PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer20/02523 Zitting 31 augustus 2021 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, hierna: de verdachte. Inleiding De verdachte is bij arrest van 13 augustus 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1 primair “verkrachting, meermalen gepleegd” en 2 “verkrachting, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest overeenkomstig art. 27 Sr. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals omschreven in het bestreden arrest. Namens de verdachte heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3. Het middel klaagt dat het hof bij de beoordeling van het verzoek van de verdediging om bepaalde stukken aan het dossier toe te voegen, een verkeerde maatstaf heeft toegepast (namelijk: “het late tijdstip waarop het verzoek is gedaan”), althans dat de beslissing tot afwijzing van dit verzoek – zonder nadere motivering, die ontbreekt – niet begrijpelijk is. Het verzoek van de verdediging heeft betrekking op stukken die bestaan uit prints van een chatconversatie tussen de verdachte en [aangeefster] (aangeefster) en beeld- en geluidsopnames van chatgesprekken tussen [betrokkene 1] (de vriendin van de verdachte) en [aangeefster]. 4. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 juli 2020 blijkt dat het hof, het verzoek van de verdediging om deze stukken aan het dossier toe te voegen aanvankelijk “vooralsnog”, en later “definitief” heeft afgewezen. Het proces-verbaal houdt hieromtrent het volgende in: “De raadsman verzoekt het hof om prints van een chatconversatie tussen zijn cliënt en [aangeefster] en opnames van chatgesprekken tussen [betrokkene 1] en [aangeefster] aan het dossier toe te voegen. Hij brengt in dat verband het volgende naar voren: Ik heb via de broer van mijn cliënt de beschikking gekregen over een deel van de informatie die op de inbeslaggenomen telefoon van mijn cliënt stond. In eerste aanleg heeft de verdediging tevergeefs om inzage in de telefoon gevraagd, maar omdat deze informatie op de computer van mijn cliënt bleek te staan, is die nu toch beschikbaar. Ik heb prints van een chatconversatie tussen mijn cliënt en [aangeefster] uit de periode van 6 december 2018 tot en met 11 februari 2019, waarbij vooral de passages rond 2 februari 2019 van belang zijn. Er blijkt uit dat [aangeefster] twee weken voor de aangifte nog om seksueel contact met mijn cliënt vroeg. Als vervolgens blijkt dat de relatie niet meer te repareren is, komt er een omslagpunt en verschiet [aangeefster] van kleur. Ik heb verder beeld- en geluidsopnames van chatgesprekken tussen [betrokkene 1] en [aangeefster]. Daaruit blijkt dat [aangeefster] [betrokkene 1] aanmoedigde om ook aangifte te doen tegen mijn cliënt en dat zij in dat kader spreekt over ‘aandikken’. Deze opnames zijn relevant voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [aangeefster]. Ik kan de geluidsopnames ter zitting laten horen en kan een USB met de opnames aan het hof overhandigen. Het is te verifiëren dat [aangeefster] en [betrokkene 1] op de geluidsopnames te horen zijn, maar dat kan niet vandaag. Ik heb deze stukken niet eerder onder de aandacht gebracht, omdat ik de opnames van de chatgesprekken tussen [betrokkene 1] en [aangeefster] pas dit weekend heb gekregen en ik lang bezig ben geweest om ze te openen. Ik heb vooral mijn best gedaan om het technisch voor elkaar te krijgen dat ik de opnames hier vandaag kan aanbieden. Hier ben ik gisteren tot na sluitingstijd mee bezig geweest. Toen heb ik pas bedacht dat ik prints van de chatconversatie tussen mijn cliënt en [aangeefster] wilde overleggen, omdat deze juist van belang zijn in combinatie met de opnames. Ik heb het hof hier toen niet meer van op de hoogte gesteld. Ik begrijp dat de zaak vandaag niet inhoudelijk behandeld kan worden als mijn verzoek wordt toegewezen. Dat heb ik ook met mijn cliënt besproken en bij de afweging betrokken.De advocaat-generaal geeft aan overvallen te zijn door het verzoek, merkt op dat vandaag niet te controleren is of de gesprekken zijn gevoerd tussen [aangeefster] en [betrokkene 1] en verzoekt het hof de opnames vandaag niet te beluisteren en de stukken niet toe te voegen aan het dossier. Zij deelt verder mee dat zij van de raadsvrouw van de benadeelde partij heeft vernomen dat [aangeefster] beschikt over screenshots van een chatgesprek en een opname van een telefoongesprek tussen haar en [betrokkene 1], waaruit blijkt dat de relatie tussen verdachte en [betrokkene 1] verbroken