ECLI:NL:PHR:2021:921
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer19/05633 P Zitting 5 oktober 2021 (bij vervroeging) CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [betrokkene ] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, hierna: de betrokkene.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 11 december 2019 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 210.536 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene met nr. 19/05632, waarin ik vandaag ook zal concluderen. In die zaak is de betrokkene veroordeeld wegens valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en verduistering, meermalen gepleegd. De valsheid in geschrift bestond erin dat betrokkene – kort gezegd – kasbewijzen van de [slachtoffer] valselijk heeft opgemaakt. De verduistering bestond erin dat hij zich als penningmeester van de [benadeelde] een geldbedrag van in totaal € 210.536 wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
Alle middelen zien op de vaststelling van de hoogte van de betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen geef ik delen van de overwegingen van het hof, het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, de pleitnota en het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg weer.
Passages uit ’s hofs overwegingen, het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, de pleitnota en het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg 5. Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen: ‘Vordering De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 210.536,00 (tweehonderdtienduizend vijfhonderdzesendertig euro) en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 210.536,00 (tweehonderdtienduizend vijfhonderdzesendertig euro) en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Verweer namens veroordeelde De raadsman heeft op de terechtzitting in hoger beroep herhaald dat bij de vaststelling van wederrechtelijk verkregen voordeel in ieder geval rekening moet worden gehouden met de bedragen die de veroordeelde geheel in lijn met het doel van de aan hem beschikbaar gekomen gelden heeft besteed, te weten een bedrag van (in totaal) € 62.995,00 dat is overgemaakt aan [betrokkene 1] die daarvoor pastoraal werk heeft verricht en een bedrag van € 30.000,00 dat is overgemaakt aan [betrokkene 2] , de voormalig echtgenote van de veroordeelde.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 11 december 2019 (parketnummer 21-003081-18) onder andere ter zake van “verduistering, meermalen gepleegd” veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 210.536,00 (tweehonderdtienduizend vijfhonderdzesendertig euro). Het hof komt als volgt tot deze schatting:
Dat veroordeelde zich een bedrag van in totaal € 210.536,00 wederrechtelijk heeft toegeëigend, blijkt uit de in het arrest van 11 december 2019 opgenomen bewezenverklaring van dit feit en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen. Anders dan de raadsman is het hof, met de advocaat-generaal en de rechtbank, van oordeel dat veroordeelde van het wederrechtelijk verkregen geldbedrag ook daadwerkelijk het voordeel heeft genoten, nu hij de feitelijke beschikking had over dat geld en hij het geld naar eigen inzicht heeft kunnen besteden en ook heeft besteed. Immers heeft veroordeelde het geld van de [benadeelde] overgemaakt naar de rekening van [A] . De veroordeelde was de enige persoon die zich bezighield met overboekingen van de rekening van [A] .
Vanaf de bankrekening van [A] werd het geld vrijwel direct overgemaakt naar de rekening van [B] Van deze rechtspersoon was veroordeelde enig aandeelhouder en enig bestuurder. De veroordeelde heeft het geld naar eigen zeggen gebruikt als overbruggingsfinanciering voor eigen zakelijke projecten. Ook stelt veroordeelde – als voormeld – dat het geld van [benadeelde] werd gebruikt voor andere doeleinden, zoals een maandelijkse bijdrage aan [betrokkene 1] en een uitkering aan zijn ex-vrouw, [betrokkene 2] . Deze bestedingen, waaraan telkens een vrije keuze van de veroordeelde ten grondslag lag en hij volledig naar eigen inzicht heeft verricht, zijn geen kosten die voor mindering op het wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking komen.
Het hof concludeert dan ook dat het totale geldbedrag kan worden aangemerkt als door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gelet op het voorgaande stelt het hof het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 210.536,00.
De verplichting tot betaling aan de Staat Gelet op de ter terechtzitting naar voren gekomen persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, met name zijn draagkracht, acht het hof geen gronden aanwezig om het door de veroordeelde te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte bedrag. Het hof gaat er daarbij van uit dat redelijkerwijs te verwachten is dat de veroordeelde in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen.
