PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/03892 H Zitting 2 februari 2021 CONCLUSIE A.E. Harteveld In de zaak [aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, hierna: de aanvrager.
(1)persoon mis. Deze persoon is de enige die geld heeft. Hij is een klein rottig ventje. Zijn vader heeft een café in Amsterdam. U heeft die persoon nog niet, die stille. Die hoort ook bij de groep. Die persoon ging altijd met [aanvrager] om. Het is een nette, geklede man. Het is een Turkse man met steil, kort achterover gekamd haar. Hij is ongeveer 35/36 jaar oud. 49. een geschrift, zijnde een fotokopie van ambtsedig proces-verbaal (als bijlage 454 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422), opgemaakt door [verbalisant 13] en [verbalisant 14] , beiden hoofdagent van politie en door hen gesloten en getekend op 19 april 1999, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - a. als de op die datum tegenover voornoemde verbalisanten afgelegde verklaring van [medeveroordeelde 7] : U toont mij een foto. Deze persoon op de foto herken ik als zijnde de vriend van [aanvrager] . Dat is de man die werkzaam is in het Turkse café in Amsterdam. b. als relaas van verbalisanten: Aan de verdachte werd een foto getoond onder het CRV nummer: [001] zijnde de foto van [medeveroordeelde 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969. 50. een geschrift, zijnde een fotokopie van ambtsedig proces-verbaal (als bijlage 453 gevoegd bij proces-verbaal met dossiernummer 98-006422), opgemaakt door [verbalisant 15] en [verbalisant 16] , respectievelijk brigadier en hoofdagent en door hen gesloten en getekend op 19 april 1999, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als de op die datum tegenover voornoemde verbalisanten afgelegde verklaring van [medeveroordeelde 7] : U vraagt mij wie ik op 2 september 1998 gezien heb? Ik heb gezien [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 8] , [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 2] , [medeveroordeelde 4] en vermoedelijk [aanvrager] en de vriend van [aanvrager] , die "Pief" uit Amsterdam. U vraagt mij nogmaals uit te leggen over de herkomst van de donkerblauwe sporttas met inbrekerswerktuigen die in mijn woning stond? Ergens in de maand november 1998, kreeg ik de opdracht van [medeveroordeelde 9] om de sporttas uit de auto van [aanvrager] te halen. [aanvrager] en die "Pief" uit Amsterdam waren daar bij. Er zaten inbrekerswerktuigen in, waaronder twee koevoeten en tangetjes.” 4.4. Met betrekking tot de strafoplegging overweegt de rechtbank in de zaak van aanvrager [aanvrager] het volgende: “De rechtbank overweegt: Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewelddadige woninginbraak waarbij de bewoonster van het pand en een even later gearriveerde kennis werden overmeesterd en korte tijd later zonder pardon werden neergeschoten. De inbraak werd goed voorbereid. Zo werd de woning aan de [a-straat] te Arnhem afgelegd en werden er nadere plannen gesmeed. Zo kregen mededaders een specifieke rol toebedeeld en werd zelfs afgesproken wie (welke vorm van) geweld zou toepassen indien dat nodig zou blijken. Verdachte is hierbij steeds aanwezig geweest. Verdachtes rol bestond erin dat hij als chauffeur optrad voor zijn mededaders en hen aldus naar en van de bewuste woning aan de [a-straat] heeft gereden. De rechtbank acht voor dit feit, waarbij een woning na grondige voorbereidingen door een grote groep gewapende mannen wordt overvallen en waarbij de aanwezige vrouwen - mogelijk uit frustratie over het niet kunnen vinden van een kluis of om eventuele latere herkenning te voorkomen - in koelen bloede werden neergeschoten, en welk feit grote verontwaardiging en gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg heeft gebracht, een forse gevangenisstraf op zijn plaats. Verdachte heeft als enige in deze zaak en ook ten nadele van zichzelf openheid van zaken gegeven. De rechtbank vindt in die omstandigheid aanleiding om de op te leggen straf enigszins te matigen.” 