PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/01901 Zitting 6 augustus 2021 CONCLUSIE B.F. Assink In de zaak D.C. Poiesz q.q. tegen Deloitte Accountants B.V. Deze zaak betreft, kort gezegd, een externe controlerende accountant, verweerster in cassatie, die uit onrechtmatige daad wordt aangesproken door de curator van een failliete B.V., eiser in cassatie. De curator verwijt de accountant het bestuur van de B.V. niet te hebben geadviseerd een (schuld
(1)vierde richtlijn,, zoals in 2003 gewijzigd door inwerkingtreding van de moderniseringsrichtlijn. In de geconsolideerde tekst luidde de richtlijnbepaling als volgt: “1. De voorzieningen beogen een dekking te vormen voor naar hun aard duidelijk omschreven verplichtingen die op de balansdatum als waarschijnlijk of als vaststaand worden beschouwd, doch waarvan niet bekend is in welke omvang of wanneer zij zullen ontstaan. 2. De Lid-Staten kunnen ook toestaan dat voorzieningen worden gevormd voor naar hun aard duidelijk omschreven kosten die hun oorsprong hebben in het boekjaar of in een vorig boekjaar en die op de balansdatum als waarschijnlijk of als vaststaand worden beschouwd, doch waarvan niet bekend is in welke omvang of wanneer zij zullen worden gemaakt.” Aan de moderniseringsrichtlijn lag, in het algemeen, de gedachte ten grondslag om aansluiting te zoeken bij de door de IASB opgestelde International Accounting Standards (hierna: de IAS), ook wat betreft het opnemen van voorzieningen zoals blijkt uit de toelichting van de Europese Commissie op de door haar voorgestelde moderniseringsrichtlijn: “IAS 37 "Voorzieningen en niet uit de balans blijkende activa en passiva" ("Provisions, contingent liabilities and contingent assets") bevat specifieke voorschriften ten aanzien van de bedragen die als voorzieningen voor risico's moeten worden geboekt. Artikel 31 van de Vierde Richtlijn bevat een aantal basisregels met betrekking tot de risico's die bij de opstelling van de jaarrekening in aanmerking moeten worden genomen, en in artikel 20 van dezelfde richtlijn wordt nader op deze beginselen ingegaan, waarbij specifieke regels voor voorzieningen worden vastgesteld. De overeenkomstig de IAS te boeken voorzieningen zijn restrictiever omschreven dan in de Vierde Richtlijn. Zo beperkt de IAS de te boeken bedragen tot de op de balansdatum bestaande verplichtingen, terwijl de Vierde Richtlijn bepaalt dat naast deze bedragen ook voorzieningen mogen worden getroffen voor "voorzienbare risico's". Het voorstel neemt deze tegenstrijdigheid weg voor vennootschappen die de IAS toepassen, zonder daarom noodzakelijkerwijze te raken aan de status quo voor de jaarrekening van niet-beursgenoteerde vennootschappen. Dit is bewerkstelligd door artikel 31 zodanig te wijzigen dat de bedragen overeenkomstig de IAS moeten worden geboekt, terwijl de lidstaten nog steeds de mogelijkheid wordt gelaten de boeking toe te staan of voor te schrijven van de aanvullende bedragen waarin de richtlijn momenteel voorziet. Voorts worden enkele geringe wijzigingen in de terminologie en de verwijzingen voorgesteld om het makkelijker te maken IAS 37 toe te passen.” Met deze aanpassing van art. 2:374 lid 1 BW zijn de daarin bedoelde (verplichtingen waartegen) voorzieningen (kunnen worden opgenomen) restrictiever omschreven dan voorheen, in de zin dat, kort gezegd, voor bepaalde “voorzienbare risico’s” niet langer een voorziening kan worden getroffen, strokend met IAS 37. Zo is bij die gelegenheid in de memorie van toelichting het volgende opgemerkt: “[I]n de moderniseringsrichtlijn [wordt] de definitie van voorzieningen stringenter geformuleerd (de artikelen 20 lid 1 en 31 leden 1-1bis vierde richtlijn en 17 lid 1 zevende richtlijn). Voorzieningen mogen nog slechts worden opgenomen tegen op de balansdatum bestaande of waarschijnlijk geachte verplichtingen waarvan de omvang of het ontstaansmoment nog onzeker is, of ten behoeve van gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal boekjaren. (…) De restrictieve omschrijving van «voorziening» wordt opgenomen in artikel 2:374 lid 1 BW. Rechtspersonen kunnen nog slechts voorzieningen op hun balans opnemen tegen bestaande of waarschijnlijke verplichtingen. Alleen voor rechtspersonen die niet voor de IAS kiezen, blijft de mogelijkheid van kostenegalisatievoorzieningen bestaan (het huidige artikel 2:374 lid 1, onder c, BW) om geen onnodige verschillen met de fiscale definitie van «voorziening» in het leven te roepen. (…)Dit artikel [art. 2:374 BW, A-G] regelt ter uitvoering van artikel 20 lid 1 vierde richtlijn de gevallen waarin voorzieningen op de balans mogen worden opgenomen. Artikel 1 lid 7 moderniseringsrichtlijn wijzigt artikel 20 vierde richtlijn naar aanleiding van de striktere definitie van IAS 37. Onder IAS 37 mag slechts een voorziening worden opgenomen tegen op de balansdatum bestaande verplichtingen die onvermijdbaar zullen leiden tot een uitstroom van middelen en waarvan de omvang op betrouwbare wijze kan worden geschat. Voorgesteld wordt artikel 2:374 BW conform artikel 1 lid 7 van de moderniseringsrichtlijn te wijzigen. De mogelijkheid om voorzieningen op te nemen tegen op de balansdatum bestaande risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs valt te schatten (het huidige onderdeel b van lid 1), komt te vervallen. De term «risico’s» is een onvoldoende afgebakende term die niet als onderscheidend criterium kan dienen omdat hij een breder gebied bestrijkt dan IAS 37. Het huidige onderdeel c staat toe dat onder voorwaarden voorzieningen worden getroffen tegen toekomstige uitgaven. Deze zogenoemde kostenegalisatievoorzieningen strekken ertoe de kosten van eenmalige grote uitgaven gelijkmatig te verdelen over een aantal boekjaren. IAS 37 geeft deze mogelijkheid niet; er is immers geen sprake van een onvermijdbare verplichting. Het vormen van kostenegalisatievoorzieningen is echter een optie uit artikel 20 lid 2 vierde richtlijn die door de moderniseringsrichtlijn onaangetast is gelaten. Voorgesteld wordt dan ook om de mogelijkheid van kostenegalisatievoorzieningen te behouden voor rechtspersonen die de IAS niet toepassen. Het gebruik van de term uitgaven in plaats van kosten is een verbetering van de formulering van de regeling zonder inhoudelijke consequenties.” Ik wijs in dit verband ook op de nota naar aanleiding van het verslag.Hieruit volgt niet dat de wetgever heeft beoogd de IAS rechtstreeks toe te passen, wel om art. 2:374 lid 1 BW aan te passen. Een andere vraag is of de wetgever (ook) heeft beoogd dat art. 2:374 lid 1 BW, waarvan de aangepaste omschrijving van (verplichtingen waartegen) voorzieningen (kunnen worden opgenomen) dus strookt met IAS 37, al dan niet via de richtlijn uitgelegd/toegepast dient te worden overeenkomstig althans met inachtneming van de specifieke maatstaven voor het opnemen van een voorziening in IAS 37. Een bevestigend antwoord daarop, waarvan het onderdeel in essentie uitgaat (zie onder 3.2 hiervoor), is niet op voorhand onvoorstelbaar, maar kan ik in die wetsgeschiedenis in ieder geval niet met zoveel woorden lezen. In de literatuur valt daarvoor wel (enige) steun te vinden, maar evenzeer voor een benadering waarin art. 2:374 lid 1 BW en de bijbehorende RJ-richtlijnen ten opzichte van IAS 37 als zelfstandiger worden gezien. Erg duidelijk is dit alles dus niet te noemen. Ik kan dit punt evenwel verder laten rusten, nu ook bij een bevestigend antwoord op die vraag de hier te behandelen (eerste twee) klachten van het onderdeel m.i. dienen te falen.In de onderhavige zaak noemt het hof, blijkens rov. 3.8(-3.9), in het bijzonder, naast art. 2:374 lid 1 BW (ingevolge deze bepaling “worden op de balans voorzieningen opgenomen tegen naar hun aard duidelijk omschreven verplichtingen die op de balansdatum als waarschijnlijk of vaststaand worden beschouwd, maar waarvan niet bekend is in welke omvang of wanneer zij zullen ontstaan”), alsmede de passages in rov. 3.5 en 3.12, “RJ 252.201” van de RJ-richtlijnen. Daarin is geregeld “de verplichting van het bestuur van een vennootschap om bij het opstellen van een jaarrekening (voor de controlerend accountant: bij het controleren van de jaarrekening) een voorziening in de jaarrekening op te nemen”, wat alleen geldt onder de volgende (cumulatieve) voorwaarden: “(
- i)de rechtspersoon heeft een verplichting; (
