← Nederland

ECLI:NL:PHR:2021:758

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/03877 Zitting 16 augustus 2021 CONCLUSIE M.H. Wissink In de zaak Arvato Finance.Nl (hierna: Arvato) tegen [verweerster] (hierna: [verweerster] ) Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Feiten en procesverloop 3. De door de kantonrechter gestelde vragen 4. De informatieplichten in de Richtlijn Consumentenrechten en afd. 6.5.2B BW 5. Mogelijke remedies bij schending van de informatieplichten Uitgangspunten (5.2.1) Specifieke remedies (5.8) Algemene remedies in de sfeer van nakoming/tekortkoming (5.19) Algemene remedies in de sfeer van vernietiging (5.24.1) Beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (5.29.1) Tussenstand (5.30) 6 Gronden voor ambtshalve toetsing Nederlands recht (6.4) Unierecht (6.9) Combinatie van Unierecht en Nederlands recht (6.13) 7 Ambtshalve toepassing van remedies bij schending van de informatieplichten De stel- en substantiëringsplicht (7.2) De specifieke remedies (7.6) Algemene remedie: vernietiging op voet van art. 3:40 lid 2 BW (7.12) - Essentiële informatieplichten (7.13) - Toetsing van de geboden informatie; algemene voorwaarden (7.15) - Is vernietiging passend en evenredig? (7.24) - Gedeeltelijke vernietiging (7.36) - Art. 6:193j lid 3 BW en art. 6:2/6:248 lid 2 BW (7.52) 8 Beantwoording van de vragen over stelplicht en sanctionering 9 Duurzame gegevensdrager 10 Verwijzing naar het HvJEU? 11 Conclusie 1Inleiding 1.1 De kantonrechter te Leeuwarden heeft prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de in art. 6:230m en 6:230v BW opgesomde (pre)contractuele informatieplichten van handelaren die met consumenten overeenkomsten sluiten op afstand (in dit geval de koop van een douchepaneel in een webwinkel). De kantonrechter te Amsterdam heeft prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de in art. 6:230m en 6:230t BW opgesomde (pre)contractuele informatieplichten van handelaren die met consumenten overeenkomsten sluiten buiten de verkoopruimte (in dit geval een energiecontract). De vragen stellen grotendeels dezelfde problematiek aan de orde. Zij betreffen, kort gezegd, de taak van de rechter om in zaken waarin betaling wordt gevorderd van de consument en waarin de consument veelal niet verschijnt om verweer te voeren, (

  1. i)te beoordelen of voldoende is gesteld over de nakoming van de wettelijke informatieplichten, (
  2. ii)ambtshalve te toetsen of de wettelijk vereiste informatie is verschaft en (iii) indien niet is gebleken dat voldoende informatie is verschaft, daaraan een sanctie te verbinden zoals de gehele of gedeeltelijke afwijzing van de vordering tot betaling. Voorts wordt gevraagd (
  3. iv)of bepaalde wettelijk vereiste informatie kan worden verschaft in algemene voorwaarden. De vragen van de kantonrechter te Leeuwarden stellen ook aan de orde (
  4. v)of een persoonlijke account van de consument op de website van het bedrijf een duurzame drager is waarop de consument de informatie kan nazien. 1.2 De gestelde vragen zijn van aanzienlijk belang voor de rechtspraktijk, omdat jaarlijks een groot aantal incassovorderingen wordt aangebracht bij de Nederlandse kantonrechters. Ik concludeer vandaag in beide zaken. De conclusies vermelden onder 2 de feiten en het procesverloop van de betreffende zaak. Onder 3 worden de in de desbetreffende zaak gestelde vragen verkend. De onderdelen 1, 4-8 en 10 van de conclusies in de zaken 20/03877 en 20//04329 zijn gelijkluidend en behandelen de hiervoor onder (i)-(
  5. iv)bedoelde kwesties. Eerst worden de relevante informatieplichten geïntroduceerd (onderdeel 4) en de door de Europese Richtlijn Consumentenrechten dan wel het Nederlandse recht voorziene specifieke en algemene remedies bij schending van deze plichten geïnventariseerd (onderdeel 5). Specifieke remedies betreffen specifiek in de wet genoemde rechtsgevolgen bij schending van een bepaalde informatieplicht, terwijl algemene remedies rechtsgevolgen als vernietigbaarheid wegens strijd met de wet of schadevergoeding wegens tekortschieten betreffen. Dit resulteert in een opsomming van een aantal remedies waarvan denkbaar is dat de rechter deze in een verstekzaak ambtshalve zou kunnen toepassen. Vervolgens wordt ingegaan op de juridische gronden in het Unierecht en in het Nederlandse recht waarop een eventuele ambtshalve toepassing van deze remedies gebaseerd kan worden (onderdeel 6). Aan de hand daarvan wordt vervolgens besproken welke informatieplichten en daarbij behorende remedies de rechter ambtshalve dient te toetsen (onderdeel 7). Tegen die achtergrond worden de vragen over ambtshalve toepassing en sanctionering beantwoord (onderdeel 8). Ik kom daarbij, kort gezegd, tot de slotsom dat de ambtshalve toetsing beperkt is tot de specifieke remedies die de wet aan schending van bepaalde informatieplichten verbindt en, wat de algemene remedies betreft, tot vernietiging van de overeenkomst op grond van art. 3:40 lid 2 BW indien een beperkt aantal essentiële informatieplichten niet of onvoldoende in acht is genomen. Deze vernietiging kan eventueel een gedeeltelijke zijn. Afdoening op de stelplicht dient naar mijn mening beperkt te blijven tot hetgeen vereist is om ambtshalve toetsing mogelijk te maken. Ten slotte komt de hiervoor onder (
  6. v)bedoelde vraag aan bod (onderdeel 9). Afrondend bespreek ik of de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het HvJEU dient te stellen over de uitleg van het Unierecht (onderdeel 10). 1.3 Ter inleiding op de problematiek merk ik het volgende op. De wet bevat voor veel gevallen waarin een ‘handelaar’ – kort gezegd: elk bedrijf en elke (web)winkel − een overeenkomst sluit met een consument informatieplichten. Indien in een fysieke winkel een product wordt aangeschaft, blijkt veel van de vereiste informatie al uit de context. Dit laatste kan minder het geval zijn wanneer de overeenkomst wordt gesloten ‘op afstand’ of ‘buiten de verkoopruimte’. Voor die gevallen bevat de wet meer en vaak ook scherper geformuleerde informatieplichten. Zoals bekend, schaffen consumenten in toenemende mate via webwinkels producten en diensten aan. Voor financiële producten en diensten (zoals bankieren en verzekeren op afstand) gelden afzonderlijke regels. Indien uitstel van betaling wordt verleend, kan verder sprake zijn van een kredietovereenkomst in de zin van titel 7.2A e.v. BW. Omdat de prejudiciële vragen geen betrekking hebben op deze onderwerpen, worden de regels over financiële producten en diensten dan wel krediet in deze conclusie niet behandeld. 1.4 De informatieplichten die in deze zaken aan de orde zijn, staan al vanaf 2014 in afdeling 6.5.2B BW, ter omzetting van de Europese Richtlijn Consumentenrechten (hierna: ‘Richtlijn CR’). De aandacht voor deze plichten is de laatste jaren in een stroomversnelling gekomen. Om te kunnen beoordelen of in consumentenzaken de eiser zijn vordering voldoende heeft gespecificeerd en onderbouwd, zijn kantonrechters sinds 2019 een informatieformulier gaan gebruiken dat eisers (in het bijzonder repeat players in de incassopraktijk) moeten overleggen. Hierin dient de eisende partij onder meer aan te geven en met documenten te onderbouwen dat en hoe zij aan de informatieplichten heeft voldaan. Het formulier helpt de rechter verder ook om te kunnen toetsen aan onder meer de regels over oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en over consumentenkredietovereenkomsten. Aan dit formulier ligt mede de veronderstelling ten grondslag, dat de rechter ambtshalve dient te toetsen of de informatieplichten zijn nagekomen. Na een gewenningsperiode wordt van eisers verwacht dat zij deze informatie zelfstandig aandragen zodat de rechter daar niet meer om hoeft te vragen. 1.5 Kantonrechters gaan verschillend om met situaties waarin niet is gebleken dat de wettelijk vereiste informatie is verschaft dan wel is gebleken dat deze informatie niet of niet volledig is verschaft. De rechtspraak laat, kort gezegd, vier reacties zien. (
  7. i)Vorderingen tot betaling van de prijs worden soms afgewezen omdat onvoldoende onderbouwd is gesteld dat de informatieplichten zijn nagekomen, waarbij lijkt te worden vereist dat moet blijken dat alle informatieplichten zijn nagekomen. In een enkel geval is de vordering om deze reden afgewezen, ook al heeft de consument, die in de procedure is verschenen, de vordering erkend. Afwijzing van de vordering berust in deze gevallen veelal op de stel- en substantiëringsplicht. (
  8. ii)Indien naar het oordeel van de rechter onvoldoende is gesteld om te concluderen dat aan de (alle) informatieplichten is voldaan, wordt de vordering soms geheel afgewezen met het argument dat de overeenkomst vernietigbaar is. Dit berust in zaken waarin de consument niet is verschenen (verstekzaken), kennelijk, mede op toepassing van de regel dat de rechter in een verstekzaak een vordering moet afwijzen die hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt (art. 139 Rv). (iii) Soms wordt een vordering gedeeltelijk afgewezen. Dit wordt gebaseerd op het argument dat de sanctie op schending van de informatieplichten niet alleen doeltreffend en afschrikwekkend, maar ook evenredig dient te zijn. De juridische grondslag hiervoor zou kunnen zijn de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (waarop de kantonrechter te Amsterdam wijst in zijn prejudiciële vragen aan de Hoge Raad) dan wel gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst, in combinatie met art. 139 Rv. (
  9. iv)Soms wordt, ondanks schending van de informatieplichten, de vordering volledig toegewezen, eventueel met de aankondiging dat in de toekomst vorderingen wel zullen worden afgewezen. Aan dit laatste ligt ten grondslag dat thans nog onduidelijkheid bestaat over de sanctionering van de informatieplichten en voorts dat de consument de levering zonder protest heeft behouden. 1.6 Het moge duidelijk zijn, dat er uit een oogpunt van rechtseenheid behoefte is aan antwoorden van de Hoge Raad op de gestelde prejudiciële vragen. 2Feiten en procesverloop 2.1 In deze procedure kan van de volgende feiten worden uitgegaan. (
  10. i)[verweerster] heeft in de hoedanigheid van consument een koopovereenkomst met Badplaats B.V. (hierna: de handelaar) gesloten met betrekking tot een 'Douchepaneel Enna met mengkraan' (hierna: het product). De koopovereenkomst is via de website van de handelaar tot stand gekomen. [verweerster] heeft er voor gekozen om achteraf te betalen via Arvato. De vordering met betrekking tot de betalingsverplichting van [verweerster] is door de handelaar aan Arvato (die handelt onder de naam AfterPay) gecedeerd. (
  11. ii)Arvato heeft [verweerster] op 10 mei 2019 per e-mail een bevestiging gestuurd, waarop - voor zover van belang - het volgende is vermeld: “BETAALOVERZICHT (…) Bedankt voor je aankoop bij badplaats.nl en het kiezen voor AfterPay als betaalmethode. Via dit betaaloverzicht kun je snel en gemakkelijk betalen met de onderstaande betaalknop. Artikelnr. Productomschrijving Aantal Btw Prijs p.o. Totaal DPKMENN8002 1xDouchepaneel Enna met 1 21 €149,00 €149,00 mengkraan – Zwart R VERZ Verzendkosten 1 21 € 19,95 € 19,95 Totaal inclusief BTW €168,95 (waarvan BTW) € 29,32 (…) Maak het jezelf gemakkelijk: via de betaalknop worden het bedrag en de omschrijving voor je ingevuld. Zo wordt je betaling vrijwel direct verwerkt. Handig toch? Maak je toch liever zelf het bedrag over? Gebruik dan de volgende gegevens: Uiterste betaal datum: 24 mei 2019 IBAN: NL24ABNAOSBB1521Bo Begunstigde: AfterPay te Heerenveen Betalingsomschrijving: [001] Vermeld bij betalingsomschrijving alleen de 9 cijfers van het AfterPay kenmerk Let op: ook bij het ruilen, gedeeltelijk retourneren of ter reparatie opsturen van je bestelling blijft de betaaltermijn van 14 dagen gelden. Stuur je iets retour? Dit kun je zelf aan ons doorgeven via de AfterPay app. Wij zorgen er dan voor dat je betaling wordt gepauzeerd. Je vindt meer informatie op www.afterpay.nl/retour. Vragen? Dit is een automatisch verzonden e-mail, neem daarom bij vragen contact op via onderstaande opties. Heb je nog vragen over dit betaaloverzicht of bij je betaling? Kijk dan eens op www. afterpay.nl/klanten. Heb je vragen over je bestelling, de levering of retour? Neem dan contact op met badplaats.nl via info@badplaats.nlof 013-5144214. Voor alle betalingen gelden de algemene betalingsvoorwaarden van Arvato Finance B.V., handelende onder de naam AfterPay, Postbus 434, 8440 AK Heerenveen, KvK Noord-Nederland 08203350, BTW nr. NL8210926gBB01, besloten vennootschap Badplaats B.V. den Uitvanck 9B, 5888, NC Oirschot, KvK Brabant 55371078, BTW, nr. NL851674665.B01houder van de webshop badplaats.nl heeft haar vordering op jou overgedragen aan Arvato Finance B.V. (…).” (iii) De handelaar heeft het door [verweerster] bestelde product geleverd. [verweerster] heeft het bedrag van € 168,95 niet binnen de betalingstermijn van 14 dagen voldaan en dit ook na herhaalde aanmaning onbetaald gelaten. 2.2 Bij dagvaarding van datum 5 augustus 2020 heeft Arvato gevorderd [verweerster] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 168,95 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente, tot 23 juli 2020 berekend op een bedrag van € 3,94 en met buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 40,00. Hieraan heeft Arvato ten grondslag gelegd dat [verweerster] via de website van de handelaar een product heeft gekocht en tijdens het bestelproces actief heeft gekozen om de aankoop achteraf via Arvato te betalen. Arvato heeft deze keuze na toetsing geaccepteerd en [verweerster] hiervoor geen kosten in rekening gebracht. De handelaar heeft de bestelling uitgevoerd en zijn vordering op [verweerster] aan Arvato gecedeerd. Arvato heeft daarna zowel de bestelling als de cessie per e-mail aan [verweerster] bevestigd. [verweerster] heeft het product van de handelaar geleverd gekregen en behouden, maar daarvoor ondanks herhaalde aanmaningen niet betaald. Arvato vordert daarom tevens vergoeding van rente en buitengerechtelijke kosten. Arvato heeft in de dagvaarding een uitvoerige beschrijving gegeven van het bestelproces en de in die fase verstrekte informatie en ter onderbouwing van haar stelling de aan [verweerster] verzonden bevestiging en aanmaningen overlegd. 2.3 In het tussenvonnis van 29 september 2020 heeft de kantonrechter overwogen dat het gaat om een verstekzaak waarin de gedaagde heeft gehandeld als consument. Daarom moet de kantonrechter ambtshalve het geldende consumentenrecht betrekken in de beoordeling of de vordering in de zin van art. 139 Rv onrechtmatig of ongegrond voorkomt (rov. 4.1). Het gaat om een koopovereenkomst op afstand als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 BW die op elektronische wijze tot stand is gekomen en er is geen sprake van consumentenkrediet in de zin van Boek 7 BW (rov. 4.2). In deze zaak is niet duidelijk of de verkoper heeft voldaan aan de verschillende (pre)contractuele informatieplichten die hij als handelaar heeft op grond van art. 6:230m en 6:230v BW: (
