PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/02082 Zitting 17 september 2021 CONCLUSIE R.H. de Bock In de zaak 1. Trafigura Beheer B.V. 2. Trafigura Limited (hierna afzonderlijk: Trafigura Beheer respectievelijk Trafigura Limited en gezamenlijk: Trafigura c.s.) eiseressen tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep advocaten: mr. A. Knigge en mr. L.V. van Gardingen tegen Stichting Victimes des Déchets Toxiques de Côte d’Ivoire (hierna: de Stichting) verweerster in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep advocaat: mr. J.W.H. van Wijk Deze zaak gaat over de nasleep van de storting van afvalstoffen (‘slops’) afkomstig van het door Trafigura Beheer gecharterde zeeschip Probo Koala in 2006. Trafigura Beheer en Trafi- gura Limited (Trafigura c.s.) worden door de Stichting aansprakelijk gesteld voor de schade die Ivoriaanse slachtoffers als gevolg van de storting stellen te hebben geleden. De rechtbank oordeelt dat ten aanzien van de vorderingen tegen Trafigura Limited geen rechtsmacht be- staat op grond van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis. Verder verklaart de rechtbank de Stichting niet-ontvankelijk in haar vorderingen tegen Trafigura Beheer, omdat niet is voldaan aan het waarborgvereiste van art. 3:305a lid 2 BW (oud). In hoger beroep wordt wel rechts- macht aangenomen, waarbij het hof de zaak tegen Trafigura Limited terugverwijst en de zaak tegen Trafigura Beheer aan zich houdt. Het hof is voorts van oordeel dat is voldaan aan zowel het gelijksoortigheidsvereiste als het waarborgvereiste van art. 3:305a BW (oud), zodat de Stichting ontvankelijk is in haar vorderingen tegen Trafigura Beheer. In cassatie wordt met rechts- en motiveringsklachten tegen onder meer deze oordelen opgekomen. De Stichting heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. 1Feiten In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 april 2020, rov. 2.1 tot en met 2.22. [1] 1.1 Trafigura Beheer is houdstervennootschap van een internationaal concern dat zich wereld- wijd bezighoudt met grondstoffen en afvalstoffen. Trafigura Limited is een van de vennoot- schappen binnen het Trafigura-concern. 1.2 In 2006 heeft Trafigura Beheer het schip de Probo Koala gecharterd. Op 2 juli 2006 is dat schip aangemeerd in de haven van Amsterdam en begonnen met het lossen van aan boord gecreëerde (afval)stoffen (‘slops’). Op 5 juli 2006 zijn de slops weer in het schip geladen en heeft het schip de haven van Amsterdam verlaten. Op 19 augustus 2006 is de Probo Koala aangemeerd in de haven van Abidjan, Ivoorkust. Daar zijn de slops overgedragen aan het lokale bedrijf Compagnie Tommy. Dat bedrijf heeft de slops gestort op verschillende locaties in en rond Abidjan. Dit heeft geleid tot claims van personenschade. 1.3 In en rond Abidjan zijn verschillende initiatieven ontplooid om de krachten te bundelen van (vermeende) slachtoffers van de stortingen (hierna: slachtoffers). Diverse organisaties zijn slachtoffers te hulp geschoten. Daarnaast hebben slachtoffers zich op lokaal niveau verenigd in nieuwe organisaties. Een deel van die organisaties heeft later erkenning en financiële on- dersteuning van de Ivoriaanse overheid gezocht en gekregen. 1.4 Op 26 september 2006 heeft [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) in Ivoorkust de vereniging Union des Victimes de Déchets Toxiques d’Abidjan et Banlieues (hierna: de Ver- eniging UVDTAB) opgericht. Hij werd voorzitter van die vereniging. 1.5 In november 2006 heeft het Engelse advocatenkantoor Leigh Day op instigatie van Green- peace een civiele procedure tegen Trafigura c.s. aanhangig gemaakt voor de Engelse rech- ter. Deze procedure is in 2009 geëindigd met een schikking tussen Trafigura c.s. en een groep van ongeveer 30.000 slachtoffers. In het kader van deze schikking heeft Trafigura c.s. in totaal ongeveer £ 30 miljoen betaald, en een bedrag aan Leigh Day als bijdrage in de kosten. 1.6 In 2007 heeft Trafigura Beheer een vaststellingsovereenkomst ten behoeve van slachtoffers gesloten met de Staat Ivoorkust. In het kader daarvan heeft Trafigura Beheer ongeveer USD 198 miljoen aan de Staat Ivoorkust betaald. 1.7 In 2008 zijn namens groepen slachtoffers procedures in Ivoorkust gevoerd tegen Trafigura Beheer, onder meer door de Ivoriaanse vereniging FENAVIDET-CI. Deze vereniging staat onder leiding van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ). 1.8 Op 16 december 2009 heeft [betrokkene 1] een ‘claim form’ uitgebracht in een procedure in Enge- land, voor zichzelf en namens 37.999 anderen, verbonden aan de Vereniging UVDTAB, FENAVIDET-CI en andere lokale verenigingen. [betrokkene 1] werd bijgestaan door de advocaat Kalilou Fadiga (hierna: Fadiga), verbonden aan het Engelse advocatenkantoor Harding Mit- chell Solicitors. Dat kantoor maakt ook gebruik van de handelsnaam Fadiga & Co. 1.9 Op 24 augustus 2010 heeft de Vereniging UVDTAB mr. Dekker opgedragen een procedure aanhangig te maken bij de rechter in Amsterdam. Mr. Dekker is verbonden aan het advoca- tenkantoor Beer Advocaten. 1.10 Op 27 juni 2011 is Stichting Union des Victimes de Déchets Toxiques d’Abidjan et Banlieues (hierna: Stichting UVDTAB) opgericht. Dit is een stichting naar Nederlands recht. 1.11 Op 12 maart 2012 is Union Nationale des Associations des Victimes des Déchets Toxiques Côte d’Ivoire (hierna: UNAVDT-CI) opgericht. Dit is een vereniging naar Ivoriaans recht. De vereniging treedt op als overkoepelende vereniging van verschillende organisaties. Bij de oprichting was een vertegenwoordiger van Fadiga & Co aanwezig. [betrokkene 2] werd gekozen tot voorzitter van UNAVDT-CI. [betrokkene 2] bleef ook voorzitter van FENAVIDET-CI, die onder UNAVDT-CI ging ressorteren. 1.12 De Stichting is op 8 juni 2012 opgericht ten behoeve van dit geding. Sinds de oprichting is [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) bestuurder van de Stichting. 1.13 Ter financiering van de onderhavige procedure heeft de Stichting in januari 2013 een finan- cieringsarrangement gesloten met professionele buitenlandse investeerders (hierna: de in- vesteerders). Op hoofdlijnen ziet het financieringsarrangement er als volgt uit. De investeerders hebben een bedrag toegezegd. Indien de vorderingen van de Stichting worden afgewezen, is de Stichting niets aan de investeerders verschuldigd. In geval van een succes- volle uitkomst van de procedure en in geval van het bereiken van een collectieve schikking hebben de investeerders recht op terugbetaling van het gefinancierde bedrag en een vergoe- ding van driemaal het gefinancierde bedrag. 1.14 In 2013 hebben veel slachtoffers op verzoek van de Stichting een ‘Acte d’Accord pour la victime’ (hierna: Acte d’Accord) ondertekend. Deze Actes d’Accord zijn ook ondertekend door Fadiga & Co, de Stichting ( [betrokkene 3] ), UNAVDT-CI ( [betrokkene 2] ) en een lokale slachtofferorgani- satie. Nadat ruim 30.000 Actes d’Accord waren ondertekend, heeft een externe partij, Pelican Worldwide, in opdracht van de investeerders onderzoek verricht naar de betrouwbaarheid van de administratie van de Actes d’Accord. 1.15 Op 16 februari 2015 heeft Stichting UVDTAB Trafigura Beheer gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. Stichting UVDTAB had inmiddels een andere advocaat in de arm genomen en werd in die procedure dus niet bijgestaan door mr. Dekker. Die procedure heeft (tot nog toe) geleid tot een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2016,[2] een arrest van het hof Amsterdam van 16 oktober 2018 [3] en een arrest van de Hoge Raad van 3 april 2020.[4] De Hoge Raad heeft het arrest van het hof van 16 oktober 2018 vernietigd en het geding teruggewezen naar het hof. 1.16 Bij de afwikkeling van de hiervoor onder 1.5 bedoelde schikking is een deel van het schik- kingsbedrag verduisterd. Hierdoor hebben meer dan 6.000 slachtoffers geen betaling ontvangen. Dit heeft geleid tot een procedure van een groep slachtoffers tegen Leigh Day voor de Engelse rechter ten overstaan van wie de schikking was getroffen. De slachtoffers werden in die procedure bijgestaan door Fadiga. Bij vonnis van 16 juni 2016 heeft de Engelse rechter geoordeeld dat Leigh Day aansprakelijk is jegens de slachtoffers wegens negligence and breach of contract. 1.17 Op 25 oktober 2016 heeft de Stichting haar statuten gewijzigd. 1.18 In het najaar van 2016 zijn [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] aangetreden als leden van de Raad van Toezicht van de Stichting. 1.19 Op 6 juli 2017 heeft de Stichting opnieuw haar statuten gewijzigd. Sinds die datum maken naast [betrokkene 3] [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7] ) en [betrokkene 8] deel uit van het bestuur van de Stichting. 1.20 Sinds de conclusie van dupliek in het incident in eerste aanleg (ingediend op 12 juli 2017) is de Stichting in deze procedure ook bijgestaan door advocaten van het kantoor Lemstra Van der Korst. 1.21 Op 5 september 2017 heeft de Stichting een brief gestuurd aan haar advocaten, UNAVDT- CI en de lokale slachtofferorganisaties. Hierin heeft de Stichting onder meer bericht dat: - de advocaten van de kantoren die in de Actes d’Accord genoemd worden, uitsluitend zullen optreden voor de Stichting en voor lead claimants die door de Stichting worden aangewezen; - UNAVDT-CI geen betalingen van of namens slachtoffers ontvangt; - de bijdrage van een slachtoffer in de kosten van een organisatie waarbij hij is aangeslo- ten, niet verschuldigd is, indien een slachtoffer die niet kan betalen; - de bijdrage van een slachtoffer in de kosten in totaal maximaal 5% bedraagt van de scha- devergoeding die het slachtoffer daadwerkelijk ontvangt; - het slachtoffer die bijdrage zal betalen aan de organisatie en niet aan de daaraan (op dat moment of eerder) verbonden persoon; - de schadevergoeding die Trafigura Beheer verschuldigd is, zal worden overgemaakt naar de derdengeldenrekening van een advocatenkantoor dat de Stichting adviseert; - de Stichting een professionele claims administrator zal aanstellen, die verantwoordelijk zal zijn voor de toekenning en de uitbetaling van de schadevergoeding aan de slachtof- fers; en - de Stichting een accountant zal inschakelen om de claims administrator te controleren. 1.22 Bij e-mailbericht van 18 juni 2019 heeft [betrokkene 7] aan [betrokkene 2] bericht dat de Stichting de banden verbreekt met UNAVDT-CI en de daaraan verbonden lokale slachtofferorganisaties. 2Procesverloop 2.1 Bij inleidende dagvaarding van 11 januari 2016 is Trafigura c.s. door de Stichting gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. De Stichting is daarbij primair opgetreden in haar hoedanig- heid als rechtspersoon als bedoeld in art. 3:305a BW (oud) [5] en subsidiair als vertegenwoor- diger dan wel gemachtigde van de leden van UNAVDT-CI, de leden van de Raad van Aangeslotenen van de Stichting en personen die de Stichting hebben gemachtigd om voor hen in rechte op te treden. De Stichting heeft verschillende verklaringen voor recht gevorderd alsmede hoofdelijke veroordeling van Trafigura c.s. tot het op straffe van een dwangsom en op kosten van Trafigura c.s. openbaar (laten) maken van het in deze procedure te wijzen vonnis, met hoofdelijke veroordeling van Trafigura c.s. in de kosten van de procedure. De Stichting heeft haar vorderingen nadien meermaals gewijzigd, laatstelijk bij memorie van grie- ven (zie daarvoor onder 2.13). 2.2 De advocaat van Trafigura c.s. heeft de rechtbank op 5 april 2016 verzocht een regiezitting te houden. Bij brief van 3 mei 2016 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen en partijen onder meer bericht dat om redenen van proceseconomie eerst zullen worden behandeld de preliminaire verweren en incidenten waarop kan/moet worden beslist voordat aan een inhou- delijke behandeling van de zaak wordt toegekomen, waaronder (
- i)de (on)bevoegdheid van de Nederlandse rechter, (
- ii)de zekerheidsstelling voor de proceskosten, (iii) het toepasselijke recht, en (
- iv)de ontvankelijkheid van de Stichting. 2.3 Trafigura c.s. heeft vervolgens een (incidentele) conclusie houdende preliminaire verweren genomen en geconcludeerd dat de rechtbank, voor zover de wet het toelaat bij vonnis uit- voerbaar bij voorraad: (
- i)bepaalt dat de Stichting op de voet van art. 224 Rv zekerheid stelt voor de proces- kosten van Trafigura c.s.; en (
- ii)zich onbevoegd verklaart om van de door de Stichting ingestelde vorderingen kennis te nemen; en/althans (iii) verklaart dat de Stichting niet ontvankelijk is in haar vorderingen althans de vorderin- gen afwijst; en (
- iv)de Stichting veroordeelt in de kosten van het geding en de nakosten. Daarnaast heeft Trafigura c.s. een exhibitievordering op de voet van art. 843a Rv ingesteld en heeft zij voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en de Stichting ontvankelijk zou zijn in haar vorderingen, de rechtbank verzocht om tussentijds hoger beroep toe te staan. 2.4 Trafigura c.s. heeft aan deze incidentele vorderingen – voor zover in cassatie van belang – het volgende ten grondslag gelegd. [6] Ter onderbouwing van de onder (
