PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/05058 Zitting 7 september 2021 CONCLUSIE P.C. Vegter In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, hierna: de verdachte. 1. De verdachte is bij arrest van 5 november 2019 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch deels vrijgesproken van hetgeen onder 1 en 2 is tenlastegelegd en wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”, 3. “witwassen”, en 4. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot 46 maanden gevangenisstraf met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts zijn beslissingen genomen ten aanzien van inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, als nader in het arrest omschreven. 2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S. Weening, advocaat te Maastricht, heeft zeven middelen van cassatie voorgesteld. 3. Op 1 t/m 3 maart 2015 vond een doorzoeking plaats op een terrein met daarop een woning met ondergrondse discotheek (tevens het GBA adres van verdachte), een tegenover de woning liggende loods, een bosperceel (bamboebos) en een zogenaamde Romneyloods. In de woning werden aangetroffen 3 potten Platinaoxide (een katalysator voor de productie van MDMA) (in de bijkeuken), 31 pillen MDMA, 4,8 gram cocaïne en 70 gram hasj (slaapkamer) en een vacuüm/sealapparaat (woonkamer). In het bamboebos bevonden zich ingegraven voorwerpen: wit plastic vat met rode deksel met 216.000 euro, witte ton met 24,4 kilo MDA, oranje bruine ton met 16 kilo MDA, 6 ingegraven jerrycans met onder meer 17 liter PMK en een blauwe ton met grote hoeveelheid stempels en cilinders voor een tabletteermachine. Tussen het bamboebos en de Romneyloods werd een Riot gun met 85 patronen aangetroffen. 4. Nu de middelen zich met uitzondering van het laatste richten tegen de motivering van het bewijs van voorhanden hebben of aanwezig hebben van aangetroffen voorwerpen zal ik voorafgaand aan de bespreking van de afzonderlijke middelen van cassatie het verbod tot het voorhanden hebben en aanwezig hebben van voorwerpen in enkele strafbepalingen nader bespreken. Ik realiseer mij daarbij dat de Procureur-Generaal niet lang geleden in een uitvoerige conclusie in het bijzonder het begrip voorhanden hebben in de Wet wapens en munitie nader onder ogen heeft gezien en dan vooral het zogenaamde subjectieve bestanddeel in dat kader. Mij gaat het vooral om de vraag of er verschillen bestaan tussen voorhanden hebben in het kader van het witwassen, van de voorbereidingshandeling in art. 10a OW en van de strafbaarstelling in art. 26 Wet wapens en munitie (WWM) en voorts tussen voorhanden hebben in de verschillende bepalingen enerzijds en aanwezig hebben in art. 2 (en 3 telkens) aanhef en C Opiumwet (OW) anderzijds. 5. De woorden ‘voorhanden hebben’ kwamen ook in 1886 al op enkele plaatsen in het toenmaals nieuwe Wetboek van Strafrecht voor. Zie de art. 214, 223 en 234 Sr. Het betreft misdrijven die grofweg het voorhanden hebben van voorwerpen bestemd tot vervalsing strafbaar stellen. De Vuurwapenwet 1919 stelde het voorhanden hebben van wapens strafbaar. Bij heling (art. 416 Sr) werd de terminologie in 1992 ingevoegd. De Memorie van toelichting bij die invoeging vermeldt onder meer: “«Voorhanden hebben» - ter vervanging van «vervoeren», «bewaren» en «verbergen» uit de huidige delictsomschrijvingen - strekt zich uit tot ieder feitelijk voorhanden hebben, met welk doel of krachtens welke titel dan ook. Dus ook het gebruiken van een misdrijfgoed valt hier onder. Voor «voorhanden hebben» is overigens niet nodig dat men te allen tijde onverwijld over het goed kan beschikken. Het omvat ook het kunnen beschikken over een goed dat elders is opgeslagen. Deze betekenis heeft deze term ook in de artikelen 214, 223 en 234 van het Wetboek van Strafrecht. Tenslotte moet over het «voorhanden hebben» worden opgemerkt dat niet iedereen die een goed voorhanden heeft, het goed ook heeft verworven. Zo heeft de vervoerder een goed niet verworven, maar wel voorhanden.” 6. Sinds 2001 maken de woorden (in het voetspoor van heling) deel uit van de omschrijving van witwassen (art. 420bis Sr). De term voorhanden hebben komt ook in de in 1994 ingevoerde algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen in art. 46 Sr voor. Volgens de wetsgeschiedenis is de term gekozen om aansluiting te vinden bij het toen (1989-1990) bij de Tweede Kamer aanhangige voorstel van wet tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met voorzieningen ten behoeve van de bestrijding van heling. Voorhanden hebben komt ook voor in de in 1985 in de Opiumwet ingevoegde strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen betreffende drugsdelicten en wel in art. 10a lid 1 onder 3 OW. Aan te nemen valt dat de term ‘voorhanden hebben’ in die bepaling van de Opiumwet dezelfde betekenis heeft als bij de algemene strafbaarstelling van voorbereiding in art. 46 Sr en daarmee ook aansluit bij dezelfde in het kader van heling gebruikte term. Kortom: ‘voorhanden hebben’ is in de wetgeving in het verleden en in het heden een regelmatig gebruikt begrip. De totstandkoming van de genoemde bepalingen waarin het voorhanden hebben is strafbaar gesteld bevat, voor zover ik zie, geen aanwijzing voor verschillen van de betekenis van de woorden. 7. De woorden ‘aanwezig hebben’ worden, in ieder geval in het Wetboek van Strafrecht bij misdrijven, niet of nauwelijks gebruikt. In de art. 2 en 3 OW wordt telkens onder aanhef en C het aanwezig hebben van - grof gezegd- verdovende middelen strafbaar gesteld. Sinds 1976 spreekt de wet in art. 2 onder C en 3 onder C OW alleen nog over aanwezig hebben. Daarvoor stond naast aanwezig hebben het verbod de verdovende middelen te bezitten en aan te wenden. De wijziging van 1976 werd gezien als zuiver terminologisch. Over een voorstel van een Kamerfractie bij de schriftelijke voorbereiding van het wetsvoorstel uitsluitend nog van bezit te spreken valt in de Memorie van antwoord te lezen: “De ondergetekenden geven de voorkeur aan de woorden «aanwezig hebben», omdat daarmee een zuiver feitelijke situatie wordt aangeduid, terwijl men bij het woord «bezit» nog aan een juridische kwalificatie zou kunnen denken.” 8. Naast aanwezig hebben en voorhanden hebben gebruikt de wetgever het woord in bezit hebben. Zie art. 240b Sr dat (ook) het in bezit hebben van kinderpornografie strafbaar stelt. Bezit is meer dan louter voorhanden hebben of aanwezig hebben. Zie ook het slotcitaat van het vorige randnummer. 9. Ik citeer nu eerst de strafbaarstellingen voor zover daarin de bedoelde termen aanwezig hebben en voorhanden hebben voorkomen die in de onderhavige strafzaak een rol spelen. “Art. 2 OW Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid: (…) C. aanwezig te hebben; (…). Art. 10a OW 1. Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen: (…) 3°.voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. Art. 420bis Sr 1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie: a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf; (…). Artikel 26 WWM 1. Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben. (…).” 10. In de geciteerde bepalingen wordt het woord ‘voorhanden’ of ‘aanwezig’ gebruikt in combinatie met ‘hebben’. Een enkele vooral taalkundige kanttekening. Meer gangbaar is om de beide eerstgenoemde woorden te gebruiken in combinatie met ‘zijn’. Met ‘zijn’ in combinatie met ‘voorhanden’ of ‘aanwezig’ wordt vooral een toestand, een stand van zaken uitgedrukt, terwijl ‘hebben’ een betrekking tot uitdrukking brengt tussen het voorwerp en degene die het voorwerp ‘heeft’. De taal biedt geen of weinig houvast voor het karakter van die betrekking. Voor de jurist rijst vervolgens wel de (normatieve) vraag welke betrekking voldoende is en of die betrekking telkens moet worden bewezen dan wel of het voldoende is dat bij afwezigheid van de betrekking de strafbaarheid is uitgesloten. 11. Dan de taalkundige betekenis van de woorden ‘aanwezig’ en ‘voorhanden’. Haentjes merkt op dat ‘aanwezig (hebben)’ taalkundig overeen komt met ‘voorradig’ en ‘ter beschikking staande’. Van Dale woordenboek meldt in 2021 als eerste betekenissen van aanwezig: ter plaatse, present; voorhanden, ter beschikking. Van Dale vermeldt bij voorhanden: aanwezig, in voorraad. Een letterlijke lezing betekent dan dat voorhanden en aanwezig vrijwel dezelfde betekenis wordt toegekend. Voorhanden is zo bezien iets ruimer, omdat daarbij naast aanwezig nog in voorraad wordt genoemd. Een relevant verschil lijkt mij dat niet. Een eerst aanknopingspunt voor aanwezig of voorhanden is de (fysieke) afstand tot een voorwerp. Gemakkelijk feitelijk bereik indiceert ‘aanwezig’ en wellicht zelfs nog scherper ‘voorhanden’. Een voorwerp onder gemakkelijk feitelijk bereik is immers letterlijk voor de handen. Voorwerpen die zich op enige afstand buiten gemakkelijk feitelijk bereik bevinden zijn niet onmiddellijk gediskwalificeerd voor ‘aanwezig’ of ‘voorhanden’. Aan de kwalificatie kan tevens worden voldaan als de voorwerpen direct ter beschikking staan. Ook in een gehuurde garagebox kan de huurder die over de sleutel beschikt wapens voorhanden en/of drugs aanwezig hebben. Bepalend voor ‘aanwezig’ of ‘voorhanden’ is daarmee dat het voorwerp onder gemakkelijk feitelijk bereik is en/of direct ter beschikking is. Taalkundig lijken mij de woorden ‘voorhanden (hebben)’ en ‘aanwezig (hebben)’ niet zonder meer een subjectief element te impliceren. Daarmee bedoel ik dat zelfs als iemand niet weet of behoort te weten dat een voorwerp aanwezig of voorhanden is, hij dat voorwerp aanwezig of voorhanden kan hebben. Het voorwerp kan toevallig in zijn voorraad terecht zijn gekomen en hem dus in abstracto ter beschikking staan. 12. De drie accenten van deze taalkundige verkenning vallen min of meer samen met drie in de literatuur ontwikkelde criteria. Allereerst accentueer ik de woorden ‘aanwezig’ en ‘voorhanden’. De feitelijke (taalkundige) betekenis is, zoals naar voren kwam, (vrijwel) identiek. Bestaat er aanleiding beide woorden een andere juridische betekenis te geven dan de feitelijke betekenis? Zo ja, is die juridische betekenis voor beide begrippen dezelfde? Als tweede leg ik het accent op ‘hebben’ dat taalkundig een betrekking veronderstelt tussen persoon en voorwerp. Is die taalkundig vrij kleurloze relatie nader normatief ingevuld bijvoorbeeld met macht, bevoegdheid of gezag? Als derde komt het accent op het subjectieve bestanddeel. Vloeien uit wet of rechtspraak hier nadere eisen van wetenschap, opzet of schuld bij de ‘aanwezig-/voorhandenhebber’ voort? De opgeworpen vragen worden hierna besproken, maar ik wijs er op dat de vragen elkaar soms overlappen. Bovendien wijs ik er op dat de antwoorden op de vragen in hun onderling verband moeten worden gezien. Er wordt wel gesproken van communicerende vaten. Dat relativeert de vraag naar de imperatieve cumulatie van de drie accenten of criteria. Het voorhanden of aanwezig kan gezien de feitelijke omstandigheden al zo compleet zijn dat daarmee de betrekking en het subjectieve element eveneens zijn gegeven. Ik denk aan iemand die een vuurwapen in handen heeft, het schoon maakt en laadt. 13. Over het eerste accent ben ik kort. De woorden ‘voorhanden’ en ‘aanwezig’ vallen mijn inziens niet alleen feitelijk (vrijwel) samen. Het zijn begrippen van feitelijke aard die geen eigen juridische betekenis hebben. Daarmee zijn deze woorden of begrippen inwisselbaar. Zelfs als wordt verondersteld dat niet volledig is uitgesloten dat beide woorden door de betrekking tot het voorwerp (‘hebben’) en/of een subjectief element worden gekleurd, behoeven de beide woorden hier geen nadere toelichting. De kleuring wordt dan immers niet gegeven door de bewoordingen zelf. Voor voorhanden en aanwezig geldt dat het basisvoorwaarden zijn. Daaraan is voldaan in geval van gemakkelijk feitelijk bereik is en/of directe feitelijke beschikking. De betekenis van de begrippen is daarmee ruim en de wetgever lijkt bij voorhanden hebben ook een ruime uitleg voor ogen te staan. Hier kan de vraag worden opgeworpen of de aard van het voorwerp dat voorhanden of aanwezig is nog enige rol speelt. De neiging valt moeilijk te onderdrukken om als het om een (direct) gevaarlijk voorwerp gaat dat gevaarzettende karakter mee te tellen. Niet onredelijk lijkt mij dat een dergelijk karakter om extra voorzichtigheid van iedere burger vraagt. 14. Dan de tweede vraag inzake de betrekking. Het element ‘hebben’ duidt - als gezegd - op een relatie tussen een persoon (‘hebber’) en een voorwerp. Die relatie kan in theorie bijvoorbeeld bestaan uit (in)formele zeggenschap, feitelijke macht, gezag of bevoegdheid tot bijvoorbeeld beschikking of beheer. Uit de rechtspraak leid ik het volgende af. Er geldt geen toebehorenseis voor de vaststelling dat iemand voorwerpen aanwezig heeft. Bezitten is iets anders dan aanwezig of voorhanden hebben. Bepaalde bevoegdheden zoals beschikkingsbevoegdheid en/of beheersbevoegdheid ten aanzien van het aanwezige voorwerp zijn niet zonder meer vereist. Meer algemeen gezegd geldt niet de eis dat de betrekking van civielrechtelijke aard is. Overigens sluit dat niet uit dat een civielrechtelijk verband tussen persoon en voorwerp een sterke indicatie kan zijn voor (aanwezig/voorhanden) ‘hebben’. De relatie tot het voorwerp kan echter ook puur feitelijk en kleurloos zijn. Vaststelling van de mogelijkheid feitelijk beschikking (macht) over het voorwerp uit te oefenen is soms overbodig. Denk aan voorwerpen die gemakkelijk feitelijk onder het bereik van iemand zijn: voorwerpen die ter plaatse, present zijn. Voldoende kan een relatie tussen degene die aanwezig heeft en het voorwerp zijn die er uit bestaat dat het voorwerp feitelijk onder bereik en feitelijk ter beschikking is. Ik verwijs naar het hierboven al genoemde voorbeeld van iemand die een vuurwapen in handen heeft, het schoon maakt en laadt. In het kader van art. 26 WWM spreekt de Hoge Raad, zoals hierna nog zal worden uiteengezet, van de mogelijkheid om feitelijke macht over het wapen of de munitie uit te oefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De literatuur spreekt vervolgens van de beschikkingsmacht of de machtssfeer en het lijkt er vervolgens op dat dit criterium wordt toegepast op alle strafbaarstellingen waarin voorhanden hebben en aanwezig hebben worden gebruikt. 