  12. i)niet is gesteld dat de handelaar gedaagde voor het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze heeft gewezen op de bijkomende verzendkosten (art. 6:230m lid 1 onder e BW); (
  13. ii)niet is gesteld of de handelaar in die precontractuele fase informatie heeft verstrekt over zijn geografische adres (art. 6:230m lid 1 onder c BW); (iii) niet duidelijk is of alle in art. 6:230m BW opgesomde informatie die niet in de door Arvato verzonden bevestiging is vermeld − zoals de wijze en termijn van levering (art. 6:230m lid 1 onder g BW), het herroepingsrecht (art. 6:230m lid 1 onder h BW) en de wettelijke waarborg dat de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden (art. 6:230m lid 1 onder
  14. l)BW − eerder al aan gedaagde is verstrekt op een duurzame gegevensdrager als bedoeld in art. 6:230v lid 7 BW. Omdat in de rechtspraak verschillend wordt geoordeeld over de gevolgen die de rechter hieraan ambtshalve moet verbinden en hoger beroep veelal niet mogelijk is, heeft de kantonrechter het voornemen uitgesproken om aan de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen over de in de art. 6:230m en 6230v BW genoemde (pre)contractuele informatieverplichtingen en is Arvato de gelegenheid geboden om te reageren op de voorgestelde vragen. Arvato heeft geen wijzigingen of aanvullingen voorgesteld van de vragen, die vervolgens bij tussenvonnis van 24 november 2020 aan de Hoge Raad zijn gesteld. 2.4 Na daartoe door de griffier van de Hoge Raad in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft Arvato afgezien van het maken van schriftelijke opmerkingen over de aan de Hoge Raad gestelde vragen. Op 25 juni 2021 zijn door mr. J. den Hoed namens de Nederlandse Belangenvereniging Gerechtsdeurwaarders (hierna: NBG) als derde schriftelijke opmerkingen ingediend. Deze schriftelijke opmerkingen stellen in de kern aan de orde dat thans in de praktijk (in bepaalde gevallen) te veel informatieplichten ambtshalve worden getoetst en te zware eisen worden gesteld aan de stellingen van de eiser en de gedocumenteerde onderbouwing daarvan, zodat onvoldoende rekening wordt gehouden met de belangen van de schuldeiser die een onbetaald gebleven vordering wil incasseren. 3De door de kantonrechter gestelde vragen 3.1 De kantonrechter heeft de volgende vragen gesteld. I. Dient de rechter, ingeval een koopovereenkomst op afstand op elektronische wijze is gesloten met een consument, in een verstekzaak die koopovereenkomst ambtshalve te vernietigen en de gevorderde koopprijs (deels) af te wijzen, indien niet is gebleken dat de handelaar:
  15. a)vóór het sluiten van de overeenkomst op voldoende duidelijke en begrijpelijke wijze alle in artikel 6:230m bedoelde informatie (voor zover van toepassing) heeft verstrekt (zoals is voorgeschreven in de artikelen 6:230m en 6:230v lid 1, 2 en 4); en/of
  16. b)uiterlijk bij levering alle in artikel 6:230m bedoelde informatie (voor zover van toepassing) op een duurzame gegevensdrager heeft bevestigd (zoals is voorgeschreven in artikel 6:230v lid 7); en/of
  17. c)zijn elektronische bestelproces zo heeft ingericht dat de consument een aanbod pas kan aanvaarden als hem op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat de bestelling een betalingsverplichting inhoudt (zoals is voorgeschreven in artikel 6:230v lid 3), en er verder geen feitelijke aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de consument om die reden niet (meer) aan die koopovereenkomst gebonden wil zijn? II. Indien het antwoord op vraag I sub a en/of I sub b ontkennend luidt, is ambtshalve vernietiging van de koopovereenkomst dan wel aangewezen indien in bepaalde onderdelen van artikel 6:230m bedoelde informatie niet op de juiste wijze is verstrekt en/of is bevestigd en zo ja, voor welke onderdelen van artikel 6:230m geldt dat dan? III. Indien het antwoord op de voorgaande vragen ontkennend is, mag en moet de rechter de koopovereenkomst dan wel ambtshalve vernietigen, indien voldoende aannemelijk is dat de consument door (het ontbreken van juiste) informatie als bedoeld in artikel 6:230m is misleid en in financiële of praktische zin is benadeeld en daarom niet meer (volledig) aan die overeenkomst gebonden zal willen zijn en zo ja, voor welke onderdelen van artikel 6:230m geldt dat dan? IV. Indien ambtshalve tot vernietiging moet worden overgegaan, moet de rechter de koopovereenkomst dan volledig vernietigen of slechts ‘partieel’ door vermindering van de koopprijs? V. Indien ‘partiële vernietiging’ door vermindering van de koopprijs is aangewezen, op welke wijze moet de rechter dan bepalen welke vermindering passend is? VI. Indien ambtshalve vernietiging van de koopovereenkomst niet aangewezen is, dient de rechter dan toch nader te onderzoeken of de handelaar de in artikel 6:230m bedoelde informatie op juiste wijze heeft verstrekt en bevestigd, bijvoorbeeld omdat wanneer dat niet is gebeurd, een andere sanctie moet worden toegepast? VII. Indien het antwoord op vraag VI bevestigend is, naar welke onderdelen van artikel 6:230m is nader onderzoek dan geboden en aan welke sanctie moet dan worden gedacht? VIII. Ingeval een koopovereenkomst op afstand elektronisch wordt gesloten, volstaat het dan dat de handelaar andere dan de in artikel 6:230v lid 2 opgesomde informatie, waaronder die over het herroepingsrecht, enkel toont en verstrekt in Algemene Voorwaarden, of is die wijze van presenteren en bevestigen onvoldoende duidelijk en begrijpelijk? IX. Indien de consument een persoonlijk account heeft op de website van de handelaar en zijn bestelling(
  18. en)en andere in artikel 6:230m bedoelde informatie enkel op dat account zijn terug te vinden, moet dan, om te kunnen spreken van het verstrekken van informatie op een duurzame gegevensdrager in de zin van artikel 6:230v lid 7, zijn voldaan aan door het Hof van Justitie in zijn uitspraak van 25 januari 2017 (BWAWAG) geformuleerde voorwaarden dat:
  19. a)de consument de aan hem persoonlijk gerichte informatie op zodanige wijze op kan slaan dat deze gedurende een passende termijn kan worden geraadpleegd en ongewijzigd kan worden gereproduceerd, zonder dat de handelaar of andere professional de inhoud ervan eenzijdig kan wijzigen, en
  20. b)de handelaar na ieder nieuw bericht in dat account een actieve handeling verricht om de consument op de hoogte te stellen van dat nieuwe bericht en dat hij dit bericht op het account kan raadplegen, en zo nee, welke voorwaarden gelden dan? X. Zijn de antwoorden op de voorgaande vragen anders indien geen sprake is van koop van zaken maar van een elektronisch gesloten overeenkomst op afstand tot het verrichten van diensten en zo ja, hoe luiden deze in dat geval? 3.2 De vragen zijn toegespitst op verstekzaken. Voor een deel van de beantwoording van de vragen lijkt het niet nodig een onderscheid te maken tussen verstekzaken en zaken op tegenspraak. 3.3.1 De vragen I tot en met VII gaan over de gevolgen die de rechter moet verbinden aan zijn constatering dat niet (is gebleken dat) aan een of meer van de informatieplichten is voldaan. - Moet de rechter dan ambtshalve de overeenkomst vernietigen (vraag I) of alleen indien aan nadere voorwaarden is voldaan (vragen II en III)? - Is, bij bevestigende beantwoording, de vernietiging geheel of gedeeltelijk (vragen I en IV) en, in het laatste geval, welke maatstaf moet worden gehanteerd om te bepalen welke vermindering van de prijs bij gedeeltelijke vernietiging passend is (vraag V)? - Indien geen vernietiging dient te volgen, is er dan een andere sanctie die de rechter, in bepaalde gevallen, ambtshalve dient toe te passen (vragen VI en VII)? - In dit verband speelt ook of bepaalde informatie in de vorm van algemene voorwaarden kan worden verstrekt (vraag VIII). 3.3.2 De kantonrechter ziet blijkens het uitvoerig gemotiveerde tussenvonnis van 29 september 2020 de nodige bezwaren tegen een ambtshalve vernietiging van de overeenkomst in verstekzaken, met name in het (in mijn woorden) ‘standaardgeval’ dat weliswaar kan worden vastgesteld dat de consument de rekening niet heeft betaald maar er verder geen aanleiding is om te denken dat de consument niet meer aan de overeenkomst gebonden wil zijn. 3.4 Vraag IX ziet op de bevestiging van informatie op een duurzame gegevensdrager in de zin van art. 6:230v lid 7 BW. 3.5 Vraag X verbreedt het terrein van de vragen naar andere gevallen dan het geval dat in deze zaak aan de orde is, te weten de elektronisch gesloten overeenkomst op afstand tot het verrichten van diensten. Hoewel ik begrijp dat de kantonrechter deze vraag stelt omdat in de kantonpraktijk dergelijke gevallen ook spelen en daarin gelijksoortige vragen rijzen, merk ik op dat het antwoord op deze vraag niet nodig is om de kantonrechter in staat te stellen te beslissen op de vordering van Arvato in deze procedure (zie art. 392 lid 1 Rv). Ik kan mij daarom voorstellen dat de Hoge Raad vraag X in deze zaak als zodanig niet zal beantwoorden. De bespreking van de andere vragen biedt naar mijn mening overigens voldoende aanknopingspunten voor de beoordeling van overeenkomsten tot het verrichten van diensten. Ik merk op dat de vragen van de kantonrechter te Amsterdam in zaak 20/04329 betrekking hebben op een duurovereenkomst voor energielevering, maar niet specifiek zijn toegesneden op dat type overeenkomsten. 4De informatieplichten in de Richtlijn Consumentenrechten en afd. 6.5.2B BW 4.1 Ik bezie nu nader de wettelijke informatieplichten die in deze zaak aan de orde zijn en behandel daarbij de Richtlijn CR, de onderwerpen waarop de informatieplichten betrekking hebben, de functies van deze plichten en vermeld de informatieplichten waaraan de wet meer gewicht toekent. Deze aspecten spelen een rol bij de later te bespreken vraag naar de sanctionering van de informatieplichten. 4.2 De Richtlijn CR van 25 oktober 2011 heeft tot doel de goede werking van de interne markt te bevorderen door een juist evenwicht tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, en voorts om bestaande Europese regels over overeenkomsten gesloten tussen consumenten en handelaren te actualiseren, te verbeteren en te vereenvoudigen. De Richtlijn CR gaat zoveel mogelijk uit van volledige harmonisatie. Zij is in het Nederlandse recht omgezet in afdeling 6.5.2B BW alsmede, voor enkele specifieke bepalingen die slechts zien op koopovereenkomsten, in titel 7.1 BW. Het betreft, uiteraard, dwingend recht (art. 25 Richtlijn CR, art. 6:230i lid 1 BW). 4.3 Hoewel de Richtlijn CR ziet op alle overeenkomsten tussen handelaren en consumenten (art. 5 Richtlijn CR, art. 6:230l BW) − voor zover bepaalde overeenkomsten niet van haar toepassingsbereik zijn uitgesloten (art. 3, leden 1 en 3, Richtlijn CR en art. 6:230h lid 2 BW) – regelt zij in het bijzonder de overeenkomsten op afstand en buiten de verkoopruimte gesloten overeenkomsten. De in de Richtlijn CR opgenomen bepalingen hebben hoofdzakelijk betrekking op informatieverplichtingen in de (pre)contractuele fase, het recht om de overeenkomst binnen een bedenktermijn te ontbinden (het ‘ontbindingsrecht’, ook wel ‘herroepingsrecht’ genoemd) en enkele bijzondere bepalingen over de kosten die de handelaar bij het sluiten van de overeenkomst mag rekenen. Voor zover relevant, komen deze bepalingen hierna nog aan de orde. 4.4 De Richtlijn CR laat de informatieverplichtingen uit andere generieke richtlijnen onverlet, maar heeft bij strijd daarmee voorrang (art. 6 lid 8 Richtlijn CR, art. 6:230i lid 4 BW). Art. 6:230i lid 4 BW verwijst in dit verband naar de informatieverplichtingen op grond van art. 3:15d-3:15f BW en art. 6:227b-6:227c BW (ter omzetting van de Richtlijn elektronische handel) en afdeling 6.5.2A BW, in het bijzonder art. 6:230b en 6:230d BW (ter omzetting van de Dienstenrichtlijn). De Richtlijn CR geldt niet voor zover er afwijkende specifieke sectorrichtlijnen zijn (art. 3 lid 2 Richtlijn CR, art. 6:230i lid 3 BW). 4.5.1 De in art. 6:230m lid 1 BW bedoelde informatie betreft, kort gezegd, (
  21. i)de prestaties, (
  22. ii)de persoonsgegevens van de handelaar, (iii) verdere informatie over de overeenkomst en (
  23. iv)het recht om de overeenkomst binnen de bedenktermijn te ontbinden. De vereiste informatie moet (
  24. v)tijdig voor het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze worden verschaft, soms in een bepaalde vorm, en (
  25. vi)na het sluiten van de overeenkomst op een duurzame drager worden bevestigd. 4.5.2 Aan deze informatieplichten worden verschillende functies toegekend. In de literatuur wordt gewezen op informatieplichten die vooral zien op de wilsvorming van de consument, die een dossierfunctie voor de consument hebben of die de uitoefening van rechten door de consument mogelijk moeten maken. In de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU kan men deze functies herkennen. Informatieplichten die tot doel hebben de consumenten te ondersteunen bij de wilsvorming proberen te waarborgen dat de consument een beeld krijgt van een zaak of dienst dat bij de werkelijkheid aansluit. Een informatieplicht die een dossierfunctie heeft, maakt het mogelijk dat een consument wanneer zich een complicatie voordoet, de informatie kan naslaan en op grond daarvan actie kan ondernemen. Informatieplichten die tot doel hebben de uitoefening van rechten te vergemakkelijken, proberen de consument te gidsen bij het ondernemen van een bepaalde actie. De informatieplichten met een dossierfunctie zijn ondersteunend ten opzichte van informatieplichten die tot doel hebben de uitoefening van rechten te vergemakkelijken. Een onderscheid tussen deze twee doelstellingen is op zijn plaats omdat een ondernemer in de postcontractuele fase moet voldoen aan de informatieplichten met een dossierfunctie, terwijl hij in de precontractuele fase moet voldoen aan informatieplichten die de uitoefening van rechten beogen te vergemakkelijken. 4.6 Tigelaar heeft de functies van de verschillende informatieplichten onderzocht. Ik voeg haar bevindingen over deze functies toe aan de in 4.5.1 weergegeven indeling van de informatieplichten in zes categorieën (welke indeling goeddeels aan Tigelaar is ontleend). Ik maak daarbij enige aanvullende opmerkingen. Dit levert het volgende op. 4.7 ( (
  26. i)Prestaties (functie: wilsvorming). Informatieplichten met betrekking tot de prestaties hebben tot doel de consument op de hoogte te stellen van de inhoud en de uitvoering van de overeenkomst. Het gaat om art. 6:230m lid 1 sub a, e, g, r en s BW. Het betreft informatie over de voornaamste kenmerken van het product, de functionaliteit en interoperabiliteit van digitale inhoud, de prijs en de betaal- en leveringswijze. 4.8 ( (
