ECLI:NL:PHR:2021:962
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer19/05075 P Zitting 31 augustus 2021 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, hierna: de betrokkene.
De procesgang in cassatie 1. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 1 november 2019 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 796.698,00. Na aftrek wegens een overschrijding van de redelijke termijn, heeft het hof aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 785.000,00.
De procedures die aan de lopende procedure voorafgingen 4. In de strafzaak heeft de rechtbank Roermond de betrokkene bij vonnis van 18 april 2001 veroordeeld voor een vijftal (drugs)delicten, waaronder deelneming aan een criminele organisatie gericht op het plegen van drugsdelicten. De bewezenverklaringen bestrijken in totaal een periode van 1 maart 2000 tot en met 8 september 2000.
Het bestreden arrest 6. Het hof heeft in het bestreden arrest, voor zover hier van belang, het volgende overwogen: “Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vast zal stellen op een bedrag van € 982.306,35 en aan de veroordeelde een betalingsverplichting zal opleggen van € 975.000,00 wegens schending van de redelijke termijn.
De verdediging heeft aangevoerd dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te matigen, nu de contante stortingen op de rekening van de Kredietbank Luxemburg een legale herkomst hebben. (…) (…) Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Roermond van 18 april 2001 (parketnummer 04-610100-00) veroordeeld tot straf ter zake van de navolgende feiten: (…) Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten alsmede andere strafbare feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten. Bij de schatting van de hoogte van dit voordeel baseert het hof zich op de zogenoemde methode van vermogensvergelijking.
Het hof stelt de vermogensbestanddelen, met uitzondering van de stortingen op de rekeningen bij de Kredietbank Luxemburg en de ING-bank Luxemburg, en uitgaven vast op het volgende bedrag: (…) Stortingen rekeningen bij de Kredietbank Luxemburg en de ING-bank Luxemburg Ten aanzien van de stortingen op de rekening bij de Kredietbank Luxemburg heeft de verdediging aangevoerd dat de veroordeelde is veroordeeld voor strafbare feiten gepleegd in de periode na maart 2000 en dat er geen aanwijzingen bestaan dat de gelden die hij heeft gestort op deze rekening van misdrijf afkomstig zijn, te weten van de productie en handel in xtc-pillen, nu deze stortingen hebben plaatsgevonden vóór maart 2000. Niet kan worden vastgesteld dat, zeker voor de jaren 1995 en 1999, handel in xtc-pillen naar Spanje heeft plaatsgevonden, aldus de verdediging.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het dossier (pagina 117/118) is het hof het volgende gebleken:
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de veroordeelde ook voordeel heeft genoten uit andere strafbare feiten dan waarvoor hij bij bovengenoemd vonnis is veroordeeld, en wel te weten strafbare feiten die betrekking hebben op de periode vóór maart 2000. Naar het oordeel van het hof heeft de verdediging bovenstaande aanwijzingen onvoldoende betwist. Voorts stelt het hof vast dat genoemde gelden zijn gestort op de rekening van de veroordeelde bij de Kredietbank Luxemburg. Blijkens het dossier is de eerste storting op deze rekening, te weten een contant bedrag van HFL 250.200,- gedaan op 12 juni 1995. Gelet op bovenstaande aanwijzingen, waarbij de eerste aanwijzing met betrekking tot de andere strafbare feiten ziet op het najaar van 1995, is het hof van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn in het dossier dat dit bedrag van HFL 250.200,- ook van misdrijf afkomstig is, nu dit vóór het najaar van 1995 is gestort. Derhalve is het hof van oordeel dat dit bedrag voor aftrek in aanmerking komt. Gelet hierop wordt voor de berekening van het wederechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot de rekening van de Kredietbank in Luxemburg uitgegaan van een bedrag van HFL 692.854,- -/- HFL 250.200,- = HFL 442.654,-. Met betrekking tot de rekening bij de ING-bank in Luxemburg wordt uitgegaan van een bedrag van HFL 505.956,-. (…)”
Abusievelijk is in het arrest op pagina 3 opgenomen dat het hof aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel ontleent, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten alsmede andere strafbare feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.