15. Kan de relatie tussen voorwerp en persoon bestaan uit de omstandigheid dat de persoon zich niet (actief of zichtbaar) distantieert van het voorwerp? Moet hij zich ontdoen van het verboden voorwerp, zich uit de voeten maken of -nog veel verder gaand- zich tot de politie wenden? Aanwezig of voorhanden hebben dat in de kern bestaat uit zich niet distantiëren van een voorwerp dat aanwezig of voorhanden is, gaat in het algemeen te ver. Dat iemand zich niet distantieert zegt namelijk weinig tot niets over de relatie tussen persoon en voorwerp of anders gezegd over de betrokkenheid bij het voorwerp. Het probleem is of distantiëren wel gevergd kan worden. Is de aanwezig/voorhanden ‘hebber’ ertoe in de gelegenheid, in staat of bij machte? Daar komt bij dat hij om zich te kunnen distantiëren moet (feitelijk en normatief) weten dat het voorwerp aanwezig/voorhanden is. 16. Voor de beoordeling door de rechter lijkt mij het betrekkingsvereiste het meest complex en daarom daarover nog enkele nadere opmerkingen. Gemakkelijk bereik van een voorwerp en/of een rechtstreekse feitelijke beschikking over het voorwerp vormen een basisvoorwaarde en daarmee een ondergrens van voorhanden/aanwezig hebben. Ze kunnen voldoende zijn als het bereik zo makkelijk is of de feitelijke beschikking zo rechtstreeks is dat bewustheid van de aanwezigheid van het voorwerp kan worden verondersteld. De prangende vraag is vooral of dat gemakkelijk bereik en/of de feitelijke rechtstreekse beschikking tevens meebrengen dat macht, gezag of bevoegdheid tot beschikking kan worden verondersteld. Ter beschikking staan is iets anders dan ter beschikking hebben. Met de vraag of ter beschikking zijn ter beschikking hebben oplevert, moet voorzichtig worden omgegaan. Het is niet uitgesloten, maar afhankelijk van de omstandigheden. Zowel bij voorhanden hebben als bij aanwezig hebben komt deze problematiek in de rechtspraak aan de orde. Ik geef enkele voorbeelden uit de rechtspraak over de woorden aanwezig hebben. Voor voorhanden hebben in de WWM verwijs ik naar de eerder genoemde recente conclusie van de PG. 17. Er is geen, althans niet zonder meer sprake van opzettelijk aanwezig hebben van in de keuken gevonden cocaïne bij verblijf samen met anderen in een woning en wetenschap van de aanwezigheid van cocaïne in die woning. De Hoge Raad oordeelde dat het bewijs van opzettelijk aanwezig hebben ontoereikend was. Daarmee blijft in het midden of het probleem het bereik, de beschikking of het opzet is. De Hoge Raad gebruikt de termen beschikkingsmacht of machtssfeer hier niet. Ook de aanwezigheid van drugs in een personenauto levert soms hoofdbrekens op. Denk aan de chauffeur die met kennis van de aanwezigheid van drugs in de auto gaat rijden. En wat met de passagier die na de mededeling dat zich in de auto cocaïne bevindt toch instapt? Of voor de passagier die zich ondanks dat hij indringend hennep ruikt laat vervoeren? Of rechtstreeks feitelijk bereik en kennis van aanwezigheid voldoende zijn hangt af van de omstandigheden van het geval en zal van geval tot geval moeten worden beslist. Onvoldoende voor (medeplegen van) opzettelijk aanwezig hebben was het geval dat een ingestapte medeverdachte ondanks de indringende hennepgeur instapte, meereed en zich niet distantieerde van de aanwezigheid van de hennep. Hij hoeft de chauffeur dus bijvoorbeeld niet te vragen te stoppen om te kunnen uitstappen. Een veroordeling voor de niet-opzettelijke variant als pleger lijkt mij hiermee niet uitgesloten. De crux is vooral de wijze waarop het opzettelijk medeplegen is bewezen en niet zo zeer het aanwezig hebben zelf. 18. Als het rechtstreekse feitelijke bereik ontbreekt, is daarmee het aanwezig hebben van een voorwerp nog niet uitgesloten. Iemand kan voorwerpen aanwezig hebben die zich niet onder zijn rechtstreekse bereik, in zijn hand, in zijn huis, in zijn auto of in zijn tuin bevinden. Op een enige wijze moet dan wel een bijzondere relatie tot het voorwerp naar voren komen. Dat kan de (feitelijke) mogelijkheid zijn om over een voorwerp dat zich elders bevindt te beschikken (beschikken over de sleutel van de kastdeur in de woning van een kennis waar het voorwerp ligt) en/of de (juridische) beschikkingsbevoegdheid (de één bewaart een voorwerp van en/of voor een ander; (ook) de ander heeft dan aanwezig). In de praktijk brengt een dealer, chauffeur van een auto, zijn drugs soms onder bij een ander, bijvoorbeeld zijn passagier. Dat sluit de mogelijkheid om feitelijk over die drugs te beschikken niet uit. 19. Silvis noemt beschikkingsmacht een gradueel begrip dat zich in het licht van vaststellingen daaromtrent, leent voor een oriëntatie op wat van een persoon gevergd kan worden in de omstandigheden van een geval. Mijn voorkeur heeft het om niet te spreken van beschikkingsmacht, maar ruimer van een betrekkingsvereiste gelet op het woord ‘hebben’. Het gaat om de betrekking tussen persoon en voorwerp en daarbij kan inderdaad een rol spelen of de persoon feitelijk bij machte is de relatie met een voorwerp te beëindigen. Of dat van hem kan worden gevergd hangt af van de omstandigheden van het geval. Daartoe behoort het gevaarzettende karakter van een voorwerp waarop ik al eerder wees. Naar mate het voorwerp gevaarlijker is, kan van de burger meer worden gevergd. 