  27. ii)Persoonsgegevens van de handelaar (functie: wilsvorming, rechtsuitoefening). Informatieplichten met betrekking tot persoonsgegevens hebben tot doel de consument te laten weten wie zijn wederpartij is. Het gaat dan over de identiteit, adres en telefoonnummer. Aan de hand hiervan kan de consument informatie inwinnen over de ondernemer. Het betreft art. 6:230m lid 1 sub b, c en d BW. 4.9 ( (iii) Verdere informatie over de overeenkomst (functie: wilsvorming, rechtsuitoefening). Informatie over de overeenkomst kan twee doelen hebben. Informatie over de duur van de overeenkomst en informatie over opzegging van het contract kan van invloed zijn op de wilsvorming van de consument (art. 6:230m lid 1 onder o en p BW). Verondersteld wordt dat de consument informatie over non-conformiteit, aftersales en klachtenbehandeling meestal pas belangrijk vindt nadat hij het contract heeft gesloten. De ondernemer dient de consument erop te wijzen dat hij verplicht is goederen te leveren conform de overeenkomst, informeren over de garantie en ondersteuning die hij aanbiedt na sluiting van de overeenkomst en hoe hij omgaat met klachten (art. 6:230 m lid 1 onder l, m, n en t BW). Voorts moet de handelaar wijzen op kosten voor communicatie op afstand voor het sluiten van de overeenkomst boven het basistarief, zoals belkosten naar 0900-nummers, (art. 6:230m lid 1 onder f BW) en eventuele verplichtingen van de consument om waarborgsommen te betalen of andere financiële garanties te bieden (art. 6:230m lid 1 onder q BW). Deze informatieplichten hebben m.i. een wilsvormende functie. 4.10 ( (
  28. iv)Het recht om de overeenkomst binnen de bedenktermijn te ontbinden (functie: wilsvorming, rechtsuitoefening). De consument moet worden voorgelicht over het bestaan van het ontbindingsrecht, over de voorwaarden voor het inroepen ervan, de termijn voor het inroepen ervan, de terugzendkosten en de kosten voor reeds verrichte prestaties. Deze informatie is opgenomen in artikel 6:230m lid 1 sub h, i, j en k BW. Afd. 6.5.2B bevat voorts een aantal bepalingen over de uitoefening van het ontbindingsrecht (art. 6:230n lid 1, 6:230o-6:2130s en 6:230t leden 3 en 4 BW). Tigelaar kent hieraan een rechtsuitoefeningsfunctie toe, maar zij onderkent dat het ontbindingsrecht de consument de kans geeft tot herbezinning. Informatie over het ontbindingsrecht kan op die manier van belang zijn voor de wilsvorming. In de rechtspraak van het HvJEU wordt aan de in art. 6:230m lid 1 onder h BW bedoelde informatie ook een wilsvormende functie toegekend. 4.11 ( (
  29. v)Tijdigheid, transparantie en wijze van informatieverstrekking (functie: variabel) Tijdige informatieverstrekking, voordat de overeenkomst is gesloten (art. 6:230m lid 1 aanhef BW en art. 6:230v, leden 2-6, BW), heeft tot doel te waarborgen dat de consument de kans heeft om de informatie te verwerken. Het transparantievereiste houdt, kort gezegd, in dat de informatie op duidelijke en begrijpelijke wijze moet worden verschaft (zie met enige variatie art. 6:230m lid 1 aanhef, 6:230t lid 1 en 6:230v leden 1-6 BW) en heeft tot doel te waarborgen dat de informatieplichten hun beoogde functie kunnen vervullen. In zeker opzicht kan men een zelfstandige functie toekennen aan de vereisten van tijdigheid en transparantie. Voor de consument die het bijvoorbeeld belangrijk vindt te weten of de handelaar is aangesloten bij een geschillencommissie (art. 6:230m lid 1 onder t BW) en daarvan zijn aankoopbeslissing laat afhangen, heeft tijdige en transparante informatie daarover een wilsvormende functie. In het algemeen dient echter als uitgangspunt, dat de vereisten van tijdigheid en transparantie in het teken staan van de functies van de informatieplichten waarom het gaat. Over de wijze waarop precontractuele informatie moet worden verstrekt, bevat de wet enige nadere bepalingen. Bij een overeenkomst op afstand mag de informatie worden verschaft “op een wijze die passend is voor de gebruikte middelen voor communicatie op afstand” (art. 6:230v lid 1 BW) met een nadere uitwerking voor het geval het medium beperkte tijd of ruimte biedt voor informatieverschaffing (art. 6:230v lid 5 BW). Bij overeenkomsten buiten de verkoopruimte moet de informatie van art. 6:230m lid 1 BW worden verschaft op papier of op een duurzame drager (art. 6:230t lid 1 BW). 4.12 ( (
  30. vi)Bevestiging op een duurzame drager (dossierfunctie). Bij een overeenkomst buiten de verkoopruimte moet de overeenkomst schriftelijk dan wel op een duurzame drager worden verstrekt (art. 6:230t lid 2 BW). Bij een overeenkomst op afstand moet de handelaar de precontractuele informatie op een duurzame gegevensdrager bevestigen, voor zover de informatie niet reeds voor het sluiten van de overeenkomst op een duurzame drager is verstrekt (art. 6:230v lid 7 onder a BW). Dit dient te gebeuren binnen een redelijke periode na het sluiten van de overeenkomst, en uiterlijk bij de levering van de goederen of het verrichten van de diensten. Duurzame gegevensdragers moeten de consument in staat stellen de informatie zo lang op te slaan als nodig is om zijn belangen in het kader van zijn verhouding met de ondernemer te beschermen. 4.13 Uit het voorgaande blijkt dat de Richtlijn CR en afd. 6.5.2B BW al met al een hele serie informatieplichten over uiteenlopende onderwerpen bevatten. Bij nadere beschouwing blijkt dat bepaalde informatieplichten belangrijker zijn dan andere. 4.14.1 In de eerste plaats gelden blijkens art. 6:230v BW bij overeenkomsten op afstand de hierna bedoelde aanvullende bepalingen die de nadruk leggen op bepaalde informatieplichten. 4.14.2 Volgens art. 6:230v lid 2 BW, dat vooral op webwinkels is toegesneden, moet onmiddellijk voordat de consument zijn bestelling plaatst op een duidelijke en in het oog springende manier worden gewezen op de informatie bedoeld in art. 6:230m lid 1 onder a (voornaamste kenmerken van zaken of diensten), e (totale prijs), o (duur overeenkomst of opzeggingsvoorwaarden) en p (minimumduur overeenkomst voor de consument). Dat de prijs een belangrijk gegeven is, volgt ook uit de bepaling dat, op straffe van vernietigbaarheid, een elektronisch bestelproces op niet mis te verstane wijze duidelijk moet maken dat de consument een betalingsverplichting heeft, zoals nader omschreven in art. 6:230v lid 3 BW. 4.14.3 Wordt een overeenkomst op afstand gesloten met behulp van een middel voor communicatie op afstand dat beperkte ruimte of tijd biedt voor het tonen van de informatie dan verstrekt de handelaar via dat specifieke middel voordat de overeenkomst gesloten wordt, ten minste de precontractuele informatie genoemd in art. 6:230m lid 1 onder a (voornaamste kenmerken van de zaken of diensten), b (identiteit van de handelaar), e (totale prijs), h (ontbindingsrecht) en o (duur overeenkomst en opzeggingsvoorwaarden), zo volgt uit art 6:230v lid 5 BW. Het HvJEU heeft de in art. 6230v lid 5 BW bedoelde informatie aangemerkt als de noodzakelijke informatie op basis waarvan de consument kan beslissen de overeenkomst al dan niet te sluiten. Daaronder valt overigens niet het in art. 6:230m lid 1 onder h BW bedoelde modelformulier. Dat formulier mag, evenals de overige in art. 6:230m lid 1 BW bedoelde informatie, via een andere bron worden verstrekt. Tigelaar wijst erop dat het bestaan van het ontbindingsrecht relevant is voor de wilsvorming van de consument, terwijl het modelformulier de uitoefening van dat recht betreft. 4.15 In de tweede plaats worden in de regeling van de oneerlijke handelspraktijken bepaalde informatieplichten aangemerkt als essentiële informatie. Het betreft, voor zover thans relevant, bij een ‘uitnodiging tot aankoop’ de informatieplichten van art. 6:230m lid 1 onder a, b, e, g en h, BW (art. 6:193e BW) en bij ‘commerciële communicatie’ de informatieverplichtingen van art. 6:230m lid 1 onder a, b, c, e, f, g, h, o en p, BW alsmede art. 6:230v leden 1, 2, 3, 5, 6 eerste zin en 7 BW (art. 6:193f onder b BW). Er is dus sprake van enige overlap tussen beide bepalingen. Art. 6:193e BW bouwt echter voorbehouden in ten aanzien van de te verschaffen informatie (onder meer: “voor zover deze niet reeds uit de context blijkt”). 4.16 De in art. 6:230m lid 1 BW genoemde informatieplichten die blijkens de hiervoor bedoelde bepalingen extra gewicht hebben – 6:230m lid 1 onder a, b, c, e, f, g, h, o, p − betreffen verschillende aspecten waarover informatie moet worden verschaft: (
  31. i)prestaties (a, e, g); (
  32. ii)persoonsgegevens (b, c); (iii) verdere informatie over de overeenkomst (f, o, p); en (
  33. iv)het ontbindingsrecht (h). Deze informatieplichten hebben in het algemeen, althans mede, een wilsvormende functie. 5Mogelijke remedies bij schending van de informatieplichten 5.1 Ik inventariseer hierna welke rechtsgevolgen of sancties (hierna ook: remedies) verbonden (kunnen) zijn aan de schending van (bepaalde) informatieplichten. Ik bespreek daartoe in de eerste plaats de uitgangspunten van het Unierecht en het Nederlandse recht ten aanzien van de sanctionering van de informatieplichten. Ik bezie in hoeverre sanctionering is voorzien in de Richtlijn CR en de mate van gestrengheid waarmee de informatieplichten uit de richtlijn blijkens de rechtspraak van het HvJEU moeten worden gesanctioneerd. Voorts vermeld ik de Moderniseringsrichtlijn die − direct door aanpassing van de Richtlijn CR dan wel indirect door aanpassing van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken (hierna: Richtlijn OHP) − van invloed kan zijn op de sanctionering van de informatieplichten. Daarna maak ik de overstap naar de remedies die het Nederlandse recht, na omzetting van de Richtlijn CR, in petto heeft bij schending van de informatieplichten. Vervolgens bespreek ik de specifieke remedies die de Richtlijn CR kent en die in het Nederlandse recht zijn omgezet. Tot slot bespreek ik de algemene remedies die het Nederlandse recht kent en die in beginsel toegepast zouden kunnen worden bij schending van een in het Nederlandse recht omgezette informatieplicht uit de Richtlijn CR. Bij de bespreking van de specifieke en algemene remedies inventariseer ik of toepassing in verstekzaken in beginsel denkbaar is. Uitgangspunten 5.2.1 De Richtlijn CR laat de geldigheid van overeenkomsten in beginsel ongemoeid. De considerans onder 14 vermeldt: “Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het nationale recht op het gebied van het verbintenissenrecht voor de verbintenissenrechtelijke aspecten die niet door deze richtlijn worden geregeld. Deze richtlijn dient derhalve het nationale recht inzake bijvoorbeeld het sluiten of de geldigheid van een overeenkomst, zoals in het geval van het ontbreken van overeenstemming, onverlet te laten. De richtlijn mag evenmin afbreuk doen aan het nationale recht inzake de algemene contractuele rechtsmiddelen, de regels inzake de openbare economische orde, bijvoorbeeld regels betreffende buitensporige prijzen of woekerprijzen, en de regels betreffende onethische rechtshandelingen.” en hierop aansluitend bepaalt art. 3 lid 5 Richtlijn CR: “Voor zover algemene aspecten van het verbintenissenrecht niet bij deze richtlijn worden geregeld, laat deze richtlijn de algemene bepalingen van het nationale verbintenissenrecht, zoals over de geldigheid, het ontstaan of de gevolgen van overeenkomsten, onverlet.” 5.2.2 De Richtlijn CR specificeert echter ten aanzien van enkele informatieplichten de gevolgen van schending ervan (zie hierna in 5.8). 5.2.3 Voor het overige bepaalt de Richtlijn CR over de handhaving en sanctionering: “De lidstaten zorgen ervoor dat passende en doeltreffende middelen beschikbaar zijn om de naleving van de bepalingen van deze richtlijn te doen naleven” (art. 23 lid 1). “De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op de inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn.” (art. 24 lid 1). 5.3.1 De rechtspraak van het HvJEU geeft enig inzicht in de ‘gestrengheid’ waarmee de informatieplichten uit de Richtlijn CR moeten worden beoordeeld. 5.3.2 In het arrest Walbusch Walter Busch overwoog het HvJEU in verband met art. 8 leden 1 en 4 Richtlijn CR (art. 6:230v leden 1 en 5 BW) en het herroepingsrecht van art. 6 lid 1 onder c Richtlijn CR (art. 6:230m lid 1 onder h BW): “36 De vóór sluiting van een overeenkomst verstrekte informatie met betrekking tot de contractvoorwaarden en de gevolgen van de sluiting van de overeenkomst is voor de consument van wezenlijk belang (arrest van 13 september 2018, Wind Tre en Vodafone Italia, C‑54/17 en C‑55/17, EU:C:2018:710, punt 46). De consument beslist immers op basis van deze informatie of hij met een handelaar een overeenkomst wil aangaan. (…) 41 Dienaangaande zij vastgesteld dat de oplossing waarvoor is gekozen in artikel 8, leden 1 en 4, van richtlijn 2011/83, zoals omschreven in de punten 37 tot en met 40 van dit arrest, beoogt een juist evenwicht te waarborgen tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, zoals wordt verklaard in overweging 4 van deze richtlijn. 42 De in artikel 8, leden 1 en 4, van richtlijn 2011/83 opgelegde informatieplicht stelt de consument immers in staat om in aangepaste vorm, vóór het sluiten van de overeenkomst op afstand, de noodzakelijke informatie te ontvangen op basis waarvan hij kan beslissen de overeenkomst al dan niet te sluiten, zodat aldus wordt voldaan aan de in overweging 3 van deze richtlijn gememoreerde rechtmatige doelstelling van algemeen belang van consumentenbescherming overeenkomstig artikel 169 VWEU, zonder dat evenwel wordt afgedaan aan de wezenlijke inhoud van de vrijheid van meningsuiting en informatie alsmede de vrijheid van ondernemerschap voor de ondernemer, zoals vastgesteld in de artikelen 11 en 16 van het Handvest. (…) 46 Gelet op het belang van het herroepingsrecht voor de bescherming van de consument is de precontractuele informatie betreffende dat recht voor deze consument van wezenlijk belang, en deze informatie stelt hem in staat om met kennis van zaken te beslissen of hij al dan niet de overeenkomst op afstand met de handelaar wil aangaan. Teneinde deze informatie ten volle te kunnen benutten, moet de consument vooraf op de hoogte zijn van de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor uitoefening van het herroepingsrecht. Ingeval de overeenkomst wordt gesloten met behulp van een middel voor communicatie op afstand dat beperkte ruimte of tijd biedt voor het tonen van de informatie, is de handelaar niet verplicht op het tijdstip waarop hij dat middel gebruikt, de consument het modelformulier voor herroeping van bijlage I, deel B, bij deze richtlijn mee te delen. Het feit dat de consument met behulp van dat middel, vóór het sluiten van de overeenkomst, over dat modelformulier beschikt, kan immers niet van invloed zijn op zijn beslissing om al dan niet een overeenkomst op afstand te sluiten, en bovendien zou de verplichting om in elk geval dat modelformulier aan de consument mee te delen voor de handelaar een onevenredige last kunnen betekenen, en in bepaalde gevallen, zoals wanneer een overeenkomst telefonisch wordt gesloten, zelfs een ondraaglijke last. In deze context volstaat het dat modelformulier via een andere bron, in een duidelijke en begrijpelijke taal, mee te delen.” 