De tekst dient gewijzigd gelezen te worden met dien verstande dat de zinsnede “andere strafbare feiten” wordt vervangen door “soortgelijke feiten.”
Het eerste middel 10. Het eerste middel klaagt over het ontnemen van voordeel dat de betrokkene (wederrechtelijk) zou hebben verkregen in een periode die voorafgaat aan de bewezen verklaarde periode.
Het arrest van de Hoge Raad dat thans in cassatie centraal staat 12. De steller van het middel verwijst in zijn toelichting naar het arrest van 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, waarin de Hoge Raad ten aanzien van de vraag hoe de ontneming van voordeel uit andere (dan de bewezen verklaarde) strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr zich verhoudt tot de onschuldpresumptie het volgende heeft overwogen: “2.4.1. Op de ontnemingsprocedure is artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) van toepassing. Dat betekent onder meer dat ook in de ontnemingsprocedure het – mede in artikel 6 lid 2 EVRM gewaarborgde – recht van een persoon om voor onschuldig te worden gehouden, totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan, dient te worden gerespecteerd. (Vgl. HR 5 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0312, rov. 6.1, en EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips tegen het Verenigd Koninkrijk), § 39 en 40.) 2.4.2. De ontnemingsprocedure heeft een ander karakter dan de strafprocedure. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan op grond van artikel 338 Sv door de rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen. In de ontnemingsprocedure is de rechter echter voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebonden aan artikel 511f Sv waarin is bepaald dat de rechter die schatting slechts kan ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. In verband daarmee gelden in de ontnemingsprocedure andere regels van procesrecht dan in de strafprocedure. (Vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3424.) Artikel 6 EVRM staat er daarbij niet aan in de weg dat de rechter in de ontnemingsprocedure gebruik maakt van bewijsrechtelijke vermoedens (“presumptions of fact or of law”; vgl. EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips tegen het Verenigd Koninkrijk), § 40) en dat de bewijslast ter zake van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het openbaar ministerie en de betrokkene (vgl. HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1182).
2.4.3. Op grond van artikel 36e lid 2 Sr kan een ontnemingsmaatregel mede betrekking hebben op het voordeel dat de betrokkene heeft verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten waaromtrent “voldoende aanwijzingen” bestaan dat deze door de betrokkene zijn begaan.
2.4.4. Indien de rechter in de ontnemingsprocedure oordeelt dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan, dient (de totstandkoming van) dat oordeel binnen het in 2.4.2 bedoelde eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming te zijn met de onschuldpresumptie. De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde “voldoende aanwijzingen” mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Tevens behoort de betrokkene de gelegenheid te hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan.”
Hoe dient het eerste middel te worden verstaan?
Beschouwingen over de onschuldpresumptie en artikel 36e lid 2 Sr Ontneming op de grondslag van artikel 36e lid 2 Sr 20. Artikel 36e lid 2 Sr geeft een wettelijke grondslag voor de ontneming van voordeel dat de betrokkene heeft verkregen door middel van of uit de baten van bepaalde delicten. Die delicten behoren tot de volgende twee welomschreven categorieën:
In de thans toepasselijke, vervallen bepalingen, te weten die van vóór 1 juli 2011, is de categorie van delicten onder (2) beperkt tot: soortgelijke feiten en feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Voor mijn verdere betoog in deze paragraaf maakt het verschil tussen de geldende en de vervallen wetstekst niet uit. Ik spreek hieronder voor het gemak steeds over ‘andere’ strafbare feiten (‘andere’ delicten), maar mijn betoog is onverminderd van toepassing op de in artikel 36e lid 2 (oud) Sr bedoelde soortgelijke feiten en vijfde-categorie-feiten.
Het onderscheid tussen deze twee kwesties c.q. voorwaarden, (i) en (ii), is voor het onderwerp van mijn betoog van groot belang. Ik kom daarop dan ook geregeld terug.