Op grond van het voorgaande zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op het hierna te melden bedrag.’ 6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2019 houdt onder meer het volgende in: ‘De verdachte deelt hierop – zakelijk weergegeven – mee: (…) U vraagt mij nu naar de pastoraal werker [betrokkene 1] en wat zij deed. In 2010 of 2011 is een pastoraal steunfonds opgericht om pastoraal werkers te ondersteunen. Dat is gekomen door een toenmalige stichting in [plaats] waarvan de voorzitter was overleden. Zijn levenspartner, die pastoraal werk verrichtte, moest ondersteund worden in haar werkzaamheden. Zo is dat toen gekomen. Bij de oprichting van dat fonds is destijds niet besproken dat [betrokkene 1] zodanig ziek was, dat zij niet kon werken. Maar dat kwam wel vrij snel aan de orde. Ze was aanvankelijk niet in staat om nog pastoraal werk te doen, maar er zou wel verbetering in komen. Bij de oprichting van het fonds is afgesproken dat [betrokkene 1] bruto drieduizend euro per maand zou ontvangen om in haar levensonderhoud te voorzien.
Dat is toen ook met een ambtenaar van de belastingdienst afgestemd. Wij moesten eenmaal per jaar opgave doen op een formulier en daarop exact aangeven hoeveel [betrokkene 1] had ontvangen in dat jaar. Daarover moest zij dan belasting betalen. Later zijn daar nog vragen over geweest en is dat nog nader onderbouwd. Er zijn geen afspraken gemaakt over een aantal uren dat feitelijk gewerkt zou moeten worden. De vereniging was toen een algemeen nut beogende instelling. In het kader van de ANBI-status bestond de plicht om te verantwoorden wat er met het geld gebeurde. Wij hebben toen ook om een verslag van haar werkzaamheden gevraagd. We wisten dat ze aanvankelijk niet kon werken, maar ze zou beter worden.
Later bleek toch dat het haar niet meer ging lukken. Er is overleg over geweest met de belastingdienst. (…) De verdachte deelt naar aanleiding van vragen over zijn persoonlijke omstandigheden - zakelijk weergegeven - mee: Ik ben persoonlijk failliet en dat faillissement loopt nog. Ik heb wel een andere rechter-commissaris gekregen. De faillissementen tegen de andere entiteiten zijn opgeheven bij gebrek aan baten. Mijn gezondheid is goed. Zakelijk doe ik niet veel meer. Zolang je failliet bent, kun je de dingen die je anders deed niet meer doen. Ik heb twee kleinkinderen en een moeder die op leeftijd is.
De voorzitter deelt - zakelijk weergegeven - mee dat de rechtbank in de strafzaak een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd en dat zij de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie heeft toegewezen.
De raadsman deelt hierop - zakelijk weergegeven - mee:
In eerste aanleg is in het kader van de vordering van de benadeelde partij gesteld dat sinds medio 2016 door de ex-partner van verdachte per maand driehonderd euro wordt betaald vanwege haar hoofdelijke aansprakelijkheid. In februari zal daarom twaalfduizend euro zijn afbetaald en dat is van belang in verband met de ontnemingsvordering. Dat bedrag zou in mindering moeten worden gebracht.
De verdachte deelt - zakelijk weergegeven - nog mee: Mijn hoofdverblijf is bij mijn dochter, maar ik verblijf af en toe ook wel bij anderen om mijn dochter niet teveel te belasten. Het adres in [plaats] is mijn officiële adres. Ik verblijf soms bij mijn moeder of bij andere familieleden.
Ik kan, mede vanwege mijn faillissement, geen bedrijf uitoefenen. Deze zaak is ook in de publiciteit geweest en dat maakt het er niet gemakkelijker op in de sector waarin ik werkzaam ben. Niet alleen ben ik veroordeeld, maar het predikantschap is mij ook ontnomen. Dat houdt in dat ik ook niet als ziekenhuispredikant mag werken. Ik heb met name gewerkt aan situaties bij anderen om te voorkomen dat dit soort dingen zich zouden voordoen. Er wordt mij soms nog wel om advies gevraagd en op grond van mijn ervaringen adviseer ik mensen. Ik leef dus als een vroeg-gepensioneerde, maar ik geef nog weleens iemand advies. Ik heb geen dienstbetrekking. Ik heb nog weleens gesolliciteerd, maar dan loop ik telkens tegen mijn achtergrond aan. Men hoeft maar op Google te zoeken en men vindt de gegevens over mij. Daarnaast heb ik ook mijn leeftijd tegen. Ik ben de zestig gepasseerd en dan is het niet eenvoudig om een inkomen te verwerven. Ik merk dat mensen Googelen en dan met vragen komen en dat leidt tot drempels die moeilijk te slechten zijn.