5.3.3 In het arrest Amazon EU overwoog het HvJEU in verband met de adresgegevens van de handelaar (art. 6 lid 1 onder c Richtlijn CR, omgezet in art. 6:230m lid 1 onder c BW): “41 (…) dat het voor de bescherming en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de consument en met name van het herroepingsrecht (…) van fundamenteel belang is dat de consument snel contact kan opnemen met de handelaar en efficiënt met hem kan communiceren, zoals aangegeven in artikel 6, lid 1, onder c), van richtlijn 2011/83. (…) 43 In deze context beoogt artikel 6, lid 1, van richtlijn 2011/83 ervoor te zorgen dat aan de consument, voordat een overeenkomst wordt gesloten, informatie wordt verstrekt over de contractvoorwaarden en de gevolgen van de sluiting van de overeenkomst, zodat hij kan beslissen of hij met een handelaar een overeenkomst wil aangaan (zie in die zin arrest van 23 januari 2019, Walbusch Walter Busch, C-430/17, EU:C:2019:47, punt 36), alsook informatie die vereist is voor de goede uitvoering van deze overeenkomst en vooral voor de uitoefening van zijn rechten, waaronder met name zijn herroepingsrecht (zie naar analogie arrest van 5 juli 2012, Content Services, C-49/11, EU:C:2012:419, punt 34). 44 Hoewel de mogelijkheid voor de consument om snel contact op te nemen met de handelaar en efficiënt met hem te communiceren, zoals aangegeven in artikel 6, lid 1, onder c), van richtlijn 2011/83, van fundamenteel belang is voor de bescherming van zijn rechten, hetgeen in punt 41 van dit arrest in herinnering is gebracht, moet bij de uitlegging van deze bepaling echter ook een juist evenwicht worden gewaarborgd tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, zoals uiteengezet in overweging 4 van deze richtlijn, en moet daarbij de vrijheid van ondernemerschap voor de ondernemer als neergelegd in artikel 16 van het Handvest worden gewaarborgd (zie naar analogie arrest van 23 januari 2019, Walbusch Walter Busch, C-430/17, EU:C:2019:47, punten 41 en 42). 51 Gelet op een en ander dient de uitdrukking ‘gegebenenfalls’ (‘indien beschikbaar’) in artikel 6, lid 1, onder c), van richtlijn 2011/83 aldus te worden uitgelegd dat zij ziet op gevallen waarbij de handelaar een telefoon- of faxnummer heeft en dit niet uitsluitend voor andere doeleinden gebruikt dan voor contact met de consument. Indien dit niet het geval is, verplicht deze bepaling hem niet om de consument van dit telefoonnummer op de hoogte te stellen, of om een telefoon- of faxaansluiting of een nieuw e-mailadres te activeren om de consument in staat te stellen contact met hem op te nemen. 52 Voorts moet worden opgemerkt dat deze bepaling zich niet ertegen verzet dat de handelaar andere communicatiemiddelen dan telefoon, fax of e-mail ter beschikking stelt om te voldoen aan de criteria van rechtstreekse en efficiënte communicatie, zoals met name een elektronisch contactformulier waarmee de consument via een website contact kan opnemen met de handelaar en een schriftelijk antwoord krijgt of snel kan worden teruggebeld. Meer bepaald verzet deze bepaling zich niet ertegen dat een handelaar die goederen of diensten online aanbiedt en die een telefoonnummer heeft dat binnen enkele muisklikken kan worden gevonden, de consument ertoe beweegt om gebruik te maken van andere communicatiemiddelen die niet in deze bepaling worden genoemd, zoals een chatbox of een terugbelsysteem, zodat de consument snel contact met hem kan opnemen en efficiënt met hem kan communiceren, op voorwaarde evenwel dat de informatie die de handelaar krachtens artikel 6, lid 1, onder c), van richtlijn 2011/83 moet verstrekken, waaronder met name dat telefoonnummer, op duidelijke en begrijpelijke wijze ter beschikking wordt gesteld, hetgeen door de verwijzende rechter dient te worden nagegaan. Het feit dat het telefoonnummer pas na een aantal muisklikken beschikbaar is, betekent als zodanig niet dat het niet op duidelijke en begrijpelijke wijze is verstrekt in een situatie zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding en die betrekking heeft op een handelaar die uitsluitend via een website verschillende producten te koop aanbiedt.” 5.3.4 Deze arresten bevestigen dat met het oog op de bescherming van de consument de aandacht onder meer dient uit te gaan naar informatieplichten die relevant zijn voor diens beslissing om al dan niet een overeenkomst op afstand te sluiten (Walbusch Walter Busch punt 36, Amazon EU punt 43). Zij steunen voorts de gedachte dat niet elke informatieplicht (in alle opzichten) essentieel is voor de wilsvorming van de consument (Walbusch Walter Busch punt 42, Amazon EU punt 52). Zij laten verder zien dat de handhaving van de Richtlijn CR mede in het teken staat van het evenwicht tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven (Walbusch Walter Busch punt 42, Amazon EU punt 44). 5.4.1 De Moderniseringsrichtlijn (ook wel Omnibusrichtlijn), die strekt tot aanpassing van een aantal consumentenrichtlijnen, kan gevolgen hebben voor de sanctionering van consumentenrichtlijnen. Deze richtlijn dient uiterlijk op 28 november 2021 te zijn omgezet in het Nederlandse recht en de bepalingen dienen vanaf 28 mei 2022 toegepast te worden. 5.4.2 In de eerste plaats bevat de Moderniseringsrichtlijn een meer uitgewerkte versie van de sanctiebepalingen van art. 24 Richtlijn CR: “1. De lidstaten stellen de voorschriften vast ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van nationale bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze richtlijn en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat voor het opleggen van sancties waar passend rekening wordt gehouden met de volgende niet-limitatieve en indicatieve criteria:
  34. a)de aard, de ernst, de omvang en de duur van de inbreuk;
  35. b)door de handelaar genomen maatregelen om de door de consumenten geleden schade te beperken of te verhelpen;
  36. c)eerdere inbreuken van de handelaar;
  37. d)de door de handelaar als gevolg van de inbreuk behaalde financiële voordelen of vermeden verliezen, als daarover relevante informatie beschikbaar is;
  38. e)sancties die in grensoverschrijdende zaken in andere lidstaten aan de handelaar zijn opgelegd voor dezelfde inbreuk, wanneer informatie over dergelijke sancties beschikbaar is via het bij Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad (*8) opgericht mechanisme;
  39. f)andere verzwarende of verzachtende factoren die van toepassing zijn op de omstandigheden van de zaak. 3. De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer er overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) 2017/2394 sancties moeten worden opgelegd, deze de mogelijkheid omvatten om geldboeten op te leggen door middel van administratieve procedures en/of om juridische procedures te starten voor het opleggen van geldboeten, waarbij het maximumbedrag van zulke geldboeten ten minste 4 % van de jaaromzet van de handelaar in de betrokken lidstaat of lidstaten bedraagt. 4. In situaties waarin overeenkomstig lid 3 een geldboete moet worden opgelegd, maar er geen informatie beschikbaar is over de jaaromzet van de handelaar, introduceert de lidstaat de mogelijkheid om geldboeten op te leggen waarvan het maximumbedrag ten minste 2 miljoen EUR bedraagt. (…)” De nieuwe versie van art. 24 Richtlijn CR werkt het evenredigheidsvereiste uit (lid 2). Zij beoogt een consistentere sanctietoepassing te bevorderen (considerans onder 7). Hoewel de Moderniseringsrichtlijn veel aandacht heeft voor de mogelijkheid om geldboeten op te leggen (zie leden 3 en 4 en de considerans onder 5 en 8), is het tweede lid ook relevant voor de toepassing van civielrechtelijke sancties. 5.4.3 In de tweede plaats bevat de Moderniseringsrichtlijn een aanvulling van de Richtlijn OHP op het punt van de sanctionering door invoeging van een art. 11bis in de Richtlijn OHP: “1. Consumenten die door oneerlijke handelspraktijken schade hebben geleden, krijgen toegang tot evenredige en doeltreffende remedies, waaronder vergoeding voor de door hen geleden schade en, indien relevant, een prijsvermindering of de beëindiging van de overeenkomst. De lidstaten mogen de toepassingsvoorwaarden en de rechtsgevolgen van deze remedies bepalen. De lidstaten kunnen in voorkomend geval rekening houden met de ernst en aard van de oneerlijke handelspraktijk, de door de consument geleden schade en andere relevante omstandigheden. 2. Deze remedies doen geen afbreuk aan de toepassing van andere remedies die consumenten op grond van het Unierecht of nationale recht ter beschikking staan.” De considerans sub 16 vermeldt hierover: “De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er remedies beschikbaar zijn voor consumenten die door oneerlijke handelspraktijken schade hebben geleden, om alle gevolgen van die oneerlijke handelspraktijken teniet te doen. Een duidelijk kader voor individuele remedies zou particuliere handhaving gemakkelijker maken. De consument moet toegang hebben tot schadevergoeding en, in voorkomend geval, prijsvermindering of beëindiging van de overeenkomst, op een manier die evenredig en doeltreffend is. Het moet voor de lidstaten mogelijk blijven om rechten op andere remedies voor consumenten die schade hebben geleden door oneerlijke handelspraktijken, zoals reparatie of vervanging, te handhaven of in te voeren, zodat de gevolgen van dergelijke praktijken volledig kunnen worden weggenomen. Het moet voor de lidstaten mogelijk blijven de voorwaarden te bepalen voor de toepassing en rechtsgevolgen van remedies voor consumenten. In voorkomend geval kan bij het toepassen van remedies rekening worden gehouden met de ernst en aard van de oneerlijke handelspraktijk, de door de consument geleden schade en andere relevante omstandigheden, zoals wangedrag van de handelaar of schending van de overeenkomst.” Met art. 11bis Richtlijn OHP wordt een Unierechtelijke grondslag gegeven aan onder meer de vernietigbaarheid op grond van art. 6:193j lid 3 BW, die hierna nog aan de orde zal komen. 5.4.4 Overigens vermeldt ook de Moderniseringsrichtlijn (in de considerans onder 57) dat zij geen afbreuk mag doen aan overeenkomstrechtelijke aspecten die niet door deze richtlijn worden geregeld en dat zij derhalve geen afbreuk doet aan het nationale overeenkomstenrecht inzake bijvoorbeeld het sluiten of de geldigheid van een overeenkomst, zoals in het geval van het ontbreken van overeenstemming of onbevoegde commerciële activiteit. 5.5 Het Nederlandse recht voorziet in de mogelijkheid van publiekrechtelijke handhaving van de regels van de Richtlijn CR door ACM of AFM op grond van de Wet handhaving consumentenbescherming en in de mogelijkheid van privaatrechtelijke handhaving in collectieve acties op de voet van art. 3:305a BW of in individuele geschillen, hetzij voor de rechter hetzij bij een buitengerechtelijke instantie zoals een geschillencommissie. 5.6 Het civielrechtelijke sanctiearsenaal kan onderverdeeld worden in enerzijds de door de Richtlijn CR benoemde en in het BW overgenomen specifieke remedies, en anderzijds de verschillende algemene remedies die het BW kent. Over de algemene remedies is bij de omzetting van de Richtlijn CR in de parlementaire stukken opgemerkt: “Naast deze specifieke remedies, kan de consument ook een beroep doen op de algemene bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Zo zijn de informatieverplichtingen te beschouwen als verbintenissen die uit de wet voortvloeien. Artikel 3:296 BW biedt de consument de mogelijkheid om nakoming van de informatieverplichtingen te vorderen. Voorts kan de consument op grond van artikel 6:74 BW een schadevergoedingsactie wegens het niet-nakomen van een verbintenis instellen jegens de handelaar, nadat de consument hem in gebreke heeft gesteld of de handelaar van rechtswege in verzuim is geraakt (artikelen 6:81–6:87 BW). Uit artikelen 6:230r BW en 6:230s BW vloeien eveneens verbintenissen uit de wet voort, namelijk specifieke ongedaanmakingsverbintenissen als gevolg van het ontbinden van de overeenkomst. Ook deze verbintenissen lenen zich voor de hiervoor omschreven rechtsmiddelen. Het niet-verstrekken van informatie kan onder omstandigheden ook grond opleveren voor een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 6:193a BW – met de bijbehorende rechtsgevolgen – of grond voor vernietiging van de overeenkomst vanwege een wilsgebrek, zoals dwaling (artikel 6:228 BW). Tot slot is denkbaar dat een overeenkomst in strijd met het in deze afdeling bepaalde is gesloten. De overeenkomst, of het daarin opgenomen beding, is dan nietig of vernietigbaar op grond van artikel 3:40 lid 2 jo. 3:41 BW. In het algemeen kan worden gezegd dat de bepalingen van de nieuwe afdeling 2B strekken tot bescherming van de consument, zodat de vernietigbaarheid de meest passende sanctie is.” Naast de in het citaat genoemde remedies, kan verder nog worden gedacht aan opschorting, ontbinding, toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en vernietiging op de voet van art. 6:193j lid 3 BW. 5.7 Met het oog op de prejudiciële vragen is in het bijzonder relevant welke van deze remedies zich lenen voor toepassing door de rechter in een verstekzaak waarin een keuze van de consument voor een bepaalde remedie ontbreekt. Hier speelt in de eerste plaats een praktisch aspect: beschikt de rechter over de informatie die nodig is om vast te stellen dat aan de voorwaarden voor toepassing van een bepaalde remedie is voldaan? Ik stip dit aspect hierna steeds aan bij de inventarisatie van de verschillende remedies. Een hiervan te onderscheiden vraag is of de rechter in een verstekzaak bevoegd of verplicht is tot ambtshalve toepassing van een bepaalde remedie op grond van het Unierecht dan wel het Nederlandse recht. Dit komt aan de orde in onderdelen 6 en 7 van deze conclusie. Specifieke remedies 5.8 De specifieke remedies betreffen, kort gezegd,

(1)de verschuldigdheid van bepaalde kosten, onder meer na uitoefening van het ontbindingsrecht,
(2)de aansprakelijkheid voor waardevermindering van geleverde zaken bij uitoefening van het ontbindingsrecht,
(3)de duur van de bedenktermijn waarbinnen de consument de overeenkomst kan ontbinden en
(4)de vernietigingsgrond van art. 6:230v lid 3 BW. Ik bespreek in dit verband ook
(5)het vormvereiste van art. 6:230v lid 6, tweede zin, BW en of er nog andere vormvereisten gelden. 5.9