- ii)weergegeven vor- dering heeft Trafigura c.s. aangevoerd dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt ten aanzien van de vorderingen tegen Trafigura Limited, omdat niet aan de vereisten van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis [7] is voldaan om Trafigura Limited (gevestigd in Londen) tezamen met Trafigura Beheer als Nederlandse ‘ankergedaagde’, te kunnen dagvaarden voor de Nederlandse rechter. [8] In het kader van de onder (iii) weergeven vordering heeft Trafi- gura c.s. zich op het standpunt gesteld dat de Stichting niet ontvankelijk moet worden ver- klaard waar zij uit hoofde van art. 3:305a BW (oud) optreedt. Volgens Trafigura c.s. kan de Stichting zich niet op art. 3:305a BW (oud) beroepen, nu het op de ingestelde vorderingen toepasselijke Ivoriaanse recht geen met art. 3:305a BW (oud) vergelijkbare bepaling kent. In het geval dat de Stichting haar vorderingen wel op grond van art. 3:305a BW (oud) zou kun- nen instellen, staat volgens Trafigura c.s. aan ontvankelijkheid in de weg dat niet is voldaan aan het waarborgvereiste en het gelijksoortigheidsvereiste van art. 3:305a BW (oud) en dat het petitum naar zowel Ivoriaans als Nederlands recht niet toewijsbaar is. [9] 2.5 De Stichting heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd in het incident. 2.6 Bij brief van 20 december 2016 heeft de rechtbank, na een daartoe strekkend gezamenlijk verzoek van partijen, een nadere schriftelijke ronde toegestaan. Trafigura c.s. heeft daarop een incidentele conclusie van dupliek [10] genomen, waarna de Stichting een conclusie van dupliek in incident heeft ingediend. 2.7 Op 27 september 2017 heeft in het incident een comparitie van partijen plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten, mede aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. [11] 2.8 Bij vonnis in incidenten van 18 april 2018 [12] heeft de rechtbank zich in de procedure tegen Trafigura Limited onbevoegd verklaard van het geschil kennis te nemen. In de procedure tegen Trafigura Beheer heeft de rechtbank de Stichting in beide hoedanigheden niet-ontvan- kelijk verklaard in haar vorderingen. De Stichting is veroordeeld in de proceskosten en de nakosten, en het vonnis is voor wat de kostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde is door de rechtbank afgewezen. 2.9 Voor zover in cassatie van belang heeft de rechtbank hiertoe, kort samengevat, het volgende overwogen. De rechtbank beoordeelt eerst of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Voor de tegen Trafigura Beheer ingestelde vorderingen luidt het antwoord op deze vraag bevestigend (rov. 4.1-4.6). Volgens de rechtbank is de Nederlandse rechter echter niet be- voegd kennis te nemen van de vorderingen tegen Trafigura Limited. Daartoe overweegt de rechtbank dat voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis onvoldoende is dat een eiser (hier: de Stichting) slechts stelt – en niet nader feitelijk onderbouwt – dat de medegedaagde (Trafigura Limited) en de ankergedaagde (Trafi- gura Beheer) gezamenlijk hoofdelijk aansprakelijk zijn (rov. 4.7-4.12). 2.10 Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de Stichting in haar hoedanigheid van rechtspersoon als bedoeld in art. 3:305a BW (oud) ontvankelijk is in haar vorderingen tegen Trafigura Be- heer. Deze vraag moet volgens de rechtbank naar Nederlands recht worden beantwoord, waarbij niet relevant is dat de door de Stichting ingestelde vorderingen inhoudelijk worden beheerst door Ivoriaans recht, en evenmin of de Stichting naar Ivoriaans (proces)recht be- voegd is om in rechte op te treden (rov. 4.17). Tegen deze achtergrond toetst de rechtbank vervolgens of is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste en het waarborgvereiste van art. 3:305a BW (oud). De rechtbank is van oordeel dat aan het eerste vereiste is voldaan (rov. 4.18), maar niet aan het tweede vereiste (rov. 4.19-4.51). Volgens de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat de betrokken achterban van de Stichting uiteindelijk voldoende baat zal hebben bij de collectieve actie van de Stichting indien het gevorderde zal worden toege- wezen, zodat de belangen van de achterban van de Stichting in zoverre onvoldoende zijn gewaarborgd. Niet alleen het bepaalde in art. 3:305a lid 2 BW (oud), maar ook de eisen van een goede procesorde brengen onder die omstandigheden mee dat de Stichting niet-ontvan- kelijk moet worden verklaard in haar hoedanigheid als 305a-organisatie, aldus de rechtbank (rov. 4.51). 2.11 Bij appeldagvaarding van 13 juli 2018 heeft de Stichting hoger beroep ingesteld tegen het vonnis bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof). 2.12 Op 29 april 2019 is een regiecomparitie gehouden. Uit het proces-verbaal dat van deze com- paritie is opgemaakt, blijkt dat het hof met partijen heeft afgesproken dat de procedure in twee delen zal worden gesplitst. Het hof zal zich eerst buigen over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de ontvankelijkheid van de Stichting in haar vorderingen respectie- velijk de ontvankelijkheidsverweren (eerste fase), waarna in voorkomend geval het debat op de overige punten zal worden gevoerd (tweede fase). Tegen deze achtergrond zijn met par- tijen een aantal praktische afspraken gemaakt.[13] 2.13 De Stichting heeft vervolgens op 9 juli 2019 een memorie van grieven genomen, waarin zij het vonnis van de rechtbank met 21 grieven bestrijdt. Daarbij heeft de Stichting haar (tweede) hoedanigheid van vertegenwoordiger dan wel gemachtigde prijsgegeven, zodat zij in hoger beroep enkel nog procedeert in haar (eerste) hoedanigheid van 305a-rechtspersoon (vgl. onder 2.1).[14] Tevens heeft de Stichting haar eis (opnieuw) gewijzigd en gevorderd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende (samengevat weergegeven): 1) a. voor recht verklaart dat Trafigura Beheer en/of Trafigura Limited naar Ivoriaans en/of Nederlands recht hoofdelijk risicoaansprakelijk is/zijn jegens personen die schade aan hun gezondheid en/of vermogen hebben geleden, lijden of zullen lijden, welke schade niet of niet volledig is vergoed, doordat door toedoen, opdracht, onder verantwoordelijk- heid, en/of door nalatigheid van Trafigura Beheer en/of Trafigura Limited van het schip Probo Koala afkomstige afvalstoffen vanaf 19 augustus 2006 terecht zijn gekomen in het milieu in en rond Abidjan (Ivoorkust); of, indien het hof gevorderde onder 1a niet kan toewijzen: b. voor recht verklaart dat Trafigura Beheer en/of Trafigura Limited naar Ivoriaans en/of Nederlands recht onrechtmatig heeft/hebben gehandeld jegens personen die schade aan hun gezondheid en/of vermogen hebben geleden, lijden of zullen lijden, welke schade niet of niet volledig is vergoed, doordat door toedoen, opdracht, onder verantwoordelijk- heid, en/of door nalatigheid van Trafigura Beheer en/of Trafigura Limited van het schip Probo Koala afkomstige afvalstoffen vanaf 19 augustus 2006 terecht zijn gekomen in het milieu in en rond Abidjan (Ivoorkust); of, indien het hof het gevorderde onder 1b niet kan toewijzen: c. voor recht verklaart dat Trafigura Beheer en/of Trafigura Limited naar Ivoriaans en/of Nederlands recht onrechtmatig hebben/heeft gehandeld doordat door toedoen, opdracht, onder verantwoordelijkheid, en/of door nalatigheid van Trafigura Beheer en/of Trafigura Limited van het schip Probo Koala afkomstige afvalstoffen vanaf 19 augustus 2006 te- recht zijn gekomen in het milieu in en rond Abidjan (Ivoorkust); of, indien het hof het gevorderde onder 1c niet kan toewijzen: d. Trafigura Beheer en/of Trafigura Limited hoofdelijk veroordeelt tot schadevergoeding in natura, nader op te maken bij staat, aan alle personen die schade aan hun gezondheid en/of vermogen hebben geleden, lijden of zullen lijden, welke schade niet volledig is ver- goed, doordat door toedoen, opdracht, onder verantwoordelijkheid, en/of nalatigheid van Trafigura Beheer en/of Trafigura Limited, van het schip Probo Koala afkomstige afvalstof- fen vanaf 19 augustus 2006 terecht zijn gekomen in het milieu in en rond Abidjan (Ivoor- kust); en 2) voor recht verklaart dat blootstelling aan de Probo Koala-afvalstoffen vanaf 19 augustus 2006 in Abidjan (Ivoorkust) kan hebben geleid tot (
- i)een of meer ziekteverschijnselen genoemd in hoofdstukken 4g en 7 van de inleidende dagvaarding; en/of (
- ii)zuivere ver- mogensschade als bedoeld in paragraaf 8.3 van de inleidende dagvaarding, welke schade niet of niet volledig is vergoed; 3) Trafigura c.s. hoofdelijk veroordeelt tot het openbaar maken of laten maken van het door het hof in deze procedure te wijzen arrest door publicatie daarvan op de voorpagina van de Fraternité Matin, althans op een door het hof te bepalen wijze, op kosten van Trafigura c.s. en op straffe van een dwangsom; 4) Trafigura c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de gemaakte kosten ex art. 6:96 lid 2 BW, nader op te maken bij staat; 5) Trafigura c.s. hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten. 2.14 Trafigura c.s. heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd en, voor zover in cassatie van belang, onder aanvoering van 9 grieven incidenteel appel ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank dat is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste van art. 3:305a lid 1 BW (oud). In zowel het incidenteel als het principaal appel heeft Trafigura c.s. geconcludeerd tot bekrach- tiging van het bestreden vonnis, met verbetering van gronden, en tot veroordeling van de Stichting in de kosten van het principaal en het incidenteel appel. 2.15 De Stichting heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel verweer gevoerd in het in- cidenteel appel van Trafigura c.s. 2.16 Partijen hebben hun zaak ter zitting van 23 januari 2020 doen bepleiten, mede aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen.[15] 2.17 Bij tussenarrest van 14 april 2020,[16] hersteld bij arrest van 28 april 2020,[17] heeft het hof het bestreden vonnis vernietigd en de Nederlandse rechter bevoegd verklaard van de vorderin- gen van de Stichting kennis te nemen. Het hof heeft het geding, voor zover het de vorderingen tegen Trafigura Limited betreft, teruggewezen naar de rechtbank en, voor zover het de vor- deringen tegen Trafigura Beheer betreft, verwezen naar de rol voor memorie van grieven van de Stichting (tweede fase). Daarnaast heeft het hof bepaald dat tussentijds cassatieberoep tegen het arrest kan worden ingesteld. Iedere verdere beslissing is aangehouden. 2.18 Het hof bespreekt eerst of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen Trafigura c.s. Waar het de vorderingen tegen Trafigura Beheer betreft, verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank dat de Nederlandse rechter bevoegd is (rov. 3.7). Het hof komt vervolgens, anders dan de rechtbank, tot het oordeel dat op de voet van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis ook rechtsmacht bestaat ten aanzien van de vorderingen tegen Trafigura Limited (rov. 3.10-3.12). Nu het bevoegdheidsoordeel van de rechtbank met betrekking tot Trafigura Limited dus niet in stand kan blijven, overweegt het hof dat het op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad verplicht is de zaak tegen Trafi- gura Limited te verwijzen naar de rechtbank. De zaak tegen Trafigura Beheer houdt het hof aan zich. Het hof signaleert dat dit tot gevolg heeft dat de zaak tegen Trafigura Limited niet gelijktijdig met de zaak tegen Trafigura Beheer zal worden behandeld en berecht als bedoeld in art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis. Dit staat volgens het hof niet aan zijn rechtsmacht- oordeel in de weg, nu deze omstandigheid de Stichting – die steeds gelijktijdige behandeling en berechting heeft bepleit en bevorderd – niet kan worden tegengeworpen (rov. 3.13-3.15; zie ook rov. 3.46). 2.19 Vervolgens beoordeelt het hof de ontvankelijkheid van de Stichting. Het hof volgt Trafigura c.s. niet in haar betoog dat de omstandigheid dat het Ivoriaanse materiële recht niet de re- medie kent dat aansprakelijkheid wordt vastgesteld bij verklaring voor recht, in de weg staat aan de ontvankelijkheid van de Stichting in haar vorderingen voor zover die strekken tot een verklaring voor recht (rov. 3.16-3.18). Het hof onderzoekt vervolgens achtereenvolgens of aan het gelijksoortigheidsvereiste en het waarborgvereiste van art. 3:305a BW (oud) is vol- daan. Deze vraag wordt, na een weging van de feiten en omstandigheden van het geval, voor beide vereisten bevestigend beantwoord (rov. 3.19-3.26 respectievelijk rov. 3.27-3.43). 2.20 Trafigura c.s. heeft tijdig [18] tussentijds cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 14 april 2020. De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het principaal cassa- tieberoep en tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Trafigura c.s. heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. Trafigura c.s. heeft haar standpunt schriftelijk doen toelichten, mede door mr. E.J. Teijgeler. De Stichting heeft afgezien van een schriftelijke toelichting. Zij heeft ook niet gedupliceerd. 3Onderdeel 1: bevoegdheids- en verwijzingsoordeel 3.1 Onderdeel 1 richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.12, 3.15 en 3.46. Dit oordeel houdt het volgende in. Volgens het hof is de Nederlandse rechter op de voet van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen Trafigura Limited (rov. 3.12). Na te hebben geoordeeld dat de zaak tegen Trafigura Limited dient te worden verwezen naar de rechtbank (rov. 3.14), welk oordeel in cassatie niet wordt bestre- den, overweegt het hof vervolgens dat het de zaak tegen Trafigura Beheer aan zich houdt (rov. 3.15): “3.15 Zoals hierna zal blijken (rov. 3.46), zal het hof de zaak aan zich (moeten) houden, voor zover die de vorderingen tegen Trafigura Beheer betreft. Dit betekent dat de zaak tegen Trafigura Limited niet gelijktijdig met de zaak tegen Trafigura Beheer zal worden behandeld en berecht als bedoeld in art. 8 sub 1 Verordening Brussel I-bis. Dat kan echter niet aan de Stichting worden tegengeworpen. De Stichting heeft immers steeds gelijktijdige behandeling en berechting bepleit en bevorderd. Daarom is dat geen reden om over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter anders te oordelen dan hiervoor is gedaan.” Rov. 3.46, waarnaar het hof in rov. 3.15 verwijst, houdt onder meer het volgende in: “3.46 (…). De rechtbank heeft de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tegen Trafigura Beheer op de grond dat art. 3:305a lid 2 laatste zin (oud) BW en de eisen van een goede procesorde die beslissing meebrengen. De eerste fase van het hoger beroep leidt er niet toe dat de Stichting niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Bij die stand van zaken kan het hof de zaak, voor zover het de vorderingen tegen Trafigura Beheer betreft, niet terugverwijzen naar de rechtbank, maar is het verplicht de zaak in zoverre aan zich te houden.” 3.2 De eerste twee subonderdelen van het onderdeel lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 3.3 Subonderdeel 1.1 klaagt dat deze oordelen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof zou hebben miskend dat voor de toepassing van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis irrelevant is of een claimant ‘schuld’ heeft aan de ongelijktijdige behandeling en/of dat geen plaats is voor de toepassing van deze bepaling indien (al duidelijk is dat) geen gelijktijdige behandeling plaatsvindt (eerste klacht). Althans, zo stelt het subonderdeel, heeft het hof miskend dat het de zaken tegen Trafigura Beheer en Trafigura Limited gelijktijdig had moeten (laten) behandelen, door ook de zaak tegen Trafigura Beheer terug te wijzen (tweede klacht). 3.4 Subonderdeel 1.2 werpt een motiveringsklacht op voor het geval het hof het voorgaande niet heeft miskend. Volgens de klacht had het hof nader moeten motiveren (
- i)waarom betekenis toekomt aan de omstandigheid dat de Stichting op dit punt niets kan worden tegengeworpen, (
