HOGE RAAD
R NEDERLANDEN Nummer 21/00241 Zitting 15 september 2021 CONCLUSIE E.B. Rank-Berenschot In
zaak [verzoeker] tegen Hoist Finance AB In
ze zaak zijn prejudiciële vragen aan
Hoge Raad gesteld over
verwerking van persoonsgegevens in het kredietregistratiestelsel van het BKR.
voornaamste vraag betreft
rechtsgrond van
verwerking:
vraag of
ze plaatsvindt ter nakoming van een wettelijke verplichting van kredietaanbieders (als bedoeld in art. 6 lid 1 onder c AVG) dan wel ter behartiging van gerechtvaardigde belangen (als bedoeld in art. 6 lid 1 onder f AVG). In het verlengde hiervan zijn vragen gesteld over
rechtsgevolgen van
toepasselijke verwerkingsgrond:
vraag of kredietnemers aanspraak hebben op gegevenswissing (art. 17 AVG), of zij bezwaar kunnen maken tegen
verwerking (art. 21 AVG) en binnen welke termijn zij een procedure tegen
kredietaanbieder moeten instellen (art. 35 lid 2 UAVG). 1Feiten en procesverloop 1.1
voorzieningenrechter in
rechtbank Amsterdam is uitgegaan van
volgende feiten: (i) Eiser heeft een krediet afgesloten bij (een rechtsvoorganger van) gedaagde (hierna: Hoist). Vanwege een daarop ontstane betalingsachterstand heeft Hoist het krediet op 5 juli 2006 opgeëist. (ii)
Stichting Bureau Krediet Registratie (hierna: het BKR) beheert het Centraal Krediet Informatiesysteem (hierna: het CKI), een systeem waarin betalingsachterstanden of andere onregelmatigheden die ontstaan tijdens
looptijd van een kredietovereenkomst met bijzonderheidscoderingen worden vermeld. (iii) Op 8 mei 2006 is eiser ten aanzien van het krediet in het CKI onder zijn achternaam genoteerd met
bijzonderheidscode ‘A’.
ze codering betekent dat sprake is van een achterstand. (iv) Op 28 juni 2006 is aan eisers notering in het CKI een ‘2-codering’ (hierna tezamen met
A-codering:
BKR-registratie) toegevoegd, hetgeen inhoudt dat sprake is van een opgeëiste vordering. (v) Bij vonnis van 12
cember 2006 is eiser veroordeeld tot betaling aan (een rechtsvoorganger van) Hoist van € 5.000,-, vermeerderd met
overeengekomen kredietvergoeding over dit bedrag vanaf 7 november 2006 tot
dag van
algehele voldoening. (vi) Eiser is een betalingsregeling overeengekomen met NDA Incasso, aan wie Hoist
vordering uit handen had gegeven. (vii) Op 1 juni 2017 is aan
BKR-registratie een 3-codering toegevoegd, wat betekent dat een bedrag groter dan € 250 op het krediet moest worden afgeboekt. (viii) Bij brief van 27 juni 2017 heeft NDA Incasso aan eiser bericht dat
gehele vordering was voldaan. (ix) Bij e-mail van 17 juli 2020 heeft Hoist aan eiser bericht dat zij
3-codering in het CKI zou laten verwijderen, naar aanleiding van een door eiser daartoe gedaan verzoek. (x) Op 10 september 2020 heeft eisers advocaat namens eiser opnieuw een verzoek tot verwijdering van
BKR-registratie ingediend bij Hoist. Bij e-mail van 21 september 2020 heeft Hoist dit verzoek afgewezen. 1.2 In dit kort geding – ingeleid bij dagvaarding van 16
cember 2020 – heeft eiser gevorderd dat Hoist wordt bevolen
BKR-registratie te doen wijzigen, in die zin dat
bijzonderheidscodes 2 en A achter zijn naam worden verwijderd. Eiser heeft hiertoe aangevoerd dat hij als gevolg van
BKR-registratie geen hypotheek kan krijgen voor
woning die hij wil kopen (waarvan
levering op 15 januari 2021 stond gepland), dat hij sinds drie jaar schuldenvrij is en dat hij onevenredig veel nadeel ondervindt van
BKR-registratie. 1.3 Hoist verweert zich met
stelling dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat hij te laat heeft gereageerd op
afwijzende beslissing van 21 september 2020 op zijn (tweede) verwijderingsverzoek. In het verlengde hiervan betwist Hoist het spoedeisend belang van eiser bij zijn vordering. Inhoudelijk betoogt Hoist dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarom zijn belang bij verwijdering van
BKR-registratie (die normaliter gedurende vijf jaren blijft bestaan) zwaarder moet wegen dan het belang bij behoud van
BKR-registratie. Dit laatste belang vloeit volgens Hoist voort uit het feit dat er bij eiser langere tijd sprake is geweest van een slechte financiële situatie. 1.4 Ter zitting van 24
cember 2020 heeft
voorzieningenrechter in
rechtbank Amsterdam voorlopig geoordeeld dat eiser niet-ontvankelijk is en het voornemen uitgesproken om prejudiciële vragen aan
Hoge Raad te stellen over
grondslag van BKR-registraties. Bij e-mails van 29
cember 2020, 5 januari 2021 en 11 januari 2021 hebben
advocaten van partijen op dit voornemen gereageerd. 1.5 Bij tussenvonnis van 21 januari 2021 heeft
voorzieningenrechter drie prejudiciële vragen aan
Hoge Raad gesteld (hierna besproken onder 3). Aan
ze beslissing heeft
voorzieningenrechter, samengevat en voor zover van belang,
volgende overwegingen ten grondslag gelegd. - Eiser heeft op 10 september 2020 bezwaar gemaakt tegen zijn BKR-registratie. Hoist heeft overeenkomstig art. 12 lid 3 van
Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) binnen een maand, namelijk op 21 september 2020, op het bezwaar gereageerd. Ingevolge art. 35 lid 2 van
Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) moest eiser zich binnen zes weken daarna tot
rechtbank wenden. Dat heeft hij niet gedaan. Daarom is ter zitting voorlopig geoordeeld dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn vordering (rov. 4.1). - Als eiser wel ontvankelijk zou zijn, zou
vordering inhoudelijk moeten worden beoordeeld. Beide partijen gaan ervan uit dat
coderingen 2 en A
stijds terecht in het CKI zijn opgenomen. In
rechtspraak is er onduidelijkheid over
vraag of Hoist als
elnemer aan dit stelsel van kredietregistratie heeft voldaan aan een wettelijke plicht als bedoeld in art. 6 lid 1 onder c AVG.
gerechtshoven hebben hierover verschillend geoordeeld (rov. 4.2). - Als meest recente voorbeelden kunnen worden genoemd
beslissingen van het gerechtshof
n Bosch van 6 augustus 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2536, het gerechtshof
n Haag van 10 november 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2068 en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17
cember 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10564 (rov. 4.3-4.6). - Het oordeel van het gerechtshof
n Bosch wordt aldus verstaan dat, uitgaande van
toepasselijkheid van art. 6 lid 1 onder c AVG,
verzoeker geen aan
AVG ontleend recht heeft op het maken van bezwaar tegen
registratie. Dat brengt mee dat
in art. 35 lid 2 UAVG neergelegde termijn voor het instellen van een procedure bij
burgerlijke rechter niet van toepassing is. Overschrijding van die termijn leidt dan niet tot niet-ontvankelijkheid (rov. 4.4). - Als
toepasselijke verwerkingsgrond een ‘wettelijke plicht’ als bedoeld in art. 6 lid 1 onder c AVG zou zijn, rijst
vraag of, als verweer daartegen, het recht om vergeten te worden (art. 17 AVG) kan worden ingeroepen. Is dat niet het geval, dan moet
rechter het Santander-toetsingscriterium toepassen (HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097). Betoogd kan worden dat
ze toets ongunstiger is voor
gene wiens persoonsgegevens zijn verwerkt (rov. 4.7). -
voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat
lijn van het gerechtshof
n Haag moet worden gevolgd.
concrete registratie in het CKI wordt gedaan ter uitvoering van
wettelijke verplichting tot
elneming aan een stelsel van kredietregistratie (art. 4:32 Wft).
ze uitvoering is gegrond op het Algemeen Reglement CKI van het BKR. Dit reglement kan niet worden beschouwd als een wettelijke regeling als bedoeld in art. 6 lid 1 onder c AVG (rov. 4.8). - Dit voorlopig oordeel brengt mee dat
BKR-registratie van eiser kan worden getoetst aan art. 6 lid 1 onder f AVG, maar ook dat eiser te laat is met zijn vordering en niet-ontvankelijk moet worden verklaard (rov. 4.9). - Omdat
gerechtshoven verdeeld zijn, is onzeker of dit voorlopig oordeel juist is.
voorzieningenrechter acht daarom het stellen van prejudiciële vragen aan
Hoge Raad noodzakelijk. Een prejudiciële beslissing is van belang voor
beslechting of beëindiging van talrijke andere soortgelijke geschillen (rov. 4.10). 1.6
Hoge Raad heeft
vragen in behandeling genomen. Namens Hoist zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door mr. Van Wijk als cassatieadvocaat. Eiser heeft afgezien van
indiening van schriftelijke opmerkingen. 2Inleidende beschouwingen Plan van behandeling 2.1 Het recht op bescherming van persoonsgegevens (ook wel ‘informationele privacy’ genoemd) wordt als grondrecht beschermd door art. 8 EVRM, art. 16 VWEU en art. 8 van het Handvest van
grondrechten van
Europese Unie (hierna: Handvest). In EU-verband is
bescherming van persoonsgegevens nader uitgewerkt in
Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG), die op 25 mei 2018
Richtlijn bescherming persoonsgegevens (hierna:
Richtlijn) heeft vervangen.
ze richtlijn was in Nederland geïmplementeerd in
Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp). 2.2 Ik bespreek hierna het grondrechtelijke kader (alinea 2.3 e.v.), gevolgd door een behandeling van
relevante AVG-bepalingen, waar nodig in samenhang met het oude recht (alinea 2.7 e.v.). Aansluitend behandel ik
wet- en regelgeving op het gebied van het financieel toezicht die
elname aan en raadpleging van een stelsel van kredietregistratie voorschrijft (alinea 2.43 e.v.). Ten slotte bespreek ik hoe
ze wet- en regelgeving zich verhoudt tot
bescherming van persoonsgegevens onder
AVG (alinea 2.76 e.v.). Bescherming van persoonsgegevens als grondrecht 2.3 Hoewel het EVRM niet voorziet in een recht op bescherming van persoonsgegevens (‘data protection’) als zodanig, acht het EHRM die bescherming wel van fundamenteel belang voor
verwezenlijking van het door art. 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven. Art. 8 lid 2 EVRM laat een inmenging in dit recht slechts toe, voor zover
ze (
mocratische samenleving (‘necessary in a
mocratic society’) is ter bescherming van (iii) één of meer van
in het artikellid genoemde rechtsbelangen (‘legitimate aims’).
eerste beperkingsvoorwaarde (‘lawfulness’) wordt door het EHRM in materiële zin opgevat:
inmenging behoeft niet in een wet in formele zin te zijn neergelegd, maar kan voortvloeien uit elk algemeen verbindend voorschrift, mits dit voorschrift voldoende toegankelijk en voorzienbaar is (‘accessibility and foreseeability’).
tweede beperkingsvoorwaarde (‘necessity’) omvat onder meer een proportionaliteitstoets. Het EHRM onderzoekt of
inmenging voorziet in een dringende maatschappelijke behoefte (‘a pressing social need’) en proportioneel is aan
nagestreefde doeleinden (‘proportionate to the legitimate aims pursued’). In dat kader kan van belang zijn of het beoogde doel ook met minder verstrekkende middelen kan worden bereikt. Dit laatste wordt ook wel
subsidiariteitstoets genoemd (ter onderscheiding van
proportionaliteitstoets waarvan
ze toets onderdeel uitmaakt). 2.4 Art. 16 lid 1 VWEU en art. 8 lid 1 Handvest bepalen dat eenieder recht heeft op bescherming van zijn persoonsgegevens. Art. 8 lid 2 Handvest bepaalt dat persoonsgegevens eerlijk moeten worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van
betrokkene of op basis van ‘een andere gerechtvaardigde grondslag waarin
wet voorziet’.
considerans van
AVG bevestigt dat
bescherming van natuurlijke personen bij
verwerking van persoonsgegevens ‘een grondrecht’ is. 2.5 In
Santander-beschikking uit 2011 heeft
Hoge Raad geoordeeld dat, gelet op art. 8 EVRM en
totstandkomingsgeschiedenis van
Wbp, elke verwerking van persoonsgegevens moet voldoen aan
beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ook als
gegevensverwerking in beginsel is toegestaan op een van
in art. 8 Wbp limitatief opgesomde verwerkingsgronden (vergelijk thans art. 6 lid 1 AVG), blijft
eis gelden dat
verwerking in het concrete geval noodzakelijk moet zijn met het oog op het omschreven doel van
verwerking.
aanwezigheid van een wettelijke rechtvaardigingsgrond maakt
rhalve een belangenafweging aan
hand van
beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overbodig, aldus
Hoge Raad. Het ging in die zaak, evenals in
nu voorliggende zaak, om een kredietregistratie in het CKI van het BKR, waartegen
kredietnemer verzet had aangetekend op grond van art. 40 Wbp (vergelijk thans art. 21 AVG). Het hof had
vraag of
kredietregistratie berustte op
c-grond van art. 8 Wbp (nakoming van een wettelijke verplichting) dan wel op
f-grond (behartiging van een gerechtvaardigd belang) onbeantwoord gelaten, daartoe overwegende dat ongeacht
toepasselijke verwerkingsgrondslag een belangenafweging moest plaatsvinden.
