde 8] is daar ook bij geweest. “1. Er is besproken wie er naar binnen zou gaan, wie er wat zou doen en welk huis het betrof. Er is dus een rolverdeling tot stand gekomen. “1. Via de groep ben ik op de hoogte gekomen van het huis waar moest worden ingebroken. Anderen zijn over het huis begonnen. Er is een aantal malen in de auto over gesproken. Er werd ook een rolverdeling afgesproken; ik zou als chauffeur optreden. De rol van [aanvrager] was volgens mij dat hij het alarm zou uitschakelen. “1. Later op de avond heb ik [medeveroordeelde 3] weer gezien bij de woning van [medeveroordeelde 1] . Wij kwamen toen terug van de plaats van de inbraak. [medeveroordeelde 3] stond voor het huis van [medeveroordeelde 1] . “1. In de ochtend van 2 september 1998 zag ik [medeveroordeelde 3] in de woning van [medeveroordeelde 1] . “1. [medeveroordeelde 1] riep ons samen. Dat was in de middag om ongeveer 18.00 a 18.30 uur. [medeveroordeelde 3] zat boven. “1. Ik heb [medeveroordeelde 3] die dag twee keer in het busje zien rijden. “1. 13. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof van 31 mei 2000, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven – als verklaring van de getuige [getuige 3] (pag.22/23): “1. Ik weet dat op 2 september 1998 [medeveroordeelde 4] pech had met een auto. Ik was thuis met [medeveroordeelde 1] . [medeveroordeelde 1] vroeg of hij mijn auto mocht lenen. Ik zei tegen [medeveroordeelde 1] dat hij dan wel benzine moest tanken. Hij kwam terug met die andere auto en al die mensen. “1. [medeveroordeelde 4] en mijn zoon [medeveroordeelde 1] waren op 2 september 1998 rond 18.00/18.30 uur bij mij thuis. “1. 14. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2000, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [medeveroordeelde 4] (pag.44 e.v.): “1. Ik ken [aanvrager] . Ik ben een keer met [medeveroordeelde 9] bij de vriendin van [aanvrager] geweest. Die vrouw had twee honden, waarvan er een drie poten had. “1. Ik ken [medeveroordeelde 8] . Ik heb wel eens met [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 8] in een auto gezeten. Ik zat wel vaker bij [medeveroordeelde 6] in de auto. “1. Op 2 september 1998 ging ik met [medeveroordeelde 6] op weg naar [medeveroordeelde 1] en we kregen in de buurt van Eist een lekke band. We hebben toen vader [medeveroordeelde 1] gebeld en [medeveroordeelde 1] is komen helpen. Bij een tankstation voor Arnhem is er ook getankt. “1. 15. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2000, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [medeveroordeelde 6] (pag.49/50): “1. Toen [betrokkene 1] terug kwam in de auto nadat hij in de villa was geweest zag ik bloed aan zijn jas. Dat bloed was nog niet opgedroogd. “1. 16. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof van 23 juni 2000, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [medeveroordeelde 1] (pag. 57 e.v.): “1. Op 2 september 1998 hadden [medeveroordeelde 4] en [medeveroordeelde 6] pech met de auto. [medeveroordeelde 4] belde mij op en ik ben toen met de bestelwagen van mijn vader naar hen toe gegaan. [medeveroordeelde 6] moest tanken. Hij had geen geld bij zich en de benzinepas deed het niet. [medeveroordeelde 6] heeft zijn telefoon toen als onderpand gegeven. Later die dag ben ik [medeveroordeelde 6] tegen gekomen. Het tanken bij [C] was om ongeveer 17.00 uur. “1. 17. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 416 gevoegd bij het proces-verbaal met het dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 9] , hoofdagent van politie, gesloten en getekend op 12 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 4] : “1. Ik ben mede-eigenaar van Shell tankstation " [C] ", gevestigd aan het [e-straat 1] te Arnhem. U vraagt mij of ik mij iets kan herinneren betreffende het tanken met een tankpas van Travel TC Card die geweigerd werd en waarvoor ik een mobiele telefoon in onderpand kreeg. De man zou gereden hebben in een Mercedes 190 diesel. “1. Ik kan mij zo'n dergelijk voorval herinneren. Dat is een aantal maanden geleden. Ik kan mij herinneren dat ik zelf aanwezig was. Nu ik er goed over nagedacht heb is dat geweest op mijn trouwdag. Mijn trouwdag is op 2 september. Ik kan mij dat herinneren omdat ik, na het voorval van het tanken waarbij de travelcard weigerde, moest wachten op geld. Ik moest mij daarna haasten. Het was tegen de avond dat dit voorval plaatsvond. Het was zeker nog licht buiten. “1. Er werd voor een bedrag van f. 130,-- benzine getankt bij pomp 3. Er kwam een Turkse man naar binnen die klein van stuk was. Deze man wilde het tanken betalen met een Travel TC Card, doch deze kaart was geblokkeerd voor het tanken van benzine. In ieder geval weigerde de card. Hij had ook geen contant geld bij zich om te betalen. De man liep naar buiten, waarop ik met hem meeliep. Ik zag dat er een Ford Transit busje bij pomp 3 stond. De man die wilde betalen was met een grijze Mercedes 190d. Ik zag bij het Ford busje twee Turkse mannen die ik vaker bij ons gezien had. De naam moet ik wel weten. U noemt mij de naam [medeveroordeelde 1] . Dat klopt. “1. De man met de tankpas wilde weggaan met de Mercedes. Ik accepteerde dat niet, waarop de man mij aanbood om zijn mobiele telefoon achter te laten. Ik heb dat geaccepteerd. “1. Enkele dagen hierna, na het weekend, kwam de man van de Mercedes terug om zijn mobiele telefoon op te halen en heeft contant afgerekend. Wij hebben in onze administratie gezocht, doch de nota die ik had opgemaakt, is verscheurd nadat er contant betaald werd. “1. Het enige wat wij kunnen vinden is dat op 2 september 1998 om 17.05 uur is getracht met een tankpas of iets dergelijks te betalen doch dat dat niet lukte en vervolgens is gewist. “1. (…) “1. 19. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof van 27 november 1998, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van de getuige [medeveroordeelde 8] : “1. [medeveroordeelde 6] heb ik in Meppel ontmoet. “1. [medeveroordeelde 4] kende ik wel. “1. Op 13 augustus 1998 waren we met z'n vieren. De auto werd bij een viaduct geparkeerd. Dat was in een grote stad. [medeveroordeelde 9] en [aanvrager] zijn toen uitgestapt en ze zijn bij een woning geweest. “1. Over "de groep" rond [medeveroordeelde 9] kan ik verklaren dat [medeveroordeelde 9] de planner is van inbraken. De leden van "de groep" hebben altijd wapens bij zich. “1. 20. een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen - als bijlage 620 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 10] en [verbalisant 11] , respectievelijk inspecteur en hoofdagent van politie, gesloten en ondertekend op 1 juli 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten: “1. Op 30 juni 1999 omstreeks 22.30 uur hebben wij een onderzoek ingesteld naar de werking van een buitenlamp, die bevestigd is aan de voorgevel van perceel [a-straat 1] . “1. Wij zagen dat de lamp met sensor goed en naar behoren functioneerde. Deze buitenlamp werkt vanaf het invallen van de schemering/duisternis. Wij merken op dat [medeveroordeelde 6] in een van zijn verklaringen heeft gesproken over het feit dat hij, staande bij een hek op een pad aan de achterzijde van de woning (perceel [a-straat 1] te Arnhem) zag, dat een buitenlamp aan de voorzijde van de woning ontstak, nadat een auto de inrit inreed en een vrouw voor de woning liep. Voorts heeft [medeveroordeelde 6] verklaard dat het daarvoor donker was rond de woning en dat de buitenlamp fel licht straalde. “1. Ter plaatse bleek inderdaad dat hetgeen [medeveroordeelde 6] heeft verklaard met betrekking tot zijn waarneming van dit buitenlicht, overeenkomt met de realiteit. “1. Het is namelijk mogelijk om, staande achter de woning, voor een deel waar te nemen wat er voor de woning gebeurt. De hal van de woning is aan de voor- en achterzijde voorzien van een niet afgedekte heldere glazen wand. Hierdoor is het mogelijk om staande achter de woning door de hal heen voor de woning zaken waar te nemen. “1. 21. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 425 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 13 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 6] : “1. U vraagt mij in welke auto [medeveroordeelde 2] reed, toen wij op de 2e september 1998 vanaf de woning van [medeveroordeelde 1] naar het huis op de [a-straat] reden. Dat was een donker blauwe Volkswagen Golf. Volgens mij. bouwjaar 1985 of 1986. “1. 22. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 440 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 1 5 apirl 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 6] : “1. In de woning van [medeveroordeelde 1] werd onderling Turks gesproken. Alles wat wij bespraken werd in het Nederlands door [medeveroordeelde 1] aan [medeveroordeelde 7] verteld. Ik hoorde dat [medeveroordeelde 1] letterlijk wat in het Turks besproken werd in het Nederlands vertaalde aan [medeveroordeelde 7] . [medeveroordeelde 7] was van alles goed op de hoogte. [medeveroordeelde 1] voerde het woord. [medeveroordeelde 1] bepaalde en zei dat [medeveroordeelde 8] bij mij moest blijven. De taak van [medeveroordeelde 4] was dat als er iemand het huis binnen zou komen, dat hij die iemand moest vastbinden. [medeveroordeelde 9] moest van [medeveroordeelde 1] meedoen aan deze inbraak omdat hij ervaring had met inbreken. Voor de 2e september 1998 zijn 1 of meerdere besprekingen geweest over deze inbraak. Iedereen was hierbij aanwezig met uitzondering van [betrokkene 1] . [medeveroordeelde 7] moest van [medeveroordeelde 1] meedoen aan deze inbraak, omdat hij ervaring had om in te breken en deuren open te maken. “1. [betrokkene 1] moest van [medeveroordeelde 1] meedoen aan deze inbraak, omdat [betrokkene 1] een verklaring had van een psychiater uit Duitsland, dat [betrokkene 1] geestelijk niet in orde was. Dit was het idee van [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 4] . Ik had dit al bij eerdere besprekingen gehoord en ook op de 2e september 1998. Ik hoorde dat [medeveroordeelde 4] zei, dat als er in het huis geschoten moest worden, [betrokkene 1] dat moest doen. [betrokkene 1] moest dat doen omdat hij in het bezit was van een rapport van een psychiater en daardoor een kortere straf zou krijgen. [betrokkene 1] zou niet alleen een pistool, maar als dat nodig zou zijn ook een mes moeten gebruiken. Dat was allemaal afgesproken. “1. [medeveroordeelde 2] kreeg als opdracht van [medeveroordeelde 1] om buiten in de auto te wachten. “1. 23. een geschrift, zijnde een fotocopie van ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 451 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 16 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 6] : “1. Toen wij in de woning waren van [medeveroordeelde 1] op de [f-straat] te Arnhem, kwam daar ook een vriend van mij, [medeveroordeelde 3] . Hij woont in Amsterdam. [medeveroordeelde 3] kwam bij [medeveroordeelde 1] op de 2e september 1998 met een Volkswagen Transporter. Dit busje was wit van kleur. Toen wij wegreden bij [medeveroordeelde 1] was [medeveroordeelde 3] de bestuurder van het busje. Ik reed met mijn Mercedes en [medeveroordeelde 2] reed in de Volkswagen Golf. Wij waren toen op weg naar het huis waar de inbraak zou worden gepleegd. “1. [medeveroordeelde 3] was op de hoogte met wat er zou gaan gebeuren die avond omdat [medeveroordeelde 1] hem het verhaal had verteld dat er een inbraak gepleegd zou worden. Ik hoorde van [medeveroordeelde 1] dat het busje bestemd was om de brandkast te gaan vervoeren. Ik hoorde van [medeveroordeelde 9] dat de brandkast naar een adres moest waar [aanvrager] verbleef. “1. Ik zag dat [medeveroordeelde 3] met zijn busje achter mij aan reed. “1. 24. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 472 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 15 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 6] : “1. Naar ik mij kan herinneren waren wij bij [medeveroordeelde 7] op de Apeldoomseweg te Arnhem ongeveer twee weken voor de 2e september 1998. [medeveroordeelde 7] , [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 8] , [medeveroordeelde 4] en ik stapten in mijn auto. Wij reden in de richting van Apeldoorn. “1. Wij reden in de richting van het huis waar later ingebroken werd. Toen wij weer langs het huis kwamen zei [medeveroordeelde 1] weer:”Daar moest ingebroken worden". Ik zag dat [medeveroordeelde 1] het huis bedoelde waar later daadwerkelijk ingebroken werd. “1. 25. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 488 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422- opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 28 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 6] : “1. Ik hoorde van [medeveroordeelde 1] , toen hij en de anderen in het huis waren en aan het zoeken waren op de benedenverdieping van dat huis, dat de vrouw die in het huis verbleef naar beneden kwam lopen. Ik hoorde ook van [medeveroordeelde 1] dat [betrokkene 1] toen direct zijn pistool pakte en daarmee de vrouw bedreigde. Ik hoorde van [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 4] , in ieder geval hoorde ik het zeer zeker van [medeveroordeelde 1] , dat toen de vrouw was doodgeschoten van haar pols een armband werd afgenomen door [betrokkene 1] . Verder hoorde ik van [medeveroordeelde 1] dat er wat geld en andere dingen zijn weggenomen. Ik hoorde later in de woning van [medeveroordeelde 1] dat er nog een vrouw was neergeschoten. “1. Toen [betrokkene 1] in de auto stapte na de inbraak op de [a-straat] zag ik vers bloed op de jas zitten. Ik zag dat het bloed nog vochtig was. “1. In de woning van [medeveroordeelde 1] , na de inbraak op de [a-straat] te Arnhem, kreeg [medeveroordeelde 1] ruzie met [betrokkene 1] . [medeveroordeelde 1] verweet [betrokkene 1] dat hij de vrouw had neergeschoten. “1. 26. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 489 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 28 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 6] : “1. Toen ik in cafe [B] te Nijmegen was, hoorde ik in een gesprek tussen [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 4] en [medeveroordeelde 9] dat [betrokkene 1] , toen hij de vrouwen had beschoten, een portemonnee uit een tas van een van de vrouwen heeft gehaald en meegenomen. Deze portemonnee was van de vrouw die later het huis in kwam. “1. 27. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 520 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 20 mei 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 6] : “1. Ik parkeerde mijn auto op de avond van de 2e september 1998, op het moment dat de inbraak in het huis werd gepleegd, op de parallelweg langs de [a-straat] te Arnhem. Toen ik daar uit mijn auto, de Mercedes, stapte, opende ik de kofferbak van de auto. Toen ik om de auto liep en de kofferbak opende, zat [medeveroordeelde 8] nog op de achterbank van mijn auto. “1. 28. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 357 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 12] en [verbalisant 7] , beiden hoofdagent van politie, gesloten en getekend op 30 maart 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 2] : “1. [medeveroordeelde 9] zei dat hij een huis wist aan de [a-straat] waar veel geld en ook "mal" was. Mal is het Turkse woord voor verdovende middelen. [medeveroordeelde 9] heeft tegen mij gezegd dat het om een huis aan de [a-straat] ging. [medeveroordeelde 9] zei dat hij wilde gaan inbreken. “1. 29. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 385 gevoegd bij het proces-verbaal met het dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 7] voornoemd, gesloten en getekend op 16 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 2] : “1. [medeveroordeelde 8] liep ook altijd met wapens rond. [medeveroordeelde 8] heet eigenlijk [medeveroordeelde 8] . “1. [medeveroordeelde 3] woont in Amsterdam. Hij is iemand die zich bazig kan gedragen. Ook door [medeveroordeelde 9] wordt [medeveroordeelde 3] met respect behandeld. “1. Mijn broer [medeveroordeelde 1] kent [medeveroordeelde 3] goed. “1. 30. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 499 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 12] voornoemd en [verbalisant 8] , hoofdagent van politie, gesloten en getekend op 4 mei 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 2] : “1. Bij het huis van [medeveroordeelde 1] , voor de ingang van de flat, zag ik een aantal mensen staan. Ik zag dat [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 8] met het lange haar, kale [medeveroordeelde 4] , [medeveroordeelde 6] , [betrokkene 1] uit Duitsland, [medeveroordeelde 3] , [medeveroordeelde 7] en mijn broer [medeveroordeelde 1] daar stonden. “1. De auto van [medeveroordeelde 3] was een busje. “1. Ik zag dat [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 8] , [medeveroordeelde 6] , kale [medeveroordeelde 4] en [betrokkene 1] naar de Mercedes van [medeveroordeelde 6] liepen. Ik ben met [medeveroordeelde 1] meegelopen naar een Volkswagen Golf. Ik kreeg de sleutels van de auto van [medeveroordeelde 1] . Ik ging achter het stuur zitten. [medeveroordeelde 1] ging op de passagiersstoel zitten en [medeveroordeelde 7] ging achter in de auto zitten. [medeveroordeelde 1] zei dat de inbraak met z'n allen gepleegd zou worden en zei dat ik in de richting van de [a-straat] moest rijden. [medeveroordeelde 1] zei dat ik buiten kon wachten tot zij terug zouden komen. Ik reed naar de [a-straat] . Toen we op die weg reden zei [medeveroordeelde 1] tegen mij dat ik moest stoppen. Ik zag dat de Mercedes van [medeveroordeelde 6] in de richting van Apeldoorn, aan de rechterzijde van de weg stond. “1. Nadat ik gestopt was zijn [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 7] uit de auto gestapt. Nadat [medeveroordeelde 7] was uitgestapt, pakte hij uit de kofferbak van de auto een tas. “1. Ik zag dat [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 7] terug kwamen lopen. Ik zag dat ze snel liepen. “1. Ik zag dat [medeveroordeelde 7] de tas weer bij zich droeg. [medeveroordeelde 7] ging weer achterin zitten. [medeveroordeelde 1] ging weer naast mij zitten. Ik hoorde dat [medeveroordeelde 1] zei:" [betrokkene 1] heeft een wijf doodgeschoten". “1. Vanaf de [a-straat] ben ik weer naar de woning van [medeveroordeelde 1] gereden. Na ongeveer 2 minuten vertrok ik uit de woning. Toen ik wegging was [medeveroordeelde 7] nog in de woning van [medeveroordeelde 1] . [medeveroordeelde 9] en kale [medeveroordeelde 4] kwamen mij achterop en zeiden dat ik hen ergens naar toe moest rijden. Ze zeiden dat ze naar een vrouw wilden gaan. Ik stuurde de auto naar een woning, op aanwijzing van [medeveroordeelde 9] . We zijn daar uitgestapt en de woning van die vrouw binnengegaan. De vrouw heeft twee honden, waarvan er een maar drie poten heeft. In die woning was [aanvrager] aanwezig. [medeveroordeelde 9] heeft met [aanvrager] staan praten. “1. Ik heb [medeveroordeelde 3] of zijn auto niet gezien in de nabijheid van de woning waar ingebroken werd. Later die avond, vroeg ik [medeveroordeelde 9] waarom [medeveroordeelde 3] er ook bij was. [medeveroordeelde 9] zei toen dat dat was voor het geval er iets zwaars uit de woning meegenomen moest worden. “1. 31. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 478 gevoegd bij het proces-verbaal met het dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 7] voornoemd, gesloten en getekend op 6 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven – als verklaring van [medeveroordeelde 2] : “1. Waarschijnlijk was het wel de bedoeling dat de buit van de inbraak naar [aanvrager] gebracht zou worden, want we zijn na de inbraak naar de woning van [getuige 5] , waar [aanvrager] ook was, gegaan. “1. Toen we bij [getuige 5] waren geweest, die avond van de 2e september 1998, heb ik aan [medeveroordeelde 9] gevraagd waarom wij naar [aanvrager] toe moesten. Ik hoorde dat [medeveroordeelde 9] tegen mij zei:"Wat wij uit dat huis gehaald zouden hebben, moesten we naar [aanvrager] brengen". “1. Toen we bij de woning van [medeveroordeelde 1] weggingen, zag ik [aanvrager] uit de woning van [medeveroordeelde 1] komen. Ik zag dat [medeveroordeelde 3] en [aanvrager] naar het busje liepen. Ik heb gezien dat [aanvrager] in het busje stapte. “1. U vraagt mij wat er uit de villa gestolen zou worden. Ik weet alleen dat het "mal" zou moeten zijn. Met mal bedoel ik cocaine. Er werd ook gesproken over "para", dat betekent geld. “1. 32. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 404 gevoegd bij het proces-verbaal met het dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 15] en [verbalisant 16] , respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie, gesloten en getekend op 1 1 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 1] : “1. [medeveroordeelde 9] heeft tegen mij gezegd dat hij een huis wist waar veel geld was te halen. Ik zat toen in de auto. In de auto zaten [medeveroordeelde 4] , [medeveroordeelde 6] , [medeveroordeelde 8] met lange haren, [medeveroordeelde 9] en ik. Het gesprek ging over een paar miljoen. Ik was nieuwsgierig, dat trok mij wel aan. Daarna begonnen ze over een huis. [medeveroordeelde 9] zei een groot beveiligd huis. [medeveroordeelde 9] zei dat hij met wapens zou gaan, we zouden de mensen gijzelen. In het gesprek legde [medeveroordeelde 9] uit welk huis hij bedoelde. Hij bedoelde een groot huis met beveiliging. [medeveroordeelde 9] had het over een kluis. “1. Ik ging een periode om met de groep van [medeveroordeelde 9] , kale [medeveroordeelde 4] , [medeveroordeelde 6] , [medeveroordeelde 8] en [medeveroordeelde 2] . In die tijd ging ik ook om met [medeveroordeelde 7] . “1. 33. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 415 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16] voornoemd, gesloten en getekend op 11 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 1] : “1. U vraagt mij naar het voorval dat [medeveroordeelde 6] met pech langs de weg stond. Ik kan mij dat herinneren. Er is toen naar mijn ouders gebeld. Ik ben gegaan. Kale [medeveroordeelde 4] was bij [medeveroordeelde 6] . Ik heb de band verwisseld. Ik ben naar een Shell tankstation in Arnhem Zuid gereden. [medeveroordeelde 6] reed achter mij aan. “1. 34. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 410 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 6] , respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie, gesloten en getekend op 11 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 4] : “1. Ik weet dat [medeveroordeelde 6] eigenaar is van een Mercedes. U vraagt mij of ik wel eens bij [medeveroordeelde 6] in de auto, de Mercedes, heb gezeten toen hij een lekke band kreeg. Ja, dat is wel een keer voorgekomen. Toen wij op weg naar Arnhem waren knapte de band. Ik heb toen naar de vader van [medeveroordeelde 1] gebeld. Ik kreeg [medeveroordeelde 1] aan de telefoon. Ik heb hem hulp gevraagd. [medeveroordeelde 1] kwam om ons hulp te bieden. [medeveroordeelde 1] verwisselde het wiel van de auto. U vertelt mij dat dit voorval op 2 september 1998 plaats vond. “1. U vraagt mij of ik mij kan herinneren of ik op de avond van het voorval van de lekke band met [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 8] , [medeveroordeelde 6] en [betrokkene 1] met de auto van [medeveroordeelde 6] , de Mercedes, vanuit koffiehuis [B] te Nijmegen naar de woning van [medeveroordeelde 1] ben gereden. Het klopt inderdaad dat wij naar de woning van [medeveroordeelde 1] zijn gereden. Ik ken [medeveroordeelde 7] . “1. 35. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 286 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 7] voornoemd, gesloten en getekend op 9 maart 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 9] : “1. Ik ga elke dag om met [medeveroordeelde 4] en [medeveroordeelde 2] . Ik ken de broer van [medeveroordeelde 2] , [medeveroordeelde 1] genaamd. [medeveroordeelde 4] en [medeveroordeelde 2] zeiden tegen mij dat ze wisten dat [medeveroordeelde 8] iets met de moord op de [a-straat] te maken had. Er werd ook gezegd dat een of twee jongens uit Amsterdam met die moord te maken hadden. Ik kende al een [medeveroordeelde 8] . Het werd mij duidelijk dat zij [medeveroordeelde 8] bedoelden die eigenlijk [medeveroordeelde 8] heet. Ik zei tegen [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 4] dat ik gehoord had dat [medeveroordeelde 1] er iets mee te maken had. “1. [medeveroordeelde 6] ken ik via [medeveroordeelde 4] . “1. Ik hoorde van [medeveroordeelde 7] dat [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 8] elkaar kennen. “1. [medeveroordeelde 7] heb ik via [medeveroordeelde 1] leren kennen. “1. [aanvrager] ken ik al jaren. De achternaam van [aanvrager] is [aanvrager] . [aanvrager] kwam wel eens bij een vrouwtje. Die vrouw had twee honden. Ze heet [getuige 5] . “1. 36. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 290 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 7] voornoemd, gesloten en getekend op 10 maart 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 9] : “1. [medeveroordeelde 3] ken ik. Hij is een kennis van [medeveroordeelde 1] en ook van [medeveroordeelde 4] . “1. [medeveroordeelde 3] woont in Amsterdam. “1. 37. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 515 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 17] , hoofdagent van politie en [verbalisant 8] voornoemd, gesloten en getekend op 18 maart 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 3] : “1. Ik kan u vertellen dat ik [medeveroordeelde 6] inderdaad ken. “1. Ik ken de man van foto 1, dat is [medeveroordeelde 9] . Ik heb hem enkele malen in het cafe gezien, samen met [medeveroordeelde 6] . “1. Ook foto 3 ken ik, dat is [medeveroordeelde 4] . Hij was ook samen met onder andere [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 9] . “1. U toont mij nu foto 8. U vertelt mij dat dit [medeveroordeelde 1] betreft. Ik ken deze man toch wel. “1. U toont mij foto 7. Ik heb deze persoon gezien bij de personen uit de groep die ik reeds heb genoemd. Als u zegt dat hij [medeveroordeelde 2] heet, dan zou dit kunnen kloppen. “1. U toont mij foto 4. U zegt mij dat hij [medeveroordeelde 8] heet, of bekend is als [medeveroordeelde 8] . Ik ken hem. “1. U toont mij foto 22. Ik hoor van u dat deze man [betrokkene 1] heet. Ik ken deze man wel. “1. 38. een geschrift, zijnde fotomap 1, met de daarbij behorende namenlijst - als bijlage 618 gevoegd het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - voorzover inhoudende: “1. Namenlijst fotoboek: “1. 1. [medeveroordeelde 9] [geboortedatum] -1965 PL070098:000434 “1. 2. [aanvrager] [geboortedatum] -1968 PL070099:000128 “1. 3. [medeveroordeelde 4] [geboortedatum] -1954 PL070098:000433 “1. 4. [medeveroordeelde 8] [geboortedatum] -1959 PL0700098:000432 “1. 5. [medeveroordeelde 7] [geboortedatum] -1969 GPARNH91:000696 “1. 7. [medeveroordeelde 2] [geboortedatum] -1965 PL070093:000354 “1. 8. [medeveroordeelde 1] [geboortedatum] -1967 PL070098:000467 “1. 12. [medeveroordeelde 6] [geboortedatum] -1968 PL070098:000431 “1. 22. [betrokkene 1] , [betrokkene 1] [geboortedatum] -1968 5006/98 (DLD) “1. 39. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 312 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 7] voornoemd, gesloten en getekend op 16 maart 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 8] : “1. Ik ken een [medeveroordeelde 1] . De [medeveroordeelde 1] die ik ken is een broer van [medeveroordeelde 2] . Zowel [medeveroordeelde 1] als [medeveroordeelde 2] heb ik leren kennen via [medeveroordeelde 9] . Ik heb een keer samen met [medeveroordeelde 1] in een auto gezeten. Daar waren ook [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 4] . “1. Ik heb wel eens bij [medeveroordeelde 6] in de auto gezeten. De auto van [medeveroordeelde 6] is een Mercedes. [medeveroordeelde 3] is een hele goede vriend van [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 9] en [medeveroordeelde 4] . [medeveroordeelde 3] verblijft in Amsterdam. “1. [medeveroordeelde 9] heeft vaak een wapen. “1. 40. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 481 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 27 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [aanvrager] : “1. Ik kan mij herinneren dat ik in de maanden juli of augustus 1998 met [medeveroordeelde 9] gesproken heb over het omzeilen van een alarmbeveiliging en over hoe je een kluis zou kunnen openen. “1. Ik zei [medeveroordeelde 9] toen dat ik een kluis los zou krijgen. “1. 41. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 326 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 18 maart 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [aanvrager] : “1. Op de avond van 2 september 1998 was ik in de woning van [getuige 5] te Arnhem. De mij bekende [medeveroordeelde 9] en [medeveroordeelde 2] kwamen in de woning van [getuige 5] . Naar mijn weten was er nog een derde persoon bij, dat was de kale Turk, genaamd [medeveroordeelde 4] . “1. Ik hoorde dat [medeveroordeelde 2] zei:”ln dat vrijstaande huis was geen geld te krijgen." “1. 42. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 328 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 20 maart 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [aanvrager] : “1. [medeveroordeelde 9] gaat meestal zelf mee om iets te plegen. Er doen er dan nog wel meer mee, zoals [medeveroordeelde 8] , [medeveroordeelde 2] , ik en de kale [medeveroordeelde 4] . Ik spreek dan over de periode juni, juli, augustus en september. [medeveroordeelde 9] heeft dan meestal het idee wat er gedaan moest worden. “1. Van mij heeft hij de kennis nodig om in te breken. Vaak gaat het om de positie van het huis, ik bedoel de ligging, danwel ligt het uit het zicht. Zijn er buren. Zijn de mensen thuis, ligt er daadwerkelijk geld enz. Is het mogelijk om er bijvoorbeeld aan de achterzijde bij te komen. [medeveroordeelde 9] zei dan ook wel dat er een wapen meegenomen moest worden. Mocht er iemand aangetroffen worden in de woning dan zei [medeveroordeelde 9] ...(Opmerking verbalisanten: [aanvrager] maakt een beweging met zijn hand alsof hij een vuurwapen afdrukt) “1. 43. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 335 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door [verbalisant 18] , inspecteur van politie en de verbalisant [verbalisant 4] voornoemd, gesloten en getekend op 22 maart 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [aanvrager] : “1. Ik wil toevoegen dat [medeveroordeelde 9] en [medeveroordeelde 2] , voordat ze iets wilden gaan doen, ik bedoel daarmee observeren en inbreken, daarvoor enkele weken de tijd namen. “1. 44. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 487 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] voornoemd, gesloten en getekend op 27 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven -: “1. als relaas van verbalisanten: “1. Wij toonden [aanvrager] een foto met daarop afgebeeld [betrokkene 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968. “1. als verklaring van [aanvrager] : “1. De persoon op de foto die u mij toont ken ik. Ik zag hem in de woning van [getuige 5] . Dat was op de avond toen [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 4] en [medeveroordeelde 2] daar binnenkwamen. [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 4] , [medeveroordeelde 2] en de persoon op de foto zijn daar kort gebleven. “1. 45. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 407 gevoegd bij het proces-verbaal met het dossiernummer 09-006422 - opgemaakt door [verbalisant 13] en [verbalisant 14] , beiden hoofdagent van politie, gesloten en getekend op 11 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 7] : “1. In de periode van begin augustus 1998 tot en met eind november 1998 heb ik omgang gehad met [medeveroordeelde 9] en [medeveroordeelde 2] , [medeveroordeelde 4] en [medeveroordeelde 1] . Ik was een beetje chauffeur voor [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 9] . Door [medeveroordeelde 1] ben ik in contact gekomen met [medeveroordeelde 9] en zijn vrienden. Ik weet dat [medeveroordeelde 9] met zijn achternaam [medeveroordeelde 9] heet. [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] heten met hun achternaam [medeveroordeelde 1] . “1. 46. een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 408 gevoegd bij proces-verbaal met het dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] voornoemd, gesloten en getekend op 1 1 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 7] : “1. Ik heb wel eens gezien dat [medeveroordeelde 1] een oude verroeste revolver bij zich had. Ook [medeveroordeelde 9] had een wapen. Het was een groot wapen. “1. 47. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 443 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] voornoemd, gesloten en getekend op 15 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeveroordeelde 7] : “1. Ik heb reeds verklaard dat ik in de getoonde fotomap een persoon mis. Deze persoon is de enige die geld heeft. Hij is een klein rottig ventje. Zijn vader heeft een cafe in Amsterdam. Die hoort ook bij de groep. Die persoon ging altijd met [medeveroordeelde 6] om. Het is een nette, geklede man. Het is een Turkse man met steil, kort achterover gekamd haar. Hij is ongeveer 35/36 jaar oud. “1. 48. een geschrift, zijn de een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 454 gevoegd bij het proces-verbaal met het dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] voornoemd, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven -: “1. als relaas van verbalisanten: “1. Aan [medeveroordeelde 7] werd een foto getoond onder het CRV nummer 1305.103.764, zijnde de foto van [medeveroordeelde 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969. “1. als verklaring van [medeveroordeelde 7] : “1. U toont mij een foto. Deze persoon op de foto herken ik als zijnde de vriend van [medeveroordeelde 6] . Dat is de man die werkzaam is in het Turkse cafe in Amsterdam. “1. 49. een geschrift, zijnde een fotocopie van een ambtsedig proces-verbaal - als bijlage 453 gevoegd bij het proces-verbaal met het dossiernummer 98-006422 - opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16] voornoemd, gesloten en getekend op 19 april 1999, voorzover inhoudend - zakelijk weergegeven – als verklaring van [medeveroordeelde 7] : “1. U vraagt mij wie ik op 2 september 1998 gezien heb. Ik heb gezien [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 8] , [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 2] , [medeveroordeelde 4] en vermoedelijk [medeveroordeelde 6] en de vriend van [medeveroordeelde 6] , die "pief" uit Amsterdam. “1. 50. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof van 14 juni 2000, voorzover inhoudend als verklaring van de getuige [verbalisant 18] : “1. Het is mij bekend dat er plafondschilderingen in de koepeltjes op het viaduct waren. “1. 51. het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof van 31 oktober 2000, voorzover inhoudend als verklaring van de getuige [verbalisant 4] : “1. Met betrekking tot het verhaal van [medeveroordeelde 6] over de beschilderde koepeltjes moet ik zeggen dat hij daar daadwerkelijk gelopen moet hebben, anders had hij dat niet kunnen zien.” 5Verzoeken tot nader onderzoek ex art. 461, eerste lid, Sv 5.1. In de zaken van [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] zijn bij de Hoge Raad verzoeken tot nader onderzoek als bedoeld in art. 461, eerste lid, Sv ingediend. Deze verzoekschriften berustten in belangrijke mate op onderzoeksresultaten van de Projectgroep Gerede Twijfel, onder leiding van dr. H. Israëls. Deze resultaten zijn gepubliceerd in het boek ‘De Arnhemse Villamoord; Valse bekentenissen’, waarnaar in de verzoekschriften veelvuldig werd verwezen. 5.2. De verzoeken zijn door mijn ambtgenoot Hofstee doorgeleid naar de voorzitter van de Adviescommissie Afgesloten Strafzaken (hierna: ACAS) met het verzoek een advies uit te brengen over de wenselijkheid van een nader onderzoek, met als aandachtspunten het nut en de noodzaak van het verzochte onderzoek, als ook de vraag of er naar het oordeel van de ACAS andere aanknopingspunten zijn voor nader onderzoek naar het bestaan van gronden voor herziening van de veroordeling. 