20. Als derde nu aandacht voor het subjectief bestanddeel. Bij aanwezig hebben in art. 2 OW is er onderscheid tussen een opzettelijke variant die een misdrijf oplevert en een niet-opzettelijke variant die een overtreding oplevert (art. 10 lid 1 aanhef en onder a en lid 3 jo 13 lid 1 en 2 OW). Het subjectieve element opzet moet voor het misdrijf bewezen worden, maar voor de overtreding is bewijs van een subjectief element niet vereist. Dan het voorhanden hebben. Opmerkelijk is dat de Opiumwet dit begrip in art. 10a OW gebruikt, terwijl in de art. 2 (en 3) OW de woorden aanwezig hebben worden gebezigd. Volgens de wetsgeschiedenis is opzet op het voorbereiden en bevorderen van de feiten als bedoeld in het vierde of vijfde lid van art. 10a OW vereist. Het subjectieve element van art. 10a lid 1 onder 3 OW komt voorts tot uitdrukking in de woorden ‘waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’. Witwassen kent voor zover het gaat om het subjectief element verschillende varianten. In de onderhavige zaak gaat het om art. 420bis Sr, een misdrijf waarbij wetenschap van de ‘criminele’ aard van het voorwerp is vereist. Bewezen moet worden dat verdachte (op zijn minst) bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het een voorwerp betrof afkomstig uit enig misdrijf. Zie voor het misdrijf schuldwitwassen art. 420quater Sr. Art. 26 WWM spreekt alleen van voorhanden hebben en die bewoordingen wijzen op een kleurloos begrip en niet op een culpoze en/of doleuze variant. De bewoordingen van art. 26 WWM zijn echter niet doorslaggevend gebleken. In de rechtspraak van de Hoge Raad is het subjectieve element ingelezen in verband met het wettelijk onderscheid tussen misdrijf en overtreding. Het in art. 26 lid 1 WWM strafbaar gestelde feit is een misdrijf (art. 56 jo 55 WWM). Anders gezegd een misdrijf kan niet bestaan zonder subjectief element. De systematiek van het wettelijke onderscheid misdrijf-overtreding heeft het hier gewonnen van de bewoordingen van art. 26 WWM. Ik licht dat nader toe. 21. Over de reikwijdte van ‘voorhanden hebben ‘ in art. 26 WWM overwoog de Hoge Raad in twee arresten van 31 maart 2020 het volgende: “2.3 Op grond van art. 26, eerste lid, Wet wapens en munitie (hierna: WWM) is het verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben. Het handelen in strijd met dit verbod is als misdrijf strafbaar op grond van art. 55 en 56 WWM. 2.4 Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992). Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van art. 26, eerste lid, WWM. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.” De bewoordingen van de Hoge Raad eisen voor voorhanden hebben in art. 26 WWM allereerst: bewust aanwezig hebben. Bewustheid van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie is vereist, maar de bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Het object van het weten is daarmee dus slechts een wapen of munitie. Die bewustheid van het voorhanden hebben van een wapen of munitie kan worden bewezen in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. 23. Rechtsoverweging 2.4 van het zojuist geciteerde arrest bevat daarmee in de woorden van De Hullu (Handboek 8e druk 2021, p. 202) een verduidelijking of wellicht kan beter gesproken worden van twee aanvullingen. De eerste is dat aan het object van de wetenschap te weten aan een wapen en munitie geen specifieke eisen worden gesteld en daardoor is een beperkt, algemene bewustheid van het (voorhanden zijnde) wapen en de (voorhanden zijnde) munitie voldoende. Verder is er een aanwijzing voor de wijze waarop het bewijs van bewustheid van (waarschijnlijke) aanwezigheid valt te leveren. Ik laat die beide punten hier verder vrijwel geheel buiten beschouwing. Het begrip meerdere of mindere mate van bewustheid zelf is niet nader verduidelijkt. Omvat het (alle) varianten van opzet en culpa? 24. Er vallen in r.o. 2.4, voor zover deze ook al eerder is gebruikt, van de Hoge Raad drie dingen op betreffende de eis die de Hoge Raad aan voorhanden hebben stelt: meerdere of mindere mate van bewustheid van (waarschijnlijke) aanwezigheid. Allereerst valt op dat de Hoge Raad hier op zijn minst geen scherp onderscheid maakt tussen voorhanden hebben en aanwezig hebben. Immers de Hoge Raad gebruik het woord ‘aanwezig’, terwijl art. 26 WWM de woorden voorhanden hebben gebruikt. Voorts is zeker weten niet vereist. De ondergrens is een meerdere of mindere mate van bewustheid van de (waarschijnlijke) aanwezigheid. Dat brengt mij op het derde punt: wat houdt die ondergrens nu in? De bewustheidseis bij voorhanden hebben in art. 26 lid 1 WWM wordt door de Hoge Raad niet geformuleerd in de doorgaans bij opzet gebruikte woorden ‘bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans’. De Hoge Raad gebruikt bij art. 26 lid 1 WWM slechts het woord ‘bewust’ en het aanvaarden en het aanmerkelijke karakter van de kans ontbreken in de formulering. De formulering van de Hoge Raad is daarmee nogal ‘open’. Het wilselement komt, nu aanvaarden ontbreekt, niet tot uitdrukking. Het gebruik van alleen het woord bewust sluit voorwaardelijk opzet uit en dat betekent dat art. 26 WWM in zoverre niet zonder meer is gelijk te stellen met een opzettelijk misdrijf. Dat kan ook niet omdat een aanmerkelijk kans niet vereist is, maar slechts waarschijnlijkheid. Ook dat is een minder vergaande eis. De formulering sluit niet uit dat culpa in de vorm van bewuste schuld voldoende is voor voorhanden hebben. Daarop is eerder gewezen. 25. De stand van zaken voor wat het subjectieve element voorhanden hebben (art. 26 WWM, art. 10a OW en witwassen) en bij aanwezig hebben (art. 2 OW) is nu als volgt. - Het in art. 26 lid 1 WWM strafbaar gestelde feit is een misdrijf (art. 56 jo 55 WWM). Daarom wordt de eis van in meerdere of minder mate bewustheid van (waarschijnlijke) aanwezigheid gesteld. Ook na de arresten van 2020 is de inhoud daarvan (met name de ondergrens) niet glashelder. - De voorbereiding zoals strafbaar gesteld in art. 10a OW is een misdrijf en opzet is vereist. Daarbij is het bewust aanvaarden van de aanmerkelijk kans op voorhanden zijn de ondergrens. - Het (niet eenvoudig) witwassen is een misdrijf dat zowel een opzet- als een (bewuste en onbewuste) culpavariant kent. Voor de opzetvariant geldt hetzelfde als bij art. 10a OW. Zie r.o. 2.4 van HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:570. - Bij aanwezig hebben van drugs bestaat er zowel een verschijningsvorm als overtreding als een verschijningsvorm als misdrijf. Naast de opzettelijke variant van aanwezig hebben als misdrijf (art. 13 lid 2 jo 10 lid 3 en 11 lid 2 OW) staat immers de niet opzettelijke variant als overtreding (art. 13 lid 1 jo 10 lid 1 en 11 lid 1 OW). 