- ii)het is waarschijnlijk dat voor de afwikkeling van die verplichting een uitstroom van middelen noodzakelijk is; en (iii) er kan een betrouwbare schatting worden gemaakt van de omvang van de verplichting.” Daarmee geeft het hof in rov. 3.8 RJ 252.201 weer, waarin het volgende is opgenomen: “Een voorziening in verband met verplichtingen als bedoeld in artikel 2:374 lid 1, eerste volzin BW dient uitsluitend te worden opgenomen indien op de balansdatum aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a de rechtspersoon heeft een verplichting (in rechte afdwingbaar of feitelijk); b het is waarschijnlijk dat voor de afwikkeling van die verplichting een uitstroom van middelen noodzakelijk is; en c er kan een betrouwbare schatting worden gemaakt van de omvang van de verplichting.” Dat het hof zich hierop richt, past ook bij het partijdebat, dat zich heeft toegespitst op de RJ-richtlijnen (en waarin de IAS geen rol van betekenis hebben gespeeld).In rov. 3.13 opent het hof met de vaststelling dat op 9 november 2005 het vonnis werd gewezen waarin Welsec werd veroordeeld tot betaling van bijna € 1.300.000,-- aan de Staat, welk vonnis uitvoerbaar bij voorraad was verklaard. Het hof vervolgt met de overwegingen dat in een dergelijk geval de vorming van een voorziening uiteraard dient te worden overwogen, maar niet zonder meer in de rede ligt, nu de vorming van een voorziening immers niet zonder gevolgen is en met die uitspraak niet gegeven is dat de veroordeling daadwerkelijk tot schade zal leiden en dat die schade voldoende kwantificeerbaar is. De vraag of dit laatste aan de orde is, moet namelijk, aldus nog steeds het hof in rov. 3.13, eerste alinea, worden beoordeeld op het moment van de controle van de jaarrekening, met inachtneming van de ontwikkelingen die zich sinds de uitspraak hebben voorgedaan. Hieruit, en uit het vervolg van rov. 3.13, waaronder rov. 3.13, tweede t/m vierde alinea, blijkt dat het hof, in lijn ook met het partijdebat waarover ook rov. 3.9, inzake de jaarrekeningen van Welsec over 2005 t/m 2007 voor doeleinden van de in rov. 3.13 voorliggende beoordeling zich toespitst op de vragen bedoeld onder (
- ii)en (iii) (althans (
- b)en (c)) hiervoor of wat betreft de schadevergoedingsvordering van de Staat, zoals toegewezen door de rechtbank in genoemd vonnis, op de relevante balansdata uitgegaan diende te worden van de waarschijnlijkheid van een voor de afwikkeling daarvan noodzakelijke uitstroom van middelen van Welsec (door het hof in rov. 3.13, eerste alinea ook kortweg geduid als schade voor Welsec) althans van een op betrouwbare wijze te schatten omvang van haar aansprakelijkheid ter zake (door het hof in rov. 3.13, eerste alinea ook kortweg geduid als het voldoende kwantificeerbaar zijn, daar bezien vanuit die schade), waarover verder hierna. Nu volgens het hof in rov. 3.13, gelet hierop, hoe dan ook op geen van deze balansdata aan alle (cumulatieve) voorwaarden onder (
- i)t/m (iii) (althans (
- a)t/m (c)) hiervoor is voldaan, concludeert het in rov. 3.13, slotalinea dat in de gegeven omstandigheden, bij afweging van alle belangen en op basis van de verkregen informatie, Deloitte de inschatting van (het bestuur van) Welsec om in de jaren 2005, 2006 en 2007 geen voorziening op te nemen, juist mocht achten, daarbij aantekenend dat zij niet zelf onderzoek hoefde te doen naar de kans van slagen van het hoger beroep of de beweegredenen van de Staat om het vonnis (nog) niet te executeren, alsmede dat door het opnemen van de toelichting op de balans, temeer nu daarin het bedrag van de veroordeling werd genoemd, het vereiste inzicht werd gegeven en Deloitte een goedkeurende verklaring kon verstrekken.Bij de voorwaarde onder (
- ii)(althans (b)) hiervoor wordt aangenomen dat “waarschijnlijk”, evenals in IAS 37 (IAS 37.23), betekent een kans groter dan 50%. Het hof wijst kenbaar op het niet voldaan zijn aan deze voorwaarde in rov. 3.13, tweede alinea (“Toen het bestuur de jaarrekening 2005 opstelde”, etc.), waar het tot uitdrukking brengt dat Deloitte wat betreft de jaarrekening over 2005 mocht volgen de overtuiging van (het bestuur van) Welsec dat het vonnis in hoger beroep bij het gerechtshof geen stand zou houden (omdat zij in dat vonnis ten onrechte als aansprakelijke partij werd aangewezen, zie rov. 3.9), voor welk standpunt (het bestuur van) Welsec bevestiging vond in het rapport van haar deskundige (zie ook rov. 3.9), reden waarom zij hoger beroep had aangetekend tegen het vonnis, waarmee het hof dus ook kenbaar rekent met een (voor Deloitte aan te houden) kans ter zake die niet groter maar kleiner was dan 50% (want uitgaande van de te volgen overtuiging van (het bestuur van) Welsec van het in hoger beroep door vernietiging van het vonnis wegvallen van haar aansprakelijkheid jegens de Staat, waarbij van zo’n voor de afwikkeling daarvan noodzakelijke uitstroom van middelen van Welsec naar de aard geen sprake zou zijn). Daarbij betrekt het hof, mede gelet op rov. 3.9, dat waar ten tijde van het opstellen door (het bestuur van) Welsec van de jaarrekening over 2005 en de controle daarvan door Deloitte bijna een jaar verstreken was sinds het vonnis was gewezen, en de Staat op dat moment nog steeds geen executiemaatregelen had getroffen maar kennelijk het oordeel van het gerechtshof in het inmiddels door Welsec ingestelde hoger beroep afwachtte, dat oordeel van het gerechtshof, waarop die overtuiging van (het bestuur van) Welsec dus zag, een doorslaggevende omstandigheid werd. Hieraan doet logischerwijs niet af dat het hof in rov. 3.13, eerste alinea, in de bredere context van die passage, kortweg overweegt dat met het vonnis niet gegeven is dat de veroordeling daadwerkelijk tot schade zal leiden en dat die schade voldoende kwantificeerbaar is, wat overigens niet onjuist is. Het hof trekt deze lijn door in rov. 3.13, derde alinea (“Toen de jaarrekening 2006 moest worden gecontroleerd”, etc.), waar het vaststelt dat toen de jaarrekening over 2006 moest worden gecontroleerd de in rov. 3.13, tweede alinea bedoelde situatie “ongewijzigd” was, met dien verstande dat in een lawyer’s letter (geciteerd in rov. 2.13), naar ’s hofs verkorte weergave, werd opgemerkt dat de uitkomst van het hoger beroep niet gemakkelijk was te voorspellen, maar dat de verwachting was dat een eventuele veroordeling lager zou uitvallen dan de rechtbank had toegewezen. Dit komt erop neer dat het hof ook hier rekent met een (door Deloitte aan te houden) kans ter zake die niet groter maar kleiner was dan 50% (al lag die wellicht wat hoger dan in het jaar ervoor, gelet op de lawyer’s letter waarin een veroordeling van Welsec ook weer niet werd uitgesloten, en waaruit wat betreft de omvang van de aansprakelijkheid voor Welsec bij een veroordeling, zo daarvan al sprake zou zijn, niet meer sprak dan dat deze lager zou uitvallen dan de rechtbank had toegewezen).De voorwaarde onder (iii) (althans (c)) hiervoor komt ook terug in IAS 37. Het hof wijst kenbaar op het niet voldaan zijn aan deze voorwaarde in rov. 3.13, vierde alinea (“Op 21 november 2007 werd een tussenarrest gewezen”, etc.) en rov. 3.13, vijfde alinea (“In 2008 vond het deskundigenonderzoek plaats”, etc.), waar het tot uitdrukking brengt met betrekking tot de jaarrekening over 2007 dat weliswaar met het tussenarrest van het gerechtshof van 21 november 2007 duidelijk was - dat het vonnis op basis van de toen beschikbare informatie geen stand zou houden, alsmede - dat Welsec nog steeds aansprakelijk werd gehouden voor (een deel van) de schade, wat insluit dat niet langer gezegd kon worden dat van een noodzakelijke uitstroom van middelen van Welsec ter zake als bedoeld onder (
- ii)(althans (b)) hiervoor geen sprake zou zijn, maar ook dat de omvang van die aansprakelijkheid echter onduidelijk was. Daarbij betrekt het hof, mede gelet op rov. 2.14, dat het gerechtshof een deskundigenonderzoek naar de bronnen van de verontreiniging van het achterste deel van de Industriehaven en de bijdrage van de activiteiten van Welgelegen en Welsec aan de verontreiniging noodzakelijk achtte, nu er weliswaar voorshands van uit diende te worden gegaan dat de aangetroffen verontreiniging van de bodem van de Industriehaven in de directe omgeving van de scheepswerf in elk geval voor een gedeelte door Welgelegen en Welsec was veroorzaakt, maar nog onduidelijk was in welke mate Welgelegen en Welsec verontreinigende activiteiten hadden verricht en in welke mate andere bronnen een rol konden hebben gespeeld bij de verontreiniging van het achterste deel van de Industriehaven. Dit laat zich niet anders verstaan dan dat in dit specifieke geval, waarin zich blijkens dat tussenarrest zonder zo’n deskundigenonderzoek (ook bij benadering) niet liet bepalen welk deel van de met die verontreiniging verband houdende schade voor rekening van Welsec diende te komen, nu nog onduidelijk was in welke mate Welgelegen en Welsec verontreinigende activiteiten hadden verricht en in welke mate andere bronnen een rol konden hebben gespeeld bij de verontreiniging van het achterste deel van de Industriehaven, Deloitte in navolging van (het bestuur van) Welsec kon aannemen dat ten tijde van de controle van de jaarrekening over 2007 (nog) geen betrouwbare schatting te maken viel van de omvang van Welsecs gehoudenheid tot schadevergoeding, oftewel aansprakelijkheid jegens de Staat (en daarmee evenmin van de voor de afwikkeling daarvan noodzakelijke uitstroom van middelen van Welsec). Hieraan doet logischerwijs niet af dat het hof in rov. 3.13, eerste alinea, in de bredere context van die passage, kortweg overweegt dat met het vonnis niet gegeven is dat de veroordeling daadwerkelijk tot schade zal leiden en dat die schade voldoende kwantificeerbaar is, wat overigens niet onjuist is.Uit dit een en ander volgt dat, ook indien wordt aangenomen dat in de onderhavige zaak door het hof overeenkomstig althans in aanmerking nemend de maatstaven (criteria) voor het opnemen van een voorziening in IAS 37 beoordeeld moest worden of, kort gezegd, in de gegeven omstandigheden Deloitte aan (het bestuur van) Welsec had moeten adviseren op de voet van art. 2:374 lid 1 BW een voorziening op te nemen in haar jaarrekening(