Op de vraag van de oudste raadsheer of ik een eigen website heb als bemiddelaar, antwoord ik dat ik niet zelf bemiddel. Ik faciliteer bemiddeling. Met faciliteren bedoel ik dat mensen mij kunnen benaderen, waarbij ik een bemiddelaar zoek naar wie ik kan doorverwijzen. In Noord-Holland en elders in Nederland zijn bemiddelaars en daar verwijs ik naar, omdat ik zelf niet als bemiddelaar kan fungeren.
U vraagt mij of [A] nog wel actief is op LinkedIn. Dat is een goede vraag. De holding is failliet gegaan en de werkmaatschappij en [A] en de vereniging ook. De eenmanszaak is kennelijk nog niet afgewikkeld. Er was ook nog een stichting en die is niet failliet. En er was nog een andere stichting van voor het faillissement en die is ook niet failliet. Die zijn allemaal blijven bestaan. Ik ben vooral bezig met schrijven waar ik zelf voor kies. Dus, als het moeilijk is om een dienstbetrekking te krijgen, ga je kijken wat je kunt doen. De stichting staat voor onderzoek en schrijven. Het brengt niets op, maar is wel een zinvolle tijdsbesteding. Ik ben de laatste jaren bezig met dingen waar ik anderen ook mee kan helpen om te voorkomen dat ze in dezelfde fouten terechtkomen als ik.
Bijvoorbeeld met de kennis van nu weet ik dat het risicovol is om bankinstrumenten te leasen. Ik wist dat toen niet en nu weet ik dat wel. Ik kan met die kennis mogelijk anderen informeren om hen zo te waarschuwen. Ik heb de afgelopen jaren vrienden gehad die mij financieel met kleine giften hebben geholpen. Ik heb ook weleens een documentje gemaakt waar ik tweehonderd euro voor kreeg. Dat was dan niet veel, maar het is wel nodig om van te kunnen leven. Ik voldeed niet aan de eisen om voor bijstand in aanmerking te komen. Daar is eerst naar gekeken. Dat was voor de curator ook niet gunstig en verder zou niemand daar voordeel aan hebben gehad. Bij de aanvraag voor bijstand in [plaats] is al gekeken of het mogelijk was dat ik het werk als bemiddelaar of iets dergelijks kon voortzetten.
Dat bleek niet mogelijk. Het beleid in [plaats] is zo dat als je bijstand krijgt, je ook moet proberen om betaald werk te krijgen.
De advocaat-generaal houdt mij voor dat op mijn website […] .com een quote van Albert Einstein staat, te weten “Failure is success in progress'’. Het komt erop neer dat fouten uit het verleden soms een stop zijn op weg naar succes. We kunnen het verleden niet veranderen, maar je kunt wel werken aan de toekomst. Ik heb van mijn fouten geleerd en daarom ben ik de laatste jaren vooral aan het werk om mijn ervaringen met anderen te delen om hen ervoor te behoeden dezelfde fouten te maken als ik. Succes kan ook materieel succes zijn. (…) De raadsman voert zowel in de strafzaak als in de ontnemingszaak het woord tot verdediging en pleit daartoe overeenkomstig zijn beide overgelegde pleitnota’s, welke aan dit proces-verbaal zijn gehecht en waarvan de inhoud geacht moet worden hier te zijn ingevoegd. Hij voegt daar - zakelijk weergegeven - in het kader van de ontnemingszaak nog aan toe dat de BMW van verdachte in beslag is genomen en is verkocht. (…) De raadsman dupliceert en deelt - zakelijk weergegeven - mee dat de opbrengst van de BMW van verdachte naar de benadeelden is gegaan en dat daarom het bepaalde in artikel 36f 9e lid van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.’ 7. De aan het hof overgelegde pleitnota houdt onder meer in (met weglating van verwijzingen en voetnoten): ‘1. [betrokkene 2] Van het wederrechtelijk verkregen voordeel is € 12.265,- naar de ex-vrouw van cliënt [betrokkene 2] gegaan (…).
Volgens [betrokkene 2] is dit geld overgeboekt vanuit cliënt naar haar privérekening als onderdeel van hun scheidingsconvenant (…). [betrokkene 4] , penningmeester van [benadeelde] , heeft namens de benadeelde partij het woord gevoerd op de zitting d.d. 9 mei 2018 in eerste aanleg. Hij heeft toen onder meer verklaard dat met [betrokkene 2] een betalingsregeling is aangegaan van maandelijks € 300,- voor een periode van 3 jaren (…). Deze is volgens cliënt in februari 2020 afbetaald (41 maanden vanaf medio 2016). Gelet op art. 36e, negende lid, Sr dient dit bedrag in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
In het geval het Hof het niet aannemelijk acht dat dit bedrag (deels) is terugbetaald dan verzoekt de verdediging de zaak aan te houden om [betrokkene 2] ter zitting op te roepen om als getuige te horen. Zij kan verklaren tot welk bedrag zij de benadeelde partij heeft terugbetaald.