5. De herzieningsaanvraag 5.1. De herzieningsaanvraag berust op de grond dat sprake is van een nieuw gegeven dat bij het onderzoek ter terechtzitting aan de rechtbank niet bekend was en dit gegeven het ernstige vermoeden doet ontstaan dat als de rechtbank daarmee bekend zou zijn geweest, zij tot een vrijspraak dan wel een andere in art. 457 Sv genoemde uitspraak zou zijn gekomen. Dat nieuwe gegeven betreft een nieuwe verklaring van de aanvrager, [aanvrager] . Deze schriftelijke verklaring, die in oktober 2018 in de Turkse taal is opgemaakt, houdt in de geautoriseerde Nederlandse vertaling het volgende in: “Datgene wat ik hier zeg, is helemaal mijn onvervalste verklaring. Mijn vrienden en ik hebben niets te maken met de villa moord gepleegd in 1998. Politie Arnhem heeft met druk en met gewelddadigheid mij deze verklaring afgenomen. Het proces van het verhoren dat uren en dagen heeft geduurd, is uitgevoerd. Ze hebben mij voor het verhoor opgeroepen naar aanleiding van de verklaring die [medeveroordeelde 2] had afgelegd. Maar ook al zei ik dat niets met het feit te maken had, toen ik voor de tweede keer werd opgeroepen en met eigen wil ging en een verklaring ging afleggen, hebben ze door bij mij psychologische druk, geweld en dwang te gebruiken mij genoodzaakt om een valse verklaring af te leggen. Geen enkele vriend heeft iets te maken met dit feit. Want op 2 september 1998 om 19.30 was de benzine van het voertuig van [medeveroordeelde 1] opgeraakt. [medeveroordeelde 1] heeft, toen hij op weg was naar Nijmegen omdat zijn benzine op was geraakt, omstreeks 19.30 [medeveroordeelde 9] gebeld. En ik ben samen met [medeveroordeelde 9] naar de plek gegaan waar [medeveroordeelde 1] onderweg was blijven steken. Want omdat [medeveroordeelde 1] het niet bij zich had, had hij het aan [medeveroordeelde 9] gevraagd en wij zijn met mijn voertuig Mercedes 190D naar de locatie gegaan waar [medeveroordeelde 1] was. [medeveroordeelde 1] was onderweg naar Nijmegen blijven steken. Wij zijn via de brug richting Nijmegen naar [medeveroordeelde 1] gegaan. ANWB heeft zijn benzine aangevuld, daarna zijn wij naar Nijmegen gekomen, het was inmiddels 20.30. Wij zijn met zijn allen naar een Turkse koffieshop in de buurt van het Centraal Station van Nijmegen gegaan en wij zijn daar tot ongeveer 21.30 gebleven. Op dat uur is absoluut geen van ons, ook niet [medeveroordeelde 1] , ook niet [medeveroordeelde 9] en ook niet [medeveroordeelde 4] of één van mijn andere vrienden absoluut niet naar Arnhem gegaan en zijn daar ook niet geweest, waarvan de politie ons beschuldigt. De politie heeft mij urenlang met en zonder video verhoord terwijl zij mij psychologisch martelden en onder druk zetten. Dit ging ook ’s nachts door. Wanneer ik zei dat wij niets met het feit te maken hadden, groeide de woede en het geweld van de politie naar mij toe. Om van hen af te komen naar aanleiding van dit geweld en psychologische druk en te kalmeren heb ik - in lijn met wat zij wilden - een valse, pochende verklaring afgelegd. Elke keer, wanneer ik vertelde over de voertuigen die wij gebruikten, wilden zij van mij - wat ik ook nu zelfs niet weet - het merk en de kleur van het voertuig weten. Hoewel wij niets met het feit te maken hadden, waren zijzelf op zoek naar criminelen. Toen ik voor de rechter-commissaris moest verschijnen, heeft zelfs de rechter-commissaris aan de politie niet gevraagd of zij wetenschappelijke, tastbare documenten in handen had. Hij vroeg en niet naar het DNA-monster, en niet naar de vingerafdruk, en niet naar de vingerafdruk op de kogel dat in het ballistische rapport stond. Hij heeft naar niets gevraagd. Kortom, er was een politie- en justitie systeem in werking dat probeerde tot het bewijs te komen via de crimineel. Helaas werd bij ons zonder vorm van proces [een straf] voltrokken. 