- en)over 2005, 2006 en/of 2007 vanwege de vordering van de Staat op Welsec, alsmede dat het hof zich bij beantwoording van die vraag in rov. 3.13 niet specifiek (ook) heeft gericht op die maatstaven in IAS naast genoemde wetsbepaling en de in rov. 3.8 genoemde voorwaarden zoals bedoeld in RJ 252.201, de relevantie en (daarmee) het belang daarvan niet valt in te zien, nu het hof met de in rov. 3.13 gevolgde benadering, waarin het zich dus toespitst op de vereisten onder (
- ii)en (iii) (althans (
- b)en (c)) hiervoor, en met inachtneming van het partijdebat, naar de kern genomen ook blijft binnen de parameters (bandbreedte) van de daarop betrekking hebbende maatstaven in IAS 37 waarop het onderdeel doelt en die aldus in wezen ook aanlegt, wat tevens laat zien dat de uitkomst van ’s hofs beoordeling, te weten negatieve beantwoording van genoemde vraag, niet anders was geweest als het wel (primair) deze maatstaven had aangehouden. Voor zover het onderdeel bij de eerste klacht uitgaat van een andere lezing van het arrest, loopt het vast op een gebrek aan feitelijke grondslag. Voor zover het onderdeel bij de eerste klacht wel feitelijke grondslag heeft, loopt het vast op het voorgaande. Voor zover de tweede klacht in het onderdeel nog zelfstandige betekenis heeft na het vastlopen van de eerste klacht, geldt dat de tweede klacht hoe dan ook faalt, gelijk de eerste klacht. Zelfs als zou worden aangenomen dat het door de curator aan Deloitte gemaakte verwijt zoals weergegeven in rov. 3.6 (waarop het hof respondeert in rov. 3.13(-3.16), met inachtneming ook van het ter zake door Deloitte gevoerde verweer, waarover rov. 3.8-3.9) het hof aanleiding gaf in rov. 3.13 ook te betrekken of (het bestuur van) Welsec en Deloitte indertijd op basis van de door hen aangelegde maatstaven tot het oordeel konden komen dat geen voorziening hoefde te worden opgenomen in de desbetreffende jaarrekeningen van Welsec (dus over 2005 t/m 2007), geldt dat het hof, mede gelet op rov. 3.8-3.9 en 3.14, in rov. 3.13 (ook) ervan uitgaat dat (het bestuur van) Welsec en Deloitte indertijd naast art. 2:374 lid 1 BW de in rov. 3.8 genoemde voorwaarden zoals bedoeld in RJ 252.201 hebben gehanteerd en op basis daarvan (redelijkerwijs) tot het oordeel konden komen dat geen voorziening hoefde te worden opgenomen in die jaarrekeningen, waarover dus ook hiervoor. Gelet ook op de behandeling van de eerste klacht, waarnaar ik kortheidshalve verwijs, valt niet in te zien wat de relevantie en (daarmee) het belang ervan zouden zijn dat het hof daarbij niet (ook) beoordeelt of (het bestuur van) Welsec en Deloitte indertijd de relevante maatstaven in IAS 37 hebben aangelegd, dit nog daargelaten dat, zoals gezegd, partijen in hun debat ter zake die maatstaven niet (ook) hebben betrokken. Op dit punt aangekomen, behoeven de eerste twee klachten geen verdere behandeling.Hierop stuiten de eerste twee klachten af. 3.4 Subonderdeel 1.a klaagt erover dat de vorming van een voorziening niet slechts moet worden “overwogen”, nu van een keuzevrijheid geen sprake is: het bestuur dient steeds te beoordelen, en de accountant dient steeds te toetsen, of aan de criteria voor de vorming van een voorziening is voldaan. Voorts klaagt het subonderdeel dat bovendien onjuist is dat de vorming van een voorziening “niet zonder meer in de rede” ligt als de vennootschap in een (bij voorraad uitvoerbaar) vonnis is veroordeeld tot betaling van € 1,3 miljoen: in een dergelijk geval ligt vorming van een voorziening juist wel “in de rede”, althans zal in beginsel aan de criteria voor de vorming van een voorziening zijn voldaan. In elk geval bestaat in zo’n geval temeer reden voor de accountant de inschatting van het bestuur niet (zonder meer) juist te achten, aldus nog steeds het subonderdeel. 3.5 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat het hof in rov. 3.13 (eerste alinea) van het arrest overweegt dat wat betreft de vorming van een voorziening sprake is van een “keuzevrijheid”, met voorbijzien aan het gegeven dat het bestuur steeds dient te beoordelen, en de accountant steeds dient te toetsen, of aan de criteria voor de vorming van een voorziening is voldaan, gaat het uit van een verkeerde lezing van het arrest en mist het daarmee feitelijke grondslag. Wat het hof daar overweegt, komt erop neer dat bij het in rov. 3.13, eerste alinea, eerste en tweede zin bedoelde geval uiteraard door het bestuur beoordeeld moet worden, en door de accountant getoetst moet worden, of aan de criteria voor de vorming van een voorziening ter zake is voldaan, met dien verstande dat met zo’n (uitvoerbaar bij voorraad verklaard) vonnis nog niet gegeven is dát een voorziening ter zake gevormd moet worden (waarbij het hof niet uit het oog verliest dat aan deze beoordeling, en daarmee ook aan deze toetsing, een zekere, contextuele redelijkheidsmarge eigen is: zie onder 3.3 hiervoor). Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat in zo’n geval (in beginsel) wel gegeven is dat een voorziening ter zake gevormd moet worden, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting, nu dat bezien moet worden binnen het relevante normatieve kader en aan de hand van de omstandigheden van het geval naar het moment van beoordeling/toetsing, met inbegrip van ontwikkelingen die zich na het vonnis hebben voorgedaan, met welke volwaardige multi-factor waardering de door het subonderdeel voorgestane (al te rigide) benadering (waaruit overigens ook niet duidelijk blijkt waarom dat dan zo zou zijn, anders dan die blote stelling ter zake) zich m.i. niet althans onvoldoende verhoudt. Het hof miskent dit niet, mede gelet op rov. 3.13(-3.16). Dat in zo’n geval temeer reden voor de accountant bestaat de inschatting van het bestuur niet (zonder meer) juist te achten, zoals het subonderdeel nog (bloot) stelt, valt noch in zijn algemeenheid vol te houden, nu de toetsing daarvan door de accountant in de concrete situatie telkens mede zal (mogen) afhangen van de onderbouwing van die inschatting door het bestuur, noch in de onderhavige zaak, nu de toetsing daarin door Deloitte van de inschatting van (het bestuur van) Welsec wat betreft haar jaarrekeningen over 2005 t/m 2007 blijkens rov. 3.13 als geheel bezien in verbinding met rov. 3.8-3.10 goed navolgbaar is en te verantwoorden valt (dat en waarom dit anders zou zijn, meldt het subonderdeel ook niet, ook niet indirect), waarbij zij aangetekend dat, naar in cassatie onbestreden, blijkens rov. 3.12 Deloitte als extern accountant in het kader van (de uitvoering van) haar controletaak ter zake in beginsel mocht afgaan op de informatie verkregen in de daar bedoelde besprekingen met (het bestuur van) Welsec en lawyer’s letters van de advocaat van Welsec. Ik laat verder nog daar dat het subonderdeel, gelijk de subonderdelen 1.b t/m 1.d, alleen een deel van rov. 3.13, eerste alinea op de korrel heeft, aldus de overige overwegingen van het hof in rov. 3.13 (waarover ook onder 3.3 hiervoor) buiten beschouwing latend en (ook) eraan voorbijziend dat het hof de bereikte slotsom in rov. 3.13, slotalinea (eerste zin), anders dan kennelijk in de eerste alinea van het onderdeel tot vertrekpunt wordt genomen, niet enkel baseert op rov. 3.13, eerste alinea.Hierop stuit het subonderdeel af. 3.6 Subonderdeel 1.b klaagt erover dat het hof ten onrechte als omstandigheid in aanmerking neemt dat de vorming van een voorziening “niet zonder gevolgen” is. Die omstandigheid is geen reden om af te zien van de vorming van een voorziening, aangezien art. 2:374 BW die vrijheid niet biedt. Bovendien blijkt uit de overwegingen niet, en valt ook niet in te zien, welke gevolgen in dit geval tegen de vorming van een voorziening pleitten en waarom. 3.7 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Het hof noemt in rov. 3.13, eerste alinea van het arrest de door het subonderdeel bedoelde omstandigheid niet als (een door art. 2:374 BW toegelaten) reden om van de vorming van een voorziening in de jaarrekening af te zien, maar brengt daarmee ‘slechts’ - en overigens niet ten onrechte - tot uitdrukking, in de bredere context van rov. 3.13, eerste alinea, dat de vorming van een voorziening in de jaarrekening naar de aard zekere consequenties heeft, wat onderstreept dat telkens goed bezien moet worden of aan de voorwaarden voor het vormen van een voorziening in de jaarrekening is voldaan (waarbij het bestuur (en de controlerend accountant) ter zake een zekere beoordelingsvrijheid toekomt, zie ook onder 3.3 en 3.5 hiervoor). Zoals blijkt uit het vervolg van rov. 3.13, waarover nader onder 3.3 hiervoor, heeft naar ’s hofs oordeel in de gegeven omstandigheden, bij afweging van alle belangen en op basis van de verkregen informatie, Deloitte de inschatting van (het bestuur van) Welsec om geen voorziening op te nemen in de jaarrekeningen van Welsec over de jaren 2005 t/m 2007, juist mogen achten. Naar blijkt uit het voorgaande, heeft het hof daarbij niet (ook) het oog op bepaalde gevolgen van de vorming van een voorziening in de jaarrekening die in dit geval tegen de vorming van een voorziening in de jaarrekening van Welsec pleitten. Het subonderdeel gaat dus uit van een verkeerde lezing van het arrest, en mist daarmee feitelijke grondslag. Ik laat verder nog daar dat het subonderdeel, gelijk de subonderdelen 1.a en 1.c t/m 1.d, alleen een deel van rov. 3.13, eerste alinea op de korrel heeft, aldus de overige overwegingen van het hof in rov. 3.13 (waarover ook onder 3.3 hiervoor) buiten beschouwing latend en (ook) eraan voorbijziend dat het hof de bereikte slotsom in rov. 3.13, slotalinea (eerste zin), anders dan kennelijk in de eerste alinea van het onderdeel tot vertrekpunt wordt genomen, niet enkel baseert op rov. 3.13, eerste alinea.Hierop stuit het subonderdeel af. 3.8 Subonderdeel 1.c klaagt dat het hof een te hoge eis stelt aan de kans dat de verplichting (om de Staat te betalen) bestaat en tot een uitstroom van middelen zal leiden door als criterium te hanteren “dat gegeven is dat de veroordeling daadwerkelijk tot schade zal leiden”, nu het erom gaat of het waarschijnlijk is (in de zin van een kans van meer dan 50%) dat de veroordeling (in het vonnis van de rechtbank, bedoeld in rov. 3.13, eerste alinea, eerste en tweede zin) tot een uitstroom van middelen zal leiden. 