(1)Geen (bijkomende) kosten of vergoedingen verschuldigd. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding daarvan (art. 6:217 lid 1 BW). Als uitgangspunt geldt, dat de precontractuele informatieplichten van art. 6:230m lid 1 BW niet zien op de totstandkoming van en binding aan de overeenkomst en daarmee op de verschuldigdheid van de prijs. Dit volgt uit het uitgangspunt dat de Richtlijn CR de nationale regels over het ontstaan van overeenkomsten onverlet laat (zie hiervoor in 5.2.1). In een aantal gevallen bepaalt de wet echter in navolging van de Richtlijn CR dat geen (bijkomende) kosten of vergoedingen verschuldigd zijn indien bepaalde informatie niet is verstrekt. Het gaat om drie groepen gevallen. 5.10.1 Ten eerste: indien de door art. 6:230m lid 1 onderdeel e (totale prijs) of onderdeel i (kosten bij terugzending) voorgeschreven informatie niet is verstrekt, zijn de niet opgegeven bijkomende kosten niet verschuldigd (art. 6:230n lid 3 BW). Voorts is volgens art. 6:230j BW de consument zonder zijn uitdrukkelijke instemming niet gebonden aan een verbintenis tot een aanvullende betaling van een geldsom ter verkrijging van een prestatie die niet de kern van de prestatie is. 5.10.2 In deze gevallen volgt uit de wet dat de handelaar geen recht heeft op betaling van bepaalde bedragen indien niet aan bepaalde eisen is voldaan. Indien deze bedragen zijn betaald, hoewel niet aan deze eisen is voldaan, dan was de betaling ervan onverschuldigd (art. 6:203 BW). Het voldoen aan deze vereisten is dus een voorwaarde voor de verschuldigdheid van de desbetreffende bedragen. De handelaar die betaling van de desbetreffende bedragen vordert, dient daarom voldoende onderbouwd te stellen dat aan deze vereisten is voldaan. De rechter dient ambtshalve na te gaan of de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten het gevorderde kunnen dragen. De rechter kan zo nodig de eiser bevelen een stelling op een bepaald punt toe te lichten dan wel daarop betrekking hebbende bescheiden over te leggen (art. 22 Rv). Indien de handelaar (naast betaling van de prijs ook) betaling van bijkomende (leverings)kosten en eventuele betalingen voor aanvullende prestaties vordert, kan de rechter (in een verstekzaak) in beginsel aan de hand van het procesdossier nagaan of de in art. 6:230n lid 3 BW bedoelde informatie over deze bijkomende kosten is verstrekt en of de in 6:230j BW bedoelde uitdrukkelijke toestemming voor de extra betalingen aanwezig is. 5.11.1 Ten tweede: indien de consument tijdens de bedenktermijn gebruik heeft gemaakt van zijn in art. 6:230o BW bedoelde ontbindingsrecht: (
  1. i)draagt de consument de rechtstreekse kosten van het terugzenden van de zaak, tenzij de handelaar heeft nagelaten de consument mee te delen dat hij deze kosten moet dragen (art. 6:230s lid 2 BW); (
  2. ii)draagt de consument geen kosten voor reeds geleverde diensten of leveringen van gas, water, elektriciteit of stadsverwarming, indien de door art. 6:230m lid 1 onderdeel h of onderdeel j (vergoeding redelijke kosten na uitoefening ontbindingsrecht) voorgeschreven informatie niet is verstrekt (art. 6:230s lid 5 onder a sub 1° BW); (iii) draagt de consument bij gebreke van een uitdrukkelijk verzoek van de consument om met de uitvoering van de dienst of nutsleveringen tijdens de bedenktermijn te beginnen, geen kosten voor leveringen tijdens bedenktermijn (art. 6:230s lid 5 sub a onder 2° BW), zowel in het geval van een overeenkomst buiten de verkoopruimte (art. 6:230t lid 3 BW) als in het geval van een overeenkomst op afstand (art. 6:230v lid 8 BW); (
  3. iv)draagt de consument geen kosten voor reeds geleverde digitale inhoud die niet op een materiële drager is geleverd, indien de handelaar heeft verzuimd om de consument overeenkomstig artikel 6:230t lid 2 respectievelijk artikel 6:230v lid 7 BW een afschrift van de bevestiging te verstrekken (art. 6:230s lid 5 onder b sub 3° BW); en (
  4. v)draagt de consument geen andere kosten in verband met de ontbinding, onverminderd hetgeen is bepaald in lid 3, alsmede in artikel 6:230r lid 3 BW (art. 6:230s lid 6 BW). 5.11.2 Indien de handelaar stelt dat de consument het ontbindingsrecht heeft uitgeoefend, heeft hij uiteraard geen recht op betaling van de prijs (vgl. art. 6:230r en 6:230s BW), maar kan hij onder omstandigheden wel bepaalde kosten of vergoedingen vorderen. In een dergelijk geval kan de rechter (in een verstekzaak) in beginsel aan de hand van het procesdossier nagaan of de in art. 6:230n lid 3 BW bedoelde informatie over de kosten van terugzending is verstrekt, of de in art. 6:230s lid 2 BW bedoelde mededeling over de kosten van het terugzenden van de zaak is gedaan, of de in art. 6:230s lid 5 onder a sub 1° BW bedoelde informatie is verstrekt, of het in art. 6:230s lid 5 sub a onder 2° BW bedoelde verzoek door de consument is gedaan, of de in art. 6:230s lid 5 onder b sub 3° BW bedoelde bevestiging is verstrekt, dan wel of andere dan de in art. 6:230s lid 6 BW bedoelde kosten worden gevorderd. Deze remedies kunnen dus in beginsel in een verstekzaak worden toegepast. 5.12.1 Ten derde: volgens art. 6:230k BW bedraagt de vergoeding die de handelaar aan de consument vraagt voor het gebruik van een bepaald betaalmiddel ten hoogste de kosten van het gebruik daarvan voor de handelaar (lid 1) en bedraagt de vergoeding die de handelaar bij de consument in rekening brengt voor telefonisch contact over de tussen hem en de consument gesloten overeenkomst ten hoogste het basistarief (lid 2). 5.12.2 De kosten voor het gebruik van een betaalmiddel en voor communicatie zullen vermoedelijk niet tot de gebruikelijke vorderingen behoren. Is dat wel het geval, dan kan de rechter verlangen dat de handelaar inzicht geeft in het tarief, zodat kan worden getoetst of is voldaan aan art. 6:230k BW. 5.13
(2)Niet aansprakelijk voor waardevermindering. Indien de door art. 6:230m lid 1 onderdeel h BW voorgeschreven informatie niet is verstrekt, is de consument die gebruik heeft gemaakt van zijn ontbindingsrecht niet aansprakelijk voor waardevermindering van de zaak (art. 6:230s lid 3, tweede zin, BW). Indien de handelaar vergoeding van de waardevermindering vordert, kan de rechter (in een verstekzaak) aan de hand van het dossier toetsen of de vereiste informatie over het ontbindingsrecht is verstrekt en, indien dat niet het geval is, de vordering in zoverre afwijzen. Zie voorts hetgeen in 5.10.2 is opgemerkt. 5.14.1
(3)Verlenging bedenktermijn. Indien bij een overeenkomst op afstand de door art. 6:230m lid 1 onderdeel h (ontbindingsrecht binnen de bedenktermijn) voorgeschreven informatie niet is verstrekt, wordt de bedenktermijn van 14 dagen verlengd totdat de informatie wel is verstrekt, maar maximaal tot 12 maanden na het in art. 6:230o lid 1 BW bedoelde tijdstip (art. 6:230o lid 2 BW). De rechter kan in beginsel in een verstekzaak aan de hand van het dossier toetsen gedurende welke periode de (verlengde) bedenktermijn loopt en of deze is verstreken op het moment dat de vordering wordt ingesteld. De vraag is vervolgens wel, wat de rechter kan doen met die informatie. 5.14.2 Ik stel voorop dat de rechter met de constatering dat de vereiste informatie over het ontbindingsrecht niet is verstrekt, naar mijn mening kan overgaan tot ambtshalve vernietiging van de overeenkomst. Daaraan staat de wettelijke verlenging van de ontbindingstermijn m.i. niet in de weg (zie onderdeel 7 van deze conclusie). Voor zover de rechter niet overgaat tot ambtshalve vernietiging, geldt het volgende. 5.14.3 Indien ten tijde van de beoordeling door de rechter de bedenktermijn is verlopen en de eiser zich (eventueel impliciet, door betaling van de prijs te vorderen) op het standpunt stelt dat de consument het ontbindingsrecht niet heeft uitgeoefend, dan dient de rechter m.i. in beginsel van de juistheid van die stelling uit te gaan. De handelaar die betaling van de prijs vordert, behoeft naar mijn mening niet te stellen (en dus ook niet te bewijzen) dat de consument zijn ontbindingsrecht niet heeft uitgeoefend. Op de consument rust immers de bewijslast voor de juiste en tijdige uitoefening van het ontbindingsrecht binnen de bedenktermijn (art. 6:230o lid 5 BW). Zolang de overeenkomst niet is ontbonden, bindt zij partijen. Bevat het dossier echter aanknopingspunten waaraan de rechter het vermoeden ontleent dat de consument wel gebruik heeft gemaakt van het ontbindingsrecht (bijvoorbeeld omdat daaruit blijkt dat de consument op enigerlei wijze heeft aangeven van de overeenkomst af te willen) en kan de rechter vaststellen dat dit is gebeurd binnen de bedenktermijn, dan kan de rechter daaraan een vermoeden ontlenen dat de vordering ongegrond is (art. 139 Rv). In dat geval ligt het m.i. wel op de weg van de eiser om aan te tonen waarom zijn vordering toch voor toewijzing in aanmerking komt. 5.14.4 Indien ten tijde van de beoordeling door de rechter de bedenktermijn nog niet is verlopen, kan de rechter de beoordeling van de vordering aanhouden dan wel op de voet van art. 139 Rv als ongegrond afwijzen indien de rechter van oordeel is dat voldoende aannemelijk is dat het onbetaald laten van de prijs zijn grond vindt in de mogelijkheid dat de consument het ontbindingsrecht zal uitoefenen. Of voldoende aannemelijk is dat de consument het ontbindingsrecht zal gaan uitoefenen, vergt een feitelijke beoordeling van de omstandigheden van het geval. Denkbaar is dat de rechter daarbij betekenis toekent aan omstandigheden als bijvoorbeeld de duidelijkheid waarmee de consument op het bestaan van het ontbindingsrecht is gewezen en de reactie van de consument, of het uitblijven van een dergelijke reactie, op sommaties van de handelaar. Ik kan mij overigens voorstellen dat de rechter in veel gevallen niet over informatie zal beschikken die hem in staat stelt om een dergelijke toets uit te voeren. 5.15
(4)Vernietiging op grond van art. 6:230v lid 3 BW (bestaan betalingsverplichting). Zoals eerder vermeld, dient bij een overeenkomst op afstand een elektronisch bestelproces op niet mis te verstane wijze duidelijk te maken dat de consument een betalingsverplichting heeft, zoals nader omschreven in art. 6:230v lid 3 BW, bij gebreke waarvan de overeenkomst volgens deze bepaling vernietigbaar is. De rechter kan, zo nodig na het opvragen van informatie van de eiser, in een verstekzaak vaststellen of met de vereiste duidelijkheid is vermeld dat er een betalingsverplichting is en, indien dan niet het geval is, de overeenkomst vernietigen. 5.16.1
(5)Vernietiging op grond van art. 3:39 BW (vormvoorschriften). Volgens art. 3:39 BW zijn rechtshandelingen die niet in de voorgeschreven vorm zijn verricht nietig, tenzij uit de wet anders voortvloeit. Dit laatste kan inhouden dat de rechtshandeling slechts vernietigbaar is, bijvoorbeeld omdat het vormvoorschrift ertoe strekt slechts één partij te beschermen, of geldig is. Tevens is denkbaar dat het gaat om een vernietigbaarheid die de rechter ambtshalve kan toepassen. Onder ‘vorm’ in de zin van deze bepaling is volgens Sieburgh, gelet op art. 3:33 BW en art. 3:37 lid 1 BW, te verstaan de wijze waarop de wil tot het verrichten van een rechtshandeling wordt geuit, indien dit op andere wijze geschiedt dan door een verklaring die hetzij mondeling (en niet door het uitspreken van een bepaalde formule) wordt afgelegd hetzij in een gedraging (daaronder begrepen een stilzitten) besloten ligt. 5.16.2 Gezien deze omschrijving van een vormvoorschrift, kunnen de informatieplichten van art. 6:230m BW als zodanig niet beschouwd worden als vormvereisten in de zin van art. 3:39 BW. Dit geldt dus ook voor het geval dat wel een overeenkomst is tot stand gekomen, maar partijen daarbij geen prijs hebben afgesproken. In dat geval geldt een redelijke prijs (vgl. art. 7:4 en 7:405 lid 2 BW). Los hiervan moet worden beoordeeld wat het gevolg is van de omstandigheid dat niet is voldaan aan het vereiste dat vooraf de prijs of wijze van berekening van de prijs wordt medegedeeld (art. 6:230m lid 1 onder e BW). Voorts valt een voorschrift dat een inhoudelijke eis stelt aan communicatie, te weten dat deze duidelijk en begrijpelijk dient te zijn, niet onder het toepassingsbereik van art. 3:39 BW. In de rechtspraak van het HvJEU over de Richtlijn oneerlijke bedingen wordt het voorschrift dat bedingen duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld (vgl. art. 6:238 lid 2 BW) ook niet gezien als een vormvereiste, maar als een informatieplicht. 5.16.3 De verwijzende rechter gaat er m.i. terecht vanuit dat art. 6:230v lid 6, tweede zin, BW een door art. 3:39 BW met nietigheid bedreigd vormvoorschrift betreft. Volgens deze bepaling wordt een overeenkomst op afstand tot het geregeld verrichten van diensten of tot het geregeld leveren van gas, elektriciteit, water of van stadsverwarming, die het gevolg is van een telefoongesprek tussen handelaar en consument, schriftelijk aangegaan. Hiermee heeft Nederland voor deze gevallen gebruik gemaakt van de door art. 8 lid 6 Richtlijn CR geboden mogelijkheid om te bepalen dat de consument alleen gebonden is nadat hij het aanbod heeft getekend of zijn schriftelijke instemming heeft gestuurd. Hieruit volgt dat de consument pas gebonden is indien zijn instemming met de overeenkomst schriftelijk is gegeven. Schending van het vormvoorschrift wordt bedreigd met nietigheid. De rechter kan aan de hand van het dossier, zo nodig na het opvragen van nadere informatie, beoordelen of is voldaan aan dit vormvoorschrift. 5.16.4 Art. 6:230v BW bevat naar mijn mening voor het overige geen vormvoorschriften in de zin van art. 3:39 BW. Dat de door art. 6:230 lid 1 BW vereiste informatie moet worden bevestigd op een duurzame drager (art. 6:230v lid 7 onder a BW) is naar mijn mening niet een dergelijk voorschrift, omdat deze bepaling uitgaat van het bestaan van een overeenkomst en de vorm (duurzame drager) hier dus niet de wijze waarop de wil tot het verrichten van een rechtshandeling wordt geuit, betreft. Hieraan doet niet af dat de Richtlijn CR haar art. 8, waarvan art. 6:230v BW de omzetting is, betitelt als “Formele vereisten voor overeenkomsten op afstand”. Artikel 8 CR bevat bepalingen van verschillende aard. Bovendien is het uitgangspunt van de Richtlijn CR dat zij de geldigheid van overeenkomsten ongemoeid (want aan het nationale recht) overlaat. 5.16.5 Loos en Pavillon achten verdedigbaar dat art. 3:39 BW ook ziet op twee bepalingen bij overeenkomsten die buiten de verkoopruimte zijn gesloten. Dit betreft de omzetting van art. 7 Richtlijn CR (“Formele vereisten voor buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten”) in art. 6:230t BW. Het gaat in de eerste plaats om het voorschrift van art. 6:230t lid 2 BW, kort gezegd, dat de handelaar op papier of een andere duurzame gegevensdrager een afschrift van de ondertekende overeenkomst of de bevestiging van de overeenkomst verstrekt. Ik laat dit punt in het midden nu de gestelde vragen niet noodzaken tot een behandeling ervan. In de tweede plaats gaat het om het voorschrift van art. 6:230t lid 3 BW dat nakoming van een overeenkomst tot het verrichten van diensten of voor de levering van water, gas of elektriciteit, die niet voor verkoop gereed zijn gemaakt in een beperkt volume of in een bepaalde hoeveelheid, of van stadsverwarming, tijdens de ontbindingstermijn slechts geschiedt op uitdrukkelijk verzoek van de consument, door middel van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring op een duurzame gegevensdrager. Ik laat in het midden of dit een voorschrift in de zin van art. 3:39 BW is, nu uit de wet reeds volgt dat de consument bij gebreke van een schriftelijke verklaring geen kosten verschuldigd is voor nutsleveringen tijdens de bedenktermijn (art. 6:230s lid 5 sub a onder 1° BW). 5.17 Ten aanzien van de besproken specifieke remedies lijkt het erop dat de rechter in verstekzaken in beginsel in staat zou moeten zijn om, aan de hand van het dossier of door het opvragen van nadere gegevens, uitvoering te geven aan een eventuele verplichting tot ambtshalve toetsing ervan. In onderdeel 7 kom ik tot de conclusie dat de rechter verplicht is de besproken specifieke remedies ambtshalve te toetsen. 5.18 Ik bezie hierna de algemene remedies die eerder (in 5.6) zijn genoemd. Eerst komen de remedies in de sfeer van nakoming/tekortkoming aan bod, daarna die in de sfeer van vernietiging en als laatste de toepassing van de redelijkheid en billijkheid. Algemene remedies in de sfeer van nakoming/tekortkoming 5.19
