vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” en feit 4 “medeplegen van oplichting”, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest, en waarbij is beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, een en ander zoals in het vonnis nader is omschreven.
het afwijzen van een verzoek om een getuige à charge te horen omdat het verzoek onvoldoende is gemotiveerd, inbreuk maakt op het in art. 6, derde lid onder d, EVRM gegarandeerde recht “to examine or have examined witnesses against him and to obtain the attendance and examination
witnesses on his behalf under the same conditions as witnesses against him”.
en, zo ja, onder welke voorwaarden de verklaringen van die getuigen niettemin kunnen worden gebruikt als bewijs voor een veroordeling. De consequentie is dan ook dat de feitenrechter een dergelijk verzoek niet mag afwijzen, tenzij de verdediging in een eerder stadium al de kans heeft gehad de getuige te ondervragen
als er een goede reden is dat de getuige niet door de verdediging ondervraagd kan worden. […] Indien deze consequentie wordt aanvaard, dan heeft dat onmiskenbaar gevolgen voor de Nederlandse praktijk. In feite zou bij de beoordeling van verzoeken om het horen van belastende getuigen steeds de maatstaf van het verdedigingsbelang moeten worden aangelegd, zonder dat van de verdediging daarvoor een nadere motivering mag worden gevraagd. De potentiële mogelijkheid dat deze getuigenverklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt is daartoe al voldoende. Wordt een dergelijk verzoek toch afgewezen, dan kan de verklaring niet voor het bewijs worden gebruikt, tenzij de verdediging hiertoe alsnog in de gelegenheid wordt gesteld. De verdediging kan hierop inspelen door verzoeken tot het horen van getuigen voorwaardelijk te doen. In die situatie hoeven de getuigen alleen te worden ondervraagd als de rechter de verklaringen voor het bewijs wil gebruiken.”
the trial’, mede aan de hand van een aantal door het EHRM geformuleerde, met elkaar samenhangende subvragen (zoals genoemd in de […] uitspraak in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland, §107). Daarbij is beslissend
het strafproces als geheel beschouwd eerlijk is verlopen. Die uiteindelijke balans kan eerst achteraf worden opgemaakt. Bij het betrekken van de rechtspraak van het EHRM bij de uitleg van de (nationale) regels inzake het oproepen dan wel horen van daartoe door de verdediging opgegeven getuigen, dient evenwel in ogenschouw te worden genomen dat de nationale rechter reeds tijdens de behandeling van de strafzaak beslissingen dient te nemen omtrent het oproepen en het horen van getuigen. 3.6. Tegen deze achtergrond heeft naar het oordeel van de Hoge Raad voor het Nederlandse strafproces te gelden dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. Deze motiveringsplicht draagt voorts eraan bij dat de rechter zo vroegtijdig mogelijk het recht op een eerlijk proces in de hiervoor bedoelde zin kan betrekken bij de beoordeling van het verzoek. De aan het verzoek te geven motivering dient ten aanzien van iedere van de door de verdediging opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Art. 6, derde lid onder d, EVRM verzet zich niet ertegen dat deze eis aan de onderbouwing van zo een verzoek wordt gesteld. Ook de rechtspraak van het EHRM omtrent het ondervragingsrecht noopt niet tot het stellen van andere, lichtere eisen aan de motivering van een verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen. Immers, ook in de rechtspraak van het EHRM komt als op de verdachte rustende plicht tot uitdrukking dat hij zo een verzoek onderbouwt ‘by explaining why it is important for the witnesses concerned to be heard and their evidence must be necessary for the establishment
the truth’.
the Convention is to evaluate the overall fairness
the criminal proceedings (see, among many other authorities, Taxquet v. Belgium [GC], no. 926/05, § 84, ECHR 2010, and Schatschaschwili v. Germany [GC], no. 9154/10, § 101, ECHR 2015). Compliance with the requirements
a fair trial must be examined in each case having regard to the development
the proceedings as a whole and not on the basis
an isolated consideration
one particular aspect or one particular incident. In evaluating the overall fairness
the proceedings, the Court will take into account, if appropriate, the minimum rights listed in Article 6 § 3, which exemplify the requirements
a fair trial in respect
typical procedural situations which arise in criminal cases. They can be viewed, therefore, as specific aspects
the concept
a fair trial in criminal proceedings in Article 6 § 1 (see, for example, Ibrahim and Others v. the United Kingdom [GC], nos. 50541/08 and 3 others, § 251, 13 September 2016; Gäfgen v. Germany [GC], no. 22978/05, § 169, ECHR 2010; Schatschaschwili, cited above, § 100; and Boshkoski v. North Macedonia, no. 71034/13, § 37, 4 June 2020). 39. The Court reiterates that the admissibility
evidence is primarily a matter for regulation by national law, and as a general rule it is for the national courts to assess the evidence before them. As regards statements made by witnesses, the Court’s task under the Convention is not to give a ruling as to whether those statements were properly admitted as evidence, but rather – as already set out in paragraph 38 above – to ascertain whether the proceedings as a whole, including the way in which evidence was taken, were fair (see, among many other authorities, Van Mechelen and Others v. the Netherlands, 23 April 1997, § 50, Reports
Judgments and Decisions 1997‑III, and Perna, cited above, § 29). 40. As is apparent from the text
§ 3 (d) (see paragraph 25 above), this provision sets out a right relating to the examination
witnesses against the accused. The Court has defined such witnesses, to whom it also frequently refers as ‘prosecution witnesses’, as persons whose deposition may serve to a material degree as the basis for a conviction and which thus constitutes evidence for the prosecution (see Lucà v. Italy, no. 33354/96, § 41, ECHR 2001‑II). Paragraph 3 (d) also contains a right to obtain the attendance and examination
witnesses on behalf
the accused, or ‘defence witnesses’, that is to say witnesses whose statements are in favour
the defendant (see, for instance, Pello v. Estonia, no. 11423/03, § 31, 12 April 2007). 41. The case-law
the Court reflects the fact that paragraph 3 (d)
The Court has developed general principles which relate exclusively to the right to examine, or have examined, prosecution witnesses, as well as general principles specifically concerning the right to obtain the attendance and examination
defence witnesses. (i) The right to obtain the attendance and examination
defence witnesses 42. When it comes to defence witnesses, it is the Court’s established case-law that Article 6 § 3 (d) does not require the attendance and examination
every witness on the accused’s behalf, the essential aim
that provision, as indicated by the words ‘under the same conditions’, being to ensure a full ‘equality
arms’ in the matter (see, amongst many authorities, Murtazaliyeva v. Russia [GC], no. 36658/05, § 139, 18 December 2018, in which judgment the Court reaffirmed and further clarified the general principles concerning the right to obtain attendance and examination
defence witnesses). The concept
‘equality
arms’ does not, however, exhaust the content
paragraph 3 (d)
, nor that
paragraph 1,
which this phrase represents one application among many others (see, among other authorities, Vidal v. Belgium, 22 April 1992, § 33, Series A no. 235‑B). 43. As a general rule, it is for the domestic courts to assess the relevance
the evidence which defendants seek to adduce, and Article 6 § 3 (d) leaves it to them, again as a general rule, to assess whether it is appropriate to call a particular witness (see Perna, cited above, § 29). It is not sufficient for a defendant to complain that he or she has not been allowed to question certain witnesses; he or she must, in addition, support the request by explaining why it is important for the witnesses concerned to be heard, and their evidence must be capable
influencing the outcome
a trial or must reasonably be expected to strengthen the position
the defence (see Perna, cited above, § 29, and Murtazaliyeva, cited above, §§ 140 and 160). Whether the defendant has advanced “sufficient reasons” for his or her request to call a witness will depend on the role
the testimony
that witness in the circumstances
any given case (ibid., § 161). The Court has formulated the following three-pronged test where a request for the examination
a defence witness on behalf
the accused has been made in accordance with domestic law (ibid., § 158): (i) Whether the request to examine a witness was sufficiently reasoned and relevant to the subject matter
the accusation? (ii) Whether the domestic courts considered the relevance
that testimony and provided sufficient reasons for their decision not to examine a witness at trial? (iii) Whether the domestic courts’ decision not to examine a witness undermined the overall fairness
the proceedings? (ii) The right to cross-examine prosecution witnesses 44. As regards the right to the examination
prosecution witnesses, the Court has held that, before an accused can be convicted, all evidence against him must normally be produced in his presence at a public hearing with a view to adversarial argument. Exceptions to this principle are possible but must not infringe the rights
the defence, which, as a rule, require that the accused should be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him, either when that witness makes his statement or at a later stage
proceedings (see Lucà v. Italy, cited above, § 39, and Al‑Khawaja and Tahery v. the United Kingdom [GC], nos. 26766/05 and 22228/06, § 118, ECHR 2011). 45. Contrary to the situation with defence witnesses, the accused is not required to demonstrate the importance