- ii)waarom bevoegdheid kan worden aangenomen op basis van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis ondanks dat geen sprake is van gelijktijdige behandeling en (iii) waarom het hof de zaak tegen Trafigura Beheer toch aan zich zou kunnen/moeten houden. 3.5 Subonderdeel 1.1 komt er in de kern op neer dat het hof geen rechtsmacht had mogen aan- nemen op grond van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis dan wel, indien art. 8 onder 1 toch toepassing kan vinden, óók de zaak tegen Trafigura Beheer terug had moeten wijzen.[19] De klachten gaan dus over de uitleg van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis en het verbod van terugwijzing in het Nederlandse procesrecht. Voordat ik de klachten behandel, bespreek ik eerst het juridisch kader van deze onderwerpen. Art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis 3.6 De Verordening Brussel I-bis [20] voorziet voor burgerlijke en handelszaken in een regeling in- zake de internationale bevoegdheid van de rechter en in een regeling inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van uit andere lidstaten afkomstige rechterlijke beslissingen, authen- tieke akten en gerechtelijke schikkingen. De verordening geldt voor alle lidstaten van de Europese Unie (EU), waarbij Denemarken een bijzonder positie inneemt.[21] 3.7 Gelet op het feit dat Trafigura Limited, samen met Trafigura Beheer de verwerende partij in eerste aanleg, is gevestigd in Londen (althans in feitelijke instanties en op het moment van het instellen van het cassatieberoep),[22] verdient in dit verband aandacht dat het Verenigd Koninkrijk op 31 januari 2020 de EU heeft verlaten. In het Terugtrekkingsakkoord tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk [23] was voorzien in een overgangsperiode, waarin het Verenigd Koninkrijk in beginsel gebonden bleef aan alle Europese regelgeving. Deze overgangsperiode liep op 31 december 2020 ten einde.[24] Art. 67 lid 1, onder a Terugtrek- kingsakkoord bepaalt echter dat de bevoegdheidsregels van de Verordening Brussel I-bis in het Verenigd Koninkrijk alsook in de EU-lidstaten in situaties waarbij het Verenigd Koninkrijk is betrokken, van toepassing zijn op (onder meer) gerechtelijke procedures die voor het einde van de overgangsperiode zijn ingeleid.[25] 3.8 Voor de onderhavige zaak betekent dit dat de bevoegdheidsregels van de Verordening Brussel I-bis (zijn blijven) gelden, nu de door de Stichting uitgebrachte inleidende dagvaarding dateert van 11 januari 2016. 3.9 De hoofdregel van de bevoegdheidsregeling van de Verordening Brussel I-bis wordt gegeven door art. 4: bevoegd om kennis te nemen van het geschil is de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft (forum rei). Art. 4 wijst daarbij alleen de internationaal bevoegde rechter aan (‘verweerder wordt opgeroepen voor “de ge- rechten” van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft’). De beantwoording van de vraag welke rechter binnen de betreffende lidstaat vervolgens relatief bevoegd is, wordt door de verordening aan het nationale procesrecht overgelaten.[26] 3.10 Art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis bevat een bijzondere bevoegdheidsregel voor geval- len waarin sprake is van meerdere verweerders uit verschillende lidstaten.[27] De bepaling luidt als volgt: “Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen: 1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen tegen de verschillende verweerders een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berech- ting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslis- singen worden gegeven” Hiermee heeft de eiser op grond van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis de mogelijkheid om, te zijner keuze, alle verweerders – die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat [28] – op te roepen voor het gerecht van de woonplaats van één van de verweerders (de zogenoemde ‘ankergedaagde’). Art. 8 onder 1 heeft daarbij een alternatief karakter ten opzichte van de hoofdregel van art. 4 van de verordening: de eiser kan kiezen of hij de verweerders (afzonderlijk) oproept voor de krachtens art. 4 bevoegde rechter dan wel (geza- menlijk) voor de krachtens art. 8 onder 1 bevoegde rechter.[29] 3.11 Uit het toelichtende rapport van P. Jenard bij het oorspronkelijke EEX-Verdrag van 27 sep- tember 1968 (hierna: het rapport Jenard) volgt dat de bevoegdheidsregel van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis (destijds neergelegd in art. 6 onder 1 EEX-Verdrag[30]) is opgeno- men “omdat daardoor vermeden kan worden dat in de verdragsluitende landen onderling onverenigbare beslissingen worden gewezen”.[31] Het HvJEU heeft het doel van deze be- voegdheidsregel in latere rechtspraak aldus verwoord, dat de regel ertoe strekt een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende processen zo veel mogelijk te beperken en dus te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.[32] 3.12 Voorwaarde voor toepassing van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis is dat er tussen de vorderingen tegen de verschillende verweerders een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Deze voorwaarde is door het HvJEU geformuleerd in het Kalfelis-arrest, dat is gewezen onder de vigeur van art. 6 onder 1 EEX-Verdrag.[33] Tegen de achtergrond van het vermelde in het rapport Jenard, overwoog het HvJEU in dat arrest als volgt (punten 8-13):[34] “8 Opgemerkt zij, dat het Executieverdrag uitgaat van het beginsel dat de gerechten van de Staat van de woonplaats van de verweerder bevoegd zijn en dat de in artikel 6, sub 1, voorziene be- voegdheid daarop een uitzondering vormt. Bijgevolg moet een dergelijke uitzondering aldus wor- den uitgelegd, dat het beginsel zelf daardoor niet op losse schroeven komt te staan. 9 Dat zou nochtans het geval kunnen zijn, indien een verzoeker de mogelijkheid had een vorde- ring tegen verschillende verweerders in te stellen met het enkele doel een van die verweerders af te trekken van de rechter van het land waar hij zijn woonplaats heeft. Volgens het rapport van het comité van deskundigen dat het Executieverdrag heeft opgesteld (PB 1979, C 59, blz. 1), moet die mogelijkheid worden uitgesloten. Derhalve is vereist dat er een band bestaat tussen de tegen elk van de verweerders ingestelde vorderingen. 10 Om de gelijkheid en de eenvormigheid van de rechten en verplichtingen die voor de verdrag- sluitende staten en de belanghebbende personen uit het Executieverdrag voortvloeien, zoveel mogelijk te verzekeren, moet de aard van die band verdragsautonoom worden uitgelegd. 11 In dit verband zij erop gewezen, dat in genoemd rapport uitdrukkelijk wordt verklaard dat artikel 6, sub 1, is ingegeven door de wens te vermijden „dat in de verdragsluitende landen on- derling onverenigbare beslissingen worden gewezen”. Die zelfde bekommernis komt overigens tot uiting in artikel 22 van het Executieverdrag zelf; dit artikel regelt het geval van samenhan- gende vorderingen die bij gerechten van verschillende verdragsluitende Staten zijn aangebracht. 12 Artikel 6, sub 1, is derhalve van toepassing, wanneer tussen de tegen verschillende verweer- ders ingestelde vorderingen een verband bestaat op het tijdstip waarop zij worden aangebracht, dat wil zeggen, wanneer een goede rechtsbedeling vraagt om haar gelijktijdige behandeling en berechting, ten einde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare uitspraken wor- den gegeven. Het staat aan de nationale rechter, in elk concreet geval te onderzoeken of aan die voorwaarde is voldaan. 13 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat voor de toepassing van art. 6 sub 1 EEX tussen de verschillende rechtsvorderingen die door een zelfde verzoeker tegen verschil- lende verweerders zijn ingesteld, een zodanig verband moet bestaan, dat het van belang is ze tezamen te berechten, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken on- verenigbare uitspraken worden gegeven.” De voorwaarde voor toepassing van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis is door het HvJEU nadien in verschillende uitspraken van een nadere uitwerking voorzien.[35] 3.13 Anders dan de hoofdregel van art. 4 Verordening Brussel I-bis bepaalt art. 8 onder 1 niet alleen de internationale bevoegdheid, maar wijst het ook de relatief bevoegde rechter in een lidstaat aan, namelijk “het gerecht van de woonplaats” van een van de verweerders (de ankergedaagde). Aan de relatieve bevoegdheidsregels van het nationale procesrecht komt bij toepassing van deze bepaling derhalve geen betekenis toe.[36] In het rapport Jenard wordt de keuze voor deze – wat Strikwerda en Schaafsma noemen [37] – ‘dubbelfunctie’ van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis als volgt toegelicht:[38] “Een van de op dit punt aan de orde gestelde problemen bestond in de vraag of de verweerder altijd kan worden gedagvaard voor een van de in dit artikel genoemde fora dan wel of dat slechts mogelijk was voor zover de bevoegdheid eveneens door de nationale wet van de betrokken staat wordt bepaald. Met andere woorden, zou in het eerste geval de bevoegdheid rechtstreeks uit het Verdrag voortvloeien en zou in het tweede geval een cumulatie van bevoegdheden nodig zijn, namelijk die van het Verdrag en die van de interne wetgeving? Zou bij voorbeeld, nu de Nederlandse wettelijke bepalingen omtrent de bevoegdheid niet de rechter kennen van de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, de eiser niettemin in Nederland de verweerder voor een zodanig forum kunnen dagvaarden? Zou voorts Nederland eventueel zijn interne wetgeving moeten aanpassen om de bevoegdheid van dit forum te vestigen? Door „bijzondere” bevoegdheidsregels te kiezen, dat wil zeggen door rechtstreeks de bevoegde rechter aan te wijzen zonder verwijzing naar de bevoegdheidsregels welke in het land, waar een dergelijk gerecht gelegen zou kunnen zijn, van kracht zijn, heeft het Comité ernaar gestreefd een antwoord op deze vragen te geven in deze zin dat de eiser de verweerder altijd zou kunnen dagvaarden, voor een van de aangewezen fora, zonder dat daarbij de interne wetgeving van het betrokken land in aanmerking hoeft te worden genomen. Daarenboven heeft het Comité door de opstelling van dergelijke regels getracht de werking van het Verdrag te vergemakkelijken. Bij de ratificatie behoeven de verdragsluitende landen geen verdere maatregelen meer te nemen om hun interne wetgeving eventueel aan de verschillende in de artikelen 5 en 6 neergelegde criteria aan te passen. Het Verdrag wijst rechtstreeks en onmiddellijk de bevoegde rechter aan. Het kiezen van „bijzondere” bevoegdheidsregels is bovendien om andere redenen gemotiveerd, namelijk omdat er een rechtstreeks aanknopingspunt bestaat tussen het geschil en de rechter die daarvan kennismoet nemen. (…).” 3.14 De bevoegdheidsregel van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis moet volgens vaste recht- spraak van het HvJEU eng worden uitgelegd, omdat met de regel wordt afgeweken van de in art. 4 van de verordening neergelegde “beginselbevoegdheid van de rechter van de woon- plaats van de verweerder”. De uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in de verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen.[39] Voorts geldt dat art. 8 onder 1 autonoom moet worden uitgelegd aan de hand van het stelsel en de doelstellingen van de verordening.[40] Verbod van terugverwijzing 3.15 In het Nederlandse procesrecht is op grond van vaste rechtspraak uitgangspunt dat de ap- pelrechter na vernietiging van een eindvonnis of een eindbeschikking de zaak niet mag terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg, maar de zaak aan zich moet houden en zelf moet afdoen.[41] Dit verbod van terugverwijzing kan worden beschouwd als een uitvloeisel van de devolutieve werking van het appel.[42] De devolutieve werking van het appel houdt in dat door het hoger beroep tegen een einduitspraak in beginsel de gehele zaak, zoals zij voor de eerste rechter diende, naar de hogere rechter wordt overgebracht ter beslissing. De hogere rechter mag zich niet deels aan deze hem opgedragen taak onttrekken door een gedeelte van de beslissing van het aan zijn oordeel onderworpene over te laten aan de rechter die zijn oordeel over de zaak reeds heeft gegeven.[43] Het verbod geldt ook als partijen zelf om terugwijzing vragen.[44] 3.16 In het arrest De Open Ankh [45] heeft de Hoge Raad een uitzondering aangenomen op het verbod van terugverwijzing in het geval waarin de appelrechter een uitspraak van de rechter in eerste aanleg vernietigt waarbij deze zich onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen, (
- i)hetzij wegens ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, (
- ii)hetzij op grond van het bepaalde in art. 1022 Rv (het bestaan van een arbitrageovereenkomst), (iii) hetzij uit hoofde van het onderwerp van het geschil. In deze uitzonderingsgevallen dient de appelrechter de zaak wél terug te wijzen naar de rechter in eerste aanleg, tenzij beide partijen afdoening door de appelrechter wensen, zo voegde de Hoge Raad in het kort nadien gewezen arrest Meulen/Keijsers toe.[46] Weliswaar onderkent de Hoge Raad dat toe- passing van het verbod van terugverwijzing meebrengt dat in een aantal gevallen een substantieel gedeelte van het geschil tussen partijen slechts in één feitelijke instantie zal worden berecht, “doch nu die gevallen zich niet met behulp van een duidelijk en in de praktijk eenvoudig te hanteren criterium laten onderscheiden, dient voormelde regel steeds toepassing te vinden”, zo is in het arrest De Open Ankh overwogen. 3.17 In lijn met het arrest Meulen/Keijsers [47] bepaalt sinds 2002 art. 76 Rv dat indien de appelrechter een vonnis of beschikking van de lagere rechter, waarbij deze zich onbevoegd had verklaard wegens het ontbreken van rechtsmacht of in verband met een overeenkomst tot arbitrage, vernietigt, de rechter de zaak naar deze lagere rechter verwijst, tenzij partijen verklaren te verlangen dat de appelrechter de zaak aan zich houdt. Art. 76 Rv bevat dus een tweetal uitzonderingen op de hoofdregel van het verbod van terugverwijzing en voegt daar- aan toe dat partijen zelf om afdoening door de appelrechter kunnen vragen. 3.18 Aanvankelijk heeft de Hoge Raad strikt de hand gehouden aan de beperkte uitzonderingen op het verbod van terugverwijzing, ondanks dat er herhaaldelijk is bepleit om in meer gevallen terug te verwijzen. Zo verdedigde A-G Vranken dat de appelrechter, gelet op het belang van rechtspraak in twee feitelijke instanties, in beginsel zou moeten terugverwijzen wanneer hij beslist tot vernietiging van een einduitspraak die uitsluitend een niet-ontvankelijkheid in- houdt.48 Eisen van proceseconomie, concentratie van behandeling en de wenselijkheid om de zaak qua beslissing bij elkaar te houden als rationes van het terugwijzingsverbod spelen geen rol in deze gevallen, waarin de eerste rechter zich in het geheel nog niet heeft uitgesp- roken over het materiële geschil, aldus Vranken. De Hoge Raad is hier echter niet in meege- gaan. Ook het voorstel van A-G Wesseling-Van Gent om het verbod te doorbreken als sprake is van schending van een zo fundamenteel beginsel dat van een eerlijke en onpartijdige be- handeling niet meer kan worden gesproken (bijvoorbeeld schending van het beginsel van hoor en wederhoor), heeft de Hoge Raad niet gevolgd. [49] 3.19 Wel is in het arrest AB&P c.s./AXA uit 2009 een nadere uitzondering op het terugwijzingsver- bod aangenomen, namelijk voor het geval “in eerste aanleg ten onrechte ontslag van instantie is verleend en waarin dus de rechter op louter processuele gronden eveneens niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak tussen de betrokken partijen is toegekomen”.