3.9 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Het hof overweegt in rov. 3.13, eerste alinea van het arrest dat de vorming van een voorziening in een geval als bedoeld in rov. 3.13, eerste alinea, eerste en tweede zin uiteraard dient te worden overwogen, maar niet zonder meer in de rede ligt, omdat “[h]et immers niet zonder gevolgen [is], en met de uitspraak niet gegeven [is] dat de veroordeling daadwerkelijk tot schade zal leiden en dat die schade voldoende kwantificeerbaar is”, nu de vraag of dat aan de orde is, moet worden beoordeeld op het moment van de controle van de jaarrekening, met inachtneming van de ontwikkelingen zoals die zich sinds de uitspraak hebben voorgedaan. Tot die beoordeling gaat het hof vervolgens over vanaf rov. 3.13, tweede alinea uitmondend in rov. 3.13, slotalinea, te lezen in verbinding ook met rov. 3.8-3.10, mede handelend over het normatieve kader van art. 2:374 lid 1 BW en de RJ-richtlijnen (in het bijzonder RJ 252.201). Zoals uiteengezet onder 3.3 hiervoor, gaat het hof daarbij wat betreft de voorwaarde onder (
- ii)(althans (b)) zoals genoemd onder 3.3 hiervoor (zie ook rov. 3.8) waar betrokken door het hof ervan uit dat aan de vereiste waarschijnlijkheid niet was voldaan, daarbij kenbaar rekenend met een (voor Deloitte aan te houden) kans op het tot een uitstroom van middelen voor Welsec leiden van de veroordeling die niet groter maar kleiner was dan 50%. Naar blijkt uit het voorgaande, stelt het hof in werkelijkheid niet een hogere eis aan die kans dan voorgestaan door het subonderdeel. Het subonderdeel gaat dus uit van een verkeerde lezing van het arrest, en mist daarmee feitelijke grondslag. Ik laat verder nog daar dat het subonderdeel, gelijk de subonderdelen 1.a t/m 1.b en 1.d, alleen een deel van rov. 3.13, eerste alinea op de korrel heeft, aldus de overige overwegingen van het hof in rov. 3.13 (waarover ook onder 3.3 hiervoor) buiten beschouwing latend en (ook) eraan voorbijziend dat het hof de bereikte slotsom in rov. 3.13, slotalinea (eerste zin), anders dan kennelijk in de eerste alinea van het onderdeel tot vertrekpunt wordt genomen, niet enkel baseert op rov. 3.13, eerste alinea.Hierop stuit het subonderdeel af. 3.10 Subonderdeel 1.d klaagt ten slotte dat onjuist is dat de schade “kwantificeerbaar” moet zijn, omdat het slechts erom gaat dat de schade op betrouwbare wijze kan worden geschat. Daarbij moet bovendien in aanmerking worden genomen dat zo’n schatting vrijwel steeds is te maken, omdat gevallen waarin dat niet kan volgens IAS 37.26 “extreem zeldzaam” zijn. 3.11 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Met zijn overweging in rov. 3.13, eerste alinea van het arrest dat de bedoelde schade “voldoende kwantificeerbaar” moet zijn, doelt het hof op de voorwaarde onder (iii) (althans (c)) zoals genoemd onder 3.3 hiervoor (zie ook rov. 3.8), waaraan inherent is de mogelijkheid van een betrouwbare schatting ter zake (waarnaar het hof ook verwijst bij de weergave van het verweer van Deloitte in rov. 3.9, wat betreft het op betrouwbare wijze kunnen begroten van de daar bedoelde uitstroom van middelen). Zoals mede blijkt uit rov. 3.13, vierde alinea, waarover ook onder 3.3 hiervoor, ziet het hof evenmin eraan voorbij dat die mogelijkheid er veelal zal zijn, maar oordeelt het dat in dit specifieke geval zich de spreekwoordelijke ‘uitzondering op de regel’ voordoet. Naar blijkt uit het voorgaande, redeneert het hof in werkelijkheid niet vanuit een onjuiste rechtsopvatting omtrent de mogelijkheid van een betrouwbare schatting ter zake, zoals ten grondslag ligt aan het subonderdeel. Het subonderdeel gaat dus uit van een verkeerde lezing van het arrest, en mist daarmee feitelijke grondslag. Ik laat verder nog daar dat het subonderdeel, gelijk de subonderdelen 1.a t/m 1.c, alleen een deel van rov. 3.13, eerste alinea op de korrel heeft, aldus de overige overwegingen van het hof in rov. 3.13 (waarover ook onder 3.3 hiervoor) buiten beschouwing latend en (ook) eraan voorbijziend dat het hof de bereikte slotsom in rov. 3.13, slotalinea (eerste zin), anders dan kennelijk in de eerste alinea van het onderdeel tot vertrekpunt wordt genomen, niet enkel baseert op rov. 3.13, eerste alinea.Hierop stuit het subonderdeel af. 3.12 Met het falen van de subonderdelen 1.a t/m 1.d valt ook het doek voor de uit die subonderdelen opgebouwde derde (hoofd)klacht van het onderdeel, waarover ook onder 3.2 hiervoor. Daarmee faalt het onderdeel in zijn geheel. Onderdeel 2 3.13 Onderdeel 2 bevat een hoofdklacht en zeven subonderdelen (2.a t/m 2.g), kennelijk ook gericht tegen rov. 3.13 van het arrest, die kunnen worden opgevat deels als een uitwerking van de hoofdklacht en deels als zelfstandige klachten. Ik bespreek eerst de hoofdklacht (zie onder 3.14 hierna), die direct hieronder wordt weergegeven, en daarna de subonderdelen afzonderlijk (zie onder 3.15-3.29 hierna).De hoofdklacht voert aan dat, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer valt in te zien dat Deloitte de inschatting van het bestuur van Welsec juist mocht achten dat, ondanks het vonnis van 9 november 2005 waarbij Welsec was veroordeeld tot betaling aan de Staat van € 1,3 miljoen, het bestaan van een verplichting en enige uitstroom van middelen niet waarschijnlijk was of de omvang daarvan onvoldoende betrouwbaar kon worden geschat. Hiertoe voert het onderdeel aan dat uit de overwegingen van het hof niet blijkt: (
- i)dat de kans dat een verplichting van Welsec jegens de Staat bestaat 50% of minder is; (
- ii)dat de kans dat voor de afwikkeling daarvan enige uitstroom van middelen zal plaatsvinden 50% of minder is; en/of (iii) dat de omvang van de verplichting niet op voldoende betrouwbare wijze kan worden geschat. 3.14 De hoofdklacht faalt, gelet op het volgende.Onder 3.3 hiervoor zette ik uiteen wat het hof doet in rov. 3.13 van het arrest, waarnaar ik kortheidshalve verwijs. Zoals daaruit volgt, gaat de hoofdklacht uit van een verkeerde lezing van het arrest, en mist deze daarmee feitelijke grondslag, waar deze veronderstelt dat het hof in rov. 3.13 een oordeel velt over het in de klacht onder (
- i)bedoelde (dat doet het hof niet, want het richt zich in rov. 3.13 op het in de klacht onder (
- ii)en (iii) bedoelde) en dat uit de overwegingen van het hof in rov. 3.13 niet blijkt, kort gezegd, dat het in de klacht onder (
- ii)en (iii) bedoelde hier volgens het hof aan de orde is (dat blijkt wel uit die overwegingen, waaraan logischerwijs niet afdoet dat het hof daar niet (ook) met zoveel woorden overweegt dat de kans dat voor de onder (
- ii)bedoelde afwikkeling enige uitstroom van middelen van Welsec zal plaatsvinden 50% of minder is en/of dat de onder (iii) bedoelde omvang niet op voldoende betrouwbare wijze kan worden geschat). Voor zover nodig naar aanleiding van de subonderdelen 2.a t/m 2.g bevat de behandeling van die subonderdelen nog een aanvulling op het voorgaande, waarmee hier ook rekening is gehouden.Hierop stuit de hoofdklacht af. 3.15 Subonderdeel 2.a klaagt dat de omstandigheid dat Welsec (uitvoerbaar bij voorraad) was veroordeeld tot betaling van € 1,3 miljoen ten minste reden is om voor dat bedrag een voorziening op te nemen, althans een sterke aanwijzing dat aan de criteria voor het opnemen van een voorziening is voldaan en daarmee tevens een sterke aanwijzing dat de inschatting van het bestuur niet juist kon worden geacht. 3.16 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Voor zover het subonderdeel betoogt dat de veroordeling van Welsec in eerste aanleg zoals bedoeld in rov. 3.13, eerste alinea, eerste en tweede zin van het arrest op zichzelf verplichtte tot het opnemen van een voorziening in de jaarrekening(
- en)van Welsec over 2005, 2006 en/of 2007, miskent dit dat de op de voet van art. 2:374 lid 1 BW te verrichten beoordeling intrinsiek contextafhankelijk is, zoals het hof in rov. 3.13, eerste alinea (en verder) ook benadrukt (zie bijvoorbeeld ook rov. 3.5, tweede zin en slotzin). Met zo’n veroordeling is nog niet gezegd, althans niet zonder inachtneming ook van de omstandigheden het geval, dat op de balansdatum is voldaan aan de voorwaarden voor het vormen van een voorziening in de jaarrekening. Zie ook onder 3.3 en 3.5 hiervoor. In zoverre redeneert het subonderdeel vanuit een onjuiste rechtsopvatting, waarvan het hof dus niet hoefde uit te gaan noch is uitgegaan, en brengt het daarin aangevoerde niet mee dat ’s hofs overwegingen in rov. 3.13 ontoereikend zijn gemotiveerd. Waar het subonderdeel aanvoert dat genoemd veroordelend vonnis een sterke aanwijzing vormde dat aan de criteria voor het opnemen van een voorziening is voldaan, en in het verlengde daarvan dat deze omstandigheid ook een sterke aanwijzing vormde dat de inschatting van (het bestuur van) Welsec niet juist kon worden geacht, strandt het subonderdeel eveneens. Voor zover het subonderdeel daarmee betoogt dat voor het hier moeten opnemen van een voorziening in de jaarrekening(