a prosecution witness. In principle, if the prosecution decides that a particular person is a relevant source
information and relies on his or her testimony at the trial, and if the testimony
that witness is used by the court to support a guilty verdict, it must be presumed that his or her personal appearance and questioning are necessary (see Khodorkovskiy and Lebedev v. Russia, nos. 11082/06 and 13772/05, § 712, 25 July 2013, and Khodorkovskiy and Lebedev v. Russia (no. 2), nos. 51111/07 and 42757/05, § 484, 14 January 2020). […] (b) Application
these principles to the present case 52. The applicant contended that the use in evidence against him
statements made by witnesses A to G, whom he had not been allowed to cross‑examine, had resulted in a violation
his defence rights. As the guarantees
paragraph 3 (d)
are specific aspects
the right to a fair trial set forth in paragraph 1
this Article (see also paragraph 38 above), the Court will consider the complaint concerning the inability to cross-examine prosecution witnesses under the two provisions taken together (see, for example and among many authorities, Schatschaschwili, cited above, § 100). (i) Whether there was a good reason for the non-attendance
witnesses A to G at the trial 53. The Court observes that on 30 September 2014 the Arnhem‑Leeuwarden Court
Appeal found the applicant guilty
having been in de facto control
the fraud committed by a company on two other companies (see paragraph 11 above), on the basis, inter alia,
statements made to the police by seven witnesses, A to G (see paragraph 13 above at points 8 to 14). The Regional Court, in convicting the applicant at first instance, had relied on the statements
six
these seven witnesses (see paragraph 5 above). Counsel for the applicant had asked that these witnesses be summoned before the Court
Appeal or the investigating judge so that he could cross-examine them (see paragraphs 6 and 10 above); however, the Court
Appeal had rejected those requests (see paragraphs 8 and 12 above). 54. The Court observes that those requests were not rejected on grounds such as death or fear, absence on health grounds or the witnesses’ unreachability (see Schatschaschwili, cited above, § 119, with further references), nor on grounds related to the special features
the criminal proceedings (see, for instance, S.N. v. Sweden, no. 34209/96, § 47, ECHR 2002‑V, and D.T. v. the Netherlands (dec.), no. 25307/10 § 47, 2 April 2013); the Court
Appeal’s sole justification for the rejection
the requests lay in its finding that the applicant had failed to substantiate the defence’s interest in the examination
these witnesses. 55. In that context the Court
Appeal noted that the defence had not indicated on what points the statements
witnesses A to G were incorrect […] and, in addition, that the applicant had availed himself
his right to remain silent when he had been interviewed by police, and that he had not wished to reply to specific questions about his activities for company Fr. which had been put to him by the Court
Appeal at the hearing […]. To the extent that these additional observations
the Court
Appeal ought to be interpreted as meaning that it found those facts relevant for its refusal to secure the attendance
the witnesses, the Court considers that the right
an accused to cross-examine witnesses against him or her cannot be made dependent on his or her renunciation
the right to remain silent. 56. As to any requirement for the defence to substantiate a request to examine prosecution witnesses, the Court reiterates, as already set out in paragraph 44 above, that the underlying principle
the right contained in Article 6 § 3 (d)
the Convention in relation to the examination
prosecution witnesses is that the defendant in a criminal trial should have an effective opportunity to challenge the evidence against him or her. This principle requires that a defendant be able to test the truthfulness and reliability
evidence provided by witnesses which incriminates him or her, by having them orally examined in his or her presence, either at the time the witness was making the statement or at some later stage
the proceedings (see paragraph 46 above). Therefore, in a situation where the prosecution relies on such a witness statement and the trial court may use that statement to support a guilty verdict, the interest
the defence in being able to have the witness concerned examined in his or her presence must be presumed and, as such, constitutes all the reason required to accede to a request by the defence to summon that witness (see paragraph 45 above). 57. It does not appear that the Court
Appeal took the relevance
the testimony
witnesses A to G – or lack
it – into account when it decided not to accede to the requests
the applicant to call those witnesses, nor have the Government argued that the testimony
any
the witnesses would have been manifestly irrelevant or redundant. 58. The Court observes that the Court
Appeal’s refusal to accede to the request
the defence was in line with a leading judgment issued by the Supreme Court some three months earlier, in which the latter court had set out how the relevant provisions
the CCP were to be interpreted (see paragraph 19 above). In that ruling, the Supreme Court had held that, under Dutch law, a request by the defence to call a witness might be refused if that request was not substantiated, either at all or sufficiently, and that the defence was thus required to substantiate why the examination
a particular witness was important ‘with regard to any decision to be taken in the criminal case pursuant to Articles 348 and 350
the CCP’ […]. 59. It appears from the examples given in its judgment that, according to the Supreme Court, requests to call and examine witnesses require substantiation, regardless
whether they concern witnesses for the prosecution or for the defence [zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, r.o. 2.6, AG]. The Supreme Court subsequently stated this explicitly in two further leading judgments
4 July 2017 – that is, after the conclusion
the domestic proceedings in the present case – in which it explained how the requirement that such requests be substantiated related to the right to a fair trial under Article 6
the Convention […]. It considered that that requirement did not run counter to Article 6 § 3 (d)
the Convention, and in that connection it attached relevance to the fact that the Court had also articulated in its case-law an obligation for the defendant to substantiate a request to call a witness ([…] at point 3.6). At this point in its judgment, in a footnote, the Supreme Court referred to two judgments
the Court: Perna [§ 29] and Poropat [§ 42]. It further noted that the provisions
the CCP concerning the calling and examination
witnesses did not distinguish between witnesses who (could) testify against the accused and witnesses who (could) testify on behalf
the accused ([…] at point 3.7.1], and it held that, as regards the requirements to be met by a request to examine a witness, it made no difference in principle whether that request concerned a witness for the prosecution or a witness for the defence ([…] at point 3.7.2). 60. The Court observes that in the cases which led to the Perna and Poropat judgments, the accused applicants had sought the attendance and examination
witnesses whose testimony they believed could arguably have strengthened the position
their defence, or even led to their acquittal (see Perna, […] §§ 17 and 31, and Poropat, […] §§ 13 and 46); accordingly, their requests concerned witnesses on their behalf. This is consequently not the same situation as the one which pertains where an accused is confronted with witness testimony which incriminates him or her (see paragraph 45 above). 61. Moreover, the Perna judgment – to which reference is made in paragraph 42
the Poropat judgment – pre-dates the Al-Khawaja and Tahery judgment […], in which the Grand Chamber consolidated and clarified its case-law as regards the examination
witnesses for the prosecution under Article 6 § 3 (d). This also applies to the four other Court rulings to which the Government refer in their submissions
4 September 2017 (see paragraph 37 above) and which were issued between 2005 and 2010. Accordingly, in so far as those four rulings are not in line with the principles enunciated in Al-Khawaja and Tahery, they were superseded by that Grand Chamber judgment, which was rendered in 2011 and thus before the present case was decided in the domestic courts […]. In addition, it is to be noted that none
the four cases referred to by the Government concerned a situation like that in the present case, where a request to call prosecution witnesses was rejected at the domestic level for the reason that it lacked substantiation. The Court takes this opportunity to reaffirm the general principles relating to the right
an accused to examine or have examined witnesses against him or her, as set out in paragraphs 44‑45 above, from which it follows that the interest
the defence in being able to have those witnesses examined in its presence must in principle be presumed (see also paragraph 60 above). 62. The above considerations lead the Court to the conclusion in the present case that it cannot be said that the Court
Appeal established good factual or legal grounds for not securing the attendance
prosecution witnesses A to G. 63. The absence
a good reason for the non-attendance
the witnesses is not
itself conclusive
the unfairness
the applicant’s trial. However, it constitutes a very important factor to be weighed in the overall balance together with the other relevant considerations, notably whether the evidence
