PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/00331 Datum 13 september 2021 Belastingkamer A Onderwerp Prejudiciële vragen over rentevergoeding bij teruggaaf van BPM; artikelen 30ha, 30hb en 30j AWR Nrs. Rechtbank 19/83 t/m 19/87 en 19/143 t/m 19/150 CONCLUSIE R.L.H. IJzerman Verzoek van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant om een prejudiciële beslissing in het geding tussen: [X] en de inspecteur van de Belastingdienst te Zwolle 1Inleiding 1.1 Heden neem ik conclusie naar aanleiding van het verzoek om een prejudiciële beslissing van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 21 januari 2021, in het geding tussen belanghebbende [X] en de Inspecteur, waarbij de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) in cassatie reageert op de door de Rechtbank aan de Hoge Raad voorgelegde prejudiciële vragen. 1.2 Belanghebbende is auto-importeur en heeft procedures gevoerd met betrekking tot op aangifte voldane belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM). Naar aanleiding van deze voor belanghebbende succesvolle procedures zijn aan belanghebbende teruggaven van BPM verleend. Bij de kennisgeving van de Inspecteur met betrekking tot die teruggaven is telkens een te vergoeden bedrag aan heffings- of belastingrente vermeld. Tegen de hoogte van deze rentebedragen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. 1.3 Naar aanleiding van dit bezwaar heeft Inspecteur uitspraken gedaan waarin de Inspecteur de rentebedragen gehandhaafd heeft. Hiertegen heeft belanghebbende beroep ingesteld. 1.4 In beroep is een scala aan gronden aangevoerd over onder meer de heffing van griffierecht, de weigering van de voormalig gemachtigde van belanghebbende, de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en de vergoeding van proceskosten. Daarnaast richt het beroep van belanghebbende zich tegen de juistheid van de rentebeschikkingen. Hierom gaat het thans in cassatie. 1.5 Naar aanleiding van de beroepsgrond die ziet op de toegekende heffings- en belastingrente heeft de Rechtbank besloten om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. De vragen zien in de eerste plaats op de ontvankelijkheid van de bezwaren van belanghebbende tegen de hoogte van de te vergoeden rentebedragen en in de tweede plaats op de vraag of de Nederlandse heffings- en belastingrenteregelingen voldoen aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. 1.6 Het ontvankelijkheidsvraagstuk is opgekomen omdat in sommige zaken de rechter in zijn uitspraak over de BPM-teruggaven reeds heeft beslist over de rentevergoeding. Is het kennisgevingsbericht van de Inspecteur naar aanleiding van die rechterlijke uitspraak een voor bezwaar vatbare beschikking? En wat zijn de gevolgen van zo’n rechterlijke beslissing voor de eventuele belastingrentebeschikkingen die door de Inspecteur aan belanghebbende zijn gegeven? 1.7 De vragen over de Unierechtelijke houdbaarheid van de heffings- en belastingrenteregelingen zijn opgekomen naar aanleiding van het arrest Sole-Mizo van het Hof van Justitie waarin voor recht is verklaard dat een nationaalrechtelijke rentevergoeding die wordt berekend op basis van een rentevoet die overeenkomt met de basisrentevoet van de nationale centrale bank, terwijl die rentevoet lager is dan die welke een belastingplichtige die geen kredietinstelling is zou krijgen om diezelfde bedragen te lenen, niet voldoet aan het doeltreffendheidsbeginsel. 1.8 De opbouw van deze conclusie is verder als volgt. In onderdeel 2 zijn de door de Rechtbank vastgestelde relevante feiten weergegeven alsmede de voorgelegde prejudiciële vragen. Onderdeel 3 omvat een overzicht van de relevante wetgeving, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur. In onderdeel 4 worden de prejudiciële vragen beoordeeld en beantwoord. 2De feiten en de prejudiciële vragen De feiten 2.1 De Rechtbank heeft de feiten als volgt vastgesteld: 1.1 Belanghebbende voert een onderneming waarbij onder meer tweedehandsauto’s vanuit het buitenland worden geïmporteerd. Aan belanghebbende is, ter zake van verscheidene auto’s, (gedeeltelijke) teruggaaf verleend van eerder op aangifte voldane belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) naar aanleiding van een tegen de desbetreffende voldoening aangewend rechtsmiddel. Bij de kennisgeving van de inspecteur ter zake van een teruggaaf is tevens steeds een bedrag aan (belasting)rente vermeld. De bedragen zijn vermeld in Bijlage 1 bij deze beslissing. Belanghebbende heeft tegen de rentebedragen bezwaar gemaakt. 1.2. Bij uitspraken op bezwaar zijn de rentebedragen gehandhaafd. De uitspraken op bezwaar zijn vervat in drie verschillende brieven. Hiertegen heeft belanghebbende beroep ingesteld bij drie verschillende beroepschriften. Ter zake van de beroepen heeft de griffier per beroepschrift, dus driemaal, griffierecht van € 174 geheven. 2.2 In de bijlage bij de beslissing van de Rechtbank is de volgende tabel opgenomen: Beschikkings-nummer Zaaknr. VIN Datum kennisgeving teruggaaf Reden teruggaaf Type Datum ontvangst bezwaar 1) Bedrag teruggaaf 2) Rente Renteperiode [beschikkingsnummer 1] BRE 19/83 [VIN nummer] 14-03-2018 UOB B 20-04-2018 1) € 160 2) € 35 01-04-2012 / 14-03-2018 [beschikkingsnummer 2] BRE 19/84 [VIN nummer] 14-03-2018 UOB B 20-04-2018 1) € 5 2) € 2 01-04-2012 / 14-03-2018 [beschikkingsnummer 3] BRE 19/85 [VIN nummer] 19-04-2018 Rb Zwb D 28-05-2018 1) € 1719 2) € 379 01-04-2012 / 15-05-2018 [beschikkingsnummer 4] BRE 19/86 ? 17-05-2018 UOB Rb Geld. F 28-06-2018 1) € 1126 2) € 259 1) €679 2) € 156 10-01-2012 / 08-06-2018 [beschikkingsnummer 5] BRE 19/87 [VIN nummer] 31-07-2017 Ambts-halve E 28-08-2017 1) € 660 2) € 113 05-02-2013 / 21-08-2017 [beschikkingsnummer 6] BRE 19/143 [VIN nummer] 10-01-2018 UOB B 19-02-2018 1) € 164 2) €35 01-04-2012 / 30-01-2018 [beschikkingsnummer 7] BRE 19/144 [VIN nummer] 10-01-2018 UOB B 19-02-2018 1) € 1706 2) € 313 01-04-2013 / 30-01-2018 [beschikkingsnummer 8] BRE 19/145 [VIN nummer] 10-01-2018 UOB B 19-02-2018 1) € 1148 2) € 240 01-04-2012 / 30-01-2018 [beschikkingsnummer 9] BRE 19/146 [VIN nummer] 10-01-2018 UOB A 19-02-2018 1) € 1327 2) € 277 01-04-2012 / 30-01-2018 [beschikkingsnummer 10] BRE 19/147 [VIN nummer] 10-01-2018 UOB A 19-02-2018 1) € 622 2) € 130 01-04-2012 / 30-01-2018 [beschikkingsnummer 11] BRE 19/148 [VIN nummer] 10-01-2018 UOB F 19-02-2018 1) € 901 2) € 188 01-04-2012 / 30-01-2018 [beschikkingsnummer 12] BRE 19/149 [VIN nummer] 23-05-2018 Rb Arnhem C 28-06-2018 1) € 1.128 2) € 255 28-12-2011 / 13-06-2018 [beschikkingsnummer 13] BRE 19/150 [VIN nummer] 30-07-2018 Rb Arnhem C 21-08-2018 1) € 117 2) € 27 01-06-2012 / 20-08-2018 A: teruggaaf als gevolg van uitspraak op bezwaar; geen beroep ingesteld. B: teruggaaf als gevolg van uitspraak op bezwaar; in daaropvolgende uitspraak van de rechtbank ook een beslissing over de 30ha-rente. C: teruggaaf als gevolg van een rechterlijke uitspraak waarin tevens een beslissing is gegeven over de rentevergoeding ter zake. D: teruggaaf als gevolg van een rechterlijke uitspraak; in daaropvolgende uitspraak in hogere instantie is ook een beslissing gegeven over de 30ha-rente ter zake van die teruggaaf. E: ambtshalve teruggaaf tegelijk met niet-ontvankelijkverklaring bezwaar; in daaropvolgende rechterlijke procedure(
- s)geen inhoudelijk oordeel over de rente; F: bijzonder geval. Rechtbank Zeeland-West-Brabant Geschil 2.3 Het geschil in eerste instantie is door de Rechtbank als volgt omschreven: 2.1. Belanghebbende heeft diverse beroepsgronden aangevoerd. In de kern gaat het om de volgende standpunten: • De heffing van griffierecht vooraf is in strijd met Europees recht; de hoogte van het griffierecht is ook in strijd met het Unierecht. • De beslissing van de rechtbank tot weigering van de voormalig gemachtigde is in strijd met het Unierecht. • De hoorplicht en het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel zijn geschonden. • Belanghebbende is in zijn belangen geschaad door de weigering van de voormalig gemachtigde in de bezwaarfase. • De rentebeschikkingen zijn onjuist. • De rechtbank mag niet beslissen zonder eerst prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. • Er bestaat recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. • Er bestaat recht op een vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar en in beroep. • Er bestaat recht op vergoeding van rente bij terugbetaling van griffierecht. In de pleitnota van belanghebbende van 23 oktober 2020 zijn verder vele passages opgenomen die op de heffing van BPM zelf betrekking hebben. Op de tweede zitting heeft belanghebbende gemeld dat deze passages als niet relevant voor de onderhavige procedure kunnen worden beschouwd. 2.2. De inspecteur heeft aanvankelijk geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen. Op de tweede zitting heeft de inspecteur het nadere standpunt ingenomen dat de rente niet opnieuw beoordeeld kan worden in de gevallen waarin al eerder een rechter heeft geoordeeld over de rente ter zake van dezelfde teruggaaf. De prejudiciële vragen 2.4 Naar aanleiding van deze procedure heeft de Rechtbank besloten de volgende prejudiciële vragen voor te leggen aan de Hoge Raad: 1a) Staat bezwaar open tegen een rentevergoeding vermeld op een kennisgeving door de inspecteur van een teruggaaf van BPM die op aangifte is voldaan, indien eerder in een rechterlijke uitspraak in een procedure met betrekking tot de voldoening op aangifte reeds is beslist over een rentevergoeding ter zake van die teruggaaf? 1b) Is het voor het antwoord op vraag 1a) relevant of (
- i)de kennisgeving – al dan niet specifiek ter zake van de rente – melding maakt van een ‘beschikking’ en/of een rechtsmiddelverwijzing bevat en (
- ii)of de rente die is vermeld op de kennisgeving al dan niet afwijkt van de beslissing over de rente in de rechterlijke uitspraak? 2a) Dient de inspecteur een bezwaar dat is gemaakt tegen de op grond van artikel 30ha en 30j van de AWR bij beschikking vastgestelde rentevergoeding ter zake van een teruggaaf van BPM die op aangifte is voldaan, niet-ontvankelijk te verklaren, indien – vóórdat de uitspraak op dat bezwaar is gedaan – een rechter in de procedure tegen de voldoening op aangifte inmiddels heeft beslist over de hoogte van de rentevergoeding op grond van artikel 30ha van de AWR ter zake van die teruggaaf? 2b) Is het voor het antwoord op vraag 2a) relevant of de hoogte van de laatstbedoelde rentevergoeding al dan niet afwijkt van de eerstbedoelde rentevergoeding? 3) Is de opvatting juist dat voor de bepaling of sprake is van een rechterlijke beslissing over een rentevergoeding als bedoeld in de vragen 1a) en 2a), hetgeen in rechterlijke uitspaak in de beslissing (‘het dictum’) is opgenomen ter zake van de rente moet worden uitgelegd in het licht van de overwegingen in die uitspraak? Is de opvatting juist dat aan het oordeel dat sprake is van een rechterlijke beslissing, niet in de weg hoeft te staan dat niet exact het rentebedrag is vermeld maar de hoogte van de rentevergoeding meer in abstracte zin is vermeld? Zijn er nog andere meer algemene gezichtspunten die van belang zijn voor de bepaling of sprake is van een rechterlijke beslissing als hiervoor bedoeld? 4a) Voldoet een rentevergoeding op basis van artikel 30ha van de AWR voor zover het gaat om de in artikel 30hb AWR (tekst tot 1 juni 2020) neergelegde rentevoet en de methode van enkelvoudige berekening, zonder meer aan de eisen die uit het doeltreffendheidsbeginsel voortvloeien ter zake van een rentevergoeding bij teruggaaf van in strijd met het Unierecht geheven BPM? 4b) Zo dat niet het geval is, op basis van welke maatstaf en welke uitgangspunten moet getoetst worden of die rentevoet in samenhang bezien met de methode van enkelvoudige berekening leidt tot een rentevergoeding die het doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigt? 4c) Zo het doeltreffendheidsbeginsel zich ertegen verzet dat de rentevergoeding wordt berekend op basis van de in artikel 30hb AWR (tekst tot 1 juni 2020) neergelegde rentevoet in samenhang bezien met de methode van enkelvoudige berekening, op basis van welke maatstaf en welke uitgangspunten moet dan rechtsherstel plaatsvinden? 4d) Worden de antwoorden op de vragen 4a, 4b en 4c anders indien het gaat om een rentevergoeding ter zake van een teruggaaf van BPM die verband houdt met een BPM-schuld die is ontstaan vóór 1 januari 2012, en zo ja in welk opzicht? Toelichting op de prejudiciële vragen 2.5 Ter zake van de eerste drie vragen heeft de Rechtbank de volgende toelichting opgenomen: Achtergrond 3.4. De rentebedragen die in geschil zijn, betreffen belastingrente die is vergoed op basis van artikel 30ha van de AWR (hierna: 30ha-rente). Belanghebbende stelt niet dat op grond van de AWR recht bestaat op meer rente dan is berekend. Belanghebbende neemt het standpunt in dat de rente over een te korte periode is berekend omdat uit het Unierecht volgt dat recht bestaat op een rentevergoeding over een langere periode. Belanghebbende neemt daarbij klaarblijkelijk het standpunt in dat de omstandigheid dat een verzoek om een aanvullende rentevergoeding kan worden gedaan op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990, daaraan niet afdoet, omdat het Unierecht meebrengt dat rechtstreeks aanspraak kan worden gemaakt op een adequate rentevergoeding, dus zonder een verzoek te hoeven doen. Verder neemt belanghebbende het standpunt in dat de rentevergoeding te laag is omdat uit het Unierecht volgt dat het toegepaste rentepercentage te laag is. Belanghebbende verwijst in dat verband naar het arrest Sole-Mizo. 3.5. Indien de inspecteur een 30ha-rentevergoeding vaststelt, gebeurt dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking op grond van artikel 30j van de AWR. Tegen een beschikking waarbij 30ha-rente is vergoed, staat als uitgangspunt dan ook bezwaar en vervolgens beroep open. Dat geldt ook als de rente wordt vergoed bij een teruggaaf als gevolg van een rechterlijke uitspraak. 3.6. Op het eerste gezicht heeft de inspecteur dan ook terecht in deze zaken het bezwaar tegen de rente inhoudelijk behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is deze handelwijze ook juist geweest in de zaken met zaaknummers 19/146 en 19/147. In die zaken is aan de orde dat de teruggaaf een gevolg was van een uitspraak op bezwaar en is over de teruggaaf verder ook niet meer geprocedeerd. In de andere zaken ligt het echter complexer. Dit heeft te maken met het volgende. 