[50] Deze uitzondering beperkt zich dus tot een zeer specifieke situatie: de eerste rechter heeft ten onrechte ontslag van instantie verleend. 3.20 In de literatuur werd wel aangenomen dat het arrest AB&P c.s./AXA zo moest worden uitge- legd, dat het verbod van terugverwijzing níet geldt in alle gevallen waarin de rechter in eerste aanleg op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak is toegekomen.[51] Daarmee zou de Hoge Raad de reikwijdte het verbod van terugverwijzing hebben willen relativeren. 3.21 Uit latere rechtspraak blijkt echter dat het arrest niet zo moet worden begrepen. Zo was in twee arresten van 17 januari 2014 de kwestie van de reikwijdte van het terugwijzingsverbod opnieuw aan de orde. In de eerste zaak [52] werd de reeds in staat van faillissement verklaarde verzoeker in eerste aanleg niet-ontvankelijk geacht in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, omdat dit verzoek volgens de rechtbank niet kon worden aange- merkt als een verzoek ex art. 15b Fw. In de tweede zaak [53] had de rechtbank een verzoek tot omzetting van het faillissement in de wettelijke schuldsanering afgewezen vanwege een aan verzoeker toerekenbare termijnoverschrijding. In beide zaken hield het betrokken hof de zaak in hoger beroep aan zich, de gegrondheid van de niet-ontvankelijkheid daarbij in het midden latend. In beide zaken werd in cassatie onder meer geklaagd dat het hof de zaak niet aan zich had mogen houden, maar had moeten terugverwijzen naar de rechtbank. Volgens A-G Timmerman was in beide gevallen sprake van een niet-ontvankelijkverklaring ‘op processuele gronden’, die is te scharen onder de uitzonderingsregel van AB&P c.s./AXA. De Hoge Raad oordeelde echter in beide zaken dat het hof de zaak aan zich diende te houden. De overwe- gingen uit het arrest AB&P c.s./AXA worden herhaald, waarna overwogen wordt dat zich geen van de daar genoemde uitzonderingen voordoet. [54] 3.22 Ook in een arrest van 27 november 2015 heeft de Hoge Raad niet willen tornen aan het verbod van terugverwijzing.[55] Verzoeker in deze zaak was in eerste aanleg door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot omzetting van het faillissement in de wettelijke schuldsanering, omdat er geen sprake was van het in art. 15b lid 1 Fw bedoelde geval van verontschuldigbare termijnoverschrijding. In hoger beroep oordeelde het hof dat er geen reden was voor een uitzondering op het terugwijzingsverbod. Ook hier betoogde A-G Timmer- man dat in deze zaak een uitzondering zou moeten worden aangenomen op het verbod van terugverwijzing en dat de rechtspraak van de Hoge Raad daartoe ook de mogelijkheid biedt, nu de rechtbank op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak is toegekomen.[56] De Hoge Raad casseert echter niet en verwerpt het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO, onder verwijzing naar de twee arresten van 17 januari 2014. 3.23 Een nadere uitzondering op het terugwijzingsverbod is wél aangenomen in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 13 april 2018, namelijk voor het geval de appelrechter een eindvonnis vernietigt omdat het (mede) is gewezen door een daartoe niet meer bevoegde rechter. Dit geval dient volgens de Hoge Raad op één lijn te worden gesteld met de eerder aanvaarde uitzonderingen. De Hoge Raad, die met dit oordeel afwijkt van de conclusie van plv. P-G Langemeijer, overwoog het volgende:[57] “3.5.2 (…). De appelrechter mag de zaak wel terugwijzen indien de rechter in eerste aanleg op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak is toegekomen, hetgeen aan de orde is wanneer de rechter in eerste aanleg zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen of ten onrechte ontslag van de instantie heeft verleend. (Zie bijv. HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0857, NJ 2010/581 en HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:97, NJ 2015/68.) 3.5.3 In een geval als het onderhavige, waarin de appelrechter heeft vastgesteld dat het eind- vonnis vernietigd moet worden omdat het (mede) is gewezen door een daartoe niet meer bevoegde rechter, is er – achteraf bezien – in eerste aanleg geen rechtsgeldig eindoordeel gegeven. Dat brengt mee dat de zaak in zoverre opnieuw moet worden behandeld (vgl. de zaak Meavita, rov. 3.4). In dat geval kan niet worden gezegd dat de appelrechter zich aan zijn taak zou onttrekken door (een gedeelte van) zijn beslissing over te laten aan de rechter die zijn oor- deel over de zaak al heeft gegeven. De rechter in eerste aanleg dient in zoverre zijn taak (het wijzen van een eindvonnis) nog te voltooien. Zodanig geval dient op één lijn te worden gesteld met de eerder aanvaarde uitzonderingsgevallen waarin de rechter in eerste aanleg niet aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak is toegekomen.” 3.24 Andere uitzonderingen op het terugverwijzingsverbod heeft de Hoge Raad niet willen aanvaarden. 3.25 In de literatuur is regelmatig gepleit voor een ruimere uitzondering op het terugwijzingsver- bod, voornamelijk [58] voor die gevallen waarin de rechter in eerste aanleg, wiens einduitspraak in appel wordt vernietigd, op louter processuele gronden eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard of de dagvaarding nietig heeft geacht, en aldus (ten onrechte) niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak is toegekomen.[59] Argument hiervoor is dat het geschil bij onverkorte toepassing van het verbod in deze gevallen slechts in één feitelijke instantie inhoudelijk wordt behandeld, waardoor inbreuk wordt gemaakt op het fundamenteel geachte uitgangspunt van rechtspraak in twee feitelijke instanties.[60] 3.26 Dat het terugwijzingsverbod voorkomt dat een zaak (in voorkomende gevallen) steeds heen en weer zou moeten gaan, is voor Ras een van de redenen om te bepleiten dat in beginsel – behalve in het geval van vernietiging van een onbevoegdverklaring – aan het verbod zou moeten worden vastgehouden en dat terughoudendheid moet worden betracht met het aannemen van uitzonderingen. Volgens Ras vormt het verbod een gerechtvaardigde inbreuk op het “twee-instanties-beginsel” en is bij het omschrijven van een categorie van uitzonderingsgevallen de kans groot dat de vaagheid van de criteria tot interpretatieproblemen leidt. Om die reden moeten de uitzonderingen beperkt worden gehouden. Hij onderschrijft dan ook de opmerking van A-G Ten Kate,[61] dat het ook een belang op zichzelf is procedures niet te be- zwaren met geschillen over de vraag of de appelrechter die een einduitspraak vernietigt, de zaak al dan niet moet (of kan) terugwijzen.[62] 3.27 Ondanks de pogingen om de Hoge Raad tot een andere koers te bewegen, laat zich echter geen andere conclusie trekken dan dat de Hoge Raad niet de deur wil openzetten voor ver- dere uitzonderingen op het verbod van terugverwijzing, ook al leidt dat ertoe dat een geschil niet in twee feitelijke instanties inhoudelijk wordt behandeld. Daarmee is duidelijk dat er aan het uitgangspunt van een behandeling in twee feitelijke instanties minder gewicht toekomt dan aan het belang van een efficiënte procesgang. Bespreking onderdeel 1 3.28 Ik keer terug naar de zaak die nu voorligt. Als gevolg van de toepassing van regels van na- tionaal procesrecht door het hof bevinden de zaak tegen Trafigura Beheer en de zaak tegen Trafigura Limited zich thans in verschillende stadia van de procedure. Afgezien van het onderhavige cassatieberoep is de procedure tegen Trafigura Beheer immers bij het hof gebleven, en verkeert de procedure tegen Trafigura Limited door de terugverwijzing naar de rechtbank weer in de fase van eerste aanleg. De ongelijktijdige behandeling en berechting doet zich in de onderhavige zaak dus voor binnen de lidstaat waar de ankergedaagde (Trafigura Beheer) woonplaats heeft, en bestaat hieruit dat de vorderingen tegen de verschillende verweerders niet (langer) tegelijkertijd in dezelfde feitelijke instantie worden behandeld en berecht. 3.29 De eerste klacht van subonderdeel 1.1 verdedigt dat in een dergelijk geval geen plaats is voor toepassing van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis. Het subonderdeel kan hierin niet worden gevolgd. Daartoe geldt het volgende. 3.30 De bevoegdheidsregel van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis strekt ertoe een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende processen zo veel mogelijk te beperken en dus te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven (zie onder 3.11). Daarbij gaat het om onverenigbare beslissingen in de lid- staten onderling. Dit volgt niet alleen met zoveel woorden uit het rapport Jenard en het Kalfelis-arrest van het HvJEU, waarin naar dat rapport wordt verwezen (zie onder 3.11-3.12),[63] maar ligt ook besloten in punt 21 van considerans van de Verordening Brussel I-bis.[64] Dit punt 21 – het HvJEU verwijst bij zijn overwegingen over het doel van de hier aan de orde zijnde bevoegdheidsregel naar punt 15 van de considerans van de Verordening Brussel I, dat nagenoeg gelijkluidend is aan dit punt 21 [65] – houdt het volgende in (mijn onderstreping):[66] “
(21)Met het oog op een harmonische rechtsbedeling moeten parallel lopende processen zo veel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Er moet een duidelijke en afdoende regeling zijn om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen, alsook om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd. Voor de toepassing van deze verordening moet die datum autonoom worden bepaald.” 3.31 Hieruit volgt dat waar art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis spreekt van ‘afzonderlijke berechting van de zaken’, het gaat om berechting door gerechten van verschillende lidstaten. Dit ligt ook in zoverre in de rede, dat de bevoegdheidsregel van art. 8 onder 1 voorziet in een alternatief voor de hoofdregel van art. 4 van de verordening dat rechtsmacht toekomt aan de rechter van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft (zie onder 3.9). Zou in het geval van meerdere verweerders uit verschillende lidstaten die hoofdregel worden gevolgd, dan zouden de zaken door verschillende nationale gerechten worden behandeld en berecht. 3.32 Daarmee doet zich in dit geval niet de situatie voor met het oog waarop art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis is opgesteld, namelijk die waarin in lidstaten onderling onverenigbare beslissingen worden gegeven doordat samenhangende vorderingen tegen verschillende ver- weerders afzonderlijk worden behandeld en berecht door gerechten van verschillende lidsta- ten. Waarom art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis in het onderhavige geval geen toepassing zou kunnen vinden, is dan ook niet in te zien. Daarbij is nog op te merken dat het hof óók heeft geoordeeld (in cassatie als zodanig onbestreden) dat de Nederlandse rechter – in beginsel (zie rov. 3.9) – op grond van art. 8 onder 1 Verordening I-bis rechtsmacht toe- komt ten aanzien van de vorderingen tegen Trafigura Limited. Dit illustreert dat het Neder- landse verbod van terugwijzing in zoverre en op zichzelf niet in de weg staat aan toepassing van de bevoegdheidsregel van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis en deze regel in zo- verre en op zichzelf ook niet opzij zet (het verbod komt strikt genomen ook pas in beeld als de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt). 3.33 Beide zaken zijn ook, conform het bepaalde in art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis, ge- zamenlijk aanhangig gemaakt bij het gerecht van de woonplaats van Trafigura Beheer als Nederlandse ankergedaagde, de rechtbank Amsterdam. [67] Dat de behandeling van beide zaken vervolgens verdeeld is geraakt over twee feitelijke instanties, is het gevolg van de toe- passing van Nederlandse procesrechtelijke regels. Het is vaste rechtspraak van het HvJEU dat de Verordening Brussel I-bis niet tot doel heeft het nationale procesrecht één te maken,[68] en dat voor de regels van procesrecht te rade moet worden gegaan bij de nationale regels die door de aangezochte rechter moeten worden toegepast.[69] De toepassing van nationaal procesrecht mag echter geen afbreuk doen aan het nuttig effect van de verordening.[70] Dit laatste doet zich in de onderhavige zaak niet voor, nu de afzonderlijke berechting in verschillende feitelijke instanties van dezelfde lidstaat waartoe de nationale procesregels in dit geval leiden, niet (alsnog) het gevaar van onverenigbare beslissingen in lidstaten onderling met zich brengt.[71] Het nationale procesrecht frustreert dus niet – anders dan het subonderdeel betoogt [72] – de voornaamste [73] van de door art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis nagestreefde doelstellingen. Wat betreft het nationale gerecht dat bevoegd is om van de samen- hangende vorderingen kennis te nemen, houdt art. 8 onder 1 ook niet méér in dan een regel van relatieve bevoegdheid. Voor het verdere verloop van de procedure geeft de bepaling geen regels. Ook in zoverre doen de door het hof toegepaste regels van nationaal procesrecht geen afbreuk aan (het nuttig effect van