9-10 Mensen hadden niet op basis van de verklaring van twee personen moeten worden berecht. Helaas was de verklaring en het verhoor van twee personen niet bij de documenten in het dossier terechtgekomen. Wij waren ons aan het voorbereiden om voor de rechter de verschijnen. In de rechtbank heb ik door de angst en de druk mijn verklaring niet kunnen veranderen. Want de politie zei dat ik anders met 15-20 jaar berecht zou worden. Ik ben ’s nachts met en zonder video om 2 uur á 3 uur verhoord. Elk verhoor was een tirannie, een marteling. Toen ik werd verhoord terwijl de tolk erbij was, daarna was ik alleen gebleven nadat de tolk was weggegaan en niet meer was teruggekomen, waarvan ik denk dat dat een plan van de politie was. Het psychologische geweld en de druk nam toe zodat ik een verklaring zou afleggen. Ik had in die periode trouwens ook problemen met mijn vrouw. Ik had dan ook geen kracht meer na het geweld en de druk van deze politie. Van de ene kant slapeloosheid, van de andere kant het geweld en de druk, in wat voor hel was ik in godsnaam terechtgekomen. Ik gaf een verklaring af met helemaal verkeerde informatie. Ik gaf totaal onwerkelijke verklaringen af. [verbalisant 5] (naam van de politieagent die mij verhoorde) zwaaide met zijn vinger alsof hij mij bedreigde, ik vond de schets op mij lijken, hij ging zo ver dat hij zei dat ik de moordenaar was. Hij bedreigde mij zelfs dat ik met 15-20 jaar berecht wou worden. Hij sloeg op de tafel. In de verhoorkamer misbruikte hij de bevoegdheid die de overheid aan hem en andere politieagenten gaf. Hij ging door met het verhoor door het gevoel te geven alsof hij zelf de macht van de staat was en alsof hij zelf de staat was. Ik kon deze druk slechts 2 uur aan. Omdat ik psychologisch van streek en depressief was door mijn ex-vrouw. Door de druk en het geweld tijdens dit verhoor kreeg ik bijna een hartaanval. Ik moest zo snel mogelijk van hen afkomen. En ik gaf een totaal onwerkelijke verklaring af. Ik bedoel dus dat zij stuurden en ik gaf dienovereenkomstig een verklaring af. Ik vertelde over de voertuigen die wij gebruikten, maar omdat ik geen informatie had over het voertuig waar zij naar vroegen, omdat zij niets te weten konden komen over het voertuig waar zij telkens over wilden horen, werden zij woest en gingen zij de druk en het geweld opvoeren. Maar ik had absoluut geen informatie over het voertuig waar zij naar vroegen, want ik en mijn vrienden hadden niets te maken met dit feit. Al mijn vrienden - alle negen - die van dit feit zijn beschuldigd, waren op 2 september 1998 in Nijmegen. Geen van ons was op de plaats delict of zijn naar de plaats delict gegaan op het tijdstip dat de politie heeft genoemd. Terwijl wij onschuldig waren, werden negen vrienden, inclusief ik, zonder documenten, zonder bewijsmiddelen beschuldigd. Ik kan u vertellen dat het verhoor dat onder druk en geweld heeft plaatsgevonden, niet overeenkomt met de waarheid. Want dit verhoor heeft onder druk, geweld en bedreiging plaatsgevonden. De tijdens dit feit genoemde 9 personen, inclusief ik, zijn ten onrechte berecht en wij, inclusief ik, hebben ten onrechte een gevangenisstraf uitgezeten. Alleen vanwege deze druk en het geweld van de politie, niet vanwege de bewijsmiddelen; de druk en het geweld van de politie die tot het resultaat wou komen vanuit de verdachte heeft ervoor gezorgd dat wij ten onrechte een gevangenisstraf moesten uitzitten. Voor een eerlijk proces moet deze rechtszaak opnieuw aanhangig worden gemaakt en de eer en waardigheid moeten aan mij en aan mijn onschuldige vrienden worden teruggegeven. Eigenlijk moeten de politie, de officier van justitie, de rechter-commissaris, de rechters die hebben berecht, iedereen, iedereen die de macht van de staat heeft misbruikt en op mijn rug is gestapt en mij als opstapje heeft gebruikt, [verbalisant 18] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , de officier van justitie, de rechter-commissaris, de rechters zullen ook de hand in dit feit hebben, de verantwoordelijken, iedereen die deze justitie en rechtenschandaal heeft veroorzaakt moet voor de rechter verschijnen en het noodzakelijke moet gedaan worden. Een 20 jaar lang durende