3.7. De voormalig gemachtigde procedeert zeer veel in BPM-zaken. In zaken betreffende de voldoening van BPM op aangifte is vanaf enig moment in voorkomende gevallen de volgende praktijk ontstaan bij deze rechtbank. De voormalig gemachtigde maakte in dergelijke zaken ook aanspraak op vergoeding van 30ha-rente. Om proceseconomische redenen kwamen partijen ter zitting overeen dat bij de bestreden uitspraak op bezwaar tegen de voldoening tevens een 30ha-rentebeschikking geacht wordt te zijn genomen en dat, voor zover nodig, zij instemmen met rechtstreeks beroep tegen de 30ha-rentebeschikking, zodat de rechtbank daarover een beslissing kon nemen. Het ‘voor zover nodig’ hield ermee verband dat op het eerste gezicht verschillende opvattingen mogelijk zijn over de aard van een 30ha-rentebeschikking bij een teruggaaf als gevolg van een uitspraak op bezwaar. Betoogd kan worden dat zo’n 30ha-rentebeschikking een primaire beschikking is, waartegen als uitgangspunt eerst bezwaar moet worden gemaakt voordat beroep kan worden ingesteld. Steun daarvoor zou kunnen worden gevonden in een arrest van de Hoge Raad. Betoogd kan echter ook worden dat zo’n 30ha-rentebeschikking procedureel ‘meeloopt’ met het inhoudelijke geschil betreffende de BPM. In dat geval is de weg van ‘rechtstreeks beroep’ niet nodig. 3.8. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft inmiddels deze laatste opvatting juist geacht: “4.4. Het voorgaande roept de vraag op of bij het ontbreken van een beschikking als bedoeld in artikel 30j van de AWR, in de onderhavige procedure dit geschilpunt aan de orde kan komen. Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend. In de beslissing op bezwaar tegen de voldoening op aangifte, ligt impliciet een beschikking besloten om geen rente te vergoeden. Het Hof past hier de rechtspraak zoals gewezen voor verliesvaststellingsbeschikkingen analoog toe (zie Hoge Raad 16 december 2005, nr. 41 587, ECLI:NL:HR:2005:AU8169, BNB 2006/73). Een geschil over een beschikking inzake de belastingrente loopt mee met het geschil over de verschuldigde materiële heffing (zie artikel 24a, derde lid, van de AWR). Het Hof merkt hierbij op dat dit uitsluitend geldt voor de belastingrente die op de voet van de bepalingen van de AWR moet worden vergoed en niet voor de invorderingsrente die op grond van artikel 28c van de IW wordt vergoed. In dat laatste geval dient immers een verzoek te worden gedaan en beslist de ontvanger van de Belastingdienst bij beschikking ex. artikel 30 IW op een dergelijk verzoek. De belastingrente volgt daarentegen rechtstreeks uit de wettelijke bepalingen van de AWR en wordt weliswaar ook vastgesteld bij afzonderlijke beschikking, maar deze beschikking is - in beginsel - opgenomen op het aanslagbiljet, op het afschrift van de uitspraak of op de teruggaafbeschikking.” 3.9. Ook buiten het ressort van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch is er rechtspraak waarin in een geschil over de voldoening op aangifte, tevens geoordeeld wordt over de 30ha-rente. 3.10. Een deel van de onderhavige zaken laat zien dat in gevallen waarin reeds is geoordeeld door een rechter over de 30ha-rente ter zake van een teruggaaf, toch weer geprocedeerd wordt over de 30ha-rente ter zake van diezelfde teruggaaf. Voor zover in die zaken aan de eerdere benadering dat de rechter in het kader van de BPM-procedure ook heeft geoordeeld over de 30ha-rente het doel van proceseconomie ten grondslag lag, is dat doel niet bereikt. De rechtbank onderscheidt in hoofdzaak twee situatietypen. Eerste situatietype 3.11. Bij dit situatietype gaat het om het volgende. In een rechterlijke uitspraak betreffende de uitspraak op bezwaar tegen een voldoening op aangifte wordt beslist tot teruggaaf van BPM. In dezelfde uitspraak wordt ook beslist over de (30ha-)rente ter zake van die teruggaaf. Vervolgens volgt een bericht van de inspecteur met een kennisgeving van de teruggaaf waarbij ook een rentebedrag wordt vermeld. Tegen dat rentebedrag wordt vervolgens bezwaar gemaakt en daarna beroep ingesteld. Een voorbeeld van dit situatietype zijn de zaken met nummers 19/149 en 19/150. 3.12. De rechtbank heeft de voorlopige opvatting dat het in dit situatietype niet mogelijk is om bezwaar te maken tegen de rentevermelding op de kennisgeving. Die rentevermelding is namelijk – naar de voorlopige opvatting van de rechtbank – geen beschikking maar een uitvoering van de rechterlijke uitspraak waarbij de 30ha-rentevergoeding(beschikking) is vastgesteld dan wel de rentevergoeding bij wege van schadevergoeding is vastgesteld. Indien de betrokkene het niet eens is met de rentevergoeding zoals vastgesteld in de rechterlijke uitspraak, kan deze rechtsmiddelen aanwenden tegen de rechterlijke uitspraak. 3.13. De rechtbank heeft de voorlopige opvatting dat dit een en ander niet anders is indien de kennisgeving melding maakt van een ‘beschikking’ en/of de kennisgeving een rechtsmiddelverwijzing bevat. Een handeling van een bestuursorgaan is immers niet reeds een beschikking omdat de handeling het ‘etiket’ beschikking krijgt en/of een rechtsmiddelverwijzing wordt opgenomen. Of sprake is van een beschikking moet materieel worden beoordeeld. De rechtbank heeft tevens de voorlopige opvatting dat het voorgaande evenmin anders wordt indien (de belanghebbende stelt dat) de rente op de kennisgeving afwijkt van de rente zoals vastgesteld in de rechterlijke uitspraak. Indien in geschil is of de inspecteur een rechterlijke uitspraak wel juist heeft uitgevoerd, is de aangewezen weg om dat aan de civiele rechter voor te leggen. 3.14.De rechtbank maakt in verband met dit een en ander de vergelijking met een rechterlijke uitspraak waarbij een aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen wordt verminderd en vervolgens de inspecteur (althans ‘Apeldoorn’) een biljet stuurt waarop de vermindering is verwerkt. Tegen de kennisgeving van die vermindering staat geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel open, ook niet indien het biljet ten onrechte melding maakt van ‘uitspraak op bezwaar’ en/of een rechtsmiddelclausule bevat. Dat is niet anders indien een geschil erover bestaat of de inspecteur de vermindering van de aanslag wel op de juiste wijze heeft verwerkt, bijvoorbeeld de heffingskortingen wel op de juiste wijze heeft aangepast. Tweede situatietype 3.15.Bij het tweede situatietype gaat het om het volgende. Bij uitspraak op bezwaar tegen de voldoening van BPM op aangifte is besloten tot een gedeeltelijke teruggaaf. Bij de kennisgeving van die teruggaaf wordt melding gemaakt van een vergoeding van 30ha-rente. Tegen die rente wordt bezwaar gemaakt, waarna beroep wordt ingesteld. Bij de beoordeling van dat beroep blijkt echter dat in de rechterlijke procedure betreffende de uitspraak op bezwaar tegen de voldoening van BPM op aangifte (hierna: de BPM-procedure), de rechter inmiddels heeft beslist over de 30ha-rente ter zake van die teruggaaf. Een voorbeeld van dit situatietype is de zaak 19/83. Een variant op dit situatietype is de situatie aan de orde in de zaak 19/85. De rechtbank heeft in die zaak in de BPM-procedure beslist tot een teruggaaf zonder een beslissing te nemen over de 30ha-rente. Vervolgens is een kennisgeving teruggaaf gevolgd waarop 30ha-rente is vermeld. Tegen die rente(beschikking) is bezwaar gemaakt. Bij de onderhavige beoordeling van het beroep tegen die uitspraak op bezwaar (tegen de rente) blijkt dat in het hoger beroep in de BPM-procedure, de hogerberoepsrechter inmiddels geoordeeld heeft over de 30ha-rente ter zake van de teruggaaf. 3.16. Allereerst verdient opmerking dat – anders dan bij het eerste situatietype – de vaststelling van de 30ha-rentevergoeding bij de kennisgeving teruggaaf wel is aan te merken als een 30ha-rentebeschikking waartegen bezwaar en beroep openstaat. De rechtbank heeft de voorlopige opvatting dat met betrekking tot die 30ha-rentebeschikking echter niet meer afzonderlijk de bezwaar- en beroepsprocedure (verder) kan worden doorlopen, zodra over de 30ha-rente ter zake van diezelfde teruggaaf al is beslist door de rechter in de BPM-procedure (hetzij via de in 3.7 vermelde constructie van rechtstreeks beroep hetzij via de verliesbeschikkingsanalogie zoals vermeld in 3.8). (Verdere) rechtsmiddelen tegen de 30ha-rentebeschikking kunnen wel worden aangewend, maar dan alleen door rechtsmiddelen aan te wenden tegen de uitspraak in de BPM-procedure waarin is beslist over de 30ha-rente ter zake van die teruggaaf. 3.17. Het voorgaande brengt bijvoorbeeld mee dat indien de uitspraak in de BPM-procedure is gedaan waarbij ook beslist is over de 30ha-rentevergoeding over de eerder verleende teruggaaf, terwijl de inspecteur nog geen uitspraak heeft gedaan op het afzonderlijk gemaakte bezwaar tegen de 30ha-rentebeschikking, de inspecteur niet meer inhoudelijk op dat bezwaar mag beslissen. De rechtbank gaat er vooralsnog van uit dat de inspecteur in zo’n geval het bezwaar niet-ontvankelijk zou moeten verklaren, aangezien bezwaar niet meer mogelijk is en een niet-ontvankelijkverklaring duidelijkheid biedt. 3.18. De rechtbank heeft de voorlopige opvatting dat het voorgaande niet anders wordt indien de rente op de kennisgeving afwijkt van de rente zoals vastgesteld in de rechterlijke uitspraak. Indien de rente op de kennisgeving hoger is, dan heeft belanghebbende ‘geluk’. Als de rente op de kennisgeving lager is, dan neemt dat niet weg dat de inspecteur nog steeds is gehouden de rechterlijke uitspraak uit te voeren. Heeft de rechter beslist over de 30ha-rente? 3.19. Hiervóór is uitgegaan van de situatie dát reeds in een rechterlijke uitspraak over de rentevergoeding is beslist. De vraag óf dat het geval is, betreft een kwestie van uitleg van de desbetreffende rechterlijke uitspraak. De in de bijlage vermelde uitspraken laten een variëteit zien van manieren waarop in rechterlijke uitspraken een beslissing inzake de (30ha-)rente worden geformuleerd in ‘het dictum’. De bedoelde uitleg ligt als uitgangspunt op het terrein van de feitenrechter. Niettemin wordt hierover een vraag aan de Hoge Raad voorgelegd, omdat duidelijkheid geboden zou kunnen worden over een aantal aspecten. De rechtbank heeft daarover de volgende voorlopige opvatting. 3.19.1. Van een rechterlijke beslissing over de rentevergoeding kan niet worden gesproken indien de rechterlijke uitspraak niet meer inhoudt dan dat de rechter opdracht geeft aan de inspecteur om een beschikking te nemen waarbij 30ha-rente wordt vergoed. Naar de rechtbank voorkomt moet de vraag of beslist is dan wel slechts een opdracht is gegeven, niet worden beantwoord aan de hand van alleen wat in het dictum is vermeld, maar door uitleg van wat in het dictum is vermeld in het licht van de overwegingen in de uitspraak. Een voorbeeld is de in 3.8 vermelde uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Gelet op alleen het dictum (“bepaalt dat de Inspecteur op grond van artikel 30ha van de AWR belastingrente dient te vergoeden over de teruggaaf van € 57, voor zover dit nog niet heeft plaatsgevonden”) zou wellicht nog getwijfeld kunnen worden of niet toch sprake is van enkel een opdracht, maar in het licht van de in 3.8 vermelde overwegingen is duidelijk dat het Gerechtshof een beslissing over de (impliciete) 30ha-beschikking heeft gegeven. 3.19.2. Verder is het, naar de voorlopige opvatting van de rechtbank, voor de vraag óf in een rechterlijke uitspraak wel over de rentevergoeding is beslist, niet van belang of in de beslissing exact het rentebedrag is vermeld. Ter vergelijking: in een rechterlijke uitspraak waarbij een aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen wordt verminderd, wordt doorgaans ook niet het exacte bedrag van de aanslag, dat wil zeggen het bedrag aan inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, vermeld in het dictum, maar wordt vermeld dat de aanslag wordt verminderd tot een aanslag naar een bepaald (lager) belastbaar inkomen. Evenzo kan een beslissing over de rentevergoeding bestaan uit een meer abstracte beschrijving van de renteberekening, bijvoorbeeld de vermelding van de periode waarover de 30ha-rente berekend moet worden (of zelfs nog abstracter zoals de formulering die is weergegeven in 3.19.1, tweede alinea). Opmerking verdient daarbij dat, naar de rechtbank voorkomt, het ontbreken van de vermelding van de hoogte van het rentepercentage en/of de methode van renteberekening (bijvoorbeeld samengesteld of enkelvoudig) als uitgangspunt niet wegneemt dat toch van een rechterlijke beslissing over de rentevergoeding kan worden gesproken. Daarbij is van belang dat deze elementen van de berekening in de wet zijn opgenomen. 2.6 Met betrekking tot de vraag over de hoogte van de rentevergoeding, vraag 4, heeft de Rechtbank de volgende overwegingen opgenomen in zijn beslissing: De hoogte van de rentevergoeding 3.20. Gelet op het voorgaande wordt mogelijk niet in alle zaken aan een beoordeling van de inhoudelijke klachten tegen de rentevergoeding toegekomen. In een aantal zaken is dat wel het geval. Belanghebbende heeft naast de klacht dat over een langere periode rente moet worden vergoed dan waarin de AWR voorziet, ook aangevoerd dat met betrekking tot de periode waarover de 30ha-rente wel is vergoed de rentevergoeding te laag is. Belanghebbende heeft daarbij een beroep gedaan op het arrest Sole-Mizo, waaruit volgens belanghebbende volgt dat recht bestaat op een rentevergoeding op basis van een rentepercentage dat commerciële banken hanteren voor het lenen van geld. 3.21. Beide partijen gaan ervan uit dat de zaken onder de werkingssfeer van het Unierecht vallen en dat de rentevergoeding in overeenstemming moet zijn met het doeltreffendheidsbeginsel. De rechtbank ziet geen aanleiding van deze uitgangspunten af te wijken, in aanmerking genomen dat – naar de rechtbank begrijpt – steeds sprake is van rentevergoeding ter zake van een (gedeeltelijke) teruggaaf van BPM die eerder op aangifte is voldaan ter zake van de registratie van een auto die eerder in een andere lidstaat was geregistreerd en dat deze heffing van BPM in overeenstemming dient te zijn met artikel 110 VWEU. De rechtbank merkt nog op dat in het midden kan blijven of wel sprake is van in strijd met het Unierecht geheven BPM, in het geval bij uitspraak op bezwaar een bedrag aan eerdere voldane BPM wordt teruggegeven en de omstandigheid dat belanghebbende eerder zelf dat bedrag te veel op aangifte had voldaan niet aan de Belastingdienst is toe rekenen. Niet gesteld is dat een zodanig geval aan de orde is in een van deze zaken. 3.22. Bij een 30ha-rentevergoeding tot 1 juni 2020 is sprake van een vergoeding op basis van de methode van enkelvoudige berekening en een rentepercentage dat gelijk is aan het percentage van de zogenoemde wettelijke rente, met vanaf 1 april 2014 een minimumpercentage van 4 (hierna: de AWR-berekeningsmethode). De rechtbank leidt uit een arrest uit 2014 af dat de Hoge Raad de AWR-berekeningsmethode in overeenstemming met het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel heeft geacht (“de in artikel 30f, lid 5, AWR (tekst 2012) en in artikel 30hb AWR (tekst vanaf 2013) neergelegde rentevoeten en de methode van enkelvoudige berekening [voldoen]”). In recente rechtspraak van feitenrechters wordt dit arrest ook als leidraad genomen. De stelling met het beroep op het arrest Eesti Pagar dat aangesloten moet worden bij de marktrente, is daarbij verworpen met de motivering dat dat arrest gaat over een andere situatie namelijk de verplichting om onrechtmatige staatssteun terug te vorderen, inclusief rente. 