- en)van Welsec over 2005, 2006 en/of 2007 volstond dat dit vonnis zo’n sterke aanwijzing vormde, miskent het evenzeer dat dit niet strookt met die op de voet van art. 2:374 lid 1 BW te verrichten, intrinsiek contextafhankelijk beoordeling, van welke onjuiste rechtsopvatting het hof evenmin hoefde uit te gaan noch is uitgegaan. Voor zover het subonderdeel daarmee betoogt dat het hof zijn oordeel in rov. 3.13 nader had dienen te motiveren, geldt dat, ook als dit vonnis zo’n gekwalificeerde aanwijzing zou opleveren, het hof, mede gelet op de vooropstellingen in rov. 3.13, eerste alinea, kenbaar en afdoende het nodige gewicht toekent aan dit vonnis in verband met de in rov. 3.13 voorliggende vraag met betrekking tot de jaarrekeningen van Welsec over 2005 t/m 2007, maar uiteindelijk en goed navolgbaar oordeelt dat, niettemin, in de gegeven omstandigheden, bij afweging van alle belangen en op basis van de verkregen informatie (waarover ook rov. 3.12), Deloitte de inschatting van (het bestuur van) Welsec om in de jaren 2005, 2006 en 2007 geen voorziening op te nemen, juist mocht achten. Dit oordeel is, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk te noemen. Zie ook weer onder 3.3 en 3.5 hiervoor. Het subonderdeel legt ook niet uit waarom dit anders zou zijn.Hierop stuit het subonderdeel af. 3.17 Subonderdeel 2.b klaagt dat voor ’s hofs andersluidende oordeel (dat, kort gezegd, Deloitte de inschatting van het bestuur van Welsec om geen voorziening in de jaarrekeningen van Welsec over 2005 t/m 2007 op te nemen, juist mocht achten) onvoldoende is dat Welsec tegen het vonnis hoger beroep had ingesteld en dat de Staat nog geen executiemaatregelen had getroffen (rov. 3.13, tweede alinea van het arrest). Daarmee is nog niets gezegd over: (
- i)de 50%-kans dat enige verplichting jegens de Staat bestaat; (
- ii)de 50%-kans op enige uitstroom van middelen; (iii) en de vraag of de verplichting op betrouwbare wijze kon worden geschat. Dit klemt temeer, aldus nog steeds het subonderdeel, nu de Staat nog geen executiemaatregelen had getroffen uit zorgvuldigheidsoverwegingen en niet omdat de Staat geen aanspraak wilde maken op het toegewezen bedrag. 3.18 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Onder 3.3 hiervoor zette ik uiteen wat het hof doet in rov. 3.13 van het arrest, waarnaar ik kortheidshalve verwijs. Zoals daaruit volgt, gaat het subonderdeel uit van een verkeerde lezing van het arrest, en mist het daarmee feitelijke grondslag, waar het veronderstelt dat het hof in rov. 3.13 een oordeel velt over het onder 3.17 hiervoor onder (
- i)bedoelde (dat doet het hof niet, want het richt zich in rov. 3.13, kort gezegd, op het onder 3.17 hiervoor onder (
- ii)en (iii) bedoelde) en dat ’s hofs in het subonderdeel bedoelde, kenbaar omstandighedenafhankelijke oordeel alleen steunt op rov. 3.13, tweede alinea (nu dat oordeel onder meer ook steunt op rov. 3.13, derde t/m vijfde alinea, in het verlengde van rov. 3.13, eerste en tweede alinea). Daarbij zij aangetekend, mede onder verwijzing naar 3.3 hiervoor: - dat het hof in rov. 3.13, tweede alinea (waarin het hof dus ook kenbaar rekent met een minder dan 50% kans op enige uitstroom van middelen van Welsec) ook betrekt, kort gezegd, het tijdverloop tussen het wijzen van het vonnis en het opstellen door (het bestuur van) Welsec van de jaarrekening over 2005 en de controle daarvan door Deloitte, alsmede de overtuiging van (het bestuur van) Welsec dat het vonnis in hoger beroep geen stand zou houden, mede gelet op het in haar opdracht uitgebrachte deskundigenrapport (te lezen ook in verbinding met rov. 3.9); - dat, wat betreft de inschatting ten tijde van dat opstellen door (het bestuur van) Welsec en die controle door Deloitte van de waarschijnlijkheid van enige uitstroom van middelen van Welsec ter afwikkeling van genoemd vonnis, waarop rov. 3.13, tweede alinea in het bijzonder ziet (te lezen ook in verbinding met rov. 3.8-3.9), het hof naar de aard ook kon betrekken, zoals het doet en kort gezegd, dat waar enerzijds (het bestuur van) Welsec vanwege die overtuiging (dat zij in het vonnis ten onrechte als aansprakelijke partij werd aangemerkt) hoger beroep had ingesteld en anderzijds de Staat executie van het vonnis achterwege liet en kennelijk het oordeel van het gerechtshof in dat hoger beroep afwachtte, dat oordeel (waarop die, mede op dat deskundigenrapport gebaseerde, overtuiging van (het bestuur van) Welsec dus betrekking had) daarmee een doorslaggevende omstandigheid werd; - dat hieraan logischerwijs niet af doet, naar het subonderdeel aanvoert, dat de Staat nog geen executiemaatregelen had getroffen uit zorgvuldigheidsoverwegingen en niet omdat de Staat geen aanspraak wilde maken op het toegewezen bedrag (dus de reden waarom de Staat kennelijk dat oordeel van het gerechtshof in dat hoger beroep afwachtte), dit nog daargelaten dat het arrest van 24 maart 2020 in de zaak tussen HHI c.s. en de curator waarop het subonderdeel een beroep doet geen deel uitmaakt van de onderhavige procedure tussen de curator en Deloitte. Hierop stuit het subonderdeel af. 3.19 Subonderdeel 2.c klaagt dat voor het oordeel van het hof (dat, kort gezegd, Deloitte de inschatting van het bestuur van Welsec om geen voorziening in de jaarrekeningen van Welsec over 2005 t/m 2007 op te nemen, juist mocht achten) onvoldoende is dat het bestuur van Welsec ervan overtuigd was dat het vonnis in hoger beroep stand zou houden. Daarmee is “nog niets gezegd” over: (
- i)de overtuiging van het bestuur ten aanzien van de 50%-kans dat enige verplichting jegens de Staat bestaat; (
- ii)de 50%-kans op enige uitstroom van middelen; of (iii) de vraag of de verplichting op voldoende betrouwbare wijze kan worden geschat. Bovendien, zo vervolgt het subonderdeel, miskent het hof door aan deze omstandigheid (de door het hof bedoelde overtuiging van het bestuur) gewicht toe te kennen, althans het gewicht toe te kennen zoals het doet, de rol van de accountant om die overtuiging in het licht van de overige haar ter beschikking staande gegevens te controleren. 3.20 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Onder 3.3 hiervoor zette ik uiteen wat het hof doet in rov. 3.13 van het arrest, waarnaar ik kortheidshalve verwijs. Zoals daaruit volgt, gaat het subonderdeel uit van een verkeerde lezing van het arrest, en mist het daarmee feitelijke grondslag, waar het veronderstelt dat het hof in rov. 3.13 een oordeel velt over het onder 3.19 hiervoor onder (
- i)bedoelde (dat doet het hof niet, want het richt zich in rov. 3.13, kort gezegd, op het onder 3.19 hiervoor onder (
- ii)en (iii) bedoelde) en dat ’s hofs in het subonderdeel bedoelde, kenbaar omstandighedenafhankelijke oordeel alleen steunt op rov. 3.13, tweede alinea (nu dat oordeel onder meer ook steunt op rov. 3.13, derde t/m vijfde alinea, in het verlengde van rov. 3.13, eerste en tweede alinea). Daarbij zij aangetekend, mede onder verwijzing naar 3.3 hiervoor: - dat het hof in rov. 3.13, tweede alinea (te lezen in verbinding met rov. 3.8-3.9) de in het subonderdeel bedoelde overtuiging van (het bestuur van) Welsec dat het vonnis in hoger beroep bij het gerechtshof geen stand zou houden in het bijzonder betrekt op de inschatting ten tijde van het opstellen door (het bestuur van) Welsec van de jaarrekening over 2005 en de controle daarvan door Deloitte van de waarschijnlijkheid van enige uitstroom van middelen van Welsec ter afwikkeling van het in rov. 3.13, eerste alinea, eerste en tweede zin bedoelde vonnis; - dat het hof in rov. 3.13, tweede alinea tot uitdrukking brengt dat Deloitte wat betreft de jaarrekening over 2005 mocht volgen die overtuiging van (het bestuur van) Welsec dat het vonnis in hoger beroep bij het gerechtshof geen stand zou houden (omdat zij in dat vonnis ten onrechte als aansprakelijke partij werd aangewezen, zie rov. 3.9), voor welk standpunt (het bestuur van) Welsec bevestiging vond in het rapport van haar deskundige, reden waarom zij hoger beroep had aangetekend tegen het vonnis (zie ook rov. 3.9), waarmee het hof dus ook kenbaar rekent met een (voor Deloitte aan te houden) kans ter zake die niet groter maar kleiner was dan 50% (want uitgaande van de te volgen overtuiging van (het bestuur van) Welsec van het in hoger beroep door vernietiging van het vonnis wegvallen van haar aansprakelijkheid jegens de Staat, waarbij van zo’n voor de afwikkeling daarvan noodzakelijke uitstroom van middelen van Welsec naar de aard geen sprake zou zijn); - dat het hof daarbij ook acht erop slaat, mede gelet op rov. 3.9, dat waar ten tijde van het opstellen door (het bestuur van) Welsec van de jaarrekening over 2005 en de controle daarvan door Deloitte bijna een jaar verstreken was sinds het vonnis was gewezen, en de Staat op dat moment nog steeds geen executiemaatregelen had getroffen maar kennelijk het oordeel van het gerechtshof in het inmiddels door Welsec ingestelde hoger beroep afwachtte, dat oordeel van het gerechtshof, waarop die overtuiging van (het bestuur van) Welsec dus zag, een doorslaggevende omstandigheid werd; - dat, gelet daarop, niet valt vol te houden dat met dit een en ander “nog niets gezegd [is]” over het onder 3.19 hiervoor onder (