gewetenswroeging is voor mij genoeg geweest. Deze gebeurtenis is mijn geheim gebleven, heeft geknaagd aan mij, heeft mij slapeloze nachten bezorgd, ik begin psychische problemen te krijgen. Ik wil dat zo snel mogelijk, dat aan mij en aan mijn vrienden, aan mijn ten onrechte berechte en veroordeelde vrienden, in de eerste plaats aan [medeveroordeelde 7] , zijn eer en waardigheid wordt teruggegeven. Ik bied in de eerste plaats aan [medeveroordeelde 7] en aan zijn familie en vervolgens aan mijn andere vrienden mijn excuses aan. Ik bied mijn excuses aan iedereen omdat ik hen zo’n soort verdriet heb aangedaan en ik vraag hen met nadruk om mij te vergeven. Hun vergeving zal mijn leed niet helemaal maar gedeeltelijk verminderen. Vanaf nu wil ik bevrijd worden van deze gewetenswroeging. Ik, [aanvrager] zeg uit het diepst van mijn hart dat mijn bij de politie afgelegde verklaring absoluut niet overeenkomt met de waarheid. Het is een valse verklaring dat onder druk en marteling van de politie is afgelegd.” 5.2. Aan deze verklaring is nog een aanvullend gedeelte toegevoegd , opgemaakt in de Nederlandse taal, dat luidt als volgt: “In aanvulling op mijn verklaring wil ik nog het volgende verklaren: Ik heb na de veroordeling altijd in angst geleefd. Ik ben altijd bang geweest om naar Nederland te komen en ben sinds de veroordeling maar één keer in Nederland geweest, om mijn paspoort te verlengen. Ik ben bang dat de politie mij iets aan zal doen als ik iets aan de zaak zal wijzigen. De politie heeft mij dit ook gezegd tijdens de zittingen in hoger beroep, dat als ik mijn verklaringen zou wijzigen, zij mij lang zouden opsluiten en mijn gezin kapot zouden maken. Ik ben vandaag de dag nog steeds bang voor de politie in Arnhem omdat zij hebben laten zien dat zij alles kunnen maken. Zij hebben negen onschuldige mannen veroordeeld zonder dat er bewijs was. Ik ben bang voor mijn kinderen en mijn vrouw dat de politie hen of mij iets aan zal doen hierom. Hierom heb ik ook altijd een geheim leven geleid in Duitsland en heb ik alle contacten met Nederland verbroken. Pas nadat ik zag dat Paul Acda op televisie de waarheid over de zaak zei, heb ik gedurfd om contact met Paul Acda op te nemen voor het zeggen van de waarheid. […] , 10 oktober 2018 (w.g.) [aanvrager] ” 6. Toelichting op de aanvraag 6.1. In de toelichting op de herzieningsaanvraag wordt aangevoerd dat deze nieuwe verklaring van [aanvrager] als feitelijk nieuw gegeven wordt ondersteund door twee afzonderlijke omstandigheden. Allereerst vormt de rechtspsychologische analyse van dr. H. Israëls in het boek “De Arnhemse Villamoord” een ondersteuning voor de feitelijke juistheid van de nieuwe verklaring van [aanvrager] . Voorts kan uit het advies van de ACAS een ondersteuning blijken voor de juistheid van de nieuwe verklaring van [aanvrager] . 6.2. Het boek “De Arnhemse Villamoord” Ik merk op dat de herzieningsaanvraag niet (mede) berust op de stelling dat de rechtspsychologische analyse van dr. H. Israëls een nieuw deskundigeninzicht betreft dat kan worden aangemerkt als een ‘gegeven’ in de zin van art. 457, eerste lid, onder c, Sv. Dat ligt ook niet voor de hand, aangezien mijns inziens het boek niet voldoet aan de eisen die de Hoge Raad in zijn arresten van 26 april 2016 heeft gesteld aan deskundigenrapporten in herzieningszaken. In dat kader merk ik op dat de Hoge Raad in deze arresten heeft overwogen dat een nieuw en/of gewijzigd deskundigeninzicht onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een ‘gegeven’ in de zin van art. 457 Sv en daardoor grond kan zijn voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak. De enkele omstandigheid dat een deskundige het bewijs anders weegt dan de rechter heeft gedaan, is echter niet voldoende om het voor herziening vereiste ‘ernstige vermoeden’ te wekken. Verder overwoog de Hoge Raad onder meer het volgende: “4.3.3. Indien de aanvraag tot herziening zich beroept op een als nieuw en/of gewijzigd gepresenteerd deskundigeninzicht, dient die aanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport zodanige informatie te bevatten dat de inhoud van dit inzicht en de nieuwheid daarvan op waarde kunnen worden geschat. In dat verband komt ook in herzieningszaken betekenis toe aan de voorschriften die op grond van het bij de Wet deskundige in strafzaken (Stb. 2009/33) ingevoerde en op 1 januari 2010 in werking getreden art. 51i e.v. Sv gelden in gewone strafzaken waarin een deskundige is benoemd. Art. 51l Sv schrijft voor dat de deskundige een met redenen omkleed verslag uitbrengt. Uit dit verslag moet naar voren komen dat het is gebaseerd op wat de wetenschap en kennis van de deskundige hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen. De deskundige geeft daarbij zo mogelijk aan welke methode hij heeft toegepast, in welke mate deze methode en de resultaten daarvan betrouwbaar kunnen worden geacht en welke bekwaamheid hij heeft bij de toepassing van de methode. Hoewel de Wet deskundige in strafzaken geen verandering heeft gebracht in de vrijheid van de verdachte om de resultaten van op diens eigen initiatief uitgevoerd onderzoek in het geding te brengen, kan het voor de waarde die wordt toegekend aan een deskundigenrapport wel van belang zijn of de desbetreffende deskundige in het Nederlands Register Gerechtelijke Deskundigen is ingeschreven en of het door de deskundige verrichte onderzoek en het door hem opgestelde rapport voldoet aan voornoemde voorschriften. Daarnaast gaat het in herzieningszaken erom dat de aanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport de Hoge Raad in staat moet stellen te beoordelen of en zo ja in hoeverre sprake is van een deskundigeninzicht dat als nieuw en/of gewijzigd kan worden aangemerkt. Bij die beoordeling speelt ook een rol de vraag in hoeverre het deskundigeninzicht zich richt op de enkele herbeoordeling van omstandigheden waarvan de uiteindelijke weging aan de strafrechter is overgelaten. 4.3.4. Met het oog op die beoordeling door de Hoge Raad brengt het voorgaande meer in het bijzonder mee dat de aanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport - zo mogelijk en voor zover toepasselijk en relevant in het voorliggende geval - informatie bevat over de volgende onderwerpen: (
- i)met betrekking tot de kennis en ervaring van de deskundige op het aan de orde zijnde vakgebied: - de door de deskundige gevolgde opleidingen, met vermelding van de specifieke vakgebieden waarin de deskundige is opgeleid; - de functies waarin de deskundige werkervaring heeft opgedaan; - een lijst van eventuele publicaties van de hand van de deskundige; - de eventuele opname van de deskundige in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen, en/of andere registraties of referenties waaruit kan worden afgeleid dat de vakkennis of ervaring van de deskundige voldoet aan de voor het desbetreffende vakgebied geldende maatstaven; (
- ii)met betrekking tot de weergave en de onderbouwing van het inzicht van de deskundige op het aan de orde zijnde vakgebied: - de voorgelegde vraagstelling en de ter beschikking gestelde stukken en/of gegevens; - de door de deskundige gehanteerde onderzoeksmethode en de betrouwbaarheid daarvan, alsmede een inschatting van de mate van zekerheid waarmee de deskundige zijn conclusies heeft getrokken en/of de aan de uitkomsten van zijn onderzoek verbonden foutmarge; - de vraag in hoeverre het inzicht van de deskundige wordt ondersteund door dat van andere deskundigen; - de bronnen waarop het inzicht van de deskundige berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen; (iii) met betrekking tot de onderbouwing van de ‘nieuwheid’ van het inzicht van de deskundige: - de vraag in hoeverre het inzicht van de deskundige steunt op hetzij (
- a)ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting nog onbekende wetenschappelijke ontdekkingen of inzichten, hetzij (
- b)een beoordeling van ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting nog onbekende feiten of omstandigheden, hetzij (