(6)Nakoming. Een vordering tot nakoming van de betreffende informatieverplichting (art. 3:296 BW) lijkt als sanctie in vele gevallen minder geschikt. Het belang van de consument bij een nakomingsactie is doorgaans (te) klein om een civiele procedure te starten. Als het gaat om informatieplichten die de wilsvorming betreffen – in zekere zin de meeste zwaarwegende informatieplichten − kan nakoming niet meer bijdragen aan de wilsvorming als de overeenkomt al is gesloten. Bovendien kan de rechter in een verstekzaak niet met een nakomingsvordering van de consument uit de voeten, omdat de consument niet is verschenen en dus niet (in reconventie) nakoming vordert. Van een ambtshalve veroordeling tot nakoming zijn mij geen voorbeelden bekend. 5.20.1
(7)Opschorting. De mogelijkheid van een vordering tot nakoming kan nog wel in een ander opzicht betekenis hebben. De informatieplichten worden beschouwd als uit de wet voortvloeiende verbintenissen. De wet specificeert wanneer deze verbintenissen moeten worden nagekomen: vóór het sluiten van de overeenkomst (zie bijvoorbeeld art. 6:230m en art. 6:230v lid 2 BW) en voorts uiterlijk voordat de handelaar begint met zijn nakoming van de overeenkomst (art. 6:230v lid 7, aanhef en onder a, BW), zodat hieruit de opeisbaarheid van deze verbintenissen volgt. Zolang de handelaar zijn informatieplichten niet of niet volledig is nagekomen, is de consument bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen (art. 6:52 lid 1 BW). Een zodanige samenhang kan onder meer worden aangenomen indien de verbintenissen voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding (art.6:52 lid 2 BW). Dit laatste kan m.i. worden aangenomen in het licht van de regel dat indien de informatie wel is verstrekt, de inhoud ervan deel uitmaakt van de overeenkomst (art. 6:230n lid 2 BW). 5.20.2 In zijn algemeenheid kan niet de eis gesteld worden dat een partij die de nakoming van haar verbintenis opschort vanwege een niet-nakoming van haar wederpartij, haar wederpartij kenbaar maakt dat zij haar prestatie opschort. Het is dus in theorie denkbaar dat de consument betaling van de prijs voor de geleverde zaken of diensten geheel of gedeeltelijk opschort zolang niet aan alle informatieplichten is voldaan. Voor informatieplichten die verband houden met de dossierfunctie heeft dit zin en voor plichten die verband houden met de uitoefening van een recht kan dit zin hebben (met name zolang de verlengde bedenktermijn nog loopt). Bij informatieplichten die zien op de wilsvorming lijkt opschorting mosterd na de maaltijd, al zou hier aan opschorting nog een functie kunnen toekomen voor de consument die op basis van alsnog te verstrekken informatie wil beoordelen of hij al dan niet tot beëindiging van de overeenkomst wil overgaan. Hieruit volgt dat denkbaar is dat de consument betaling van de prijs geheel of gedeeltelijk opschort. Of sprake is van opschorting door de consument dan wel van tekortschieten van zijn kant, dient te worden beoordeeld met in achtneming van de feiten. In een verstekzaak zal de rechter echter normaliter niet over gegevens beschikken waaruit valt af te leiden dat de consument heeft beoogd betaling op te schorten. Het is m.i. niet realistisch om als uitgangspunt te veronderstellen dat een consument die een rekening niet betaalt, zijn betalingsverplichting opschort omdat niet aan de informatieplichten van afd. 6.5.2B BW is voldaan. Het is echter wel denkbaar dat de rechter in een concreet geval aanwijzingen heeft dat de consument ontevreden is over de prestatie van de handelaar en daaruit opmaakt dat de consument een opschortingsbevoegdheid uitoefent. Hieraan kan de rechter een vermoeden ontlenen dat de vordering ongegrond is (art. 139 Rv). 5.21
(8)Ontbinding wegens tekortkoming. Omdat informatieplichten zijn aangemerkt als verbintenissen, kan de niet nakoming ervan een tekortkoming opleveren. Daarmee komt de ontbindingsbevoegdheid van art. 6:265 BW in beeld. Hoewel de opeisbaarheid van de informatieplichten uit de wet voortvloeit, is onduidelijk of voor het ontstaan van een tekortkoming nog een ingebrekestelling is vereist, dan wel dat het verzuim op de voet van art. 6:83 onder a BW van rechtswege intreedt omdat sprake is van een door de wet bepaalde termijn voor nakoming. Voorts dient, indien ter zake verweer door de handelaar wordt gevoerd, te worden beoordeeld of de tekortkoming de ontbinding en haar gevolgen rechtvaardigt. (Gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst komt daarmee in beeld als reactie op het niet nakomen van de wettelijke informatieplichten. Dit zou kunnen leiden tot een (gedeeltelijke) afwijzing van de vordering tot betaling van de prijs. In een verstekzaak zal de rechter echter normaliter niet over gegevens beschikken waaruit valt af te leiden dat de consument heeft beoogd de overeenkomst buitengerechtelijk (gedeeltelijk) te ontbinden. De ontbindingsmogelijkheid van art. 6:265 BW stuit hierop af, behoudens indien de rechter in een concreet geval aanwijzingen heeft dat de consument de overeenkomst reeds heeft ontbonden (vgl. 5.14.2). 5.22
(9)Schadevergoeding (en verrekening). Een vordering tot schadevergoeding wegens schending van een informatieverplichting kan worden gebaseerd op art. 6:74 BW dan wel op art. 6:162 BW in verbinding met art. 6:193d BW voor zover sprake is van een oneerlijke handelspraktijk. Een probleem is dat het moeilijk is om vast te stellen welke schade de consument heeft geleden als gevolg van de schending van een bepaalde informatieplicht. Indien er een schadevordering is, zou de consument deze kunnen verrekenen met de gevorderde prijs. In een verstekzaak ontbreekt normaliter de hiervoor benodigde informatie. 5.23 Ten aanzien van de algemene remedies in de sfeer van nakoming/tekortkoming is de conclusie dat de rechter in verstekzaken, praktisch gesproken, geen handvatten heeft voor ambtshalve toepassing ervan respectievelijk om ambtshalve te constateren dat de vordering moet worden afgewezen omdat de consument een bevoegdheid heeft uitgeoefend die aan toewijzing van de vordering in de weg staat. Algemene remedies in de sfeer van vernietiging 5.24.1
(10)Vernietiging op grond van art. 3:40 BW. Vernietiging van de overeenkomst op grond van art. 3:40 lid 2 BW is mogelijk indien het sluiten van de overeenkomst in strijd komt met een dwingende wetsbepaling die strekt tot bescherming van een van partijen, voor zover niet uit de strekking van de bepaling iets anders volgt. Dit laatste kan meebrengen dat de rechter in bepaalde gevallen de vernietiging ambtshalve mag uitspreken. Het voorgaande geldt niet wanneer de wetsbepaling niet de strekking heeft de geldigheid van de overeenkomst aan te tasten (art. 3:40 lid 3 BW). De rechter kan aan de hand van het dossier, zo nodig na het opvragen van nadere informatie, toetsen aan art. 3:40 BW. 5.24.2 Het probleem met deze vernietigingsgrond is niet zozeer of de rechter deze (in een verstekzaak) ambtshalve kan toepassen, maar welke gevallen daarvoor in aanmerking zouden kunnen komen. Zoals hiervoor bleek (in 5.6), is in de parlementaire geschiedenis uitgegaan van de toepasselijkheid van art. 3:40 lid 2 BW, maar in de literatuur wordt de vraag gesteld of elke informatieplicht wel de strekking heeft om de geldigheid van de overeenkomst aan te tasten. Omdat de Richtlijn CR in beginsel niet op de geldigheid van de overeenkomst ziet, volgt deze strekking niet uit deze richtlijn. Met inachtneming van de door art. 24 lid 1 Richtlijn CR gestelde eis dat sancties doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend dienen te zijn, kan de Nederlandse wetgever echter wel voorzien in vernietigbaarheid. 5.24.3 Schaub lijkt met het oog op de handhaving van het consumentenrecht toepassing van art. 3:40 lid 2 BW ten aanzien van in beginsel elke informatieplicht mogelijk te achten, maar andere auteurs zijn terughoudender. Volgens Loos en Pavillon is een systematische vernietiging wegens schending van informatieplichten problematisch vanuit het oogpunt van het evenredigheidsbeginsel, mede omdat art. 3:40 lid 2 BW niet voorziet in een causaliteitseis. Zij lijken de toepasselijkheid van art. 3:40 lid 2 BW te beperken tot informatieplichten die zien op de wilsvorming en achten een causaliteitstoets wenselijk. Tot een vergelijkbaar resultaat komen ook Tigelaar, die meent dat met name informatieplichten met een dossierfunctie en rechtsuitoefeningsfunctie niet de strekking hebben de geldigheid van de overeenkomst aan te tasten; Neppelenbroek, die zich in beginsel bij Tigelaar aansluit; en Jonkers, die vernietiging alleen gepast acht bij schending van met het oog op de wilsvorming essentiële informatieplichten en daarnaast meent dat uit het gedrag van de consument moet kunnen worden afgeleid dat deze van de overeenkomst af wil. Volgens Hijma dient art. 3:40 lid 3 BW zich aan bij de meer ‘lichte’ onderdelen van de informatieplicht. 5.24.4 Op de vraag of art. 3:40 BW een geschikt instrument is om de informatieplichten van afd. 6.5.2B BW te sanctioneren, kom terug in onderdeel 7. Het antwoord hangt mede af van het oordeel over de geschiktheid van het thans te bespreken art. 6:193j lid 3 BW. 5.25.1
(11)Vernietiging op grond van art. 6:193j lid 3 BW. Volgens art. 6:193j lid 3 BW is een overeenkomst die als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen, vernietigbaar. Art. 6:193j lid 3 BW is door de Nederlandse wetgever ter gelegenheid van de omzetting van de Richtlijn CR op eigen initiatief toegevoegd aan het sanctiearsenaal bij oneerlijke handelspraktijken. De Richtlijn OHP noch de Richtlijn CR schrijft een dergelijke sanctie voor, maar bepalen juist dat zij de geldigheid van overeenkomst niet aantasten. In de parlementaire stukken is de invoering van art. 6:193j lid 3 BW als volgt toegelicht: “Onderdeel C strekt ertoe dat een overeenkomst die als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk wordt gesloten, door de consument kan worden vernietigd. Het niet verstrekken van essentiële informatie wordt op grond van artikelen 193d en 193e aangemerkt als oneerlijke handelspraktijk. Door de voorgestelde wijziging wordt de sanctie op overeenkomsten tussen handelaren en consumenten die onder druk van een oneerlijke handelspraktijk tot stand zijn gekomen, versterkt. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie Recourt (Kamerstukken 2011–12, 32 320, nr. 3). De richtlijn schrijft deze wijziging niet voor. De voorgestelde bepaling sluit aan bij het doel van de richtlijn om te voorzien in juiste en volledige informatie aan de consument, voordat hij een overeenkomst sluit met de handelaar. Daarom is ervoor gekozen om deze bepaling in dit wetsvoorstel op te nemen. De regeling geldt overigens voor alle oneerlijke handelspraktijken die jegens de consument zijn verricht en waardoor er een overeenkomst is gesloten, dus ook wanneer er sprake is van dreiging of intimidatie (artikel 193h). De voorgestelde regeling verandert niet de inhoudelijke criteria van oneerlijke handelspraktijken. De voorgestelde regeling ziet niet op oneerlijke handelspraktijken die jegens consumenten zijn verricht nadat een overeenkomst is gesloten en evenmin wanneer er geen overeenkomst is gesloten. Voor deze situaties blijven andere rechtsmiddelen, zoals een vordering tot schadevergoeding, uiteraard openstaan. De wijze waarop de consument van de overeenkomst «af kan» (door de overeenkomst voor de consument vernietigbaar te maken), sluit aan bij het systeem van het Burgerlijk Wetboek. De consument kan op grond van artikelen 3:50 en 3:51 BW via een buitengerechtelijke verklaring (bijvoorbeeld door een brief te sturen aan de handelaar) respectievelijk een vordering tot vernietiging bij de rechter de rechtshandeling vernietigen. Een gang naar de rechter zal nodig zijn als de handelaar de buitengerechtelijke vernietiging betwist. Een vordering tot vernietiging verjaart drie jaar nadat de bevoegdheid tot vernietiging ten dienste van de consument is komen te staan (artikel 3:52 BW). Bij een succesvolle vernietiging worden de rechtsgevolgen met terugwerkende kracht tot het tijdstip van het verrichten van de rechtshandeling ongedaan gemaakt (artikel 3:53 BW).” 5.25.2 De literatuur lijkt in overwegende mate vernietiging op grond van art. 6:193j lid 3 BW een voor de hand liggende remedie te vinden nu deze bepaling beoogt de individuele consument de mogelijkheid te bieden om een onder invloed van een misleidende omissie – waar de schending van een essentiële informatieplicht vaak op neerkomt – gesloten overeenkomt te vernietigen. In de uitwerking zijn echter enige verschillen te zien. Dit hangt samen met de praktische invulling van de twee eisen die deze bepaling stelt, namelijk dat sprake is van (
  1. i)een oneerlijke handelspraktijk die (
  2. ii)tot een overeenkomst heeft geleid. Het niet verschaffen van essentiële informatie is een misleidende omissie en daarmee een oneerlijke handelspraktijk. Essentiële informatie is, kort gezegd, informatie die de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen (vgl. art. 6:193d lid 2 BW). De beoordeling of het weglaten van deze informatie inderdaad een misleidende omissie oplevert, dient te geschieden met inachtneming van de feitelijke context, de beperkingen van het communicatiemedium alsook de maatregelen die zijn genomen om de informatie langs andere wegen ter beschikking te stellen van de consument (zo volgt uit art. 6:193d lid 4 BW). Zoals eerder vermeld, worden ter uitvoering van het Unierecht door de art. 6:193e en 6:193f BW bepaalde informatieplichten aangemerkt als essentiële informatie. Ook andere dan de in deze bepalingen genoemde informatie kan essentieel zijn. Voor vernietiging op de voet van art. 6:193j lid 3 BW is in de tweede plaats vereist dat de overeenkomst ‘als gevolg’ van het ontbreken van deze informatie tot stand is gekomen. Stelplicht en bewijslast van dit causale verband rusten op de consument. 5.25.3 Loos en Pavillon beschouwen het causaliteitsvereiste, in mijn woorden, als een welkome drempel tegen te snelle en daardoor onevenredige ambtshalve vernietigingen door de rechter. Aan de andere kant zien zij in het causaliteitsvereiste een belemmering voor toetsing door de rechter in verstekzaken. Daarom bepleiten zij met een beroep op het effectiviteitsbeginsel een normatieve omkering van de bewijslast ter zake van het causaal verband bij de omissie van (
