PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/01849 Zitting 17 september 2021 CONCLUSIE B.J. Drijber In de zaak van 1. [eiseres 1] 2. [eiser 2] 3. [eiseres 3] 4. [eiseres 4] 5. [eiser 5] 6. [eiseres 6], eisers tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijk incidenteel beroep, advocaat: mr. J. den Hoed tegen Gemeente Borne verweerster in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel beroep, advocaat: mr. J.F. de Groot 1Inleiding Deze zaak kent een lange voorgeschiedenis. Eisers tot cassatie (hierna: [eiser] in het mannelijk enkelvoud) zijn met bestuursrechtelijke beroepen opgekomen tegen diverse ruimtelijke ordeningsbesluiten van de gemeente Borne en hebben tevens civielrechtelijke procedures gevoerd. De onderhavige procedure is in 2012 gestart en eerder bij de Hoge Raad geweest. Na vernietiging en verwijzing heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het verwijzingshof) de vorderingen van [eiser] afgewezen. Na verwijzing stond centraal de vraag of de gemeente was gehouden [eiser] uit te kopen en, zo ja, of zij door dat niet te doen het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden en daarom jegens [eiser] schadeplichtig is. 2Feiten 2.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten: (
(5), is te zien dat het perceel van de familie [eiser] binnen het gebied valt dat is aangeduid als “bedrijven”. 9.1.4. Bij besluit van 31 oktober 2002 heeft de raad van de gemeente Borne het Structuurplan uitbreiding Borne vastgesteld, hierna: het Structuurplan. Het Structuurplan vermeldt, in het verlengde van het Voorkeursmodel, voor zover in dit geding van belang, op bladzijde 31 dat de ontwikkeling van bedrijvigheid plaatsvindt aan de zuidwestelijke en westelijke rand van Borne . Het betreft onder andere [bedrijventerrein 1] . Uit de tekening op bladzijde 9 van het Structuurplan van het plangebied, waarbinnen de ontwikkelingen moeten plaatsvinden kan worden afgeleid dat het perceel van de familie [eiser] buiten dit gebied valt, maar op tekeningen, waarop de uitwerking van het Structuurplan te zien is, op bladzijden 26 en 30, is te zien dat het perceel van de familie [eiser] binnen het gebied valt dat is aangeduid als “bedrijven”. (…) 9.5.2.8. De familie [eiser] heeft voorts betoogd dat de gemeente bedrog heeft gepleegd, door in de akte na tussenarrest wel de tot het Voorkeursmodel en het Structuurplan behorende kaart waarop te zien valt dat het perceel van de familie [eiser] buiten het te ontwikkelen plangebied valt, in te brengen en zich daarop te beroepen, maar dat na te laten ten aanzien van de kaarten waarop te zien valt dat het perceel van de familie [eiser] daarbinnen valt (zie hierboven rov. 9.1.3 en 9.1.4.). Van de onvolledigheid van de informatieverschaffing kan de gemeente een verwijt worden gemaakt, zeker gezien de door het hof in het tussenarrest aan de gemeente gestelde vraag. In dit geding is echter niet gebleken dat de gemeente opzettelijk onvolledige informatie heeft verstrekt. Daarbij acht het hof van belang dat het Voorkeursmodel en het Structuurplan kaarten bevatten die niet (geheel) met elkaar overeenstemmen, dat het Structuurplan een groter gebied op hoofdlijnen betreft en kaarten daarin minder gedetailleerd zijn uitgewerkt dan bijvoorbeeld bij een bestemmingsplan, en dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de gemeente opzettelijk de ene kaart wel en de andere niet heeft overgelegd. (…) 4.17 De klachten vechten ook rov. 9.5.3.3 van het eindarrest aan (geciteerd in 3.25). Daarin heeft het verwijzingshof onder verwijzing naar rov. 9.1.3 en 9.1.4 geoordeeld dat uit de kaarten bij het structuurplan niet is af te leiden dat het perceel van de familie [eiser] onderdeel uitmaakte van de concretere plannen voor het [bedrijventerrein 1] . 