- c)een ander deskundig oordeel omtrent de weging en betekenis van ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting reeds bestaande wetenschappelijke inzichten, toegepast op ten tijde van dat onderzoek ter terechtzitting reeds bekende feiten en omstandigheden; - de vraag hoe het inzicht van de deskundige zich verhoudt tot eerdere inzichten van diezelfde en/of andere deskundigen zoals die uit het aan de uitspraak ten grondslag liggende dossier naar voren komen.” Voorts is van belang dat de enkele omstandigheid dat een deskundige het bewijs anders weegt dan de rechter heeft gedaan, niet voldoende is om het voor herziening vereiste "ernstige vermoeden" te wekken. Zo oordeelde de Hoge Raad in HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1332, dat het bij de herzieningsaanvraag overgelegde hoofdstuk "Het luik van de Helpoort: bedacht bewijs" uit het boek van prof. dr. P.J. van Koppen "Gerede Twijfel: Over bewijs in strafzaken" (Amsterdam, 2013) niet een rapportage vormde die voldeed aan de eisen die in de arresten van 26 april 2016 aan een deskundigenrapport zijn gesteld. Verder waren de feiten en omstandigheden waarvan de auteur was uitgegaan naar de kern bezien ontleend aan de stukken van het geding, welke stukken aan de rechtbank ten tijde van haar uitspraak bekend waren. In zoverre was dus geen sprake van een voor herziening vereist novum maar van een van het oordeel van de rechtbank afwijkende mening of gevolgtrekking, aldus de Hoge Raad. 6.3. Het in de aanvraag genoemde boek, met de daarin voorkomende analyses van dr. Israëls kan gelet op zowel de formele als materiële eisen die de Hoge Raad stelt aan de inbreng van een deskundigenrapportage in herziening niet als zodanig worden aangemerkt. Uiteraard is het boek ook niet zo bedoeld door de schrijvers . Niettemin kan aan het boek wel een en ander worden ontleend. Zo bevat het een transcriptie van een aantal op video opgenomen verhoren van (destijds) de verdachten door de politie, welke transcripties voor zover ik heb kunnen vaststellen adequaat zijn. Voor het overige bevat het boek een aantal, soms scherpzinnige analyses, gebaseerd op het dossier in de strafzaak, van welke analyses kennis kan worden genomen en waar de aanvraag ook op veel plaatsen naar verwijst. Voor zover bij die verwijzingen echter nadrukkelijk wordt gememoreerd dat dit analyses betreft van “(de rechtspsycholoog) Dr. Israëls” lijkt dat echter op een autoriteitsargument dat niet kan worden waargemaakt. Aan die verwijzingen kan in de context van de aanvraag immers niet meer gewicht worden toegekend dan aan die van een willekeurige andere persoon. Een handicap bij het boek is dat het door de uitgever uit de handel is genomen. Voorts komen er passages in voor die onrechtmatig zijn geoordeeld ten opzichte van het slachtoffer [slachtoffer 2] . In de tekst van het boek, als bijlage meegestuurd bij de aanvraag, zijn de desbetreffende passages weggelakt. 6.4. Voorts verwijst de aanvraag naar het ACAS-advies, dat naar aanleiding van een verzoek om nader onderzoek door de medeveroordeelden [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] is uitgebracht. Deze medeveroordeelden hebben eveneens een aanvraag tot herziening ingediend, net als de medeveroordeelden [medeveroordeelde 3] , [medeveroordeelde 5] en [medeveroordeelde 4] . In die zaken zal ik vandaag ook concluderen. Deze medeveroordeelden hebben echter anders dan de aanvrager [aanvrager] tegen hun veroordeling door de rechtbank Arnhem hoger beroep ingesteld, waarna zij (ook) door het gerechtshof Arnhem zijn veroordeeld. Op die veroordeling en het door het hof daartoe gewezen arrest is het ACAS-advies toegespitst. De beredeneerde conclusies in dat advies kunnen dus niet één op één in de onderhavige herzieningsaanvraag van toepassing worden verklaard. 