Hoge Raad liet dat oordeel in stand en verwierp
daartegen gerichte klacht dat bij
toepassing van
c-grond geen belangenafweging vereist zou zijn. 2.6
grondrechtelijke status van het recht op bescherming van persoonsgegevens brengt dus mee dat elke gegevensverwerking aan
basisvereisten van art. 8 EVRM en art. 8 Handvest moet voldoen, waaronder
beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit maakt een toetsing aan
AVG, waarin die basisvereisten zijn uitgewerkt, niet overbodig. Eerst zal moeten worden bezien of en in hoeverre
AVG een gegevensverwerking toestaat. Een aanvullende toetsing aan art. 8 EVRM en art. 8 Handvest kan als vangnet fungeren voor gevallen die
AVG-toets doorstaan, maar biedt
rechthebbende niet zonder meer een gelijkwaardig beschermingsniveau. Bescherming van persoonsgegevens onder
AVG en
UAVG 2.7
AVG is ingevoerd om
Europese gegevensbeschermingsregels verder te harmoniseren dan
Richtlijn bescherming persoonsgegevens al
ed.
materiële normen voor
verwerking van persoonsgegevens zijn in grote lijnen gelijk gebleven, maar
rechtspositie van
rechthebbenden is op verschillende punten versterkt, bijvoorbeeld door
invoering van het nog te bespreken recht op vergetelheid (art. 17 AVG). Wetssystematisch is een belangrijk verschil dat
AVG, als verordening, verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat (art. 288 VWEU). Omzetting in nationale wetgeving is dus niet vereist, en in beginsel zelfs niet toegestaan. Niettemin laat
AVG op verschillende punten ruimte voor nadere uitwerking in nationale wetgeving. Zo bepaalt art. 6 lid 2 AVG, toegespitst op
verwerkingsgronden van art. 6 lid 1 onder c en e AVG (wettelijke verplichting en taak van algemeen belang), dat
lidstaten ‘specifiekere bepalingen’ kunnen handhaven of invoeren ter aanpassing van
manier waarop
AVG-regels met betrekking tot
ze verwerkingsgronden worden toegepast. Hiertoe kunnen
lidstaten een ‘nadere omschrijving’ geven van ‘specifieke voorschriften’ voor
verwerking en ‘andere maatregelen om een rechtmatige en behoorlijke verwerking te waarborgen’. Tegen
ze achtergrond wordt
AVG ook wel een ‘directive in disguise’ genoemd. 2.8 Het vereiste van rechtmatigheid en
beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals neergelegd in art. 8 lid 2 EVRM en art. 8 lid 2 Handvest, zijn nader uitgewerkt in art. 5 AVG, houdende ‘Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens’. Het gaat, voor zover hier van belang, om
beginselen van ‘rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie’ (lid 1 onder a), ‘doelbinding’ (lid 1 onder b) en ‘minimale gegevensverwerking’ (lid 1 onder c). Laatstgenoemd beginsel houdt in dat
verwerking van persoonsgegevens beperkt moet blijven tot ‘wat noodzakelijk is voor
doeleinden waarvoor zij worden verwerkt’. Meer concreet betekent dit bijvoorbeeld dat
opslagperiode van persoonsgegevens tot een ‘strikt minimum’ moet worden beperkt. 2.9 Het vereiste van toestemming of een andere gerechtvaardigde grondslag, zoals neergelegd in art. 8 lid 2 Handvest, is nader uitgewerkt in art. 6 AVG, over ‘Rechtmatigheid van
verwerking’. In art. 6 lid 1 AVG zijn zes limitatieve verwerkingsgronden opgenomen, die overeenstemmen met
verwerkingsgronden van art. 7 van
Richtlijn en art. 8 Wbp.
ze verwerkingsgronden en hun onderlinge verhouding bespreek ik hierna in alinea 2.14 e.v. 2.10
Uitvoeringswet AVG (UAVG), die tegelijk met
AVG op 25 mei 2018 is ingevoerd, voorziet in regels ter uitvoering van het in
AVG bepaalde, bijvoorbeeld met betrekking tot
publiekrechtelijke handhaving van AVG-regels en
civielrechtelijke rechtsbescherming van
rechthebbende.
UAVG bouwt voort op het normenkader van
Richtlijn en
Wbp. Voor
ze zaak is art. 35 UAVG van belang, dat – voortbouwend op het in art. 79 AVG neergelegde recht op een ‘doeltreffende voorziening in rechte’ – voorziet in een civielrechtelijke rechtsingang met het oog op onder meer het doen verwijderen of het doen staken van
verwerking van persoonsgegevens (alinea 2.39 e.v.).
begrippen ‘verwerking’, ‘verwerkingsverantwoordelijke’ en ‘verwerker’ (art. 4 AVG) 2.11
voor
toepassing van
AVG relevante begrippen zijn gedefinieerd in art. 4 AVG. Onder persoonsgegevens wordt verstaan ‘alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon’.
ze persoon,
rechthebbende, wordt in
AVG als betrokkene aangemerkt (art. 4 onder 1 AVG).
verwerking van persoonsgegevens is ruim omschreven als ‘een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés’. Daaronder wordt behalve het ‘opslaan’ en ‘raadplegen’ van persoonsgegevens bijvoorbeeld ook het ‘wissen of vernietigen’ van persoonsgegevens verstaan (art. 4 onder 2 AVG). 2.12
materiële normen van
AVG zijn primair gericht tot
verwerkingsverantwoordelijke (‘controller’). Dat is
natuurlijke persoon of rechtspersoon die, alleen of samen met anderen, ‘het doel van en
middelen voor
verwerking van persoonsgegevens vaststelt’ (art. 4 onder 7 AVG). In
literatuur wordt
verwerkingsverantwoordelijke omschreven als
gene onder wiens verantwoordelijkheid
gegevensverwerking plaatsvindt. Indien twee of meer personen gezamenlijk
doeleinden en middelen van
verwerking bepalen, zijn zij gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken (art. 26 lid 1 AVG).
betrokkene kan zijn AVG-rechten dan met betrekking tot en jegens ieder van hen uitoefenen (art. 26 lid 3 AVG). 2.13 Worden persoonsgegevens verwerkt door een
rde die optreedt namens
verwerkingsverantwoordelijke, dan wordt die
rde als verwerker (‘processor’) aangeduid (art. 4 onder 8 AVG).
verwerking van persoonsgegevens door een verwerker wordt geregeld in een overeenkomst of andere rechtshandeling die
verwerker ten opzichte van
verwerkingsverantwoordelijke bindt (art. 28 lid 3 AVG).
verwerker bevindt zich buiten
organisatie van
verwerkingsverantwoordelijke en handelt overeenkomstig diens instructies. Een voorbeeld is het salarisadministratiebedrijf, dat in opdracht van werkgevers persoonsgegevens van werknemers verwerkt. Verwerkingsgronden (art. 6 AVG) 2.14 Art. 6 lid 1 AVG behelst zoals gezegd een limitatieve opsomming van
gronden waarop persoonsgegevens rechtmatig kunnen worden verwerkt. Het artikellid luidt als volgt: ‘
verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van
onderstaande voorwaarden is voldaan: a)
betrokkene heeft toestemming gegeven voor
verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden; b)
verwerking is noodzakelijk voor
uitvoering van een overeenkomst waarbij
betrokkene partij is, of om op verzoek van
betrokkene vóór
sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen; c)
verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op
verwerkingsverantwoordelijke rust; d)
verwerking is noodzakelijk om
vitale belangen van
betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen; e)
verwerking is noodzakelijk voor
vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van
uitoefening van het openbaar gezag dat aan
verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen; f)
verwerking is noodzakelijk voor
behartiging van
gerechtvaardigde belangen van
verwerkingsverantwoordelijke of van een
rde, behalve wanneer
belangen of
grondrechten en
fundamentele vrijheden van
betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer
betrokkene een kind is.
eerste alinea, punt f), geldt niet voor
verwerking door overheidsinstanties in het kader van
uitoefening van hun taken.’ 2.15 Het limitatieve karakter van
opsomming blijkt uit het woord ‘alleen’.
woorden ‘voor zover’ bevestigen het beginsel van minimale gegevensverwerking (art. 5 lid 1 onder c AVG): indien slechts een gedeelte van
verwerking of slechts een gedeelte van
verwerkte gegevens onder het bereik van
toepasselijke verwerkingsgrond(en) valt, is
verwerking slechts in zoverre rechtmatig, en voor het overige verboden.
woorden ‘ten minste’ maken duidelijk dat één en
zelfde verwerking onder het bereik van meer dan één verwerkingsgrond kan vallen.
verwerkingsgronden kunnen elkaar in die zin overlappen, maar
toepasselijkheid van één verwerkingsgrond volstaat voor het aannemen van rechtmatigheid. 2.16
verwerkingsgronden worden in
literatuur aangemerkt als equivalent, oftewel als gelijkwaardige alternatieven. Hierbij is van belang dat het toepassingsbereik en
rechtsgevolgen van
verwerkingsgronden verschillen. Een toestemming (
a-grond) kan bijvoorbeeld te allen tijde worden ingetrokken (art. 7 lid 3 AVG), terwijl tegen een gegevensverwerking uit hoofde van een taak van algemeen belang (
e-grond) of
behartiging van gerechtvaardigde belangen (
f-grond) te allen tijde bezwaar kan worden gemaakt (art. 21 lid 1 AVG).
ze voorbehouden gelden niet als
gegevensverwerking berust op een wettelijke verplichting (
c-grond), maar daarvoor is een basis in het Unierecht of het nationale recht vereist, die aan bepaalde randvoorwaarden moet voldoen (art. 6 lid 3 AVG, hierna besproken in alinea 2.20). Gezien
ze verschillen is het van belang om
verwerkingsgronden van elkaar te onderscheiden, ook al geldt uiteindelijk dat elke gegevensverwerking moet voldoen aan
eerder besproken basisvereisten van art. 8 EVRM en art. 8 Handvest. 2.17
verwerkingsgronden b tot en met f hebben gemeen dat zij
gegevensverwerking slechts toestaan indien en voor zover die ‘noodzakelijk’ is met het oog op
genoemde doeleinden. Dit vereiste van noodzakelijkheid correspondeert met
eerder besproken beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Uit
rechtspraak van het HvJEU blijkt dat het begrip ‘noodzakelijk’ (zoals eertijds gebruikt in art. 7 onder e van
Richtlijn) in
ze context een autonome Unierechtelijke betekenis heeft.
Nederlandse wetgever heeft bij
totstandkoming van
UAVG het begrip noodzakelijkheid, toegespitst op
c-grond, aldus nader omschreven dat naleving van
wettelijke verplichting zonder
gegevensverwerking ‘redelijkerwijs niet goed mogelijk’ moet zijn. Diezelfde terminologie werd gebruikt in
memorie van toelichting bij
Wbp, met
toevoeging dat er ‘een evident verband [moet] bestaan tussen
gegevensverwerking en
(uitvoering van
) wettelijke verplichting’.
ze omschrijvingen kunnen behulpzaam zijn bij
feitelijke invulling van het noodzakelijkheidsvereiste.
juridische inkadering ervan is, gelet op het voorgaande, voorbehouden aan het HvJEU. Nakoming van een wettelijke verplichting (art. 6 lid 1 onder c AVG) 2.18 In
ze zaak speelt
verwerkingsgrond van art. 6 lid 1 onder c AVG een centrale rol.
ze betreft gevallen waarin
gegevensverwerking noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op
verwerkingsverantwoordelijke rust. In
literatuur wordt aangenomen dat
ze verwerkingsgrond een restrictief karakter heeft. Niet voldoende is dat
verwerkingsverantwoordelijke wettelijk bevoegd is om persoonsgegevens te verwerken of dat
gegevensverwerking nuttig is voor
naleving van een wettelijke verplichting.
gegevensverwerking moet daadwerkelijk noodzakelijk zijn – in
zojuist besproken zin – om te kunnen voldoen aan een op
verwerkingsverantwoordelijke rustende wettelijke verplichting. 2.19 Het restrictieve karakter van
c-grond is onder het regime van art. 7 sub c van
Richtlijn benadrukt door
‘Artikel 29-Groep’, een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van
nationale toezichthoudende autoriteiten, wier aanbevelingen niet bindend maar wel gezaghebbend zijn. In haar ‘Legitimate interest opinion’ uit 2014 schreef
ze werkgroep dat
c-grond ‘strikt afgebakend’ is en alleen van toepassing is wanneer
verplichting ‘bij wet wordt opgelegd (en niet, bijvoorbeeld, in een contractuele regeling)’. In
opinie worden als voorbeelden van gegevensverwerkingen op
c-grond genoemd:
wettelijke verplichting van werkgevers om salarisgegevens van hun werknemers door te geven aan
Belastingdienst,
wettelijke verplichting van financiële instellingen om verdachte transacties te melden aan autoriteiten die belast zijn met
handhaving van wetgeving ter voorkoming van witwassen en
gegevensverwerking door lokale overheden met het oog op
afwikkeling van parkeerboetes. Zoals uit
ze voorbeelden blijkt, kan
c-grond zowel door private partijen als door overheidsinstanties worden ingeroepen. 2.20 Een belangrijk element van
c-grond is, naast
al besproken noodzakelijkheidseis, het vereiste van een wettelijke grondslag van
verplichting (‘legal obligation’). Dit vereiste is uitgewerkt in art. 6 lid 3 AVG, dat bepaalt dat
‘rechtsgrond’ van
verplichting (en van
taak van algemeen belang als bedoeld in lid 1 onder e) moet worden vastgesteld bij Unierecht of lidstatelijk recht dat op
verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is. Dit recht moet het ‘doel van
verwerking’ vaststellen en kán daarnaast ‘specifieke bepalingen’ bevatten met betrekking tot
toepassing van
AVG-regels, bijvoorbeeld ‘algemene voorwaarden inzake
rechtmatigheid van verwerking door
verwerkingsverantwoordelijke’. Bij dit alles stelt het
rde lid als randvoorwaarden dat
rechtsgrond moet beantwoorden aan een ‘doelstelling van algemeen belang’ en ‘evenredig’ moet zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.
wettelijke verplichting moet dus, evenals
daarop gebaseerde gegevensverwerking, aan het noodzakelijkheidsvereiste voldoen (inclusief
daaruit voortvloeiende beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit). 2.21
verordening eist niet dat
wettelijke verplichting in een wet in formele zin is neergelegd, zo expliciteert
considerans. Dit betekent dat in beginsel ieder algemeen verbindend voorschrift kan fungeren als grondslag van een wettelijke verplichting in
zin van
c-grond. Volgens
memorie van toelichting bij
UAVG kan in dit verband worden aangesloten bij
algemene leerstukken van het bestuurlijk organisatierecht, zoals attributie, mandaat en
legatie. 2.22 Niet geheel duidelijk is of een wettelijke verplichting in
zin van
c-grond haar rechtsgrond kan vinden in een algemeen geformuleerde wetsbepaling die niet specifiek op gegevensverwerking is toegespitst (zoals in dit geval een zorgplicht in
Wet op het financieel toezicht). Enerzijds vermeldt
considerans, conform
in alinea 2.3 besproken rechtspraak van het EHRM, dat
rechtsgrond ‘duidelijk en nauwkeurig’ moet zijn en
toepassing ervan ‘voorspelbaar’ voor
genen op wie
ze van toepassing is. Anderzijds vermeldt
considerans dat
AVG níet voorschrijft ‘dat voor elke afzonderlijke verwerking specifieke wetgeving vereist is’: er kan worden volstaan met ‘wetgeving die als basis fungeert voor verscheidene verwerkingen’. Dit sluit aan bij art. 6 lid 3 AVG, dat zoals gezegd slechts vereist dat
rechtsgrond het ‘doel van
verwerking’ vaststelt. 2.23
memorie van toelichting bij
UAVG is op dit punt ook niet eenduidig. Enerzijds vermeldt zij dat
rechtsgrond ‘niet noodzakelijkerwijs [behoeft] te bestaan uit een expliciete verplichting om (bepaalde) persoonsgegevens te verwerken’.