26. Het subjectieve element kent bij voorhanden hebben vooral overeenkomsten en een enkel verschil te weten de reikwijdte van art. 26 WWM. Het aanwezig hebben van drugs in de art. 2 (en 3) OW is voor wat betreft het subjectieve element wettelijke anders gestructureerd dan het voorhanden hebben. Het niet-opzettelijk aanwezig hebben (van drugs) als overtreding neemt een eigen plaats in. De reikwijdte van het te bewijzen aanwezig hebben behoeft bij deze overtreding niet te zeer beperkt te worden door eisen van de relatie tussen voorwerp en persoon en schuld. Wanneer een voorwerp bereikbaar en ter beschikking is, kan daarmee de relatie tussen persoon en voorwerp en de schuld behoudens contra-indicatie worden verondersteld. Een contra-indicatie kan vorm gegeven worden in een beroep op afwezigheid van alle schuld (avas). Als aannemelijk wordt dat een verdachte niet wist of behoefde te weten dat een voorwerp aanwezig was, moet hij ontslagen worden van alle rechtsvervolging. En die uitspraak ligt eveneens voor de hand als hij weliswaar van de aanwezigheid van het voorwerp de hoogte was, maar hij niet in staat is daaraan een einde te maken (avas in de vorm van verontschuldigbare onmacht). 27. Ik resumeer nu kort mijn bevindingen: - de betekenis van de woorden voorhanden en aanwezig is feitelijk en verschilt (vrijwel) niet; - voorhanden hebben in art. 26 WWM moet gelet op de rechtspraak daarover gezien worden als een geval apart: vereist is de mogelijkheid om feitelijke macht over het voorwerp uit te oefenen in de zin dat daarover kan worden beschikt alsmede is vereist een meerdere of mindere mate van bewustheid van waarschijnlijke aanwezigheid; - de voor voorhanden hebben in art. 26 WWM geldende eisen hebben het karakter van communicerende vaten; in de literatuur wordt verschillend gedacht of de eisen al dan niet cumulatief zijn. Mij lijkt de mate van communicatie een beperking van cumulatie; - voor aanwezigheid hebben heeft de Hoge Raad dergelijke eisen niet met zoveel woorden gesteld. 28. De eis van bewustheid bij voorhanden hebben in art. 26 WWM is een oorzaak of in ieder geval een aanleiding voor verschil tussen voorhanden hebben (in die bepaling) enerzijds en voorhanden hebben (in andere bepalingen) en aanwezig hebben anderzijds. De vraag is of er een goede reden is voor het verschil. De formule van de bewustheid is ontleend aan rechtspraak over de Vuurwapenwet 1919. Onder die oude wet gold aanvankelijk als bepalend criterium om het voorhanden hebben van een wapen aan te merken als een misdrijf dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij het feit beging met een in één van wettelijke verzwaringsgronden genoemde extra gevaarlijke wapens. In 1970 merkte de wetgever alle strafbare feiten in de Wapenwet 1919 aan als misdrijf waarbij gevangenisstraf werd bedreigd. Voor strafbaarheid op grond van art. 3 Vuurwapenwet 1919 eiste de Hoge Raad in 1986 de mindere of meerdere mate van bewustheid die in 2020 opnieuw door de Hoge Raad werd gebruikt. De invulling van art. 26 WWM vroeg om verduidelijking en die is in 2020 gegeven, maar de opheldering is beperkt. Bovendien lijkt er in de rechtspraak een teneur om voor aanwezig hebben en voorhanden hebben in andere strafbepalingen dan art. 26 WWM aan te sluiten bij de rechtspraak over die laatste bepaling. Dat is niet nodig. 29. Voor zover de reden voor het inlezen van de bewustheidseis in art. 26 WWM is (geweest) om aansluiting te zoeken bij de Vuurwapenwet 1919, is dat tegenwoordig moeilijk te volgen. In die laatste wet was het voorhanden hebben van een wapen een misdrijf dat met gevangenisstraf was bedreigd. Indertijd werd gevangenisstraf gezien als een straf die geboden was bij opzet en ernstige mate van culpa. In dat perspectief oordeelde de Hoge Raad het in 1986 kennelijk dienstig om de reikwijdte van het in de Vuurwapenwet 1919 subjectieve bestanddeel in te perken zodat niet alle vormen van culpa er onder vielen. Immers tot de invoering van de Wet herijking strafmaxima werd bij (lichte vormen van) onvoorzichtigheid en onoplettendheid (alternatief) de hechtenisstraf bedreigd. Dat onderscheid is in 2006 vervallen, zodat culpoze misdrijven ongeacht de mate van culpa zijn bedreigd met gevangenisstraf. 30. Nu ik ook geen andere dwingende of goede reden zie om het beperkte criterium ontleend aan de Vuurwapenwet 1919 in te lezen in art. 26 WWM, is het thans het meest passend om de wettelijke structuur van het voorhanden hebben van een vuurwapen te herzien. Naast een opzettelijk (/culpoos) misdrijf bedreigd met gevangenisstraf is er ruimte voor een overtreding variant bedreigd met hechtenis. Daarmee zou een structuur ontstaan die vergelijkbaar is met het aanwezig hebben in de Opiumwet. De Hoge Raad zou een aanzet kunnen geven door nu al in het geldende art. 26 WWM opzet(/culpa) in te lezen in plaats van een meerdere of mindere mate van bewustheid. 31. Het inlezen van opzet(/culpa) in art. 26 WWM heeft mogelijk nog een ander voordeel. De verdachte moet zich dan namelijk niet alleen bewust zijn van de waarschijnlijke aanwezigheid van het voorwerp, maar hij moet die aanwezigheid ook aanvaarden (willen). Het vereiste van het bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans voor alle opzetvarianten van aanwezig hebben en voorhanden hebben betekent niet dat daarmee de bewustheid zich moet uitstrekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van drugs, wapens of geld. Op dat punt dus geen wijziging. Onverhoeds of ongewild kortstondig voorhanden of aanwezig hebben verdraagt zich niet met opzet zodat de uitzondering in het arrest van 2020 is geformuleerd kan vervallen. Er is in zo’n geval geen sprake van opzettelijk voorhanden of aanwezig hebben. Bij niet-opzettelijke voorhanden hebben of aanwezig hebben (als overtreding) zal gezien de eerder geformuleerde basisvereisten (bereik en beschikking) vrij spoedig van vervulling van de delictsomschrijving sprake zijn maar er is enige ruimte voor niet-strafbaarheid door middel van een (slagend) beroep op verontschuldigbare dwaling of onmacht. Kortom zowel bij de opzettelijke als bij de niet opzettelijke variant wordt het machtscriterium in mijn benadering uitgekleed. Er blijft overigens altijd nog de uitweg van de overmacht. Een en ander moet er uiteraard toe leiden dat de onderhavige problematiek eenvoudiger en consistenter kan worden benaderd. 