- de)de verordening. 3.34 Opmerking verdient nog dat Trafigura c.s. in haar schriftelijke toelichting stelt dat art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis “met het oog op de gelijktijdige behandeling het gerecht aanwijst dat de zaak behandelt en berecht”.[74] Uit de hiervoor onder 3.13 aangehaalde passage uit het rapport Jenard blijkt echter dat aan de keuze om deze bepaling rechtstreeks de relatieve bevoegdheid te laten bepalen (zonder dat daarbij betekenis toekomt aan het nationale pro- cesrecht op dit punt), andere redenen ten grondslag liggen, namelijk – in de woorden van Strikwerda en Schaafsma [75] – enerzijds het voorkomen van problemen die kunnen ontstaan wanneer het nationale procesrecht geen regels van interne relatieve bevoegdheid kent die aansluiten op de bevoegdheidsregels van de verordening en anderzijds het vergemakkelijken van de werking van de verordening. De stelling van Trafigura c.s. lijkt mij dan ook niet juist. 3.35 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat subonderdeel 1.1 faalt voor zover het inhoudt dat het hof art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis niet had mogen toepassen vanwege de ‘ongelijktijdige behandeling’ van de zaken tegen Trafigura Beheer respectievelijk Trafigura Limited als gevolg van ’s hofs terugverwijzing van laatstgenoemde zaak naar de rechtbank. Van strijd met de tekst en ratio van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis is, anders dan Trafigura c.s. betoogt, geen sprake. De juistheid van ’s hofs oordeel dat de omstandigheid dat geen sprake is van ‘gelijktijdige behandeling en berechting’ niet in de weg staat aan zijn bevoegd- heidsoordeel, nu de ongelijktijdige behandeling ‘niet aan de Stichting kan worden tegenge- worpen’ (rov. 3.15), kan daarbij in het midden blijven (maar zie daarover nader onder 3.43). 3.36 Bij subonderdeel 1.3 verzoekt Trafigura c.s. de Hoge Raad om zo nodig prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU over de uitleg van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis. Het lijkt mij echter voldoende zeker dat aan toepassing van deze bepaling niet in de weg staat dat samenhangende zaken die gezamenlijk zijn aangebracht bij het gerecht waar de ankerge- daagde woonplaats heeft, binnen de betreffende lidstaat als gevolg van toepassing van na- tionaal procesrecht uiteindelijk niet gelijktijdig in dezelfde feitelijke instantie worden behandeld en berecht. Ik zie dan ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. 3.37 De tweede klacht van subonderdeel 1.1 houdt in dat het hof heeft miskend dat het de zaken tegen Trafigura Beheer en Trafigura Limited gelijktijdig had moeten (laten) behandelen, door ook de zaak tegen Trafigura Beheer terug te verwijzen. De klacht pleit daarmee voor het aannemen van een (nadere) uitzondering op het verbod van terugwijzing.[76] 3.38 Daartoe voeren Trafigura c.s. onder meer aan dat de ratio van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis terugverwijzing vereist en/of rechtvaardigt en dat het nationale procesrecht zo moet worden uitgelegd en toegepast dat daarmee het nuttig effect en de effectiviteit van het Europees dwingend bevoegdheidsrecht niet worden aangetast.[77] Hiervoor is uiteengezet dat de ratio van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis in het onderhavige geval niet aan toe- passing van deze bepaling in de weg staat. Ook doet het hier toepasselijke nationale proces- recht geen afbreuk aan het nuttig effect van deze bepaling. Ik zie in deze argumenten van Trafigura c.s. dan ook geen grond voor de door haar bepleitte uitzondering op het terugwij- zingsverbod. 3.39 Trafigura c.s. voert ter onderbouwing van haar standpunt voorts aan dat, samengevat, (
- i)het in de zaak tegen Trafigura Beheer in eerste aanleg niet tot een inhoudelijke behandeling is gekomen, waardoor zij onnodig in haar belangen is geschaad, (
- ii)in dit geval geen wettelijke bepaling van nationaal procesrecht aan terugverwijzing in de weg staat, en (iii) het verbod van terugwijzing uitzonderingen kent en ‘gevallen waarin rechtsmacht is aangenomen op grond van art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis’ een duidelijk en in de praktijk eenvoudig te hanteren criterium oplevert.[78] 3.40 Zoals hiervoor uiteen is gezet moet het verbod van terugverwijzing strikt worden gehanteerd (zie onder 3.27). Alleen in de door de Hoge Raad genoemde gevallen kan daarop een uit- zondering worden aangenomen. In de onderhavige zaak doet zich niet zo’n geval voor: de rechtbank heeft zich niet onbevoegd verklaard om van de zaak tegen Trafigura Beheer kennis te nemen, en er is ook geen sprake van een van de andere in de rechtspraak van de Hoge Raad erkende gevallen waarin een uitzondering geldt (de Stichting is door de rechtbank niet- ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tegen Trafigura Beheer omdat niet is voldaan aan het waarborgvereiste van art. 3:305a lid 2 BW (oud) en omdat (ook) de eisen van een goede procesorde dat meebrengen (zie onder 2.10). Er is dan ook geen basis om de zaak tegen Trafigura Beheer terug te verwijzen naar de rechtbank. 3.41 Veeleer ligt het voor de hand om de zaak tegen Trafigura Limited niet terug te verwijzen naar de rechtbank, maar bij het hof te laten. Op grond van art. 76 Rv kunnen partijen daarom verzoeken (zie onder 3.17). Uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof leid ik af dat partijen hierover gesproken hebben, maar dat Trafigura c.s. daar niet voor voelde (maar de Stichting wel).[79] Ik zou denken dat Trafigura Limited ook ná de onderhavige cassatieprocedure nog te kennen kan geven dat zij instemt met een behandeling van de procedure door het hof. Dat draagt bij aan een efficiënte procesgang en voorkomt dat de zaken tegen Trafigura Limited en Trafigura Beheer uiteen gaan lopen. 3.42 Bij subonderdeel 1.2 wordt geklaagd dat voor het geval de klachten van subonderdeel 1.1 niet slagen, het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk is. Niet zou zijn in te zien (
- i)dat (relevante) betekenis toekomt aan de omstandigheid dat de Stichting op dit punt niets kan worden tegengeworpen, (
- ii)dat op basis van art. 8 onder 1 Verordening Brussel l-bis bevoegdheid kan worden aangenomen met als ratio het gelijktijdig kunnen behandelen van zaken, terwijl ’s hofs beslissing tot gevolg heeft dat geen sprake is van gelijktijdige behandeling van de zaken, en (iii) waarom als het hof de bevoegdheid op deze grond aanneemt jegens Trafigura Limited, het de zaak jegens Trafigura Beheer toch aan zich zou kunnen/moeten houden. 3.43 Ook deze klachten kunnen niet slagen. Zoals gezegd dwingt art. 8 onder 1 Verordening Brussel I-bis niet tot een gelijktijdige behandeling van de zaken op de door Trafigura c.s. voorgestane wijze en behoeft ’s hofs overweging in rov. 3.15 dat ‘de ongelijktijdige behandeling en berechting niet aan de Stichting kan worden tegengeworpen’ (derhalve) geen nadere bespre- king. Hieraan is, ten overvloede, het volgende toe te voegen. Er is een eenvoudige manier om te bereiken dat de zaken wél gelijktijdig worden behandeld (door het hof), namelijk door ermee in te stemmen dat het hof de zaak tegen Trafigura Limited aan zich houdt (art. 76 Rv). Met de overweging dat ‘de ongelijktijdige behandeling en berechting niet aan de Stichting kan worden tegengeworpen’, heeft het hof kennelijk het oog op de omstandigheid dat de Stichting zich wel kan vinden in een behandeling van de zaak tegen Trafigura Limited door het hof, maar dat de weigering door Trafigura c.s. de reden is dat het hof de zaak niet aan zich kan houden maar moet terugverwijzen naar de rechtbank (zie onder 3.41). Niet is in te zien waarom dat op zichzelf een onbegrijpelijke overweging zou zijn. 3.44 De slotsom is dat de klachten van de subonderdelen 1.1 en 1.2 falen. Het verzoek in subon- derdeel 1.3 om prejudiciële vragen te stellen, hoeft niet te worden ingewilligd. 4Onderdeel 2: gevorderde remedie niet beschikbaar onder het toepasselijke recht 4.1 Onderdeel 2 richt zich tegen rov. 3.17 en 3.18, waarin het hof tot een verwerping komt van het verweer van Trafigura c.s. dat het materiële Ivoriaanse recht de gevorderde remedie, een verklaring voor recht, niet kent, zodat de Stichting niet kan worden ontvangen in haar daartoe strekkende vorderingen. Het hof overweegt in rov. 3.17 dat de vraag of materieelrechtelijke aanspraken bestaan, wordt beantwoord aan de hand van het recht dat de in het geding aan de orde gestelde materieelrechtelijke rechtsverhouding beheerst (lex causae) en dat op zich- zelf niet in geschil is dat dit in deze zaak het Ivoriaanse recht is. Het hof vervolgt dat de vraag of – en zo ja, in hoeverre en op welke wijze – een vorderingsrecht via een collectieve actie bij de Nederlandse rechter geldend kan worden gemaakt, naar Nederlands internationaal privaatrecht moet worden gekwalificeerd als een vraag van procesrecht, waarop Nederlands recht van toepassing is (lex fori; art. 10:3 BW). Daarop overweegt het hof (rov. 3.17): “3.17 (…). Indien het Ivoriaanse materiële recht niet de remedie kent dat aansprakelijkheid wordt vastgesteld bij verklaring voor recht, staat die enkele omstandigheid er dus niet aan in de weg dat de Stichting een collectieve actie op de voet van art. 3:305a (oud) BW bij de Nederlandse rechter instelt (vergelijk: hof Den Haag 18 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3586). De omstandigheid dat een deel van de vorderingen van de Stichting de vorm hebben van een ver- klaring voor recht, staat dan ook niet in de weg aan haar ontvankelijkheid in die vorderingen. Dit geldt ook voor de zinsnede “naar Ivoriaans (…) recht” die in de vorderingen voorkomt. Uit hetgeen Tragifura c.s. hebben gesteld, kan overigens niet zonder meer worden afgeleid dat de vorderingen van de Stichting naar Ivoriaans recht prima facie nooit zullen kunnen worden toegewezen.” In rov. 3.18 overweegt het hof vervolgens, voor zover hier van belang, dat de vraag of het Ivoriaanse recht zich verzet tegen toewijzing van de vorderingen, anders dan Trafigura c.s. meent, niet van belang is voor de ontvankelijkheid van de Stichting en dat die vraag, zo nodig, in de tweede fase van de procedure aan de orde kan komen. 4.2 Het onderdeel bestaat uit vier subonderdelen. De subonderdelen 2.1-2.3 lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. 4.3 Subonderdeel 2.1 klaagt dat rov. 3.17 en 3.18 blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof ervan uitgaat (
- i)dat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid niet relevant zou (kunnen) zijn of de Stichting (een rechtens te respecteren) belang heeft bij haar vorde- ringen en/althans (
- ii)dat de niet-beschikbaarheid van de gevorderde remedie (naar het toe- passelijke recht) niet in de weg kan staan aan ontvankelijkheid in de tot toewijzing van die remedie strekkende vordering. 4.4 Subonderdeel 2.2 houdt in dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom het niet beschikbaar zijn van een remedie (rov. 3.17) c.q. het (daarom) niet toewijs- baar zijn van vorderingen (rov. 3.18) aan de ontvankelijkheid van de Stichting niet in de weg zou kunnen staan. Voorts wordt geklaagd dat het hof is voorbijgegaan aan enkele essentiële stellingen van Trafigura c.s. 4.5 Subonderdeel 2.3 komt op tegen het oordeel aan het slot van rov. 3.17, dat uit hetgeen Trafigura c.s. hebben gesteld overigens niet zonder meer kan worden afgeleid dat de vorderingen van de Stichting naar Ivoriaans recht prima facie nooit zullen kunnen worden toegewezen. Geklaagd wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat het hof daarbij ten onrechte niet (kenbaar) heeft betrokken de stellingen van Trafigura c.s. dat de gevorderde verklaringen voor recht en de publicatie van het arrest onmiskenbaar geen beschikbare remedies zijn onder Ivoriaans recht, en daarmee bij voorbaat niet toewijsbaar zijn.[80] 4.6 Ik begin met de bespreking van subonderdeel 2.3. Het door dit subonderdeel bestreden oor- deel laat zich niet anders begrijpen dan als een respons op de door het subonderdeel ge- noemde stellingen van Trafigura c.s. (vgl. ook rov. 3.16, waarin het hof het betoog van Trafigura c.s. weergeeft). Het hof heeft deze stellingen dus onder ogen gezien, en (voorshands) verworpen. Daarmee is er geen grond voor het verwijt dat het hof aan de stellingen is voorbijgegaan. Het subonderdeel faalt derhalve.[81] 4.7 Het door subonderdeel 2.3 bestreden oordeel aan het slot van rov. 3.17 heeft op zichzelf het karakter van een overweging ten overvloede. Dit is niet alleen hieruit af te leiden dat het hof in zijn bestreden oordeel het woord ‘overigens’ gebruikt, maar ook uit de omstandigheid dat het hof voorafgaand aan dit oordeel reeds tot de slotsom komt dat indien het Ivoriaanse recht de remedie ‘verklaring voor recht’ niet kent, die enkele omstandigheid niet eraan in de weg staat dat de Stichting een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW (oud) bij de Nederlandse rechter instelt. Voor het hof was er derhalve geen noodzaak zich nog te buigen over de vraag of de gevorderde remedies onder het Ivoriaanse materiële recht inderdaad – zoals Trafigura c.s. betoogt – niet beschikbaar zijn. Hoewel het door subonderdeel 2.3 bestreden oordeel op zichzelf dus ten overvloede is gegeven, kan dit oordeel de verwerping van het verweer van Trafigura c.s. – dat het Ivoriaanse recht de gevorderde remedies niet kent, zodat de Stichting niet kan worden ontvangen in haar vorderingen – zelfstandig dragen. Aan dit verweer ontvalt immers ook (voorshands) de grond indien, zoals het hof heeft overwogen, niet zonder meer kan worden aangenomen dat de vorderingen van de Stichting naar Ivori- aans recht prima facie nooit zullen kunnen worden toegewezen. 4.8 Nu het oordeel van het hof aan het slot van rov. 3.17, dat door subonderdeel 2.3 zonder succes wordt bestreden, de verwerping van het verweer van Trafigura c.s. zelfstandig kan dragen, bestaat er geen belang meer bij een bespreking van de subonderdelen 2.1 en 2.2. 4.9 Subonderdeel 2.4 werpt klachten op voor het geval het hof in rov. 3.17 met de woorden ‘gel- dend kan worden gemaakt’ (“de vraag of – en zo ja, in hoeverre en op welke wijze – een vorderingsrecht via een collectieve actie bij de Nederlandse rechter geldend kan worden ge- maakt, (…).”) zou bedoelen dat op de materiële beoordeling c.q. de toewijsbaarheid van de gevorderde remedie Nederlands recht van toepassing is. 4.10 Het hof overweegt in rov. 3.17 (in cassatie onbestreden) dat de vraag of materieelrechtelijke aanspraken bestaan moet worden beantwoord aan de hand van de lex causae en dat op zichzelf niet in geschil is dat dat in dit geval Ivoriaans recht is (vgl. onder 4.1). Er is dan ook geen grond om aan te nemen dat het hof met de woorden ‘geldend kan worden gemaakt’ zou hebben bedoeld dat op de materiële beoordeling van de vorderingen Nederlands recht van toepassing is. Het subonderdeel – dat zelf reeds opmerkt dat het hof dit niet lijkt te bedoelen – lijkt mij dan ook te berusten op een onjuist uitgangspunt, zodat het niet kan slagen. 4.11 De slotsom is dat de subonderdelen 2.3 en 2.4 falen, en dat Trafigura c.s. geen belang heeft bij een bespreking van de subonderdelen 2.1 en 2.2. 5Onderdelen 3, 4 en 5: juridisch kader 5.1 De klachten van onderdelen 3, 4 en 5 van het principale cassatiemiddel stellen onder meer aan de orde of het hof het gelijksoortigheids- en waarborgvereiste van art. 3:305a BW (oud) heeft miskend. Voordat ik deze cassatieklachten bespreek, zet ik het toepasselijke juridisch kader uiteen. 5.2 Het gaat in deze zaak om art. 3:305a BW zoals dat gold (vanaf 1 juli 2013, met een redacti- onele wijziging per 1 september 2017) tot 1 januari 2020, nu de collectieve actie door de Stichting is ingesteld bij inleidende dagvaarding van 11 januari 2016. Dit volgt uit art. 119a Overgangswet nieuw BW.[82] 5.3 Nu het hof in rov. 3.27 van zijn arrest voor het waarborgvereiste verwijst naar de laatste volzin van art. 3:305a lid 2 BW (oud) en daarbij vermeldt dat deze bepaling in 2013 is ingevoerd, is duidelijk dat het hof toepassing heeft gegeven aan art. 3:305a BW zoals dat gold tot 1 januari 2020 (het waarborgvereiste is per 1 januari 2020 immers opgenomen in het eerste lid van art. 3:305a BW).[83] Dat oordeel is juist en hier worden in cassatie dan ook geen klachten tegen gericht.