5.3. Op 20 december 2016 heeft de ACAS schriftelijk een tussenadvies uitgebracht. Naar aanleiding van dit tussenadvies heeft mijn ambtgenoot Hofstee aan de rechter-commissaris van de rechtbank Noord-Holland opdracht gegeven tot het horen van de in het tussenadvies genoemde personen (de veroordeelden en [betrokkene 1] ). Dit heeft geresulteerd in het verhoor van vier van de negen veroordeelden en van eerdergenoemde [betrokkene 1] . Het eindadvies van 8 juni 2018 houdt in dat [medeveroordeelde 6] via zijn Duitse advocaat heeft laten weten dat hij geen nadere verklaring wilde afleggen. Over de inhoud van de wel gehoorde personen houdt het advies het volgende in (p. 5-6): “ “De Commissie vat de ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaringen als volgt samen. “ [medeveroordeelde 2] heeft verklaard dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het bewezen verklaarde delict. Hij heeft voorts verklaard dat de door hem afgelegde verklaringen onder druk van de politie tot stand zijn gekomen en dat de verbalisanten hem de in zijn verklaringen opgenomen uitspraken tijdens de verhoren hebben aangereikt. “ [medeveroordeelde 9] heeft verklaard dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het bewezen verklaarde delict. Hij heeft voorts verklaard nadien van [medeveroordeelde 2] te hebben gehoord dat diens verklaringen onder druk van de politie zijn afgelegd. Volgens [medeveroordeelde 9] had hij in de periode waarin het bewezen verklaarde delict plaatsvond grote problemen met [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 4] , omdat zij veronderstelden dat [medeveroordeelde 9] hen in een andere zaak had verraden en dat zij daardoor in die zaak in Duitsland waren veroordeeld. “ Dat laatste aspect komt terug in de verklaring van [medeveroordeelde 1] . Ook hij heeft verklaard over de druk die tijdens de verhoren in het kader van de strafzaak door opsporingsambtenaren werd uitgeoefend. [medeveroordeelde 1] heeft voorts opgemerkt dat [medeveroordeelde 9] en een andere (Turkse) man indertijd wel hebben gesproken over een wit huis of een witte villa, maar dat de politie daarvan heeft gemaakt dat dit gesprek betrekking had op de villa waarin op 2 september 1998 een gewelddadige overval plaatsvond. “ Ook [aanvrager] heeft verklaard onschuldig te zijn en dat hij door de politie is gedwongen te verklaren. Hij heeft verklaard na juli 1998 geen contact meer te hebben gehad met [medeveroordeelde 9] , in verband met een hoog oplopende ruzie tussen hen. Volgens [aanvrager] is zijn in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring dat hij in de avonduren van 2 september 1998 bij de getuige [getuige 5] was hem door de verhorende opsporingsambtenaren opgedrongen. De door hem in een verklaring benoemde uitspraak van [medeveroordeelde 2] – dat er in die woning niets viel te halen – zou betrekking hebben gehad op een woning in Nijmegen waar hij ( [aanvrager] ), met [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 9] , enkele maanden voor september 1998 was geweest. Het zou, aldus [aanvrager] , de politie zijn geweest die deze uitspraak heeft betrokken op de gewelddadige overval op 2 september 1998. “ Ook [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de gewelddadige overval waarbij [slachtoffer 1] is doodgeschoten. Hij heeft opgemerkt dat hij op de desbetreffende avond in Duitsland was, op verjaardagsvisite.” 5.4. Bij de bespreking van de herzieningsaanvraag zal ik diverse malen aan de in het eindadvies door de ACAS opgenomen bevindingen en conclusies refereren. Hier wil ik nog kort volstaan met de opmerking dat de ACAS, tegen de achtergrond van haar bevindingen, geen aanleiding heeft gezien om te adviseren nader onderzoek te doen naar de totstandkoming van de bekennende verklaringen van [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] . In het verzoek tot nader onderzoek was onder meer verzocht om een analyse van de (audiovisuele registratie van
  4. de)verhoren (van [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] ) door deskundigen en een onderzoek door een deskundige (rechtspsycholoog) naar de vraag of [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] valse bekentenissen hebben afgelegd. De commissie meende dat met haar werkzaamheden voldoende tegemoet was gekomen aan het merendeel van de in het verzoek tot nader onderzoek verzochte onderzoekshandelingen. 5.5. Wel heeft de ACAS in haar eindadvies geadviseerd tot nader DNA-onderzoek en dactyloscopisch onderzoek. Mijn ambtgenoot Hofstee heeft het door de ACAS gewenste onderzoek laten uitvoeren. Het onderzoek was gericht op de vergelijking van de nog bij het NFI beschikbare DNA-sporen met de DNA-profielen in de DNA-databank en op de vergelijking van dactyloscopische sporen met de in HAVANK opgeslagen vingerafdrukken. De resultaten van deze onderzoeken zijn neergelegd in vier onderzoeksrapporten. Het DNA-onderzoek heeft niet geleid tot een match in de DNA-databank. Verder heeft de vergelijking van dactyloscopische sporen met de (overige) in HAVANK opgeslagen vingerafdrukken niet geleid tot een herkenning. 5.6. Na inventarisatie of nog aanvullende onderzoekswensen bestonden, heeft mijn ambtgenoot Hofstee bij brieven van 16 december 2019 bericht dat de procedure ex art. 461 Sv was afgerond en dat de veroordeelden namens wie om nader onderzoek was verzocht, in de gelegenheid waren om met inachtneming van de resultaten van het nader onderzoek een herzieningsaanvraag te laten indienen bij de Hoge Raad. 6De herzieningsaanvraag 6.1. De herzieningsaanvraag berust op de grond dat sprake is van een nieuw gegeven dat bij het onderzoek ter terechtzitting aan het hof niet bekend was en dit gegeven het ernstige vermoeden doet ontstaan dat als het hof daarmee bekend zou zijn geweest, het tot een vrijspraak dan wel een andere in art. 457 Sv genoemde uitspraak zou zijn gekomen. Dat nieuwe gegeven betreft een nieuwe verklaring van de getuige, tevens gewezen medeverdachte, [medeveroordeelde 6] . Deze schriftelijke verklaring, die in oktober 2018 in de Turkse taal is opgemaakt, houdt in de geautoriseerde Nederlandse vertaling het volgende in: “ “Datgene wat ik hier zeg, is helemaal mijn onvervalste verklaring. Mijn vrienden en ik hebben niets te maken met de villa moord gepleegd in 1998. “ Politie Arnhem heeft met druk en met gewelddadigheid mij deze verklaring afgenomen. Het proces van het verhoren dat uren en dagen heeft geduurd, is uitgevoerd. Ze hebben mij voor het verhoor opgeroepen naar aanleiding van de verklaring die [medeveroordeelde 2] had afgelegd. Maar ook al zei ik dat niets met het feit te maken had, toen ik voor de tweede keer werd opgeroepen en met eigen wil ging en een verklaring ging afleggen, hebben ze door bij mij psychologische druk, geweld en dwang te gebruiken mij genoodzaakt om een valse verklaring af te leggen. Geen enkele vriend heeft iets te maken met dit feit. “ Want op 2 september 1998 om 19.30 was de benzine van het voertuig van [medeveroordeelde 1] opgeraakt. [medeveroordeelde 1] heeft, toen hij op weg was naar Nijmegen omdat zijn benzine op was geraakt, omstreeks 19.30 [medeveroordeelde 9] gebeld. En ik ben samen met [medeveroordeelde 9] naar de plek gegaan waar [medeveroordeelde 1] onderweg was blijven steken. Want omdat [medeveroordeelde 1] het niet bij zich had, had hij het aan [medeveroordeelde 9] gevraagd en wij zijn met mijn voertuig Mercedes 190D naar de locatie gegaan waar [medeveroordeelde 1] was. [medeveroordeelde 1] was onderweg naar Nijmegen blijven steken. Wij zijn via de brug richting Nijmegen naar [medeveroordeelde 1] gegaan. ANWB heeft zijn benzine aangevuld, daarna zijn wij naar Nijmegen gekomen, het was inmiddels 20.30. Wij zijn met zijn allen naar een Turkse koffieshop in de buurt van het Centraal Station van Nijmegen gegaan en wij zijn daar tot ongeveer 21.30 gebleven. “ Op dat uur is absoluut geen van ons, ook niet [medeveroordeelde 1] , ook niet [medeveroordeelde 9] en ook niet [medeveroordeelde 4] of één van mijn andere vrienden absoluut niet naar Arnhem gegaan en zijn daar ook niet geweest, waarvan de politie ons beschuldigt. De politie heeft mij urenlang met en zonder video verhoord terwijl zij mij psychologisch martelden en onder druk zetten. Dit ging ook ’s nachts door. Wanneer ik zei dat wij niets met het feit te maken hadden, groeide de woede en het geweld van de politie naar mij toe. Om van hen af te komen naar aanleiding van dit geweld en psychologische druk en te kalmeren heb ik - in lijn met wat zij wilden - een valse, pochende verklaring afgelegd. Elke keer, wanneer ik vertelde over de voertuigen die wij gebruikten, wilden zij van mij - wat ik ook nu zelfs niet weet - het merk en de kleur van het voertuig weten. Hoewel wij niets met het feit te maken hadden, waren zijzelf op zoek naar criminelen. Toen ik voor de rechter-commissaris moest verschijnen, heeft zelfs de rechter-commissaris aan de politie niet gevraagd of zij wetenschappelijke, tastbare documenten in handen had. Hij vroeg en niet naar het DNA-monster, en niet naar de vingerafdruk, en niet naar de vingerafdruk op de kogel dat in het ballistische rapport stond. Hij heeft naar niets gevraagd. “ Kortom, er was een politie- en justitie systeem in werking dat probeerde tot het bewijs te komen via de crimineel. Helaas werd bij ons zonder vorm van proces [een straf] voltrokken. 