  3. i)essentiële informatie die (
  4. ii)noodzakelijk is voor de besluitvorming van de consument. Dit betreft volgens hen de informatie van art. 6:230m lid 1 onder a (voornaamste kenmerken van zaken of diensten), b (identiteit handelaar), e (totale prijs), h (bedenktermijn en ontbindingsrecht), o (duur overeenkomst of opzeggingsvoorwaarden), r (functionaliteit) en s (interoperabiliteit) BW. Deze opsomming strookt met de opsomming van de informatie die volgens art. 6:230v lid 5 BW in ieder geval − in de kern − moet worden gegeven bij een overeenkomst op afstand waarbij gebruik wordt gemaakt van een communicatiemiddel dat beperkingen kent, door Loos en Pavillon aangevuld met de onderdelen r en s. Omdat functionaliteit en interoperabiliteit behoort tot de kenmerken van digitale inhoud, betreffen de onderdelen r en s in feite uitwerkingen van onderdeel a. De overige in art. 6:230m lid 1 BW genoemde informatieplichten zijn volgens Loos en Pavillon niet noodzakelijk voor de besluitvorming van de consument. Zij bepleiten toepassing van een omkering van de bewijslast ten aanzien van het causale verband dus niet voor de informatie van art. 6:230m lid 1 onder c (geografisch adres, telefoonnummer, fax en e-mailadres van de handelaar), f (kosten communicatiemiddel op afstand), g (wijze van betaling, wijze en termijn van nakoming door de handelaar, klachtenafhandelingsbeleid) en p (minimumduur overeenkomst), die in art. 6:193f onder b BW ook als essentieel wordt aangemerkt. Loos en Pavillon gaan in verband met de door hen bepleite omkering van de bewijslast dus uit van een beperkte categorie plichten die huns inziens essentieel zijn voor de besluitvorming door de consument, omdat deze categorie niet alle informatieplichten met een wilsvormingsfunctie omvat. 5.25.4 Ook Tigelaar ziet het causaliteitsvereiste als een middel om te vergaande consequenties van een eventuele ambtshalve toepassing van art. 6:193j lid 3 BW te nuanceren. Met het oog daarop komt zij terug van haar pleidooi voor een wettelijk vermoeden met betrekking tot dit vereiste, omdat een dergelijk vermoeden bij ambtshalve toepassing vanuit art. 6:193j lid 3 BW zou kunnen leiden tot een disbalans tussen de consument en ondernemer. Zonder een dergelijk vermoeden heeft de rechter de ruimte om na te gaan of de oneerlijke handelspraktijk de consument daadwerkelijk heeft beïnvloed. Ik merk op dat dit laatste in verstekzaken vermoedelijk bij gebrek aan informatie niet mogelijk zal zijn. 5.25.5 Neppelenbroek voegt − onder verwijzing naar het eerder vermelde art. 6:230v lid 2 BW, dus voor overeenkomsten op afstand − onderdeel p van art. 6:230m lid 1 BW toe aan de door Loos en Pavillon opgestelde lijst van essentiële informatie. Dit lijkt mij verdedigbaar, omdat de minimumduur van de overeenkomst normaliter van invloed zal zijn op het bedrag dat de consument minimaal zal moeten betalen. Ook Neppelenbroek bepleit een omkering van de bewijslast ten aanzien van het causaal verband indien de handelaar niet kan aantonen dat hij (
  5. i)de essentiële informatie (
  6. ii)tijdig en (iii) op transparante wijze heeft verstrekt. Kan dit niet worden aangetoond, dan dient de rechter de overeenkomst ambtshalve te vernietigen op grond van art. 6:193d in verbinding met art. 6:193j lid 3 BW. De omkering van de bewijslast bevordert zijns inziens een hoog niveau van consumentenbescherming, past bij de wilsvormende functie van deze informatieplichten en sluit aan bij de omkering van de bewijslast ten aanzien van het causale karakter (art. 6:227b lid 4, tweede zin, BW) van het niet verschaffen van de informatie bedoeld in art. 6:227b lid 1 onder a BW (de wijze waarop de overeenkomst tot stand zal komen) en art. 6:227b lid 1 onder c BW (op de hoogte geraken en herstel van niet gewilde handelingen door de wederpartij). Indien slechts is nagelaten om achteraf de informatie op een duurzame drager te bevestigen, dient geen vernietiging plaats te vinden, maar zal de consument volgens Neppelenbroek op nakoming dan wel ontbinding moeten aansturen. 5.25.6 Hoewel de literatuur, zij het met onderlinge verschillen, de kaarten vooral op toepassing van art. 6:193j lid 3 BW lijkt te zetten, laat de kantonrechter te Leeuwarden (in diens tussenvonnis van 29 september 2020, rov. 4.16 onder 1-3) een ander geluid horen. De kantonrechter overweegt dat in een verstekzaak niet bekend is (en ook niet kan worden onderzocht) of de consument de overeenkomst is aangegaan doordat hij voor zijn wilsvorming relevante informatie heeft gemist en het de vraag is hoe de rechter tot de conclusie kan komen dat dit het geval is geweest als de consument zich hierover zelf niet uitlaat. Het enkele feit dat niet aan de artikelen 6:230m en 6:230v BW is voldaan en de consument niet tot volledige betaling is overgegaan, acht de kantonrechter onvoldoende om dat ambtshalve aan te nemen. 'Wanbetaling' kan ook andere oorzaken hebben, variërend van betalingsonmacht of een vergissing tot boos opzet. Als de consument de geleverde zaak of dienst zonder commentaar heeft behouden of afgenomen, duidt dat – mede gezien de mogelijkheid van ontbinding binnen de bedenktermijn − meer op een van die laatste situaties. Een rechterlijk vermoeden van causaliteit, zoals voorgesteld door Loos en Pavillon, biedt volgens deze rechter mogelijk uitkomst indien evident is dat een gemiddelde consument door (het ontbreken van) die informatie is misleid en in financiële of in praktische zin is benadeeld en om die reden niet aan de overeenkomst gebonden zal willen zijn, maar in verstekzaken zal het dossier veelal geen aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat daarvan sprake is. In onderdeel 7 ga ik hier nader op in. 5.26
(12)Vernietiging op grond van art. 6:228 BW bespreek ik als laatste van de mogelijke vernietigingsgronden. Vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling is mogelijk wanneer het niet verschaffen van de wettelijk vereiste informatie heeft geleid tot een onjuiste voorstelling van zaken bij de consument en (voor de handelaar kenbaar) causaal is geweest voor het sluiten van de overeenkomst (art. 6:228 lid 1 onder b BW). Weliswaar hoeft de dwaling niet een belangrijk aspect van de overeenkomst te betreffen, maar wel moet aannemelijk zijn dat de consument in het concrete geval zonder de ontbrekende informatie de overeenkomst niet, dan wel niet op dezelfde voorwaarden, zou hebben gesloten. Het causaliteitsvereiste wordt in verband met de niet-nakoming van de informatieplichten van de Richtlijn CR als een hoge drempel beschouwd. Hoewel dwaling in theorie ook niet-essentiële informatie zou kunnen betreffen, zal in de praktijk de gedachte aan een dwalingsberoep opkomen indien essentiële informatie niet is verschaft. Nu art. 6:193f lid 3 BW voor die gevallen reeds in een vernietigbaarheid voorziet, laat ik de dwaling verder onbesproken. 5.27 Ik vat samen. In specifieke gevallen kan aan vernietiging worden gedacht, met name in de door art. 6:230v lid 3 BW of door art. 3:39 BW in verbinding met art. 6:230v lid 6 BW geregelde gevallen. Voorts bestaat er in een deel van de literatuur aarzeling over een te gemakkelijke toepassing van art. 3:40 lid 2 BW. De literatuur lijkt de voorkeur te geven aan toepassing van art. 6:193j lid 3 BW. Te dien aanzien is er enige onzekerheid over de afbakening van wat als essentiële informatie moet worden beschouwd en vooral discussie over het bewijs van het causale verband tussen het ontbreken van deze informatie en het sluiten van de overeenkomst. De kantonrechter te Leeuwarden wijst op praktische belemmeringen voor de toepassing van een bewijsvermoeden in verstekzaken. 5.28.1 Is ambtshalve vernietiging mogelijk na cessie? Ten aanzien van de verschillende vernietigingsremedies wijs ik nog op een mogelijke complicatie. De vraag is gerezen of na cessie van een vordering tot betaling van de prijs vernietiging van de overeenkomst in een procedure tussen de cessionaris en de consument wel mogelijk is, gegeven dat vernietiging tegen de handelaar moet worden ingeroepen. Ontkennende beantwoording van deze vraag zou kunnen leiden tot een verschil in beoordeling in zaken waarin de handelaar zelf dan wel een cessionaris eiser is. Een dergelijk verschil is onwenselijk. Tegen ontkennende beantwoording pleit bovendien het effectiviteitsbeginsel: indien de rechter een overeenkomst ambtshalve moet vernietigen wegens strijd met bepalingen van consumentenrecht, dan zou de bescherming die de consument daaraan ontleent eenvoudig door een cessie omzeild kunnen worden. De rechtspraak van de Hoge Raad over ambtshalve vernietiging bij schending van bepalingen van consumentenrecht geeft geen aanleiding voor de veronderstelling dat een dergelijk onderscheid moet worden gemaakt. Zo betrof bijvoorbeeld de zaak Gratis Telefoon II een vordering door een cessionaris. Naar mijn mening maakt het feit van een cessie geen verschil voor de mogelijkheid van ambtshalve vernietiging. Ik licht dat toe. 5.28.2 De bevoegdheid om een rechtshandeling te vernietigen komt toe aan de partijen bij die rechtshandeling. Hieruit volgt dat bij cessie van een uit die rechtshandeling voortspruitend vorderingsrecht de vernietigingsbevoegdheid niet overgaat op de verkrijger van dat vorderingsrecht, de cessionaris. Hieruit volgt voorts dat de consument (debitor cessus) die na een cessie een overeenkomst wil vernietigen, zich volgens de hoofdregel (zie art. 3:50 lid 1 en art. 3:51 lid 2 BW) moet richten tot zijn wederpartij (de handelaar/cedent). Op deze hoofdregel bestaat een uitzondering. Na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging is een aanvallend beroep op de vernietiging niet meer mogelijk (art. 3:52 BW), maar kan er nog wel bij wijze van exceptief verweer een beroep op worden gedaan (art. 3:51 lid 3 BW). In geval van verjaring wordt een verwerend beroep op vernietiging daarom ingeroepen tegen de cessionaris die de schuldenaar tot betaling aanspreekt (art. 6:149 lid 2 BW). 5.28.3 Dat de consument de vernietiging van de overeenkomst volgens de hiervoor bedoelde hoofdregel moet richten tegen de handelaar, betekent niet dat een dergelijke vernietiging irrelevant is in de verhouding tussen de consument en de cessionaris die de vordering op de consument verkreeg. Indien de cessionaris de consument in rechte tot betaling van de prijs aanspreekt, kan de consument namelijk als verweer aanvoeren dat hij de rechtshandeling jegens zijn wederpartij (de handelaar/cedent) heeft vernietigd, zodat het vorderingsrecht door de terugwerkende kracht van de vernietiging (art. 3:53 lid 1 BW) niet bestaat en de rechtsvordering van de cedent tot betaling van de prijs daarom moet worden afgewezen. Mijn inziens volgt dit ook uit art. 6:145 BW, al is de literatuur daarover niet eensgezind. De omstandigheid dat de rechtshandeling is vernietigd, is in ieder geval tegen te werpen aan de cessionaris. 5.28.4 Bij ambtshalve toepassing van een vernietigingssanctie (in een verstekzaak), gaat de rechter over tot vernietiging van de rechtshandeling, dan wel constateert hij dat deze vernietigbaar is, en wijst hij om die reden de rechtsvordering tot betaling van de prijs af (als onrechtmatig of ongegrond in de zin van art. 139 Rv). Een tot de handelaar als wederpartij bij de rechtshandeling gerichte verklaring van de consument is daarvoor niet vereist. In zoverre bevindt de ambtshalve vernietiging zich ergens tussen, enerzijds, de vernietigbaarheid waarop een beroep moet worden gedaan en, anderzijds, de nietigheid van rechtswege die de rechter in bepaalde gevallen ambtshalve kan vaststellen. Omdat voor de vernietiging geen verklaring van de consument vereist is, kan de vernietiging door de rechter m.i. worden uitgesproken zowel in een procedure tussen de handelaar en de consument als in een procedure tussen een cessionaris en de consument. 5.28.5 Procesrechtelijk is er overigens wel een verschil tussen een ambtshalve vernietiging in een procedure tussen de handelaar en de consument en in een procedure tussen een cessionaris en de consument. De uitspraak van de rechter heeft alleen tussen partijen gezag van gewijsde (art. 236 Rv). Een ambtshalve vernietiging in een procedure tussen cessionaris en consument deert de handelaar/cedent als derde niet, althans zolang de consument zich jegens de handelaar/cedent niet op het (vermoedelijk juiste) standpunt stelt dat de overeenkomst ook in hun verhouding vernietigbaar is. Afwijzing van de vordering van een cessionaris na ambtshalve vernietiging door de rechter heeft daarom, strikt genomen, geen gevolgen voor de geldigheid van de overeenkomst tussen handelaar/cedent en consument. Dit kan van belang zijn indien de handelaar/cedent op grond van de overeenkomst blijft doorleveren aan de consument (zoals bij energiecontracten het geval kan zijn). Deze procesrechtelijke relativering van de gevolgen van een ambtshalve vernietiging spelen echter niet in een procedure tussen de handelaar en de consument. De beantwoording van de gestelde vragen zou dan ook m.i. niet hiervan afhankelijk dienen te zijn. 5.28.6 Kortom, bij de beantwoording van de vraag of de rechter een overeenkomst ambtshalve dient te vernietigen omdat niet is voldaan aan de informatieplichten van de Richtlijn CR, is niet relevant dat de handelaar zijn vordering op de consument heeft gecedeerd en de cessionaris de consument in rechte tot betaling aanspreekt. Beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid 5.29.1