the witnesses was the sole or decisive basis for the conviction and whether there were sufficient counterbalancing factors (see Schatschaschwili, […] § 113).” 18. Het EHRM stelt onder meer vast dat de afwijzing door het hof in de zaak Keskin van het verzoek om getuigen te horen, berust op de onvoldoende onderbouwing van dat verzoek door de verdediging (§ 54). Tegenover de onvoldoende onderbouwing van het verzoek stelt het EHRM het belang van de mogelijkheid voor de verdediging om een getuige te horen. Dat belang vormt op zichzelf de reden die nodig is om toe te stemmen in een verzoek van de verdediging om de getuige te horen indien de vervolging door het openbaar ministerie steunt op een verklaring van die getuige en de feitenrechter die verklaring mag gebruiken om de veroordeling op te baseren (§ 56). Van de verdachte mag niet worden verlangd het belang aan te geven van een getuige à charge. Als uitgangspunt geldt dat indien het openbaar ministerie heeft besloten dat een persoon een relevante informatiebron vormt en zich tijdens het strafproces baseert op zijn
haar getuigenverklaring, en indien die getuigenverklaring door de rechter voor het bewijs wordt gebruikt, moet worden verondersteld dat de persoonlijke verschijning en ondervraging van de getuige noodzakelijk zijn (§ 45). De conclusie van het EHRM in de zaak Keskin was dat er geen goede reden bestond om de getuigen niet (ter terechtzitting) te horen. De betekenis van de zaak Keskin voor de Nederlandse strafrechtspraktijk 19. Nu de lat voor de afwijzing van getuigenverzoeken volgens het EHRM hoger ligt dan tot op heden op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad kon worden aangenomen, ligt het voor de hand er alvast vanuit te gaan dat de zaak Keskin voor de Nederlandse strafrechtspraktijk belangrijke gevolgen zal hebben. Mijn ambtgenoot Spronken heeft in 2017 al de verwachting uitgesproken dat bij de beoordeling van verzoeken om het horen van belastende getuigen in feite steeds de maatstaf van het verdedigingsbelang zal moeten worden aangelegd. Ik voeg daar graag het volgende aan toe. Zowel het openbaar ministerie als de rechtbanken en hoven zullen bij de beoordeling van door de verdediging gedane verzoeken tot het horen van een getuige niet alleen telkens dienen na te gaan
sprake is van een getuige à charge en, zo ja,
de verdediging al in de gelegenheid is gesteld om de betreffende getuige effectief te ondervragen, maar – indien dit laatste niet het geval is – (en dat is nieuw) ook in beginsel steeds wat het belang van de zich in het dossier bevindende verklaring(en) van de betreffende getuige voor het bewijs kan zijn. Dit laatste laat zich echter – zeker vroeg in de procedure betreffende meer omvangrijke en/
complexe zaken – niet altijd snel overzien. In gevallen waarin de bewijsvoering van een essentieel bestanddeel van de tenlastelegging (mogelijk) slechts op getuigenbewijs zal kunnen berusten
daarvoor doorslaggevend zal zijn, zal een verzoek tot het horen van de betreffende getuige – ook als deze (al dan niet in voorwaardelijke vorm) pas bij pleidooi wordt gedaan - reeds op die grond voor toewijzing in aanmerking komen. Afwijzing van een verzoek tot het horen van een niet eerder gehoorde getuige à charge op grond van een ontoereikende motivering, is in ieder geval niet langer een optie. In geval van hoger beroep zal voor de hoven de vraag kunnen rijzen
tegen de achtergrond van de bewijsvoering in eerste aanleg, actiever moet worden omgegaan met de mogelijkheid van het ambtshalve horen van getuigen door de raadsheer-commissaris, teneinde latere aanhoudingen van de behandeling ter terechtzitting te voorkomen. De beoordeling van het zevende middel
ten aanzien van relevante punten voorde strafmaat; ❖ De getuigen kunnen verklaren over de mogelijke onschuld van appellante;❖ Het verhoor van de getuigen kan bijdragen aan de waardering van de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de bij de politie afgelegde verklaringen, die belastend zijn voor appellante en bepalend zou kunnen zijn voor/zou kunnen bijdragen aan een veroordeling Mocht het verdedigingsbelang onvoldoende duidelijk zijn, dan kan een en ander uiteraard nader worden toegelicht;
onbewust zaken te zijn weggelaten in hun verklaringen
zij hebben een aantal dingen niet gezegd. Daarom wil ik die mensen graag horen. [getuige 1] heeft al paar keer wat verklaard. Ik wil juist doorvragen. Waarom heb je bepaalde zaken niet gedaan? […] Ik wil aan [getuige 3] en [getuige 2] vragen waarom zo laat aangifte is gedaan. Wat is er van tevoren besproken en met wie? Ik zeg niet dat er sprake is van een valse aangifte maar het kan wel zijn dat deze mensen beïnvloed zijn,
dat zij nu zeggen dat zij dat wel hebben verklaard maar niet uit eigen wetenschap. Deze zaak lijkt in eerste instantie een uitgemaakte zaak maar het zit er hem nu juist in dat al die getuigen verklaringen hebben afgelegd en in contact hebben gestaan met elkaar. Als je daar niet op doorvraagt heb ik daar een onbevredigend gevoel bij. Het verdedigingsbelang is evident van toepassing maar ook het belang van waarheidsvinding. Nogmaals, ik zeg niet dat mensen welbewust valse aangifte hebben gedaan
hebben gelogen, maar een verklaring uit eigen wetenschap is iets anders dan een verklaring over wat zij van anderen hebben gehoord. De jongste raadsheer merkt het volgende op: Bij de raadsheer-commissaris zult u dan wel met vragenlijst moeten komen. U moet met concrete vraagstellingen komen. Ik vind hetgeen u zegt ter onderbouwing van uw getuigenverzoeken niet helder. De raadsman reageert als volgt: Het gaat om kleine verschillen die na het uitpluizen van het dossier blijven bestaan. Ten aanzien van [getuige 5] en [getuige 6] (getuigen 5 en 6): de conceptverklaring van het verhoor van [getuige 5] is aangeleverd. Maar het gaat er ook om wat er niet is opgenomen in zijn verklaring en wat hij wel wilde zeggen. [getuige 5] heeft zaken aan het licht willen brengen die ontlastend zijn. Hij had hierover een discussie met verbalisant [getuige 6] maar dit is niet in de conceptverklaring opgenomen. Dat voedt mijn wantrouwen over de manier waarop het dossier is opgezet. Cliënte bestrijdt dat zij de boel heeft opgelicht. De advocaat-generaal deelt mede: Ik blijf vinden dat er onvoldoende concrete feiten en omstandigheden worden aangedragen en dat de verzoeken aldus onvoldoende zijn onderbouwd. Het vonnis laat op transparante wijze zien waarop de beslissing is gebaseerd. De raadsman zal meer moeten aandragen dan hij nu heeft gedaan. De jongste raadsheer deelt mede: In aansluiting op hetgeen de advocaat-generaal heeft gezegd, merk ik op dat het me nog steeds niet duidelijk is op welke concrete punten de getuigen gehoord zouden moeten worden. Kunt u dat het hof uitleggen? De raadsman deelt mede: Dat is het probleem nu juist in deze zaak. Er zijn kleine verschillen, die moeten worden onderzocht. Er worden vragen aan de getuigen gesteld maar er worden ook dingen uit het dossier gelaten. Er wordt niet doorgevraagd en er is naar belastend materiaal gezocht. Daarom moeten de getuigen worden gehoord. Ik vind de kasopnames van groot belang. Het kan leiden tot de conclusie dat de kasopnames toch niet zijn gedaan door cliënte. Deze zouden aldus een ander licht op de zaak kunnen werpen en daar zou je getuigen over kunnen bevragen. Ik verzoek om een open verwijzing naar de raadsheer-commissaris. De verdediging acht het namelijk aannemelijk dat de verklaringen van getuigen zullen leiden tot nieuwe vragen en mogelijk tot nieuwe onderzoekswensen. Alsdan kan dit direct met de raadsheer-commissaris worden besproken en kan worden voorkomen dat dit op zitting dient te gebeuren waardoor er onnodig vertraging wordt opgelopen. De advocaat-generaal, de raadsman en de verdachte delen mede geen bezwaar te hebben tegen benoeming van een raadsheer-commissaris uit een van de leden van de behandelend strafkamer. De voorzitter deelt als volgt mede: Normaliter zou het hof zich nu terugtrekken voor beraad om vervolgens de beslissing op de getuigenverzoeken mede te delen, maar het hof kiest er, gelet op het aantal verzoeken, voor om de beslissing op de verzoeken aan te houden tot een nadere terechtzitting. Het onderzoek zal derhalve worden onderbroken tot de terechtzitting van het hof van 24 mei 2018 te 9.00 uur, op welke terechtzitting het hof de beslissing op de verzoeken mede zal delen.” 25. Ter terechtzitting van 24 mei 2018 heeft het hof de verzoeken afgewezen. De overweging van het hof is als volgt weergegeven in het proces-verbaal van deze terechtzitting: “Daartoe overweegt het hof dat uit de rechtspraak volgt dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen door de verdediging dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. De aan het verzoek te geven motivering dient ten aanzien van iedere van de door de verdediging opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. In het licht daarvan overweegt het hof dat gelet op de voorhanden processtukken onvoldoende is onderbouwd welk belang daarmee voor de verdediging is gemoeid en waarom dat onderzoek van belang is voor enige door het hof te nemen beslissing.De motivering tot het horen van deze getuigen is in zeer algemene bewoordingen gesteld. Ondanks herhaald verzoek daartoe is door de verdediging niet aangevoerd waarover deze getuigen concreet zouden kunnen verklaren, noch heeft de verdediging een alternatief scenario voor het tenlastegelegde verwijt aangevoerd waarover deze getuigen zouden kunnen verklaren, terwijl een dergelijke concrete onderbouwing wel van de verdediging mag worden verwacht. Deze verzoeken worden als onvoldoende gemotiveerd afgewezen.” 26. Ter terechtzitting van 24 mei 2018 is het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst in verband met het door het hof toegewezen verzoek van de verdediging tot nader onderzoek naar – kort gezegd – een kasopname ter hoogte van € 10.000 en een handschriftonderzoek “betreffende de vraag
de handtekening op de kwitantie d.d. 5 oktober 2012 al dan niet de handtekening van [getuige 1] is.” Ter terechtzitting van 1 mei 2019 is het onderzoek van de zaak hervat. Voorafgaand aan die terechtzitting heeft de verdediging opnieuw een verzoek gedaan getuigen te horen.