3.23. Het relatief recente, door belanghebbende aangehaalde, arrest Sole-Mizo roept (echter) de vraag op of zonder meer kan worden gezegd dat de AWR-berekeningsmethode in overeenstemming is met het doeltreffendheidsbeginsel. Het Hof van Justitie overweegt onder meer: “37 Bij gebreke van een Unieregeling is het een aangelegenheid van het interne recht van elke lidstaat om de voorwaarden vast te stellen waaronder deze rente moet worden betaald, met name de rentevoet en de wijze waarop de rente wordt berekend (enkelvoudige dan wel samengestelde rente). Deze voorwaarden moeten in overeenstemming zijn met het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel, dat wil zeggen dat zij niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen op basis van het nationale recht gelden en evenmin van dien aard mogen zijn dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk maken (…). Die voorwaarden moeten eveneens het beginsel van fiscale neutraliteit eerbiedigen (…). 43 In de tweede plaats verlangt het doeltreffendheidsbeginsel dat de nationale regels voor de berekening van de rente die eventueel verschuldigd is wanneer een belastingplichtige verzoekt om teruggaaf van het in strijd met het Unierecht ingehouden overschot aan aftrekbare btw, er niet toe leiden dat de belastingplichtige een passende vergoeding wordt ontzegd voor het verlies dat wordt veroorzaakt doordat hij niet over de betrokken bedragen kon beschikken (…). 44 In die context moet onder de aandacht worden gebracht dat het beginsel van fiscale neutraliteit — in het licht van het doel van de betaling van rente op btw-overschotten die door een lidstaat in strijd met het Unierecht zijn ingehouden, dat erin bestaat de financiële verliezen te compenseren die de belastingplichtige heeft geleden doordat hij niet over de betrokken bedragen kon beschikken — verlangt dat de regels voor de betaling van rente op zodanige wijze worden vastgesteld dat de economische last van de ten onrechte ingehouden belastingbedragen kan worden gecompenseerd (…). 45 In casu twijfelen de verwijzende rechters of de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde praktijk van de belastingdienst verenigbaar is met de in de vorige twee punten van het onderhavige arrest genoemde beginselen, gelet op de rentevoet waarin de §§ 124/C en 124/D van het wetboek fiscaal procesrecht voorzien en op het tijdvak waarop de rente wordt toegepast. 46 Wat die rentevoet betreft, schrijven de §§ 124/C en 124/D van dat wetboek voor dat op het btw-overschot rente wordt betaald tegen een rentevoet die overeenkomt met de basisrentevoet van de Hongaarse centrale bank. Dat is de rentevoet die de nationale centrale bank toepast op de belangrijkste herfinancieringsverrichtingen. Zoals de advocaat-generaal in de punten 72 en 74 van zijn conclusie heeft uiteengezet, zou een belastingplichtige die bij een bank een bedrag ten belope van het overschot aan aftrekbare btw moet lenen om het tekort aan cashflow te compenseren dat resulteert uit de niet-teruggaaf van het overschot aan aftrekbare btw dat in strijd met het Unierecht is ingehouden, echter een hogere rente moeten betalen dan de basisrente van de nationale centrale bank, die alleen voor kredietinstellingen geldt. (…) 49 Een nationale praktijk volgens welke bij de teruggaaf, op verzoek van de belastingplichtige, van een overschot aan aftrekbare btw dat in strijd met het Unierecht is ingehouden, de rente op dat bedrag 1) wordt berekend op basis van een lagere rentevoet dan de rentevoet die een belastingplichtige die geen kredietinstelling is, zou krijgen om datzelfde bedrag te lenen, en 2) loopt gedurende een bepaald aangiftetijdvak, zonder dat rente wordt toegepast om de belastingplichtige te vergoeden voor de geldontwaarding die het gevolg is van het tijdsverloop na dat aangiftetijdvak tot op het ogenblik waarop de rente daadwerkelijk wordt betaald, kan de belastingplichtige echter een passende vergoeding ontzeggen voor het verlies dat is veroorzaakt doordat hij niet over de betrokken bedragen kon beschikken, en verdraagt zich dus niet met het doeltreffendheidsbeginsel. Daarnaast kan een dergelijke praktijk de economische last van de ten onrechte ingehouden belastingbedragen, anders dan het beginsel van fiscale neutraliteit verlangt, niet compenseren. (…) 51 Gelet op een en ander moet op de eerste drie vragen in zaak C-13/18 en op de eerste twee vragen en het eerste onderdeel van de zevende vraag in zaak C-126/18 worden geantwoord dat het Unierecht en, in het bijzonder, de beginselen van doeltreffendheid en fiscale neutraliteit aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een praktijk van een lidstaat waarbij de rente op de overschotten aan aftrekbare btw die door die lidstaat in strijd met het Unierecht langer dan redelijk is zijn ingehouden, wordt berekend op basis van een rentevoet die overeenkomt met de basisrentevoet van de nationale centrale bank, terwijl die rentevoet lager is dan die welke een belastingplichtige die geen kredietinstelling is, zou krijgen om diezelfde bedragen te lenen, en de rente op de betrokken btw-overschotten bovendien gedurende een bepaald aangiftetijdvak loopt zonder dat rente wordt toegekend om de belastingplichtige te vergoeden voor de geldontwaarding die het gevolg is van het tijdsverloop na dat aangiftetijdvak totdat de rente daadwerkelijk wordt betaald.” 3.24. De rechtbank onderkent dat het arrest Sole-Mizo is gewezen voor de omzetbelasting en dat het neutraliteitsbeginsel in de overwegingen van het Hof van Justitie een belangrijke rol speelt. De rechtbank heeft niettemin de voorlopige opvatting dat dit arrest ook als richtsnoer kan dienen voor de betekenis van het doeltreffendheidsbeginsel ter zake van een rentevergoeding in BPM-zaken voor zover die onder de werkingssfeer van het Unierecht vallen. Ten eerste, de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad over een adequate rentevergoeding (‘Irimie-rente’) in BPM-zaken was gebaseerd op jurisprudentie die ook in het arrest Sole-Mizo wordt aangehaald. Ten tweede, het neutraliteitsbeginsel in de omzetbelasting is een uitdrukking van het gelijkheidsbeginsel, welk beginsel ook tot uitdrukking komt in artikel 110 VWEU. Daarbij komt dat de strekking van artikel 110 VWEU er evenzeer voor pleit dat een rentevergoeding zodanig moet zijn dat de economische last van ten onrechte betaalde BPM wordt gecompenseerd. 3.25. De rechtbank onderkent dat de overwegingen van het arrest Sole-Mizo moeten worden gelezen in de context van de Hongaarse regelgeving waarop de prejudiciële vragen betrekking hadden. Dat neemt echter niet weg dat in de overwegingen 46 en 49 naar voren komt dat bij de beoordeling of het doeltreffendheidsbeginsel wordt geëerbiedigd, het Hof van Justitie wat betreft de rentevoet als maatstaf gebruikt wat de rentevoet is die een belastingplichtige zou krijgen om het desbetreffende bedrag te lenen (hierna: de leenmaatstaf). 3.26. De rechtbank merkt verder op dat in rechtsoverweging 51 de zinsnede ‘de overschotten aan aftrekbare btw die door die lidstaat in strijd met het Unierecht langer dan redelijk is zijn ingehouden’ voorkomt, en in het dictum een vergelijkbare zinsnede. Gelet op deze zinsnede zou betoogd kunnen worden dat voor het toepassingsbereik van wat het Hof van Justitie heeft overwogen inzake de rentevoet, van belang is of de situatie zich voordoet dat de fiscus de bedragen langer dan redelijk onder zich heeft gehouden. Uit de rechtsoverwegingen 43 tot en met 46 en 49 blijkt echter niet dat voor die overwegingen relevant is of de fiscus de bedragen langer heeft ingehouden dan redelijk is. De opname van de zinsnede in rechtsoverweging 51 en in het dictum zou bovendien verklaard kunnen worden door de vraagstelling (vgl. overweging 19 en 25). Wat betreft de betekenis voor de Nederlandse BPM-situatie merkt de rechtbank bovendien op dat in eerdere rechtspraak van de Hoge Raad over de gevolgen van het Irimie-arrest geen beperking in de renteperiode is aangebracht op basis van een ‘langer dan redelijk’-criterium. Daarbij komt dat wat betreft de AWR-rentevergoeding – waarover deze zaken gaan – de wetgever heeft voorzien in een drempelperiode: de periode waarover 30ha-rente wordt vergoed vangt aan 8 weken na ontvangst van het verzoek maar niet eerder dan drie maanden na het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. In dat opzicht kan worden gezegd dat indien 30ha-rente wordt vergoed, er sprake is van een periode waarvan de wetgever heeft gevonden dat het redelijk is om rente te vergoeden. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de bedoelde zinsnede verder niet van betekenis is voor de vraag of de AWR-berekeningsmethode voldoet, mede in aanmerking genomen wat hiervoor in 3.21, tweede alinea, is overwogen. 3.27. De rechtbank ziet aanleiding om via prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen wat de betekenis van het arrest Sole-Mizo is voor de beoordeling of de AWR-berekeningsmethode bij een rentevergoeding bij teruggaaf van BPM het doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigt. De rechtbank onderkent dat mocht de AWR-berekeningsmethode niet zonder meer voldoen, de toetsing deels op het terrein van de feitenrechter zou kunnen liggen. Bij die toetsing zouden echter diverse vragen kunnen rijzen over uitgangspunten die in acht moeten worden genomen, over welke uitgangspunten de Hoge Raad mogelijk duidelijkheid zou kunnen geven, bijvoorbeeld omwille van de rechtseenheid, rechtszekerheid en/of hanteerbaarheid. De rechtbank motiveert dit een en ander als volgt. 3.28. Het Hof van Justitie neemt, als gezegd: naar de rechtbank begrijpt, in het arrest Sole-Mizo voor de bepaling of een rentevoet voldoet aan het doeltreffendheidsbeginsel, als maatstaf wat de rentevoet is die een belastingplichtige zou krijgen om het desbetreffende bedrag te lenen. De rechtbank gaat ervan uit dat de leenmaatstaf geen individuele maatstaf is in de zin dat het zou gaan om de rente waartegen een belastingplichtige in zijn specifieke omstandigheden had kunnen lenen, maar dat het gaat om een geobjectiveerde maatstaf. Daarvoor is steun te vinden in de conclusie van A-G Hogan voorafgaand aan het arrest Sole-Mizo: “71. Zoals ik heb aangegeven, aanvaardt het Hof dat wanneer het moeilijk is om de geleden schade precies te bepalen, een methode wordt gebruikt die is gebaseerd op een redelijke benadering van de schade mits de hoogte van de vergoeding daar niet al te ongunstig door wordt beïnvloed. Aangezien het in casu zeer moeilijk is om de geleden schade precies te bepalen, meen ik dat Hongarije in beginsel het recht had om die berekening te vereenvoudigen.72. De rentevoet die moet worden toegepast om volledige vergoeding te garanderen, dient overeen te stemmen met die welke een belastingplichtige zou hebben betaald om een bedrag ter hoogte van het overschot aan aftrekbare btw bij een kredietinstelling te verkrijgen. Derhalve kan de toepasselijke rentevoet worden geacht gelijk te zijn aan de door de bevoegde centrale bank toegepaste rentevoet voor leningen op zeer korte termijn, voor zover die rentevoet wordt verhoogd met de marge die gewoonlijk door kredietinstellingen wordt toegepast. (…)” Gelet hierop gaat de rechtbank er tevens van uit dat een eenvoudige berekening kan voldoen. Verder gaat de rechtbank ervan uit dat de enkele omstandigheid dat een marge wordt gefixeerd en dus in dat opzicht niet zonder meer volledig in de pas loopt met de werkelijke marge die ‘gewoonlijk’ worden toegepast, niet meebrengt dat de rentevergoeding niet voldoet. Aan de conclusie van A-G Hogan (punt 71) valt namelijk te ontlenen dat het moet gaan om een redelijke benadering. De rechtbank gaat er verder van uit, gelet op het uitgangspunt van een redelijke benadering, dat aan een lidstaat een zekere beoordelingsmarge (“niet al te ongunstig”) wordt gegund. 3.29. De wettelijke rente lijkt op het eerste gezicht in overeenstemming te zijn met de leenmaatstaf omdat de wettelijke rente op hetzelfde uitgangspunt (geen vergoeding van gederfde rente, maar vergoeding van de rente die betaald zou moeten worden als geleend zou worden) is gebaseerd. In de parlementaire geschiedenis is het volgende opgemerkt: “Vóór de wijziging die bij de wet van 7 oktober 1970, Stb. 458, werd aangebracht in het huidige artikel 1286 B.W. placht men in de wettelijke rente - toen bij de wet vastgesteld op 5% - een vergoeding te zien voor wat de schuldeiser, ware hij tijdig betaald, aan rente over het verschuldigde bedrag had kunnen kweken; men zie bijv. H.R. 29 januari 1937, N.J. 1937,570. Maar deze gedachte - die het denkbeeld van een afzonderlijke vergoeding voor geldontwaardingsschade begrijpelijk maakt - is in de nieuwe opzet van artikel 1286 B.W. prijsgegeven. De maatstaf die blijkens de memorie van toelichting op het desbetreffende wetsontwerp (zitting 1969-1970-10534, stuk nr. 3) thans voor de vaststelling van de wettelijke rente wordt gehanteerd, komt hierop neer dat men, rekening houdend met het promessendisconto van de Nederlandse Bank, aansluiting zoekt bij de rentevoet die door de handelsbanken voor diverse soorten van bedrijfskredieten aan hun cliënten wordt berekend. Derhalve is nu het uitgangspunt niet langer de rente die de schuldeiser had kunnen maken, maar de rente waartegen hij bij uitblijven van de betaling elders vervangend geld kan opnemen. Er mag van worden uitgegaan dat ditzelfde stelsel zal worden gevolgd bij de vaststelling van de wettelijke rente krachtens het nieuwe wetboek.” (onderstrepingen Rechtbank) 3.30. De omstandigheid dat de wettelijke rente op eenzelfde uitgangspunt als de leenmaatstaf is gebaseerd, neemt niet weg dat het daadwerkelijk geldende percentage in overeenstemming moet zijn met de leenmaatstaf. Het wettelijkerentepercentage is 2% sinds 1 januari 2015 en was daarvoor 3% sinds 1 juli 2012. Het wettelijkerentepercentage is gebaseerd op de basisherfinancieringsrente van de ECB plus 2,25 procentpunt, gevolgd door een afronding. Gelet op wat in 3.28 is overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat deze methode als zodanig – dat wil zeggen: basispercentage met een opslag – adequaat is vanuit het oogpunt van het doeltreffendheidsbeginsel. Aangenomen dat bovendien een zekere beoordelingsmarge geldt met betrekking tot de hoogte van de marge en daarmee het rentepercentage, neigt de rechtbank daarom vooralsnog tot de opvatting dat de wettelijke rente voldoet aan de leenmaatstaf. 