4.18 Onderdelen IIa en IIb klagen dat het onbegrijpelijk is dat het verwijzingshof dit oordeel baseert op het gegeven dat in het Structuurplan (vgl. 2.2, onder (iii)) kaarten zijn opgenomen waarin de ene keer wel en de andere keer niet het perceel van [eiser] in het (plan)gebied met als aanduiding ‘bedrijven’ is opgenomen (klacht Ia) of op de vaststellingen dat het Structuurplan een veel groter gebied dan [bedrijventerrein 1] beslaat, het de ruimtelijke plannen van dit grotere gebied op hoofdlijnen bevat, en het lokaal minder uitgewerkt is (klacht Ib). Daartoe voert [eiser] aan dat (met name) in model 5, het voorkeursmodel, dat is weergegeven op bladzijde 22 van deel II van het Structuurplan, en op bladzijde 26 en 30 van het Structuurplan het perceel is opgenomen in het plangebied met als aanduiding ‘bedrijven’, en dat de gemeente heeft bevestigd dat het perceel in het structuurplan wél onderdeel uitmaakt van het plangebied. 4.19 Onderdeel IIc klaagt dat het verwijzingshof met zijn oordeel in rov. 9.3.1 uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, omdat met de vaststelling van het Structuurplan het Voorkeursmodel was achterhaald en de gemeente zich met het Structuurplan vastlegde op de daarin vervatte gebiedsontwikkeling. Aan het Voorkeursmodel komt niet dezelfde betekenis toe als aan het Structuurplan. Daaraan verbindt het onderdeel een motiveringsklacht. 4.20 Onderdeel IId richt motiveringsklachten tegen rov. 9.1.4 voor zover het hof met zijn overweging dat uit de tekening op bladzijde 9 van het Structuurplan van het plangebied kan worden afgeleid dat het perceel van de familie [eiser] buiten dit gebied valt, heeft bedoeld om deze tekening gelijk te stellen aan de uitwerking van het Structuurplan op bladzijde 26 en 30. De procesinleiding nr. 4.37 bevat een hierop voortbouwende klacht die is gericht tegen rov. 9.5.2.8 en 9.5.3.3. 4.21 Onderdeel IIe is gericht tegen de zojuist geciteerde rov. 9.5.2.8, voor zover het hof daarin van belang acht dat het Voorkeursmodel en het structuurplan kaarten bevatten die niet (geheel) met elkaar overeenstemmen, dat het Structuurplan een groter gebied op hoofdlijnen betreft en dat de kaarten daarin minder gedetailleerd zijn uitgewerkt dan bijvoorbeeld bij een bestemmingsplan. De argumentatie volgt hetzelfde betoog als bij de vorige klachten, en voegt toe dat [het bestemmingsplan] dezelfde kaart weergeeft als het Structuurplan maar het Voorkeursmodel juist een aanzienlijk groter gebied weergeeft, en daarom niet duidelijk kan worden afgeleid of het perceel van [eiser] toen al tot het plangebied werd gerekend. 4.22 Onderdeel IIf bestrijdt rov. 9.5.2 met een motiveringsklacht bestreden op de grond dat de gemeente het deed voorkomen alsof het model op bladzijde 3 van het voorkeursmodel (en opgenomen op bladzijde 9 van deel II van het Structuurplan) als basis diende voor het Structuurplan, terwijl hierin enkel model 5 als voorkeursmodel is aangewezen, waarop het Structuurplan, bladzijde 26, is gebaseerd. 4.23 De zojuist gegeven samenvatting van de verschillende klachten wijst uit dat zij in essentie over hetzelfde gaan en hetzelfde betogen. Daarom zal ik ze gezamenlijk behandelen. 4.24 De bestreden rechtsoverwegingen bevatten de waardering van (de kaarten bij) het Structuurplan (en in mindere mate het Voorkeursmodel). Het verwijzingshof moest oordelen (
- i)over de vraag of aan de gemeente het verwijt van bedrog of misleiding kan worden gemaakt wegens het achterhouden van informatie (door slechts die kaarten te overleggen waarop het perceel buiten het plangebied valt; vgl. rov. 9.5.2.8) en (