is geweest en dat het vervolgens niet leuk en niet goed is verlopen. De advocaat-generaal geeft aan dat zij zich kan voorstellen dat, indien het verzoek van de raadsman mocht worden toegewezen, ook deze stukken van [aangeefster] aan het dossier zullen worden toegevoegd en dat [aangeefster] en [betrokkene 1] dan wellicht bij de raadsheer-commissaris moeten worden gehoord. De voorzitter onderbreekt de zitting voor beraad. Na hervatting van de zitting deelt de voorzitter mee dat het verzoek van de raadsman om de stukken aan het dossier toe te voegen vooralsnog wordt afgewezen. Reden daarvoor is met name het late tijdstip waarop het verzoek is gedaan. De voorzitter geeft aan dat verdachte wel over de stukken kan vertellen en dat de raadsman er bij pleidooi op kan terugkomen. [….] Verdachte verklaart als volgt. […] Op verzoek van de raadsman leg ik uit wat voor mij het meest van belang is in de conversaties die ik wilde inbrengen. Het gaat mij om het beeld dat van mij geschetst wordt. In de conversatie tussen mij en [aangeefster] wordt duidelijk dat het eigenlijk andersom is, dat [aangeefster] veel druk op mij zette en dat ze ook veel seksuele wensen had. Ik wilde daarmee ook deels mijn onschuld aantonen. Ze zegt dat ze slachtoffer is en een mak lammetje, maar ondertussen gaat ze enorm tekeer en worden er over de app allemaal dingen gezegd als: Jij gaat mij vanavond likken. Doe je dat niet en dan allerlei consequenties. Dat staat er letterlijk. Ook vraagt ze om seks. Als ik ergens anders ben, schrijft ze bijvoorbeeld: Je moet nu hier komen, dan kan je me laten squirten. Nu wordt ik als een beest afgeschilderd, maar twee maanden voor de aangifte heeft ze dus nog allerlei seksuele wensen. Er is sprake van een conflict in de relationele sfeer. Ze schreef dat ik [betrokkene 1] moest verlaten en anders zou ze mijn leven kapot maken. Daar zouden [betrokkene 1] en ik dan nog wel achter komen. Alle beschuldigingen die ze nu heeft geuit, daar heeft ze destijds al mee gedreigd. Het was een hele nare situatie. Ik hield het vol uit angst dat ik mijn kinderen zou verliezen en zij dreigde er ook mee dat ik ze niet meer zou zien als ik haar verliet. Daarom was ik ook een civiele procedure gestart. […] De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht. In aanvulling daarop brengt hij het volgende naar voren: - [aangeefster] doet in berichten aan [betrokkene 1] blijken dat zij verdachte niet zomaar wilde laten gaan. Dit is de context waarin er moet worden geoordeeld. […] - De geluidsopname is met name relevant, omdat eruit blijkt dat [aangeefster] blijkbaar heel goed weet wat je wel en niet moet zeggen en welke emoties je moet tonen; je moet huilen. U moet er naar mijn mening daarom rekening mee houden dat de verklaring van [aangeefster] niet alleen uit haar herinnering tot stand is gekomen. […] De voorzitter onderbreekt de zitting voor beraad. Na de hervatting van de zitting deelt de voorzitter mee dat het verzoek van de raadsman tot het toevoegen van stukken aan het dossier, dat aan het begin van de zitting vooralsnog werd afgewezen, definitief wordt afgewezen. De raadsman heeft gelegenheid gehad om er bij pleidooi een punt over te maken heeft en dat heeft niet geleid tot een ander standpunt van het hof. In reactie op de opmerking van verdachte dat hij dit jammer vindt, omdat er veel uit blijkt, merkt de voorzitter op dat verdachte en de raadsman er wel wat over hebben verteld.” 5. Het middel klaagt over de beslissing van het hof op het verzoek van de verdediging om prints van een chatconversatie tussen de verdachte en de aangeefster [aangeefster] en beeld- en geluidopnames van chatgesprekken tussen [betrokkene 1] en [aangeefster] aan het dossier toe te voegen. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat zowel wanneer het verzoek van de verdediging wordt begrepen als een verzoek tot “acceptatie” van op de voet van art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv te overleggen stukken, alsook wanneer het wordt begrepen als een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 Sv en art. 415 Sv, om toepassing te geven aan art. 315 Sv, het hof bij zijn beslissing is uitgegaan van een verkeerde maatstaf, waardoor de beslissing getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat deze beslissing zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is. 6. Het verzoek van de raadsman moet naar mijn oordeel worden aangemerkt als een verzoek in de zin van