- ii)bedoelde (waarop, zoals gezegd, rov. 3.13, tweede alinea naar de kern genomen ziet, gerelateerd aan het opstellen door (het bestuur van) Welsec van de jaarrekening over 2005 en de controle daarvan door Deloitte), nu dit een en ander dat naar de aard juist wel doet; - dat, gelet daarop, met inbegrip ook van de door het hof nadrukkelijk betrokken bevestiging die (het bestuur van) Welsec in dat deskundigenrapport vond voor haar overtuiging dat Welsec in het vonnis ten onrechte als aansprakelijke partij werd aangewezen, alsmede de daarbij aan haar in redelijkheid te laten ruimte, evenmin gezegd kan worden dat het hof door in rov. 3.13, tweede alinea aan die overtuiging gewicht toe te kennen, althans het gewicht toe te kennen zoals het doet, de rol van de accountant om die overtuiging in het licht van de overige haar ter beschikking staande gegevens te controleren miskent, waarbij nog opmerking verdient dat het subonderdeel niet aanvoert dat en waarom de overige omstandigheden genoemd in rov. 3.13, tweede alinea dit anders zouden maken noch dat en waarom het hof in rov. 3.13, tweede alinea meer althans andere omstandigheden had dienen te betrekken, terwijl rov. 3.12 (waaruit mede volgt dat Deloitte als extern controlerend accountant in beginsel mocht afgaan op de verkregen informatie zoals daar bedoeld) in cassatie onbestreden is gebleven. Hierop stuit het subonderdeel af. 3.21 Subonderdeel 2.d klaagt dat “[d]it temeer [klemt]”, nu de situatie van 2005 in 2006 ongewijzigd was en in de lawyer’s letter over 2006 stond dat de uitkomst van een hoger beroep niet gemakkelijk was te voorspellen, maar de verwachting was dat een eventuele veroordeling lager zou uitvallen (rov. 3.13, derde alinea van het arrest). Deze opmerking in de lawyer’s letter impliceert dat het hoger beroep naar verwachting zou leiden tot enige veroordeling, zij het dat die mogelijk lager zou uitvallen dan volgens het vonnis van de rechtbank. De lawyer’s letter over 2006 noopte juist tot het opnemen van een voorziening, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet zonder meer in te zien waarom Deloitte mede op grond van de lawyer’s letter over 2006 de inschatting van het bestuur van Welsec om geen voorziening op te nemen, juist mocht achten. 3.22 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de voorgaande subonderdelen, die falen, deelt deze in het lot daarvan. Ook overigens loopt het subonderdeel vast. Onder 3.3 hiervoor zette ik uiteen wat het hof doet in rov. 3.13 van het arrest, waarnaar ik kortheidshalve verwijs. Onderdeel daarvan is dat het hof in rov. 3.13, derde alinea, eveneens in het kader van voorwaarde (
- ii)(althans (b)) zoals genoemd onder 3.3 hiervoor (zie ook rov. 3.8), ingaat op het tijdvak waarin de jaarrekening van Welsec over 2006 door Deloitte werd gecontroleerd, waarbij het hof de in rov. 3.13, tweede alinea gevolgde lijn doortrekt waar het vaststelt dat toen die jaarrekening moest worden gecontroleerd de in rov. 3.13, tweede alinea bedoelde situatie “ongewijzigd” was, met dien verstande dat in een lawyer’s letter (geciteerd in rov. 2.13), naar ’s hofs verkorte weergave, werd opgemerkt dat de uitkomst van het hoger beroep niet gemakkelijk was te voorspellen, maar dat de verwachting was dat een eventuele veroordeling lager zou uitvallen dan de rechtbank had toegewezen. Zoals gezegd, komt dit erop neer dat het hof ook hier rekent met een (door Deloitte aan te houden) kans ter zake die niet groter maar kleiner was dan 50% (al lag die wellicht wat hoger dan in het jaar ervoor, gelet op de lawyer’s letter waarin een veroordeling van Welsec ook weer niet werd uitgesloten, en waaruit wat betreft de omvang van de aansprakelijkheid voor Welsec bij een veroordeling, zo daarvan al sprake zou zijn, niet meer sprak dan dat deze lager zou uitvallen dan de rechtbank had toegewezen). In de lawyer’s letter over 2006, zoals geciteerd in rov. 2.13, staat het volgende over de procedure van Welsec tegen de Staat: “5. Welgelegen & Welsec/StaatProcedure betreffende bodemvervuiling industriehaven te Harlingen. In eerste aanleg is de vordering van de Staat toegewezen. Van dit vonnis is hoger beroep ingesteld. Er is zeer recent gepleit en het Hof heeft de Staat aangegeven dat deze er verstandig aan doet om met Welgelegen & Welsec tot een regeling te komen. De indruk is, dat mocht het Hof arrest gaan wijzen, het vonnis van de rechtbank vernietigd zal worden.Door de Rechtbank was € 1.292.215,61 met wettelijke rente toegewezen. Wat er uiteindelijk uit gaat komen valt niet zo gemakkelijk te voorspellen, maar naar inschatting in ieder geval minder dan de rechtbank heeft toegewezen.” [vetgedrukt in origineel, A-G] Hier staat niet (ook niet impliciet) dat, in de woorden van het subonderdeel, het hoger beroep “naar verwachting zou leiden tot enige veroordeling, zij het dat die mogelijk lager zou uitvallen dan volgens het vonnis van de rechtbank.” Dat is ook niet wat het hof daarin leest, blijkens die verkorte weergave van deze lawyer’s letter in rov. 3.13, derde alinea, waarin het hof uitgaat van de lezing waarin “de uitkomst niet gemakkelijk was te voorspellen”, maar dat “de verwachting was dat een eventuele veroordeling”, dus zo daarvan al sprake zou zijn, “lager zou uitvallen dan de rechtbank had toegewezen”. Deze lezing is niet onbegrijpelijk in het licht van die lawyer’s letter, ook niet als daarbij het partijdebat wordt betrokken. Daarmee valt de bodem weg onder het betoog in het subonderdeel dat, (slechts) uitgaande van de daarin voorgestane uitleg van die lawyer’s letter, wat het subonderdeel dus ten onrechte doet, die lawyer’s letter juist noopte tot het opnemen van een voorziening, althans dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zonder meer valt in te zien waarom Deloitte mede op grond van de lawyer’s letter over 2006 de inschatting van (het bestuur van) Welsec om geen voorziening op te nemen, juist mocht achten.Hierop stuit het subonderdeel af. 3.23 Subonderdeel 2.e klaagt dat “[a] fortiori” zonder nadere, maar ontbrekende motivering niet valt in te zien waarom Deloitte na kennisneming van de lawyer’s letter over 2007 (geciteerd in rov. 2.15 van het arrest) de inschatting van het bestuur van Welsec om geen voorziening op te nemen onverminderd juist mocht achten. Blijkens die lawyer’s letter had het gerechtshof immers een tussenarrest gewezen in de zaak tussen de Staat en Welsec waarin Welsec “nog steeds” aansprakelijk werd gehouden voor (een deel van) de schade en waarin een deskundigenonderzoek werd gelast om de omvang van Welsecs aansprakelijkheid vast te stellen (rov. 3.13, vierde alinea). Volgens het hof, in zijn arrest gewezen in de parallelle zaak tussen HHI c.s. en de curator, kon in genoemd tussenarrest niet worden gelezen dat Welsec niet of slechts voor een klein gedeelte van de schade aansprakelijk kon zijn. 3.24 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de voorgaande klachten, die falen, deelt deze in het lot daarvan. Ook overigens loopt het subonderdeel vast. Onder 3.3 hiervoor zette ik uiteen wat het hof doet in rov. 3.13 van het arrest, waarnaar ik kortheidshalve verwijs. Onderdeel daarvan is dat het hof in rov. 3.13, vierde en vijfde alinea, in het kader van voorwaarde (iii) (althans (c)) zoals genoemd onder 3.3 hiervoor (zie ook rov. 3.8), tot uitdrukking brengt met betrekking tot de jaarrekening van Welsec over 2007 dat weliswaar met het tussenarrest van het gerechtshof van 21 november 2007 in de zaak tussen de Staat en Welsec duidelijk was - dat het vonnis op basis van de toen beschikbaar informatie geen stand zou houden, alsmede - dat Welsec nog steeds aansprakelijk werd gehouden voor (een deel van) de schade, wat insluit dat niet langer gezegd kon worden dat van een noodzakelijke uitstroom van middelen van Welsec ter zake zoals genoemd onder (