- ii)over de vraag of de gemeente op zakelijke gronden heeft besloten om het perceel van de familie niet aan te kopen (vgl. rov. 9.5.3.3). 4.25 Ik stel voorop dat het verwijzingshof als feitenrechter vrij is in de waardering van de feiten. Tegen de feitenvaststelling (rov. 9.1.3-9.1.4) heeft [eiser] geen klachten gericht. Uit die feitenvaststelling blijkt dat zowel de kaarten bij het Voorkeursmodel als het Structuurplan geen eenduidig antwoord geven op de vraag of het perceel van de familie [eiser] binnen het plangebied valt. Het verwijzingshof verwijst, net als [eiser] , naar het voorkeursmodel 5 en op de bladzijden 26 en 30 van het Structuurplan. 4.26 Door rov. 9.5.2.8 en 9.5.3.3 te bestrijden richt het middel klachten tegen specifieke onderdelen van het oordeel van het verwijzingshof en gaat daarmee eraan voorbij dat het verwijzingshof zijn oordeel op verschillende andere feiten heeft gebaseerd. Zo heeft het verwijzingshof het oordeel dat de gemeente geen bedrog of misleiding heeft gepleegd, ook gebaseerd op de vaststelling dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de gemeente opzettelijk de ene kaart wel en de andere niet heeft overlegd (vgl. eveneens rov. 9.5.2.8). Dit feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk. 4.27 Het oordeel dat de gemeente op zakelijke gronden heeft besloten het perceel van de familie [eiser] niet aan te kopen is eveneens op meerdere grondslagen gebaseerd, onder meer op de in cassatie onbestreden vaststelling in rov. 9.1.2 dat de gemeente in 2000 een voorkeursrecht heeft gevestigd op de percelen die zij later heeft aangekocht maar niet op het perceel van de familie [eiser] . Op de aangekochte percelen, ten zuiden van de [b-straat] - [a-straat] , heeft de gemeente Borne in 2000 een voorkeursrecht gevestigd op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten. Op het perceel van [eiser] daarentegen is nooit een voorkeursrecht gevestigd. 4.28 In dit verband wijst het verwijzingshof ook op de Nota van Uitgangspunten voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein (zie rov. 9.1.5) en het voorbereidingsbesluit van 28 oktober 2004. Ook daarin valt het perceel van [eiser] buiten het plangebied van het bestemmingsplan (zie rov. 9.1.8, onbestreden in cassatie). Pas in het najaar 2004 heeft de gemeente onderzocht of genoemd perceel binnen het bestemmingsplan kon worden gebracht, om de bedrijfsactiviteiten van [eiser] die daar plaatsvinden te legaliseren. 4.29 Gelet op deze concrete besluiten en beleidsdocumenten is niet onbegrijpelijk het oordeel van het verwijzingshof in rov. 9.5.3.3 omtrent de duiding van het Voorkeursmodel en het Structuurplan en de plaats daarin van het perceel van [eiser] . 4.30 Het voorgaande betekent dat de klachten in onderdeel 2 geen doel treffen. Onderdeel III (misleiding of bedrog door de gemeente) 4.31 Onderdeel III van het middel is gericht tegen rov. 9.5.2.9 van het eindarrest, welke overweging als volgt luidt: “9.5.2.9. De familie [eiser] heeft ten slotte betoogd dat de gemeente Borne bedrog heeft gepleegd door bedrijfswoningen binnen het plangebied van [het bestemmingsplan] 2006, gelegen ten zuiden van de [b-straat] , te presenteren als woningen en door burgerwoningen gelegen buiten plangebied van [het bestemmingsplan] , namelijk ten noorden van de [b-straat] , op te voeren. Dit betoog wordt door het hof verworpen. De gemeente mocht ervan uitgaan dat het voor de familie [eiser] duidelijk was hoe de planologische situatie met betrekking tot deze woningen was. Dat was, gezien de inhoudelijke reactie in de processtukken van de familie [eiser] op de argumentatie van de gemeente, ook het geval. Door deze woningen te betrekken in haar argumentatie heeft de gemeente de rechter en haar wederpartij daarom niet op het verkeerde been gezet.” 