9-10 Mensen hadden niet op basis van de verklaring van twee personen moeten worden berecht. Helaas was de verklaring en het verhoor van twee personen niet bij de documenten in het dossier terechtgekomen. Wij waren ons aan het voorbereiden om voor de rechter de verschijnen. In de rechtbank heb ik door de angst en de druk mijn verklaring niet kunnen veranderen. Want de politie zei dat ik anders met 15-20 jaar berecht zou worden. Ik ben ’s nachts met en zonder video om 2 uur á 3 uur verhoord. Elk verhoor was een tirannie, een marteling. Toen ik werd verhoord terwijl de tolk erbij was, daarna was ik alleen gebleven nadat de tolk was weggegaan en niet meer was teruggekomen, waarvan ik denk dat dat een plan van de politie was. Het psychologische geweld en de druk nam toe zodat ik een verklaring zou afleggen. Ik had in die periode trouwens ook problemen met mijn vrouw. Ik had dan ook geen kracht meer na het geweld en de druk van deze politie. Van de ene kant slapeloosheid, van de andere kant het geweld en de druk, in wat voor hel was ik in godsnaam terechtgekomen. Ik gaf een verklaring af met helemaal verkeerde informatie. Ik gaf totaal onwerkelijke verklaringen af. [verbalisant 5] (naam van de politieagent die mij verhoorde) zwaaide met zijn vinger alsof hij mij bedreigde, ik vond de schets op mij lijken, hij ging zo ver dat hij zei dat ik de moordenaar was. Hij bedreigde mij zelfs dat ik met 15-20 jaar berecht wou worden. Hij sloeg op de tafel. In de verhoorkamer misbruikte hij de bevoegdheid die de overheid aan hem en andere politieagenten gaf. Hij ging door met het verhoor door het gevoel te geven alsof hij zelf de macht van de staat was en alsof hij zelf de staat was. Ik kon deze druk slechts 2 uur aan. Omdat ik psychologisch van streek en depressief was door mijn ex-vrouw. Door de druk en het geweld tijdens dit verhoor kreeg ik bijna een hartaanval. Ik moest zo snel mogelijk van hen afkomen. En ik gaf een totaal onwerkelijke verklaring af. Ik bedoel dus dat zij stuurden en ik gaf dienovereenkomstig een verklaring af. Ik vertelde over de voertuigen die wij gebruikten, maar omdat ik geen informatie had over het voertuig waar zij naar vroegen, omdat zij niets te weten konden komen over het voertuig waar zij telkens over wilden horen, werden zij woest en gingen zij de druk en het geweld opvoeren. Maar ik had absoluut geen informatie over het voertuig waar zij naar vroegen, want ik en mijn vrienden hadden niets te maken met dit feit. “ Al mijn vrienden - alle negen - die van dit feit zijn beschuldigd, waren op 2 september 1998 in Nijmegen. Geen van ons was op de plaats delict of zijn naar de plaats delict gegaan op het tijdstip dat de politie heeft genoemd. Terwijl wij onschuldig waren, werden negen vrienden, inclusief ik, zonder documenten, zonder bewijsmiddelen beschuldigd. Ik kan u vertellen dat het verhoor dat onder druk en geweld heeft plaatsgevonden, niet overeenkomt met de waarheid. “ Want dit verhoor heeft onder druk, geweld en bedreiging plaatsgevonden. De tijdens dit feit genoemde 9 personen, inclusief ik, zijn ten onrechte berecht en wij, inclusief ik, hebben ten onrechte een gevangenisstraf uitgezeten. Alleen vanwege deze druk en het geweld van de politie, niet vanwege de bewijsmiddelen; de druk en het geweld van de politie die tot het resultaat wou komen vanuit de verdachte heeft ervoor gezorgd dat wij ten onrechte een gevangenisstraf moesten uitzitten. Voor een eerlijk proces moet deze rechtszaak opnieuw aanhangig worden gemaakt en de eer en waardigheid moeten aan mij en aan mijn onschuldige vrienden worden teruggegeven. “ Eigenlijk moeten de politie, de officier van justitie, de rechter-commissaris, de rechters die hebben berecht, iedereen, iedereen die de macht van de staat heeft misbruikt en op mijn rug is gestapt en mij als opstapje heeft gebruikt, [verbalisant 18] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , de officier van justitie, de rechter-commissaris, de rechters zullen ook de hand in dit feit hebben, de verantwoordelijken, iedereen die deze justitie en rechtenschandaal heeft veroorzaakt moet voor de rechter verschijnen en het noodzakelijke moet gedaan worden. “ Een 20 jaar lang durende gewetenswroeging is voor mij genoeg geweest. Deze gebeurtenis is mijn geheim gebleven, heeft geknaagd aan mij, heeft mij slapeloze nachten bezorgd, ik begin psychische problemen te krijgen. Ik wil dat zo snel mogelijk, dat aan mij en aan mijn vrienden, aan mijn ten onrechte berechte en veroordeelde vrienden, in de eerste plaats aan [medeveroordeelde 7], zijn eer en waardigheid wordt teruggegeven. Ik bied in de eerste plaats aan [medeveroordeelde 7] en aan zijn familie en vervolgens aan mijn andere vrienden mijn excuses aan. Ik bied mijn excuses aan iedereen omdat ik hen zo’n soort verdriet heb aangedaan en ik vraag hen met nadruk om mij te vergeven. Hun vergeving zal mijn leed niet helemaal maar gedeeltelijk verminderen. Vanaf nu wil ik bevrijd worden van deze gewetenswroeging. Ik, [medeveroordeelde 6] zeg uit het diepst van mijn hart dat mijn bij de politie afgelegde verklaring absoluut niet overeenkomt met de waarheid. Het is een valse verklaring dat onder druk en marteling van de politie is afgelegd.” 6.2. Aan deze verklaring is nog een aanvullend gedeelte toegevoegd, opgemaakt in de Nederlandse taal, dat als volgt luidt: “ “In aanvulling op mijn verklaring wil ik nog het volgende verklaren: “ Ik heb na de veroordeling altijd in angst geleefd. Ik ben altijd bang geweest om naar Nederland te komen en ben sinds de veroordeling maar één keer in Nederland geweest, om mijn paspoort te verlengen. Ik ben bang dat de politie mij iets aan zal doen als ik iets aan de zaak zal wijzigen. De politie heeft mij dit ook gezegd tijdens de zittingen in hoger beroep, dat als ik mijn verklaringen zou wijzigen, zij mij lang zouden opsluiten en mijn gezin kapot zouden maken. Ik ben vandaag de dag nog steeds bang voor de politie in Arnhem omdat zij hebben laten zien dat zij alles kunnen maken. Zij hebben negen onschuldige mannen veroordeeld zonder dat er bewijs was. Ik ben bang voor mijn kinderen en mijn vrouw dat de politie hen of mij iets aan zal doen hierom. Hierom heb ik ook altijd een geheim leven geleid in Duitsland en heb ik alle contacten met Nederland verbroken. Pas nadat ik zag dat Paul Acda op televisie de waarheid over de zaak zei, heb ik gedurfd om contact met Paul Acda op te nemen voor het zeggen van de waarheid. “ Frankfurt, 10 oktober 2018 “ (w.g.) [medeveroordeelde 6] ” 6.3. In de toelichting op de herzieningsaanvraag wordt aangevoerd dat deze nieuwe verklaring van [medeveroordeelde 6] als feitelijk nieuw gegeven wordt ondersteund door twee afzonderlijke omstandigheden. Allereerst vormt de rechtspsychologische analyse van dr. H. Israëls in het boek “De Arnhemse Villamoord” een ondersteuning voor de feitelijke juistheid van de nieuwe verklaring van [medeveroordeelde 6] . Voorts kan uit het advies van de ACAS een ondersteuning blijken voor de juistheid van de nieuwe verklaring van [medeveroordeelde 6] . 6.4. Het boek “De Arnhemse Villamoord” 6.4.1. Ik merk op dat de herzieningsaanvraag niet (mede) berust op de stelling dat de rechtspsychologische analyse van dr. H. Israëls een nieuw deskundigeninzicht betreft dat kan worden aangemerkt als een ‘gegeven’ in de zin van art. 457, eerste lid, onder c, Sv. Dat ligt ook niet voor de hand, aangezien mijns inziens het boek niet voldoet aan de eisen die de Hoge Raad in zijn arresten van 26 april 2016 heeft gesteld aan deskundigenrapporten in herzieningszaken. In dat kader merk ik op dat de Hoge Raad in deze arresten heeft overwogen dat een nieuw en/of gewijzigd deskundigeninzicht onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een ‘gegeven’ in de zin van art. 457 Sv en daardoor grond kan zijn voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak. De enkele omstandigheid dat een deskundige het bewijs anders weegt dan de rechter heeft gedaan, is echter niet voldoende om het voor herziening vereiste ‘ernstige vermoeden’ te wekken. Verder overwoog de Hoge Raad onder meer het volgende: “4.3.3. “4.3.3. Indien de aanvraag tot herziening zich beroept op een als nieuw en/of gewijzigd gepresenteerd deskundigeninzicht, dient die aanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport zodanige informatie te bevatten dat de inhoud van dit inzicht en de nieuwheid daarvan op waarde kunnen worden geschat. “4.3.3. In dat verband komt ook in herzieningszaken betekenis toe aan de voorschriften die op grond van het bij de Wet deskundige in strafzaken (Stb. 2009/33) ingevoerde en op 1 januari 2010 in werking getreden art. 51i e.v. Sv gelden in gewone strafzaken waarin een deskundige is benoemd. Art. 51l Sv schrijft voor dat de deskundige een met redenen omkleed verslag uitbrengt. Uit dit verslag moet naar voren komen dat het is gebaseerd op wat de wetenschap en kennis van de deskundige hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen. De deskundige geeft daarbij zo mogelijk aan welke methode hij heeft toegepast, in welke mate deze methode en de resultaten daarvan betrouwbaar kunnen worden geacht en welke bekwaamheid hij heeft bij de toepassing van de methode. Hoewel de Wet deskundige in strafzaken geen verandering heeft gebracht in de vrijheid van de verdachte om de resultaten van op diens eigen initiatief uitgevoerd onderzoek in het geding te brengen, kan het voor de waarde die wordt toegekend aan een deskundigenrapport wel van belang zijn of de desbetreffende deskundige in het Nederlands Register Gerechtelijke Deskundigen is ingeschreven en of het door de deskundige verrichte onderzoek en het door hem opgestelde rapport voldoet aan voornoemde voorschriften. “4.3.3. Daarnaast gaat het in herzieningszaken erom dat de aanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport de Hoge Raad in staat moet stellen te beoordelen of en zo ja in hoeverre sprake is van een deskundigeninzicht dat als nieuw en/of gewijzigd kan worden aangemerkt. Bij die beoordeling speelt ook een rol de vraag in hoeverre het deskundigeninzicht zich richt op de enkele herbeoordeling van omstandigheden waarvan de uiteindelijke weging aan de strafrechter is overgelaten. 4.3.4. 4.3.4. Met het oog op die beoordeling door de Hoge Raad brengt het voorgaande meer in het bijzonder mee dat de aanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport - zo mogelijk en voor zover toepasselijk en relevant in het voorliggende geval - informatie bevat over de volgende onderwerpen:
  5. i)met betrekking tot de kennis en ervaring van de deskundige op het aan de orde zijnde vakgebied: - de door de deskundige gevolgde opleidingen, met vermelding van de specifieke vakgebieden waarin de deskundige is opgeleid; - de functies waarin de deskundige werkervaring heeft opgedaan; - een lijst van eventuele publicaties van de hand van de deskundige; - de eventuele opname van de deskundige in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen, en/of andere registraties of referenties waaruit kan worden afgeleid dat de vakkennis of ervaring van de deskundige voldoet aan de voor het desbetreffende vakgebied geldende maatstaven;
  6. ii)met betrekking tot de weergave en de onderbouwing van het inzicht van de deskundige op het aan de orde zijnde vakgebied: - de voorgelegde vraagstelling en de ter beschikking gestelde stukken en/of gegevens; - de door de deskundige gehanteerde onderzoeksmethode en de betrouwbaarheid daarvan, alsmede een inschatting van de mate van zekerheid waarmee de deskundige zijn conclusies heeft getrokken en/of de aan de uitkomsten van zijn onderzoek verbonden foutmarge; - de vraag in hoeverre het inzicht van de deskundige wordt ondersteund door dat van andere deskundigen; - de bronnen waarop het inzicht van de deskundige berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen; iii) met betrekking tot de onderbouwing van de ‘nieuwheid’ van het inzicht van de deskundige: - de vraag in hoeverre het inzicht van de deskundige steunt op hetzij (
  7. a)ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting nog onbekende wetenschappelijke ontdekkingen of inzichten, hetzij (
  8. b)een beoordeling van ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting nog onbekende feiten of omstandigheden, hetzij (
  9. c)een ander deskundig oordeel omtrent de weging en betekenis van ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting reeds bestaande wetenschappelijke inzichten, toegepast op ten tijde van dat onderzoek ter terechtzitting reeds bekende feiten en omstandigheden; - de vraag hoe het inzicht van de deskundige zich verhoudt tot eerdere inzichten van diezelfde en/of andere deskundigen zoals die uit het aan de uitspraak ten grondslag liggende dossier naar voren komen.” 6.4.2. Voorts is van belang dat de enkele omstandigheid dat een deskundige het bewijs anders weegt dan de rechter heeft gedaan, niet voldoende is om het voor herziening vereiste "ernstige vermoeden" te wekken. Zo oordeelde de Hoge Raad in HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1332, dat het bij de herzieningsaanvraag overgelegde hoofdstuk "Het luik van de Helpoort: bedacht bewijs" uit het boek van prof. dr. P.J. van Koppen "Gerede Twijfel: Over bewijs in strafzaken" (Amsterdam, 2013) niet een rapportage vormde die voldeed aan de eisen die in de arresten van 26 april 2016 aan een deskundigenrapport zijn gesteld. Verder waren de feiten en omstandigheden waarvan de auteur was uitgegaan naar de kern bezien ontleend aan de stukken van het geding, welke stukken aan de rechtbank ten tijde van haar uitspraak bekend waren. In zoverre was dus geen sprake van een voor herziening vereist novum maar van een van het oordeel van de rechtbank afwijkende mening of gevolgtrekking, aldus de Hoge Raad. 6.4.3. Het in de aanvraag genoemde boek, met de daarin voorkomende analyses van dr. Israëls kan gelet op zowel de formele als materiële eisen die de Hoge Raad stelt aan de inbreng van een deskundigenrapportage in herziening niet als zodanig worden aangemerkt. Uiteraard is het boek ook niet zo bedoeld door de schrijvers . Niettemin kan aan het boek wel een en ander worden ontleend. Zo bevat het een transcriptie van een aantal op video opgenomen verhoren van (destijds) de verdachten door de politie, welke transcripties voor zover ik heb kunnen vaststellen adequaat zijn. Voor het overige bevat het boek een aantal, soms scherpzinnige analyses, gebaseerd op het dossier in de strafzaak, van welke analyses kennis kan worden genomen en waar de aanvraag ook op veel plaatsen naar verwijst. Voor zover bij die verwijzingen echter nadrukkelijk wordt gememoreerd dat dit analyses betreft van “(de rechtspsycholoog) Dr. Israëls” lijkt dat echter op een autoriteitsargument dat niet kan worden waargemaakt. Aan die verwijzingen kan in de context van de aanvraag immers niet meer gewicht worden toegekend dan aan die van een willekeurige andere persoon. Een handicap bij het boek is dat het door de uitgever uit de handel is genomen. Voorts komen er passages in voor die onrechtmatig zijn geoordeeld ten opzichte van het slachtoffer [slachtoffer 2] . In de tekst van het boek, als bijlage meegestuurd bij de aanvraag, zijn de desbetreffende passages weggelakt. 6.5. Het ACAS-advies 6.5.1. In de aanvraag wordt op een groot aantal plaatsen ook gewezen op de bevindingen van de ACAS, zoals weergegeven in haar advies. Daarbij wordt er in de aanvraag op gewezen dat de veroordelingen waaromtrent is geadviseerd door de ACAS als ‘potentieel onveilig’ zijn aangemerkt. Deze bevindingen geven volgens de aanvraag steun aan de als novum aangevoerde verklaring van [medeveroordeelde 6] . Uit de aanvraag citeer ik het volgende (met weglating van randnummering): “3.3.3. “3.3.3. Conclusies ACAS “3.3.3. Op pagina 27 van haar advies komt de ACAS tot de conclusie over de waarde van de bekentenissen van [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] en de door het Hof gebruikte bewijsconstructie voor de veroordeling van verzoeker. “3.3.3. Wederom verwijst de ACAS naar het belang van een integrale beoordeling van de opnames, waarbij de ACAS vaststelt dat van een dergelijke integrale beoordeling geen sprake is geweest bij het Hof maar dat het gerechtshof slechts kennis heeft genomen van "een beperkt aantal fragmenten van de opnames van die verhoren" en dat "de door het gerechtshof bekeken onderdelen van de verhoren van [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] geen adequaat en representatief beeld geven van de verhoren die op band zijn opgenomen." “3.3.3. De ACAS concludeert: “3.3.3. "Het gerechtshof was dus niet bekend met de volledige inhoud van die opnames. Op basis van een integrale beoordeling van de opnames en aan de hand van een systematische vergelijking met de opgemaakte processen-verbaal van verhoor, komt de Commissie – mede op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten over valse bekentenissen die ten tijde van de beoordeling door het gerechtshof evenmin in alle opzichten waren uitgekristalliseerd – tot het standpunt dat dit oordeel van het gerechtshof naar huidige wetenschappelijke inzichten thans niet meer houdbaar is. De Commissie heeft (onder meer) moeten vaststellen dat [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] niet uit eigen beweging met specifieke daderwetenschap zijn gekomen, dat zij daarentegen op relevante onderdelen zijn "gevoed" met daderinformatie door de verhorende verbalisanten, dat met name [medeveroordeelde 6] ook in zijn bekennende verklaringen uitlatingen heeft gedaan die aantoonbaar onjuist zijn, dat [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] op geen enkel moment coherente en min of meer vloeiende (bekennende) verklaringen hebben afgelegd, dat sprake is geweest van structurele druk die op [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] is uitgeoefend, dat verhoortechnieken zijn toegepast die de kans op onjuiste veroordelingen vergroten en dat de processen-verbaal van verhoor geen adequaat beeld geven van de afgelegde verklaringen en de wijze waarop die tot stand zijn gekomen." “3.3.3. Al deze door de ACAS geconstateerde conclusies zijn van groot belang voor de beoordeling van de nieuwe verklaring van [medeveroordeelde 6] . De verschillende elementen die door [medeveroordeelde 6] worden geduid in diens nieuwe verklaring zijn dus ook benoemd in de analyse door de ACAS.” 6.5.2. Bij dit citaat merk ik op dat de wijze van beoordeling van de zaak door de ACAS in haar advies niet – of niet zonder meer – strookt met de aanpak in herziening. Allereerst – maar dat is een meer formeel punt – was ten tijde van het opstellen van het ACAS-advies de ‘nieuwe’ verklaring van [medeveroordeelde 6] nog niet tot stand gekomen. Van meer wezenlijk belang is dat de maatstaf die de ACAS hanteert bij de beoordeling van de zaak een andere is dan in herziening. Als sprake is van een in de ogen van de ACAS “potentieel onveilige veroordeling” acht zij zich bij haar onderzoek in de zaak niet gebonden door de begrenzingen die het herzieningsproces bepalen. In het Jaarverslag van de ACAS van 2017 komt dit als volgt tot uitdrukking: “ “Verzoeken die strikt juridisch gezien geen potentieel novum bevatten, maar waarvan gesteld kan worden dat ze naar oordeel van de ACAS teruggaan op een potentieel ‘onveilige veroordeling’ vormen daarbij een bijzondere categorie.[voetnoot 3] In dergelijke zaken ontbreekt technisch bewijs vaak (grotendeels) en stoelt een veroordeling bijvoorbeeld hoofdzakelijk op bekennende verklaring van de verdachte of getuigenverklaringen die niet geheel volgens de (