3.31. Als die voorlopige opvatting juist is, volgt daar strikt genomen nog niet zonder meer uit dat ook de AWR-berekeningsmethode volledig voldoet. De AWR-berekeningsmethode gaat namelijk uit van de methode van enkelvoudige berekening, terwijl bij de wettelijke rente de methode van samengestelde berekening wordt toegepast. Indien de wettelijke rente wordt gezien als de leenmaatstaf in de Nederlandse context, kan worden afgevraagd of de AWR-berekeningsmethode wel voldoet op het punt dat zij het wettelijkerentepercentage combineert met de methode van enkelvoudige berekening. Er is immers een verband tussen de hoogte van een rentepercentage en de methode van berekening. Naar de rechtbank voorkomt, kan dit echter niet maken dat de AWR-berekeningsmethode niet zou voldoen. Het gaat om een zeer marginaal effect dan wel is de AWR-berekeningsmethode juist voordeliger dan de wettelijke rente met toepassing van de methode van de samengestelde berekening. De rechtbank wijst daarbij op het volgende. Vanaf het moment dat de belastingrenteregeling bestaat (1 januari 2013) is er slechts een periode van één jaar en drie maanden geweest waarin alleen werd aangesloten bij het wettelijkerentepercentage (zie 3.22). Vanaf 1 april 2014 geldt immers het minimumpercentage van 4 procent. In aanmerking genomen dat (bij rente op jaarbasis) de methode van enkelvoudige berekening en de methode van samengestelde berekening nog niet tot een verschil in uitkomst leidt in het eerste jaar, leidt bij een renteberekening over een periode van één jaar en drie maanden (althans twee jaar en drie maanden) de methode van samengestelde berekening slechts tot zeer marginaal hogere rentevergoeding dan de methode van enkelvoudige berekening. Aan dat verschil komt geen relevante betekenis toe uitgaande van het uitgangspunt van een redelijke benadering (zie 3.28). Voor rentetijdvakken vanaf 1 april 2014 tot 1 juni 2020 geldt bij de AWR-berekeningsmethode een minimumpercentage van 4 (zie 3.22). Ervan uitgaande dat de wettelijke rente wordt gezien als de leenmaatstaf in de Nederlandse context, lijkt dan op het eerste gezicht in een concreet geval een berekening te moeten worden gemaakt om te bepalen of een vergoeding op basis van het wettelijkerentepercentage en de methode van een samengestelde berekening hoger zou zijn dan een vergoeding op basis van een rentepercentage van 4 en de methode van enkelvoudige berekening. Aangezien echter het rentepercentage van 4 relatief gezien fors hoger is dan het wettelijkerentepercentage in die periode, geldt voor een lange periode dat dit hogere percentage het nadeel van de methode van enkelvoudige berekening (ruimschoots) compenseert. Het is in de periode tot 1 juni 2020 niet mogelijk dat de AWR-berekeningsmethode op een slechter resultaat uitkomt dan het wettelijkerentepercentage in combinatie met een samengestelde berekening. 3.32. Hoewel de rechtbank aldus vooralsnog ertoe neigt dat de AWR-berekeningsmethode tot 1 juni 2020 ‘voldoet’, zijn er ook punten van twijfel. De formule waarop het wettelijkerentepercentage is gebaseerd pleegt wel te worden toegelicht door de regelgever, maar bij de laatste wijzigingen is geen onderbouwing van de gehanteerde marge van 2,25 procespunt gegeven. Dat doet af aan de inzichtelijkheid en daarmee de mogelijkheid om te beoordelen of aan de leenmaatstaf wordt voldaan. Met betrekking tot het minimumpercentage van 4 bij de AWR-berekeningsmethode, verdient opmerking dat die afgaande op de memorie van toelichting vooral is ingegeven door budgettaire overwegingen. Een rentepercentage van 2 onderscheidenlijk 4 om tegen te lenen lijkt aan de lage kant. Kanttekening daarbij is echter direct dat de vraag is hoe objectief zou moeten worden bepaald óf het aan de lage kant is (vgl. 3.33). Twijfel of de rentepercentages toch niet aan de (
- te)lage kant zijn, wordt ook opgeroepen door wat de staatssecretaris van Financiën relatief recent heeft geantwoord op vragen van Tweede Kamerleden inzake de kwestie of – kort gezegd – de belastingrentepercentages, met name het percentage voor de vennootschapsbelasting, niet te hoog zijn. Voor rentetijdvakken vanaf 1 april 2014 heeft de wetgever voor de vennootschapsbelasting aansluiting gezocht bij de wettelijke handelsrente, die fors hoger ligt (eerst 7% en thans 8%) dan de wettelijke rente. Verder verwijst A-G Hogan in de in 3.28 aangehaalde overweging in een voetnoot
(36)– zij het ogenschijnlijk vooral ter vergelijking voor de methode – naar een tweetal artikelleden in Unierechtelijke regelgeving, waarin hogere percentages c.q. marges worden gehanteerd dan bij de wettelijke rente. Het gaat om een richtlijn waarop de Nederlandse wettelijke handelsrente is gebaseerd; in het desbetreffende artikellid is vermeld ‘de referentie-interestvoet, vermeerderd met ten minste acht procentpunten’. Het andere artikellid is opgenomen in een verordening; daarbij gaat het om basisherfinancieringsrente van de ECB plus acht procentpunten bij bepaalde schuldvorderingen dan wel drieënhalf procentpunten in andere gevallen. 3.33. Mocht een beoordeling gedaan op wijze zoals vermeld in 3.29 en 3.30 (op basis van doel en methode, en rekening houdend met een beoordelingsmarge) toch niet volstaan, en mocht een meer kwantitatieve beoordeling moeten plaatsvinden voor de bepaling of voldaan wordt aan de leenmaatstaf, dan lijkt een nadere invulling – toegespitst op de Nederlandse situatie – nodig van die maatstaf. De door het Hof van Justitie geformuleerde leenmaatstaf is immers een abstracte maatstaf die verder geoperationaliseerd moet worden om te kunnen hanteren. Een gebruikelijk leenpercentage valt niet eenduidig vast te stellen. Afgezien van de kredietwaardigheid van de lener en eventueel gestelde zekerheden, hangt een leenpercentage af van factoren zoals de leenvorm (bijvoorbeeld bij ‘rood staan’ is het rentepercentage relatief hoog), de looptijd van de lening en de grootte van het geleende bedrag. Anders gezegd: op basis van welke uitgangspunten kan worden vastgesteld wat de marge is die ‘gewoonlijk’ door kredietinstellingen wordt toegepast? Vraag is aldus op basis van welke uitgangspunten een toetsing aan de leenmaatstaf zou moeten plaatsvinden. Eenzelfde vraag rijst ook in het kader van de kwestie op welke wijze rechtsherstel zou moeten worden geboden, indien de AWR-berekeningsmethode toch niet in overeenstemming met het doeltreffendheidsbeginsel wordt geacht. 3.34. Tot slot, hiervóór is uitgangspunt geweest de AWR-berekeningsmethode zoals die geldt vanaf de invoering van de belastingrenteregeling per 1 januari 2013. Daarvóór gold de heffingsrenteregeling. Het overgangsrecht bij deze wijziging lijkt voor de BPM – naar de letter – in te houden dat het ervan afhangt van wanneer de belastingschuld is ontstaan waarop de teruggaaf betrekking heeft (vóór of na 1 januari 2012), of de belastingrenteregeling dan wel de heffingsrenteregeling van toepassing is. Als die opvatting juist is, zou met betrekking tot een deel van de teruggaven waarop de onderhavige rentegeschillen betrekking hebben, de heffingsrenteregeling nog van toepassing kunnen zijn, zelfs voor de gehele berekeningsperiode. Voor zover in de onderhavige zaken de heffingsrenteregeling van toepassing zou zijn, rijzen dan in de kern dezelfde vragen: wat kan als leenmaatstaf dienen en voldoet de renteberekening daaraan? Een verschil met de belastingrente is dat voor het heffingsrentepercentage aangesloten wordt bij de basisherfinancieringsrente van de ECB met een andere marge dan wel bij het rendement op staatsobligaties met daarbovenop een marge. 2.7 Ten slotte heeft de Rechtbank haar beslissing om vragen voor te leggen aan de Hoge Raad nader toegelicht: Waarom (toch) prejudiciële vragen? 3.35. De directe aanleiding om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen, is gelegen in de kwestie of – kort gezegd – een tweede keer kan worden geprocedeerd over de rentevergoeding ter zake van een teruggaaf. De rechtbank erkent dat zij heeft getwijfeld of het aangewezen is om het instrument van de prejudiciële procedure daarvoor te gebruiken. Het gaat in zaken zoals deze immers alleen om de rente, dus veelal om (zeer) geringe bedragen. Verder is er in die zin sprake van een zeer beperkt maatschappelijk belang dat de voornoemde kwestie slechts een beperkt aantal betrokkenen direct aangaat. Voor zover de rechtbank kan overzien worden zaken waarin het alleen gaat om de belastingrentevergoeding ter zake van een teruggaaf van BPM, nagenoeg alleen aanhangig gemaakt door belanghebbenden die worden bijgestaan door de voormalig gemachtigde. 3.36. De rechtbank heeft niettemin toch besloten prejudiciële vragen voor te leggen over de genoemde kwestie, omdat het van belang is duidelijkheid te hebben. Weliswaar is het directe maatschappelijk belang (zeer) beperkt, maar het indirecte maatschappelijke belang bij die duidelijkheid is groter. Dat belang houdt verband met de massaliteit van BPM-zaken en het relatief grote beslag dat BPM-zaken op de capaciteit van de (fiscale) rechtspraak legt. Tijdige duidelijkheid kan bijdragen aan een efficiënte behandeling van BPM-zaken en daarmee een positieve invloed hebben op de capaciteit die beschikbaar is voor de behandeling voor andere zaken. Van belang is in dit verband dat de inspecteur heeft gemeld dat op dit moment enige honderden bezwaren in behandeling zijn waarin het gaat om alleen de 30ha-rente. Het belang is bovendien niet alleen gelegen in de bezwaren die thans aanhangig zijn. Uitgaande van (
- i)de rechtsopvatting van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat in een procedure over BPM die op aangifte is voldaan, de rechter tevens een beslissing dient te nemen over de 30ha-rente (zie 3.8), en (
- ii)de omstandigheid dat – naar de inspecteur heeft verklaard – op dit moment de voormalig gemachtigde vrijwel steeds bezwaar maakt tegen 30ha-rente die is vermeld op kennisgevingen teruggaaf, is het belang ook gelegen in duidelijkheid voor de toekomst. De combinatie van de massaliteit van BPM-zaken en dat het hier om een formeelrechtelijke kwestie gaat, maakt dat extra gewicht toekomt aan het belang van tijdige duidelijkheid door de Hoge Raad. Tijdige duidelijkheid kan voorkomen dat een groot aantal zaken de gehele procesgang twee keer moet doorlopen, wat namelijk het geval kan zijn indien bijvoorbeeld een bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk wordt verklaard op basis van een rechtsopvatting waarvan pas bij de Hoge Raad blijkt dat die onjuist is geweest. Kanttekening hierbij is dat dit en een ander wellicht vooral van belang is in de ressorten waarin de feitenrechter in zaken over de BPM ook beslist over de 30ha-rente (vgl. 3.7-3.9). 3.37. De prejudiciële vraag inzake het arrest Sole-Mizo is ingegeven door de wens om snel duidelijkheid te krijgen over de betekenis van het arrest Sole-Mizo voor het Nederlandse stelsel van belastingrentevergoeding bij teruggaaf van BPM. De kwestie kan overigens een uitstralingseffect hebben, bijvoorbeeld naar de omzetbelasting en naar de invorderingsrente, alsmede naar de AWR-belastingrentevergoeding op basis van de rentevoet vanaf 1 juni 2020. Opmerking verdient hierbij dat de rechtbank, anders dan belanghebbende ter zitting heeft bepleit, geen aanleiding heeft gezien om op dit punt prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie. Aangenomen, overeenkomstig wat belanghebbende betoogt (‘commerciële rente’), dat uit het arrest Sole-Mizo volgt dat de leenmaatstaf geldt, is het immers aan de nationale rechter om die maatstaf toe te passen in de nationale context. Bovendien, ook als de leenmaatstaf verder verduidelijkt zou moeten worden door het Hof van Justitie, acht de rechtbank niet aangewezen dat zij om die verduidelijking zou vragen, omdat alsdan mogelijk een nadere duiding van het nationale recht gegeven zou moet worden, wat op het terrein van de Hoge Raad ligt. 3.38. De rechtbank merkt tot slot op dat het gebruikelijk is dat prejudiciële vragen worden voorgelegd bij een beslissing door een meervoudige kamer. Mede gelet op het moeizame procesverloop (vgl. 1.4), heeft de rechtbank in dit geval ervan afgezien om de zaken te verwijzen naar een meervoudige kamer. Schriftelijke opmerkingen Belanghebbende 2.8 Belanghebbende heeft via zijn gemachtigde gereageerd op de prejudiciële vragen van de Rechtbank. Vanwege onbehoorlijk taalgebruik is deze reactie niet opgenomen in deze conclusie. Kort en zakelijk samengevat komt de reactie van belanghebbende er op neer dat de vragen van de Rechtbank overbodig zijn omdat alleen het Hof van Justitie bevoegd is om over de onderhavige kwesties te oordelen. De Staatssecretaris 2.9 Naar aanleiding van de eerste vraag van de Rechtbank heeft de Staatssecretaris de volgende opmerkingen gemaakt: De Rechtbank heeft in haar beslissing twee situatietypen onderscheiden. Gelet op dit onderscheid en de inhoud van de tweede prejudiciële vraag die de Rechtbank heeft voorgelegd, ga ik ervan uit dat de eerste vraag uitsluitend betrekking heeft op het eerste situatietype. Het eerste situatietype ziet op het geval waarin teruggaaf van bpm wordt verleend als gevolg van een uitspraak van een rechtbank, waarin ook een beslissing is gegeven over vergoeding van 30ha-rente ter zake van die teruggaaf. Daarop volgt een kennisgeving van de inspecteur waarop het bedrag van de teruggaaf en de rente vermeld staat. De Rechtbank overweegt in haar beslissing dat zij voorlopig van opvatting is dat het in dit situatietype niet mogelijk is om bezwaar te maken tegen de rentevermelding op de kennisgeving. Volgens de Rechtbank is de rentevermelding op de kennisgeving geen beschikking maar een uitvoering van de rechterlijke uitspraak en wordt dit niet anders als de kennisgeving melding maakt van een 'beschikking', de kennisgeving een rechtsmiddelverwijzing bevat of de rente op de kennisgeving afwijkt van de rente zoals vastgesteld in de rechterlijke uitspraak. Ik ben het eens met de voorlopige opvatting van de Rechtbank. De vraag of een handeling van een bestuursorgaan een beschikking is, dient beantwoord te worden aan de hand van het bepaalde in artikel 1:3, leden 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Uit deze bepalingen volgt, voor zover van belang, dat voor het bestaan van een beschikking een (publiekrechtelijke) rechtshandeling vereist is. Dat betekent dat de handeling van een bestuursorgaan gericht moet zijn op het teweegbrengen van een rechtsgevolg. Vorenbedoelde kennisgeving van de inspecteur kan mijns inziens niet worden aangemerkt als een rechtshandeling omdat daaruit niet (de vaststelling van) het recht van de belanghebbende op vergoeding van 30ha-rente volgt. Het recht van de belanghebbende op die vergoeding volgt uit de rechterlijke uitspraak, waaraan de inspecteur uitvoering heeft gegeven door de belanghebbende een kennisgeving te zenden waarop het bedrag van de rente vermeld staat. Met de Rechtbank ben ik van mening dat een geschil over de uitvoering door de inspecteur van de rechterlijke uitspraak voorgelegd dient te worden aan de civiele rechter. Slotsom Gelet op het voorgaande dient zowel onderdeel a als onderdeel b van vraag 1 ontkennend te worden beantwoord. 2.10 Naar aanleiding van de tweede vraag merkt hij het volgende op: Deze vraag heeft betrekking op, zo begrijp ik de Rechtbank, het tweede situatietype. De Rechtbank heeft dit type vervolgens onderverdeeld in de volgende twee subcategorieën: (