[84] Inleiding 5.4 Op grond van art. 3:305a BW kunnen stichtingen en verenigingen met een volledige rechts- bevoegdheid (hierna: belangenorganisaties) een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van de belangen van anderen, de zogenoemde collectieve actie.[85] 5.5 Collectieve acties worden wel onderscheiden in groepsacties en algemeen belangacties. Plv. P-G Langemeijer en A-G Wissink omschrijven deze ‘typen’ van collectieve acties in hun conclusie in de zaak Urgenda als volgt:[86] “Bij groepsacties gaat het om de behartiging van de gebundelde belangen van een bepaald of bepaalbaar aantal individuele personen. Bij algemeen belangacties gaat het om de behartiging door een rechtspersoon van algemene belangen, die niet individualiseerbaar zijn omdat zij toekomen aan een veel grotere groep van personen, die diffuus en onbepaald is.” Jongbloed schrijft dat het verschil tussen groepsacties en algemeen belangacties erin is gelegen dat bij groepsacties de personen om wier belangen het gaat zijn te individualiseren, terwijl dat niet mogelijk is bij algemeen belangacties, omdat het belangen betreft van zo’n algemeen karakter dat zij een facet vormen van vrijwel ieders bestaan.[87] Deze omschrijving is in de oudere literatuur over de collectieve actie reeds terug te vinden bij Verburgh, die daarbij opmerkt dat de grens tussen beide acties “vaag en vloeiend” is.[88] Art. 3:305a BW, dat geen onderscheid maakt tussen beide typen collectieve acties, biedt grondslag voor zowel groepsacties als algemeen belangacties.[89] 5.6 Het collectief actierecht van art. 3:305a BW biedt de mogelijkheid om op een efficiënte en effectieve wijze rechtsbescherming te bieden tegen de aantasting van belangen die grote groepen burgers gezamenlijk raken.[90] Hierin ligt volgens de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke art. 3:305a BW de meerwaarde van de collectieve actie ten opzichte van het voeren van individuele procedures door de belanghebbenden zelf:[91] “Verder wordt met de zinsnede «belangen van andere personen» tot uitdrukking gebracht dat de door het wetsontwerp geschapen bevoegdheid niet in het leven is geroepen voor zuiver indivi- duele belangenbehartiging. Daarvoor bestaan andere mogelijkheden, zoals de procesvolmacht. Hoe omvangrijk evenwel de groep personen voor wier belangen met de procedure wordt opge- komen moet zijn, laat zich niet in zijn algemeenheid bepalen. In de jurisprudentie van de Hoge Raad speelt bij de ontvankelijkheid een belangrijke rol de vraag of door de collectieve actie een meer effectieve en/of efficiënte rechtsbescherming valt te bereiken. Daarin ligt naar mijn mening de meerwaarde van deze vorm van procederen boven individuele geschillenbeslechting. Biedt een collectieve actie in een concrete situatie geen enkel voordeel boven het procederen op naam van belanghebbenden zelf, dan dient voorkeur te worden gegeven aan het laatste. Het gaat hier immers om een afwijking van de normale regel in het burgerlijk procesrecht, inhoudende dat men zelf voor zijn belangen opkomt en anderen dat niet zonder toestemming kunnen doen. In begin- sel heeft de tegenpartij er recht op, aangesproken te worden door degene om wiens belangen het in de procedure in feite gaat.” In de memorie van antwoord (EK) wordt dit nog wat scherper aangezet, waar onder verwijzing naar de zojuist geciteerde passage uit de memorie van toelichting wordt vermeld dat een belangenorganisatie niet ontvankelijk dient te worden verklaard indien een collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven procederen op naam van de belanghebbenden zelf.[92] Ook in de latere parlementaire geschiedenis bij art. 3:305a BW (oud) wordt dit benoemd:[93] “(…). Dat veelvuldig gebruik wordt gemaakt van het collectief actierecht valt toe te juichen indien een individueel optreden niet goed mogelijk is of indien een collectief optreden efficiënt en in het belang van alle betrokkenen is. In de parlementaire geschiedenis bij artikel 3:305a BW is in dit verband gewezen op het subsidiaire karakter van het collectief actierecht. Indien een individueel optreden, al dan niet met behulp van procesvolmachten, eenvoudig te realiseren is, is het instel- len van een collectieve actie niet de aangewezen weg. In de memorie van toelichting is benadrukt dat in het geval een collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven het procederen op naam van de belanghebbenden zelf, voor het instellen van een collectieve actie geen ruimte is. Het collectief actierecht wordt dan niet gebruikt voor een doel waarvoor zij is verleend (artt. 3:13 jo 15 BW). (…).” 5.7 Ondanks deze uitlatingen is bij de invoering van art. 3:305a BW afgezien van het opnemen van een ontvankelijkheidsvoorwaarde met de strekking dat het instellen van een collectieve actie in plaats van individuele acties in het concrete geval gerechtvaardigd is. Een daartoe strekkend amendement werd door de staatssecretaris ontraden (en vervolgens ook door de Tweede Kamer verworpen) (mijn onderstrepingen):[94] “(…). De heer Korthals heeft voorgesteld om aan het eerste lid van artikel 305a een zinsnede toe te voegen die, zoals in het desbetreffende amendement is toegelicht, het subsidiaire karakter van het collectieve-vorderingsrecht beoogt te benadrukken. Die zinsnede luidt: “en indien van de betrokken andere personen in redelijkheid niet gevergd kan worden dat die andere personen de rechtsvordering zelf instellen, al dan niet door middel van een aan de vereniging of stichting te geven volmacht.” (…). Deze toevoeging lijkt sterk op een zinsnede die voorkwam in het vooront- werp van 1988. Deze luidde: “indien de bescherming van die belangen dit rechtvaardigt.” Daarop is destijds de kritiek gekomen dat hiermee een element werd toegevoegd aan het in de rechtspraak ontwikkelde stelsel. De eiser zou bij een ter zake gevoerd verweer namelijk moeten be- wijzen dat in zijn geval het instellen van een collectieve actie in plaats van individuele acties gerechtvaardigd is. Die kritiek toen kwam mij terecht voor. Dat is de reden waarom deze voor- waarde niet meer apart in het wetsvoorstel is opgenomen. Ook nu zal het voor een eiser en nog meer voor de rechter die daarop moet beslissen, heel moeilijk zijn om aan te geven waarom van iemand in een concrete situatie het instellen van een individuele vordering in algemene zin al dan niet in redelijkheid kan worden gevergd. De procedure wordt hierdoor aanzienlijk gecompli- ceerd. De praktijk stelt deze extra eis in algemene zin tot nu toe niet. Daaruit zijn, voor zover mij bekend, ook geen problemen ontstaan. Bovendien bestaat er naar mijn mening ook daarom geen behoefte aan deze toevoeging, omdat het wetsvoorstel in aansluiting op de rechtspraak, waarin het begrip “bundelen” wordt gebruikt, al als voorwaarde stelt dat het moet gaan om “gelijksoortige belangen”. In de optiek van het wetsvoorstel kunnen, zoals bekend, alleen gelijksoortige belan- gen worden gebundeld. (…). Men zou ook kunnen zeggen, dat de rechtvaardiging van het mogen instellen van een collectieve actie gelegen is in de omstandigheid, dat het apart instellen van een aantal gelijksoortige vorderingen niet efficiënt is. Met andere woorden: in dat geval kan het in- stellen van individuele vorderingen in redelijkheid niet worden gevergd. Hiermee wordt tegelij- kertijd het subsidiaire karakter van de collectieve actie in voldoende mate weergegeven. Voor de duidelijkheid: het bezwaar van de toevoeging van de door de heer Korthals voorgestelde beper- king is dus, dat deze te algemeen luidt. Het zou ten gevolge hebben, dat de vraag of het instellen van de individuele vordering al dan niet kan worden gevergd, wordt losgekoppeld van het crite- rium van de gelijksoortigheid van de vorderingen. Het dient naar mijn overtuiging geen zinnig doel om die vraag zo in abstracto, los van het criterium van de gelijksoortigheid, te stellen. De rechtspraak wordt daarmee naar mijn oordeel op een zinloze wijze gecompliceerd. Daarom ontraad ik de aanneming van dit amendement ten sterkste.” 5.8 Te wijzen is ook op de volgende passage uit de Handelingen EK, waarin opnieuw de staats- secretaris aan het woord is (mijn onderstrepingen): [95] “Hij [kamerlid Holdijk – AG] vroeg mij allereerst, in te gaan op het subsidiaire karakter van het collectief actierecht. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht, dat een collectieve actie niet be- doeld is voor zuiver individuele belangenbehartiging. Bij een zuiver individuele belangenbeharti- ging kan een organisatie procederen krachtens volmacht of lastgeving; met andere woorden, met toestemming van de belanghebbende zelf. Meer in het algemeen is op grond van het subsi- diaire karakter voor een collectieve actie geen plaats indien dit in een concrete situatie geen enkel voordeel zou bieden boven het procederen krachtens lastgeving en/of volmacht. Het is dan immers meer in overeenstemming met het in het burgerlijk procesrecht geldende beginsel van partij-autonomie, dat alleen met de toestemming van belanghebbende kan worden geproce- deerd. Maar de vraag, wanneer op grond van het subsidiaire karakter een collectieve actie niet gerechtvaardigd is en een organisatie alleen maar met toestemming van de belanghebbenden zelf in rechte voor hun belangen mag opkomen, laat zich niet in een eenvoudige formule vast- leggen. In de jurisprudentie van de Hoge Raad speelt bij de ontvankelijkheid een belangrijke rol de vraag of door de collectieve actie een meer effectieve en/of efficiënte rechtsbescherming valt te bereiken. Daarin ligt naar mijn mening de meerwaarde van deze vorm van procederen boven individuele geschillenbeslechting. Doorslaggevend is dus het antwoord op de vraag of een collectieve actie in een concrete situatie voordelen biedt boven het procederen met toestemming van de belanghebbenden zelf. De factoren die daarbij in aanmerking kunnen worden genomen, zijn de grootte van de individuele vorderingen, de omvang van de groep waarvoor wordt opge- komen, de vraag of de leden van deze groep bekend zijn en de vraag of er een spoedeisend belang is. (…). In de tekst van artikel 305a Burgerlijk Wetboek is het subsidiaire karakter van het collectieve actierecht niet met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht. Dit betekent echter niet dat een collectieve actie onder alle omstandigheden is toegestaan. (…). Een reden waarom volgens mij moet worden afgezien van een norm waarin het subsidiaire karakter tot uitdrukking wordt gebracht, is dat daarmee de eiser telkens moet bewijzen dat in zijn geval het instellen van een collectieve actie in plaats van individuele acties gerechtvaardigd is. Ook nu zal het voor een eiser en nog meer voor de rechter die daarop moet beslissen heel moeilijk zijn om aan te geven waarom van iemand in een concrete situatie het instellen van een individuele vordering in algemen zin al dan niet in redelijkheid kan worden gevergd. De procedure wordt hierdoor aanzienlijk gecompliceerd. De praktijk stelt deze extra eis in algemene zin tot nu toe ook niet. Daaruit zijn voor zover mij bekend nooit problemen ontstaan. Met andere woorden, het komt mij voor dat het eerder op de weg van de gedaagde ligt om te stellen en te bewijzen dat in een concreet geval een collectieve actie niet gerechtvaardigd is. Vaak zal een gedaagde voor wie de zaak met een collectieve actie ook in één procedure is afgehandeld, aan een dergelijk verweer geen behoefte hebben. Maar een expliciete wetsbepaling zou impliceren dat in ledere collectieve actie deze vaak moeilijk te beantwoorden vraag aan de orde zou moeten komen. Als verweer kan zij echter altijd naar voren worden gebracht.” 5.9 De huidige regeling van de collectieve actie bevat wel een expliciete wetsbepaling op grond waarvan de eiser voldoende aannemelijk dient te maken dat de collectieve actie voordeel biedt boven individuele geschilbeslechting. Het met de Wet afwikkeling massaschade in col- lectieve actie (WAMCA) ingevoerde art. 1018c lid 5, onder b Rv bepaalt dat inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering pas plaatsvindt indien en nadat de rechter heeft beslist:[96] “dat de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering doordat de te beant- woorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal perso- nen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben.” De toets of ‘het voeren van de collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering’, die de rechter zo nodig ambtshalve dient uit te voeren, zorgt er volgens de memorie van toelichting bij de WAMCA voor dat voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling wordt bekeken of de afwikkeling als collectieve procedure wel een meerwaarde heeft. Art. 1018c lid 5, onder b Rv strekt er samen met de andere gronden van het vijfde lid (een toets of is voldaan aan de ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a BW (sub
