PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/02691 Zitting 8 oktober 2021 CONCLUSIE T. Hartlief In de zaak 1. M.E. Verstappen 2. Mavic S.À.R.L. (hierna: ‘ Verstappen ’, ‘Mavic’ en gezamenlijk: ‘ Verstappen c.s. ’) tegen Picnic B.V. (hierna: ‘Picnic’) Deze zaak gaat over een kort filmpje waarin, kort gezegd, de bekende Formule 1-coureur Max Verstappen wordt nagespeeld door een lookalike. Het filmpje is in het najaar van 2016 door onlinesupermarkt Picnic op haar Facebook-pagina geplaatst. De lookalike bezorgt in dat filmpje, rijdend in een bestelbusje, boodschappen thuis in een raceoutfit en met een pet die sterk lijken op wat Verstappen draagt tijdens optredens in de media en op het circuit. Het filmpje is online geplaatst daags nadat een televisiereclame van supermarktketen Jumbo verscheen, waarin de werkelijke Verstappen boodschappen thuisbezorgt in een Formule 1 auto. De vraag die centraal staat, is of Verstappen c.s. zich tegen openbaarmaking van het filmpje van Picnic kunnen verzetten en of Picnic onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van Verstappen c.s. Het hof heeft deze vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend beantwoord. Daartegen zijn de klachten van Verstappen c.s. gericht. 1Feiten 1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. 1.2 Verstappen is een Formule 1-coureur die uitkomt voor het team van Red Bull Racing en wereldwijde bekendheid geniet. Mavic is een vennootschap naar Luxemburgs recht. Mavic behartigt de zakelijke belangen van Verstappen en heeft een exclusieve licentie om de intellectuele eigendomsrechten en het portretrecht van Verstappen te promoten en te exploiteren. 1.3 Picnic is een in 2015 opgerichte onlinesupermarkt die op bestelling boodschappen bij klanten thuisbezorgt. Picnic onderhoudt een Facebook-pagina waarop zij regelmatig korte filmpjes en ‘gimmicks’ plaatst bij wijze van ‘infotainment’ voor haar Facebook-gemeenschap, gericht op bestaande klanten en op haar werknemers, waaronder haar bezorgers (ook runners genoemd). 1.4 Verstappen trad op in een landelijke televisiereclame van supermarktketen Jumbo met de titel ‘Snel besteld, snel thuisbezorgd’. De reclame werd gelanceerd op 27 september 2016. In deze reclamefilm bracht Verstappen de boodschappen van Jumbo langs de deuren van de klanten met een Formule 1-auto, waarmee Jumbo het thuisbezorgen van boodschappen promootte. 1.5 Picnic heeft in de ochtend van 28 september 2016 op haar Facebookpagina een filmpje van circa 32 seconden gedeeld met de titel ‘als je op tijd bent hoef je niet te racen’ (hierna: ‘het filmpje’). In het filmpje is te zien dat een lookalike van Verstappen boodschappen van Picnic rondbrengt. De lookalike draagt eenzelfde raceoutfit en eenzelfde pet als Verstappen draagt tijdens diens optredens in de media en op het circuit. Het filmpje begint met de lookalike die langs een bestelbus van Jumbo loopt en instapt in een bestelbusje van Picnic. In dat bestelbusje rijdt de lookalike bij wijze van ‘pitstop’ langs het distributiecentrum van Picnic en bezorgt hij de boodschappen van Picnic aan huis. Door het filmpje heen komt de tekst: “soms doe je iets voor je werk” en “soms doe je iets voor je lol”. Het filmpje eindigt met de van opzij gefilmde lachende lookalike, waarna het logo van Picnic verschijnt, met de tekst: “supermarkt gratis aan huis”. 1.6 Verstappen en Mavic hebben Picnic op 28 september 2016 gesommeerd (