4.32 Volgens het middel heeft het verwijzingshof bij de beoordeling of de gemeente Borne het hof trachtte te misleiden of bedrog pleegde als onjuiste maatstaf gebruikt of het, naar de gemeente mocht menen, [eiser] duidelijk was hoe de planologische situatie ter plaatse was en of [eiser] die daadwerkelijk kende. Het verwijzingshof had volgens het onderdeel moeten toetsen of de gemeente welbewust het verwijzingshof een onjuist beeld voorhield om het tot een voor haar gunstige beslissing te bewegen (zie nr. 4.43). 4.33 Deze rechtsklacht faalt. Daargelaten dat het onderdeel niet toelicht welke rechtsregel zou zijn geschonden, gaat het hier om een oordeel van zuiver feitelijke aard inhoudende dat van misleiding of bedrog geen sprake kan zijn nu de familie [eiser] op de hoogte was van de planologische situatie van de woningen in het gebied. Het onderdeel voert niet aan dat dit oordeel onbegrijpelijk is. 4.34 In nr. 4.41 betoogt [eiser] dat de gemeente het verwijzingshof heeft misleid door de bedrijfswoning aan de [b-straat 1] en [b-straat 2] te presenteren als woningen. [eiser] stelt dat het verwijzingshof deze stelling in het midden heeft gelaten en wil daaraan een hypothetische feitelijke grondslag voor het cassatieberoep ontlenen. Concreet: de gemeente presenteerde bedrijfswoningen ten zuiden van de [b-straat] als woningen. Die stelling acht ik onjuist. Niet alleen heeft de gemeente die stelling betwist, ook heeft het hof op die stelling gerespondeerd in rov. 9.5.2.9. 4.35 Onderdeel III kan niet tot cassatie leiden. Onderdeel IV (gelijkheidsbeginsel) 4.36 Onderdeel IV van het middel voert aan dat het verwijzingshof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, indien het van oordeel is dat ter beantwoording van de vraag of het gelijkheidsbeginsel is geschonden niet alle omstandigheden van het concrete geval in aanmerking hoeven te worden genomen. 4.37 De klacht mist feitelijke grondslag. Het verwijzingshof geeft geen oordeel met de strekking dat bij de beoordeling van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel niet alle omstandigheden van het concrete geval in aanmerking moeten worden genomen. De klacht laat ook na te specificeren in welke overweging dit oordeel besloten zou liggen. 4.38 Het onderdeel stelt verder (in nr. 4.45) dat het verwijzingshof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet relevant is de brief van Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel aan de gemeenteraad van Borne van 17 oktober 2006 (vgl. hiervoor, 3.17). Daarin wordt vermeld dat uit navraag bij de gemeenten (meervoud, ik neem aan dat het ging om Borne en Hengelo) blijkt dat zij voornemens zijn om alle voor [het bestemmingsplan] benodigde gronden te verwerven en dus de eigenaren uit te kopen. Het perceel van [eiser] was daar niet van uitgezonderd, waarbij de klacht er kennelijk van uitgaat dat dit perceel tot de ‘benodigde gronden’ hoorde. 4.39 Deze klacht kan niet slagen. Het verwijzingshof is als feitenrechter vrij in de waardering van de feiten. Kennelijk heeft het verwijzingshof geen noodzaak gezien de (inhoud van
- de)brief van de provincie expliciet te benoemen in zijn motivering, hetgeen overigens niet betekent dat de inhoud niet in het oordeel is betrokken. Ik voeg toe dat mij uit het betoog van [eiser] niet geheel duidelijk is welke invloed deze brief zou hebben gehad op de conclusie in rov. 9.5.3.6 van het eindarrest dat de gemeente op ruimtelijke gronden heeft bepaald welke percelen anders zouden moeten worden ingericht om het bedrijventerrein te realiseren en dat het perceel van [eiser] daar niet onder viel. Onderdeel V (nader rapport en memo) 4.40 Onderdeel V van het middel klaagt dat onjuist dan wel onbegrijpelijk is het oordeel van het verwijzingshof in rov. 9.5.2.3 tot en met 9.5.2.6 dat de in eerste instantie weggelakte passages uit Voorstel 2010 (rapport van 20 januari 2010) en het Memo 2004 (brief van 7 oktober 2004) slechts persoonlijke beleidsopvattingen van betrokken ambtenaren inhouden. Volgens de klacht heeft het College van B&W daar zijn instemming aan verbonden en de opvattingen van de ambtenaren tot de zijne gemaakt. Bovendien had de burgemeester opdracht gekregen het genoemde rapport met [eiser] te delen. 