ten aanzien van relevante punten voor de strafmaat; ❖ De getuigen kunnen verklaren over de mogelijke onschuld van appellante; ❖ Het verhoor van de getuigen kan bijdragen aan de waardering van de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de bij de politie afgelegde verklaringen, die belastend zijn voor appellante en bepalend zou kunnen zijn voor/zou kunnen bijdragen aan een veroordeling. Zoals al tijdens de regiezitting van 16 mei 2018 is betoogd namens de verdediging lijkt het gehele opsporingsonderzoek gericht te zijn geweest op het vinden van belastend bewijsmateriaal, waarbij de handelswijze van de opsporingsambtenaren zodanig was dat de getuige niet vrijheid hebben kunnen verklaren. Dit zorgt er voor dat aan de verklaring die in het dossier aanwezig zijn getwijfeld dient te worden. Meerdere getuigen lijken sturend ondervraagd te zijn, alsmede dat ontlastende verklaringen van de getuigen niet zijn opgenomen. Dit maakt het voor de verdediging ook lastig om concreet aan te geven welke vragen nog wel gesteld dienen te worden, maar bij de getuigen 1 tot en met 4 is in ieder geval duidelijk dat er nog de nodige verduidelijkingsvragen dien te worden gesteld zoals ook uit een gezet tijdens de voornoemde regiezitting. ❖ Voor de verdediging is er nog geen, althans onvoldoende mogelijkheid geweest om de getuigen vragen te stellen. Ten aanzien van de toetsing (van de betrouwbaarheid) van de verklaringen zijn er ook geen compenserende maatregelen genomen, terwijl voor een belangrijk deel van de bewezenverklaring in eerste aanleg er gebruik is gemaakt van de verklaringen van deze getuigen. ❖ De verdediging is in ieder geval van mening dat eventueel tijdsverloop geen reden kan en mag zijn om de getuigenverzoeken niet toe te wijzen gezien het belang van de verklaringen voor de bewijsconstructie. De verdediging acht het horen van de getuigen derhalve noodzakelijk, mede in het kader van de waarheidsvinding. Mocht het belang voor de verdediging onvoldoende duidelijk zijn, dan kan een en ander uiteraard nader worden toegelicht; dat de verdediging verzoekt in de gelegenheid te worden gesteld tot het stellen van vragen aan de getuigen; dat gelet op het aantal te horen getuigen er dezerzijds verzocht wordt het doen plaatsvinden van de getuigenverhoren bij de rechter-/raadsheer-commissaris in het kader van een open terugverwijzing”. 28. Ter terechtzitting van het hof van 1 mei 2019 is het herhaalde verzoek om getuigen te horen besproken. Het proces-verbaal houdt hierover het volgende in: “De voorzitter deelt mede: In de zich in het dossier bevindende appelschriftuur is de raadsman uitvoerig ingegaan op de reden van het appel en het nadere onderzoek dat de verdediging verricht wil hebben. Daarop is, per mail van 29 november 2017, nog een aanvulling gekomen. Op 16 mei 2018 heeft een regiezitting plaatsgevonden, waarop de onderzoekswensen zijn besproken. De zitting is toen onderbroken tot 24 mei 2018, op welke zitting de beslissingen zijn medegedeeld. Het verzoek tot het horen van 9 getuigen is afgewezen, omdat het verzoek onvoldoende was gemotiveerd. […]Kort voor de zitting van heden, op 17 april 2019, heeft de verdediging wederom een verzoek tot het horen van de 9 getuigen gedaan, met een aantal bijlagen omtrent de wijze waarop de getuigen [getuige 7] en [getuige 8] zijn gehoord door de politie. Indien het hof zou overgaan tot het doen horen van de 9 getuigen kan het hof de zaak vandaag niet inhoudelijk behandelen en gaat kostbare zittingstijd verloren. Het voorstel van het hof is dan ook om de zaak vandaag eerst ten gronde te bespreken, om vervolgens het verzoek tot het horen van getuigen op waarde te kunnen schatten. Uiteindelijk kan het hof dan in raadkamer op het verzoek beslissen,
wel bij eindbeslissing omdat de zaak ook in een vrijspraak kan eindigen en dan is het horen van de getuigen niet noodzakelijk, maar ook bij een bewezenverklaring kan het zijn dat het horen van de getuigen niet noodzakelijk wordt geacht,
wel kan de beslissing zijn dat, gelet op hetgeen vandaag is besproken, het horen van alle
een deel van de getuigen wel noodzakelijk is. De advocaat-generaal deelt mede hiertegen geen bezwaar te hebben. De raadsman deelt mede: De voorgestelde gang van zaken had ik voorzien als optie, maar ik wil wel opmerken dat een aantal van de door mij verzochte getuigen vandaag buiten de zittingszaal aanwezig is. Op de gang bevinden zich [getuige 5] en [getuigen 7 en 8] . De benadeelde partij [getuige 1] is aanwezig in de zaal. Gelet daarop, zou de voorgestelde handelwijze een probleem kunnen opleveren. Daarnaast gaat deze zaak om de beeldvorming. Het dossier lezend lijkt het een mooi onderzoek, want alles lijkt te passen, maar kijkend naar hetgeen niet in het dossier staat, kom je tot een ander beeld. Waarom is bijvoorbeeld niet beter doorgevraagd door de politie tijdens het verhoor van [getuige 9] ? Hij had immers ook toegang tot de bankpas. […] Cliënte vroeg mij
zij vandaag nog een aantal andere getuigen mee naar de zitting mocht nemen. Ik zei haar dat dat kon. Het gaat om [getuige 5] , [getuige 8] en [getuige 7] . Ik wil hen graag als getuige horen. U, voorzitter, vraagt mij
ik hen vandaag als meegebrachte getuigen wens te horen. Zij zouden nu als getuigen gehoord kunnen worden, maar wellicht is het handiger om alle getuigen in één sessie te horen en hen dan eventueel te confronteren met de verklaringen van de andere getuigen. U, voorzitter vraagt mij
ik hen vandaag wens te horen. Nee, mijn voorkeur gaat uit naar het gelijktijdig horen van alle getuigen. Ik heb de getuigen niet expliciet meegebracht om hen vandaag te horen. Hierop onderbreekt het hof het onderzoek voor beraad. Na hervatting van het onderzoek, deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede: De voorkeur van het hof gaat uit naar het efficiënt gebruiken van de vandaag voor de zaak gereserveerde tijd. […] De voorzitter deelt mede: Aangezien [getuige 1] tevens benadeelde partij is zal het hof hem niet verzoeken de zaal te verlaten. We gaan nu over tot de inhoudelijke behandeling van de zaak en de uitkomst daarvan kan drieledig zijn. Indien nader onderzoek noodzakelijk blijkt, kan het hof een tussenarrest wijzen. Het hof kan ook een eindarrest wijzen: dat kan een vrijspraak worden
een bewezenverklaring zonder noodzaak tot nader onderzoek.
het laten verrichten van onderzoek door een deskundige - dat verzoek te beoordelen aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang dan wel het noodzakelijkheidscriterium. Voorts geldt dat een tot de zittingsrechter gericht verzoek tot het horen van getuigen dient te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van het verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. De aan het verzoek te geven motivering dient ten aanzien van elke door de verdediging opgegeven getuige een toelichting te omvatten waarom het horen van die getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) te nemen beslissing. Het hof stelt voorop dat het onderhavige verzoek van de verdediging wat betreft de eerste zeven getuigen, gelet op de eerder ter terechtzitting gegeven afwijzing, […] getoetst dient te worden aan het noodzakelijkheidscriterium. Daarover overweegt het hof het volgende naar aanleiding van hetgeen in het verzoek wordt gesteld als onderbouwing (hierna steeds in cursief weergegeven). Getuige [getuige 1] verklaart in eerste instantie een aantal zaken niet te weten en na confrontatie door de politie herinnert hij zich wel het nodige. De verdediging wenst hierop zelf door te kunnen vragen. Voor het hof is niet duidelijk op welke zaken de verdediging doelt én het is niet duidelijk in hoeverre dit slaat op belastende en door de rechtbank tot bewijs gebezigde gedeelten van de verklaring. Het hof heeft geen relevante tegenstrijdigheden ontdekt en ziet daarom de noodzaak van zodanig verhoor niet. Opmerking verdient hierbij dat [getuige 1] - weliswaar onaangekondigd - ter zitting in eerste aanleg is gehoord, maar dat de verdediging toen geen enkele vraag in deze richting heeft gesteld. Zowel getuige [getuige 3] als [getuige 2] doen eerst in 2015 aangifte. De verdediging wil graag van de getuigen zelf vernemen waarom eerst na enkele jaren aangifte is gedaan. Onduidelijk is waarom de verdediging deze vraag wil stellen. Wat betreft [getuige 2] worden delen van haar verklaring betwist, maar dat geldt niet voor de inhoud van de verklaring van [getuige 3] . Voor zover de algemene motivering van het verzoek hierbij betrokken moet worden, geeft het hof hierna een reactie. […] Noch de door de raadsman in het verzoek gegeven motivering, noch de toelichting die hij ter terechtzitting van het hof van 16 mei 2018 heeft gegeven, maken concreet en/
aannemelijk dat ‘al die getuigen in contact hebben gestaan met elkaar’
dat bijvoorbeeld [getuige 2] en [getuige 3] ‘niet uit eigen wetenschap’ hebben verklaard,
dat de politie uitsluitend op zoek is geweest naar belastend materiaal. Het hof acht zich in de onderhavige zaak, gelet op het verhandelde ter terechtzitting en gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, voldoende ingelicht. Nu het hof de noodzakelijkheid van het gevraagde (nader) horen van de negen getuigen voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing niet is gebleken, wordt het verzoek afgewezen.”