Naar het oordeel van de verdediging komen de volgende twee posten in aanmerking voor een matiging. Dat zijn:
Ten aanzien van opgesoupeerd voordeel stelt de wetgever het volgende:
De rechter is evenwel vrij het voor ontneming in aanmerking te brengen bedrag lager te bepalen dan dat waarop hij het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geschat. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer een deel of het geheel van het wederrechtelijk verkregen voordeel inmiddels is opgesoupeerd, en er niet voldoende vermogensobjecten resteren, en, naar wordt gevreesd, ook in de toekomst zullen worden verworven, om het geschatte bedrag aan voordeel op te verhalen.
Cliënt verkeert per 28 juni 2016 in staat van faillissement. Voorts zal cliënt binnen 2 jaar zijn pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Cliënt ontbeert enig vermogen en zijn verdiencapaciteit in de toekomst is beperkt. Het is derhalve aanstonds duidelijk dat cliënt thans en in de toekomst de door de rechtbank opgelegde ontnemingsmaatregel niet kan voldoen.
Weliswaar staat het CJIB in (zeer) uitzonderlijke gevallen een betalingsregeling toe waarbij binnen 3 jaar, uiterlijk 6 jaar wordt voldaan, maar ook bij die stand van zaken is dat voor cliënt onuitvoerbaar.
De verdediging wenst te benadrukken dat met de ontnemingsmaatregel als sanctie rechtsherstel wordt nagestreefd niet vanzelf betekent dat het onverkort opleggen van een ontnemingsmaatregel in het concrete geval ook steeds een rechtvaardige en zinvolle strafrechtelijke reactie oplevert. Zoals altijd komt het in het recht aan op het afwegen van onderling tegenstrijdige belangen en het bereiken van het juiste evenwicht tussen die belangen.
Op grond daarvan verzoekt de verdediging om voormelde posten tot nihil, althans (aanzienlijk) te matigen.’ 8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 9 en 16 mei 2018 heeft [betrokkene 4] aldaar het volgende verklaard: ‘Ik ben sinds kort penningmeester van [benadeelde] . De ten laste gelegde feiten hebben zich afgespeeld in de periode voorafgaand aan mijn penningmeesterschap. Het zit ons dwars dat wij nooit van de verdachte te horen hebben gekregen wat er gebeurd is met het geld, ondanks het contact dat wij met de verdachte hebben gehad. Het schadebedrag in de vordering is opgebouwd in de jaren 2013, 2014 en 2016. Vanwege oplopende proceskosten is de vordering inmiddels opgelopen tot een bedrag van € 279.000,00.
De vordering is in een andere procedure door de civiele rechter toegekend. Het faillissement van de verdachte is uitgesproken, waardoor er bij hem niets meer te halen valt. De vordering is ingediend bij de curator. Met de ex-vrouw van de verdachte is een betalingsregeling overeengekomen, omdat zij en de verdachte in gemeenschap van goederen getrouwd waren. Zij betaalt momenteel maandelijks € 300,00 voor een periode van 3 jaren.’ Bespreking van de middelen 9. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof heeft ‘nagelaten te responderen op het ter zitting gevoerde verweer van de raadsman dat een bedrag van € 12.265 in mindering moet worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel’, nu dit bedrag zou zijn terugbetaald aan [benadeelde] . Het tweede middel bevat de klacht dat het hof heeft ‘verzuimd dit bedrag in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel bij de vaststelling van de betalingsverplichting aan de Staat’. De vaststelling van de betalingsverplichting zou van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, althans onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd zijn. De steller van het middel refereert bij beide middelen aan art. 36e, negende lid, Sr. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Wat haar lasten betreft omvatte de gemeenschap ‘alle schulden van ieder der echtgenoten’, met nader omschreven uitzonderingen (vijfde lid, oud). Sinds 1 januari 2018 omvat de gemeenschap, ‘wat haar baten betreft, alle goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen’, behoudens enkele nader genoemde uitzonderingen (tweede lid). En wat haar lasten betreft omvat de gemeenschap sindsdien ‘alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten’, met een aantal uitzonderingen (zevende lid).
Goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen zowel onder het oude als onder het nieuwe regime slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet (derde lid, oud, en vijfde lid, nieuw). De civiele kamer van Uw Raad heeft overwogen dat ‘het antwoord op de vragen of een goed dan wel een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, (…) aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed, respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt (…), afhankelijk (is) van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald’.
Ik merk tenslotte op dat zowel door aanstaande echtgenoten vóór het sluiten van het huwelijk als door echtgenoten tijdens het huwelijk huwelijkse voorwaarden kunnen worden gemaakt (art. 1:114 BW). Partijen kunnen bij huwelijkse voorwaarden binnen nader omschreven randvoorwaarden afwijken van de regels der wettelijke gemeenschap (art. 1:121 BW).
2.4 Het oordeel van het hof strekt ertoe dat in het onderhavige geval, waarin - zoals de raadsman heeft aangevoerd - de betrokkene hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van de aan de benadeelde partijen in rechte toegekende vorderingen en niet de betrokkene maar één van zijn mededaders deze vorderingen volledig heeft voldaan, niet op grond van artikel 36e lid 9 Sr de verplichting bestaat (een evenredig deel van) de aan de benadeelde partijen toegekende en door die mededader betaalde vorderingen in mindering te brengen bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat door of namens de betrokkene niet is aangevoerd en ook overigens niet is gebleken dat de betrokkene zijn aandeel in de schuld aan de benadeelde partijen aan de betreffende mededader heeft betaald. Opmerking verdient nog dat, indien een betrokkene in het hier geschetste geval alsnog zijn aandeel in de schuld aan de benadeelde partij voldoet door de betaling aan de mededader, hij op grond van artikel 6:6:26 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering het verzoek kan doen het bedrag van de opgelegde ontnemingsmaatregel te verminderen.’ 19. De achtergrond van deze rechtsregel is helder. De rechter moet in het geval van mededaders bepalen welk deel van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel aan elk van de betrokkenen dient te worden toegerekend. Als een betaling door een mededader tot aftrek bij de betrokkene zou leiden, zou dat ertoe leiden dat een deel van het aldus aan de betrokkene toegerekende wederrechtelijk verkregen voordeel niet wordt ontnomen. Op dezelfde gronden leidt, zo neem ik aan, ook een betaling door een andere persoon (dan een mededader) aan de benadeelde derde in beginsel niet tot vermindering van het wederrechtelijk verkregen voordeel of de betalingsverplichting. Als een goede vriend of familielid van de betrokkene diens schuld voldoet, leidt dat niet tot aftrek. Dat is wel het geval als die vriend of dat familielid het geld aan de betrokkene geeft en deze daarmee zijn schuld aan de benadeelde voldoet. De omstandigheid dat de vordering van een benadeelde derde die met het wederrechtelijk verkregen voordeel verband houdt (deels) voldaan is door een andere persoon, kan wel aanleiding geven tot een verzoek om vermindering van de betalingsverplichting uit hoofde van art. 6:6:26 Sv.
Het hof heeft vervolgens geconcludeerd dat het totale geldbedrag van € 210.536 kan worden aangemerkt als door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Onder het kopje ‘De verplichting tot betaling aan de Staat’ heeft het hof vervolgens overwogen dat het hof gelet op de ter terechtzitting naar voren gekomen persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, met name zijn draagkracht, geen gronden aanwezig acht om het door de veroordeelde te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte bedrag. Daarbij gaat het hof ervan uit dat redelijkerwijs te verwachten is dat de veroordeelde in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714, NJ 1998/242, m.nt. Reijntjes.
HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3721, NJ 2005/133.
Zie onder meer HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1118, NJ 2016/493 m.nt. Keulen en eerder HR 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8491, NJ 2006/63. Consequentie van deze benadering is dat voor het hoofdelijk opleggen van een betalingsverplichting (art. 36e, zevende lid, Sr) slechts beperkt ruimte bestaat; zie HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878, NJ 2015/326 m.nt. Reijntjes.
In HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:45 was sprake van een huwelijk dat na de verkrijging van wederrechtelijk voordeel was gesloten. A-G Aben zette uiteen waarom dat voor de voordeelsberekening irrelevant was. Uw Raad deed de zaak af met art. 81 RO.