verwerking kan ook een basis vinden in ‘een ruimer geformuleerde zorgplicht of wettelijke verplichting’, met dien verstande dat
verwerkingsverantwoordelijke dan een ‘grotere eigen verantwoordelijkheid’ heeft bij
beoordeling van
noodzakelijkheid van
verwerking. Anderzijds vermeldt
memorie van toelichting dat met
wettelijke grondslag voor een publieke taak of verplichting níet steeds ook
wettelijke grondslag voor
gegevensverwerking is gegeven. Uit art. 8 EVRM vloeit voort dat een ‘voldoende precieze wettelijke grondslag’ is vereist.
wetgever acht het ‘niet toelaatbaar’ dat een verplichting tot gegevensverstrekking ‘uitsluitend wordt afgeleid uit
totstandkomingsgeschiedenis van of
samenhang tussen wettelijke bepalingen of wordt verondersteld omwille van
effectiviteit van een wettelijke regeling’. 2.24 Een aannemelijke lezing lijkt, mede gezien art. 8 EVRM, dat
wettelijke verplichting weliswaar algemeen geformuleerd mag zijn, maar dat zij ten aanzien van
voorgeschreven gegevensverwerking wel moet voldoen aan
eisen van duidelijkheid, nauwkeurigheid en voorspelbaarheid.
ze lezing wordt bevestigd door
Volgens
ze opinie mag
verwerkingsverantwoordelijke ‘geen keuze’ hebben om wel of niet te voldoen aan
verplichting en moet
verplichting ook ‘voldoende duidelijk zijn wat
vereiste verwerking van persoonsgegevens betreft’.
c-grond is dus van toepassing op basis van ‘wetsbepalingen die expliciet verwijzen naar
aard en het voorwerp van
verwerking’.
verwerkingsverantwoordelijke mag ‘geen ongepaste beoordelingsmarge hebben wat betreft
wijze waarop hij aan
wettelijke verplichting voldoet’. In voorkomende gevallen kan
wetgever volstaan met het vaststellen van een ‘algemene doelstelling’, terwijl ‘meer specifieke verplichtingen op een ander niveau worden vastgesteld, bijvoorbeeld in secundaire wetgeving of in een bindend besluit van een overheidsinstantie in een concreet geval’. Zulke specifieke verplichtingen kunnen vallen onder
c-grond, ‘mits
aard en het voorwerp van
verwerking goed is gedefinieerd en er een adequate rechtsbasis voor bestaat’. Indien een regelgevende instantie ‘slechts algemene beleidsrichtlijnen en voorwaarden vaststelt waaronder zij kan overgaan tot het gebruik van [haar] handhavingsbevoegdheden’, moet
verwerking worden beoordeeld op basis van art. 7 onder f van
Richtlijn, en kan zij pas gerechtvaardigd worden geacht na een ‘aanvullende belangenafweging’.
-Groep noemt in dit verband als voorbeeld ‘regelgevende richtsnoeren voor financiële instellingen over bepaalde due-diligencenormen’. 2.25 Ook in
literatuur wordt aangenomen dat een algemene wettelijke verplichting niet in alle gevallen kan dienen als rechtsgrond voor gegevensverwerking. Toegespitst op
wettelijk gereguleerde kredietregistratie door banken ten behoeve van een kredietwaardigheidstoetsing wordt betoogd dat het hier gaat om ‘the exercise of a legal right to which the controller is entitled’ en dat ‘there is no way data processing can be seen as an obligation in these contexts’. Dit betoog is niet specifiek toegespitst op
Nederlandse wet- en regelgeving. Uiteindelijk zal door uitleg van die wet- en regelgeving moeten worden vastgesteld of sprake is van een wettelijke verplichting in
zin van art. 6 lid 1 onder c AVG, die voldoet aan
voornoemde eisen van duidelijkheid, nauwkeurigheid en voorspelbaarheid. 2.26 Volledigheidshalve merk ik nog op dat voor toepassing van
c-grond is vereist dat
wettelijke verplichting op
verwerkingsverantwoordelijke rust (art. 6 lid 1 onder c AVG). Rust
verplichting op iemand anders, bijvoorbeeld
verwerker, dan moet
gegevensverwerking op een andere grondslag worden gebaseerd, zoals
nu te bespreken f-grond. Behartiging van gerechtvaardigde belangen (art. 6 lid 1 onder f AVG) 2.27 Art. 6 lid 1 onder f AVG betreft gevallen waarin
verwerking noodzakelijk is voor
behartiging van
gerechtvaardigde belangen van
verwerkingsverantwoordelijke of een
rde. Kenmerkend voor
ze verwerkingsgrond is het open karakter ervan. Toepassing van
f-grond noopt
verwerkingsverantwoordelijke (en in rechtsgeschillen
rechter) tot een belangenafweging. Dit blijkt uit het vervolg van onderdeel f (na ‘behalve’), waar is bepaald dat
f-grond toepassing mist indien
belangen of
grondrechten en
fundamentele vrijheden van
rechthebbende ‘zwaarder wegen’ dan
gerechtvaardigde belangen van
verwerkingsverantwoordelijke of
rde in kwestie. Bij
ze belangenafweging speelt
‘redelijke privacyverwachting’ van
rechthebbende een centrale rol. Getoetst moet worden of
rechthebbende op het tijdstip en in het kader van
verzameling van
persoonsgegevens ‘redelijkerwijs mag verwachten dat verwerking met dat doel kan plaatsvinden’.
uitkomst van
ze toetsing is afhankelijk van
omstandigheden van het geval. 2.28 Gerechtvaardigde belangen in
zin van
f-grond kunnen blijkens
considerans aanwezig zijn wanneer sprake is van ‘een relevante en passende verhouding tussen
betrokkene en
verwerkingsverantwoordelijke, in situaties waarin
betrokkene een klant is of in dienst is van
verwerkingsverantwoordelijke’. Een veel genoemd voorbeeld is het geval waarin een bedrijf persoonsgegevens van klanten verwerkt ten behoeve van ‘direct marketing’.
-Groep noemt ook
‘Verificatie van
gegevens van een klant vóór
opening van een bankrekening’ als voorbeeld van gegevensverwerking op
f-grond, overigens met
kanttekening dat ook
c-grond van toepassing kan zijn ‘voor zover
toepasselijke wetgeving
genomen maatregelen specifiek vereist’. ‘Kredietcontroles voorafgaand aan
verstrekking van een lening’ kunnen volgens
-Groep op
f-grond berusten, maar in geval van ‘een wettelijke verplichting van banken om een officiële lijst van geregistreerde schuldenaars te raadplegen’ komt ook
c-grond voor toepassing in aanmerking.
Autoriteit Persoonsgegevens noemt het belang om ‘zorgplichten na te komen voor werknemers en/of klanten’ als voorbeeld van een gerechtvaardigd belang in
zin van
f-grond. 2.29
ingevolge art. 6 lid 1 onder f AVG af te wegen belangen zijn geen gelijke grootheden. Tegenover
‘gerechtvaardigde belangen’ van
verwerkingsverantwoordelijke staan ‘
belangen of
grondrechten en
fundamentele vrijheden’ van
rechthebbende. In
ze formulering valt op dat
belangen van
rechthebbende niet van
kwalificatie ‘gerechtvaardigde’ zijn voorzien, terwijl behalve die belangen ook ‘
grondrechten en
fundamentele vrijheden’ van
rechthebbende gewicht in
schaal leggen. Tegen
ze achtergrond, en mede gelet op het voorschrift dat
gerechtvaardigde belangen van
verwerkingsverantwoordelijke ‘zwaarder’ moeten wegen, wordt aangenomen dat
f-grond een ruime bescherming biedt aan
rechthebbende en een uitgebreide motiveringsplicht oplegt aan
verwerkingsverantwoordelijke. 2.30
f-grond wordt, vanwege zijn open karakter, ook wel als ‘restgrond’ betiteld.
gedachte is dat een casuïstische belangenafweging als voorgeschreven in art. 6 lid 1 onder f AVG achterwege kan blijven als een andere, meer categorisch omschreven verwerkingsgrond (bijvoorbeeld
c-grond) voor toepassing in aanmerking komt. Volgens
-Groep is bij
f-grond een ‘specifieke test nodig voor gevallen die niet passen in
vooraf gedefinieerde scenario's onder a) tot en met e)’. Zo bezien bevat
f-grond ‘aanvullende waarborgen’. Daarom mag
f-grond niet worden beschouwd als ‘
zwakste schakel’ of een ‘open
ur om alle activiteiten op het gebied van gegevensverwerking die niet onder een van
andere rechtsgronden vallen te rechtvaardigen’.
f-grond is, aldus
Een en ander bevestigt het equivalente karakter van
verwerkingsgronden (alinea 2.16). 2.31 Een belangrijke beperking van het toepassingsbereik van
f-grond schuilt in
tweede alinea van art. 6 lid 1 AVG. Daarin is bepaald dat
f-grond niet geldt voor
verwerking van persoonsgegevens door overheidsinstanties.
achterliggende gedachte is, blijkens
considerans, dat het aan
wetgever is om een rechtsgrond te creëren voor dit type gegevensverwerking. Door
ze uitsluiting is
f-grond uitsluitend van toepassing op gegevensverwerking in
private sector. Recht van bezwaar en gegevenswissing (art. 21 en 17 AVG) 2.32
verwerkingsgronden van art. 6 lid 1 AVG verschillen niet alleen in materieel opzicht, maar ook in procedurele zin, met betrekking tot
rechtsmiddelen die
rechthebbende ten dienste staan. Voor
ze zaak zijn het recht van bezwaar (art. 21 lid 1 AVG) en het recht van gegevenswissing na bezwaar (art. 17 lid 1 onder c AVG) van belang. 2.33 Art. 21 lid 1 AVG bepaalt, voor zover hier van belang, dat
rechthebbende te allen tijde het recht heeft om bezwaar te maken tegen een gegevensverwerking op
e- of
f-grond, vanwege redenen die verband houden met zijn ‘specifieke situatie’. Maakt
rechthebbende bezwaar, dan staakt
verwerkingsverantwoordelijke
gegevensverwerking, tenzij hij ‘dwingende gerechtvaardigde gronden’ voor
verwerking aanvoert die ‘zwaarder wegen’ dan
belangen, rechten en vrijheden van
rechthebbende. Een bezwaar noopt
verwerkingsverantwoordelijke dus (opnieuw) tot een belangenafweging. In vergelijking met
initiële belangenafweging die bij
toepassing van
f-grond moet plaatsvinden (alinea 2.27) is
ze hernieuwde belangenafweging specifieker van aard en bovendien meer toegespitst op
actuele omstandigheden waarin
rechthebbende verkeert.
gedachte is dat die eerdere belangenafweging, hoe zorgvuldig ook, een enigszins algemeen karakter heeft, zodat niet valt uit te sluiten dat
belangenafweging – al dan niet vanwege nieuwe feitelijke ontwikkelingen – in het individuele geval anders moet uitvallen. In
lagere rechtspraak wordt voor
ze hernieuwde belangenafweging aansluiting gezocht bij
in alinea 2.5 besproken Santander-beschikking en
daarin genoemde beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. 2.34
belangenafweging vertrekt niet vanuit een neutraal uitgangspunt. Ingevolge art. 21 lid 1 AVG moet een gegevensverwerking op
e- of f-grond waartegen bezwaar wordt gemaakt in beginsel gestaakt worden, tenzij dwingende gerechtvaardigde gronden aan
zijde van
verwerkingsverantwoordelijke daartegen pleiten. Volgens
considerans betekent dit dat
verwerkingsverantwoordelijke moet ‘aantonen’ dat zijn dwingende gerechtvaardigde belangen zwaarder wegen dan
belangen of
grondrechten en
fundamentele vrijheden van
betrokkene. In
Santander-beschikking is
Hoge Raad (in
context van
door art. 8 lid 2 EVRM voorgeschreven belangenafweging) omwille van
‘praktische hanteerbaarheid’ van
Wbp uitgegaan van een verdeling van stelplicht en bewijslast die inhoudt dat het in eerste instantie aan
rechthebbende is om ‘nadere gegevens’ te verschaffen die tot een hernieuwde belangenafweging kunnen leiden. Mijns inziens heeft hetzelfde te gelden in
context van art. 21 lid 1 AVG, nu die bepaling spreekt over een recht van
betrokkene om ‘vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken’ tegen
gegevensverwerking. Hierin ligt besloten dat
betrokkene specifieke redenen voor zijn bezwaar zal moeten aanvoeren (en zo nodig aantonen), waarna het aan
verwerkingsverantwoordelijke is om aan te voeren (en zo nodig aan te tonen) dat dwingende gerechtvaardigde gronden aan zijn zijde voor afwijzing van het bezwaar pleiten. 2.35 Maakt
rechthebbende overeenkomstig art. 21 lid 1 AVG bezwaar tegen
verwerking, dan heeft hij ingevolge art. 17 lid 1, aanhef en onder c, AVG tevens recht op wissing van
hem betreffende persoonsgegevens (ook wel het ‘recht op vergetelheid’ genoemd). Het recht op gegevenswissing na bezwaar geldt alleen als er ‘geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor
verwerking’ zijn (een variant van
zojuist besproken tenzij-formule van art. 21 lid 1 AVG). 2.36 Het recht op bezwaar bestaat ingevolge art. 21 lid 1 AVG alleen bij een verwerking op
e- of f-grond. Een verwerking op
c-grond (nakoming van een wettelijke verplichting) is dus niet vatbaar voor bezwaar. Ter rechtvaardiging hiervan is in
memorie van toelichting bij
Wbp opgemerkt dat een wettelijke verplichting tot gegevensverwerking ‘in
regel zo weinig beoordelingsruimte voor
verantwoordelijke over[laat] dat in
rgelijke gevallen een recht van verzet van
betrokkene niet zinvol is’. 2.37 Het recht op gegevenswissing na bezwaar (art. 17 lid 1 onder c AVG) is gelet op het voorgaande eveneens uitsluitend van toepassing bij een verwerking op
e- of f-grond. Art. 17 lid 1 AVG noemt nog meer situaties waarin een recht op gegevenswissing bestaat, bijvoorbeeld wanneer
gegevens niet langer nodig zijn voor het doel van
verwerking (sub a) of wanneer
rechthebbende een eerder gegeven toestemming intrekt (sub b). Ingevolge art. 17 lid 3 onder b AVG mist het recht op gegevenswissing evenwel toepassing als
gegevensverwerking nodig is voor het nakomen van een in het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde ‘wettelijke verwerkingsverplichting die op
verwerkingsverantwoordelijke rust’.
ze uitzondering correspondeert met
verwerkingsgrond van art. 6 lid 1 onder c AVG (nakoming van een wettelijke verplichting). Bij een verwerking op
c-grond bestaat er dus naar
letter van
AVG noch een recht op bezwaar, noch een recht op gegevenswissing. Beslistermijnen en rechtsmiddelen na bezwaar (art. 12 lid 3 AVG en art. 35 UAVG) 2.38 Art. 12 lid 3 AVG regelt
beslistermijnen in geval van een verzoek krachtens
artikelen 15 tot en met 22 AVG, waaronder een verzoek om gegevenswissing (art. 17 AVG) en een verzoek tot staking van
gegevensverwerking uit hoofde van bezwaar (art. 21 AVG).