aannemelijk [maken] dat ‘al die getuigen in contact hebben gestaan met elkaar’
dat bijvoorbeeld [getuige 2] en [getuige 3] ‘niet uit eigen wetenschap’ hebben verklaard,
dat de politie uitsluitend op zoek is geweest naar belastend materiaal.”
doen ondervragen” waarover het middel klaagt en het daaraan verbonden recht op een eerlijk proces. Is inbreuk gemaakt op art. 6, eerste lid onder d, EVRM? 36. Bij het beantwoorden van de vraag
het hof inbreuk heeft gemaakt op het in art. 6, derde lid onder d, EVRM gegarandeerde recht “de getuigen à charge te ondervragen
te doen ondervragen” moet een door het EHRM ontwikkeld stappenschema (verder) worden gevolgd. De zogenoemde “driestappentoets” heeft het EHRM geformuleerd in (onder meer) de zaak Al-Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk en nader uitgewerkt in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland. 37. De drie stappen waaruit het stappenschema van het EHRM bestaat, komt naar voren in de volgende overweging uit de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland: “According to the principles developed in the Al-Khawaja and Tahery judgment, it is necessary to examine in three steps the compatibility with Article 6 §§ 1 and 3 (d)
the Convention
proceedings in which statements made by a witness who had not been present and questioned at the trial were used as evidence […]. The Court must examine (i) whether there was a good reason for the non-attendance
the witness and, consequently, for the admission
the absent witness's untested statements as evidence […]; (ii) whether the evidence
the absent witness was the sole or decisive basis for the defendant's conviction […]; and (iii) whether there were sufficient counterbalancing factors, including strong procedural safeguards, to compensate for the handicaps caused to the defence as a result
the admission
the untested evidence and to ensure that the trial, judged as a whole, was fair”. 38. De drie stappen zijn ook terug te vinden in de zaak Keskin tegen Nederland. Het EHRM kwam in die zaak ten aanzien van de eerste stap in § 62 tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat “the Court
Appeal established good factual or legal grounds for not securing the attendance
prosecution witnesses A to G”. Ten aanzien van de tweede stap heeft het EHRM vastgesteld dat het bewijs niet geheel berust op verklaringen van getuigen. Gelet op de bewijsvoering van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het EHRM vervolgens in § 64 geoordeeld dat “the evidence
the absent witnesses was
such significance or importance as is likely to have been determinative
the outcome
the case”. Ten aanzien van de derde stap kwam het EHRM in § 69 tot het oordeel “that it cannot be said that there were sufficient counterbalancing factors to compensate for the handicaps under which the defence laboured”.
in beslissende mate op de getuigenverklaring(en)? 41. Bij de tweede stap wordt gekeken
de getuigenverklaring “sole or decisive” is voor het bewijs. Het EHRM gaat er immers vanuit dat een veroordeling in principe niet uitsluitend
in beslissende mate mag zijn gebaseerd op verklaringen die zijn afgelegd door personen aan wie de verdediging geen vragen heeft kunnen (doen) stellen.
vervalsing hierin dat [betrokkene 1] geen arbeidsovereenkomst heeft gehad; Feit 4: in het tijdvak van 1 oktober 2012 tot en met 31 oktober 2012 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een
meer listige kunstgrepen [A] B.V. heeft bewogen tot de afgifte van 30.000 euro, hebbende verdachte en/
haar mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en in strijd met de waarheid bij een getekende kredietovereenkomst op naam van [betrokkene 1] , een salarisspecificatie van [B] op naam van die [betrokkene 1] en een arbeidsovereenkomst van [B] op naam van die [betrokkene 1] gevoegd en (vervolgens) verstrekt aan [A] B.V., terwijl die [betrokkene 1] niet werkzaam was bij [B] , waardoor een medewerker van [A] B.V. werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.”
[getuige 2] geld aan [getuige 1] zou lenen. Op 12 december 2012 zijn [getuige 1] en [verdachte] bij [getuige 2] geweest en heeft zij de lening van € 10.000,00 toegezegd. [verdachte] heeft toen een contract opgemaakt. Op 13 december 2012 heeft [getuige 2] het geld overgemaakt op de rekening van [getuige 1] met nummer [rekeningnummer 3] . Daarna heeft ze niets meer van [verdachte] gehoord. Wel is ze op 20 december 2012 door de werkgeefster van [getuige 1] gebeld, [betrokkene 2] , die ook door [verdachte] benaderd was om geld te lenen aan [getuige 1] . [betrokkene 2] gaf aan dat het verhaal van [verdachte] niet klopte. [getuige 1] heeft hierover verklaard dat [getuige 2] hem begin december een lening heeft verstrekt. [verdachte] had hem aangesproken over het feit dat hij een krediet had lopen bij de bank. Dit krediet moest omgezet worden naar een hypotheek, omdat een persoonlijk krediet niet afgetrokken kon worden van de belasting. Dit krediet was € 125.000,00. [getuige 1] zou voor dat krediet een veel te hoge rente betalen, volgens [verdachte] . Op 1 januari 2013 zou de wet veranderen met betrekking tot de hypotheekrenteaftrek en daarom was het van belang om voor 1 januari het krediet af te lossen en om te zetten naar een hypothecaire lening. [verdachte] heeft hem aldus voorgespiegeld dat hij veel financiële problemen zou krijgen als hij het krediet niet zou omzetten naar een hypotheek. Dat was voor [getuige 1] geloofwaardig. Hij vertrouwde [verdachte] daarin. Die omzetting kon echter voor 1 januari 2013 niet meer geregeld worden en daarom vroeg [verdachte] aan [getuige 1]
hij geen mensen kende die hem dat geld wilden lenen. Het was de bedoeling dat familie en bekenden van [getuige 1] het geld voor de aflossing van het krediet aan hem zouden lenen en dat hij na 1 januari een nieuwe hypotheek zou krijgen waarna die mensen hun geld weer zouden terugkrijgen. Toen heeft hij zijn nicht benaderd voor een geldlening. Er is een overeenkomst door [verdachte] opgesteld en die heeft [verdachte] vervolgens laten tekenen door zijn nicht. [getuige 1] was daar niet bij, omdat hij op dat moment in het buitenland verbleef. Achteraf is gebleken dat [getuige 1] helemaal geen krediet had, maar een hypothecaire geldlening waarvan de renteperiode afliep en opnieuw vastgesteld diende te worden. De verdachte heeft ontkend dat zij [getuige 2] heeft benaderd. [getuige 1] heeft [getuige 2] zelf benaderd en aan haar zijn financiële problemen voorgelegd. Verdachte ontkent ook de financiële problemen van [getuige 1] te hebben aangekaart. Oplichting? De rechtbank overweegt dat zij met de aangifte van [getuige 2] , de bankgegevens waaruit blijkt dat € 10.000,00 is overgemaakt op de rekening van [getuige 1] en de verklaring van [getuige 1] over de gang van zaken in beginsel voldoende wettig bewijs aanwezig acht om de tenlastegelegde oplichting door [verdachte] te bewijzen. De rechtbank heeft daarnaast de overtuiging bekomen dat [verdachte] door een samenweefsel van verdichtsels [getuige 2] heeft bewogen tot de afgifte van een lening aan [getuige 1] . Deze overtuiging ontleent zij aan de getuigenverklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . Deze getuigen verklaren eveneens dat zij in diezelfde periode door [verdachte] benaderd zijn om geld te lenen aan [getuige 1] , omdat deze financiële problemen zou hebben. Daarnaast betrekt de rechtbank bij haar overwegingen dat uit de bankgegevens volgt dat het geldbedrag van € 10.000,00 een dag nadat [getuige 2] dit had overgemaakt op de rekening van [getuige 1] , overgeboekt is naar de rekening van [betrokkene 1] . Vervolgens is diezelfde dag vanaf de rekening van [betrokkene 1] een bedrag van € 8.000,00 voldaan aan [F] , vanwege de aankoop van een keuken en een maatwerkkast op naam van [verdachte] . In het licht van deze bevindingen en voornoemde bewijsmiddelen, hecht de rechtbank geen geloof aan de ontkennende verklaring van [verdachte] . Zij acht de oplichting van [getuige 2] in het tijdvak van 1 november 2012 tot en met 12 december 2012 dan ook wettig en overtuigend bewezen. Medeplegen? Als strafverzwarend bestanddeel is in de tenlastelegging het medeplegen opgenomen. Het dossier biedt te weinig aanknopingspunten voor de stelling dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een