  10. nu)geldende regels tot stand lijken te zijn gekomen, of die na langere tijd zijn verkregen of zijn gewijzigd. Sinds de strafzaak van de Schiedammer parkmoord zijn de (maatschappelijke) inzichten ten aanzien van (de bewijswaarde van) deze onderwerpen gewijzigd. Die vaststelling op zichzelf is echter niet genoeg voor een potentieel novum. Dergelijk soort onveilige veroordelingen hebben de bijzondere aandacht van de ACAS, ook al leidt de zoektocht naar (aanvullende) onderzoeksmogelijkheden of aanknopingspunten uiteindelijk niet altijd tot (een begin van) een potentieel novum. “ Voetnoot 3: Onder een ‘potentieel onveilige veroordeling’ verstaat de ACAS een einduitspraak die een groter dan gebruikelijk risico op een onjuiste vaststelling van de relevante feiten in zich bergt, omdat de destijds gebruikte bewijsmiddelen, de destijds gebruikte bewijsconstructie en/of de destijds gebruikte bewijsoverwegingen in elk geval naar hedendaags inzicht serieus te nemen vragen oproepen in termen van betrouwbaarheid, deugdelijkheid en/of wetenschappelijke onderbouwing – zonder dat reeds een nieuw gegeven bestaat dat de basis kan vormen voor een herzieningsverzoek.” 6.5.3. Opmerking verdient dat de ACAS – tot op zekere hoogte – zelfstandig is bij het uitvoeren van haar onderzoekstaak en de daarbij te hanteren maatstaf. Blijkens art. 461 Sv strekt het nader onderzoek ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag. Een gewezen verdachte, die is veroordeeld voor een feit waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt, kan door zijn raadsman aan de procureur-generaal doen verzoeken een nader onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in artikel 457, eerste lid, onder c. Daaromtrent kan de procureur-generaal, zo stelt art. 462 Sv, bij de ACAS een advies inwinnen. Een bestaand novum is dus geen voorwaarde; daar moet juist een onderzoek naar volgen en daarom is het ACAS-onderzoek naar de wenselijkheid van nader onderzoek per definitie juist breder. 6.5.4. In het Jaarverslag van 2019 plaatst de ACAS het door haar ontworpen criterium echter ook in de discussie die gevoerd wordt over de doeltreffendheid van het novum-vereiste in herzieningszaken, mede naar aanleiding van de inmiddels tot stand gekomen evaluatie van de herzieningsregeling. Zij merkt daarover op: “ “Niettemin is de discussie rondom de doeltreffendheid van de wet, zowel binnen de wetenschap als binnen de politiek, nog steeds gaande.[voetnoot 11] In parlementaire kringen lijkt deze zich met name toe te spitsen op (verlaging van) de drempel voor herziening middels een novum.[voetnoot 12] Daarbij concentreert de discussie zich vooral op de (al dan niet te strikte) taakopvatting van de ACAS en de (al dan niet gewenste verruiming van
  11. de)invulling van het novumcriterium. “ Met de introductie van de hiervoor reeds genoemde potentieel onveilige veroordeling heeft de ACAS laten zien dat zij verder kijkt dan het juridische oordeel van de advocaat-generaal en het uiteindelijke oordeel van de Hoge Raad. “ Sinds de introductie van dit criterium heeft de ACAS vijf zaken (waaronder drie samenhangende zaken) als zodanig aangemerkt.[voetnoot 13] In geen van deze zaken is tot op heden (eind)uitspraak gedaan door de Hoge Raad.[voetnoot 14] Aangezien de Hoge Raad uiteindelijk beoordeelt – en ook moet beoordelen – of een aangedragen, de rechter eerder onbekend gebleven gegeven het ernstige vermoeden wekt dat deze dan tot een vrijspraak (etc.) zou zijn gekomen, zal pas wanneer de Hoge Raad in deze zaken arrest heeft gewezen duidelijkheid komen over de vraag of de huidige herzieningswetgeving voldoende ruimte biedt om ook potentieel onveilige veroordelingen te redresseren. “ Voetnoten: “ 11 Vgl. in dat kader bijvoorbeeld het themanummer ‘Gerechtelijke dwalingen en herziening’, E&R 2018, afl. 6. “ 12 Zie Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 3304 (vragen en antwoorden over het verlagen van drempels voor de herziening van afgesloten strafzaken); Kamerstukken II 2018/19, 29279, 495; Rondetafelgesprek vaste commissie voor Justitie en Veiligheid 22 mei 2019 over de evaluatie Wet hervorming herziening ten voordele; Kamerstukken II 2019/20, 29279, 543. “ 13 Te weten de veroordelingen in ACAS-zaken 022, 026 en 028 (Arnhemse villamoord), 032 (Rosmalense flatmoord) en 037 (Campingmoord te Petten). “ 14 In de zaken 022, 026 en 028 (Arnhemse villamoord) heeft de AG inmiddels de fase van het nader onderzoek afgesloten en het aan de veroordeelden gelaten een herzieningsverzoek in te dienen; in zaak 032 (Rosmalense flatmoord) heeft de Hoge Raad na een door de AG ingediende vordering tot herziening bij tussenarrest de stukken opnieuw in handen van de AG gesteld voor aanvullend onderzoek (ECLI:NL:HR:2018:2095); in zaak 037 (Campingmoord te Petten) wordt het door de ACAS geadviseerde nader onderzoek inmiddels door de AG uitgevoerd.” 6.5.5. De parlementaire discussie, waaraan de ACAS in haar Jaarverslag van 2019 refereert is inmiddels – voor zover ik zie – afgerond met een brief van de Minister voor Rechtsbescherming van 6 april 2020. Daarin houdt hij vast aan het – in 2012 reeds enigszins verruimde – novumbegrip. Dat standpunt had hij ook al eerder ingenomen, in zijn beleidsreactie op de evaluatie van de herzieningsregeling. Op 6 april 2020 schrijft de Minister onder meer: “1.4. “1.4. Gerede twijfel als criterium voor herziening “1.4. In de notitie die door de woordvoerder van de SP-fractie is opgesteld wordt het voorstel omarmd om het novumcriterium te verlaten en uit te gaan van gerede twijfel aan de juistheid van de veroordeling als criterium voor herziening. Een nadeel van dit voorstel is in mijn ogen dat het mogelijk maakt om een afgesloten strafzaak te heropenen enkel omdat een andere afloop van de strafzaak denkbaar zou zijn geweest. Een veroordeling zou dan ongedaan kunnen worden gemaakt louter en alleen op grond van een andere weging van het bewijsmateriaal. Dat zich een andere afloop laat denken wil echter nog niet zeggen dat het ernstige vermoeden bestaat dat de uitkomst van de zaak onjuist was. Naar mijn oordeel doet dit geen recht aan het uitzonderlijke karakter van het buitengewoon rechtsmiddel herziening. Dat zou namelijk betekenen dat eigenlijk een vierde beroepsinstantie wordt gecreëerd. Van buitengewoon rechtsmiddel zou de herziening in feite een gewoon rechtsmiddel worden. “1.4. Een dergelijke verruiming van dit criterium bergt nog een ander risico in zich. Het behoort tot de taak van de rechter om ook in complexe zaken een beslissing te nemen waarbij de procespartijen – wanneer de gewone rechtsmiddelen zijn uitgeput – zich zullen moeten neerleggen. Als de onherroepelijke beslissing van de rechter telkens – ook zonder dat sprake is van nieuwe omstandigheden die een ander licht op de zaak werpen – weer ter discussie kan worden gesteld, is het risico dat het gezag van rechterlijke uitspraken vermindert. Aan rechtszaken komt, ook nadat alle gewone rechtsmiddelen zijn aangewend, dan potentieel nimmer een einde omdat in een aanzienlijk aantal zaken altijd discussie kan en zal blijven bestaan. De rechter heeft juist tot taak om in die discussie definitief een knoop door te hakken. “1.4. Verder kan worden verwacht dat een ruimer criterium evenals in het VK zal leiden tot een grote toestroom van herzieningsaanvragen. In die gevallen steeds nieuwe onderzoeken doen, zou veel onrust creëren en ten onrechte uitstralen dat er iets mis is met de kwaliteit van de rechtspraak. Het zou verkeerde verwachtingen wekken bij veroordeelden. Daarnaast zou dit een voortdurende onzekerheid en onrust bij slachtoffers en nabestaanden en in de samenleving als geheel met zich meebrengen. Het vormt ook geen adequate inzet van rechterlijke en andere capaciteit. Ook in het Evaluatieonderzoek naar de Wet hervorming herziening ten voordele is de mogelijkheid van een ander criterium, zoals «gerede» of «serieuze» twijfel aan een veroordeling of de aanwijzing dat sprake is van een «unsafe conviction» uitdrukkelijk onderzocht en door het overgrote deel van de geïnterviewde deskundigen afgewezen. Er werd aangegeven dat een lagere maatstaf de verkeerde zaken zou kunnen aantrekken, namelijk die waarin de gewezen verdachte juist terecht is veroordeeld. “1.4. Een dergelijke open einde-regeling is naar mijn oordeel onwenselijk. Het vereiste van het ernstig vermoeden waarborgt twee dingen. Het drukt enerzijds uit dat het bij een dergelijk vermoeden noodzakelijk is de onherroepelijke veroordeling te herzien. Het is anderzijds nodig om de inzet van dit buitengewone rechtsmiddel te rechtvaardigen. Het past daarmee bij het systeem van de wet. Daarin liggen een onafhankelijke rechterlijke beoordeling, de correctie van rechterlijke oordelen in het stelsel van rechtsmiddelen en het buitengewoon karakter van de herziening van onherroepelijke uitspraken besloten. 1.5. 1.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.