- i)bij uitspraak op bezwaar wordt besloten tot teruggaaf van bpm. In de daarop volgende kennisgeving van de teruggaaf wordt melding gemaakt van het bedrag van de 30ha-rentevergoeding. Tegen het rentebedrag wordt bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld. Bij de beoordeling van dat beroep blijkt dat in de rechterlijke procedure betreffende de uitspraak op bezwaar tegen de voldoening van bpm op aangifte (hierna: de bpm-procedure), de rechtbank inmiddels heeft beslist over vergoeding van 30ha-rente ter zake van die teruggaaf. (
- ii)in de bpm-procedure is beslist tot een teruggaaf zonder een beslissing te nemen over de 30ha-rente. Daarop volgt een kennisgeving van de teruggaaf waarop 30ha-rente is vermeld. Tegen die rente(beschikking) is bezwaar gemaakt. Bij de beoordeling van het beroep tegen die uitspraak op bezwaar tegen het rentebedrag blijkt dat in het hoger beroep in de bpm-procedure, de hogerberoepsrechter inmiddels heeft geoordeeld over de 30ha-rentevergoeding ter zake van de teruggaaf. De Rechtbank overweegt in haar beslissing dat in de hierboven beschreven gevallen de vaststelling van de 30ha-rentevergoeding bij de kennisgeving wel is aan te merken als een 30ha-rentebeschikking waartegen bezwaar en beroep openstaat. Ik acht deze overweging juist en merk daarover het volgende op. De betreffende uitspraak op bezwaar in de zaken die onder subcategorie (
- i)geschaard kunnen worden, vermeldt dat "[d]e rentevergoeding conform de bepalingen van de A WR zal worden berekend bij de verminderingsbeschikking". In de uitspraak op bezwaar is dus niet het bedrag van de 30ha-rentevergoeding vermeld. Op grond van artikel 30j, leden 1 en 2 AWR moet de vaststelling van het bedrag van de 30ha-rentevergoeding bij de kennisgeving beschouwd worden als een 30ha-rentebeschikking waartegen bezwaar openstaat. Dit laatste geldt ook voor de zaken die onder subcategorie (
- ii)vallen, omdat de kennisgeving in die gevallen volgt op een rechterlijke uitspraak waarin de rechter zich niet heeft uitgelaten over vergoeding van 30ha-rente. De vraag die zich vervolgens opdringt, is hoe de inspecteur dient te beslissen op het bezwaar tegen de 30ha-rentebeschikking indien in de bpm-procedure of in de daarop volgende hogerberoepsprocedure reeds een beslissing is gegeven over de 30ha-rentevergoeding vóórdat uitspraak op dat bezwaar is gedaan. Indien partijen ter zitting van de rechtbank in de bpm-procedure zijn overeengekomen dat bij de uitspraak op bezwaar tegen de voldoening van bpm tevens een 30ha-rentebeschikking geacht wordt te zijn genomen en zij hebben ingestemd met rechtstreeks beroep tegen die 30ha-rentebeschikking, kan de inspecteur mijns inziens geen inhoudelijke beslissing meer geven op het bezwaar tegen de 30ha-beschikking die in de kennisgeving is vervat. Dat bezwaar dient de inspecteur dan niet-ontvankelijk te verklaren. Partijen hebben immers gewild dat het geschil over de 30ha-rentevergoeding zonder voorafgaande bezwaarprocedure wordt beslecht door de belastingrechter. Artikel 7:1a Awb zou in die zaken analoog toegepast kunnen worden. Met de niet-ontvankelijkverklaring door de inspecteur van het bezwaar tegen de rentebeschikking die in de kennisgeving is vervat, wordt gewaarborgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan het gesloten compromis dat nu juist om proceseconomische redenen is gesloten en wordt voorkomen dat een tweede keer wordt geprocedeerd over een geschil waarover de rechter reeds een inhoudelijk oordeel heeft gegeven. Er zijn ook zaken waarin de lagere rechter heeft geoordeeld dat in de uitspraak op het bezwaar tegen de voldoening op aangifte van bpm, impliciet een beschikking besloten ligt om geen rente te vergoeden, zodat in de bpm-procedure ook een beslissing gegeven kan worden over de 30ha-rentevergoeding in verband met teruggaaf van bpm. Ik heb mijn twijfels bij de juistheid van dit oordeel. Uit de tekst van artikel 30j AWR kan worden opgemaakt dat een belastingplichtige recht heeft op een expliciete mededeling met betrekking tot het bedrag van de te betalen ofte vergoeden belastingrente. Dit blijkt bovendien uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 30d AWR (oud). In de memorie van toelichting bij (toen) het Wetsvoorstel tot berekening van rente inzake belastingen en premies volksverzekeringen is met betrekking tot het tweede lid van artikel 30d AWR (thans artikel 30j AWR) opgemerkt (onderstreping toegevoegd): "Het tweede lid bepaalt dat de rente aan de belastingplichtige uitdrukkelijk kenbaar wordt gemaakt". De opvatting dat in de uitspraak op het bezwaar tegen de voldoening van bpm op aangifte een 30ha-rentebeschikking van nihil besloten ligt, is gebaseerd op analoge toepassing van de rechtspraak inzake de verliesvaststellingsbeschikking als bedoeld in artikel 20b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.Naar mijn mening kan die rechtspraak niet analoog toegepast worden in zaken zoals de onderhavige. Tussen het vaststellen van een aanslag en de vaststelling van het in een jaar geleden verlies bestaat rekenkundig gezien een nauw verband. Een aanslag vennootschapsbelasting die wordt opgelegd naar een positief belastbaar bedrag betekent per definitie dat de inspecteur het verlies op nihil heeft vastgesteld. Dat rekenkundige verband is niet aanwezig in bpm-zaken waarin belastingplichtigen aanspraak maken op vergoeding van 30ha-rente. De hoogte van de bpm-teruggaaf zegt immers op zichzelf nog niets over het bedrag van de 30ha-rentevergoeding omdat de hoogte van die vergoeding afhankelijk is van het in het betreffende jaar toepasselijke rentepercentage en de periode waarover recht bestaat op een rentevergoeding. Het voorgaande laat echter onverlet dat er zaken zijn waarin de lagere rechter in de bpm-procedure via de verliesvaststellingsbeschikkingsanalogie reeds een (inhoudelijke) beslissing heeft gegeven over de (hoogte van
- de)30ha-rentevergoeding. Wanneer die uitspraken onherroepelijk vaststaan, is de inspecteur gehouden die uit te voeren. Ik kan mij daarom vinden in de door de Rechtbank voorgestane oplossing, te weten niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de in de kennisgeving vervatte 30ha-rentebeschikking. Met de Rechtbank ben ik van mening dat de betrokkene door de niet-ontvankelijkverklaring niet in zijn belangen wordt geschaad. Indien het bedrag van de 30ha-rente op de kennisgeving hoger is dan de rente zoals vastgesteld in de rechterlijke uitspraak, dient de inspecteur dat hogere bedrag uit te keren op grond van het vertrouwen dat een belastingplichtige aan de kennisgeving kan ontlenen. Slotsom Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat onderdeel a van vraag 2 bevestigend en onderdeel b van vraag 2 ontkennend moet worden beantwoord. 2.11 In de derde prejudiciële vraag heeft de Staatssecretaris aanleiding gezien om het volgende op te merken: Op grond van artikel 8:72, lid 1 Awb dient de (bestuurs)rechter bij gegrondverklaring van het beroep het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Op grond van artikel 8:72, lid 2, onderdeel b Awb kan hij vervolgens zelf in de zaak voorzien. De hogerberoepsrechter kan de zaak zelf afdoen op grond van artikel 8:113, lid 1 Awb. Het zelf in de zaak voorzien betekent in belastingzaken niet dat de rechter de hoogte van de verschuldigde belasting moet uitrekenen. Wel dient hij het voorwerp van de belasting vast te stellen. Hetzelfde geldt mijns inziens voor de door de inspecteur in rekening te brengen of te vergoeden belastingrente. Dat betekent dat uit de rechterlijke uitspraak - dat wil zeggen: het dictum al dan niet gelezen in samenhang met de overwegingen - moet blijken wat de grondslag is voor de berekening van de belastingrente. Ik leid dit af uit het arrest HR 28 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0764, BNB 2001/297, r.o. 4 (onderstreping toegevoegd): "(...) Het Hof heeft de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd tot rente over de tot en met 30 juni 1992 van belanghebbende nageheven belasting met als einddatum 28 juni 1995. Zonder nadere gegevens omtrent de tot en met 30 juni 1992 verschuldigd geworden omzetbelasting, die niet blijken uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding, valt aan de hand van deze beslissing de verschuldigde heffingsrente niet te berekenen. Het Hof heeft aldus derhalve verzuimd de grondslag voor de berekening van de heffingsrente. zijnde de verschuldigd geworden belasting, vast te stellen." Slotsom Ik kom tot de slotsom dat vraag 3 aldus beantwoord moet worden dat voor de bepaling of sprake is van een rechterlijke beslissing over een rentevergoeding als bedoeld in de vragen
- la)en 2a), hetgeen in een rechterlijke uitspaak in de beslissing ('het dictum') is opgenomen ter zake van de rente moet worden uitgelegd in het licht van de overwegingen in die uitspraak. Aan het oordeel dat sprake is van een rechterlijke beslissing, hoeft niet in de weg te staan dat niet exact het rentebedrag is vermeld maar de hoogte van het rentebedrag meer in abstracte zin is vermeld. 2.12 Tenslotte is met betrekking tot de laatste vraag het volgende opgemerkt: De Rechtbank is voorlopig van opvatting dat de in artikel 30hb AWR neergelegde rentevoet en de methode van enkelvoudige berekening voldoet (zie r.o. 3.28 t/m 3.31 van de beslissing van de Rechtbank). Ik deel die opvatting en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de Rechtbank. Wel heeft de Rechtbank enige twijfel bij de juistheid van haar voorlopige opvatting. Die twijfel vindt zijn oorzaak in onder meer het feit dat bij de laatste wijzigingen van het wettelijke rentepercentage geen onderbouwing is gegeven van de gehanteerde marge van 2,5%. Dat doet volgens de Rechtbank af aan de inzichtelijkheid en daarmee de mogelijkheid om te beoordelen of aan de leenmaatstaf wordt voldaan. Een ander twijfelpunt betreft de hoogte van het rentepercentage op basis waarvan de rentevergoeding berekend moet worden. Het wettelijke rentepercentage van 2 respectievelijk het op grond van de AWR toepasselijke (minimum) rentepercentage van 4 lijkt volgens de Rechtbank aan de lage kant om tegen te lenen. De Rechtbank maakt daarbij de vergelijking met de wettelijke handelsrente, die fors hoger ligt dan de wettelijke rente. Mijns inziens staan de door de Rechtbank geuite twijfels niet eraan in de weg dat de belastingrenteregeling voldoet aan de leenmaatstaf zoals bedoeld in het arrest Sole-Mizo. Uit de door de Rechtbank aangehaalde parlementaire geschiedenis in r.o. 3.29 van haar beslissing blijkt dat de gedachte achter de regeling van de wettelijke rente is dat de schuldeiser schadeloos is gesteld met het bedrag van de wettelijke rente omdat hij daarvoor op de markt het hem toekomende bedrag kan lenen. De aansluiting van de wettelijke rente aan de marktrente wordt verkregen door periodieke aanpassing van de wettelijke rente bij algemene maatregel van bestuur (zie artikel 6:120, lid 1 BW). Voorts acht ik van belang dat de 30ha-rentevergoeding per 1 april 2014 wordt berekend op basis van een rentepercentage dat aanzienlijk hoger is dan het wettelijke rentepercentage. Uiteindelijk gaat het erom dat de belastingplichtige een passende vergoeding ontvangt voor het verlies dat wordt veroorzaakt doordat hij niet over de betrokken bedragen kon beschikken (r.o. 43 van het arrest Sole-Mizo). Dit betekent dat de economische last van de ten onrechte ingehouden belastingbedragen moet worden gecompenseerd (r.o. 44 van het arrest Sole-Mizo). Met de Rechtbank ben ik van mening dat een eenvoudige berekening gebaseerd op een geobjectiveerde maatstaf voldoet (zie r.o. 3.28 van de beslissing van de Rechtbank). Ik wijs in dit verband nog op punt 44 van de conclusie van A-G Hogan voorafgaand aan het arrest Sole-Mizo, waaruit kan worden afgeleid dat de regeling voor de vergoeding van rente vanwege overwegingen van uitvoerbaarheid en algemene opportuniteit een zekere grofheid mag hebben. Dat sluit aan bij de analyse van de Rechtbank dat een methode moet worden gebruikt die is gebaseerd op een redelijke benadering van de schade en dat aan de lidstaten een zekere beoordelingsmarge wordt gegund. Antwoord op onderdeel a van vraag 4 Ik kom tot de slotsom dat onderdeel a van vraag vier bevestigend moet worden beantwoord. Onderdeel b en c van vraag 4 Gelet op de beantwoording van onderdeel a van deze vraag, wordt aan de onderdelen b en c niet toegekomen. Onderdeel d van vraag 4 Anders dan bij de belastingrenteregeling het geval is, was het percentage van de heffingsrente (vanaf 1 oktober 1992) niet (meer) gekoppeld aan het percentage van de wettelijke rente. Op grond van artikel 30f, lid 5, AWR (oud) werd het percentage van de heffingsrente gelijkgesteld aan de basisherfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank, dan wel als dat lager was, het gemiddelde rendement van de laatste drie uitgegeven staatsleningen, met dien verstande dat het aldus bepaalde percentage van de heffingsrente vervolgens werd vermeerderd met 1,5 procentpunt. Ingeval van teruggaaf van belasting werd de te vergoeden rente over die teruggaaf onder het regime van de heffingsrenteregeling dus niet berekend op basis van de rentevoet die de belastingplichtige zou moeten betalen om het bedrag van de teruggaaf te lenen. Dat zou betekenen dat de heffingsrenteregeling in zoverre niet voldoet aan de door het HvJ EU in het arrest Sole-Mizo voorgeschreven leenmaatstaf, althans voor zover het percentage van de heffingsrente lager was dan de wettelijke rente. Gelet op de beantwoording van onderdeel a van vraag 4, kan dan voor de berekening van de rentevergoeding worden aangesloten bij het in het betreffende jaar geldende percentage van de wettelijke rente. Antwoord op onderdeel d van vraag 4 Onderdeel d van vraag 4 dient derhalve aldus te worden beantwoord, dat voor de berekening van de rentevergoeding ter zake van teruggaven van bpm die verband houden met een bpm-schuld die is ontstaan vóór 1 januari 2012, kan worden aangesloten bij het percentage van de wettelijke rente. Nederlandse Orde van Belastingadviseurs 2.13 De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs heeft schriftelijke opmerkingen ingezonden met betrekking tot de vierde prejudiciële vraag van de Rechtbank: Vraag 4a De belastingrenteregeling is gebaseerd op de verzuimgedachte. Dit betekent dat alleen belastingrente wordt vergoed (of in rekening wordt gebracht) als sprake is van een verzuim. Op grond van artikel 30ha AWR wordt in de volgende drie situaties belastingrente vergoed bij aangiftebelastingen, waaronder de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM).