verwerkingsverantwoordelijke verstrekt
rechthebbende onverwijld en in ieder geval binnen één maand na ontvangst van het verzoek informatie over het gevolg dat daaraan is gegeven, onder opgave van
redenen daarvoor.
ze beslistermijn kan indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. 2.39 Wordt het verzoek geweigerd, of heeft
rechthebbende anderszins gronden om te menen dat zijn rechten uit hoofde van
AVG zijn geschonden, dan heeft hij ingevolge art. 79 lid 1 AVG het recht om een ‘doeltreffende voorziening in rechte’ in te stellen. Ter uitwerking hiervan is in art. 34 UAVG bepaald dat een schriftelijke beslissing op een verzoek krachtens
artikelen 15 tot en met 22 AVG (zoals een beslissing op bezwaar en/of op een verzoek om gegevenswissing) heeft te gelden als een besluit in
zin van
Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover die beslissing is genomen door een bestuursorgaan. In dat geval zijn
rechtsmiddelen en
termijnen uit
Awb van toepassing, waaronder
in art. 6:7 Awb neergelegde termijn van zes weken voor het instellen van beroep bij
bestuursrechter. 2.40 Is
beslissing genomen door een private partij, dan kan
rechthebbende ingevolge art. 35 lid 1 UAVG een verzoekschriftprocedure bij
rechtbank instellen, waarin hij veroordeling van
verwerkingsverantwoordelijke verzoekt om alsnog te voldoen aan het verzoek als bedoeld in
artikelen 15 tot en met 22 AVG. Art. 35 lid 2 UAVG bepaalt, naar analogie van
bestuursrechtelijke beroepstermijn, dat het verzoekschrift binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van
verwerkingsverantwoordelijke moet worden ingediend. Indien
verwerkingsverantwoordelijke niet binnen
in art. 12 lid 3 AVG genoemde beslistermijn van in beginsel één maand heeft geantwoord, is
indiening van het verzoekschrift niet aan een termijn gebonden, zo vervolgt art. 35 lid 2 UAVG. 2.41 In
praktijk worden geschillen over
verwerking van persoonsgegevens, met name waar het bezwaren tegen een kredietregistratie betreft, vaak aan
voorzieningenrechter in kort geding voorgelegd. Volgens vaste jurisprudentie staat
bijzondere rechtsingang van art. 35 lid 1 UAVG (een verzoekschriftprocedure) hieraan niet in
weg. Wel oordelen
meeste rechters in kort geding, evenals
voorzieningenrechter in
ze zaak, dat
eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard, indien
gevraagde voorziening strekt tot staking van
verwerking van persoonsgegevens en
dagvaarding is uitgebracht ná het verstrijken van
in art. 35 lid 2 UAVG genoemde termijn. Het gerechtshof Amsterdam heeft
ze lijn in een principieel gemotiveerd arrest bevestigd, met
kanttekening dat
eiser ingevolge art. 21 lid 1 AVG ‘te allen tijde’ – en
rhalve ‘meermalen’ (aldus het hof) – bezwaar kan instellen tegen
gegevensverwerking. Na het verstrijken van
in art. 35 lid 2 UAVG genoemde termijn zal
eiser daarom volgens het hof in beginsel eerst opnieuw bezwaar moeten maken, dan wel zijn spoedeisend belang in kort geding moeten onderbouwen ‘tegen
achtergrond van het stelsel van artikel 21 AVG en 35 UAVG’. Volledigheidshalve teken ik hierbij aan dat in
rechtspraak van het HvJEU nog niet is uitgemaakt of (c.q. in hoeverre) op grond van art. 21 lid 1 AVG inderdaad ‘meermalen’ eenzelfde verzoek tot staking van een gegevensverwerking kan worden ingediend. 2.42 In alinea 2.36 e.v. bleek al dat bij toepassing van
c-grond geen recht op bezwaar of gegevenswissing bestaat. Dit betekent dat ook
termijn van art. 35 lid 2 UAVG dan strikt genomen toepassing mist, zoals
voorzieningenrechter in rov. 4.4 van het tussenvonnis in
ze zaak heeft aangenomen. Hiervan uitgaande zou een gegevensverwerking op
c-grond tot in lengte van jaren kunnen worden aangevochten (al dan niet in kort geding). Sommige auteurs betogen echter dat
termijn van art. 35 lid 2 UAVG steeds zou moeten gelden, ongeacht
toepasselijke verwerkingsgrondslag.
ze discussie illustreert opnieuw het belang van het onderscheid tussen
verschillende verwerkingsgronden. Wettelijk kader kredietregistratie (art. 4:32 / 4:34 Wft en art. 114 BGfo) 2.43 Tot zover inventariseerde ik het Europeesrechtelijke kader van
AVG en
aanverwante regelgeving. In
ze zaak gaat het om
vraag hoe
nationale wet- en regelgeving inzake kredietregistratie inpasbaar is in dat Europeesrechtelijke kader. Meer concreet is
vraag of
uit
Wet op het financieel toezicht (Wft) en
aanverwante regelgeving voortvloeiende verplichting van kredietaanbieders om
el te nemen aan een stelsel van kredietregistratie en om in voorkomende gevallen dat stelsel te raadplegen, als een wettelijke verplichting in
zin van art. 6 lid 1 onder c AVG is aan te merken. Met het oog op
beantwoording van die vraag inventariseer ik hierna
wet- en regelgeving op het gebied van het financieel toezicht, gevolgd door een bespreking van
bijbehorende wetsgeschiedenis, een en ander voor zover relevant voor
ze zaak. 2.44 Art. 4:32 lid 1 Wft verplicht kredietaanbieders om
el te nemen aan een stelsel van kredietregistratie.
bepaling luidt als volgt: ‘Een aanbieder van krediet neemt
el aan een stelsel van kredietregistratie dat aan alle aanbieders van krediet die gevestigd zijn in een lidstaat toegang biedt onder
zelfde voorwaarden.' Een vergelijkbare bepaling was eertijds opgenomen in art. 14 lid 2 van
Wet op het consumentenkrediet (Wck) en art. 52 van
Wet financiële dienstverlening (Wfd). Beide bepalingen zijn inmiddels vervallen, maar
hierna te bespreken totstandkomingsgeschiedenis ervan is mede van belang voor een goed begrip van art. 4:32 lid 1 Wft. 2.45 Art. 4:34 lid 1 Wft verplicht aanbieders van consumentenkrediet om, ter voorkoming van overkreditering van
consument, informatie in te winnen over
financiële positie van
consument en te beoordelen of
beoogde kredietverlening verantwoord is. Dit wordt ook wel
zorgplicht ter voorkoming van overkreditering genoemd.
bepaling luidt als volgt: ‘Voor
totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet, of een belangrijke verhoging van
kredietlimiet, dan wel
som van
bedragen die op grond van een bestaande overeenkomst inzake krediet aan
consument ter beschikking zijn gesteld, wint een aanbieder van krediet in het belang van
consument informatie in over diens financiële positie en beoordeelt hij, ter voorkoming van overkreditering van
consument, of het aangaan van
overeenkomst onderscheidenlijk
belangrijke verhoging verantwoord is.’ Een soortgelijke bepaling was eertijds opgenomen in art. 28 Wck en art. 51 Wfd. 2.46
zorgplicht ter voorkoming van overkreditering is (op
grondslag van art. 4:34 lid 3 Wft) uitgewerkt in art. 114 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo).
ze bepaling luidt als volgt: ‘Alvorens met een consument een overeenkomst inzake krediet aan te gaan waarvan het totale kredietbedrag meer dan € 250 bedraagt, raadpleegt een aanbieder van krediet
bij het stelsel van kredietregistratie waaraan hij
elneemt geregistreerde gegevens over reeds aan
consument verleende kredieten.’ 2.47 Art. 4:34 lid 2 Wft bevat een op het eerste lid voortbouwende bepaling, inhoudende dat een consumentenkrediet of een belangrijke verhoging daarvan moet worden geweigerd indien het krediet respectievelijk
verhoging met het oog op overkreditering van
consument onverantwoord is.
ze zogenaamde weigeringsplicht is uitgewerkt in art. 113 lid 1 BGfo, dat bepaalt: ‘Een aanbieder van krediet gaat met een consument geen overeenkomst inzake krediet aan waarvan het totale kredietbedrag meer dan € 1000 bedraagt, indien hij niet beschikt over voldoende schriftelijke of op een andere duurzame drager vastgelegde informatie aangaande
financiële positie van
consument om, ter voorkoming van overkreditering, te kunnen beoordelen of het aangaan van
overeenkomst verantwoord is.’ 2.48 Volledigheidshalve wijs ik nog op art. 115 BGfo, waarin is bepaald dat een kredietaanbieder, ter voorkoming van overkreditering van
consument,
criteria vastlegt en toepast die hij ten grondslag legt aan
beoordeling van een kredietaanvraag van een consument (lid 1).
aan te leggen inkomenscriteria worden bij ministeriële regeling bepaald (lid 3). 2.49
zorgplicht ter voorkoming van overkreditering heeft mede een Europeesrechtelijke achtergrond. Art. 8 lid 1 van Richtlijn 2008/48/EG (hierna:
Richtlijn consumentenkrediet) bepaalt dat lidstaten ervoor zorgen dat
kredietaanbieder vóór het sluiten van
kredietovereenkomst
kredietwaardigheid van
consument beoordeelt, op basis van toereikende informatie die is verkregen van
consument en, waar nodig, op basis van raadpleging van ‘het
sbetreffende gegevensbestand’. Art. 9 regelt
toegang tot zulke ‘gegevensbestanden’, in
richtlijn ook ‘gegevensbanken’ genoemd. Het artikel eist niet dat lidstaten kredietaanbieders verplichten tot
elname aan gegevensbanken, maar wel dat
gegevensbanken toegankelijk zijn voor kredietaanbieders uit alle lidstaten, onder voorwaarden die niet discriminerend zijn (art. 9 lid 1). Het artikel doet geen afbreuk aan
toepassing van
Richtlijn bescherming persoonsgegevens (art. 9 lid 4), thans
AVG. Soortgelijke bepalingen zijn opgenomen in art. 18 en 21 van Richtlijn 2014/17/ЕU inzake hypothecair krediet. Wetsgeschiedenis over het BKR als stelsel van kredietregistratie 2.50 Uit het voorgaande blijkt dat kredietaanbieders wettelijk verplicht zijn tot
elname aan ‘een stelsel van kredietregistratie’ (art. 4:32 lid 1 Wft) en dat zij, als uitvloeisel van hun wettelijke zorgplicht ter voorkoming van overkreditering (art. 4:34 lid 1 Wft), in voorkomende gevallen ook verplicht zijn tot raadpleging van
gegevens die zijn opgenomen in het stelsel van kredietregistratie waaraan zij
elnemen (art. 114 BGfo). In
wet- en regelgeving is niet bepaald welk stelsel van kredietregistratie als zodanig in aanmerking komt. Uit
hierna te bespreken wetsgeschiedenis blijkt echter dat
wetgever primair het oog heeft gehad op het door het BKR aangeboden stelsel (het CKI), dat tot op heden het enige in Nederland aangeboden stelsel is dat voldoet aan
eisen van art. 4:32 lid 1 Wft in samenhang met art. 9 van
Richtlijn consumentenkrediet. Wet op het consumentenkrediet 2.51 In art. 14 lid 2 Wck (oud) was bepaald dat aan
voor kredietverlening vereiste vergunning het voorschrift kon worden verbonden dat
kredietaanbieder zich aansloot bij ‘een stelsel van kredietregistratie’ (vgl. thans art. 4:32 lid 1 Wft). In art. 28 lid 2 Wck (oud) was bepaald dat
kredietaanbieder, indien hij ingevolge bedoeld vergunningvoorschrift
elnam aan een stelsel van kredietregistratie, verplicht was
in dat kader geregistreerde gegevens over
consument te raadplegen, alvorens een krediet te verlenen van tweeduizend gulden of meer (vgl. thans art. 114 BGfo). 2.52 In
memorie van toelichting bij
Wck is
ontwikkeling van
kredietregistratie in Nederland geschetst. Met het belangrijker worden van
kredietverlening aan consumenten in
jaren ’60 van
twintigste eeuw, werd door kredietaanbieders in toenemende mate
behoefte gevoeld aan een ‘centrale informatiebron’, waarin gegevens over ‘reeds verleende kredieten en eventuele reeds bestaande betalingsproblemen’ zouden zijn opgenomen, met het oog op
‘acceptatiebeslissing’. Een en ander leidde in 1965, op initiatief van
financiële sector, tot
oprichting van het BKR, een stichting die volgens
wetgever ‘zeker niet uitsluitend het eigen belang’ diende.
toets bij het BKR omtrent
daar geregistreerde verplichtingen van
kredietaanvrager is in
memorie van toelichting aangemerkt als een ‘belangrijk onderdeel van het inwinnen van
nodige inlichtingen’. Het paste volgens
wetgever in
toenmalige opvattingen over
verhouding tussen
private en
publieke sector om ‘niet tot overheidsingrijpen over te gaan indien een privaatrechtelijke stichting – het BKR – goed functioneert’. Het bepaalde in art. 28 lid 2 Wck (oud) werd in
memorie van toelichting als volgt geparafraseerd: ‘Ingevolge het tweede lid dient
BKR-toets te worden verricht indien
kredietgever ingevolge vergunningvoorschrift is aangesloten bij het BKR.’ 2.53 In
memorie van antwoord is herhaald dat het BKR ‘zeker niet uitsluitend het eigen belang dient’. Met
ze formulering is volgens
regering bedoeld ‘dat
zelfregulering met betrekking tot het BKR door
overheid gezien wordt als een bewijs voor
stelling dat het betrokken bedrijfsleven zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid serieus neemt. Een goed functionerende kredietregistratie is immers niet alleen een kredietgevers- maar ook een consumenten- en een algemeen belang.’
vraag ‘of
zelfregulering niet te vrijblijvend benaderd is’, werd door
regering ontkennend beantwoord. In antwoord op een vraag over
rechtsgevolgen van een eventuele weigering om
el te nemen aan het BKR is namens
regering opgemerkt dat het BKR ‘een privaatrechtelijke rechtspersoon is, die geen overheidstaak uitoefent en zelfstandig haar beleid kan bepalen’. Wet financiële dienstverlening 2.54 In art. 51 lid 1 Wfd (oud) was bepaald dat
kredietaanbieder, voorafgaand aan
totstandkoming van een kredietovereenkomst, informatie inwint over
financiële positie van
consument en ter voorkoming van overkreditering van
consument beoordeelt of het aangaan van
overeenkomst verantwoord is (vgl. thans art. 4:34 lid 1 Wft). In art. 52 Wfd (oud) was bepaald dat
kredietaanbieder
elneemt aan ‘een stelsel van kredietregistratie’ (vgl. thans art. 4:32 lid 1 Wft). 2.55 In
memorie van toelichting bij
Wfd is benadrukt dat inzicht in
kredietpositie van
consument een ‘belangrijk onderdeel [is] van
zorgplicht die een kredietverstrekker jegens zijn wederpartij heeft’. Dit inzicht helpt ‘invulling te geven aan zijn verantwoordelijkheid voor het adviseren van het juiste product dat bij
kredietpositie van
consument past’. ‘Een systeem van kredietregistratie is hiervoor belangrijk’, aldus
wetgever. Met betrekking tot
in art. 51 lid 1 Wfd (oud) neergelegde zorgplicht ter voorkoming van overkreditering is vermeld dat
ze in lagere regelgeving zal worden uitgewerkt en in bepaalde gevallen ertoe zal leiden dat voorafgaande aan het sluiten van een kredietovereenkomst ‘
databank van een stelsel van kredietregistratie moet worden geraadpleegd’. Met betrekking tot
in art. 52 Wfd (oud) neergelegde verplichting tot
elname aan een stelsel van kredietregistratie is opgemerkt: ‘
verplichting uit het eerste lid is overgenomen uit artikel 14, tweede lid, van
Wck. Op grond van dat artikel was
elname aan een stelsel van kredietregistratie een voorschrift verbonden aan
vergunning. Tot
taken van een stelsel van kredietregistratie behoren in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen en het ter beschikking stellen aan
elnemers van gegevens, van belang bij
beoordeling van
financiële draagkracht van
consument, met inachtneming van een zo groot mogelijke bescherming van
persoonlijke levenssfeer.