- ii)(althans (b)) onder 3.3 hiervoor (zie ook rov. 3.8) geen sprake zou zijn, maar ook dat de omvang van die aansprakelijkheid echter onduidelijk was. Daarmee oordeelt het hof, mede gelet op rov. 2.14 en kort gezegd, dat in dit specifieke geval, waarin zich blijkens dat tussenarrest zonder zo’n deskundigenonderzoek (ook bij benadering) niet liet bepalen welk deel van de met die verontreiniging verband houdende schade voor rekening van Welsec diende te komen, nu nog onduidelijk was in welke mate Welgelegen en Welsec verontreinigende activiteiten hadden verricht en in welke mate andere bronnen een rol konden hebben gespeeld bij de verontreiniging van het achterste deel van de Industriehaven, Deloitte in navolging van (het bestuur van) Welsec kon aannemen dat ten tijde van de controle van de jaarrekening over 2007 (nog) geen betrouwbare schatting te maken viel van de omvang van Welsecs gehoudenheid tot schadevergoeding, oftewel aansprakelijkheid jegens de Staat (en daarmee evenmin van de voor de afwikkeling daarvan noodzakelijke uitstroom van middelen van Welsec). Het hof betrekt daarbij in rov. 3.13, vierde alinea, tweede zin ook dat in de daar bedoelde lawyer’s letter over 2007, zoals geciteerd in rov. 2.15 en hierna voor zover relevant weergegeven, het door het hof in rov. 3.13, vierde alinea, eerste zin samengevatte oordeel van het gerechtshof in genoemd tussenarrest van 21 november 2007 eveneens aan Deloitte werd medegedeeld (alsook dat, blijkens rov. 3.13, vierde alinea, derde zin, een afschrift van genoemd tussenarrest aan Deloitte werd verstrekt), waarmee het hof geen onbegrijpelijke verbinding legt tussen dat oordeel van het gerechtshof in genoemd tussenarrest van 21 november 2007 en de lawyer’s letter over 2007: “Bij arrest van 21 november 2007 [het door het subonderdeel bedoelde tussenarrest, A-G] heeft het Hof aangegeven dat de Staat de stelling dat de gehele saneringskosten het gevolg zijn van een door Welgelegen c.s. veroorzaakte verontreiniging niet in toereikende mate heeft bewezen. Onduidelijk is gebleven wa[t] de omvang is geweest van de door Welgelegen c.s. veroorzaakte verontreiniging. Verder acht het hof het van belang dat onduidelijk is in welke mate de andere in de eerdere rapporten genoemde bronnen van vervuiling een rol hebben gespeeld bij de verontreiniging van het achterste deel van de Industriehaven. Zeker nu onduidelijk is in welke mate Welgelegen c.s. verontreinigende activiteiten hebben verricht is het van belang dat voldoende inzicht bestaat in de rol van mogelijke andere oorzaken voor de verontreiniging van het achterste deel van de industriehaven. Een en ander maakt dat het Hof een onderzoek door deskundigen (…) noodzakelijk acht. (…) Het deskundigenrapport zal bepalend zijn voor de vraag in hoeverre door de Staat geclaimde schade terecht door de rechtbank is toegewezen of niet. (…) De kans is zeker aanwezig dat de vordering aanmerkelijk teruggebracht gaat worden, maar meer valt er op dit moment niet over te zeggen.” Het behoeft geen betoog dat bezien tegen deze achtergrond, waaraan het subonderdeel ten onrechte voorbijgaat, ook zonder nadere motivering door het hof in rov. 3.13 valt in te zien waarom Deloitte na kennisneming van de lawyer’s letter over 2007 de inschatting van (het bestuur van) Welsec ten aanzien van de jaarrekening over 2007 om daarin geen voorziening te vormen onverminderd juist mocht achten. Daarbij zij aangetekend dat het subonderdeel geen recht doet aan inhoud en strekking van de lawyer’s letter en aan dat tussenarrest van 21 november 2007, waarvan Deloitte dus ook afschrift was verstrekt, terwijl aan het hiervoor weergegeven oordeel van het hof in rov. 3.13, vierde en vijfde alinea niet afdoet dat volgens het hof in het arrest gewezen in de parallelle zaak tussen HHI c.s. en de curator in dat tussenarrest van 21 november 2007 niet kon worden gelezen dat Welsec “niet of slechts voor een klein gedeelte van de schade aansprakelijk kon zijn”: nog daargelaten dat dat arrest in die parallelle zaak geen deel uitmaakt van de onderhavige zaak, is die enkele vaststelling daar (omtrent, kort gezegd, het niet nihil of slechts zeer beperkt zijn van die aansprakelijkheid), gelet ook op de omvang van de veroordeling van Welsec in eerste aanleg (betaling van bijna € 1,3 miljoen aan de Staat, zie rov. 3.13, eerste alinea, eerste zin), nog niet prohibitief voor ’s hofs oordeel in rov. 3.13, vierde en vijfde alinea omtrent, kort gezegd, het echter onduidelijk zijn van de omvang van de aansprakelijkheid van Welsec, waarover hiervoor.Hierop stuit het subonderdeel af. 3.25 Subonderdeel 2.f klaagt dat de overweging van het hof (in rov. 3.13, zesde alinea van het arrest) dat Deloitte niet zelf onderzoek hoefde te doen naar de kans van slagen van het hoger beroep of de beweegredenen van de Staat om het vonnis (nog) niet te executeren “in het licht van het voorgaande evenzeer” onjuist, althans zonder nadere motivering - die ontbreekt - onvoldoende gemotiveerd, is. Het ontbrak Deloitte immers aan gegevens die de inschatting van het bestuur om geen voorziening op te nemen konden rechtvaardigen, zodat Deloitte die inschatting zonder zelf onderzoek te doen niet (zonder meer) juist kon achten. 3.26 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de voorgaande klachten, die falen, deelt deze in het lot daarvan. Voor het overige loopt het subonderdeel erop vast dat de daarin bedoelde overwegingen van het hof in rov. 3.13, zesde alinea van het arrest niet los gezien kunnen worden van de daaraan voorafgaande overwegingen van het hof in rov. 3.13, die dus zonder vrucht zijn bestreden met de voorgaande klachten en ’s hofs oordeel in rov. 3.13, zesde alinea, eerste zin afdoende schragen, nog daargelaten ’s hofs overwegingen in rov. 3.12 (waaruit mede volgt, in cassatie onbestreden, dat Deloitte als externe controlerend accountant in beginsel mocht afgaan op de met de daar bedoelde jaarlijkse besprekingen (met (het bestuur van) Welsec) en lawyer’s letters (van de advocaat van Welsec) verkregen informatie (waarop rov. 3.13-3.16 weer voortbouwen), waarin besloten ligt dat Deloitte in het kader van haar controletaak ter zake in beginsel niet zelf onderzoek hoefde te doen naar aanleiding van die verkregen informatie (op een of meer onderdelen, zoals de kans van slagen van het hoger beroep of de beweegredenen van de Staat om het vonnis (nog) niet te executeren) en/of los daarvan, welke lijn het hof (ook) in rov. 3.13, zesde alinea doortrekt). Bij deze stand van zaken kan, anders dan het subonderdeel veronderstelt, niet worden gezegd dat het Deloitte ontbrak aan gegevens die de inschatting van (het bestuur van) Welsec om geen voorziening op te nemen in de jaarrekening(
- en)over 2005, 2006 en/of 2007 konden rechtvaardigen (zodat zij vanwege het ontbreken van zulke gegevens die inschatting zonder zelf onderzoek te doen niet (zonder meer) juist kon achten), waaruit volgt dat evenmin sprake is van de door het subonderdeel aangevoerde onjuiste rechtsopvatting van, althans ontoereikende motivering door, het hof.Hierop stuit het subonderdeel af. 3.27 Subonderdeel 2.g klaagt dat aangezien in de - volgens het hof - aan Deloitte bekende situatie in 2008 en 2009 in elk geval geen verandering ten gunste van Welsec kwam, zonder nadere motivering, die ontbreekt, “in het licht van het voorgaande evenmin” valt in te zien waarom Deloitte, zoals het hof in rov. 3.14 en 3.15 van het arrest oordeelt, de inschatting van het bestuur van Welsec om ook in de jaarrekeningen over 2008 en 2009, net als de voorgaande jaren, geen voorziening op te nemen, juist mocht achten. 3.28 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de voorgaande klachten, die falen, deelt deze in het lot daarvan. Voor het overige loopt het subonderdeel erop vast: - dat waar Deloitte wat betreft de jaarrekeningen van Welsec over 2005 t/m 2007 blijkens rov. 3.13 van het arrest naar ’s hofs oordeel in de gegeven omstandigheden, bij afweging van alle belangen en op basis van de verkregen informatie, de inschatting van (het bestuur van) Welsec om in die jaarrekeningen geen voorziening op te nemen juist mocht achten, - welk oordeel dus zonder vrucht is bestreden met de voorgaande klachten, - en blijkens rov. 3.14 en 3.15 naar ’s hofs oordeel, kort gezegd, in die voor Deloitte bekende situatie bij haar controle van de jaarrekeningen van Welsec over 2008 en 2009 geen (noemenswaardige) verandering kwam, - in het bijzonder omdat de in rov. 3.14 bedoelde informatie aan Deloitte is onthouden en er voor het overige geen aanwijzingen voor zijn dat Deloitte wel van het in rov. 3.14 bedoelde deskundigenrapport op de hoogte was of had moeten zijn, zodat het ervoor moet worden gehouden dat Deloitte over de voortgang van de verontreinigingsprocedure (het hoger beroep bij het gerechtshof, waarin ook dat tussenarrest van 21 november 2007 zoals bedoeld in rov. 3.13, vierde alinea was gewezen) niet juist en niet volledig is voorgelicht door (het bestuur van) Welsec en de advocaat van Welsec, - het hof ook zonder nadere motivering kon oordelen, zoals het doet in rov. 3.14-3.15 en kort gezegd, dat Deloitte niet kan worden verweten dat zij over de boekjaren 2008 en 2009 het deskundigenrapport niet heeft betrokken in de beoordeling van de vraag of een voorziening moest worden gevormd, en wat betreft de jaarrekeningen van Welsec over 2008 en 2009 (het bestuur van) Welsec niet te hebben geadviseerd een voorziening te vormen (dan wel haar goedkeurende verklaring te onthouden aan deze jaarrekeningen), - logischerwijs uitmondend in ’s hofs slotsom ter zake, in rov. 3.16, dat Deloitte heeft kunnen oordelen dat het opnemen van een voorziening in de jaarrekeningen van Welsec over 2005 t/m 2009 niet aan de orde kon zijn (en dat de vordering van de Staat op Welsec diende te worden opgenomen bij de “Niet in de balans opgenomen verplichtingen”), reden waarom zij haar goedkeuring aan de jaarrekeningen niet hoefde te onthouden. Hierop stuit het subonderdeel af. 3.29 Nu ook alle subonderdelen falen, is het onderdeel vergeefs voorgesteld. Onderdeel 3 3.30 Onderdeel 3 bevat twee subonderdelen, gericht tegen rov. 3.14 en 3.15 van het arrest, te lezen in het licht van de volgende aanloop.In rov. 3.14 oordeelt het hof dat het voorlopige rapport van 14 februari 2009 en het definitieve rapport van 4 juli 2009 van de door het gerechtshof in de procedure van Welsec tegen de Staat benoemde deskundigen, waarin Welsec werd aangewezen als de veroorzaker van de vervuiling, niet betekenen dat Deloitte haar goedkeurende verklaring aan de jaarrekeningen over 2008 en 2009 had moeten onthouden vanwege het ontbreken van een voorziening. Volgens het hof zijn deze rapporten namelijk aan Deloitte onthouden (rov. 3.14, eerste alinea). Daarbij baseert het hof zich op het verslag van de bespreking van 28 april 2010 (ten behoeve van de afronding van de controle over 2009) en de lawyer’s letter van 29 januari 2010 over het boekjaar 2009. Omdat er voor het overige geen aanwijzingen voor zijn dat Deloitte van de deskundigenrapporten op de hoogte was of had moeten zijn, moet het volgens het hof ervoor worden gehouden dat Deloitte niet juist en niet volledig is voorgelicht door het bestuur en de advocaat van Welsec. Deloitte treft daarom geen verwijt ervan dat zij het deskundigenrapport niet heeft betrokken in de beoordeling van de vraag of een voorziening moest worden gevormd en kan ook niet worden verweten dat zij het bestuur niet heeft geadviseerd een voorziening te vormen dan wel haar goedkeurende verklaring te onthouden aan deze jaarrekeningen, aldus het hof in rov. 3.15. Deze oordelen zijn onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. 