(2x), A-G). Vgl. J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 375-376 en GS Onrechtmatige daad VII.8.3.3.5 (actueel tot en met 1 oktober 2020) (O.M.B.J. Volgenant). Portret en geportretteerde zijn per definitie niet hetzelfde, zo is in de literatuur geconstateerd, onder verwijzing naar René Magritte’s La trahison des images, waarop een afbeelding van een pijp én de tekst “Ceci n'est pas une pipe” prijken. Een afbeelding van een pijp is geen pijp; een portret is de geportretteerde niet. Zie G.A.I. Schuijt, ‘Ceci n'est pas une pipe’, in D.J.G. Visser & D.W.F. Verkade (red.), Een eigen, oorspronkelijk karakter (Spoor-bundel), Amstelveen: deLex 2007, p. 311 e.v. Schuijt bouwt voort op de AMI-noot van J.H. Spoor bij Rb. Amsterdam (Pres.) 22 december 1994, AMI 1995-7, p. 136-137 (Sylvia Millecam), waarin onder meer wordt vermeld: “Een portret is per definitie niet een persoon zelf, maar een hulpmiddel waarmee het beeld van die persoon wordt opgeroepen. Met welke techniek, met welke kunstgrepen dat resultaat wordt bereikt is van secundair belang.” Zie HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (b). A-G Verkade merkt in randnummer 4.3 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:CA2788) voor dat arrest op dat het bij het ‘redelijk belang’ in art. 21 Aw oorspronkelijk ging om privacybelangen en niet om ‘financiële exploitatiebelangen’. Zie bijvoorbeeld de uitvoerige beschrijving van verschillende gevalstypen in J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 393-417. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (d). Zie ook HR 21 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1240, NJ 1994/473 m.nt. D.W.F. Verkade (Ferdi E.), rov. 3.5. Vgl. J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 385. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (
- c)en eerder al HR 30 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0034, NJ 1988/277 m.nt. L. Wichers Hoeth en AMI 1988, p. 58 m.nt. D.E. Bunschoten (Naturistengids), rov. 3.2 en 3.5, HR 1 juli 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB7688, NJ 1988/1000 m.nt. L. Wichers Hoeth (Vondelpark), rov. 3.3 en HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2364, NJ 1997/661 m.nt. D.W.F. Verkade en AMI 1997, nr. 7, p. 143 e.v. m.nt. G.A.I. Schuijt (Discodanser), rov. 3.3. Deze verduidelijking is op haar plaats, omdat art. 8 EVRM niet uitsluitend voorziet in bescherming van die ‘klassieke privacybelangen’, maar ook in bescherming van commerciële belangen. Zie HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.6.3. Zie daarover bijvoorbeeld ook J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 383. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (f). Zie eerder en even principieel HR 19 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6461, NJ 1979/383 m.nt. L. Wichers Hoeth en AMR 1979, p. 52 m.nt. J.H. Spoor ('t Schaep met de Vijf Pooten). In verband met de bescherming van commerciële belangen van personen die door hun beroepsuitoefening bekendheid genieten, wordt wel gesproken van een ‘commercieel portretrecht’. Zie bijvoorbeeld D.J.G. Visser (red.), Commercieel Portretrecht, Amstelveen: deLex 2009 en ook D.J.G. Visser, ‘Het commercieel portretrecht van de sporter’, in S.F.H. Jellinghaus (red.) Sport en Recht, buiten rechte of buiten spel?, Zutphen: Paris 2008, p. 107 e.v. en J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 369, 382-384. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (
- f)in samenhang met rov. 3.6.3. Zie eerder HR 19 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6461, NJ 1979/383 m.nt. L. Wichers Hoeth en AMR 1979, p. 52 m.nt. J.H. Spoor ('t Schaep met de Vijf Pooten). HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2364, NJ 1997/661 m.nt. D.W.F. Verkade en AMI 1997, nr. 7, p. 143 e.v. m.nt. G.A.I. Schuijt (Discodanser), rov. 3.3. HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2364, NJ 1997/661 m.nt. D.W.F. Verkade en AMI 1997, nr. 7, p. 143 e.v. m.nt. G.A.I. Schuijt (Discodanser), rov. 3.3. Zo’n geval was bijvoorbeeld aan de orde in Rb. Amsterdam 2 februari 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AS4748, Mediaforum 2005-3, nr. 9 m.nt. D.J.G. Visser en IER 2005/44 m.nt. E.H. Hoogenraad (Staat/Kijkshop), waarin de rechtbank overigens oordeelde dat de toenmalige premier Balkenende (die de Staat had gevolmachtigd namens hem op te treden) een karikaturale nabootsing van zijn gezicht op het voorblad van een reclamefolder van Kijkshop niet hoefde te dulden. Mediaforum-annotator D.J.G. Visser is terecht behoorlijk kritisch over het vonnis. Zo schrijft hij: “De kern van het probleem zit in het feit dat een tamelijk onschuldig tekeningetje van een politicus in een reclame voor een koffiezetapparaat wordt gekwalificeerd als ‘een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer’. Na deze kwalificatie verbaast het niet dat het commerciële belang van de Kijkshop het hier tegen moet afleggen. Wanneer wij niet spreken over ‘inbreuk op de persoonlijke levenssfeer’, maar over ‘het gebruik van zijn portret in de vorm van een tekeningetje in een reclame voor een koffiezetapparaat’ en dit afwegen tegen het grondrecht van de informatievrijheid dat blijkens de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van Mens ook ziet op commerciële communicatie, klinkt de belangenafweging geheel anders en zal deze daarom vermoedelijk anders uitvallen. Als men terug zou gaan naar de tekst van artikel 21 Aw zou men zich kunnen afvragen of een vooraanstaand politicus er nu een ‘redelijk belang’ bij heeft om zich te verzetten tegen het gebruik van zijn portret in de vorm van een tekeningetje in een reclame voor een koffiezetapparaat, [ge]geven het feit dat niemand zal denken dat hij er aan heeft meegewerkt of toestemming voor heeft gegeven.” Ik kan mij in deze opmerkingen goed vinden. Zie in dezelfde lijn overigens nog D.J.G. Visser, ‘Het commercieel portretrecht van de sporter’, in S.F.H. Jellinghaus (red.), Sport en Recht, buiten rechte of buiten spel?, Zutphen: Paris 2008, p. 110-113. HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112 m.nt. P.B. Hugenholtz, IER 2013/60 m.nt. P. Geerts en Ars Aequi 2013, p. 846 e.v. m.nt. D.J.G. Visser (Cruijff/Tirion c.s.), rov. 3.4 onder (d). Zie over dit thema in het bijzonder M. de Cock Buning, ‘Portret en Parodie’, in D.J.G. Visser (red.), Commercieel Portretrecht, Amstelveen: Uitgeverij deLex 2009, p. 55 e.v. Rov. 3.3.2. en 3.4.2. Een dergelijk geval van ‘naspelen zonder persiflage’ was bijvoorbeeld aan de orde in Rb. 's-Gravenhage (vzr.) 13 april 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AW1770 (Kalou), waarin de voorzieningenrechter moest beslissen over een tv-commercial waarin de voetballer Salomon Kalou niet alleen was afgebeeld maar ook was nagespeeld zonder dat het de kijker duidelijk zal zijn geweest dat hij werd nagespeeld. De voorzieningenrechter merkte ook het uitzenden van de nagespeelde Kalou aan als diens portret (rov. 4.3.) en achtte het openbaar maken daarvan ontoelaatbaar (rov. 4.7.). In die zaak werd overigens ook (terecht) geen beroep gedaan op het persiflerende karakter van dat portret. Vgl., in algemenere zin, R.J.Q. Klomp, ‘Recht op parodie’, in J.M. van Buren-Dee, M.C. van Gestel en E.H. Hondius (red.), Privaatrecht en Gros (Grosheide-bundel), Antwerpen-Groningen: Intersentia 1999, p. 253: “Het geparodieerde werk moet bij het publiek waarvoor de parodie bedoeld is algemene bekendheid genieten.” Zie bijvoorbeeld J.H. Spoor, D.W.F. Verkade & D.J.G. Visser, Auteursrecht. Auteursrecht, portretrecht, naburige rechten en databankenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 356: “Een parodie is een nabootsing van een ander werk in gewijzigde vorm waardoor dit tot voorwerp van de lachlust gemaakt wordt, of waardoor althans de teneur ervan ingrijpend wordt gewijzigd.” Zie ook, uitgebreider, W. Grosheide, ‘De grondslagen van de parodie-exceptie’, in W. Grosheide (red.), Parodie, Den Haag: Bju 2006, p. 1 e.v. Aldus ook C.T.M.M. Robbers, ‘De parodie in het merkenrecht’, IER 2020, p. 25: “De parodie kent verder enkele verwante uitingsvormen. Te denken valt aan satire, pastiche, burleske, karikatuur en persiflage. In het spraakgebruik overlappen de verschillende termen elkaar en worden ze nogal eens door elkaar gebruikt.” Zie M.R. de Zwaan, ‘De bevrijdende lach’, AMI 2014/6, p. 196, die erop wijst dat zo’n contrast vaak humoristisch kan zijn maar niet zonder meer grappig hoeft te zijn. Zie bijvoorbeeld E.C. de Jonge, ‘Auteursrecht en kopiëren in de kunst’, in S.D. Lindenbergh en H.N. Schelhaas (red.), Precies privaatrecht, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 236. Zie hierover G.A.I. Schuijt, ‘Look-alikes en andere nep in commercials’, in D.J.G. Visser (red.), Commercieel Portretrecht, Amstelveen: deLex 2009, p. 51. Vgl. hof Amsterdam 13 september 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BS7825, IER 2012/15 m.nt. M.H. Speyart en Mediaforum 2012/1 m.nt. W. Sakulin (Nijntje), rov. 4.8.: “De bedoeling van deze afbeeldingen, die in combinatie met de bijbehorende teksten in schril contrast staan met de oorspronkelijke figuur Nijntje, is onmiskenbaar het opwekken van de lachlust, waaraan niet afdoet dat lang niet iedereen de gewraakte afbeeldingen even grappig of gepast zal vinden. Het gaat hierbij om parodiërend gebruik, immers om nabootsingen in een enigszins gewijzigde vorm waardoor de figuur Nijntje tot voorwerp van de lachlust wordt gemaakt en waardoor de teneur van het oorspronkelijke werk op humoristische, overwegend ironische wijze wordt veranderd. Dat contrast wordt versterkt door de combinatie met de begeleidende teksten. Waar de teksten van Dick Bruna bij uitstek kindvriendelijk en geweldloos zijn, zijn de teksten bij de gewraakte afbeeldingen veelal grof en agressief.” D.J.G. Visser, ‘Het commercieel portretrecht van de sporter’, in S.F.H. Jellinghaus (red.), Sport en Recht, buiten rechte of buiten spel?, Zutphen: Paris 2008, p. 115. Zoals omschreven in art. 1 Aw. De tekst van de bepaling luidt als volgt: “Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd de openbaarmaking of verveelvoudiging ervan in het kader van een karikatuur, parodie of pastiche mits het gebruik in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is.” Eerder werd in de rechtspraak van Uw Raad al wel een (meer beperkte) parodie-exceptie aanvaard. Zie HR 13 april 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4791, NJ 1984/524 m.nt. L. Wichers Hoeth (Suske en Wiske), rov. 3.3. Ook het al genoemde hof Amsterdam 30 januari 2003, ECLI:NL:G