meerdere andere personen bij het plegen van dit feit. [getuige 1] geeft immers toe dat hij zijn nicht zelf gevraagd heeft om een lening, maar dat hij dit heeft gedaan nadat hem voorgespiegeld was door de verdachte dat hij in financiële problemen verkeerde en hij de verdachte hierin vertrouwde. Aldus kan van het opzettelijk misleiden van [getuige 2] door [getuige 1] geen sprake zijn. Naïviteit is in beginsel niet strafbaar. Feiten 3 en 4 Gelet op de feitelijke verwevenheid tussen het tenlastegelegde onder de feiten 3 en 4 zal de rechtbank deze feiten gezamenlijk bespreken. De beschuldiging onder feit 3 luidt dat de verdachte een valse salarisspecificatie en een valse arbeidsovereenkomst heeft opgemaakt voor [betrokkene 1] en dat deze bescheiden vervolgens als zijnde echt zijn ingediend bij een kredietverstrekker. Deze kredietverstrekker is op basis van die valse bescheiden bewogen tot afgifte van een krediet van € 30.000,00 aan [betrokkene 1] , hetgeen als oplichting onder feit 4 ten laste is gelegd. De feiten en omstandigheden Op 12 maart 2015 heeft [A] B.V. bij monde van haar fraude-expert aangifte gedaan. [A] B.V. verstrekt consumptieve kredieten, voornamelijk via internet via het label [D] . Op 12 oktober 2012 kwam via [D] een aanvraag binnen voor een doorlopend krediet van € 30.000,00 voor [betrokkene 1] . Er vindt geen persoonlijk contact met cliënten plaats. Wel worden stukken opgevraagd zoals legitimatie en gegevens met betrekking tot de inkomsten en uitgaven. Ook wordt een toetsing gedaan bij het Bureau Krediet Registratie en wordt er een controle doorgevoerd in een landelijk systeem voor personen die een bedreiging vormen voor het financiële stelsel. Op 22 oktober 2012 is de aanvraag door [A] B.V. akkoord bevonden en is er € 30.000,00 uitbetaald op het rekeningnummer [rekeningnummer 1] bij de ING-bank. Uit politieonderzoek is het vermoeden gerezen dat voor de aanvraag van deze geldlening valse bescheiden zijn ingediend, te weten een salarisspecificatie en een arbeidsovereenkomst. Door het indienen van deze valse bescheiden is [A] B.V. bewogen tot de afgifte van € 30.000,00. Zoals in het voorgaande reeds benoemd, is [betrokkene 1] op 31 maart 2013 overleden. Hij is dus zelf niet meer gehoord over deze kwestie. Uit het onderzoek is evenwel gebleken dat hij de laatste dagen voor zijn dood bij Moveoo daklozenopvang te Sittard heeft verbleven en dat hij daar gesprekken met medewerkers heeft gehad. Door Moveoo zijn verslagen ter beschikking gesteld van de gesprekken tussen [betrokkene 1] en medewerkers op 28 maart 2013 en 29 maart 2013. Uit het verslag van de intake op 28 maart 2013 blijkt dat [betrokkene 1] in september
hij als vertegenwoordiger van haar makelaardij wilde werken. Hij heeft dit werk vier maanden gedaan, maar ondervond vanaf het begin problemen omdat de verdachte hem nooit heeft ingeschreven als werknemer. Hij heeft in totaal € 2.000,00 contant uitbetaald gekregen voor de door hem verrichte werkzaamheden. De verdachte hield hem voor dat ze de zaak eerst moest opstarten en dat [getuige 9] zich eerst moest bewijzen. Salarisstroken heeft [getuige 9] nooit van verdachte gekregen. Over [betrokkene 1] verklaart [getuige 9] dat [betrokkene 1] naar zijn weten nooit voor de verdachte heeft gewerkt. Uit de gegevens van de Belastingdienst, te weten de overzichten van de inkomstenverhoudingen over de jaren 2012 en 2013, volgt dat bij de Belastingdienst niets bekend is van een melding van [betrokkene 1] als werknemer dan wel van een door [betrokkene 1] verkregen inkomen van [B] B.V. De verdachte heeft ter terechtzitting haar verklaring bij de politie bevestigd dat zij de salarisspecificatie en arbeidsovereenkomst heeft opgemaakt. Voorts heeft zij verklaard dat [betrokkene 1] fulltime voor haar werkte sinds 12 september
ficier van justitie dat de leningen, waarmee het gat zou moeten zijn gedicht, niet vermeld staan in de namens verdachte overgelegde stukken. Uit het onderzoek naar de bankgegevens blijkt dat het [A] -krediet is gestort op de rekening van [betrokkene 1] met nummer [rekeningnummer 1] . Op dezelfde dag werd het bedrag van € 30.00,00 overgeboekt naar de rekening van [betrokkene 1] met nummer [rekeningnummer 2] bij de ING. Deze laatste rekening is pas op 11 september 2012 geopend door [betrokkene 1] . Vanaf die rekening zijn allerlei betalingen gedaan ten gunste van de verdachte, ter waarde van vele duizenden euro’s. Valse bescheiden? De rechtbank overweegt dat de verdachte stukken had kunnen indienen om te laten zien dat [betrokkene 1] wel in dienst is geweest van de verdachte. De verdachte heeft echter enkel een balans over 2012 ingediend, waaruit niet de daadwerkelijk gemaakte kosten en opbrengsten volgen. Die volgen namelijk uit de winst- en verliesrekening. Uit de overgelegde balans kan zelfs worden opgemaakt dat het bedrijf onvoldoende middelen had om de opgevoerde personeelskosten te betalen. Nu aldus een aannemelijke verklaring van de verdachte is uitgebleven, mag de rechtbank aan de overige feiten en omstandigheden meer gewicht toekennen en deze als vaststaand aannemen. Op basis van de getuigenverklaringen kan aldus geconcludeerd worden dat [betrokkene 1] nooit in dienst is geweest van de verdachte, maar slechts zogenaamde hand- en spandiensten voor haar verrichtte. Daarmee zijn de stukken die het bewijs van een dienstverband moesten leveren ter staving van de kredietwaardigheid van [betrokkene 1] vals opgemaakt. Dat dit door de verdachte is gebeurd, is in het voorgaande reeds vastgesteld. Opzettelijk gebruik van die valse bescheiden? Voor een bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde moet ook bewezen worden dat verdachte die valse stukken als zijnde echt heeft gebruikt. Op basis van de aangifte van [A] B.V. en de daarbij overgelegde stukken stelt de rechtbank vast dat [betrokkene 1] de aanvraag voor het krediet heeft gedaan en daarbij de valse bescheiden heeft ingediend ter staving van zijn kredietwaardigheid. De handtekening op de overeenkomst en de handtekening op het legitimatiebewijs komen overeen, zo concludeert de rechtbank. Dit betekent dat [betrokkene 1] en niet de verdachte de stukken feitelijk heeft gebruikt als zijnde echt en onvervalst. Uit voornoemde feiten en omstandigheden volgt echter ook dat het uitgekeerde krediet vrijwel volledig ten gunste van de verdachte is gekomen. Uit deze feitelijke omstandigheid leidt de rechtbank een gezamenlijk opzet af om door middel van het gebruik van valse bescheiden als echt en onvervalst, die door de verdachte zijn opgesteld, de kredietverstrekker te bewegen tot de afgifte van € 30.000,00. Er was aldus sprake van een nauwe en bewuste samenwerking om dat krediet te verkrijgen. Uit de verklaring van Moveoo en het feit dat het geld vrijwel volledig ten gunste van de verdachte kwam, leidt de rechtbank af dat het initiatief voor de aanvraag van het krediet geheel bij de verdachte lag. De rollen van de verdachte en [betrokkene 1] waren echter beide essentieel voor het kunnen gebruiken van de valse stukken en uiteindelijk het daarmee verkrijgen van het krediet. De rol van de verdachte bestond uit het vervalsen van de bescheiden en de rol van [betrokkene 1] bestond uit het indienen van die bescheiden en het in eerste instantie in ontvangst nemen van het kredietbedrag. De rechtbank concludeert hiermee tot het medeplegen van het gebruik van valse bescheiden en het medeplegen van het oplichten van de kredietmaatschappij, door het gebruik van die valse bescheiden. Daarmee zijn zowel feit 3 als feit 4 ten laste van de verdachte bewezen. Een en ander heeft in ieder geval in Nederland plaatsgevonden, nu [betrokkene 1] niet bij verdachte in haar woning in Duitsland heeft verbleven.” 47. De beoordeling door het hof van het bewijs ten aanzien van feit 2, houdt het volgende in: “De rechtbank heeft onder paragraaf 3 ‘De beoordeling van het bewijs’, ten aanzien van feit 2 onder het kopje ‘Medeplegen?’ (op pagina 8 van het vonnis) overwogen: Als strafverzwarend bestanddeel is in de tenlastelegging het medeplegen opgenomen. Het hof overweegt dat medeplegen, in het geval van oplichting, niet heeft te gelden als strafverzwarend bestanddeel (zoals dat bijvoorbeeld wel het geval is bij een gekwalificeerde diefstal). Het hof is wel met de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de stelling dat verdachte aangeefster [getuige 2] heeft opgelicht in een nauwe en bewuste samenwerking met één
meer andere personen, zodat van medeplegen geen sprake is. Het hof bevestigt de beoordeling van het bewijs derhalve met uitzondering van de hierboven vermelde schuingedrukte zinsnede. Met de rechtbank, acht het hof dit feit wettig en overtuigend bewezen. Ten slotte overweegt het hof dat het begrijpt dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft willen suggereren dat haar partner, [getuige 5] , geheel
ten dele verantwoordelijk is voor hetgeen haar verweten wordt. Het hof acht deze verklaring, mede gelet op het stadium van het geding, te vaag om daaraan enige consequentie te verbinden. Te meer omdat de verklaring op geen enkele wijze wordt gestaafd.” 48. De vraag