Stichting Bureau Krediet Registratie voldoet op dit moment aan
ze vereisten. Het is echter niet uitgesloten dat in
toekomst ook andere kredietregistratiebureau's als een stelsel van kredietregistratie in
zin van het wetsvoorstel kunnen worden aangemerkt.’ 2.56 Bij het wetsvoorstel behoorde ook een ontwerp Besluit financiële dienstverlening (Bfd). In art. 60 van dat besluit was
zorgplicht ter voorkoming van overkreditering nader uitgewerkt met het voorschrift dat
kredietaanbieder, alvorens een kredietovereenkomst met een consument aan te gaan ten bedrage van € 1.000 of meer,
in het stelsel van kredietregistratie waaraan hij
elneemt geregistreerde gegevens over reeds aan
consument verleende kredieten dient te raadplegen (vgl. thans art. 114 BGfo).
minister heeft dat voorschrift als volgt geparafraseerd: ‘Bij het verstrekken van krediet onder
€ 1000 geldt in het u voorgelegde concept Bfd onder andere geen verplichte toets bij een stelsel van kredietregistratie, feitelijk het BKR.’ Wet op het financieel toezicht en BGfo 2.57
relevante bepalingen uit
Wft en het BGfo zijn hiervoor geïntroduceerd in alinea 2.44 e.v. Zoals gezegd bouwen die bepalingen voort op
zojuist besproken bepalingen uit
Wck, respectievelijk
Wfd en het Bfd. 2.58 In
toelichting bij het ontwerp van art. 4:32 Wft, houdende
verplichting voor kredietaanbieders om
el te nemen aan een stelsel van kredietregistratie, is opgemerkt dat het BKR ‘op dit moment voldoet’ aan
eisen die aan een
rgelijk stelsel kunnen worden gesteld.
wetgever acht het ‘niet uitgesloten dat in
toekomst ook andere kredietregistratiebureau’s’ als een stelsel van kredietregistratie in
zin van
Wft kunnen worden aangemerkt. Met betrekking tot
in art. 4:34 lid 1 Wft neergelegde zorgplicht ter voorkoming van overkreditering is opgemerkt dat
ze in lagere regelgeving zal worden uitgewerkt en in bepaalde gevallen ertoe zal leiden dat voorafgaande aan het sluiten van een kredietovereenkomst ‘
databank van een stelsel van kredietregistratie moet worden geraadpleegd’. Een en ander stemt overeen met
in alinea 2.55 geciteerde passages uit
memorie van toelichting bij
Wfd. 2.59 Bij
behandeling van het wetsvoorstel zijn Kamervragen gesteld over ‘het registreren van kredieten vanaf een bepaald bedrag en het toetsen bij Stichting BKR voordat een krediet verstrekt wordt’.
minister heeft hierop geantwoord dat ‘het bedrag waarboven het voor een kredietverstrekker verplicht wordt om informatie in te winnen bij een stelsel van kredietregistratie’ is verlaagd van € 1.000 naar € 250. 2.60 Bij het wetsvoorstel behoorde ook een ontwerp BGfo, met bijbehorende nota van toelichting. In
ze nota van toelichting is benadrukt dat het BKR niet noodzakelijkerwijs het enige stelsel van kredietregistratie in Nederland is.
door
Nederlandse Vereniging van Handelsinformatiebureau’s (NVH) geuite zorg ‘dat alleen het BKR als stelsel van kredietregistratie wordt genoemd’, noemde
minister ‘ongegrond’. Uit art. 4:32 Wft blijkt volgens
minister ‘duidelijk dat niet één bepaald stelsel is beoogd’. In dit verband wees
minister op ‘het lopende marktinitiatief om tot een uitbreiding van schuldenregistratie te komen’. Ook in
toelichting bij art. 112 van het ontwerp-BGfo (dat het voorschrift bevatte om in een kredietprospectus te vermelden aan welk stelsel van kredietregistratie
aanbieder
elnam) is benadrukt dat ‘niet één bepaald stelsel’ is beoogd. Implementatiewet Richtlijn consumentenkrediet 2.61
relevante bepalingen uit
Richtlijn consumentenkrediet zijn hiervoor geïntroduceerd in alinea 2.49. Met het oog op
implementatie daarvan zijn art. 4:32 Wft, inzake
verplichte
elname aan een stelsel van kredietregistratie, en art. 4:34 Wft, inzake
zorgplicht ter voorkoming van overkreditering, enigszins aangepast. 2.62 In
memorie van toelichting bij het implementatievoorstel is opgemerkt dat, door handhaving van art. 4:32 Wft, gebruik is gemaakt van
door
richtlijn geboden mogelijkheid ‘om het vereiste te behouden dat
aanbieder van krediet
kredietwaardigheid beoordeelt op basis van
raadpleging van een gegevensbestand, zoals thans ingevuld door Stichting Bureau Kredietregistratie (BKR) te Tiel als stelsel van kredietregistratie’.
wetgever merkte hierbij op dat het BKR ‘nu ook al’ voldoet aan
door
richtlijn gestelde eis dat
toegang tot het stelsel niet discriminerend mag zijn. Ook met betrekking tot
ingevolge art. 4:34 lid 1 Wft uit te voeren kredietwaardigheidstoets voorzag
wetgever geen wijziging van
Nederlandse praktijk. 2.63 Bij
behandeling van het implementatievoorstel heeft
minister opgemerkt dat in Nederland het BKR
functie vervult van een gegevensbank die wordt gebruikt om
kredietwaardigheid van consumenten te beoordelen, als bedoeld in art. 9 van
richtlijn consumentenkrediet. In antwoord op Kamervragen over
implementatie van
kredietwaardigheidstoets als voorgeschreven in art. 8 van
richtlijn, merkte
minister op dat Nederland
ze verplichting al kende en dat bij
ze implementatie ‘geen nieuw beleid’ werd voorgesteld. In reactie op een verzoek om ‘nadere informatie over
registratie van telecomschulden’ zette
minister het Nederlandse stelsel van kredietregistratie op grond van
Wft uiteen.
minister benadrukte in dit verband dat ‘kredietregistratie bij BKR een belangrijk middel ter invulling van
kredietwaardigheidstoets’ is. Met het oog op een ‘zo volledig mogelijke kredietregistratie’ moeten kredietaanbieders aangesloten zijn bij ‘een stelsel van kredietregistratie’, aldus
minister, die in dit verband tussen haakjes toevoegde dat het BKR ‘op dit moment het enige stelsel van kredietregistratie [is] dat in Nederland bestaat’.
minister constateerde dat telecombedrijven tot 1 januari 2011 op vrijwillige basis waren aangesloten bij het BKR en juichte toe dat zij in overleg met het BKR
mogelijkheden verkenden om tot ‘alternatieve registratie’ te komen. Verwerking van persoonsgegevens op grond van het CKI-reglement 2.64 Uit
hiervoor besproken wetsgeschiedenis blijkt dat
wetgever
inrichting van het stelsel van kredietregistratie (als bedoeld in art. 4:32 lid 1 Wft en art. 114 BGfo) welbewust ‘aan
markt’ heeft overgelaten. Omdat het BKR vooralsnog
enige Nederlandse aanbieder is van een stelsel van kredietregistratie dat aan
wettelijke eisen voldoet, komt
op kredietaanbieders rustende wettelijke verplichting tot
elname aan en raadpleging van ‘een stelsel van kredietregistratie’ in
praktijk neer op een verplichting tot
elname aan en raadpleging van het BKR (meer bepaald het CKI van het BKR). 2.65 Uit
wet- en regelgeving en
wetsgeschiedenis blijkt niet welke gegevens in het BKR geregistreerd mogen of moeten worden en evenmin onder welke voorwaarden
gegevensverwerking door het BKR en
daarbij aangesloten kredietaanbieders plaatsvindt, bijvoorbeeld hoelang
geregistreerde gegevens mogen of moeten worden bewaard en in welke gevallen zij mogen of moeten worden gewist. Wel blijkt uit
wet en
wetsgeschiedenis met welk doel
elname aan en raadpleging van het CKI plaatsvindt, namelijk ten behoeve van het inwinnen van informatie over
financiële positie van
consument, zulks ter voorkoming van overkreditering van
consument. Dat is
doelstelling die ook uitdrukkelijk in art. 4:34 lid 1 Wft is genoemd.
zelfde doelstelling komt ook tot uitdrukking in onderdeel 26 van
Richtlijn consumentenkrediet, waar wordt gesproken over het belang ‘dat kredietgevers zich niet inlaten met onverantwoorde leningpraktijken of kredieten toestaan zonder
kredietwaardigheid vooraf te hebben beoordeeld’. 2.66 Het BKR heeft het door hem aangeboden stelsel van kredietregistratie nader vormgegeven door
vaststelling van het ‘Algemeen reglement CKI’ (hierna: het CKI-reglement). Dit is een contractuele regeling die
verhouding tussen het BKR en
daarbij aangesloten ‘zakelijke klanten’ (
kredietaanbieders) beheerst (art. 2). Volgens het CKI-reglement verwerkt het BKR persoonsgegevens ter bevordering van een ‘maatschappelijk verantwoorde dienstverlening’.
ze doelstelling is tweeledig. Enerzijds wil het BKR ‘consumenten behoeden voor overkreditering en andere financiële problemen’. Anderzijds levert het BKR voor haar zakelijke klanten ‘een bijdrage aan het beperken van
financiële risico’s bij kredietverlening en aan het voorkomen en bestrijden van misbruik en fraude’ (art. 3 lid 1). 2.67
gegevensverwerking in het CKI vindt volgens het reglement haar rechtmatige grondslag in art. 6 lid 1 onder f van
AVG, ‘omdat
verwerking noodzakelijk is voor
behartiging van
gerechtvaardigde belangen van Stichting BKR en haar zakelijke klanten’ (art. 3 lid 4).
inleiding bij het CKI-reglement vermeldt (op pagina 3, zonder onderbouwing) dat het melden van leningen aan het BKR een ‘wettelijke verplichting’ voor kredietverstrekkers in Nederland is. 2.68 In het CKI-reglement is omschreven welke persoonsgegevens het BKR verwerkt, welke gegevens zakelijke klanten moeten melden bij het BKR en binnen welke termijn dat moet gebeuren (art. 9 e.v.). Ook is gespecificeerd wanneer persoonsgegevens uit het CKI worden verwijderd (art. 14). Daarbij geldt als uitgangspunt dat gegevens van afgelopen kredietovereenkomsten vijf jaren na
einddatum worden verwijderd (art. 14 lid 1), terwijl achterstanden, herstelmeldingen en bijzonderheidscoderingen met betrekking tot lopende overeenkomsten vijf jaren na
registratiedatum, respectievelijk na
herstelmelding worden verwijderd (art. 14 leden 3 e.v.). Het is
zakelijke klant (
kredietaanbieder) niet toegestaan om een contract, achterstand, herstelcode en/of bijzonderheidscodering uit het CKI te verwijderen, tenzij er sprake is van (a) een onterechte registratie, (b) een terechte registratie die onder
gegeven omstandigheden disproportioneel blijkt of (c) een rechterlijke uitspraak of uitspraak van een geschillencommissie die tot verwijdering dwingt (art. 14 lid 10). Wettelijke basis voor verwerking van persoonsgegevens door het BKR? 2.69 Blijkens het voorgaande berust
verwerking van persoonsgegevens door het BKR niet op een wettelijke grondslag, maar op het CKI-reglement, een vorm van zelfregulering die weliswaar uitdrukkelijk is aanvaard door
wetgever (vgl. alinea 2.53), maar die geen expliciete basis heeft in
wet- en regelgeving. 2.70 Bij brief van 14 november 2019 heeft
Autoriteit Persoonsgegevens (
in Nederland aangewezen toezichthoudende autoriteit in
zin van art. 51 AVG; hierna AP) aan
minister van Financiën bericht dat naar haar mening geen toereikende wettelijke grondslag bestaat voor
verwerking van persoonsgegevens in het kader van
kredietregistratie. Volgens
AP bevat
Wft voor kredietaanbieders weliswaar concrete verplichtingen om
el te nemen aan een stelsel van kredietregistratie en om dat stelsel te raadplegen, maar zijn
ze verplichtingen ‘met betrekking tot
verwerking van persoonsgegevens (…) niet verder uitgewerkt’. Zo ontbreken regels over ‘
vormgeving, bewaartermijnen en waarborgen van het register’. Ook is onduidelijk wie dat register mag raadplegen, wanneer dat mag en onder welke voorwaarden, alsmede hoe lang
geregistreerde gegevens mogen worden bewaard.