- i)bij een teruggaaf als de teruggaafbeschikking niet wordt vastgesteld binnen acht weken na ontvangst van het verzoek om teruggaaf;
- ii)bij een teruggaaf die verband houdt met een standpunt over de hoogte van de verschuldigde of terug te geven belasting dat eerder is ingenomen door de inspecteur; iii) bij een teruggaaf doordat een afwijzende teruggaafbeschikking wordt vervangen door een teruggaafbeschikking. Het rentetijdvak bij situatie
- i)en iii) vangt aan acht weken na ontvangst van het teruggaafverzoek, maar niet eerder dan drie maanden na einde van het kalenderjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt veertien dagen na dagtekening van de teruggaafbeschikking. Het rentetijdvak in situatie
- ii)vangt aan op de dag na de dag van de voldoening of afdracht van de belasting, maar niet eerder dan drie maanden na einde van het kalenderjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt veertien dagen na de dagtekening van de teruggaafbeschikking. De te vergoeden rente wordt enkelvoudig berekend en de hoogte van het rentepercentage van artikel 30ha AWR is gelijk aan de wettelijke rente voor niet-handelstransacties met een minimum van 4, in ieder geval tot 1 juni 2020. Vanaf 1 juni 2020 tot 1 oktober 2020 is de belastingrente tijdelijk verlaagd naar 0,01%. Als artikel 30ha AWR, zoals dit gold tot 1 juni 2020, voor wat betreft de rentevoet in strijd is met het Unierecht, geldt dit eveneens voor de periode vanaf 1 juni 2020 tot 1 oktober 2020. Indien sprake is van een belastingteruggaaf vanwege in strijd met Unierecht geheven belasting, volgt uit de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) dat naast de onterecht geheven belasting een vergoeding betaald moet worden voor verliezen die zijn opgekomen doordat door de betaling van die belasting de geldsommen niet beschikbaar waren voor de belastingplichtige (HvJ EU 23 april 2020, nr. C-13/18, nr. C-126/18, arrest Sole-Mizo, punt 35 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie). Deze rentevergoeding is gebaseerd op de compensatiegedachte. Aangezien een concrete Unierechtelijke regeling hieromtrent ontbreekt, staat het de lidstaten vrij om de voorwaarden van een dergelijke regeling te bepalen. Wel dienen deze voorwaarden in overeenstemming te zijn met de Unierechtelijke beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid (zie arrest Sole-Mizo, punt 30 en de aldaar aangehaalde rechtspraak, en R.M. Bos-Schepers c.s., Renteberekening in belastingzaken, Fiscale Monografieën 159, Wolters Kluwer, Deventer 2019, paragraaf 6.2.). Uit het arrest Sole-Mizo volgt in de ogen van de Orde dat het doeltreffendheidsbeginsel onder meer inhoudt dat een rentevergoeding berekend moet worden aan de hand van de rentevoet die een belastingplichtige moet betalen aan een kredietinstelling voor het lenen van datzelfde bedrag, als die rentevoet hoger is dan de basisrentevoet van de nationale centrale bank die wordt voorgeschreven in de nationale wetgeving. De hoogte van het rentepercentage van artikel 30ha AWR is, zoals hiervoor opgemerkt, gelijk aan de wettelijke rente voor niet-handelstransacties met een minimum van 4 (in ieder geval tot 1 juni 2020). De wettelijke rente voor niet-handelstransacties geldt, afgezien van de belastingrenteregeling, voor alle overeenkomsten met particulieren of consumenten. Deze rente is gebaseerd op de basisherfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank plus 2,25 procentpunt. De basisherfinancieringsrente is het tarief waartegen banken geld kunnen lenen van de centrale bank voor de duur van één week. Bij de invoering van de belastingrenteregeling is door de staatssecretaris van Financiën het volgende opgemerkt over de hoogte van het rentepercentage (Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 81): “Die 4% is nu juist gekoppeld aan de marktrente en aan de rentetarieven van de ECB. Het percentage is hoog als je het vergelijkt met de rente die je op een lopende rekening krijgt of op een spaarbankboekje waarvan je vrij mag opnemen. Maar die 4% is erg laag in vergelijking met de rente die je moet betalen als je ergens geld leent. (...).” In het arrest Sole-Mizo is geoordeeld dat een rentevergoeding op basis van een rentevoet die lager is dan de rentevoet die een belastingplichtige moet betalen aan een bank voor het lenen van datzelfde bedrag in strijd is met het Unierecht. Aangezien de wetgever zelf heeft aangegeven dat de 4% lager is dan de rente die betaald moet worden aan een kredietverschaffer, voldoet een rentevergoeding op basis van artikel 30ha AWR voor zover het gaat om de in artikel 30hb AWR (tekst tot 1 juni 2020) neergelegde rentevoet in de ogen van de Orde niet aan de eisen die voortvloeien uit het doeltreffendheidsbeginsel ter zake van een rentevergoeding bij teruggaaf van in strijd met het Unierecht geheven BPM. Aangezien uit de jurisprudentie van het HvJ EU volgt dat een vergoeding betaald moet worden voor verliezen die zijn opgekomen, doordat door de betaling van die belasting de geldsommen niet beschikbaar waren voor de belastingplichtige en de Orde tot de conclusie komt dat de te hanteren rentvoet bij artikel 30ha AWR, gezien het hiervoor aangehaalde citaat van de wetgever, te laag is, voldoet de methode van enkelvoudige berekening eveneens niet aan de eisen die uit het doeltreffendheidbeginsel voortvloeien. Een methode van enkelvoudige berekening zou naar de mening van de Orde kunnen voldoen, indien de gehanteerde rentevoet hoog genoeg is, zodat de enkelvoudig berekende rentevergoeding gelijk is aan de rentevergoeding op grond van samengestelde rente die een belasting- of inhoudingsplichtige zou moeten betalen bij financiering door een externe kredietverstrekker. Vraag 4b en 4c Nu vraag 4a naar de mening van de Orde ontkennend beantwoord dient te worden, komt de vraag op welke maatstaf en welke uitgangspunten gehanteerd dienen te worden. Zoals eerder is vermeld, volgt uit de jurisprudentie van het HvJ EU dat een vergoeding betaald moet worden voor verliezen die zijn opgekomen, doordat door de betaling van die belasting de geldsommen niet beschikbaar waren voor de belastingplichtige. Het HvJ EU heeft in het arrest Sole-Mizo hieraan nadere invulling gegeven: een rentevergoeding die wordt berekend op basis van de basisrentevoet van de nationale centrale bank, terwijl die rentevoet lager is dan de rentevoet die een belastingplichtige moet betalen aan een kredietinstelling voor het lenen van datzelfde bedrag, in strijd is met het beginsel van doeltreffendheid. Rechtbank Zeeland-West-Brabant gaat ervan uit dat de leenmaatstaf zoals aangegeven in het arrest Sole-Mizo geen individuele maatstaf is, maar een geobjectiveerde maatstaf. Met andere woorden, in de ogen van de Rechtbank zou het niet gaan om de rentevoet waartegen een belastingplichtige in zijn of haar specifieke situatie had kunnen lenen (r.o. 3.28). De Rechtbank vindt hiervoor steun in de Conclusie van A-G Hogan, 11 september 2019, ECLI:EU:C:2019:708: “71. Zoals ik heb aangegeven, aanvaardt het Hof dat wanneer het moeilijk is om de geleden schade precies te bepalen, een methode wordt gebruikt die is gebaseerd op een redelijke benadering van de schade mits de hoogte van de vergoeding daar niet al te ongunstig door wordt beïnvloed. Aangezien het in casu zeer moeilijk is om de geleden schade precies te bepalen, meen ik dat Hongarije in beginsel het recht had om die berekening te vereenvoudigen. 72. De rentevoet die moet worden toegepast om volledige vergoeding te garanderen, dient overeen te stemmen met die welke een belastingplichtige zou hebben betaald om een bedrag ter hoogte van het overschot aan aftrekbare btw bij een kredietinstelling te verkrijgen. Derhalve kan de toepasselijke rentevoet worden geacht gelijk te zijn aan de door de bevoegde centrale bank toegepaste rentevoet voor leningen op zeer korte termijn, voor zover die rentevoet wordt verhoogd met de marge die gewoonlijk door kredietinstellingen wordt toegepast. (...)” Naar de mening van de Orde is het uitgangspunt, zoals A-G Hogan ook beschrijft in punt 71, dat een vergoeding betaald dient te worden voor de geleden schade. De daadwerkelijk geleden schade zou meer kunnen zijn dan enkel een rentecomponent. Gesteld zou kunnen worden dat een belastingplichtige het geld waarmee nu de onterecht geheven belasting is betaald, had kunnen investeren in zijn onderneming waarmee een rendement behaald had kunnen worden. In dat geval is de geleden schade niet de rente die betaald zou hebben moeten worden aan een bank, als de belastingplichtige het geld had geleend van de bank, maar de misgelopen rendementen uit zijn onderneming. In de ogen van de Orde is dit een situatie waarin de geleden schade niet precies is te bepalen en waarbij een methode gebruikt kan worden die is gebaseerd op een redelijke benadering van de schade. In dat kader is een aansluiting bij de rentevoet die een belastingplichtige moet betalen aan een kredietinstelling voor het lenen van datzelfde bedrag reeds een redelijke benadering van de daadwerkelijk geleden schade. Indien een belastingplichtige echter daadwerkelijk geld heeft geleend om de onterecht geheven belasting te betalen, zal naar de mening van de Orde de geleden schade wel precies vast te stellen zijn. Dit zal de verschuldigde rente aan de bank zijn. Alsdan komt het de Orde voor dat de totale rentevergoeding in verband met in strijd met het Unierecht geheven rente hieraan gelijk zou moeten zijn. Indien een belastingplichtige niet daadwerkelijk geleend heeft om de ten onrechte geheven belasting te betalen, kan de Orde zich vinden in aansluiting bij de rentevoet die een belastingplichtige moet betalen aan een kredietinstelling voor het lenen van datzelfde bedrag ter bepaling van de geleden schade. Aangezien een kredietinstelling de te hanteren rentevoet mede laat afhangen van de kredietwaardigheid van een belastingplichtige, zou de te hanteren rentevoet per belastingplichtige kunnen verschillen. Doordat deze methode reeds een benadering is van de geleden schade staat de Orde niet direct een geobjectiveerde maatstaf voor. Zoals A-G Hogan heeft geconcludeerd, kan uitgegaan worden van een redelijke/geobjectiveerde benadering mits de hoogte van de vergoeding daar niet al te ongunstig door wordt beïnvloed. Vanwege uitvoeringstechnische redenen kan de Orde zich voorstellen dat wel uitgegaan dient te worden van een geobjectiveerde maatstaf. In dit kader zou aangesloten kunnen worden bij de wettelijke rente voor handelstransacties. Een lening verstrekt door een kredietverstrekker aan een belastingplichtige die onderworpen is aan de BPM kwalificeert immers als een handelstransactie. Indien geoordeeld wordt dat uitgegaan moet worden van de geobjectiveerde maatstaf van de wettelijke rente voor handelstransacties, dient hierbij in de ogen van de Orde wel tegenbewijs te worden toegestaan. Immers, uit de jurisprudentie van HvJ EU volgt dat uitgegaan kan worden van een redelijke/geobjectiveerde benadering, mits de hoogte van de vergoeding daar niet al te ongunstig door wordt beïnvloed. Tevens dient naar de mening van de Orde uitgegaan te worden van een samengestelde rentevergoeding. Vraag 4d Naar de mening van de Orde wijzigen de antwoorden op de vragen 4a, 4b en 4c niet als het gaat om een rentevergoeding ter zake van een teruggaaf van BPM, die verband houdt met een BPM-schuld welke is ontstaan vóór 1 januari 2012. Het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid, en de hiervóór beschreven gevolgen, is ook van toepassing op de heffingsrenteregeling, die heeft gegolden voor een BPM-schuld welke is ontstaan vóór 1 januari 2012. Voormalig gemachtigde 2.14 De voormalig gemachtigde heeft ook schriftelijke opmerkingen ingediend naar aanleiding van de prejudiciële vragen van de Rechtbank. Vanwege daarin voorkomend onbehoorlijk taalgebruik zijn die opmerkingen niet opgenomen in deze conclusie. 3Wetgeving, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur Wetgeving Algemene wet bestuursrecht 3.1 De bestuursrechter is geen bestuursorgaan op grond van artikel 1:1, lid 2, aanhef en onderdeel c van de Awb: De volgende organen, personen en colleges worden niet als bestuursorgaan aangemerkt: […] onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, alsmede de Raad voor de rechtspraak en het College van afgevaardigden; 3.2 De eerste tweede leden van artikel 1:3 van de Awb luiden: 1 Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. 2 Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. 3.3 In artikel 7:1, eerste lid van de Awb is geregeld dat in beginsel eerst bezwaar moet worden gemaakt alvorens beroep kan worden ingesteld: Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij: […] 3.4 In afdeling 8.2.1a met algemene bepalingen van hoofdstuk 8 van de Awb is artikel 8:41a opgenomen: De bestuursrechter beslecht het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. 3.5 In artikel 8:72 Awb is voorzien in de nevendicta die de bestuursrechter tot zijn beschikking heeft: 1 Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk. 2 De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee. 3 De bestuursrechter kan bepalen dat: a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. 4 De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij: a. bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven; b. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling. 5 De bestuursrechter kan zo nodig een voorlopige voorziening treffen. Daarbij bepaalt hij het tijdstip waarop de voorlopige voorziening vervalt. 6 De bestuursrechter kan bepalen dat, indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak, het bestuursorgaan aan een door hem aangewezen partij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt. De artikelen 611a, vierde lid, 611b tot en met 611d en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing. 3.6 Artikel 8:80 van de Awb draagt het bestuursorgaan op om de rechterlijke uitspraak die het bestreden besluit vervangt bekend te maken: Indien de bestuursrechter bepaalt dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, wordt de uitspraak bovendien overeenkomstig de voor dat besluit voorgeschreven wijze bekendgemaakt door het bevoegde bestuursorgaan. Algemene wet inzake rijksbelastingen 3.7 In het derde lid van artikel 24a van de AWR is het volgende voorgeschreven: Indien artikel 30j, tweede lid, eerste volzin, van toepassing is, wordt de belastingrente voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep geacht onderdeel uit te maken van de belastingaanslag. 