de getuigenverklaringen “the sole or decisive basis” vormen voor het bewijs van de feiten 2, 3 en 4 (de tweede stap) beantwoord ik, gelet op het belang van hun verklaringen als aangevers voor het bewijs, bevestigend. De verklaring van de getuige [getuige 3] heeft het hof ten grondslag gelegd aan de overweging dat [A] B.V. door de verdachte is bewogen tot afgifte van € 30.000 (feiten 3 en 4). De verklaring van de getuige [getuige 2] heeft het hof ten grondslag gelegd aan de overweging dat het verhaal van de verdachte “niet klopte”, terwijl dit het verhaal is waardoor zij tot afgifte van € 10.000 is bewogen (feit 2). De derde stap: is sprake van afdoende compenserende maatregelen? 49. Uit het voorgaande volgt dat voor het antwoord op de vraag
met het niet horen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] inbreuk is gemaakt op het in art. 6, derde lid en onder d, EVRM gegarandeerde recht “de getuigen à charge te ondervragen
doen ondervragen” en het daarmee samenhangende recht op een eerlijk proces, ook gekeken moet worden naar de derde stap die betrekking heeft op compenserende maatregelen. De compenserende maatregelen moeten, in de woorden van het EHRM, een eerlijke en passende beoordeling van de betrouwbaarheid van het bewijs mogelijk maken. In de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland heeft het EHRM deze compenserende maatregelen als volgt toegelicht en uitgewerkt (waarbij ik de verwijzingen naar uitspraken van het EHRM omwille van de leesbaarheid heb weggelaten): “126. The fact that the domestic courts approached the untested evidence
an absent witness with caution has been considered by the Court to be an important safeguard […]. The courts must have shown that they were aware that the statements
the absent witness carried less weight […]. The Court has taken into account, in that context, whether the domestic courts provided detailed reasoning as to why they considered that evidence to be reliable, while having regard also to the other evidence available […]. It likewise has regard to any directions given to a jury by the trial judge as to the approach to be taken to absent witnesses’ evidence […]. 127. An additional safeguard in that context may be to show, at the trial hearing, a video recording
the absent witness's questioning at the investigation stage in order to allow the court, prosecution and defence to observe the witness's demeanour under questioning and to form their own impression
his or her reliability […]. 128. A further considerable safeguard is the availability at the trial
corroborative evidence supporting the untested witness statement […]. Such evidence may comprise, inter alia, statements made at the trial by persons to whom the absent witness reported the events immediately after their occurrence […], further factual evidence secured in respect
the
fence, including forensic evidence […]. The Court has further considered as an important factor supporting an absent witness's statement the fact that there were strong similarities between the absent witness's description
the alleged
fence committed against him or her and the description, given by another witness with whom there was no evidence
collusion,
a comparable
fence committed by the same defendant. This holds even more true if the latter witness gave evidence at the trial and that witness's reliability was tested by cross-examination […]. 129. Moreover, in cases in which a witness is absent and cannot be questioned at the trial, a significant safeguard is the possibility
fered to the defence to put its own questions to the witness indirectly, for instance in writing, in the course
the trial […]. 130. Another important safeguard countering the handicaps under which the defence labours as a result
the admission
untested witness evidence at the trial is to have given the applicant or defence counsel an opportunity to question the witness during the investigation stage […]. The Court has found in that context that where the investigating authorities had already taken the view at the investigation stage that a witness would not be heard at the trial, it was essential to give the defence an opportunity to have questions put to the victim during the preliminary investigation […]. Such pre-trial hearings are indeed
ten set up in order to pre-empt any risk that a crucial witness might not be available to give testimony at the trial […]. 131. The defendant must further be afforded the opportunity to give his own version
the events and to cast doubt on the credibility
the absent witness, pointing out any incoherence or inconsistency with the statements
other witnesses […]. Where the identity
the witness is known to the defence, the latter is able to identify and investigate any motives the witness may have for lying, and can therefore contest effectively the witness's credibility, albeit to a lesser extent than in a direct confrontation”. 50. Met betrekking tot de vraag
ten aanzien van het niet kunnen ondervragen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] sprake is van voldoende compenserende maatregelen voor de verdachte (de derde stap), is de volgende overweging van het EHRM in de zaak Keskin tegen Nederland van belang: “The Court considers that an opportunity to challenge and rebut absent witnesses’ statements is
limited use in a situation where a defendant has been denied the possibility to cross-examine the witnesses, and moreover it has repeatedly held that such an opportunity cannot,
itself, be regarded as a sufficient counterbalancing factor to compensate for the handicap for the defence created by the witnesses’ absence”.
doen ondervragen” en het recht op een eerlijk proces. Goede gronden om de getuigen niet te horen ontbreken (stap 1), de veroordeling van de verdachte wegens de onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten berust in beslissende mate op de verklaringen van beide getuigen (stap 2), terwijl compenserende maatregelen (stap 3) ontbreken.
Duitsland, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (te weten een totaalbedrag van ongeveer 52.051,11 euro), toebehorende aan [getuige 1] , waarbij verdachte het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel”.
zes weken, advies aan [getuige 1] over alle voorkomende zaken en alle werkzaamheden die naar de maatstaven van een goed beheerder wenselijk zijn. De beheerder mag het honorarium (€ 200,00 exclusief btw per maand) en eventuele betalingen door beheerder verricht ten behoeve van [getuige 1] in mindering brengen op de te ontvangen huurpenningen. Het limietbedrag voor onderhoudswerk was gesteld op € 750,00. De verdachte heeft bevestigd dat er sprake was van een beheercontract en dat de bankpas en de pincode door [getuige 1] ter beschikking waren gesteld van [E] . Deze lagen samen in de kluis ten kantore van [E] . Uit het uittreksel van het handelsregister volgt dat de verdachte sinds 29 mei 2012 enig aandeelhouder en enig bestuurder is van [B] B.V. De vennootschap handelt mede onder de namen [C] en [E] .Uit de bankafschriften van rekeningnummer [rekeningnummer 3] op naam van [getuige 8] blijkt dat er in de periode 1 augustus 2012 tot en met 15 december 2012 in totaal € 22.600,00 vanaf de rekening van [getuige 1] met nummer [rekeningnummer 3] naar de rekening van [getuige 8] is overgeboekt. [getuige 8] is als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij de desbetreffende rekening voor [verdachte] heeft geopend, omdat zij zelf niet in staat was om een rekening op haar eigen naam te openen. Hij weet niets over betalingen die van
op die rekening worden gedaan. Voor zover hij weet wordt die rekening alleen door [verdachte] gebruikt. [Verdachte heeft ter terechtzitting (in eerste aanleg) bevestigd dat zij de rekening van [getuige 8] gebruikt om te bankieren.] Aldus constateert de rechtbank dat de gelden zijn overgemaakt naar een rekening waarover niet [getuige 8] , maar de verdachte het feitelijke beheer voerde. Uit de bankafschriften van rekeningnummer [rekeningnummer 4] op naam van [betrokkene 1] blijkt dat er in de periode 1 augustus 2012 tot en met 15 december 2012 in totaal € 29.451,11 vanaf de rekening van [getuige 1] met nummer [rekeningnummer 3] naar de rekening van [betrokkene 1] is overgeboekt. [betrokkene 1] is op 31 maart 2013 overleden nadat hij met zijn auto tegen een boom is gereden. Hij heeft aldus geen verklaring meer kunnen afleggen in dit onderzoek. Uit de bankgegevens is echter naar voren gekomen dat een groot deel van die bankbedragen ten gunste van de verdachte zijn uitgegeven. Zo zijn er vele betalingen aan [F] gedaan vanaf de rekening van [betrokkene 1] voor goederen op naam van de verdachte. Ook is er een bed aangekocht bij Beter Bed op naam van de verdachte, maar voor rekening van [betrokkene 1] . Bij de politie heeft de verdachte dienaangaande verklaard dat zij wel eens gebruik maakte van de bankpas van [betrokkene 1] . Ter terechtzitting heeft zij dit ontkend, maar wel verklaard dat [betrokkene 1] vaak goederen voor haar kocht. Wederrechtelijke toe-eigening? De vraag ligt nu voor