De onschuldpresumptie 22. Zoals gezegd onderbouwt de steller van het middel zijn klacht met een verwijzing naar jurisprudentie waarin de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat “indien de rechter in de ontnemingsprocedure oordeelt dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan, (…) (de totstandkoming van) dat oordeel binnen het (…) eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming [dient] te zijn met de onschuldpresumptie.” Ik sta iets langer stil bij deze overweging, met name bij begrippen als ‘de onschuldpresumptie’, het ‘eigen kader voor het bewijs in ontnemingsprocedures’ en bij de context van het wettelijke begrip ‘voldoende aanwijzingen’.
Het toepassingsbereik van de onschuldpresumptie 29. Welnu, dat de onschuldpresumptie van toepassing is op de bewijsvraag van artikel 350 Sv, staat buiten kijf. Het gaat nu evenwel alleen om de vraag naar de invloed van de onschuldpresumptie op het rechterlijk onderzoek naar (voordeel uit) ‘andere’ dan de bewezen verklaarde feiten, voorheen: soortgelijke feiten en vijfde-categorie-feiten.
Het ‘eigen kader voor het bewijs in ontnemingsprocedures’ 32. Welke is nu het ‘eigen kader voor het bewijs in ontnemingsprocedures’, als bedoeld door de Hoge Raad? Volgens de Nederlandse wettelijke bepalingen zijn in de ontnemingsprocedure de bewijsvoorschriften van de artikelen 338 tot en met 344a Sv niet van toepassing. De Hoge Raad houdt daaraan strak de hand. De bewijsstandaard van artikel 338 Sv (de rechterlijke overtuiging), bewijsminimum- en bewijsbeperkingsregels zijn in de ontnemingsprocedure niet aan de orde. Daarmee herleeft de hoofdregel van rechterlijke oordeelsvorming over kwesties van feitelijke aard. Indien de wet hierover geen voorschriften bevat, heeft de rechter meer ruimte bij het bepalen van de toepasselijke bewijsstandaard, en dat is dan: de aannemelijkheid van de stellingen van procespartijen over en weer. Ook is de rechter vrij in de wijze waarop het feitelijke oordeel tot stand komt, zolang is voldaan aan de beginselen van artikel 6 EVRM, althans voor zover van toepassing.
Conclusie 35. Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom over de toepassing van voordeelsontneming op grond van artikel 36e lid 2 Sr. De totstandkoming van het rechterlijk oordeel over de vraag (i) of de betrokkene andere dan de bewezen verklaarde delicten heeft begaan, wordt beheerst door de onschuldpresumptie. Uitsluitend indien buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de betrokkene die andere delicten heeft begaan, bestaan voor die andere delicten “voldoende” aanwijzingen. De bewijsvoorschriften van de artikelen 338 tot en met 344a Sv zijn niet van toepassing op de oordeelsvorming over vraag (i), ook niet (geheel of ten dele) over de band van artikel 511f Sv. Er gelden dus geen bewijsbeperkingen en bewijsminima, en er geldt niet de eis dat de (voldoende) aanwijzingen voor het begaan van andere delicten zijn gegrond op de inhoud van wettige bewijsmiddelen.
Zijspoor: de bewijslast 40. Daarmee heb ik nog één vraagpunt opengelaten. Hoe zit het met de toedeling van de bewijslast aangaande kwestie (i) van artikel 36e lid 2 Sr, te weten de vraag of er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere (dan de bewezen verklaarde) strafbare feiten heeft begaan? Hierover heeft de Hoge Raad zich in het geciteerde arrest niet uitgelaten. Ik sta hierbij niet al te lang stil omdat het middel daartoe niet uitnodigt. Ik wil er alleen over opmerken dat in de onschuldpresumptie naar mijn inzicht ligt besloten dat de taak tot het leveren van bewijs dat de betrokkene (ook) andere dan de bewezen verklaarde delicten heeft begaan toekomt aan het Openbaar Ministerie. Dat betreft een strengere maatstaf dan die van “een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast” die van toepassing is op kwestie (ii).