3.8 Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht volgt uit artikel 26 van de AWR: 1 In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft: a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of b. een voor bezwaar vatbare beschikking. 2 De voldoening of afdracht op aangifte, dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige, van een bedrag als belasting wordt voor de mogelijkheid van beroep gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. De wettelijke voorschriften inzake bezwaar en beroep tegen zodanige beschikking zijn van overeenkomstige toepassing, voorzover de aard van de voldoening, de afdracht of de inhouding zich daartegen niet verzet. 3.9 Het eerste lid van artikel 27f van de AWR luidt: Een uit een uitspraak van de rechtbank voortvloeiende teruggaaf van ingehouden of op aangifte afgedragen belasting wordt verleend aan degene die het beroep heeft ingesteld. 3.10 Het heffingsrenteregime was geregeld in artikel 30f van de AWR (tekst tot 2013) en luidt: […] 2 Met betrekking tot de loonbelasting, de omzetbelasting, de overdrachtsbelasting, de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, de accijns, de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak en de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen wordt heffingsrente berekend ingeval: a. een naheffingsaanslag wordt vastgesteld vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke is aangegeven, tenzij die naheffingsaanslag het gevolg is van een vrijwillige verbetering van de aangifte, welke wordt gedaan binnen drie maanden na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft; b. een teruggaaf van belasting plaatsvindt vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting minder beloopt dan die welke is aangegeven. Heffingsrente wordt eveneens berekend indien en voor zover de in onderdeel a bedoelde belasting te laat, doch voordat een naheffingsaanslag is vastgesteld, wordt betaald, behoudens ingeval de betaling plaatsvindt binnen drie maanden na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de te laat betaalde belasting betrekking heeft. 3 De heffingsrente wordt enkelvoudig berekend: […] d. met betrekking tot de omzetbelasting, de overdrachtsbelasting, de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, de accijns en de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak en de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen: 1°. indien een naheffingsaanslag wordt opgelegd: over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet; 2°. indien een teruggaaf wordt verleend: over het tijdvak dat aanvangt drie maanden na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt op de dag van de dagtekening van het afschrift van de uitspraak of van de kennisgeving waaruit van de teruggaaf blijkt; e. ingeval het tweede lid, tweede volzin, van toepassing is: over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de te laat betaalde belasting betrekking heeft en eindigt op de dag van betaling. […] 5 Het percentage van de heffingsrente in een kalenderkwartaal is gelijk aan de op de eerste werkdag van de tweede kalendermaand voorafgaande aan dat kwartaal door de Europese Centrale Bank voor basisherfinancieringstransacties toegepaste interestvoet (de minimale biedrente), dan wel, indien dit lager is, het naar de gemiddelde koers van die dag door Onze Minister berekende, ongewogen gemiddelde effectieve rendement van de laatste drie uitgegeven staatsleningen die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht is verleend waarbij dit effectieve rendement naar beneden wordt afgerond op een vijfvoud van honderdstenprocenten en vervolgens wordt verminderd met 0,5 procentpunt, met dien verstande dat het aldus bepaalde percentage van de heffingsrente vervolgens wordt vermeerderd met 1,50 procentpunt. 3.11 Het regime voor belastingrente is voor zover in deze procedure van belang geregeld in artikelen 30h, 30ha, 30hb en 30j van de AWR (tekst tot 1 juni 2020): Artikel 30h 1 Met betrekking tot naheffingsaanslagen ter zake van loonbelasting, dividendbelasting, omzetbelasting, overdrachtsbelasting, belasting van personenauto’s en motorrijwielen, accijns, verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken of een in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belasting, wordt aan degene ten name van wie de naheffingsaanslag is gesteld, rente – belastingrente – in rekening gebracht, ingeval de naheffingsaanslag is vastgesteld na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft. 2. […] Artikel 30ha 1 Met betrekking tot de in artikel 30h bedoelde belastingen wordt rente – belastingrente – vergoed ingeval een teruggaafbeschikking niet wordt vastgesteld binnen 8 weken na de ontvangst van het verzoek om die beschikking. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 8 weken na ontvangst van het verzoek, doch niet eerder dan 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt 14 dagen na de dagtekening van de teruggaafbeschikking. 2 Uitgezonderd bij een vermindering van een naheffingsaanslag, wordt met betrekking tot de in artikel 30h bedoelde belastingen ook belastingrente vergoed indien recht ontstaat op een terug te geven bedrag dat verband houdt met een door de inspecteur ingenomen standpunt ter zake van de bij wege van voldoening of afdracht op aangifte verschuldigde of terug te geven belasting. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de voldoening of afdracht van die belasting, doch niet eerder dan 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt 14 dagen na de dagtekening van de teruggaafbeschikking en heeft als grondslag het terug te geven bedrag. 3 Met betrekking tot de in artikel 30h bedoelde belastingen wordt ook belastingrente vergoed indien een afwijzende beschikking op een verzoek om een teruggaaf wordt vervangen door een teruggaafbeschikking. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 8 weken na de ontvangst van het verzoek om de teruggaaf, doch niet eerder dan 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt 14 dagen na de dagtekening van de teruggaafbeschikking. […] Artikel 30hb 1. Het percentage van de belastingrente voor de inkomstenbelasting, de erfbelasting, de loonbelasting, de dividendbelasting, de omzetbelasting, de overdrachtsbelasting, de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, de accijns, de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen is gelijk aan het percentage van de ingevolge artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wettelijke rente, bedoeld in artikel 119 van Boek 6 van dat wetboek, met dien verstande dat het eerstgenoemde percentage ten minste 4 bedraagt. […] Artikel 30j 1 De inspecteur stelt het bedrag van de belastingrente vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Met betrekking tot deze beschikking zijn de bepalingen in de belastingwet die gelden voor de belastingaanslag ter zake waarvan belastingrente wordt berekend, van overeenkomstige toepassing. 2 Het bedrag van de belastingrente wordt op het aanslagbiljet of op het afschrift van de uitspraak of bij de bekendmaking afzonderlijk vermeld. Ingeval de eerste volzin geen toepassing vindt, blijkt het bedrag van de belastingrente uit het afschrift van de beschikking. 3 Met betrekking tot de revisierente bedoeld in artikel 30i zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing. 4 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de bij de berekening van belastingrente toe te passen afrondingen. Voorts kunnen regels worden gesteld met betrekking tot een doelmatige berekening van de belastingrente. Parlementaire geschiedenis 3.12 In de tweede Memorie van Antwoord heeft de Minister van Justitie het volgende opgemerkt over het uitgangspunt waarop de regeling van de wettelijk rente is gebaseerd: Vóór de wijziging die bij de wet van 7 oktober 1970, Stb. 458, werd aangebracht in het huidige artikel 1286 B.W. placht men in de wettelijke rente - toen bij de wet vastgesteld op 5% - een vergoeding te zien voor wat de schuldeiser, ware hij tijdig betaald, aan rente over het verschuldigde bedrag had kunnen kweken; men zie bijv. H.R. 29 januari 1937, N.J. 1937,570. Maar deze gedachte - die het denkbeeld van een afzonderlijke vergoeding voor geldontwaardingsschade begrijpelijk maakt - is in de nieuwe opzet van artikel 1286 B.W. prijsgegeven. De maatstaf die blijkens de memorie van toelichting op het desbetreffende wetsontwerp (zitting 1969-1970-10534, stuk nr. 3) thans voor de vaststelling van de wettelijke rente wordt gehanteerd, komt hierop neer dat men, rekening houdend met het promessendisconto van de Nederlandse Bank, aansluiting zoekt bij de rentevoet die door de handelsbanken voor diverse soorten van bedrijfskredieten aan hun cliënten wordt berekend, Derhalve is nu het uitgangspunt niet langer de rente die de schuldeiser had kunnen maken, maar de rente waartegen hij bij uitblijven van de betaling elders vervangend geld kan opnemen. Er mag van worden uitgegaan dat ditzelfde stelsel zal worden gevolgd bij de vaststelling van de wettelijke rente krachtens het nieuwe wetboek. Dit uitgangspunt laat zich ook zo uitdrukken dat de schuldeiser met de wettelijke rente de vervangingswaarde, men zou kunnen zeggen de „marktprijs", van de betreffende geldsom vergoed krijgt. Of hij inderdaad vervangend geld wil opnemen, is overigens zijn zaak. Hij kan ook vervangend geld uit eigen middelen los maken, of in het geheel niets doen. Maar zolang hij een vergoeding krijgt op basis van de zoëven bedoelde „marktprijs", is hij in beginsel niet beter of slechter af, dan wanneer hij tijdige betaling zou hebben ontvangen. Er is in dit stelsel dan ook geen reden voor een afzonderlijke vergoeding van geldontwaardingsschade, die immers te voorkomen valt door hetgeen men met het geld van plan was, met ander geld dan het verschuldigde te verwezenlijken. 3.13 In de Memorie van Toelichting van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht is het volgende opgemerkt over artikel 6:19 van de Awb: Als een bestuursorgaan een besluit waartegen bezwaar of (hoger) beroep aanhangig is, intrekt, wijzigt of vervangt, dan heeft het al aanhangige bezwaar of (hoger) beroep in beginsel en van rechtswege ook betrekking op het nieuwe besluit. Dit geldt als het bestuursorgaan het nieuwe besluit uit eigen beweging neemt, maar ook als het nieuwe besluit wordt genomen ter uitvoering van een (tussen)uitspraak van de (hogerberoeps)rechter, bijvoorbeeld bij toepassing van de bestuurlijke lus. Het eerste lid voorkomt verlies van rechtsbescherming (de belanghebbende hoeft niet afzonderlijk te ageren tegen het nieuwe besluit), maar voorkomt ook dat hetzelfde geschil tegelijkertijd wordt behandeld door twee organen: door het bestuursorgaan en de rechter, of door de rechtbank en de hogerberoepsrechter. Het eerste lid geldt ook als uitsluitend het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld. Met het oog daarop is de zinsnede «tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoetkomt» uit het huidige artikel 6:19, eerste lid, niet overgenomen. Zo’n regel is immers niet passend als uitsluitend het bestuursorgaan hoger beroep instelt en hangende de procedure in hoger beroep – ter uitvoering van de aangevallen uitspraak van de rechtbank – een nieuw besluit neemt. Een dergelijk besluit kan geheel tegemoetkomen aan de wens van degene die beroep tegen het oorspronkelijke bestreden besluit had ingesteld. Het bestuursorgaan blijft echter ook in die situatie belang houden bij het betrekken van het nieuwe besluit bij de lopende procedure. De hogerberoepsrechter kan namelijk oordelen dat het eerder genomen besluit geen gebreken vertoont, en in het verlengde hiervan dat geen reden voor het nemen van het nieuwe besluit bestaat. Dit oordeel leidt tot vernietiging van zowel de aangevallen uitspraak van de rechtbank als het nieuwe besluit van het bestuursorgaan. 3.14 In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 8:76 Awb is opgenomen: Het huidige artikel 8:76 bepaalt dat voorzover een uitspraak strekt tot betaling van een bepaald geldbedrag zij ten uitvoer kan worden gelegd overeenkomstig de bepalingen van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Met de voorgestelde wijziging wordt ten eerste verduidelijkt om welke bestuursrechtelijke uitspraken het gaat. Concreet betreft het de in artikel 8:73, 8:74, 8:75 en 8:75a bedoelde bestuursrechterlijke uitspraken tot vergoeding van schade, griffierecht of proceskosten. Het artikel heeft geen betrekking op uitspraken waarin een bestuursrechter op grond van artikel 8:72 of het voorgestelde artikel 8:72a zelf in de zaak voorziet door de inhoud van een financiële beschikking bij zijn uitspraak te bepalen. In dat geval stelt hij niet een verplichting tot betaling bij zijn uitspraak vast, maar bepaalt hij hoe het bestuursorgaan had dienen te beslissen. Tevens wordt met de wijziging de aansluiting op het civiele recht verbeterd door de uitspraken ex artt 8:73, 74, 75 en 75a «bij de wet als executoriale titel aan te wijzen» in de zin van art 430, eerste lid, Rv. Daarmee zijn de op executoriale titels toepasselijke bepalingen van Rv omtrent onder meer vorm, betekening, wijzen van tenuitvoerlegging, executiegeschil, procesrecht, kostenveroordeling en procesvertegenwoordiging op deze uitspraken van toepassing. 3.15 In de Nota naar aanleiding van het Verslag bij de herziening van het fiscale procesrecht is het volgende opgemerkt: Artikel 8:72 geeft een regeling voor de gevolgen van een gegrondverklaring van het beroep. Deze regeling zal de belastingrechter meer mogelijkheden geven in de wijze van afdoening na vernietiging van de uitspraak op bezwaar. De regeling staat er niet aan in de weg dat de belastingrechter de traditie, gebaseerd op de zogenoemde devolutieve werking van het appel, doorzet. Die traditie houdt in dat de belastingrechter na vernietiging doet wat de inspecteur had moeten beslissen. De rechter stelt alsdan de belastingschuld zelf vast, en verwijst de zaak niet terug naar de inspecteur. Het is denkbaar dat de belastingrechter er in de toekomst onder omstandigheden de voorkeur aangeeft dat de inspecteur een nieuwe uitspraak doet op bezwaar met inachtneming van zijn uitspraak. Men kan daarbij denken aan gevallen waarbij de inspecteur niet toegekomen is aan een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar, omdat dit naar zijn oordeel niet-ontvankelijk was. Ook is voorstelbaar dat de rechter na de bevinding dat de zaak onvoldoende is voorbereid, de inspecteur opdraagt zijn werk alsnog te doen. Afgewacht moet worden of, en zo ja, in welke mate de attitude van de belastingrechter wijziging zal ondergaan. 