4.41 Het verwijzingshof oordeelt in de bestreden rechtsoverwegingen hierover het volgende: “9.5.2.3. De gemeente heeft het zwart maken van de passages gemotiveerd door er een beroep op te doen dat deze passages persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren betreffen. Voor zover het gaat om persoonlijke beleidsopvattingen, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van misleiding, ook niet als die beleidsopvattingen tegen door de gemeentelijke organen genomen besluiten en/of door de gemeente in dit geding ingenomen standpunten ingaan, want de gemeente heeft niet gesteld, en evenmin de indruk gewekt, dat dit anders was. Van misleiding zou wel sprake zijn, indien in de weggelakte passages relevante feiten zijn vermeld die een ander licht op de zaak werpen dan de feiten die in deze procedure bekend waren. 9.5.2.4. Na kennisname van de aanvankelijk zwart gemaakte passages van de Memo 2004 en het Voorstel 2010 komt het hof tot de conclusie dat daarin geen feiten door de gemeente verborgen zijn gehouden. De passages behelzen beleidsopvattingen van de ambtenaren die deze stukken hebben opgesteld over voornamelijk juridische vragen, zoals de vragen of er sprake was van een bijzondere situatie die rechtvaardigde niet handhavend op te treden (Memo 2004), hoe het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan in het geval van de familie [eiser] uitwerkte (Voorstel 2010, pag. 3/4), of en in hoeverre de gemeente een beleidsmatige verantwoordelijkheid had in het kader van het woonklimaat (Voorstel 2010, pag. 5) en of er voor de gemeente een mogelijkheid was om medewerking te verlenen aan een verzoek tot bestemmingsplanwijziging ten behoeve van een woning (Voorstel 2010, pag. 6). Deze opvattingen zijn niet gebaseerd op feiten, die in deze procedure niet bekend waren. De familie [eiser] heeft het tegendeel ook niet (voldoende) gesteld. 9.5.2.5. Anders dan de familie [eiser] heeft betoogd, kunnen deze (interne) beleidsopvattingen niet worden aangemerkt als erkenningen van de gemeente Borne . De ambtenaren waren niet bevoegd om namens de gemeente Borne standpunten in te nemen over de kwesties, waarop deze beleidsopvattingen betrekking hebben. De besluiten van het college hebben betrekking op de punten die ter besluitvorming zijn voorgelegd. Er is geen enkel aanknopingspunt voor de opvatting dat in de besluiten van het college ligt besloten dat het college alles wat de ambtenaren als hun beleidsopvatting kenbaar hebben gemaakt in de Memo 2004 en het Voorstel 2010, als zijn besluit heeft overgenomen. Het betoog van de familie [eiser] stuit hierop in al zijn onderdelen af. 9.5.2.6. Specifiek over het betoog van de familie [eiser] dat de gemeente in het Voorstel 2010 heeft erkend dat uitkopen de enige “koninklijke” oplossing is overweegt het hof bovendien het volgende. Allereerst werd met het Voorstel 2010 aan het college niet de vraag voorgelegd of het perceel van de familie [eiser] al dan niet zou worden uitgekocht. De besluitvorming van het college heeft dan ook geen betrekking op de aankoop van het perceel van de familie [eiser] . Bovendien zijn de bewoordingen van de beleidsopvattingen van de betrokken ambtena(a)r(