3.31 Subonderdeel 3.a neemt als vertrekpunt dat Deloitte bekend was met het veroordelende vonnis van de rechtbank en met het tussenarrest van het gerechtshof van 21 november 2007, waarin het gerechtshof voorshands had geoordeeld dat Welsec ten minste gedeeltelijk voor de verontreiniging verantwoordelijk was en waarin het gerechtshof deskundigen had benoemd die onder meer nader onderzoek zouden moeten doen naar de omvang van de door Welsec veroorzaakte verontreiniging. Volgens het subonderdeel heeft Deloitte erkend dat zo’n rapport van door het gerechtshof benoemde deskundigen zwaar weegt bij de beoordeling van de vraag of een voorziening moet worden gevormd, omdat het gerechtshof de deskundigen vaak zal volgen. Ook wijst het subonderdeel erop dat het hof in rov. 3.14 van het arrest overweegt dat het deskundigenrapport voor het bestuur van Welsec aanleiding had moeten zijn voor het opnemen van een voorziening. Daarop voert het subonderdeel het volgende aan. Mede vanwege dit ook door Deloitte (en het hof) zelf erkende belang van het deskundigenrapport, bracht de door Deloitte als controlerend accountant te betrachten zorgvuldigheid, professionaliteit en nauwgezetheid minst genomen mee dat zij zelf bij het bestuur van Welsec en de advocaat van Welsec diende te informeren naar de stand van zaken met betrekking tot de status van het deskundigenrapport. Meer in het algemeen lag het op de weg van Deloitte om te informeren naar de stand van zaken en de status van de procedure bij het gerechtshof, alvorens de inschatting van het bestuur dat ondanks het veroordelend vonnis (nog steeds) geen voorziening behoefde te worden gevormd juist te kunnen achten. Deloitte heeft dat kennelijk niet gedaan en heeft kennelijk ook niet een lawyer’s letter over 2008 gevraagd. Als zij dat wel zou hebben gedaan, zou zij reeds bij de controle van de jaarrekening over 2008 de beschikking kunnen hebben gehad over het (voorlopige) deskundigenrapport. In elk geval kan de omstandigheid dat niet is gebleken dat het bestuur van Welsec het deskundigenrapport niet aan Deloitte heeft toegezonden hierom niet het oordeel dragen dat Deloitte geen verwijt treft. 3.32 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Uit rov. 3.12 van het arrest volgt, in cassatie onbestreden, dat Deloitte als externe controlerend accountant in beginsel mocht afgaan op de met de daar bedoelde jaarlijkse besprekingen (met (het bestuur van) Welsec) en lawyer’s letters (van de advocaat van Welsec) verkregen informatie (waarop rov. 3.13-3.16 inzake de jaarrekeningen van Welsec over 2005 t/m 2009 weer voortbouwen), waarin besloten ligt dat Deloitte in het kader van haar controletaak ter zake in beginsel niet zelf onderzoek hoefde te doen naar aanleiding van die verkregen informatie (op een of meer onderdelen) en/of los daarvan. Uit rov. 3.12, alsook uit rov. 3.13-3.15 (meer feitelijk uitgewerkt), volgt (tevens
- en)kort gezegd: - dat tussen (de accountants van) Deloitte en (het bestuur van) Welsec jaarlijks besprekingen plaatsvonden ten behoeve van de accountantscontrole ten aanzien van de in rov. 3.13-3.16 voorliggende jaarrekeningen van Welsec (dus over 2005 t/m 2009), waarbij de vordering van de Staat en de procedure bij het gerechtshof steeds aan de orde kwamen (na het tussenarrest van 21 november 2007 dus ook het door het gerechtshof gelaste deskundigenonderzoek, als onderdeel van die procedure), en - dat (ook) vaststaat dat ter uitvoering van die controletaak aan Deloitte op haar verzoek ieder jaar (dus ook over 2008) een lawyer’s letter is gezonden, waarin door de advocaat van Welsec een juridische inschatting is gemaakt met betrekking tot de vordering van de Staat, wat ook laat zien dat, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel: - Deloitte in de relevante periode heeft geïnformeerd bij (het bestuur van) Welsec en de advocaat van Welsec naar de stand van zaken en de status van die procedure bij het gerechtshof (alvorens zelf te beoordelen of, kort gezegd, bij afweging van alle belangen, en op basis van de verkregen informatie, een voorziening diende te worden gevormd in de relevante, te controleren jaarrekening van Welsec in verband met de vordering van de Staat op Welsec), en - de daarmee door haar verkregen informatie (waarop zij in het kader van die controletaak dus in beginsel mocht afgaan) insloot, kort gezegd, dat het in het tussenarrest van 21 november 2007 door het gerechtshof gelaste deskundigenonderzoek (zoals mede bedoeld in rov. 3.13, vierde alinea), waarmee Deloitte bekend was (zie rov. 3.13, vierde alinea), nog niet had geleid tot een uitgebracht deskundigenrapport ter zake, wat mede maakt dat, aldus het hof, Deloitte niet op de hoogte was of had moeten zijn van het op 14 februari 2009 in voorlopige versie en op 4 juli 2009 in definitieve versie uitgebrachte deskundigenrapport (zoals bedoeld in rov. 3.14 en 3.15).Het subonderdeel noemt geen stellingen (laat staan met vindplaatsen in de gedingstukken) van partijen, in het bijzonder van de curator, met als strekking dat Deloitte in het kader van die controletaak nog weer verdergaand zelf bij (het bestuur van) Welsec en/of de advocaat van Welsec had moeten informeren (onderzoek had moeten doen) specifiek naar de stand van zaken met betrekking tot de status van het deskundigenrapport waartoe genoemd deskundigenonderzoek zou dienen te leiden (althans, breder, die procedure bij het gerechtshof), maar dit heeft nagelaten, en waarop het hof nader had moeten ingaan vanwege het in rov. 3.14-3.15 (en 3.16) behandelde. Overigens valt, gegeven het voorgaande en waar naar ’s hofs oordeel de in rov. 3.14, zevende zin bedoelde informatie is “onthouden” aan Deloitte bij de controle van de jaarrekeningen van Welsec over 2008 en 2009 (het, kort gezegd, ervoor moet worden gehouden dat “zij over de voortgang van de verontreinigingsprocedure niet juist en niet volledig is voorgelicht door het bestuur en de advocaat”) niettegenstaande haar hiervoor uiteengezette betrokkenheid als extern controlerend accountant en contacten in dat verband met (het bestuur van) Welsec en de advocaat van Welsec, zonder toelichting, die in het subonderdeel ontbreekt, ook niet in te zien dat en waarom bij zulk nog weer verdergaand informeren (onderzoek) door Deloitte bij (het bestuur van) Welsec en/of de advocaat van Welsec zij wel de beschikking zou hebben gehad over die informatie, althans het (voorlopig) deskundigenrapport, bij de controle van de jaarrekening van Welsec over 2008 en/of 2009; uit ’s hofs overwegingen volgt veeleer het tegendeel. Bij deze stand van zaken valt hoe dan ook niet vol te houden dat ’s hofs door het (sub)onderdeel bestreden overwegingen in rov. 3.14 en 3.15 blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting of zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn op grond van het daartoe in het subonderdeel aangevoerde, voor zover het subonderdeel al uitgaat van een juiste lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag heeft.Hierop stuit het subonderdeel af. 3.33 Subonderdeel 3.b klaagt dat aan het door subonderdeel 3.a aangevoerde (“Hieraan”, etc.) niet kunnen afdoen ’s hofs verwijzingen naar het verslag van de bespreking van 28 april 2010 (betreffende de controle over 2009) en naar de lawyer’s letter van 29 januari 2010 (betreffende het boekjaar 2009). Daartoe voert het subonderdeel het volgende aan. i. Beide documenten dateren van ruimschoots na de afronding van de controle van de jaarrekening over 2008, zodat die controle door die documenten niet kan zijn beïnvloed. ii. In het verslag van de bespreking van 28 april 2010 staat dat er nog steeds geen goed onderbouwd deskundigenrapport aanwezig is vanuit de Staat. Dat was op zichzelf juist en daarom had het gerechtshof juist zelf deskundigen benoemd. In het verslag staat evenwel niet dat er nog geen rapport was van die door het gerechtshof benoemde deskundigen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt ook niet in te zien hoe Deloitte uit het besprekingsverslag had kunnen en mogen afleiden dat er nog geen rapport van de door het gerechtshof benoemde deskundigen was. In de lawyer’s letter over 2009 staat evenmin dat er nog geen rapport van deze deskundigen was. Het valt zonder nadere, maar ontbrekende motivering ook niet in te zien hoe Deloitte dit uit de lawyer’s letter over 2009 had kunnen en mogen afleiden. Ook overigens bevat de