Wet van 24 april 2017 tot wijziging van Boek I van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, Stb. 177; inwerkingtredingsbesluit Stb. 2017, 178. Op huwelijken gesloten vóór die datum bleef (kort gezegd) het oude huwelijksgoederenregime van toepassing (zie art. IV lid 1 van voornoemde wet). Zie over de toepassing van deze wettelijke regeling A.N. Labohm en A.H.N. Stollenwerck, ‘Schulden en de beperkte gemeenschap van goederen’, EB 2021/77.
HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259 m.nt. Verstappen, rov. 4.1.4. Zie nader A.R. de Bruijn e.a., Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 116-129.
HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878, NJ 2015/326 m.nt. Reijntjes. Daarmee is niet gezegd dat aan de omstandigheid dat de betrokkene in gemeenschap van goederen is getrouwd, zonder meer kan worden ‘ontleend dat de betrokkene daadwerkelijk gezamenlijk met haar echtgenoot de beschikking heeft gehad’ over wederrechtelijk verkregen voordeel; zie HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:783, NJ 2018/312 m.nt. Kooijmans, en van die noot in het bijzonder randnummer 3.
Borgers, a.w., p. 367; Keulen, a.w., p. 93.
Kamerstukken II 2012/13, 33 295, nr. 8. Dit voorschrift heeft zijn huidige redactie gekregen op 1 januari 2014 (Wet van 26 juni 2013, Stb. 278) en is nadien nog vernummerd tot negende lid (Wet van 19 november 2014, Stb. 445).
Tenzij de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gesloten die het bestaan van een gemeenschap van goederen uitsluiten.
Vgl. Hof ’s-Gravenhage 22 november 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4511. Het hof was van oordeel dat de advocaatkosten en de schadevergoeding die de man diende te betalen als bijzonder verknocht dienden te gelden en nam daarbij ‘mede in aanmerking de zwaarte en aard van het strafbare feit, een zedendelict’ (rov. 10 en 11). De Bruijn e.a., a.w., p. 117 vermeldt ook een uitspraak van de Kantonrechter Haarlem uit 2008 waarin een schuld wegens verduistering waar de vrouw niets van wist als verknocht werd aangemerkt. Vgl. in dit verband ook Labohm en Stollenwerck, a.w., par. 6, en in het bijzonder par. 6.3, over ‘uitzonderlijke omstandigheden’ die een afwijking van de draagplicht rechtvaardigen.
Op grond van de door art. 511e, eerste lid, in verbinding met art. 511g, tweede lid en art. 415, eerste lid, voorgeschreven overeenkomstige toepassing van art. 359, tweede lid, Sv. Vgl. onder meer HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3593, NJ 2008/287 m.nt. Borgers onder NJ 2008/288. Zie voor de eisen te stellen aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma.
Een blik achter de papieren muur leert dat de feitelijke vaststelling dat de betaling de voldoening van een gemeenschapsschuld betreft, nog niet vanzelf spreekt. De ex-echtgenote van de betrokkene, [betrokkene 2] , heeft op 6 april 2016 bij de politie een verklaring afgelegd. Uit het proces-verbaal blijkt dat die dag een civiele zaak bij de rechter is voorgekomen. [betrokkene 2] heeft de conclusie van antwoord in die zaak overgelegd. Deze is in het dossier gevoegd. Het betreft een conclusie van antwoord van mr. A.V. Paardekooper voor de zitting van 6 april 2016 van de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, in de zaak van de [benadeelde] (eiseres) tegen [betrokkene 2] (gedaagde) met nummer C/16/404044. Ik wijs in dit verband op het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4619 (nr. C/16/404044). Uit dit vonnis leid ik af dat het totale bedrag van € 210.536 vanaf de bankrekening van [benadeelde] (eerst) naar een bankrekening van de ‘vereniging’ is overgeboekt en vervolgens in gedeelten is overgeboekt naar andere rekeningen. En dat de ex-echtgenote van betrokkene (kennelijk) als bestuurder/penningmeester van deze ‘vereniging’ hoofdelijk is veroordeeld om dit bedrag aan [benadeelde] te betalen.
Vgl. W. de Zanger, De ontnemingsmaatregel toegepast, Den Haag: BJu 2018, p. 243-245 en 254-257, die enkele specifieke gronden voor aftrek onderscheidt naast de toepassing van deze bevoegdheid als ‘veiligheidsventiel’. Zie ook HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:860, NJ 2014/363 m.nt. Borgers en HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:376.
Vgl. HR 27 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7747, NJ 2007/195. Zie ook HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:376.