6.5. Niettemin is het ACAS-advies in deze zaak wel van belang, omdat daarin wordt gesteld dat de veroordelingen van deze andere aanvragers als (potentieel) onveilig moeten worden aangemerkt. Op dat aspect ben ik in mijn conclusie in de zaken van de andere aanvragers uitgebreid ingegaan. Ik verwijs daartoe naar hetgeen ik in die andere conclusies heb gesteld. Hieronder zal ik die beschouwingen als bijlage opnemen. Mijn slotsom daarbij is dat het door de ACAS gehanteerde criterium van een ‘onveilige veroordeling’ niet de wettelijke maatstaf betreft waarmee ik de aanvragen tot herziening beoordeel. Een op dit punt door de Minister van Justitie en Veiligheid gevoerde discussie met de Tweede Kamer is er op uitgelopen dat in die wettelijke maatstaf vooralsnog ook geen wijziging te verwachten valt. Ik zie mede gelet daarop dan ook geen reden om op dit punt van de jurisprudentie van de Hoge Raad af te wijken. Tevens blijkt uit die beschouwing dat mijns inziens de bewezenverklaringen in die andere zaken nog steeds houdbaar zijn. Het hierna volgende zal, hoewel toegespitst op de onderhavige aanvraag, begrijpelijkerwijze tegen die achtergrond geplaatst moeten worden. 7. Beoordeling van de aanvraag 7.1. Ik zal nu de behandeling van de aanvraag tot herziening toespitsen op hetgeen daarbij als novum is aangedragen: de nieuwe verklaring van aanvrager. Daarbij geldt het volgende juridische kader. 7.2. De herzieningsaanvraag is gegrond op art. 457, eerste lid, aanhef en onder c, Sv. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Op aanvraag van de procureur-generaal of van de gewezen verdachte te wiens aanzien een vonnis of arrest onherroepelijk is geworden, kan de Hoge Raad ten voordele van de gewezen verdachte een uitspraak van de rechter in Nederland houdende een veroordeling herzien: (…) c. indien er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.” 7.3. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad komt naar voren dat het intrekken van een eerder afgelegde verklaring onder omstandigheden als een nieuw gegeven in de zin van art. 457, eerste lid, aanhef en onder c, Sv kan gelden. De aanvrager moet daartoe aannemelijk moeten maken dat en waarom hij op de desbetreffende verklaring terugkomt. Daarmee geldt in de kern dezelfde eis als voor de intrekken van een belastende getuigenverklaring. In dat geval moet de aanvrager aannemelijk moeten maken dat en waarom de getuige van een hem belastende verklaring terugkomt. Indien er voldoende grond is om aan te nemen dat de eerder afgelegde verklaring onjuist is, komt de vraag aan de orde wat het belang van die verklaring binnen de bewijsconstructie is. Voor de beantwoording van de vraag of het nieuwe gegeven het ernstige vermoeden in de zin van art. 457, eerste lid, onder c, Sv wekt, is immers de gehele bewijsvoering van belang. Als er los van de ingetrokken verklaring voldoende bewijsmateriaal is dat de bewezenverklaring kan dragen dan zal, zoals mijn ambtgenoot Spronken terecht opmerkt, een ingetrokken getuigenverklaring die slechts een ondergeschikt onderdeel van de bewijsconstructie betreft niet snel als novum kunnen worden aangemerkt. 7.4. Bij zijn bespreking van de later blijkende meinedigheid of valsheid in een belastende verklaring als herzieningsgrond benadrukt Strijards dat de beweringslast op de aanvrager drukt. Deze zal aannemelijk moeten maken dat een getuige opzettelijk in strijd met de waarheid een belastende verklaring heeft afgelegd, aldus Strijards. Dat is niet onmogelijk. Hij wijst in dat kader op de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad met nr. 4491, waarin de aanvrager “overtuigend [kon] wijzen op een weloverwogen complot, gesmeed om requestrant [de aanvrager, AEH] erin te luizen op een valse beschuldiging van deelneming aan een groot complex van inbraken”, waarbij “een diepgewortelde rancune van een van de hoofdgetuigen à charge – zèlf deelnemer aan de inbraken – jegens (…) [de aanvrager] een rol [speelde]”. 7.5. De eis dat de aanvrager aannemelijk moet maken dat en waarom de getuige van een hem belastende verklaring terugkomt, is echter een hoge drempel als de overige rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt in ogenschouw wordt genomen. In enkele zaken strandde de herzieningsaanvraag omdat de aanvraag noch de nieuwe verklaring(