(hiervoor in alinea 2.55 geciteerde) wetsgeschiedenis refereert weliswaar aan
verwerking van persoonsgegevens en
bescherming van
persoonlijke levenssfeer, maar dit is tot op heden ‘niet verder uitgewerkt in concrete wetgeving’. Het gevolg hiervan is volgens
AP dat
‘onvrijwillige verwerkingen die noodzakelijk zijn om invulling te kunnen geven aan die [op kredietaanbieders rustende] zorgplichten’ enkel gebaseerd kunnen worden op
f-grond van art. 6 lid 1 AVG. Dit betekent dat ‘steeds per verwerking en per cliënt dient te worden beoordeeld of
verwerking noodzakelijk is en blijft en zwaarder weegt dan
bescherming van
persoonsgegevens van
betrokkene’. 2.71
AP signaleert in dit verband dat het BKR zelf geen beroep kan doen op
zorgplichten in
Wft (als grondslag voor
gegevensverwerking), aangezien die zorgplichten ‘enkel rusten op
kredietaanbieders’. Het AP adviseert
minister om wetgeving tot stand te brengen waarbij (i)
inbreuk op
grondrechten van betrokkenen expliciet wordt afgewogen tegen het betrokken algemene belang (voorkoming van overkreditering), (ii) het beheer van het stelsel van kredietregistratie als wettelijke taak of verplichting aan een bepaalde beheerder wordt opgedragen en (iii) wordt voorzien in duidelijke waarborgen voor
betrokkenen en voor een goede taakuitoefening. 2.72 Bij brief van 12
cember 2019 heeft
minister van Financiën aan
Tweede Kamer bericht het advies van
AP ter harte te nemen.
minister onderschreef in
ze brief het belang van een zorgvuldige verwerking van persoonsgegevens in het kader van
kredietregistratie. Om ervoor te zorgen dat ‘een goed, betrouwbaar systeem van kredietregistratie voor nu en voor
toekomst wettelijk geborgd is’, zou
minister in overleg met stakeholders ‘bezien hoe het stelsel kan worden verbeterd en welke waarborgen daarbij passen’. Hij streefde ernaar om voor het einde van 2020 een conceptwetsvoorstel in internetconsultatie te brengen. 2.73 Bij brief van 27 oktober 2020 schreef
minister, onder verwijzing naar zijn brief van 12
cember 2019, dat het aangekondigde overleg met stakeholders had plaatsgevonden en dat het beoogde ‘Wetsvoorstel kredietregistratie’ binnen enkele maanden in consultatie zou worden gebracht. 2.74 Eind april 2021 heeft
minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens
minister van Financiën, Kamervragen beantwoord over een eerder namens
regering gedane toezegging om met het BKR in gesprek te gaan over ‘
lengte van
registratietermijn, met daarbij specifieke aandacht voor mensen wier registratie gerelateerd is aan corona’. In dat verband heeft
minister opgemerkt dat uit art. 4:34 Wft en
artikelen 113 tot en met 115 BGfo volgt dat kredietverstrekkers, met het oog op
beoordeling of het aangaan van een kredietovereenkomst met een consument verantwoord is, ‘kredietovereenkomsten [moeten] registreren in een stelsel van kredietregistratie’ en dat zij in het kader van die beoordeling ‘verplicht [zijn] het stelsel van kredietregistratie te raadplegen’. Raadpleging van het BKR is volgens
minister ‘een belangrijk instrument om inzicht te krijgen in welke kredieten een consument al heeft’. Inzicht in
‘betaalgeschiedenis’ heeft tot doel om ‘betalingsproblemen in
toekomst te voorkomen’.
termijnen voor het bewaren van kredietregistraties zijn momenteel geregeld in
reglementen van het BKR.
minister heeft in dit verband het eerder aangekondigde Wetsvoorstel kredietregistratie gememoreerd en medegedeeld dat het streven is om dit wetsvoorstel rond
zomer van 2021 in consultatie te brengen. Verder heeft
minister nog opgemerkt dat hij vooralsnog geen aanleiding ziet om het BKR te vragen om verkorting van
gehanteerde registratietermijn, aangezien daarmee ‘een bescherming tegen overkreditering’ zou vervallen. 2.75 Volledigheidshalve vermeld ik dat
wetgever in een specifieke context, namelijk die van
bekende ‘Toeslagenaffaire’, heeft voorzien in een wettelijke regeling op grond waarvan kredietregistraties van gedupeerde ouders die in aanmerking komen voor een forfaitaire tegemoetkoming ‘per omgaande verwijderd [worden] uit het stelsel van kredietregistratie’. Op dit specifieke punt voorziet
wet dus in een grondslag voor
verwerking (meer bepaald
verwijdering) van persoonsgegevens in het BKR. Kredietregistratie en
bescherming van persoonsgegevens 2.76 Sinds
inwerkingtreding van
AVG (medio 2018) is in
lagere rechtspraak ter discussie komen te staan op welke van
in art. 6 lid 1 AVG genoemde verwerkingsgronden
kredietregistratie in het CKI van het BKR berust. Onder het regime van
op dit punt gelijkluidende Wbp leek hierover geen discussie te bestaan.
memorie van toelichting bij
Wbp vermeldde met zoveel woorden dat kredietregistratie op
f-grond plaatsvond: ‘Ingevolge
Wet op het Consumentenkrediet (Stb. 1990, 395) dient in bepaalde gevallen – voordat consumptieve kredieten kunnen worden verstrekt –
schuldenpositie van
kredietaanvrager te worden getoetst.
Stichting Bureau Kredietregistratie toetst
ze kredietwaardigheid van particulieren.
gegevensverwerkingen die voortvloeien uit
ze toetsingstaak gelden weliswaar als zijnde noodzakelijke precontractuele stappen teneinde een kredietovereenkomst met
betrokkene te kunnen aangaan maar kunnen bezwaarlijk worden aangemerkt als handelingen die op verzoek van
betrokkene worden verricht.
ze handelingen be[o]gen meer het gerechtvaar[d]igd belang van
bank te dienen enige informatie te hebben over
financiële positie van
betrokkene alvorens met hem bepaalde overeenkomsten te sluiten.
gegevensverwerkingen die in het kader van
ze handelingen plaatsvinden worden daarom ook gerechtvaar[d]igd door artikel 8, onder f.
handelingen moeten voorts noodzakelijk zijn teneinde
overeenkomst te kunnen sluiten.
formulering van het voorschrift is aangepast overeenkomstig het advies van
Registratiekamer.’ 2.77 Hiervoor bleek al dat
Autoriteit Persoonsgegevens (alinea 2.70) en het BKR zelf (alinea 2.67) eveneens uitgaan van toepasselijkheid van
f-grond. Ook
-Groep (alinea’s 2.24 en 2.28) en
eerder geciteerde buitenlandse literatuur (alinea 2.25) verwijzen voor kredietregistraties primair naar
f-grond, zij het niet specifiek in
Nederlandse context. In
nationale literatuur heb ik geen uitgesproken standpunten over
toepasselijke verwerkingsgrondslag aangetroffen. 2.78 In
gepubliceerde lagere rechtspraak over
AVG-toetsing van kredietregistraties lijken verwijzingen naar
f-grond
boventoon te voeren. Ik telde twaalf uitspraken waarin kredietregistraties op
f-grond werden beoordeeld, hetgeen in
meerderheid van die gevallen leidde tot een (gedeeltelijke) toewijzing van
vordering of het verzoek. In negen zaken trof ik verwijzingen naar
c-grond aan (soms in combinatie met
f-grond). In bijna al die zaken werd
vordering of het verzoek afgewezen.
lagere rechtspraak lijkt dus ruimhartiger voor
rechthebbende in
context van
f-grond dan in
context van
c-grond. Dat sluit aan bij
systematiek van
AVG, die alleen ten aanzien van gegevensverwerkingen op
e- en f-grond voorziet in een recht van bezwaar (alinea 2.36). 2.79 Inmiddels hebben alle gerechtshoven zich uitgesproken over
materie. Er zijn vier lijnen in
appelrechtspraak waarneembaar, die ik hierna in vogelvlucht zal behandelen. Vier lijnen in
appelrechtspraak 2.80 Het gerechtshof
n Bosch heeft in een uitvoerig gemotiveerd arrest van 6 augustus 2020
c-grond toepasselijk geoordeeld (
eerste lijn). Volgens het hof vloeit uit het ‘systeem van kredietregistratie’, dat zowel Unierechtelijk (ingevolge
Richtlijn consumentenkrediet) als nationaalrechtelijk (ingevolge art. 4:32 en 4:34 Wft) is voorgeschreven, dat er niet alleen gegevens worden geregistreerd, maar ook dat
geregistreerde gegevens gedurende een zekere termijn worden bewaard. Dit laatste is volgens het hof ‘inherent aan het voorgeschreven systeem’, met het oog op
beoogde voorkoming van overkreditering (rov. 3.5.13.1). Het hof
elt niet
visie van
AP, dat
kredietregistratie uitsluitend op
f-grond zou berusten. Dit zou immers betekenen ‘dat er enerzijds een verplicht systeem is van raadplegen van kredietregistratie en
rhalve een verplichting tot meewerken aan het instandhouden van dat systeem’, terwijl anderzijds ‘zelfs
meest voor
hand liggende uitvoeringshandelingen binnen dit systeem’ niet onder
noodzakelijke verwerking ter uitvoering van een wettelijke verplichting zouden vallen. Een
rgelijk onderscheid acht het hof ‘niet alleen voorshands onwerkbaar in het kader van een adequate en wettelijk verplichte kredietregistratie, maar evenmin nodig om
belangen van
betrokkene conform
AVG adequaat te beschermen’ (rov. 3.5.14). Het hof neemt hierbij in aanmerking dat
verwerking te allen tijde (ook bij toepassing van
c-grond) moet worden getoetst aan
beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, als bedoeld in
Santander-beschikking (rov. 3.5.15). Dat een wettelijke regeling als door
AP bepleit ‘evidente voordelen’ heeft, doet volgens het hof aan het voorgaande niet af (rov. 3.5.16). Het hof concludeert dat banken ter uitvoering van hun ‘wettelijke plicht tot
elname aan een kredietregistratiesysteem (en alles wat daar noodzakelijk bij hoort)’ persoonsgegevens ‘mogen laten verwerken’ door het BKR op grond van art. 6 lid 1 onder c AVG (rov. 3.5.17). 2.81 Het gerechtshof
n Haag heeft bij beschikking van 8 september 2020 uitsluitend
f-grond toepasselijk geoordeeld (
tweede lijn, waarbij
voorzieningenrechter zich in rov. 4.8 van het tussenvonnis in
ze zaak heeft aangesloten). Dat
verwerking van persoonsgegevens in kredietregistraties noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting van
verwerkingsverantwoordelijke, acht het hof ‘niet aannemelijk’. Art. 4:32 lid 1 Wfz behelst immers slechts een verplichting tot
elname aan een stelsel van kredietregistratie. Volgens het hof kan niet gezegd worden dat
kredietaanbieder niet aan die ‘
elnemingsverplichting’ voldoet als zij
gegevens van
verzoekster niet in het CKI verwerkt. Het hof gaat er dan ook van uit dat
kredietregistratie op
f-grond berust en dat
verzoekster op grond van art. 21 lid 1 AVG het recht van bezwaar toekomt. Bij beschikking van 10 november 2020 heeft het hof
ze redenering herhaald, met
kanttekening dat het voor
toepasselijkheid van
proportionaliteits- en subsidiariteitstoets ‘geen wezenlijk verschil’ maakt of
verwerking op
c-grond of
f-grond berust, aangezien die toets bij alle in art. 6 lid 1 AVG genoemde grondslagen moet worden uitgevoerd. Volledigheidshalve wijs ik nog op
beschikkingen van 24 september 2019 en 18 mei 2021, waarin het Haagse hof een kredietregistratie aan art. 21 AVG toetste, hetgeen doet vermoeden dat het hof ook in die beschikkingen (stilzwijgend) van toepasselijkheid van
f-grond is uitgegaan. 2.82 Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 9 februari 2021 zowel
c-grond als
f-grond toepasselijk geoordeeld (
rde lijn). Volgens het hof biedt art. 6 lid 1 onder f AVG ‘in ieder geval een grondslag’ voor
BKR-registratie. Voor zover
kredietaanbieder als verwerkingsverantwoordelijke in
zin van
AVG is te beschouwen, biedt ‘ook artikel 6 lid 1 onder c AVG een grondslag’. Aan
wettelijke verplichting tot
elname aan en raadpleging van een stelsel van kredietregistratie (art. 4:32 en 4:34 Wft in verbinding met art. 114 BGfo) is volgens het hof ‘inherent dat met consumentenkredieten verband houdende persoonsgegevens worden verwerkt in een kredietregistratiesysteem en gedurende een bepaalde termijn beschikbaar worden gehouden’.
(handhaving van
) registratie van gegevens in het CKI is daarom volgens het hof noodzakelijk om te voldoen aan
ze wettelijke verplichtingen. Evenals het Haagse hof oordeelt het Amsterdamse hof overigens dat
grondslag van
verwerking ‘niet ter zake’ doet voor
toepassing van
proportionaliteits- en subsidiariteitstoets. Niettemin voert het hof twee afzonderlijke toetsingen uit, één op basis van
c-grond (
Santander-toets) en één op basis van
f-grond (
toets aan art. 21 AVG). Volledigheidshalve wijs ik nog op een beschikking van 16 februari 2021, waarin het Amsterdamse hof zijn beslissing heeft aangehouden in afwachting van
beantwoording van
nu voorliggende prejudiciële vragen door
Hoge Raad. 2.83 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 17
cember 2020
zienswijze van het Bossche hof onderschreven (
eerste lijn), en die van het Haagse hof verworpen. Bij arrest van 3
cember 2019 had dit hof ook al toepassing gegeven aan
c-grond, daartoe overwegende (i) dat kredietaanbieders op grond van art. 4:32 lid 1 Wft verplicht zijn
el te nemen aan een stelsel van kredietregistratie, (ii) dat het CKI het enige in Nederland bestaande stelsel van kredietregistratie is en (iii) dat
elnemers aan het CKI gebonden zijn aan het CKI-reglement. Registratie van persoonsgegevens bij het BKR vindt daarom volgens het hof plaats op grond van een wettelijke plicht als bedoeld in art. 6 lid 1 onder c AVG. Bij beschikking van 14 januari 2020 heeft hetzelfde hof (in een andere samenstelling) toepassing gegeven aan art. 21 AVG, daarmee impliciet suggererend dat
f-grond toepasselijk zou zijn. Bij beschikking van 23 februari 2021 heeft dit hof wederom toepassing gegeven aan art. 21 AVG, nochtans uitgaande van toepasselijkheid van
c-grond. In dat kader overwoog het hof dat het CKI, om een ‘zinvolle invulling’ te kunnen geven aan
zorgplicht ter voorkoming van overkreditering, gegevens zal moeten bevatten over
kredieten die kredietaanbieders aan consumenten hebben verstrekt. Het melden van betalingsachterstanden aan het BKR is daarom volgens het hof ‘noodzakelijk’ om aan
verplichtingen van art. 4:32 en 4:34 Wft te kunnen voldoen. Tegen
ze achtergrond verwierp het hof
stelling van
verzoeker, dat
kredietregistratie ‘uitsluitend gebaseerd kan zijn op artikel 6 lid 1 onder f AVG’. Al met al tendeert het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in
richting van
c-grond, al lijkt in dit ressort geen sprake te zijn van een eenduidige lijn. 2.84 Volledigheidshalve merk ik nog op dat er ook feitenrechters zijn die
grondslag van
gegevensverwerking in het midden laten en enkel een belangenafweging uitvoeren aan
hand van
beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat is een vierde lijn, die aansluit bij
pragmatische benadering die
Hoge Raad eertijds in
Santander-beschikking heeft gekozen (alinea 2.5). 3Bespreking van
prejudiciële vragen Vraag 1: onder welke AVG-verwerkingsgrondslag valt kredietregistratie in het CKI? 3.1
eerste prejudiciële vraag betreft
toepasselijke verwerkingsgrondslag, het voornaamste discussiepunt in
ze zaak.