De bespreking van het middel Inleiding en drie deelklachten 43. Het hof heeft zoals gezegd toepassing gegeven aan artikel 36e lid 2 (oud) Sr. Het hof heeft geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen bestaan (in de zin van: dat buiten redelijke twijfel is vastgesteld) dat de betrokkene delicten heeft begaan die soortgelijk zijn aan de bewezen verklaarde delicten en dat de betrokkene daaruit voordeel heeft genoten. Dat de andere feiten, die ook allemaal de handel in verdovende middelen betreffen, ‘soortgelijk’ zijn aan de bewezen verklaarde drugsfeiten is in deze zaak niet aan discussie onderhevig.
Deelklacht (a) 45. De deelklacht onder (a) faalt. De ontnemingsrechter zal zijn oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene (naast de in de hoofdzaak bewezen verklaarde strafbare feiten) soortgelijke feiten heeft begaan in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking moeten brengen. Geen wetsbepaling schrijft echter voor dat dit oordeel slechts kan worden ontleend aan, dan wel dient te berusten op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Dit brengt mijns inziens mee dat de bedoelde aanwijzingen niet behoeven te worden opgenomen onder de bewijsmiddelen. Evenmin geldt de beperking dat conclusies van verbalisanten ontoelaatbaar zijn voor het bewijs, met dien verstande dat de ontnemingsrechter zich een zelfstandig – en begrijpelijk gemotiveerd – oordeel zal moeten vormen over eventuele conclusies die verbalisanten hebben getrokken. Ik kom op dit laatste punt nog terug bij de bespreking van de deelklacht onder (c).
Deelklacht (b) 46. De deelklacht onder (b) houdt zoals gezegd in dat de betrokkene niet de gelegenheid heeft gehad aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan.
De veroordeelde deelt als volgt mede:
Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel dient gematigd te worden, omdat de contante stortingen op de rekening van de Kredietbank Luxemburg een legale herkomst hebben. Ik heb dit geld verdiend met textielhandel in Griekenland. In de zaak tegen [betrokkene 10] is een lager bedrag vastgesteld en bij mij is het bedrag nooit aangepast.
De voorzitter deelt mede:
Het arrest van dit hof van 23 mei 2006 is gecasseerd door de Hoge Raad bij arrest van 15 april 2008, nu de verwerping van het verweer ten aanzien van de rekening van de Kredietbank Luxemburg onvoldoende gemotiveerd zou zijn. Ter terechtzitting van heden staat de zaak pas weer gepland voor een inhoudelijke behandeling. (…) (…) De voorzitter houdt de verdediging voor dat op een zitting in 2006 door de verdediging is gesproken over Griekse stukken en dat het hof niet beschikt over deze stukken.
De raadsman deelt mede:
Ter terechtzitting van 31 januari 2006 heb ik deze stukken overhandigd aan het hof. In 2010 ben ik aangeschreven door de griffier of ik nog de beschikking had over deze stukken. Ik had de beschikking niet meer over deze stukken en ik ging er stilzwijgend vanuit dat het hof deze stukken dan zou hebben.
De voorzitter houdt kort de stukken voor zover betrekking hebbend op de ontnemingsvordering en deelt mede:
Volgens mij bestaat er geen discussie over het contant geld, de kosten levensonderhoud, de legale inkomsten uit dienstverband en sociale uitkeringen en het voordeel uit wisseltransacties. Met betrekking tot de personenauto, de kampeerauto en de boot konden de ingediende middelen niet tot cassatie leiden. Ik heb enkele vragen met betrekking tot de stortingen op de rekeningen in Luxemburg.
De veroordeelde verklaart desgevraagd als volgt:
U houdt mij voor dat mijn broer is gehoord, dat hij een autohandel had en dat wij een textielhandel hadden en dat uit de overgelegde Griekse stukken zou blijken dat [betrokkene 11] iets verklaard zou hebben over de textielhandel en dat hieruit derhalve aangetoond zou kunnen worden dat wij handel dreven in textiel. [betrokkene 11] was een verkoper aan ons. Wij konden de broeken gemiddeld voor 20 à 22 gulden kopen van hem. De verkoopprijs lag gemiddeld 20% hoger. Ik leverde de broeken aan de groothandel.