- a)en een toets of de collectieve vordering niet summierlijk ondeugdelijk is (sub c)) toe een lang en kostbaar inhoudelijk debat over de inhoudelijke collectieve vordering te voorkomen in gevallen dat de collectieve vordering toch niet tot toewijzing kan leiden, aldus de memorie van toelichting.[97] 5.10 In deze zaak is, als gezegd, art. 3:305a BW van toepassing zoals dat gold tot 1 januari 2020 (hierna: art. 3:305a BW (oud)). Deze bepaling luidt, voor zover in cassatie van belang, als volgt: “1. Een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voorzover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. 2. (…). Een rechtspersoon als bedoeld in lid 1 is eveneens niet ontvankelijk, indien met de rechts- vordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn. 3. (…). Een rechtsvordering als bedoeld in lid 1 kan strekken tot (…). Zij kan niet strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld. (…).” Uit dit citaat volgt dat art. 3:305a BW (oud) onder meer vereist dat de collectieve rechtsvordering dient te strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen (lid 1) en dat de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld voldoende gewaarborgd zijn (lid 2). Op deze twee vereisten, hierna aangeduid als het gelijksoortigheidsvereiste respectievelijk het waarborgvereiste, zal ik hieronder nader ingaan. Of aan de overige voorwaarden voor het instellen van een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW (oud) is voldaan, is in cassatie niet aan de orde. 5.11 Ter afronding van deze algemene inleiding merk ik nog op dat art. 3:305a BW ingrijpend is gewijzigd met de invoering van de WAMCA op 1 januari 2020.[98] De wijzigingen behelzen onder meer een aanscherping van de ontvankelijkheidseisen voor belangenorganisaties en het schrappen van de in art. 3:305a lid 3 BW (oud) vervatte regel dat een collectieve rechtsvordering niet kan strekken tot schadevergoeding in geld.[99] Het nieuwe recht geldt op grond van art. 119a lid 2 Overgangswet nieuw BW voor collectieve acties die zijn ingesteld op of na 1 januari 2020 en die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016.[100] Gelijksoortigheidsvereiste 5.12 Het gelijksoortigheidsvereiste volgt als gezegd uit het eerste lid van art. 3:305a BW (oud), dat voor ontvankelijkheid onder meer de voorwaarde stelt dat de collectieve actie strekt tot be- scherming van ‘gelijksoortige belangen’ van andere personen.[101] 5.13 De parlementaire geschiedenis bij het oorspronkelijke art. 3:305a BW wijdt niet veel woorden aan het vereiste van gelijksoortige belangen.[102] Vermeld wordt dat voor ontvankelijkheid niet het type vordering doorslaggevend is, maar of de bij de vordering betrokken belangen zich lenen voor bundeling. Dat is niet het geval als de betrokken belangen te veelsoortig zijn; dan is voor een collectieve actie geen plaats. Alleen gelijksoortige belangen lenen zich voor bun- deling. Daarbij wordt nog aangetekend dat het mogelijk is dat weliswaar sprake is van een gemeenschappelijk geschilpunt, maar dat de bij dit geschilpunt betrokken rechtsvragen en feitelijke vragen per individu verschillend moeten worden beantwoord. De vraag of de aard van de vordering en van de daarbij betrokken belangen bundeling mogelijk maken, is dan ook een van de criteria waaraan moet kunnen worden getoetst of een collectieve actie toe- laatbaar is, aldus steeds de parlementaire geschiedenis bij het oorspronkelijke art. 3:305a BW.[103] De parlementaire geschiedenis bij de WAMCA verwoordt het als volgt:[104] “In de genoemde voorbeelden zal de rechter moeten beoordelen of deze vordering voldoet aan de vereisten uit artikel 3:305a lid 1 BW dat er sprake is van gelijksoortige belangen die zich lenen voor bundeling in een collectieve schadevergoedingsactie. Dit betekent dat de vragen voldoende gemeenschappelijk moeten zijn. Er moet zodanig geabstraheerd kunnen worden van de bijzon- derheden van individuele gevallen, dat de beoordeling niet anders zou kunnen uitvallen dan in een individueel geval.” En: “De gelijksoortigheid van de belangen veronderstelt dat ook de feitelijke en rechtsvragen die aan de orde zijn in de collectieve vordering, voldoende gelijksoortig zijn.” Verder volgt uit de parlementaire geschiedenis dat het antwoord op de vraag of de betrokken belangen gelijksoortig zijn (‘zich voor bundeling lenen’) geheel afhankelijk is van de omstan- digheden van het geval.[105] 5.14 Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad houdt het gelijksoortigheidsvereiste in dat de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt, zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd.[106] Zo kan in één procedure worden geoordeeld over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken be- hoeven te worden, aldus de Hoge Raad.[107] Bij de toets aan het gelijksoortigheidsvereiste is dus van belang of bij de beoordeling van de collectieve vordering (voldoende [108]) kan worden geabstraheerd van de bijzonderheden van individuele gevallen.[109] De aan de orde zijnde geschilpunten moeten zich lenen voor een gemeenschappelijke beoordeling (zonder dat daarbij de individuele omstandigheden aan de zijde van de belanghebbenden hoeven te worden betrokken).[110] Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt voorts dat de aan de orde zijnde belangen naar inhoud of omvang niet precies gelijk hoeven te zijn. Voldoende is dat zij zich lenen voor bundeling.[111] Waarborgvereiste 5.15 De slotzin van art. 3:305a lid 2 BW (oud) bepaalt dat een belangenorganisatie niet ontvankelijk is, indien met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn. Dit waarborgvereiste is op 1 juli 2013 aan het tweede lid van art. 3:305a BW toegevoegd.[112] Achtergrond voor het opnemen van dit vereiste was de door de wetgever gesignaleerde sterke opkomst (“wildgroei”) van ad hoc opgerichte claimstichtingen, volgens de parlementaire geschiedenis vermoedelijk vooral het gevolg van het feit dat art. 3:305a BW ‘een vrijwel voorbehoudloze toegang’ tot de rechter bood. In de omstandigheid dat het handelen van deze claimstichtingen niet altijd primair zou zijn gericht op belangenbehartiging, en “niet zelden” louter commercieel zou zijn gedreven, werd aanleiding gezien strengere toegangseisen te stellen. Dit heeft geresulteerd in het zojuist genoemde waarborgvereiste, dat tot doel heeft om belangorganisaties met onzuivere motieven te weren. Het vereiste biedt de rechter een handvat om kritisch te oordelen over de ontvankelijkheid in een collectieve actie indien hij twijfelt aan de motieven voor het instellen van de actie. Daarmee wordt voorkomen dat claimstichtingen het collectief actierecht gebrui- ken om hun eigen commercieel gedreven motieven na te streven, aldus steeds de parlemen- taire geschiedenis.[113] 5.16 Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de rechter bij de beoordeling of met de collectieve actie de belangen van de betrokken personen al dan niet voldoende zijn gewaarborgd, dient te onderzoeken (
- i)in hoeverre de betrokkenen uiteindelijk baat hebben bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen en (
- ii)in hoeverre erop vertrouwd mag worden dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de procedure te voeren.[114] Vervolgens wordt een aantal factoren genoemd die bij de beantwoording van deze vragen “in algemene zin” een rol kunnen spelen:[115] “Acht kan bijvoorbeeld worden geslagen op de overige werkzaamheden die de organisatie heeft verricht om zich voor de belangen van benadeelden in te zetten of op de vraag of de organisatie in het verleden ook daadwerkelijk in staat is gebleken de eigen doe[l]stellingen te realiseren. Een aanwijzing kan voorts zijn het aantal benadeelden dat aangesloten is bij of lid is van de organi- satie en de vraag in hoeverre benadeelden zelf de collectieve actie ondersteunen. Indien de hierboven genoemde claimcode tot stand is gekomen kan ook van betekenis zijn of de eisende organisaties aan de daarin opgenomen «principes» voldoet. Voorts kan bij een ad hoc opgerichte stichting van belang zijn of deze is opgericht door reeds bestaande organisaties die in het verle- den succesvol de belangen van de betrokkenen hebben behartigd. Ook kan een aanwijzing zijn of de organisatie ter zake van de gebeurtenis waardoor velen gedupeerd zijn niet alleen voor de veroorzaker(s), maar bijvoorbeeld ook voor de overheid als gesprekspartner is opgetreden. Het optreden als spreekbuis in de media kan ook een aanwijzing zijn. Bij de vraag in hoeverre be- trokkenen uiteindelijk baat hebben bij de collectieve actie ingesteld tegen een buitenlandse ge- daagde, is van groot belang of een veroordelend vonnis daadwerkelijk ten uitvoer kan worden gelegd. (…).” 5.17 De vraag of met de collectieve actie de belangen van de betrokken personen al dan niet voldoende gewaarborgd zijn, laat zich volgens de parlementaire geschiedenis alleen per concreet geval beantwoorden.[116] De eerder geciteerde opsomming van factoren die daarbij een rol kunnen spelen, heeft blijkens de gebruikte bewoordingen geen limitatief karakter. Dit sluit aan bij de opmerking in de parlementaire geschiedenis dat het waarborgvereiste (“de norm”) zo is geredigeerd, “dat het de rechter de mogelijkheid biedt om in zijn beoordeling tal van relevante factoren te betrekken die erop wijzen dat de belangen van de personen ten be- hoeve van wie de collectieve actie is ingesteld, al dan niet voldoende gewaarborgd zijn.”[117] Hieruit is op te maken dat de vraag of aan het waarborgvereiste is voldaan, moet worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval.[118] 5.18 Art. 3:305a BW (oud) stelde, anders dan de huidige bepaling (lid 2), voor ontvankelijkheid in een collectieve actie niet de eis dat de belangenorganisatie voldoende representatief is.[119] De factoren die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de representativiteit van een belangenorganisatie kunnen blijkens de parlementaire geschiedenis echter wel worden meegewogen bij de beoordeling of is voldaan aan het waarborgvereiste.[120] De parlementaire geschiedenis benadrukt dat het aantal benadeelden dat is aangesloten bij een belangenorganisatie geen formeel vereiste is. Het vormt een belangrijke aanwijzing dat is voldaan aan het waarborgvereiste, maar moet niet altijd doorslaggevend zijn. Niet ondenkbaar is immers, zo vervolgt de parlementaire geschiedenis, dat een louter door eigen com- merciële doelstellingen gedreven belangenorganisatie door agressieve werving in staat is geweest een aanzienlijke achterban te verwerven, terwijl het andersom niet zo is dat een organisatie met een geringe achterban daardoor per definitie niet aan het waarborgvereiste zou voldoen.[121] 6Onderdeel 3: gelijksoortigheidsvereiste 6.1 Onderdeel 3 omvat negen subonderdelen. Het onderdeel komt op tegen het oordeel van het hof dat is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste van art. 3:305a lid 1 BW (oud) (rov. 3.26 en 3.44) en de aan dit oordeel ten grondslag liggende overwegingen in rov. 3.24 en 3.25. Laatstgenoemde rechtsoverwegingen luiden als volgt: “3.24 Anders dan in het betoog van Trafigura c.s. besloten lijkt te liggen, houden de door de Hoge Raad ontwikkelde maatstaven geenszins in dat een eiser die een collectieve actie instelt, slechts in zijn vordering kan worden ontvangen, nadat hij heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt dat het instellen van de collectieve actie daadwerkelijk tot efficiënte en effectieve rechts- bescherming leidt. Voldoende is dat de betrokken belangen zich voor bundeling lenen, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming kan worden bevorderd. 3.25 Als onbetwist staat vast dat Compagnie Tommy op of omstreeks 19 augustus 2006 slops uit de Probo Koala op verschillende locaties in en rond Abidjan heeft gestort. De vorderingen van de Stichting zijn alle gebaseerd op de stelling dat dit onbetwiste feit een grondslag voor aansprakelijkheid van Trafigura c.s. oplevert. Reeds daarom lenen de belangen ter bescherming waar- van de vorderingen van de Stichting strekken zich voor bundeling en dienen die belangen als gelijksoortig te worden aangemerkt. Hieraan doet niet af dat de stoffen in de slops ongelijksoortig van chemische samenstelling kunnen zijn geweest, dat zij in verschillende tankwagens zijn gepompt, dat zij op verschillende momenten zijn gestort, dat niet alle locaties in en rond Abidjan waar de slops zijn gestort dicht bij elkaar liggen, dat de slops zich op verschillende wijzen na de stortingen in het milieu kunnen hebben verspreid, dat de stortingen voor slachtoffers uiteenlo- pende gevolgen hebben gehad en dat het op voorhand niet eenvoudig is te bepalen wie wel en wie niet als slachtoffer kan worden aangemerkt. De collectieve actie strekt slechts tot het verkrijgen van een algemeen oordeel over de onrechtmatigheid van de stortingen van de slops en ziet juist niet op (en dwingt ook niet tot) beoordeling van de hiervoor genoemde geschilpunten of andere, meer gedetailleerde geschilpunten. Die kunnen zo nodig in individuele vervolgprocedures aan de orde komen.” 6.2 Subonderdeel 3.1 klaagt dat het hof met zijn in rov. 3.25 vervatte oordeel dat de collectieve actie slechts strekt tot het verkrijgen van een ‘algemeen onrechtmatigheidsoordeel’ een onbegrijpelijke uitleg geeft aan de vorderingen 1a, 1b, 1d, 2 en 3, nu deze vorderingen niet strekken tot het verkrijgen van een algemeen onrechtmatigheidsoordeel, maar zien op het vaststellen van aansprakelijkheid of onrechtmatigheid jegens, of betaling van schadevergoeding aan, bepaalde personen. Waar het hof in rov. 3.25 oordeelt dat de vorderingen van de Stichting alle zijn gebaseerd op de stelling dat de stortingen van de slops een grondslag vormen voor aansprakelijkheid van Trafigura c.s., zou het voorts een onbegrijpelijke uitleg geven aan vorderingen 1b en 1c, nu deze vorderingen niet op aansprakelijkheid zien. 6.3 De eerste motiveringsklacht leest de overweging van het hof dat de collectieve actie slechts strekt tot het verkrijgen van een algemeen oordeel over de onrechtmatigheid van de stortingen van de slops kennelijk aldus, dat het hof van oordeel zou zijn geweest dat de collectieve actie strekt tot de vaststelling dat Trafigura c.s. in abstracto of in algemene zin onrechtmatig zou hebben gehandeld, en dus niet in een concrete rechtsverhouding jegens (een) bepaalde (groep) personen (in casu: de ‘statutaire achterban’ van de Stichting).[122] 6.4 Deze lezing lijkt mij echter niet juist. Het hof overweegt direct aansluitend op zijn bestreden overweging dat de collectieve actie “juist niet [ziet] op (en (…) ook niet [dwingt] tot) beoordeling van de hiervoor genoemde geschilpunten of andere, meer gedetailleerde geschilpunten” en dat die geschilpunten “zo nodig in individuele vervolgprocedures aan de orde kunnen komen” (mijn onderstrepingen). Gelet hierop en op de aard van de ‘geschilpunten’ die het hof eerder in rov. 3.25 noemt, begrijp ik de bestreden overweging zo, dat het hof met het woord ‘algemeen’ heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de beoordeling van de onrechtmatig- heid van de stortingen van de slops als zodanig, waarop de collectieve actie volgens het hof ziet, kan plaatsvinden zonder dat daarbij specifieke individuele factoren c.q. bijzondere om- standigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden hoeven te worden betrokken. Voor de eerste motiveringsklacht betekent dit dat de klacht feitelijke grondslag mist, nu zij uitgaat van een andere, onjuiste, lezing van de bestreden overweging. 6.5 De tweede motiveringsklacht neemt tot uitgangspunt dat uit ’s hofs overweging dat de vorde- ringen van de Stichting alle zijn gebaseerd op de stelling dat – kort gezegd – de stortingen van de slops (“dit onbetwiste feit”) een grondslag voor aansprakelijkheid van Trafigura c.s. oplevert, is op te maken dat het hof van oordeel zou zijn dat de vorderingen 1b en 1c zouden zien op de aansprakelijkheid van Trafigura c.s. en niet ‘slechts’, zo voeg ik toe, op de on- rechtmatigheid van haar handelen. Aldus zou het hof een onbegrijpelijk uitleg aan deze vor- deringen hebben gegeven. 6.6 De klacht kan hierin niet worden gevolgd. Het hof heeft met de bestreden overweging niet méér bedoeld dan tot uitdrukking te brengen dat alle vorderingen van de Stichting zijn ge- grond op de stortingen van de slops (als de gestelde schadeveroorzakende gebeurtenis). Dat de overweging van het hof niet in de door de klacht bedoelde zin is op te vatten, volgt ook hieruit dat het hof aan het slot van rov. 3.25 overweegt dat de collectieve actie slechts strekt tot het verkrijgen van een algemeen oordeel over de onrechtmatigheid van de stortingen van de slops. De tweede motiveringsklacht stuit op het voorgaande af. 6.7 Daarmee falen beide klachten van subonderdeel 3.1. 