ze vraag luidt als volgt: ‘1. Moet
verwerking van concrete persoonsgegevens door een kredietinstelling, door middel van een individuele registratie in het systeem van
BKR, worden getoetst aan het bepaalde in artikel 6 lid 1, aanhef en onder c, AVG, of aan artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG, of aan beide bepalingen?’ 3.2 Bij
bespreking van
ze vraag stel ik het volgende voorop. Niet ter discussie staat dat kredietregistratie een verwerking van persoonsgegevens in
zin van art. 4 onder 1 en 2 AVG inhoudt. Beide partijen in
ze zaak gaan daarvan uit, evenals het BKR in onder meer art. 3, 9 en 14 van het CKI-reglement. In
besproken lagere rechtspraak vormt dit ook geen discussiepunt. In
Santander-beschikking werd een CKI-registratie ook reeds als een verwerking van persoonsgegevens in
zin van
Wbp aangemerkt. Of alle in het CKI geregistreerde gegevens onder
reikwijdte van
AVG vallen, kan in het midden blijven. 3.3 Evenmin staat ter discussie dat zowel het BKR als
kredietaanbieders (Hoist in dit geval) als verwerkingsverantwoordelijken in
zin van art. 4 onder 7 AVG hebben te gelden. Art. 7 lid 4 van het CKI-reglement merkt
kredietaanbieders met zoveel woorden als verwerkingsverantwoordelijken aan. Ook
lagere rechtspraak gaat daarvan uit. Aangenomen dat (naar ik begrijp) kredietaanbieders zelfstandig kredieten en kredietgegevens in het CKI registreren en zelfstandig beslissen om die gegevens in voorkomende gevallen al dan niet voor bepaalde doeleinden te raadplegen (respectievelijk te wijzigen, te verwijderen of anderszins te verwerken), kunnen
kredietnemers mijns inziens inderdaad worden aangemerkt als
genen die, tezamen met het BKR als beheerder van het CKI, ‘het doel van en
middelen voor
verwerking van persoonsgegevens’ vaststellen (in
zin van art. 4 onder 7 AVG). Hun rol lijkt, hiervan uitgaande, minder goed vergelijkbaar met die van een ‘verwerker’ als bedoeld in art. 4 onder 8 AVG, zijnde een louter administratief betrokken
rde die namens en onder verantwoordelijkheid van
verwerkingsverantwoordelijke (in dit geval het BKR) persoonsgegevens verwerkt. Het voorgaande is van belang omdat art. 6 lid 1 onder c AVG vereist dat
wettelijke verplichting op
verwerkingsverantwoordelijke rust, en het BKR in elk geval niet wettelijk verplicht is tot kredietregistratie. 3.4 Ter afbakening merk ik verder op dat
mogelijke toepasselijkheid van
f-grond op gegevensverwerkingen in het CKI geen discussiepunt vormt. In alle besproken rechtspraak wordt
f-grond als een potentieel ‘vangnet’ (zo niet als enige toepasselijke verwerkingsgrondslag) voor CKI-registraties beschouwd. Dat met
registratie van kredietgegevens in het CKI ‘gerechtvaardigde belangen’ in
zin van art. 6 lid 1 onder f AVG kunnen worden gediend, staat met andere woorden buiten kijf. 3.5 Gelet op het voorgaande strekt
prejudiciële vraag ertoe te vernemen of
c-grond toepasselijk is op kredietregistraties in het CKI. Zo ja, dan heeft
kredietregistratie in beginsel als rechtmatig te gelden, zonder dat hiervoor (op voorhand) een belangenafweging door
betrokken kredietaanbieders is vereist. In dat geval hebben
betrokken kredietnemers ook geen recht van bezwaar en geen recht van gegevenswissing op grond van art. 17 en 21 AVG (alinea 2.36 e.v.).
kredietnemers moeten dan ‘terugvallen’ op
grondrechtelijke proportionaliteits- en subsidiariteitstoetsing als bedoeld in
Santander-beschikking (alinea 2.5). Indien
c-grond daarentegen toepassing mist, moet
kredietregistratie op
f-grond worden gebaseerd. Dit betekent dat elke gegevensverwerking in het CKI op een individuele belangenafweging moet berusten en dat kredietnemers ten aanzien van elke CKI-registratie bezwaar kunnen maken en gegevenswissing kunnen vragen.
feitelijke uitkomst van
beide benaderingswijzen behoeft niet te verschillen, maar duidelijk is wel dat
juridische inkadering – en daarmee in potentie ook
uitkomst – wezenlijk verschilt (vgl. alinea 2.6). 3.6
vraag of art. 6 lid 1 onder c AVG toepasselijk is op CKI-registraties, is niet primair een Unierechtelijke vraag, maar in
eerste plaats een vraag van uitleg van
Nederlandse wet- en regelgeving.
vraag is of die wet- en regelgeving een op kredietaanbieders rustende verplichting tot verwerking van persoonsgegevens in het kader van een kredietregistratie behelst, en of die verplichting voldoet aan
door
AVG gestelde eisen van duidelijkheid, nauwkeurigheid en voorspelbaarheid (alinea 2.20 e.v.). 3.7 Als wettelijke grondslag voor een
rgelijke verplichting komt enerzijds art. 4:32 lid 1 Wft in aanmerking (
wettelijke verplichting tot
elname aan een stelsel van kredietregistratie) en anderzijds art. 4:34 lid 1 Wft (
wettelijke zorgplicht ter voorkoming van overkreditering), zoals nader uitgewerkt in art. 114 BGfo (
verplichting om bij kredieten van meer dan € 250 het stelsel van kredietregistratie te raadplegen). Tezamen behelzen
ze bepalingen een op kredietaanbieders rustende verplichting tot
elname aan en raadpleging van een stelsel van kredietregistratie (alinea 2.44 e.v.). 3.8 Mijns inziens bevatten
voornoemde bepalingen geen voldoende duidelijke, nauwkeurige en voorspelbare verplichting tot verwerking van persoonsgegevens in het kader van een kredietregistratie. Weliswaar blijkt uit
wetsgeschiedenis voldoende duidelijk welk stelsel van kredietregistratie is bedoeld, namelijk het CKI van het BKR (alinea 2.50 e.v.), en ook met welk doel
elname aan en raadpleging van het CKI plaatsvinden, namelijk ten behoeve van het inwinnen van informatie over
financiële positie van
consument, zulks ter voorkoming van overkreditering (alinea 2.65). Maar met betrekking tot
vereiste verwerking van persoonsgegevens is het wettelijk kader onvoldoende uitgewerkt, zoals ook
Autoriteit Persoonsgegevens heeft geconstateerd in haar door
minister onderschreven advies (alinea 2.70 e.v.).
Wft en het BGfo maken met name niet duidelijk welke gegevens in het CKI geregistreerd mogen of moeten worden en onder welke voorwaarden
gegevensverwerking in het CKI plaatsvindt. Een en ander is uitgewerkt in het CKI-reglement van het BKR. Dat is echter een contractuele regeling waarvoor geen wettelijke basis bestaat (alinea 2.66 e.v.).
parallel die Hoist trekt met private regulering op wettelijke grondslag gaat reeds daarom niet op. Volledigheidshalve merk ik hierbij op dat het CKI-reglement ook geen gedragscode is als bedoeld in art. 40 AVG. 3.9 In navolging van het gerechtshof
n Bosch, het gerechtshof Amsterdam en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (alinea 2.80 e.v.) zou men kunnen tegenwerpen dat gegevensverwerking in het CKI inherent is aan het wettelijke systeem en/of noodzakelijk om te kunnen voldoen aan
wettelijke verplichting tot
elname aan en raadpleging van een stelsel van kredietregistratie. Inderdaad hebben
elname aan en raadpleging van het CKI weinig zin, als er geen relevante en toereikende kredietgegevens in het CKI geregistreerd worden. Bovendien geldt dat het ‘raadplegen’ van het CKI, zoals in voorkomende gevallen voorgeschreven op grond van art. 114 BGfo, reeds een gegevensverwerking in
zin van art. 4 onder 2 AVG oplevert. Zo beschouwd kan men zeggen dat enigerlei vorm van gegevensverwerking, namelijk in elk geval het registreren van sommige gegevens en in voorkomende gevallen ook het raadplegen daarvan, besloten ligt in het wettelijk voorgeschreven systeem van kredietregistratie. 3.10 Mijns inziens biedt
ze benadering echter geen uitkomst, omdat zij
vervolgvraag doet rijzen welke gegevensverwerking inherent is aan het wettelijke systeem, respectievelijk noodzakelijk om te voldoen aan
wettelijke
elname- en raadplegingsverplichting. Op díe vraag geven
Wft en het BGfo geen antwoord.
ze regelingen staan in het teken van
regulering van (het toezicht op)
financiële sector.
bijbehorende wetsgeschiedenis geeft er geen blijk van dat
wetgever in dat kader een afweging heeft gemaakt van
beoogde voorkoming van overkreditering van consumenten enerzijds en
met kredietregistratie gepaard gaande privacyaantasting bij consumenten anderzijds.
wetgever heeft
regulering van
privacyaspecten overgelaten aan
financiële sector, die daarin heeft voorzien door middel van het CKI-reglement. Zoals gezegd heeft dat reglement niet
status van een wet in materiële zin en berust het ook niet op een wettelijke grondslag. 3.11 Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan
door art. 6 lid 3 AVG gestelde eis van een rechtsgrond in het Unierecht of het lidstatelijke recht, en aan
sbetreffende eisen van duidelijkheid, nauwkeurigheid en voorspelbaarheid (als bedoeld in onderdeel 41 van
considerans). Voor zover toch gezegd zou kunnen worden dat een voldoende duidelijke, nauwkeurige en voorspelbare verplichting tot gegevensverwerking besloten ligt in het wettelijk voorgeschreven systeem van kredietregistratie, voldoet die verplichting mijns inziens niet aan het noodzakelijkheidsvereiste van art. 6 lid 3 (slot) AVG, te weten dat
verplichting beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang en evenredig is met het nagestreefde gerechtvaardigde doel. Het betreft dan immers een niet geclausuleerde, impliciete wettelijke verplichting, waaraan geen kenbare afweging van
betrokken privacyaspecten door
wetgever ten grondslag ligt. 3.12
in art. 14 van het CKI-reglement neergelegde bewaartermijn van vijf jaren is illustratief voor het tekort aan een adequate rechtsbasis. Stel dat het CKI zou besluiten om die termijn te verdubbelen (een scenario dat praktisch uitgesloten maar juridisch mogelijk lijkt), dan zou daarmee het verwerkingsregime aanzienlijk worden verzwaard ten laste van
kredietnemers, zonder dat daaraan een keuze van
wetgever ten grondslag ligt. Voor zulke situaties, waarin met betrekking tot
concrete naleving van een wettelijke verplichting een beoordelingsmarge bestaat (die in dit geval zelfs neerkomt op een ‘carte blanche’ voor het BKR bij
regulering van
privacyaspecten in het CKI-reglement), is
verwerkingsgrond van art. 6 lid 1 onder c AVG niet bedoeld (alinea 2.24). 3.13 Afgezien van
ze principiële argumenten pleiten mijns inziens ook praktische overwegingen voor toepassing van
f-grond in plaats van
c-grond op kredietregistraties in het CKI.
grondrechtelijke status van het recht op gegevensbescherming brengt mee dat elke gegevensverwerking in het CKI (uiteindelijk) moet worden getoetst aan
beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit als bedoeld in
Santander-beschikking.
f-grond biedt voor die toetsing mijns inziens een logischer beoordelingskader dan
c-grond, althans zolang specifieke wet- en regelgeving omtrent
privacyaspecten van kredietregistraties ontbreekt. Bij gebreke daarvan moet
c-grond ‘casuïstisch’ worden toegepast, door van geval tot geval te onderzoeken welke gegevensverwerking onder
gegeven omstandigheden noodzakelijk was met het oog op
nakoming van
zorgplicht ter voorkoming van overkreditering. Daarmee dwingt het grondrechtelijke kader tot een belangenafweging die minder goed past bij
c-grond, en juist kenmerkend is voor
f-grond. 3.14 Bij het voorgaande komt dat
f-grond in
AVG is gekoppeld aan een stelsel van rechtsbescherming dat
c-grond ontbeert. Het recht van gegevenswissing (art. 17 AVG) en het recht van bezwaar (art. 21 AVG) zijn naar
letter van
verordening niet van toepassing indien
gegevensverwerking op
c-grond berust (alinea 2.36 e.v.). Ook
in art. 35 lid 2 UAVG neergelegde termijn voor het entameren van een civiele procedure mist in dat geval strikt genomen toepassing. Analoge toepassing van
ze bepalingen in
context van
c-grond lijkt weliswaar niet uitgesloten (alinea 2.42), maar is uiteraard minder voor
hand liggend als
f-grond voor toepassing in aanmerking komt. 3.15 Een andere praktische complicatie die bij toepassing van
c-grond rijst, is dat zoals gezegd enkel
kredietaanbieders daarvan kunnen profiteren, en niet het BKR, omdat
zorgplicht ter voorkoming van overkreditering enkel op
kredietaanbieders rust. Hiervoor bleek al dat zowel het BKR als
kredietaanbieders verwerkingsverantwoordelijken in
zin van
AVG zijn. Ingevolge art. 26 lid 3 AVG kan
rechthebbende zijn rechten uit hoofde van
verordening met betrekking tot en jegens ieder van
verwerkingsverantwoordelijken uitoefenen. Gezien
ze ‘hoofdelijke aansprakelijkheid’ van het BKR en
kredietaanbieders, lijkt
toepassing van verschillende verwerkingsgrondslagen op elk van beiden zowel systematisch als praktisch ongelukkig. 3.16 Bij dit alles merk ik nog op dat
f-grond in art. 3 lid 4 van het CKI-reglement uitdrukkelijk is aangewezen als
toepasselijke verwerkingsgrondslag en dat het BKR richtlijnen heeft uitgevaardigd voor
toepassing daarvan. Een en ander wijst erop dat toepassing van
f-grond, die ook onder het regime van
Wbp gemeengoed was en zelfs met zoveel woorden is genoemd in
memorie van toelichting bij
Wbp (alinea 2.76),
praktijk niet voor onoverkomelijke problemen zal stellen. Hieraan doet niet af dat een wettelijke regeling van kredietregistraties, zoals aangekondigd door
wetgever (alinea 2.72), vanuit een oogpunt van praktische hanteerbaarheid uiteraard voordelen kan hebben. 3.17 Gelet op het voorgaande kom ik tot
volgende beantwoording van vraag 1. Mijns inziens moet
verwerking van persoonsgegevens door een kredietinstelling, door middel van een registratie in het CKI van het BKR, worden getoetst aan het bepaalde in artikel 6 lid 1, aanhef en onder f, AVG. Het bepaalde in art. 6 lid 1, aanhef en onder c, AVG leent zich mijns inziens bij
huidige stand van
wet- en regelgeving niet voor toepassing op
verwerking van persoonsgegevens in het CKI van het BKR. Vraag 2: heeft
betrokkene het recht van gegevenswissing en bezwaar? 3.18
tweede prejudiciële vraag stelt, voortbouwend op vraag 1, ter discussie welke rechtsmiddelen
rechthebbende op grond van
AVG ten dienste staan in geval van kredietregistratie in het CKI van het BKR.