U houdt mij voor dat mijn broer heeft verklaard dat hij in 1996/1997 gedetineerd heeft gezeten, dat ik toen de zaak heb gedraaid en dat er toen sprake was van een omzet van 5 tot 7 miljoen gulden op jaarbasis. Ik heb de brutomarge gedeeld met mijn broer. Na de detentie van mijn broer zijn wij weer samen verder gegaan. Wij zijn de textielhandel begonnen in 1994 en deze is geëindigd in 2000.
U houdt mij voor dat wij gemiddeld een omzet hadden van 6 miljoen gulden, dat ik dus persoonlijk een omzet had van 3 miljoen gulden en dat ik een brutowinst had van 600.000 gulden per jaar en u vraagt mij of ik dit heb opgegeven bij de belastingdienst. Ik heb dit niet opgegeven bij de belastingdienst. Ik heb een parallelrapport opgesteld en het meeste geld dat overbleef, heb ik op een rekening gezet. Ik heb dit dus niet opgegeven als inkomsten en ik heb hierover geen belasting betaald.
De raadsman deelt mede:
Samen met mijn cliënt ben ik bij de belastingdienst geweest om te spreken over het gebruikmaken van de inkeerregeling. Er werd gesproken over een regeling inhoudende dat mijn cliënt ieder jaar diende aan te geven wat zijn inkomsten waren geweest en dat daarover belasting diende te worden betaald. Ik meen dat wij een bedrag van 275.000,- gulden hebben voorgesteld en ook dat is niet gehonoreerd.
De veroordeelde deelt desgevraagd mede:
Zoals mijn raadsman heeft aangegeven, wilde ik een inkeerregeling treffen. De belastingdienst wilde dit graag, maar dit werd van bovenaf geblokkeerd. Ik had wel de wil om belasting te betalen; deze had betrekking op de tijd van de textielhandel. U houdt mij voor dat mijn broer deze inkomsten wel heeft opgegeven en hij een schikking heeft getroffen met de belastingdienst. Dit kan kloppen; ik heb niet veel contact met mijn broer.
De advocaat-generaal deelt mede dat de schikking van de broer van de veroordeelde eenmalig was.
Desgevraagd delen de advocaat-generaal en de raadsman mede dat stukken betrekking hebbend op de ontnemingsvordering voldoende zijn besproken en dat alle stukken in het dossier op dit punt bekend zijn en als volledig voorgehouden kunnen worden beschouwd. (…) De advocaat-generaal voert het woord overeenkomstig de inhoud van het door hem aan het hof overgelegde op schrift gestelde requisitoir, dat als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd en deelt aanvullend mede: (…).”
De Hoge Raad heeft ten aanzien van het vijfde ingediende cassatiemiddel gesteld: “3.3. Hetgeen bij pleidooi is aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door het bedoelde tegoed bij de Kredietbank Luxemburg als vermogensbestanddeel te betrekken in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar heeft, in strijd met art. 359, tweede lid, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.”
Opgemerkt dient hier terzijde te worden, dat het tweede cassatiemiddel in verband hiermee door de Hoge Raad niet meer is besproken. Het betrof het niet horen van de getuige [betrokkene 11]. Bij de hernieuwde behandeling door uw Hof is dit verzoek niet herhaald door de verdediging, dus daar hoeft het niet meer over te gaan. Overigens is het horen van deze getuige op grond van wat ik hierna zal opmerken niet noodzakelijk te achten.
Wat mij betreft is het vervolg nu heel erg simpel. In een procedure die zo lang loopt als deze en waarbij veel papier is geproduceerd, wordt soms de kern uit het oog verloren. Een kern die zo logisch is, dat uw Hof daar[aan] in het vorige arrest uit 2006 wellicht weinig aandacht heeft besteed, op grond waarvan de Hoge Raad heeft gecasseerd.