3.16 In de parlementaire geschiedenis van artikel 30d (thans artikel 30j) van de AWR is opgemerkt: Het tweede lid bepaalt dat de rente aan de belastingplichtige uitdrukkelijk kenbaar wordt gemaakt. 3.17 Bij de introductie van de nieuwe renteregeling bij het Belastingplan 2012 heeft de Staatssecretaris het volgende opgemerkt: Het kabinet introduceert een nieuwe renteregeling voor het heffen en vergoeden van rente die aansluit op de regeling verzuimrente van de Awb. Die verzuimrenteregeling gaat ervan uit dat een bestuursorgaan rente in rekening brengt indien de burger niet op tijd aan zijn betalingsverplichting jegens het bestuursorgaan voldoet. Anderzijds vergoedt het bestuursorgaan rente als het zelf niet op tijd aan zijn betalingsverplichting jegens de burger voldoet. De nieuwe fiscale renteregeling is geënt op deze spiegelbeeldige uitgangspunten maar is verder toegesneden op de systematiek van de belastingheffing. Ook voor de hoogte van het rentepercentage sluit het kabinet aan bij de Awb-verzuimrenteregeling, namelijk de wettelijke rente zoals deze geldt voor niet-handelstransacties. Het rentepercentage voor het heffen of vergoeden van rente blijft in de nieuwe regeling gelijk. […] Voor de hoogte van het percentage van de belastingrente wordt aangesloten bij de wettelijke rente voor niet-handelstransacties. Dit percentage wordt ingevolge artikel 6:120, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaald bij algemene maatregel van bestuur. Aanpassing van het percentage van de wettelijke rente geschiedt, voor zover nodig, halfjaarlijks per 1 januari en per 1 juli door bij de herfinancieringsrente (peildatum ultimo oktober respectievelijk ultimo april) van de Europese Centrale Bank 2,25 procentpunt op te tellen. Om al te grote veranderingen te vermijden wordt een verlaging of verhoging beperkt tot maximaal 2 procentpunten. Er vindt een afronding plaats van halven of meer naar boven en overigen naar beneden. 3.18 In een verslag van een wetgevingsoverleg met betrekking tot o.a. het Belastingplan 2012 waarin wordt gesproken over het belastingrentepercentage van 4 dat het gevolg is van het nieuwe artikel 30hb van de AWR is van regeringszijde gesteld: Dan kom ik op het percentage van 4. In mijn schriftelijke antwoord ben ik daarop al uitvoerig ingegaan; op pagina 18 van de brief die ik afgelopen donderdag naar de Kamer heb gestuurd. De wettelijke rente is een rente die wij elders ook kennen; in het verkeer tussen de overheid en anderen, maar ook wanneer burgers of bedrijven iets van elkaar te vorderen hebben. Die 4% is nu juist gekoppeld aan de marktrente en aan de rentetarieven van de ECB. Het percentage is hoog als je het vergelijkt met de rente die je op een lopende rekening krijgt of op een spaarbankboekje waarvan je vrij mag opnemen. Maar die 4% is erg laag in vergelijking met de rente die je moet betalen als je ergens geld leent. Dat zou ik de heer Braakhuis ook even willen voorhouden. Het percentage wordt periodiek aangepast, afhankelijk van wat de ECB betaalt. Dit is gewoon een eerlijke regeling. Besluiten Besluit Beroep in Belastingzaken 3.19 Het Besluit Beroep in Belastingzaken schrijft de inspecteur voor om uitvoering te geven aan de uitspraak van de bestuursrechter: 2.6.7. Behandeling van de vermindering of vernietiging van het bestreden besluit 1. Voor zover tegen een uitspraak hoger beroep of beroep in (sprong)cassatie wordt ingesteld, of de termijn daarvoor nog niet is verstreken, wordt die uitspraak nog niet uitgevoerd. 2. Onderdelen van de uitspraak die in de loop van hoger beroep of beroep in (sprong)cassatie nog aan de orde kunnen worden gesteld, worden nog niet uitgevoerd. 3. Als zowel belanghebbende als de inspecteur zich bij de uitspraak neerlegt, draagt de inspecteur zorg voor de uitvoering van de uitspraak nadat deze onherroepelijk is geworden. 4. Voor zover uitvoering van de uitspraak leidt tot vergoeding van griffierecht, proceskosten of immateriële schade wordt verwezen naar paragraaf 04. Jurisprudentie Hof van Justitie 3.20 In zijn Irimie-arrest heeft het Hof van Justitie als volgt overwogen en voor recht verklaard: 16 Blijkens de verwijzingsbeslissing wenst de verwijzende rechter met zijn prejudiciële vraag in wezen te vernemen of het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke de rente die bij de terugbetaling van in strijd met het Unierecht geïnde belasting wordt toegekend, slechts loopt vanaf de dag die volgt op die waarop om terugbetaling van deze belasting is verzocht. (…) 29 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, volgens welke de rente die bij de terugbetaling van in strijd met het Unierecht geheven belasting wordt toegekend, slechts loopt vanaf de dag die volgt op die waarop om terugbetaling van deze belasting is verzocht. (…) Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht: Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, volgens welke de rente die bij de terugbetaling van in strijd met het Unierecht geheven belasting wordt toegekend, slechts loopt vanaf de dag die volgt op die waarop om terugbetaling van deze belasting is verzocht. 3.21 In de zaak Eesti Pagar heeft het Hof van Justitie als volgt overwogen ten aanzien van rentevordering over terug te vorderen staatssteun: 129 Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat een nationale autoriteit die op eigen initiatief steun terugvordert die zij ten onrechte heeft toegekend met toepassing van verordening nr. 800/2008, ertoe gehouden is rente te vorderen van de begunstigde van deze steun, en, indien dit het geval is, welke regels van toepassing zijn op de berekening van die rente, met name wat betreft het rentepercentage en de periode waarover die rente verschuldigd is. (…) 142 Gelet op een en ander dient op de vijfde vraag te worden geantwoord dat het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat een nationale autoriteit die op eigen initiatief steun terugvordert die zij ten onrechte heeft verleend met toepassing van verordening nr. 800/2008, van de begunstigde van deze steun rente dient te vorderen overeenkomstig de regels van het toepasselijke nationale recht. In dit verband vereist artikel 108, lid 3, VWEU dat door deze regels kan worden gewaarborgd dat de onrechtmatige steun volledig wordt teruggevorderd, hetgeen onder meer impliceert dat de begunstigde ervan wordt gelast rente te betalen over de volledige periode gedurende welke hij de betreffende steun heeft ontvangen, tegen een rentevoet die gelijk is aan die welke zou zijn toegepast indien hij het bedrag van die steun tijdens die periode op de markt had moeten lenen. (…) Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht: (…) 5) Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat een nationale autoriteit die op eigen initiatief steun terugvordert die zij ten onrechte heeft verleend met toepassing van verordening nr. 800/2008, van de begunstigde van deze steun rente dient te vorderen overeenkomstig de regels van het toepasselijke nationale recht. In dit verband vereist artikel 108, lid 3, VWEU dat door deze regels kan worden gewaarborgd dat de onrechtmatige steun volledig wordt teruggevorderd, hetgeen onder meer impliceert dat de begunstigde ervan wordt gelast rente te betalen over de volledige periode gedurende welke hij de betreffende steun heeft ontvangen, tegen een rentevoet die gelijk is aan die welke zou zijn toegepast indien hij het bedrag van die steun tijdens die periode op de markt had moeten lenen. 3.22 Het Hof van Justitie heeft zich in de in casu van belang zijnde zaak Sole-Mizo onder andere uitgelaten over de rente op de overschotten aan aftrekbare belasting over de toegevoegde waarde: 33 Met de eerste drie vragen in zaak C13/18 en de eerste twee vragen en het eerste onderdeel van de zevende vraag in zaak C126/18, die samen moeten worden onderzocht, wensen de verwijzende rechters in essentie te vernemen of het Unierecht, in het bijzonder artikel 183 van de btw-richtlijn, en de beginselen van doeltreffendheid, gelijkwaardigheid, rechtstreekse werking en evenredigheid aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een praktijk van een lidstaat als die in de hoofdgedingen, waarbij de rente op de overschotten aan aftrekbare btw die door die staat in strijd met het Unierecht langer dan redelijk is zijn ingehouden, wordt berekend op basis van een rentevoet die overeenkomt met de basisrentevoet van de nationale centrale bank. 34 Dienaangaande blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het recht op terugbetaling van heffingen die een lidstaat in strijd met het recht van de Unie heeft geïnd, het gevolg en het complement is van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan de bepalingen van het Unierecht, zoals die door het Hof zijn uitgelegd. De lidstaten zijn dus in beginsel verplicht om de in strijd met het recht van de Unie geïnde belastingen terug te betalen (arrest van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C591/10, EU:C:2012:478, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 35 Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat wanneer een lidstaat in strijd met het Unierecht heffingen heeft toegepast, de justitiabelen recht hebben op terugbetaling, niet alleen van de ten onrechte geheven belasting, maar ook van de in rechtstreeks verband met die belasting aan die staat betaalde of door hem ingehouden bedragen. Daaronder vallen ook de verliezen die eruit voortvloeien dat geldsommen wegens de voortijdige verschuldigdheid van de belasting niet beschikbaar waren (arrest van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C591/10, EU:C:2012:478, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 36 Uit die rechtspraak volgt dat het beginsel dat de lidstaten verplicht zijn om in strijd met het Unierecht geheven belastingen met rente terug te betalen, uit het Unierecht zelf voortvloeit (arrest van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C591/10, EU:C:2012:478, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 37 Bij gebreke van een Unieregeling is het een aangelegenheid van het interne recht van elke lidstaat om de voorwaarden vast te stellen waaronder deze rente moet worden betaald, met name de rentevoet en de wijze waarop de rente wordt berekend (enkelvoudige dan wel samengestelde rente). Deze voorwaarden moeten in overeenstemming zijn met het gelijkwaardigheids en het doeltreffendheidsbeginsel, dat wil zeggen dat zij niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen op basis van het nationale recht gelden en evenmin van dien aard mogen zijn dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk maken (arrest van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C591/10, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Die voorwaarden moeten eveneens het beginsel van fiscale neutraliteit eerbiedigen (arrest van 28 februari 2018, Nidera, C387/16, EU:C:2018:121, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 38 In casu wensen de verwijzende rechters in de eerste plaats te vernemen of de praktijk van de belastingdienst, die is gebaseerd op beginseluitspraak nr. 18/2017 van de Kúria, verenigbaar is met het gelijkwaardigheidsbeginsel voor zover de rente die daarbij wordt toegekend op de bedragen van het overschot aan aftrekbare btw waarvan de belastingplichtigen geen teruggaaf konden verkrijgen wegens de voorwaarde inzake de betaalde tegenprestatie, wordt berekend overeenkomstig de §§ 124/C en 124/D van het wetboek fiscaal procesrecht, en niet op basis van § 37, leden 4 en 6, van dat wetboek. 39 Volgens de gegevens in de verwijzingsbeslissingen bepalen de §§ 124/C en 124/D van het wetboek fiscaal procesrecht dat de rente op bedragen die aan de belastingplichtige moeten worden teruggegeven ten gevolge van een beslissing van het Hof, de Alkotmánybíróság of de Kúria – waarbij wordt vastgesteld dat een regel van nationaal recht die een fiscale verplichting oplegt, in strijd is met het Unierecht of de Hongaarse grondwet of, in geval van een gemeentelijke regeling, met om het even welke andere rechtsregel – wordt berekend tegen een rentevoet die overeenkomt met de basisrentevoet van de Hongaarse centrale bank. Volgens diezelfde gegevens voorziet § 37, lid 6, van het wetboek fiscaal procesrecht daarentegen in de toepassing van een rentevoet die gelijk is aan tweemaal de basisrentevoet van de Hongaarse centrale bank voor het geval dat de belastingdienst de btw waarvan om teruggaaf wordt verzocht, niet overmaakt binnen 30 of 45 dagen na ontvangst van het verzoek tot teruggaaf. 40 Al met al staat het aan de verwijzende rechters – die als enigen rechtstreeks bekend zijn met de procedureregels voor beroepen tot teruggaaf die tegen de staat zijn gericht – om na te gaan of die regels, die in het nationale recht de bescherming moeten waarborgen van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan het Unierecht, in overeenstemming zijn met voornoemd beginsel, en om zowel het voorwerp als de voornaamste kenmerken te onderzoeken van vermeend vergelijkbare beroepen op basis van het nationale recht. Daarbij dienen die nationale rechters de vergelijkbaarheid van de betrokken beroepen te controleren uit het oogpunt van het voorwerp, de oorzaak en de voornaamste kenmerken ervan (arrest van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C591/10, EU:C:2012:478, punt 31). 41 Onder voorbehoud van die door de verwijzende rechters te verrichten controle moet erop worden gewezen dat aan de rente waarin de §§ 124/C en 124/D van het wetboek fiscaal procesrecht voorzien, een arrest van het Hof of van een hogere nationale rechter ten grondslag lijkt te liggen, waarbij met terugwerkende kracht wordt vastgesteld dat een nationale regel die een fiscale verplichting oplegt, in strijd is met een hogere regel. § 37, leden 4 en 6, van dat wetboek lijkt daarentegen betrekking te hebben op een situatie waarin de belastingdienst een verzoek tot btw-teruggaaf niet binnen de gestelde termijn heeft gehonoreerd. Bijgevolg bestraft die bepaling de niet-naleving door de belastingdienst van de termijn waarin hij een door hem verschuldigd bedrag diende terug te geven. 42 Zoals de Europes