PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/03216 Datum 3 september 2021 Belastingkamer A Onderwerp/tijdvak Omzetbelasting 1 januari 2011 - 31 december 2013 Nr. Gerechtshof 19/00808 t/m 19/00810 Nr. Rechtbank AWB 17/6313, 17/06314; 17/6316 CONCLUSIE C.M. Ettema in de zaak van [X] B.V. tegen de staatssecretaris van Financiën 1Inleiding Algemeen 1.1 Deze zaak maakt deel uit van een cluster van drie zaken over beheerders van recreatieterreinen die een zuiveringsheffing verschuldigd zijn ter zake van de afvoer van water vanuit het terrein als geheel. Deze zuiveringsheffing berekenen zij naar evenredigheid van de hoeveelheid geleverd water door aan de recreanten. Bij de drie zaken hoort een gemeenschappelijke bijlage waarin ik de btw-problematiek behandel die hierbij speelt. In deze conclusie geef ik alleen de bijzonderheden weer van deze zaak en beoordeel ik in hoofdstuk 2 de middelen. Feiten en geding in feitelijke instanties 1.2 Belanghebbende exploiteert verschillende bosparken, chaletparken en campings (de parken). Zij verhuurt een deel van de kavels op de parken tegen vergoeding aan recreanten. Een ander deel van de kavels is eigendom van de recreanten. Voor die kavels betalen de recreanten een bijdrage aan belanghebbende voor het verlenen van toegang tot het park. De recreanten gebruiken de kavel voor het plaatsen van een chalet of stacaravan. Zij kunnen tegen betaling gebruik maken van de faciliteiten zoals water en elektriciteit. Elk chalet respectievelijk elke stacaravan heeft een aansluiting op het waterleidingnetwerk op het park. 1.3 Het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT) brengt zuiveringsheffing in rekening bij belanghebbende. De hoogte van de heffing wordt vastgesteld door vermenigvuldiging van het aantal vervuilingseenheden met een tarief. 1.4 Belanghebbende berekent de zuiveringsheffing door aan de huurders en eigenaren van de kavels. De hoogte daarvan wordt vastgesteld door vermenigvuldiging van het aantal kubieke meters afgenomen water met € 1,25. De waterafname wordt niet bij elke recreant tegelijk gemeten, maar gewoonlijk eenmaal per jaar en bij beëindiging van het verblijf. Belanghebbende heeft over de doorberekende bedragen geen omzetbelasting berekend. 1.5 Tussen de totaal van het waterleidingbedrijf door belanghebbende afgenomen hoeveelheid water en de totaal van de individuele meters afgelezen hoeveelheid bestaat een verschil. Belanghebbende heeft hier de volgende oorzaken voor aangevoerd: • Niet gelijktijdig opnemen van meters van leverancier en de individuele recreanten. • Niet precies een jaar later opnemen van meters van individuele recreanten. • Lekverliezen doordat meters niet geijkt zijn en daardoor langzamer kunnen lopen. Hierdoor wordt het waterverbruik te laag vastgesteld. Het langzamer lopen wordt doorgaans veroorzaakt door slijtage van meters. In dit kader merkt belanghebbende op dat de parken beschikken over gedateerde meters, hetgeen eerder leidt tot lekverliezen. Het is niet aannemelijk dat meters sneller gaan lopen. • Lekverliezen doordat gebruik wordt gemaakt van koppelingen. Deze koppelingen zijn niet altijd precies goed afgemonteerd of zijn onderhevig aan slijtage. Hierdoor lekt water weg. • Lekverliezen door lekkage bij leidingen in de chalets dan wel op het park. 1.6 De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende over de in verband met de zuiveringsheffing aan de recreanten doorberekende bedragen omzetbelasting had moeten berekenen. Hij heeft daarom over de jaren 2011 tot en met 2013 naheffingsaanslagen opgelegd. 1.7 De rechtbank Gelderland (de Rechtbank) heeft geoordeeld dat de zuiveringsheffing een uitschot van belasting is en dat over de doorberekende lasten geen omzetbelasting verschuldigd is. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslagen vernietigd. 1.8 De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het Hof) heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard voor zover het de naheffingsaanslagen betreft. 1.9 Het Hof heeft daartoe overwogen dat belanghebbende niet de zuiveringsheffing als zodanig op de recreanten verhaalt, maar een forfaitair zelf bepaald bedrag. Naar ’s Hofs oordeel moet het gaan om het aandeel dat de recreant, was hij de aangeslagene, had moeten betalen. Aan die voorwaarde is niet voldaan, omdat belanghebbende een andere formule toepast dan GLBT. Dat belanghebbende heeft gezocht naar een redelijke, evenredige methode om de zuiveringsheffing om te slaan, maakt dit niet anders. Van het uitoefenen van het verhaalsrecht op de voet van de Waterschapswet is geen sprake. Van een zuivere, niet aan de heffing van omzetbelasting onderworpen doorbelasting van kosten, is volgens het Hof evenmin sprake. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de doorberekening niet tot de uitschotten van belasting kan worden gerekend. Daarvoor acht het Hof doorslaggevend dat de zuiveringsheffing niet naar evenredigheid van de aan de recreanten verleende diensten wordt doorbelast. 1.10 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en heeft daarbij twee middelen voorgesteld. 1.11 Middel I betoogt dat het Hof artikel 1 Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) heeft geschonden door te oordelen dat de uitoefening van het verhaalsrecht een aan de omzetbelasting onderworpen prestatie is. Volgens de toelichting heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van het uitoefenen van het verhaalsrecht op de voet van de Waterschapswet. Anders dan waar het Hof vanuit lijkt te gaan, heeft belanghebbende niet meer zuiveringsheffing verhaald dan zij zelf aan GBLT heeft betaald. Een exacte methode om de zuiveringsheffing te berekenen is praktisch onmogelijk. Daarom heeft belanghebbende een redelijke en evenredige methode gebruikt. Het Hof is overigens ook niet bevoegd te beoordelen of belanghebbende het verhaalsrecht juist heeft uitgeoefend omdat dit een civielrechtelijke kwestie is. Verder heeft het Hof ten onrechte niet beoordeeld of tegenover de betaling een handelen of nalaten van de parkexploitant als ondernemer staat. 1.12 Middel II voert aan dat het Hof artikel 4
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.