De verdediging heeft in cassatiemiddel V gesteld: “Cliënt werd door de Rechtbank Roermond veroordeeld voorstrafbare feiten gepleegd in de periode na maart 2000. De verdediging vermag absoluut niet in te zien waaruit de aanwijzingen bestaan dat de gelden die cliënt (ruim) voor deze periode heeft gestort in het buitenland van misdrijf te weten de productie en handel in xtc-pillen afkomstig kan zijn. Immers is volstrekt niet vastgesteld dat cliënt voor de periode van maart 2000 in deze handel betrokken was. Ook is volstrekt niet vastgesteld dat, zeker voor de jaren 1995 en 1999, handel in xtc-pillen naar Spanje heeft plaatsgevonden. De aanwijzingen dat de door cliënt ingelegde gelden op deze KBL-rekening een criminele herkomst hebben, missen iedere onderbouwing.”
Daar was ik snel uit, toen ik vervolgens het ontnemingsproces-verbaal begon te lezen. Op pagina 4 staat het namelijk al helder vermeld. Daarin staat: “Verder was middels de beantwoording door de Duitse autoriteiten op een rechtshulpverzoek d.d. 4 maart 1998 voor-informatie beschikbaar waaruit zou kunnen blijken dat [betrokkene] tot medio 1995 in Duitsland in hechtenis heeft gezeten in verband met de invoer van drugs.
Volgens belastende getuigenverklaringen zou [betrokkene] daarna concreet betrokken zijn geweest bij: (...volgt opsomming handel in drugs).”
Verwezen werd in de kantlijn naar pagina 0113 t/m 0309 van het dossier strafzaak.
Zijn er voldoende aanwijzingen dat er sprake is van soortgelijke strafbare feiten en dat die voordeel hebben opgeleverd?
Ja, en niet zo’n beetje ook.
Er zijn verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 5]. Niet zomaar verklaringen, maar heel gedetailleerde verklaringen. Daarbij valt op te merken dat in het verhoor van de Duitse politie (pag. 147), gesproken wordt over een telefoontap waarin [werd] een levering van 200.000 pillen werd besproken. Daarmee is [betrokkene 5] geconfronteerd, dus het is niet zo dat deze getuigen zomaar wat vertellen.
Deze taps zitten niet bij de stukken, maar dat hoeft ook niet. Het gaat hier niet om wettige en overtuigende bewijsmiddelen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan deze strafbare feiten, maar om voldoende aanwijzingen, dat er sprake is geweest van soortgelijke feiten als waarvoor [betrokkene] bij vonnis is veroordeeld, die voordeel hebben opgeleverd.
Concreet komt de vermoedelijke betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen van [betrokkene] op het volgende neer (pagina 117/118).
Er was dus wel degelijk sprake van handel in drugs in de tweede helft van de jaren negentig. Dat levert voordeel op. Aannemelijk is dat deze gelden terecht zijn gekomen op de rekeningen in Luxemburg.
De verdediging heeft in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat de stortingen op de rekening in Luxemburg afkomstig zouden zijn uit legale kledinghandel. Overigens zou dan nog de vraag zijn waar de investeringen in deze kledinghandel vandaan zouden zijn gekomen.
De redenen die in het bijzonder leiden tot de afwijking van het nadrukkelijk onderbouwde standpunt kunnen worden gevonden in hetgeen hiervoor is weergegeven. Meneer zat tot z’n nek in de drugshandel. Dat levert veel geld op en dat geld is kennelijk beland in Luxemburg.”
Op verzoek van de raadsman onderbreekt de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting zodat de raadsman in de gelegenheid wordt gesteld overleg te plegen met de veroordeelde.
Na hervatting voert de raadsman het woord tot pleidooi als volgt:
Sommige zaken heb je in je hoofd zitten en deze zaak behoort daar niet toe. Het is lastig om met dit soort zaken een bepaalde binding te krijgen omdat het een erg oude zaak betreft. De rechtbank heeft in 2003 uitspraak gedaan, waar de verdachte overigens geen verweer heeft kunnen voeren. Vervolgens heeft het hof in 2006 arrest gewezen en in 2008 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd. Het valt mij op dat de voorzitter terecht heeft vastgesteld dat een aantal posten is afgekaart en dat hierover niet meer gesproken hoeft te worden. Er dient wel gesproken te worden over de Kredietbank Luxemburg en de ING-bank Luxemburg. Het treft mij dat na zoveel jaren wordt gevraagd of mijn cliënt belasting heeft betaald, waardoor eventueel een fiscaal delict ten grondslag zou kunnen worden gelegd.