32. Nu kom ik tot de bespreking van de middelen. De eerste zes middelen klagen over de motivering van de bewezenverklaring van de feiten. Daarom geef ik eerst deze bewezenverklaringen weer, alsmede hetgeen door het hof, onder meer in verband met hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, is overwogen: Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: 1. “hij op of omstreeks 1 maart 2015 in de gemeente Brunssum opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer: - 17,60 kilogram MDA (aangetroffen in de grond) en - 30 pillen bevattende 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA) en amfetamine (aangetroffen in een aan hem toebehorende woning) en - 9,04 kilogram MDA-hydrochloride (aangetroffen in 2 pvc buizen), en - 4 kilogram MDA-hydrochloride (aangetroffen in een speciekuip), zijnde MDA en/of tenamfetamine en/of MDM en/of amfetamine en/of MDA-hydrochloride telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I”, 2. “hij op of omstreeks 1 maart 2015 in de gemeente Brunssum, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorhanden heeft gehad: - een grote hoeveelheid stempels ten behoeve van een tabletteermachine, en - 3 kunststof potten gevuld met Platinaoxide (PTO) (in totaal 1220 gram bruto), en - een gemodificeerde industriële centrifuge (vervuild met resten MDMA poeder (indicatief) en donkerkleurige olie (met geur MDMA)), en - een hoeveelheid pannen en - een 200 liter vat (etiket ethanol, restant vloeistof), en - een hoeveelheid jerrycans met aceton en een mengsel van aceton-propanol en - 2 metalen bakken (196 x 96) vervuild met resten MDMA poeder (indicatief), gebruikt voor het drogen van de natte kristallen MDMA, en - een stuk zeil (opgerold, vervuild met olie-achtige vlekken (indicatief positief MDMA)), waarvan verdachte wist die goed(eren) bestemd waren tot het plegen van die feiten”, 3. “hij op of omstreeks 1 maart 2015, in de gemeente Brunssum, van voorwerp, te weten een hoeveelheid geld (€ 216.000,=), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft (gehad), terwijl hij wist dat voornoemd geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf”, 4. “hij op of omstreeks 1 maart 2015 in de gemeente Brunssum, een wapen van categorie II, te weten een vuurwapen (type: Riot gun) en munitie van categorie III, te weten: - 61 hagelpatronen (kaliber: 12 gauche), en/of - 24 kogelpatronen (kaliber: 12 gauche), voorhanden heeft gehad.” 33. In het bestreden arrest heeft het hof het volgende opgenomen (hier weergegeven zonder de voetnoten): “Uit het dossier, onderzoek […] , blijkt het volgende. Op woensdag 9 januari 2013 is een proces-verbaal opgemaakt door de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) van de Nationale Politie, Eenheid Limburg, waaruit, onder meer, naar voren komt dat verdachte zich al jaren bezig houdt met het vervaardigen van amfetamine en XTC, onder andere in de loods die ligt aan de linkerzijde op het terrein van verdachte aan de [a-straat 1] te [plaats] (pagina 88). Op 10 april 2013 is bij de CIE informatie binnengekomen omtrent handel op grote schaal in XTC door verdachte (pagina 89). Op 18 augustus 2014 is informatie binnengekomen bij het Team Criminele Inlichtingen Eenheid Limburg (TCI), inhoudende onder meer dat verdachte veel geheime ruimtes op zijn terrein heeft en dat in deze ruimtes XTC geproduceerd wordt (pagina 90 en 91). Op 6 januari 2015 (pagina 92) en op 29 januari 2015 (pagina 93) zijn voorts TCI-processen-verbaal opgemaakt waaruit blijkt dat verdachte XTC aan het produceren is en dat verdachte blauwe pillen met het Mitsubishi logo slaat. Op 19 februari 2015 is een TCI-proces-verbaal opgemaakt waaruit blijkt dat verdachte een handelaar is in wapens en drugs (pagina 94). Naar aanleiding van deze informatie is op zondag 1 maart 2015 door de politie binnengetreden op het perceel gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] alwaar een doorzoeking heeft plaatsgevonden. Het perceel bestaat uit een woning, waaronder een ondergrondse discotheek bestaande uit verschillende verdiepingen, een tweetal loodsen (te weten een Romneyloods en een loods tegenover de woning) en een groenvoorziening c.q. bamboebosgebied (pagina 9). In de woning zijn diverse goederen in beslag genomen (pagina 10) waaronder 4 busjes traangas, 2 ploertendoders (pagina 20) en geld. In de woning werden voorts verdovende middelen aangetroffen, waaronder hasj, cocaïne en XTC-pillen. In de bijkeuken werden 3 kunststof potten aangetroffen gevuld met naar later bleek platinaoxide. In de loods (pagina 11) tegenover de woning van verdachte (aangeduid als SS5 L) werden tussen hooibalen goederen aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan de vervaardiging van MDMA (pvc-buizen gevuld met MDMA, centrifuge, speciekuipen, pannen, een 200 liter vat, jerrycans, bakken en zeil). In de loods werden tevens handschoenen aangetroffen: groene pvc-handschoenen in een zak, zwarte handschoenen in een speciekuip en groene pvc-handschoenen in een zak (pagina 43). In die loods bevond zich in de linker ruimte een apart gebouwtje (pagina 642). Dit gebouwtje was verdeeld in twee ruimtes. Het plafond van de linker ruimte in het gebouwtje was evenals de TL-buizen vervuild met druppels bruinkleurige olieachtige vloeistof (pagina 644). Tevens was een muur besmet met opgedroogd bruinkleurige olieachtige vloeistof. In de rechter ruimte was een werktafel geplaatst met daarop een hoeveelheid poeder. Gelet op de analyseresultaten is volgens de interpretatie van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (hierna: LFO) het gebouwtje gebruikt voor de vervaardiging c.q. bewerking van synthetische drugs, met name MDA en MD(E)MA, waarbij het plafond en de muren van dit gebouwtje besmet zijn geraakt. Tussen dit aparte gebouwtje en de buitenmuur van de loods was een loze ruimte aanwezig, bereikbaar vanaf het dak van het aparte gebouwtje. Op de opening van de ruimte lagen diverse hooibalen. In die loze ruimte zijn goederen aangetroffen (afval) welke gerelateerd waren aan de vervaardiging van synthetische drugs (pagina 669). Vanaf de begane grond was deze ruimte onbereikbaar door een houten steunbalk. In het bosperceel, bestaande uit bamboebomen, aangeduid als het terrein behorend bij de loods tegenover de woning (SS5 TR, hof: in samenhang met situatieschets pagina 459) werd onder de grond een wit plastic vat met rode deksel aangetroffen met daarin stapels bankbiljetten van 50, 100 en 200 euro, totaal 216.000,= euro. Op maandag 2 maart 2015 is in de woning een vacuümpers in beslag genomen, op het terrein een vuurwapen in een pvc-buis, te weten een Riot gun, met patronen alsmede in de grond (eveneens aangeduid als het terrein behorend bij de loods tegenover de woning (SS5 TR, hof: in samenhang met situatieschets pagina 459)) 14 zakken met 40,46 kilo vermoedelijk MDMA en een ton met stempels ten behoeve van een tabletteermachine (pagina 11). Op 3 maart 2015 is niets ter zake dienende meer in beslag genomen. Op 8 juli 2015 heeft wederom een onderzoek plaatsgevonden in de loods gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] in het kader van een afzonderlijk opsporingsonderzoek (pagina 53). Tijdens deze doorzoeking is onder de betonnen vloer in de loods tegenover de woning in een metalen kist een tabletteermachine alsmede losse stempels en jerrycans aangetroffen. Een stempel was voorzien van het Mitsubishi logo (pagina 55). (…) Met betrekking tot de tenlastegelegde feiten blijkt uit het procesdossier het volgende. feit 1 Op maandag 2 maart 2015 is het terrein van perceel [a-straat 1] te [plaats] doorzocht. Op dit terrein is een bosperceel met bamboebomen. Onder de grond (van het bamboebos) werden aangetroffen en in beslag genomen: - een witte ton met negen plastic zakken met daarin per zak 2,54 kilogram vermoedelijk MDMA en één zak met 1,58 kilogram vermoedelijk MDMA; - een oranje/bruine ton met drie plastic zakken met elk 5,04 kilogram vermoedelijk MDMA en één zak met 0,9 kilogram vermoedelijk MDMA. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft monsters uit deze partijen onderzocht: met betrekking tot de partij in de witte ton (AAHY5275NL) en vier monsters uit de partij in de oranje/bruine ton (AAHY5268NL, AAHY5269NL, AAHY5270NL, AAHY5271NL). Deze monsters testten allemaal positief op MDA. Uit de aanvullende informatie in de desbetreffende rapporten van het NFI blijkt dat MDA onder het synoniem tenamfetamine is vermeld op lijst I van de Opiumwet. In de slaapkamer van de verdachte is op 1 maart 2015 in een dressoir een paars doosje met ongeveer 30 pillen aangetroffen en in beslag genomen. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat die pillen van hem zijn en dat hij ze heeft gekocht als peppillen. Uit het rapport van het NFI blijkt dat de pillen amfetamine bevatten en een lage concentratie MDMA. In de loods tegenover de woning van de verdachte werden tijdens de doorzoeking op 1 maart 2015 aangetroffen: - een PVC-buis, gevuld met beige poeder en brokken met een nettogewicht van 4,39 kilogram; - een PVC-buis, gevuld met beige poeder en brokken met een nettogewicht van 4,65 kilogram; - een speciekuip, gevuld met netto 4 kilogram beige brokken en poeder. De LFO heeft monsters van voornoemde stoffen genomen en deze monsters voor onderzoek aangeboden aan het NFI. Onderzoek door het NFI heeft uitgewezen dat de monsters MDA-hydrochloride bevatten. Het NFI stelt dat MDA-hydrochloride past bij het bewerken van MDA, namelijk de omzetting van MDA-base in het hydrochloridezout van MDA. Blijkens toelichting van de LFO wordt MDA bij de synthese verkregen in de vorm van een base. Deze base kan niet goed verwerkt worden en wordt daarom omgezet in een zout dat de vorm heeft van een poeder. Blijkens de toelichting in voormeld NFI-rapport staat MDA onder het synoniem tenamfetamine vermeld op de bij Opiumwet behorende lijst I van verboden middelen. feit 2 Op 2 maart 2015 is een blauwe ton met daarin 174 stempels en 83 cilinders voor een tabletteermachine onder de grond aangetroffen tijdens de doorzoeking van het bosperceel met bamboebomen op het perceel aan de [a-straat 1] te [plaats] . Deze voorwerpen zijn in beslag genomen. In de bijkeuken van de woning van de verdachte zijn tijdens de doorzoeking op 1 maart 2015 drie potten met 1220 gram vermoedelijk platinaoxide (PTO) aangetroffen en in beslag genomen. Na onderzoek aan de ingestuurde monsters stelt het NFI vast dat het onderzochte poeder platina bevat. Blijkens de rapporten van het NFI wordt deze stof als katalysator gebruikt bij de vervaardiging van MDMA, metamfetamine, MDEA en/of MDA, en is het - aldus het NFI - gezien de marktwaarde van het edelmetaal platina niet aannemelijk dat het poeder als een afvalproduct wordt beschouwd. In de loods tegenover de woning van de verdachte werden door de LFO tijdens de doorzoeking op 2 maart 2015 - voor zover in het kader van de tenlastelegging relevant - aangetroffen en in beslag genomen: - een gemodificeerde industriële centrifuge, vervuild met resten MDA-poeder en donkerkleurige olie (met geur MDMA): - vijf pannen; - een 200 litervat (etiket ethanol, restant vloeistof); - een hoeveelheid jerrycans met aceton en een mengsel van aceton-propanol, dat niet als een afvalstof van de productie van verdovende middelen is te kwalificeren; - twee metalen bakken (196 x 96) vervuild met resten MDMA-poeder (indicatief MDMA), gebruikt voor het drogen van de natte kristallen MDMA; - een stuk zeil, opgerold en vervuild met olie-achtige vlekken (indicatief MDMA). Deze goederen bevonden zich in de linker ruimte van de loods tussen een aantal gestapelde hooibalen, gelegen direct links van roldeur. In een plasticzak die zich bevond tussen de spullen zoals aangetroffen bij de hooibalen in de loods zijn handschoenen aangetroffen met daarop sporen van MDA en celmateriaal met het DNA-profiel van verdachte (matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard). feit 3 Tijdens de doorzoeking van de woning, de loodsen en het bijbehorende perceel van [a-straat 1] te [plaats] , is onder de grond in het bosperceel (aangeduid als het terrein behorend bij de loods tegenover de woning, […] ) met bamboebomen een wit plastic vat aangetroffen met daarin stapels bankbiljetten van 50, 100 en 200 euro, gewikkeld in plastic folie. In totaal gaat het om een bedrag van € 216.000,=. In het proces-verbaal van bevindingen wordt opgemerkt dat er nabij de voordeur van de woning een soortgelijke ton werd aangetroffen. feit 4 Tijdens de doorzoeking van het terrein [a-straat 1] te [plaats] werd op 2 maart 2015 achter een afdak (schuurtje met daarin fitnessapparatuur) tussen het bamboebos en de Romneyloods in de grond een PVC-buis gevonden. In die buis zat een blauwe plastic zak met daarin een Riot gun en 85 patronen. Het wapen en de munitie werden in beslag genomen en onderzocht door een forensisch expert. Die concludeerde dat het een vuurwapen van categorie II sub 3 van de Wet wapens en munitie betreft, dat oorspronkelijk een geweer was. De totale lengte van het vuurwapen is ingekort, zodat dragen niet of minder zichtbaar is en dus heimelijk kan gebeuren. Ten aanzien van de munitie luidt de conclusie dat het gaat om 61 hagelpatronen, kaliber 12 gauche en 24 kogelpatronen, kaliber 12 gauche. Dit betreft munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie. De munitie is geschikt om met het geweer af te vuren. Verweer: wetenschap 1. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de aan hem tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Daartoe is - kort samengevat - aangevoerd dat verdachte niet wist dat zich binnen zijn machtssfeer, te weten op het adres aan de [a-straat 1] te [plaats] , de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde goederen bevonden, te weten de aangetroffen verdovende middelen (feit 1), de goederen bestemd om een feit in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen (feit 2), het geldbedrag ad € 216.000,= (feit 3) en de Riot gun en munitie (feit 4). 2. Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende. Verdachte is sinds 1996 eigenaar van het perceel [a-straat 1] te [plaats] . Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de woning en loodsen op het terrein zelf heeft gebouwd. Ook heeft hij in 2005 de betonnen vloer aangebracht in de loods tegenover de woning. Het bamboebos is door hem zelf aangelegd in 1998 als bamboekwekerij. In de kelder onder de woning had verdachte een bedrijf in motoren; hij hield zich bezig met de inkoop van onderdelen en het vervolgens zelfsamenstellen van motoren. Op de ten laste gelegde datum waren deze bedrijven echter niet meer actief en hield verdachte zich bezig met werkzaamheden als discjockey en met het organiseren van feesten. Hij woont samen met zijn echtgenote, [betrokkene 1] . De tegenover de woning gelegen loods heeft verdachte op 29 april 2009 in het kader van een onteigeningsprocedure aan de provincie verkocht ten behoeve van de aanleg van een rondweg (buitenring Parkstad Limburg). Verdachte had op 1 maart 2015 echter nog steeds het gebruiksrecht op de loods, omdat hij niet wilde dat de gemeente een anti-kraak-instantie zou inschakelen om kraken te voorkomen. Volgens getuige [getuige] wilde verdachte niet dat andere mensen via zijn terrein naar die loods gingen. Afgesproken is dat verdachte voortgezet gebruik had van de loods. De verdachte mocht de loods volgens de afgesproken gebruiksregeling met de provincie niet onderverhuren. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de loods wel heeft verhuurd, vermoedelijk al vanaf 2002. Hij heeft het gebouwtje in de loods zelf gemaakt. Hij verhuurde op de tenlastegelegde datum aan een man van in de 40, die hij aanduidt als 'paardenman', die de loods gebruikte voor onder meer de opslag van twee paarden-aanhangwagens. Verdachte beschikte over een (moeder-)sleutel van de loods. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de woning, het omliggende perceel en de daarop gevestigde loodsen tot de beschikkingsmacht van de verdachte behoorden en dat hij toegang had tot alle onderdelen van het terrein en de zich daarop bevindende gebouwen. 3. Van de zijde van de verdediging is bestreden dat verdachte zich in meer of mindere mate bewust was van de aanwezigheid van de verboden goederen in zijn woning, op zijn terrein en in zijn loods, zoals tenlastegelegd onder de feiten 1 tot en met 4. Verdachte heeft - voor zover hier van belang - blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 7 maart 2017 het volgende verklaard: "Van de meeste goederen had ik geen weet. Er is een gedeelte waar ik wel weet van heb gehad namelijk de goederen die in de loods zijn aangetroffen. Ik doel dan op de loods met daarin de hooibalen en de verborgen ruimte. (...) Ik ontdekte ze per toeval. Op vrijdagavond ging ik de basement klaar maken, want ik organiseerde een feest. De basement is mijn kelder en daar organiseer ik feesten. (...) Ik ben toen boven de poort gaan open maken. Daar rook ik een weeïge lucht. Dat vond ik raar, dus ik heb rondgekeken maar ik zag niets. Ik heb de moedersleutel genomen en ben de loods in gelopen. Op twee platen zag ik poeder. In een andere ruimte zag ik nog meer attributen, zoals fusten, lege kannen (...). Ik ben met de auto naar de gebruiker van de loods gereden. Die bleek niet thuis te zijn. Ik ben weer terug naar huis gereden. Een halfuur later ben ik opnieuw naar de gebruiker van de loods gereden, maar die was nog steeds niet thuis. Ik ben weer terug naar huis gegaan en ben de loods binnen gegaan. Ik heb het poeder in een speciekuip gegooid en heb die kuip bedekt om de geur te dempen. Inmiddels was het half acht of acht uur. Het was al betrekkelijk donker en om acht uur zou de basement open gaan. (...) Op weg naar buiten zag ik naast de deur van de loods een zak staan. Hierin zaten drie potjes. Ik heb die zak met potjes mee naar binnen genomen om te kijken wat er in zat. In mijn werkplaats heb ik de potjes open gemaakt. Ik zag een zwarte substantie. Ik heb er verder niet bij nagedacht en heb de potjes naast mij op de wasbox gezet. In de loods is geen verlichting, dus ik kon bij de loods niet zien wat er in zat. (...) Het was een druk bezochte avond. Mijn vrouw had voor iedereen gekookt. We hadden ongeveer zestig gasten. Het feest duurde tot 03:00 uur. Daarna ben ik gaan slapen. De volgende morgen ben ik vroeg op gestaan (...) Ik ben de loods binnen gegaan om te kijken of het poeder er nog was. Dat bleek het geval; het was nog bedekt. Ik heb in nog twee tonnen gekeken. (...) Pas om 15:00 uur heb ik de gebruiker van de loods getroffen. Ik heb een heftige woordenwisseling met hem gehad. Hij garandeerde mij dat hij het zou regelen. (...) Rond 18:00 uur zag ik hem aankomen in een busje (...). Ik had mijn vrouw niets verteld en ben toen ook niet meer naar de loods gegaan. Ik dacht dat het wel goed zou komen. Om 20.00 uur stond er bovendien een etentje gepland dat ik moest laten doorgaan. Ik wilde namelijk niet dat mijn vrouw ervan zou weten. (...) Toen ik thuis kwam ben ik niet meer naar de loods gegaan, maar ben ik gaan slapen. (...) Vier of vijf uur later was het raak: toen was de inval. (...) Als ik u de naam van de gebruiker noem, kom ik nog meer in de problemen. Ik had de loods bij iemand in gebruik gegeven. Ik heb al problemen, omdat alles wat in beslag is genomen op mij verhaald wordt. Daar krijg ik de schuld van. Ze denken dat ik iets verkeerd heb gedaan. (…) Ik heb de loods altijd verhuurd. (…) Iemand meldde zich voor de loods. Ik wist wie hij was, maar niet wat hij deed. Ik wist alleen dat hij iets met paarden deed. De huurprijs was heel laag en er was geen huurcontract. (...) Ik verhuurde de loods sporadisch om een extra zakcentje te verdienen. (…) Het leverde € 1.500,00 per maand op. (...) Ik wou de stank dempen. Ik rook de geur namelijk buiten de loods en ik verwachtte gasten. Van de situatie in de loods kon ik duidelijk zien dat er iets aan de hand was. Iedereen heeft internet. Ik heb meteen de link met drugs gelegd. Ik heb die handschoenen gebruikt toen ik de loods binnenkwam. Ik heb toen de handeling verricht waar ik eerder over heb verklaard. Ik heb het poeder van de plaat in de speciekuip verplaatst. Dat zal mijn DNA verklaren en ook het poeder op de handschoenen.” Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat de ‘paardenman’ aan wie hij de loods tegenover de woning had verhuurd volgens hem verantwoordelijk is voor niet alleen hetgeen in die loods is aangetroffen, maar dat hij aanneemt dat deze ook verantwoordelijk is voor de in de grond onder het bamboebos aangetroffen goederen en het aangetroffen wapen met munitie. Desgevraagd heeft verdachte geen naam willen noemen van de paardenman, noch wenste of kon hij al te veel in (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.