er door de verdachte wederrechtelijk gelden zijn onttrokken aan de rekening van [getuige 1] . De verdachte heeft verklaard dat zij weliswaar regelmatig gelden heeft onttrokken aan de rekening van [getuige 1] , maar dat zij respectievelijk haar partner [getuige 5] vervolgens een bedrag van € 10.000,00 en een bedrag van € 8.500,00 contant aan [getuige 1] hebben betaald. [getuige 1] had haar gevraagd om geldbedragen van zijn rekening naar de rekening op naam van [getuige 8] over te maken en deze gelden vervolgens in delen op te nemen en daarna contant aan [getuige 1] te overhandigen. De verklaring voor deze merkwaardige gang van zaken die verdachte hiervoor geeft is dat [getuige 1] dit had gevraagd om geen fiscaal nadeel te krijgen van de deblokkering van zijn spaarloonregeling. [getuige 1] ontkent echter opdracht gegeven te hebben voor de transacties en deze cash- opnames en stelt dat hij nooit gelden heeft ontvangen van de verdachte
van haar partner [getuige 5] . Voorafgaand aan de terechtzitting heeft de raadsman namens de verdachte een kwitantie ingediend die als bewijs zou moeten dienen voor het feit dat [getuige 1] op 5 oktober 2012 een bedrag van € 10.000,00 contant van verdachte heeft ontvangen. [getuige 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat de handtekening op de kwitantie niet zijn handtekening is. Hij gebruikt weliswaar verschillende handtekeningen, maar gebruikt in die handtekeningen nooit de naam ‘ [getuige 1] ’ voluit, zoals wel is gebeurd en door de rechtbank ter terechtzitting is vastgesteld in de handtekening op de kwitantie. De financiële recherche heeft via de Belastingdienst het kasboek van [G] verkregen. Blijkens informatie van de Kamer van Koophandel is ook dit een bedrijf (eenmanszaak) van de verdachte, met als bedrijfsactiviteit de installatie van verwarmings- en luchtbehandelingsapparatuur. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat zij dit bedrijf destijds ook had. Door de recherche zijn contante pinopnames vanaf de rekeningen van [getuige 8] vergeleken met de kasstortingen op rekeningen van [G] . Hieruit volgt dat de pinopnames van de bankrekening van [getuige 8] van 18, 22, 24, 26 en 28 augustus 2012 ter waarde van totaal € 5.500,00 overeenkomen met de kasstortingen op diezelfde dagen, met een totale waarde van € 5.000,
indiiect ten gunste van de verdachte kwamen. Een en ander leidt tot het oordeel dat er voldoende wettig bewijs is dat de verdachte zichzelf een bedrag van € 52.051,11 wederrechtelijk heeft toegeëigend vanaf de rekening van [getuige 1] . De verklaring van de verdachte, die de rechtbank van het tegendeel zou moeten overtuigen, wordt als volstrekt ongeloofwaardig gepasseerd omdat zij strijdig is met de inhoud van het dossier. Ook de door de verdachte ingediende stukken kunnen haar verklaring niet ondersteunen. Waar de overboekingen vanaf de rekening van [getuige 1] door verdachte zijn verricht blijkt niet uit het dossier. Nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat zij in die periode afwisselend in Nederland en in Duitsland verbleef en ook kantoor hield in [plaats] , zal de rechtbank aannemen dat die wederrechtelijke overboekingen in ieder geval in Nederland en/
in Duitsland zijn verricht. Diefstal
verduistering? Uit de beheerovereenkomst blijkt dat de verdachte gemachtigd was tot betalingen in het kader van het onderhoud van de panden van [getuige 1] tot een bedrag van € 750,00 en na mondelinge toestemming van [getuige 1] . [getuige 1] ontkent dat er kosten voor onderhoud zijn gemaakt. Ter terechtzitting heeft hij als getuige verklaard dat hij wel een pui voor een van zijn appartementen had besteld, maar dat die nooit is geplaatst. De verdachte heeft dergelijke onderhoudskosten ook niet kunnen aantonen. Daarnaast gaan de overgeboekte bedragen het bedrag van € 750,00 ver te boven. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van diefstal van het tenlastegelegde geldbedrag, omdat de handelingen van de verdachte niet onder de beperkte machtiging in het kader van de beheerovereenkomst vielen. Deze diefstallen hebben plaatsgevonden met een valse sleutel, zijnde de bankpas en de pincode die de verdachte weliswaar onder zich had, maar niet voor die doeleinden mocht gebruiken. Medeplegen? Het dossier biedt te weinig aanknopingspunten voor de stelling dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een
meerdere andere personen bij het plegen van dit feit. 60. Met betrekking tot feit 1 houdt de aanvullende motivering van het bewijs, die het hof heeft gegeven, het volgende in: “In hoger beroep is, op verzoek van de verdediging, door de heer W. de Jong, gerechtelijk deskundige voor schriftonderzoek, een handschriftonderzoek verricht betreffende de vraag
de handtekening op de kwitantie d.d. 5 oktober 2012 al dan niet de handtekening van [getuige 1] is. De deskundige heeft de betwiste handtekening vergeleken met het referentiemateriaal en zijn bevindingen in het rapport van 10 december 2018 gerelateerd. Daaruit volgt in de eerste plaats dat aan de deskundige slechts een fotokopie van de kwitantie ter beschikking was gesteld. Voorts blijkt uit het rapport (onder meer) dat de betwiste handtekening qua schriftsoort, afmetingen, verbondenheidsgraad en hellingshoek met de vergelijkings- handtekeningen overeenkomt. De schrijfsnelheid en de bewegingsrichting kunnen bij een fotokopie niet op betrouwbare wijze worden bepaald, maar een vergelijking op visuele equivalentie heeft in dit opzicht geen significante verschillen tussen de betwiste handtekening en het referentiemateriaal opgeleverd. De deskundige heeft geconcludeerd dat — rekening houdend met de beperkingen voor het onderzoek – voornoemde bevindingen met betrekking tot de betwiste handtekening waarschijnlijker zijn wanneer hypothese Hl (de betwiste handtekening is een authentieke handtekening van [getuige 1] ) waar is, dan wanneer hypothese H2 (de valsheids- hypothese. een ander dan [getuige 1] heeft de betwiste handtekening geplaatst) waar is. Deze bevindingen kunnen volgens de deskundige echter niet als bevestiging worden opgevat voor de aanname dat [getuige 1] de handtekening daadwerkelijk op de betwiste kwitantie heeft geplaatst. Bij een fotokopie kan immers sprake zijn van montage. Het hof overweegt hieromtrent dat het verwondering wekt dat slechts een fotokopie van de kwitantie aan de deskundige ter hand is gesteld, terwijl verdachte — als degene die met een kwitantie de verrichte betaling zou kunnen bewijzen - juist de beschikking zou moeten hebben gehad over de originele kwitantie. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij het origineel had opgeborgen in een map met stukken betreffende [getuige 1] en dat zij de hele map aan [getuige 1] heeft afgegeven, maar dat doet niets af aan de navolgende conclusie. De omstandigheid dat de kwitantie in kopie is aangeleverd heeft geleid tot een beperking voor het onderzoek en maakt dat niet kan worden uitgesloten dat de handtekening door een ander dan [getuige 1] op de kopie-kwitantie is aangebracht. Het hof is derhalve van oordeel dat de conclusie van de deskundige dat het waarschijnlijker is dat (het origineel van) de betwiste handtekening een authentieke handtekening van [getuige 1] is, niets afdoet aan de door de rechtbank gebezigde bewijsmotivering ten aanzien van feit
ficier van justitie De
ficier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aangezien de verdachte nog steeds geldproblemen heeft en geen inzicht in haar handelen toont, is er volgens de
ficier van justitie sprake van recidivegevaar. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft gepleit voor een voorwaardelijke straf en heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met de volgende feiten en omstandigheden: - verdachte heeft een blanco strafblad; - verdachte heeft het bedrijf niet meer waarmee zij beweerdelijk de strafbare feiten heeft gepleegd; - er is een zeer laag recidiverisico; - de zaak loopt al ruim vier jaren, waardoor de redelijke termijn duidelijk is overschreden; - verdachte heeft een slechte gezondheid; - verdachte ontvangt slechts een geringe uitkering. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft het door [getuige 1] in haar gestelde vertrouwen ernstig misbruikt. Uit de bankafschriften volgt dat zij [getuige 1] zo’n € 52.000,00 afhandig heeft gemaakt. Niet door ervoor te werken, maar door deze bedragen over te maken naar rekeningen van zogenaamde katvangers. Vervolgens werden de bedragen ten bate van de verdachte aangewend. Toen er bij [getuige 1] niets meer te halen viel, omdat zijn zuurverdiende geld dat hij belegd had in een spaarloonregeling en een levensverzekering inmiddels volledig was weggevloeid naar de verdachte, heeft verdachte naar manieren gezocht om nieuwe inkomsten op deze rekening te genereren. Zo zijn de werkge
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.