- en)op dit punt niet eenduidig en zonder duidelijke conclusie. Op pag. 7 van het Voorstel 2010 wordt vermeld dat “de enige “koninklijke” oplossing is om alsnog binnen [het bestemmingsplan] mogelijkheden (lees financiële middelen) te zoeken om een eind te maken aan de situatie.” Daarna wordt als andere mogelijkheid genoemd het “laten voortbestaan van de huidige situatie, maar niet toe te staan dat er uitbreiding plaatsvindt.” Van deze laatste mogelijkheid worden vervolgens de nadelen uiteengezet. De conclusie van de passage is dat “de gemeente toch tenminste een morele verantwoordelijkheid voor dit dossier'” heeft “en daarmee ook een verantwoordelijkheid voor het zoeken naar een goede oplossing". 4.42 De klacht betoogt dat de zienswijze van de betrokken ambtenaren vervat in het Voorstel 2010 en het Memo 2004 moeten worden toegerekend aan de gemeente. Het onderdeel licht evenwel niet toe waarom die toerekening gevolgen heeft voor de beoordeling van het geschil. Daar komt bij dat het oordeel van het hof dat er in de relevante weggelakte passages geen feiten vermeld stonden die door de gemeente verborgen zijn gehouden, door [eiser] niet is aangevochten. Voor het overige heeft het hof voldoende begrijpelijk uiteengezet dat de bedoelde passages slechts persoonlijke beleidsopvattingen van de betrokken ambtenaren betroffen over voornamelijk juridische vragen. 4.43 Daarmee treft ook het laatste onderdeel geen doel. 5Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep Nu ik meen dat het principaal cassatieberoep tevergeefs is voorgesteld, behoeft het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van de gemeente geen bespreking. 6Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2563 ([eisers] / gemeente Borne en gemeente Hengelo). Zie tussenarrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 9 juli 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2384, rov. 6.1.1-6.1.12, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2017, rov. 3.1. ECLI:NL:RVS:2011:BP3671, JOM 2011/239. ECLI:NL:RVS:2013:1654, JM 2013/162, m.nt. F. Arents. Een uitsterfregeling is een vorm van overgangsrecht op grond waarvan bestaand gebruik kan worden voortgezet zo lang als dat feitelijk voortduurt. ECLI:NL:RVS:2016:123, JOM 2016/99. ECLI:NL:RVS:2014:4203. Vergelijk het (eind)arrest van het hof van 17 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:977, rov. 9.1.1-9.1.13. Vgl. rov. 4.2 van het bestreden arrest. In het petitum in de inleidende dagvaarding wordt in het tweede en derde cluster van de gevorderde verklaring voor recht ook gesproken van handelen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Rb. Overijssel 19 maart 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:1544. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 januari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:460. HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2563, NJ 2017/409, Gemeentestem 2018/4, m.nt. A. Snijders en Jurisprudentie Grondzaken 2017/83, m.nt. F.M.A. van der Loo. ECLI:NL:PHR:2017:655. Memorie na verwijzing met producties van 27 februari 2018 en akte vermeerdering van eis van 29 maart 2019. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 9 juli 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2384. Zie het uitvoerige proces-verbaal van die comparitie met vier bijlagen Vgl. o.a. schriftelijke toelichting [eiser] , nr. 4.2. Vlg. appeldagvaarding, nrs. 60 en 62, en 78-80, 86, 104, 109, 112, 146, 170 en 172. A. Snijders, Gemeentestem 2018/4, onder 16. Proces-verbaal van de zitting van 9 oktober 2019, p. 2. Vgl. de antwoord-akte na comparitie d.d. 12 november 2019 van de gemeente, onder 44 en 45. Akte na comparitie, nr. 40 en antwoordakte zijdens [eiser] d.d. 1 oktober 2019, nrs. 25-29. Zie de schriftelijke toelichting van de gemeente onder 2.39 en voetnoot 36 voor vindplaatsen. Zie ook rov. 6.6.5. van het tussenarrest.