- en)de redenen bevatte waarom de getuige op een de aanvrager belastende verklaring was teruggekomen. In verschillende andere zaken overwoog de Hoge Raad dat de door de getuige opgegeven reden voor het terugkomen op zijn belastende verklaring onvoldoende grond oplevert om aan te nemen dat deze verklaring onjuist is geweest. Verder overwoog de Hoge Raad in een aantal zaken dat de door de getuige opgegeven redenen onvoldoende ondersteund waren en niet aannemelijk waren. Daarbij wijs ik in het bijzonder op HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2961. Daarin overwoog de Hoge Raad dat de door de betrokkene opgegeven reden voor het terugkomen op zijn eerder afgelegde verklaring, namelijk gewetenswroeging, onvoldoende grond opleverde om aan te nemen dat deze – zeer gedetailleerde – verklaring onjuist is, aangezien die enkele reden onvoldoende ondersteund en aannemelijk was. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat het hof de verklaring van de betrokkene, die op de meeste punten overeenkwam met het overigens door het hof gebezigde materiaal, uitvoerig had getoetst op betrouwbaarheid aan de hand van verklaringen van anderen en van resultaten van technisch onderzoek. Verder kan worden gewezen op HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:513. In die zaak had de getuige als redenen waarom hij van een deel van zijn verklaring was teruggekomen, opgegeven dat hij destijds “er in [werd] meegezogen en (…) [z]ijn eigen conclusies [heeft] getrokken”. De aanvrager had tegenover professor Van Koppen verklaard dat hij schoon schip wilde maken en dat dat ook ermee samenhing dat hij gelovig was geworden. De Hoge Raad overwoog dat het hof de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de getuige had getoetst en daarvan in zijn arrest verantwoording had afgelegd. In het licht daarvan maakten de door de getuige gegeven redenen om anders te verklaren dan hij had gedaan tegenover de politie niet aannemelijk waarom hij van een deel van zijn voor de aanvrager belastende verklaring was teruggekomen, te minder nu de in de aanvraag genoemde nieuwe verklaring van de getuige geen steun vond in enig objectief en toetsbaar processtuk of ander gegeven. Ten slotte overwoog de Hoge Raad in twee zaken die betrekking hadden op een mishandeling telkens dat het bewijs van het tenlastegelegde niet alleen berustte op de verklaring van de aangever, maar dat de lezing van de getuige ook werd bevestigd door een of meer andere getuigen en dat zich daarnaast ook medische informatie in het dossier bevond. Tegen deze achtergrond leverden de redenen die de betreffende aangever had opgegeven voor het terugkomen op diens eerder afgelegde verklaringen onvoldoende overtuigende grond op om aan te nemen dat die verklaringen destijds onjuist zijn geweest. 7.6. Ten slotte dient ook sprake te zijn van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was. In dat kader wijs ik op het arrest van de Hoge Raad van 12 september 2017 op de zevende herzieningsaanvraag in de zogenaamde butlermoordzaak. Daarin overwoog de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende: “4. De eerdere herzieningsaanvragen (…) 4.4. In de beschikking van 14 november 1995 heeft de Hoge Raad, naar aanleiding van de vierde herzieningsaanvraag die onder meer steunde op notariële verklaringen van de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] en een verklaring van dr. H.M. Laane, onder meer overwogen: ‘(…) 6.3.1. Vooropgesteld dat een aanvrager bij een aanvrage tot herziening aannemelijk moet maken dat en waarom getuigen op een hem belastende verklaring terugkomen levert de door [betrokkene 3] opgegeven reden voor het afleggen van haar verklaring, zoals die voor het bewijs van het telastegelegde is gebezigd, geen grond op om aan te nemen dat deze verklaring onjuist is geweest, aangezien die reden, te weten "Noch bij de rechtbank noch bij het gerechtshof kon ik iets