(13)Redelijkheid en billijkheid. In een aantal gevallen hebben rechters de vordering van de handelaar gedeeltelijk afgewezen met toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Op deze mogelijkheid als alternatief voor ontbinding of vernietiging was reeds gewezen door Loos in verband met de sanctionering van de informatieplichten van de Richtlijn consumentenkrediet. De kantonrechter te Amsterdam zet in het tussenvonnis van 21 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6481, rov. 18-20, uiteen waarom vernietiging niet passend is maar toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan leiden tot een matiging van de gevorderde hoofdsom en verwijst daarbij naar de volgende door de Amsterdamse kantonrechters opgestelde staffel: “Sanctie: vermindering van 10% van de hoofdsom a. als niet of niet volledig (of niet aantoonbaar) aan precontractuele verplichtingen is voldaan, maar in de bevestiging op een duurzame drager wel aan alle essentiële informatieverplichtingen is voldaan of b. afhankelijk van de omstandigheden: indien in de bevestiging één van de essentiële informatieverplichtingen ontbreekt of niet op duidelijke en begrijpelijke wijze is bevestigd (nb: afhankelijk van omstandigheden kan ook voor 25% worden gekozen). Sanctie: vermindering van 25% van de hoofdsom c. als niet of niet volledig (of niet aantoonbaar) aan precontractuele verplichtingen is voldaan én niet volledig aan alle éssentiële contractuele informatieverplichtingen van artikel 6:230m lid 1 BW is voldaan of d. indien in de bevestiging één van de essentiële informatieverplichtingen ontbreekt (nb: afhankelijk van omstandigheden kan ook voor 10% worden gekozen). Sanctie: vermindering van 50% van de hoofdsom e. als precontractueel en contractueel niet, of niet op duidelijke en begrijpelijke wijze, aan alle essentiële informatie is voldaan of f. indien in de bevestiging meerdere essentiële informatieverplichtingen ontbreken. Sanctie op niet informeren over de herroepingstermijn Op grond van artikel 6:230o lid 2 BW wordt de herroepingstermijn van 14 dagen verlengd met ten hoogste 12 maanden. Als de verlengde herroepingstermijn nog niet is verstreken, niet (volledig) is voldaan aan de verplichting tot het informeren met betrekking tot het recht de overeenkomst te herroepen en de verlengde termijn nog loopt gedurende de procedure, wordt de vordering afgewezen omdat gedaagde nog gebruik kan maken van het herroepingsrecht.” 5.29.2 Voor zover de overwegingen van de kantonrechter zien op de zojuist besproken vraag of vernietiging na cessie nog kan, is er m.i. geen sprake van een probleem. Ik voeg daaraan toe dat in verband met de redelijkheid en billijkheid ook een vraag zou kunnen rijzen, namelijk of de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in de verhouding tussen handelaar en consument hetzelfde meebrengen als in de verhouding tussen cessionaris en consument; dit laatste kan m.i. wel beargumenteerd worden langs de lijnen van de Promontoria-beslissingen. Overigens zou de vraag of vernietiging na cessie nog mogelijk is, ook uit de wereld kunnen worden geholpen door te betogen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de cessionaris een vordering kan innen op basis van een overeenkomst die ambtshalve vernietigd dient te worden. Als gezegd, meen ik dat op dit punt geen probleem speelt, zodat deze oplossingsrichting niet benut hoeft te worden. 5.29.3 Voor zover de overwegingen van de kantonrechter zien op de gevolgen van toepassing van de beperkende werking vergeleken met de gevolgen van vernietiging , en dus de opportuniteit van de keuze voor het ene dan wel het andere instrument, kom ik daarover te spreken aan het slot van onderdeel 7 van deze conclusie. Tussenstand 5.30 Samenvattend is de conclusie dat in verstekzaken, vanuit een praktisch oogpunt bezien, ambtshalve toetsing mogelijk lijkt van de specifieke remedies genoemd onder
(1)geen (bijkomende) kosten verschuldigd (art. 6:230j, 6:230k, 6:230n lid 3, 6:230s lid 2, 6:230s lid 5, 6:230s lid 6 BW),
(2)niet aansprakelijk voor waardevermindering (art. 6:230s lid 3 BW),
(3)verlenging bedenktermijn (art. 6:230o lid 2 BW),
(4)vernietiging op grond van art. 6:230v lid 3 BW (bestaan betalingsverplichting) en
(5)nietigheid op grond van art. 3:39 jo. art. 6:230v lid 6 BW (schriftelijkheidseis bij duurovereenkomsten voor diensten of nutsleveranties). Voorts lijkt ambtshalve toetsing mogelijk van de algemene remedies genoemd onder
(10)vernietiging op grond van art. 3:40 BW,
(11)vernietiging op grond van art. 6:193j lid 3 BW en
(13)toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Ik kom op dit punt dus niet tot andere conclusies, dan waartoe rechtspraak en literatuur reeds zijn gekomen. Ik bespreek hierna of de rechter ook verplicht is om in deze gevallen ambtshalve te toetsen. 6Gronden voor ambtshalve toetsing 6.1 Ik bezie thans de verschillende gronden waarop ambtshalve toepassing van de in 5.30 genoemde remedies (in verstekzaken) mogelijk kan worden gebaseerd. Ik denk dat het nodig is die gronden te inventariseren, omdat uit de rechtspraak van het HvJEU naar mijn mening niet volgt, dat bepalingen van consumentenrecht per definitie ambtshalve getoetst dienen te worden. Het HvJEU vat zijn rechtspraak aldus samen dat het heeft geëist dat de nationale rechter ”een aantal bepalingen van richtlijnen van de Unie inzake consumentenbescherming ambtshalve toepast”. Ook het hierna te bespreken arrest Bankia Merino wijst hierop. 6.2.1 Ambtshalve toetsing van consumentenrecht is in de rechtspraak van het HvJEU aan de orde geweest in verband met de Richtlijn oneerlijke bedingen, de voormalige Colportagerichtlijn, de vorige en huidige Richtlijn consumentenkrediet en de Richtlijn consumentenkoop. In de rechtspraak van het HvJEU is de ambtshalve toetsing van informatieplichten uit de Richtlijn CR nog niet aan de orde gekomen,maar uit zijn rechtspraak kan m.i. wel worden afgeleid in welke gevallen deze toetsing aan de orde is. 6.2.2 Indien een bepaling van Unierecht in aanmerking komt voor ambtshalve toepassing, dan komt de rechter daaraan eerst toe indien de betreffende bepaling van Unierecht (c.q. de omzettingswetgeving daarvan) van invloed kan zijn op de toe- of afwijzing van de vordering of het verzoek, terwijl er door de consument geen beroep op is gedaan. Dit wordt m.i. niet anders in het licht van de zaak Lintner, waarnaar de kantonrechter te Leeuwarden verwijst. In die zaak vorderde de consument een verklaring voor recht dat een bepaald beding over eenzijdige wijziging van de kredietvoorwaarden in de overeenkomst oneerlijk was. De vraag was of de rechter dan ook alle andere bedingen van de overeenkomst ambtshalve dient te toetsen aan de Richtlijn oneerlijke bedingen. Het arrest van het HvJEU komt erop neer dat de rechter in een dergelijk geval niet de taak heeft om ook alle andere bedingen in de overeenkomst ambtshalve op oneerlijkheid te beoordelen, maar dat hij wel op basis van een consumentvriendelijke lezing van de stellingen en vorderingen van de consument ook met het gewraakte beding samenhangende andere bedingen tot de grondslag van de vordering van de consument mag rekenen en kan toetsen aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (punten 27-34). 6.3 De rechter dient een wettelijke bepaling ambtshalve toe te passen indien dit volgt uit het Nederlandse recht en/of omdat het Unierecht dit vereist. Het Nederlandse recht schrijft een ambtshalve onderzoek voor, voor zover thans van belang, (
  1. i)met het oog op de beoordeling of voldoende is gesteld voor toewijzing van de vordering, (
  2. ii)de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden op de voet van art. 25 Rv, (iii) de ambtshalve toepassing van bepalingen van openbare orde en (
  3. iv)in een aantal overige gevallen. Voorts biedt (
  4. v)art. 139 Rv de rechter in verstekzaken enige speelruimte. Het Unierecht volgt ten aanzien van ambtshalve toetsing in beginsel het nationale recht, maar soms vereist het Unierecht ambtshalve toetsing ook indien het nationale recht daarin niet voorziet. Dit kan volgen uit het effectiviteitsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel. De toetsing kan betrekking hebben op (
  5. vi)een bepaling van Unierecht die tevens een bepaald rechtsgevolg voorschrijft dan wel op (vii) een bepaling van Unierecht waaraan het nationale recht een bepaalde remedie verbindt. Ik bezie hierna of deze gronden relevant kunnen zijn voor de informatieplichten van de Richtlijn CR. Nederlands recht 6.4 (
  6. i)De dagvaarding dient de eis en de gronden daarvan te vermelden, alsmede bekende verweren van de gedaagde en de bewijsmiddelen waarover eiser in dat opzicht beschikt (vgl. art. 111 lid 2 onder d en lid 3 Rv) en de eisende partij dient de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (art. 21 Rv). De rechter dient ambtshalve na te gaan of de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten het gevorderde kunnen dragen. Indien onvoldoende is gesteld, dient de vordering te worden afgewezen. Deze grondslag komt in beeld waar informatieplichten worden gesanctioneerd met een specifieke remedie die de verschuldigdheid van bepaalde bedragen betreft. 6.5 (
  7. ii)Omdat ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden op grond van art. 25 Rv plaatsvindt binnen de grenzen van de rechtsstrijd, mag de rechter zich daarbij niet baseren op andere (rechts)feiten en omstandigheden dan die waarop de partij ten behoeve van wie de aanvulling plaatsvindt de vordering of het verweer heeft gestoeld. De aangevoerde feitelijke grondslag moet de aan te vullen rechtsregel kunnen dragen. In incassozaken tegen consumenten die geen verweer voeren, zal de feitelijke grondslag normaliter vermoedelijk niet nopen tot aanvulling van rechtsgronden. Ik laat deze grondslag verder buiten beschouwing. 6.6 ( iii) De Nederlandse rechter is verplicht om, ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd, bepalingen van openbare orde ambtshalve toe te passen. Voor de kwalificatie ‘van openbare orde’ volstaat niet de enkele omstandigheid dat het gaat om een bepaling van dwingend recht. Voor zover thans van belang is een bepaling van openbare orde indien zij strekt ter bescherming van algemene belangen van zo fundamentele aard dat zij (ongeacht het partijdebat of de bijzondere omstandigheden van het geval) altijd door de rechter moet worden toegepast c.q. dat de naleving ervan niet door beperkingen van procesrechtelijke aard mag worden verhinderd. De informatieplichten op de voet van de Richtlijn CR kunnen niet als bepalingen van openbare orde in de zin van deze rechtspraak van de Hoge Raad worden aangemerkt. Bij ambtshalve toepassing van wettelijke bepalingen ter uitvoering van EU-richtlijnen die consumenten beschermen, kan de consument zich juist wel tegen die bescherming verzetten indien die bescherming zou leiden tot een rechtsgevolg (zoals vernietiging van een beding) waartegen de consument zich verzet. Ik laat deze grondslag verder buiten beschouwing. 6.7.1 (
  8. iv)Een aantal bepalingen van dwingend recht dient blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad ambtshalve te worden toegepast, ook al betreft het geen bepalingen van openbare orde. Dit berust deels op de eerder genoemde regel dat de rechter ambtshalve dient na te gaan of de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten het gevorderde kunnen dragen, maar daarbuiten ook op de beschermende strekking van de betreffende wetsbepaling en/of de wens om bij samenloop van Unierecht en (louter) Nederlands recht te geraken tot een hanteerbaar stelsel. 6.7.2 Illustratief is de rechtspraak van de Hoge Raad over de verschuldigdheid door de consument van buitengerechtelijke incassokosten op de voet van art. 6:96 lid 6 BW (de veertiendagenbrief). Blijkens het arrest Intermaris is art. 6:96 lid 6 BW geen bepaling van openbare orde. Daarom onderzoekt de voorzieningenrechter indien verlof wordt verzocht om een arbitraal vonnis ten uitvoer te leggen, niet ambtshalve of de schuldeiser in de arbitrale procedure voldoende heeft gesteld voor toewijzing van de gevorderde incassokosten en of hij andere daarvoor geldende regels heeft nageleefd. Blijkens de prejudiciële beslissing in de zaak FA-MED is er wel een ambtshalve taak van de rechter indien (geen verlof tot tenuitvoerlegging wordt verzocht, maar) betaling van incassokosten wordt gevorderd. Dan betreft art. 6:96 lid 6 BW een bepaling van dwingend recht waarvan de rechter in verstekzaken, gelet op art. 139 Rv, moet beoordelen (
  9. i)of de schuldeiser voldoende gesteld heeft voor toewijzing van de gevorderde incassokosten en (
  10. ii)of de schuldeiser overeenkomstig die dwingendrechtelijke regels heeft gehandeld. In zaken op tegenspraak is de rechter bevoegd om eigener beweging te onderzoeken of de schuldeiser met betrekking tot zijn aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten overeenkomstig de eisen van art. 6:96 leden 5-7 heeft gehandeld. Dat de rechter moet beoordelen of voldoende is gesteld voor toewijzing van de incassokosten, is een toepassing van de eerder genoemde regel dat de rechter ambtshalve dient na te gaan of de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten het gevorderde kunnen dragen (art. 6:96 lid 6 BW spreekt ook van “eerst verschuldigd worden…”). Dat de rechter ambtshalve moet (in verstekzaken) dan wel mag (in zaken op tegenspraak) toetsen of de schuldeiser overeenkomstig de dwingendrechtelijke regels heeft gehandeld, gaat verder dan de enkele toets of voldoende is gesteld over de verschuldigdheid van de incassokosten. Deze taak berust m.i. op de beschermende strekking van art. 6:96 lid 6 BW. 6.7.3 Voorts is in een paar gevallen geoordeeld dat wetsbepalingen ambtshalve moeten worden toegepast in verband met, zoals het Hartkamp het noemt, “een nauw verband met wetsbepalingen die wél een Unierechtelijke achtergrond hebben”. In de eerste plaats speelde dit bij koop op afbetaling. Uit art. 7A:1576 lid 2 BW volgt dat de overeenkomst van koop op afbetaling niet van kracht is indien de door de koper te betalen prijs niet in de overeenkomst is bepaald. Blijkens de zaak Gratis Telefoon II dient de rechter, met het oog op een effectieve bescherming van het belang van de consument, ambtshalve te onderzoeken of aan art. 7A:1576 lid 2 BW is voldaan en zo nodig ambtshalve te oordelen dat de koop op afbetaling geen rechtsgevolg heeft. Dit leidt tot eenzelfde benaderingswijze als de verplichte ambtshalve toetsing of is voldaan aan de aan het Unierecht ontleende informatieplichten van art. 7:61 lid 2 BW, hetgeen volgens de Hoge Raad de hanteerbaarheid van de onderhavige regels ten goede komt. In de tweede plaats kan worden gewezen op het arbitraal beding. Art. 6:236 onder n BW stelt buiten twijfel dat de consument niet tegen zijn wil van de overheidsrechter kan worden afgehouden (art. 17 Grondwet). Met het oog op een effectieve bescherming van het belang van de consument, dient de voorzieningenrechter die beslist op een verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis, ambtshalve te onderzoeken of aannemelijk is dat sprake is van een beding dat op grond van art. 6:236 onder n BW onredelijk bezwarend is. Bij een arbitraal beding dat onderdeel uitmaakt van algemene voorwaarden zijn het regime van Richtlijn 93/13 en dat van art. 6:236 onder n BW steeds naast elkaar van toepassing. Op dit punt kan dan ook eenzelfde benaderingswijze worden gevolgd, hetgeen de hanteerbaarheid van de onderhavige regels ten goede komt, aldus de Hoge Raad in de zaak Intermaris. Het argument van de hanteerbaarheid wegens de samenloop met het Unierecht, weegt m.i. zwaarder bij het oordeel over art. 7A:1576 lid 2 BW dan bij het oordeel over art. 6:236 onder n BW. Bij deze laatste bepaling weegt m.i. reeds zwaar dat het fundamentele recht van toegang tot de rechter in het geding is. De Hoge Raad heeft art. 6:236 onder n BW niet gekwalificeerd als een bepaling van openbare orde. Die kwalificatie zou, nu het om een vernietigbaarheid gaat, ook niet stroken met de omschrijving die in de rechtspraak van de Hoge Raad aan bepalingen van openbare orde wordt gegeven (zie hiervoor in 6.6). 6

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.