art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv. Art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv heeft betrekking op het geval waarin de advocaat-generaal en de verdachte in hoger beroep nieuwe stukken van overtuiging of bescheiden kunnen overleggen. De raadsman had de betreffende stukken waarop zijn verzoek betrekking had, zelf ter terechtzitting tot zijn beschikking, zodat een bevel van de rechter tot het overleggen van deze stukken in de zin van art. 315, eerste lid, Sv niet noodzakelijk was. De overweging van het hof, dat het verzoek van de raadsman tot het toevoegen van stukken aan het dossier wordt afgewezen, dient daarom zo te worden begrepen dat het hof heeft geweigerd de bescheiden aan te nemen die de raadsman op de voet van art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv wilde overleggen. Voor zover het middel uitgaat van de opvatting dat sprake was van een verzoek als bedoeld in art. 328 jo. 315, 331 en 415 Sv, mist het feitelijke grondslag. 7. Bij de beoordeling van het middel moet gelet op het voorgaande worden vooropgesteld hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 29 juni 2010 heeft overwogen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid die is neergelegd in art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv. De uitoefening van die bevoegdheid is onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt. Voorts geldt dat de rechter een afwijzende beslissing op een verzoek tot het overlegging van nadere bescheiden of stukken van overtuiging zal dienen te motiveren aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf, te weten de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. 8. Aan zijn verzoek om stukken aan het dossier toe te voegen, heeft de raadsman ten grondslag gelegd dat deze relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [aangeefster], onder meer omdat daaruit zou blijken dat zij [betrokkene 1] aanmoedigde om ook aangifte tegen de verdachte te doen en dat zij in dat kader spreekt over “aandikken”. De stukken moeten daarmee als ontlastend worden beschouwd. Gelet op hetgeen onder randnummer 7 is vooropgesteld, vormt daarmee het (gevorderde) stadium waarin de procedure zich bevindt geen grond een verzoek in de zin van art. 414, eerste lid, tweede volzin, Sv, te weigeren. 9. Het hof heeft het verzoek van de raadsman eerst “vooralsnog” afgewezen, waarbij het hof als reden “met name het late tijdstip waarop het verzoek is gedaan” heeft gegeven, en vervolgens “definitief” waaraan als redenen ten grondslag zijn gelegd dat de raadsman gelegenheid heeft gehad “om er bij pleidooi een punt over te maken” en dat de verdachte en de raadsman “er wel wat over hebben verteld”. Voor zover het hof het verzoek al heeft getoetst aan de hiervoor genoemde maatstaf, heeft het in ieder geval onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang.. 10. De vraag is vervolgens of het voorgaande tot cassatie dient te leiden. Gelet op art. 80a RO kan van de verdediging worden gevergd dat zij in de cassatieschriftuur toelicht welk belang zij heeft bij een klacht over de afwijzing van het verzoek tot overlegging van die stukken. De schriftuur volstaat op dit punt met een verwijzing naar het belang dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep in de toelichting op zijn verzoek zou hebben aangetoond. In dit verband wijs ik erop dat aan het verzoek ten grondslag is gelegd dat de stukken relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [aangeefster], onder meer omdat daaruit zou blijken dat zij [betrokkene 1] aanmoedigde om ook aangifte tegen de verdachte te doen en dat zij in dat kader spreekt over “aandikken”. 11. Het hof heeft overwogen dat zowel de verdachte als de raadsman zich daarover hebben kunnen uitlaten op basis van de stukken waarop het verzoek betrekking heeft. Verder bevat het bestreden arrest overwegingen met betrekking tot het bewijs die relevant zijn voor de beoordeling van het belang van de verdachte bij cassatie. Alvorens die weer te geven, geef ik voor de begrijpelijkheid daarvan eerst de bewezenverklaring weer. 12. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat: “1. primair hij in de periode van 31 maart 2005 tot 31 maart 2009 te Groningen en te Scharmer meermalen door geweld of andere feitelijkheden en/of bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte (telkens) zijn penis in de vagina en/of de anus van die [aangeefster] gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijhe(i)d(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.