ze vraag luidt als volgt: ‘2. Betekent het antwoord op vraag 1 a. dat aan
gene van wie
persoonsgegevens zijn geregistreerd, geen beroep toekomt op het recht van gegevenswissing als bedoeld in artikel 17 AVG? b. dat aan diegene geen recht van bezwaar toekomt als bedoeld in artikel 21 AVG?’ 3.19 Uit mijn beantwoording van
eerste vraag volgt dat het antwoord op
beide subvragen ontkennend luidt. Uitgaande van
f-grond als toepasselijke verwerkingsgrondslag, beschikt
rechthebbende over het recht van bezwaar (art. 21 lid 1 AVG) en het recht van gegevenswissing na bezwaar (art. 17 lid 1 onder c AVG). Bij toepassing van
c-grond staan
ze rechtsmiddelen
rechthebbende (althans naar
letter van
AVG) niet ten dienste. Vraag 3: welke rol speelt art. 35 UAVG? 3.20
rde prejudiciële vraag stelt, voortbouwend op vraag 2b, aan
orde binnen welke termijn
rechthebbende een gerechtelijke procedure uit hoofde van bezwaar tegen een gegevensverwerking in het CKI van het BKR kan instellen.
ze vraag luidt als volgt: ‘3. Indien het antwoord op vraag 2.b. meebrengt dat bij een BKR-registratie geen recht op bezwaar als bedoeld in artikel 21 AVG bestaat, leidt dat er dan toe dat artikel 35 UAVG in
gerechtelijke procedure tot verwijdering van die registratie geen rol speelt?’ 3.21
ze vraag is gesteld voor het geval dat het antwoord op vraag 2b bevestigend luidt.
ze vraag veronderstelt, met andere woorden, dat
rechthebbende géén recht van bezwaar toekomt als bedoeld in art. 21 AVG. Uitgaande van
door mij verdedigde toepasselijkheid van
f-grond is die veronderstelling onjuist en behoeft
vraag geen beantwoording. Voor een nadere bespreking van art. 35 UAVG verwijs ik naar alinea 2.38 e.v. 4Conclusie
conclusie strekt tot beantwoording van
prejudiciële vragen als vermeld onder 3.17, 3.19 en 3.21.
Procureur-Generaal bij
Hoge Raad
r Nederlanden A-G Zie rov. 2.1 tot en met 2.8 van het tussenvonnis van 21 januari 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:174). Prod. 3 bij brief d.d. 22
cember 2020 namens Hoist.
voorzieningenrechter spreekt over ‘
BKR’ (doelend op
stichting). Ik spreek hierna, conform
Dikke Van Dale, over ‘het BKR’ (doelend op het bureau). Prod. 1 bij inleidende dagvaarding. Prod. 2 bij inleidende dagvaarding. Prod. 1 bij brief d.d. 22
cember 2020 namens Hoist. Prod. 2 bij brief d.d. 22
cember 2020 namens Hoist. Rb. Amsterdam (vzr.) 21 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:174, JOR 2021/93, m.nt. C.E.F. van Waesberge; JIN 2021/83, m.nt. D.S. Volleberg.
voorzieningenrechter vermeldt abusievelijk 8 september 2020 als datum van
ze beslissing. Zie nader over het Santander-toetsingscriterium alinea 2.5 hierna.
voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar C.E.F. van Waesberge, JOR 2020/10. Zie ook alinea 2.6 hierna. Zie nader over dit reglement alinea 2.66 hierna. Bij brief van 30 april 2021 heeft eisers advocaat (niet zijnde cassatieadvocaat) verwezen naar hetgeen door eiser is aangevoerd ten overstaan van
voorzieningenrechter. Verordening (EU) 2016/679 van het Europees parlement en
Raad van 27 april 2016 betreffende
bescherming van natuurlijke personen in verband met
verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), PbEU L 119/1 d.d. 4 mei 2016.
Nederlandse vertaling is op ondergeschikte punten gerectificeerd in PbEU L 74/35 d.d. 4 maart 2021. Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en
Raad van 24 oktober 1995 betreffende
bescherming van natuurlijke personen in verband met
verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, PbEG L 281/31 d.d. 23 november 1995. Wet van 6 juli 2000, houdende regels inzake
bescherming van persoonsgegevens (Wet bescherming persoonsgegevens), Stb. 2000/302 (vervallen per 25 mei 2018). Zie over art. 8 EVRM (toegespitst op gegevensbescherming) H.R. Kranenborg en L.F.M. Verhey,
Algemene Verordening Gegevensbescherming in Europees en Nederlands perspectief (MM SBR),
venter: Kluwer 2018, p. 33 e.v. (met verdere verwijzingen). Zie ook (meer in algemene zin) J.H. Gerards, General Principles of the European Convention on Human Rights, Cambridge University Press 2019, p. 198 e.v. (over het legaliteitsvereiste) en p. 229 e.v. (over het noodzakelijkheidsvereiste). Zie over art. 16 VWEU en art. 8 Handvest Kranenborg en Verhey,
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 46 e.v. (met verdere verwijzingen). Zie onderdeel
considerans. Vgl. ook art. 1 lid 2 AVG:
AVG beschermt
grondrechten en
fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name hun recht op bescherming van persoonsgegevens. Zie MvT (Wbp), Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 8 e.v. en 80 e.v. HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097, NJ 2011/595, m.nt. E.J. Dommering (Santander), rov. 3.3 onder (
verwerkingsgronden van art. 6 lid 1 AVG. Zie onderdeel
considerans:
doelstellingen en beginselen van
Richtlijn ‘blijven overeind’, maar verdere harmonisatie is nodig in verband met ‘verschillen in
uitvoering en toepassing’ ervan. Zie MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 5. Zie nader over
verschillen tussen
Richtlijn en
AVG Kranenborg en Verhey,
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 66 e.v. Zie in gelijke zin
onderdelen
considerans. Zie G.J. Zwenne en H.R. Kranenborg, T&C Privacy- en gegevensbeschermingsrecht
zelfde bescherming als
ermee corresponderende EVRM-bepalingen. Zie onderdeel
considerans. Wet van 16 mei 2018, houdende regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en
Raad van 27 april 2016 betreffende
bescherming van natuurlijke personen in verband met
verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119) (Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming), Stb. 2018/144 (iwtr. Stb. 2018/145). Zie MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 4. Kranenborg en Verhey,
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 130.
oorspronkelijke vertaling sprak van verwerking ‘ten behoeve van’
verwerkingsverantwoordelijke. In
gerectificeerde vertaling in PbEU L74/35 d.d. 4 maart 2021 zijn
ze woorden vervangen door ‘namens’. Zie G.J. Zwenne, T&C Privacy- en gegevensbeschermingsrecht
begrippen verwerkingsverantwoordelijke en verwerker bijv. Kranenborg en Verhey,
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 130 e.v.; M. Krzysztofek, GDPR: General Data Protection Regulation (EU) 2016/
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 141 e.v. Zie Krzysztofek, GDPR: General Data Protection Regulation (EU) 2016/679, 2019, p.
hierna besproken Legitimate interest opinion van
-Groep, waar wordt opgemerkt dat
tekst van art. 7 van
Richtlijn geen ‘hiërarchie tussen
gronden’ suggereert. Vgl. ook alinea 2.30 hierna, over
kwalificatie van
f-grond als ‘restgrond’. Zie W. Kotschy, ‘Article 6: Lawfulness of Processing’, in: C. Kuner e.a. (red.), The EU General Data Protection Regulation (GDPR). A Commentary, Oxford University Press 2020, p. 339-340. Zie Kranenborg en Verhey,
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 144. Zie HvJEG 16
cember 2008, C-524/06, ECLI:EU:C:2008:724, EHRC 2009/23, m.nt. E. Brems (Huber/Duitsland), rov. 47-
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 52.
-Groep is opgevolgd door het Europees Comité voor gegevensbescherming (European Data Protection Board; EDPB), dat wel bindende beslissingen kan nemen (a.w. p. 68). Vgl. ook MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 34, waar wordt gewezen op
verplichting van banken om gegevens van hun rekeninghouders aan
Belastingdienst te verstrekken.
ze verplichting is neergelegd in art. 10.8 Wet IB 2001 jo. art. 22 Uitvoeringsbesluit IB 2001. Groep gegevensbescherming artikel 29, Advies 06/2014 over het begrip “gerechtvaardigd belang van
door
gegevensverwerking verantwoordelijke” in artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG, 844/14/NL WP 217, 9 april 2014 (beschikbaar via <https://ec.europa.eu>) (hierna: Legitimate interest opinion), p. 23. Zie Kranenborg en Verhey,
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 151. Zie Kranenborg en Verhey,
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 152. Zie onderdeel 41, eerste volzin, van
considerans. Zie ook MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 35-36, met verwijzing naar
in alinea 2.3 besproken EHRM-rechtspraak over het legaliteitsvereiste van art. 8 lid 2 EVRM. Zie Kranenborg en Verhey,
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p.
context van het gegevensbeschermingsrecht
prejudiciële vragen die het gerechtshof
n Haag bij arrest van 23 februari 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:302) aan
Hoge Raad heeft gesteld over
verhouding tussen
rde Levensrichtlijn en civielrechtelijke open normen (zaaknummer 21/00765). Zie onderdeel 41, tweede volzin, van
considerans. Zie onderdeel 45 van
considerans. MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p.
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 152. Zie Krzysztofek, GDPR: General Data Protection Regulation (EU) 2016/679, 2019, p. 85.
ze vindplaats is ook geciteerd in Hof
n Bosch 6 augustus 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2536, rov. 3.5.11, waar daaruit overigens
conclusie wordt getrokken dat
c-grond (wel) toepasselijk zou zijn. Zie Kranenborg en Verhey,
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p.
considerans, waar een omgekeerde formulering wordt gebruikt (‘mits
belangen of
grondrechten en
fundamentele vrijheden van
betrokkene niet zwaarder wegen’). Zie onderdeel
considerans. Zie ook Kranenborg en Verhey,
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 159-160. Zie voor een inventarisatie van gezichtspunten voor
belangenafweging Groep gegevensbescherming artikel 29, Legitimate interest opinion, 2014, p. 41 e.v.; Autoriteit Persoonsgegevens, Normuitleg grondslag ‘gerechtvaardigd belang’, 1 november 2019 (beschikbaar via <https://autoriteitpersoonsgegevens.nl>), p. 4. Zie ook (toegespitst op kredietregistratie) Stichting BKR, Handreiking Belangenafweging, januari 2018 (beschikbaar via <www.bkr.nl>), p. 5. Zie Kranenborg en Verhey,
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 158; Krzysztofek, GDPR: General Data Protection Regulation (EU) 2016/679, 2019, p.
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 158. Zie Kranenborg en Verhey,
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 143,
considerans. Zie Kranenborg en Verhey,
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 157. Zie ook onderdeel
considerans. Zie Kranenborg en Verhey,
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 216-217; G.J. Zwenne, T&C Privacy- en gegevensbeschermingsrecht
Jong, G.C.J. Erents en E.Z. Fonville, ‘Kroniek AVG-jurisprudentie mei 2018-mei 2020’, P&I 2020/184 (afl. 4), p. 163-164 (met vermelding van lagere rechtspraak). Zie onderdeel
considerans. HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097, NJ 2011/595, m.nt. E.J. Dommering (Santander), rov. 3.3 onder (d). Zie in gelijke zin (toegespitst op bezwaar tegen kredietregistraties) Stichting BKR, Handreiking Belangenafweging, januari 2018 (beschikbaar via <https://www.bkr.nl/media/1202/handreikingbelangafweging.pdf>), p. 5. Zie daarover nader Kranenborg en Verhey,
AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 207 e.v. Zie ook onderdeel
considerans. Zie Krzysztofek, GDPR: General Data Protection Regulation (EU) 2016/679, 2019, p. 168; Kotschy, in: The EU General Data Protection Regulation (GDPR), 2020, p.
c-grond slechts toepassing mist voor zover
gegevensverwerking (nog) nodig is ter nakoming van
wettelijke verplichting. Zie ook onderdeel
considerans. Zie MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 118. Zie rov. 4.1 en 4.9 van het tussenvonnis van 21 januari 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:174). Zie Rb.
n Haag (vzr.) 28 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:1988, rov. 4.5; Rb. Amsterdam (vzr.) 17 september 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:6817, rov. 4.4; Hof Amsterdam 5 november 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3966, rov. 3.4.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 7 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:126, rov. 5.8; Rb. Rotterdam 14 januari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:293, rov. 4.2; Rb. Oost-Brabant 7 mei 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:2534, rov. 4.4 e.v.; Hof Amsterdam 2 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:312, rov. 4.8; Rb. Amsterdam (vzr.) 9 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:405, rov. 4.9. Zie in gelijke zin onder het oude recht Rb. Rotterdam 23 januari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BZ0140, rov. 4.8; Hof Amsterdam 2 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:358, rov. 2.5; Hof Amsterdam 19
cember 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5289, rov. 3.5. Vgl. anders Hof
n Haag 15
cember 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3815, rov. 4.3; Rb. Overijssel 15 oktober 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:5151, rov. 4.2-4.3; Rb. Rotterdam 27 augustus 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7070, rov. 4.5; Hof Amsterdam 11 juni 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1957, rov. 3.4-3.5 (in welke gevallen
eiser in kort geding ontvankelijk werd geacht ondanks overschrijding van
in art. 35 lid 2 UAVG genoemde termijn). Hof Amsterdam 5 november 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3966, rov. 3.4.4-3.4.
n Haag 27 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:12154, waarin hierover prejudiciële vragen aan het HvJEU werden aangekondigd (die blijkens
kop op rechtspraak.nl niet zijn gesteld). Zie ook
bijbehorende annotatie van C.E.F. van Waesberge in JOR 2021/93, onder
c-grond niet conform
heersende leer, maar wel verdedigbaar acht. Zie C.E.F. van Waesberge, JOR 2021/93, onder 15. Wet van 28 september 2006, houdende regels met betrekking tot
financiële markten en het toezicht daarop (Wet op het financieel toezicht), Stb. 2006/
financiële dienstverlening (Wet financiële dienstverlening), Stb. 2005/
Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van
Raad, PbEU L 133/66 d.d. 22 mei 2008. Vgl. ook onderdeel
considerans: ‘Om
krediettoestand van een consument te beoordelen, dient
kredietgever ook
relevante gegevensbestanden te raadplegen.’ Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en
Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van
Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010, PbEU L 60/34 d.d. 28 februari 2014. In
wetsgeschiedenis worden het BKR en het door haar aangeboden stelsel (het CKI) vereenzelvigd. MvT (Wck), Kamerstukken II 1986/87, 19 785, nr. 3, p. 14 e.v. Idem, p.
registratie van kredieten’, FIP 2016/139 (afl. 1), waar wordt betoogd dat art. 4:32 Wft ‘feitelijk een verplichting’ behelst voor kredietaanbieders om zich bij het BKR aan te sluiten. Zie nader over
ze doel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.