6.8 Subonderdeel 3.2 betoogt dat het hof met zijn oordelen miskent dat onrechtmatigheid niet in abstracto of in algemene zin kan worden vastgesteld, maar alleen in een concrete rechtsverhouding, jegens een ander. De oordelen zouden daarnaast aan een motiveringsgebrek lijden, omdat zonder nadere motivering niet zou zijn in te zien hoe kan worden aangenomen dat Trafigura c.s. aansprakelijk is of onrechtmatig zou hebben gehandeld, zonder dat dit in een concrete rechtsverhouding wordt beoordeeld. Daarnaast wordt geklaagd dat het hof voorbij is gegaan aan de essentiële stellingen van Trafigura c.s. dat zowel naar Nederlands als Ivoriaans recht een gevorderd aansprakelijkheids- of onrechtmatigheidsoordeel slechts kan worden betrokken op een concrete rechtsverhouding. Althans, niet is in te zien welke rechtsverhouding het hof voor ogen heeft gehad, nu het oordeelt dat dit geschilpunten zijn voor individuele vervolgprocedures. Het subonderdeel besluit met de klacht dat voor zover het hof van oordeel is dat sprake is van een algemeen belangactie, dit oordeel onjuist is, althans dat het hof daarmee een onbegrijpelijke lezing geeft aan het petitum van de Stichting. 6.9 De eerste drie klachten van het subonderdeel berusten op het uitgangspunt dat uit ’s hofs overwegingen in – naar ik aanneem – rov. 3.25 volgt dat het hof van oordeel is dat een onrechtmatigheidsoordeel niet hoeft te worden betrokken op een concrete rechtsverhouding.[123] Een dergelijk oordeel is echter niet te lezen in de overwegingen van het hof, zoals ik onder 6.4 heb uiteengezet. De klachten treffen derhalve geen doel. 6.10 Het subonderdeel klaagt verder tevergeefs dat niet zou zijn in te zien welke rechtsverhouding het hof voor ogen heeft gehad. Het hof refereert in het kader van de ‘geschilpunten’ die het noemt in rov. 3.25 aan ‘slachtoffers’, namelijk waar het overweegt dat (aan het voorgaande niet afdoet dat) “(…) de stortingen voor slachtoffers uiteenlopende gevolgen hebben gehad en dat het op voorhand niet eenvoudig is te bepalen wie wel en wie niet als slachtoffer kan worden aangemerkt.”. Deze overwegingen – de laatste overweging in het bijzonder, nu deze kennelijk refereert aan de stelling van Trafigura c.s. dat het niet mogelijk is om eenvoudig en objectief te bepalen wie behoort tot de groep belanghebbenden wier belangen de Stichting met de collectieve actie beoogt te behartigen [124] – duiden erop dat het hof het oog heeft gehad op de rechtsverhouding tussen Trafigura c.s. en de achterban van de Stichting. Die achterban is in de statuten van de Stichting omschreven als “personen (hierna: ‘slachtoffers’), die schade aan hun gezondheid en/of vermogen hebben geleden, lijden of zullen lijden die niet (volledig) is gecompenseerd en die voortvloeit of verband houdt met”, kort gezegd, de stor- tingen van de slops.[125] Een deel van de vorderingen spreekt in dit verband van “personen die schade aan hun gezondheid en/of vermogen hebben geleden, lijden of zullen lijden, welke schade niet of niet volledig is vergoed”, door de stortingen van de slops (zie onder 2.13). 6.11 De slotklacht van het subonderdeel stuit hierop af, dat – naar uit het voorgaande volgt – het hof onder ogen heeft gezien dat de collectieve actie strekt tot bescherming van de belangen van, kort gezegd, de statutaire achterban van de Stichting. 6.12 Subonderdeel 3.2 faalt. 6.13 Subonderdeel 3.3 stelt dat het betoog van subonderdeel 3.2 in het bijzonder geldt voor (de beoordeling van) vordering 1c en 2, omdat daarin door de Stichting geen rechtsverhouding wordt genoemd of gespecificeerd. Volgens het subonderdeel kan het oordeel dat aan het gelijksoortigheidsvereiste is voldaan niet in stand blijven met betrekking tot de vorderingen 1c en 2, omdat de Stichting niet in deze vorderingen kan worden ontvangen. De daarmee gevorderde verklaring voor recht strekt namelijk niet tot vaststelling van een rechtsverhouding als bedoeld in art. 3:302 BW, en bovendien heeft de Stichting als gevolg daarvan bij deze vorderingen geen belang in de zin van art. 3:303 BW.[126] Het hof zou dit met zijn bestreden oordelen hebben miskend. Verder wordt aangevoerd dat voor zover het hof meent dat een verklaring voor recht zonder vaststelling van een rechtsbetrekking naar Ivoriaans recht wel gevorderd kan worden en toewijsbaar is, dit oordeel onbegrijpelijk is. Ook wordt geklaagd dat het hof voorbij zou zijn gegaan aan de essentiële stellingen van Trafigura c.s., dat de Stichting geen concreet en rechtens te respecteren (processueel of materieel) belang heeft bij de vorderingen 1c en 2, nu een toewijzing van deze vorderingen de Stichting of haar achterban niet in een betere positie kan brengen. 6.14 Het subonderdeel faalt waar het aanvoert dat het betoog van subonderdeel 3.2 in het bijzonder geldt voor de vorderingen 1c en 2. Ook in dit verband geldt immers dat dit betoog berust op het onjuiste uitgangspunt dat het hof zou hebben geoordeeld dat onrechtmatigheid in abstracto of in algemene zin kan worden vastgesteld. Ik verwijs naar wat hierover onder 6.4 en 6.9 is opgemerkt. 6.15 Bij de beoordeling van de overige klachten van het subonderdeel moet voor ogen worden gehouden dat de door onderdeel 3 bestreden oordelen van het hof betrekking hebben op de vraag of is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste van art. 3:305a lid 1 BW (oud). De strekking van het onderdeel is dan ook dat het oordeel van het hof dat aan dit vereiste is voldaan, ondeugdelijk is. Dat de Stichting om de door het subonderdeel genoemde redenen niet zou kunnen worden ontvangen in haar vorderingen 1c en 2 kan, wat er verder ook van dit betoog van Trafigura c.s. zij, geen grond vormen voor aantasting van het hier aan de orde zijnde ‘gelijksoortigheidsoordeel’ van het hof. Bij de toets of aan het gelijksoortigheidsvereiste is voldaan, komt het immers aan op de vraag of de betrokken belangen zich lenen voor bundeling. Dááraan raakt het betoog van het subonderdeel niet. Ook de (door het subonderdeel als essentieel aangemerkte) stellingen van Trafigura c.s. die het subonderdeel noemt, doen dit niet; deze stellingen staan in de sleutel van het (ontbreken van) belang van de Stichting bij de vorderingen 1c en 2, als bedoeld in art. 3:303 BW. Op grond hiervan falen ook de overige klachten van het subonderdeel. 6.16 Subonderdeel 3.4 komt op tegen ’s hofs oordeel in rov. 3.25 dat reeds hierom aan het gelijk- soortigheidsvereiste is voldaan, dat de vorderingen van de Stichting alle zijn gebaseerd op de stelling dat het onbetwiste feit dat Compagnie Tommy in augustus 2006 op verschillende locaties in en rond Abidjan slops heeft gestort een grondslag voor aansprakelijkheid van Trafi- gura c.s. oplevert. Het hof zou hiermee hebben miskend dat het stellen en ten grondslag leggen in een collectieve actie van één (bloot) feit aan verschillende vorderingen, niet maakt dat is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste (klacht 1). Althans zou zonder nadere moti- vering, die ontbreekt, niet zijn in te zien waarom in dit geval het baseren van de vorderingen op één feit leidt tot de slotsom dat dit vereiste is vervuld (klacht 2). Het subonderdeel klaagt voorts dat het hof miskent dat voor de vraag of is voldaan aan de eis van gelijksoortigheid bepalend is of daarmee een effectieve en efficiënte rechtsbescherming wordt bevorderen en/of het instellen van een collectieve actie meerwaarde heeft boven individuele geschilbe- slechting, en dat deze beoordeling dient te geschieden aan de hand van alle omstandigheden van het geval (klacht 3). 6.17 Het subonderdeel komt er in de kern op neer dat het hof aan de hand van een onjuiste maatstaf heeft getoetst of is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste.[127] Dit is echter niet het geval. Het hof geeft aansluitend op zijn bestreden oordeel een opsomming van een aantal ‘geschilpunten’ (het gaat hier om stellingen van Trafigura c.s. [128]), waarbij het hof overweegt dat deze punten niet aan zijn hier bestreden oordeel afdoen. Het hof licht dit aldus toe, dat de collectieve actie slechts strekt tot het verkrijgen van een algemeen oordeel over de onrechtmatigheid van de stortingen van de slops en juist niet ziet op (en ook niet dwingt tot) beoordeling van de eerder in rov. 3.25 opgesomde geschilpunten of andere, meer gedetailleerde geschilpunten. Zoals ik onder 6.4 heb uiteengezet, moet deze overweging zo worden begrepen dat bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van de stortingen van de slops als zodanig, waarop de collectieve actie volgens het hof ziet, kan worden geabstraheerd van specifieke, individuele factoren c.q. bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individu- ele belanghebbenden. Aldus kan niet worden gezegd dat het hof de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf (zie onder 5.14), die het hof bij zijn toets aan het gelijksoortigheids- vereiste ook vooropstelt (rov. 3.19), heeft miskend. De eerste twee klachten van het subonderdeel stuiten op het voorgaande af. 6.18 Ook de derde klacht slaagt niet. Daartoe geldt het volgende. 6.19 Het eerste deel van deze klacht lijkt tot uitgangspunt te nemen dat bij de toets aan het gelijk- soortigheidsvereiste ook moet worden beoordeeld of met de collectieve actie een efficiënte en effectieve rechtsbescherming wordt bevordert, en of de collectieve actie aldus meerwaarde heeft boven individuele geschilbeslechting. Hiervoor is echter uiteengezet dat art. 3:305a BW (oud) (een) dergelijke eis(
- en)niet stelt (in tegenstelling tot het recent ingevoerde art. 1018c lid 5, onder b Rv; zie onder 5.9). De wetgever heeft er bewust van afgezien om als ontvankelijkheidsvoorwaarde op te nemen dat het instellen van een collectieve actie in plaats van individuele acties gerechtvaardigd is (zie onder 5.7-5.8). Ik begrijp de parlementaire ge- schiedenis zo, dat aan een dergelijke voorwaarde geen behoefte bestaat, omdat het aspect van het bevorderen van een effectieve en efficiënte rechtsbescherming c.q. de meerwaarde van een collectieve actie boven individuele acties (reeds) in het gelijksoortigheidsvereiste besloten ligt. 6.20 Dit sluit ook aan bij de formulering die de Hoge Raad in verband met het gelijksoortigheids- vereiste van art. 3:305a BW (oud) bezigt, namelijk dat aan dit vereiste is voldaan indien “de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt, zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd” (zie onder 5.14; mijn onderstreping).[129] 6.21 Uit het voorgaande volgt dat de derde klacht van het subonderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting, waar de klacht tot uitgangspunt neemt dat pas aan het gelijksoortigheidsvereiste is voldaan als óók vaststaat of aannemelijk is dat de collectieve actie een efficiënte en effectieve rechtsbescherming bevordert (of kan bevorderden), en aldus meerwaarde heeft boven individuele geschilbeslechting. 6.22 De derde klacht faalt eveneens waar zij stelt dat het hof zou hebben miskend dat aan de hand van alle omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of aan het gelijksoor- tigheidsvereiste is voldaan (vgl. onder 5.13). Het hof heeft in rov. 3.25 immers bezien of de door Trafigura c.s. aangedragen feiten en omstandigheden c.q. stellingen (‘geschilpunten’) maken dat níet aan dit vereiste is voldaan. 6.23 Daarmee falen alle klachten van subonderdeel 3.4. 6.24 Subonderdeel 3.5 stelt dat onjuist is dat de stellingen van Trafigura c.s. – die het hof in rov. 3.25 onder de noemer ‘geschilpunten’ aanhaalt – niet aan het door subonderdeel 3.4 bestreden oordeel afdoen, omdat uit deze stellingen volgt dat het aantal variabelen waarmee rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van een aansprakelijkheid of een onrechtmatig handelen jegens iemand zo groot is, dat dit aan collectieve afdoening in de weg staat. Het subonderdeel klaagt voorts dat het hof een onbegrijpelijke uitleg zou hebben gegeven aan de bewuste stellingen van Trafigura c.s., omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet zou zijn in te zien waarom deze stellingen niet aan ’s hofs oordeel zouden afdoen. 6.25 Het subonderdeel faalt. Het hof heeft zijn oordeel dat de in rov. 3.25 genoemde geschilpunten (de stellingen van Trafigura c.s.) niet afdoen aan zijn eerder gegeven oordeel dat is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste omdat de vorderingen van de Stichting alle zijn gebaseerd op de stelling dat de stortingen van de slops een grondslag voor aansprakelijkheid van Trafi- gura c.s. oplevert, aldus gemotiveerd dat de collectieve actie slechts strekt tot het verkrijgen van een algemeen oordeel over de onrechtmatigheid van de stortingen van de slops en juist niet ziet op (en ook niet dwingt tot) beoordeling van deze geschilpunten of andere, meer gedetailleerde geschilpunten. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat ’s hofs oordeel dat de stellingen van Trafigura c.s. niet aan zijn eerder geven oordeel afdoen, onjuist of onvoldoende gemotiveerd is. 6.26 Subonderdeel 3.6 klaagt dat het hof miskent, in het bijzonder aan het slot van rov. 3.25 (waar het hof overweegt: “die [geschilpunten; A-G] kunnen zo nodig in individuele vervolgprocedures aan de orde komen”), dat is vereist dat de collectieve vorderingen kunnen worden beoordeeld zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken hoeven te worden. Ook zou het hof miskennen dat de stellingen van Trafigura c.s. hierop zien en de beoordeling daarvan aldus niet kan worden doorgeschoven naar vervolgprocedures. Het subonderdeel klaagt daarnaast dat ’s hofs oordelen onbe- grijpelijk zijn, omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat bij de beoordeling van de vorderingen van de Stichting kan worden geabstraheerd van bijzondere individuele omstandigheden. 6.27 De rechtsklachten van het subonderdeel falen. Het hof is wel degelijk nagegaan of bij de beoordeling van de vorderingen van Stichting kan worden geabstraheerd van de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden. Ik verwijs naar wat ik onder 6.17 heb opgemerkt. Evenmin kan worden gezegd dat het hof heeft miskend dat de stellingen van Trafigura c.s. daarop zien, nu het hof in rov. 3.25 juist onder verwijzing naar deze stellingen – door het hof aangeduid als geschilpunten (vgl. onder 6.17) – beoordeelt of bij de beoordeling van de door de Stichting ingestelde vorderingen acht moet worden gesla- gen op bijzondere individuele omstandigheden (“de collectieve actie (…) ziet juist niet op (en dwingt ook niet tot) beoordeling van de hiervoor genoemde geschilpunten, of andere, meer gedetailleerde geschilpunten”; mijn onderstreping). 6.28 Bij de beoordeling van de motiveringsklacht van subonderdeel 3.6 kan het volgende worden vooropgesteld. 6.29 Het hof overweegt aan het slot van rov. 3.25 dat “de collectieve actie slechts strekt tot het verkrijgen van een algemeen oordeel over de onrechtmatigheid van de stortingen van de slop