Mijn cliënt had een legale handel in textiel. De stukken hiervan zijn in 2010 spoorloos verdwenen, maar dit maakt het standpunt niet anders. Er is sprake van legale inkomsten en ik ben van oordeel dat er geen goede respons is gekomen vanuit het hof destijds. De advocaat-generaal heeft net met triomfantelijkheid aangegeven dat mijn cliënt in 1995 heeft vastgezeten. Mijn cliënt heeft echter vastgezeten tot augustus 1993. Ik heb net om een onderbreking verzocht om dit te verifiëren. Hij heeft vastgezeten omwille van zijn broer, omdat er was sprake van een persoonsverwisseling. De advocaat-generaal heeft betoogd dat de genoemde transacties het aannemelijk maken dat mijn cliënt inkomsten uit drugshandel heeft genoten.
Ik heb hier moeite mee en ik ben van mening dat dit allemaal losse flodders zijn. Hier dient de advocaat-generaal niet zoveel jaren na dato mee aan te komen. Er passeren verschillende namen de revue en mijn cliënt kent het gros van deze namen niet. Hetgeen is aangevoerd is mij niet bekend, maar ik kan wel meedelen dat er ten aanzien van deze zaken nooit een enkele vraag is gesteld aan mijn cliënt. Mijn cliënt heeft vastgezeten in 1998 voor heling, waarvoor hij later vrijgesproken is. Het jaar dat hij ten onrechte heeft vastgezeten, is later verrekend met de toen opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. Gelet hierop heeft mijn cliënt in totaal een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren uitgezeten.
Ik heb er moeite mee dat de door de advocaat-generaal aangehaalde punten de ingrediënten zouden zijn waaruit zou blijken dat het geld afkomstig zou zijn van drugshandel. Als dit werkelijk het geval zou zijn geweest, dan zou dit handen en voeten hebben gekregen en dan zou hij hiervoor opgepakt zijn. Dit is niet het geval. Op basis van enkel deze punten zou dan aannemelijk moeten worden geacht dat mijn cliënt in de drugshandel zat. Het is een konijntje uit de hoge hoed. Ik vind dat lastig. Er is nooit een vraag gesteld aan mijn cliënt met betrekking tot de door de advocaat-generaal genoemde punten. Ten aanzien van dit soort aantijgingen heeft mijn cliënt zich niet kunnen verdedigen. Ik ben van oordeel dat hiermee niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van niet-legale inkomsten met betrekking tot de stortingen op de bank.
Er zijn geen aanwijzingen dat de gelden die mijn cliënt heeft gestort van misdrijf afkomstig zijn, te weten van de productie en handel in xtc-pillen, nu deze stortingen hebben plaatsgevonden vóór maart 2000. Er kan niet kan worden vastgesteld dat, zeker voor de jaren 1995 tot 1999, handel in xtc-pillen naar Spanje heeft plaatsgevonden. Dit gedeelte dient te worden geschrapt uit de vermogensvergelijking. (…) De advocaat-generaal doet afstand van repliek.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken en hij deelt mede:
Ik neem aan dat alles gezegd is. Als er iets wordt toegekend, dan wordt het verrekend met de belastingdienst. Ik wilde van alles afstand doen en dit was de reden om af te zien van de schikking.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 1 november 2019.”
Deelklacht (c) 52. De deelklacht onder (c) doet de vraag rijzen of het hof in de voorliggende zaak heeft kunnen oordelen dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de betrokkene, in de jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde strafbare feiten, soortgelijke feiten heeft gepleegd.
Het tweede middel 58. Het tweede middel behelst een motiveringsklacht. Het klaagt over de vaststelling van het hof dat de betrokkene voor ƒ 87.500,- een boot – merk/type Rodman 900 – heeft gekocht.
Wij relateren het volgende in het kader van de door ons ingestelde Strafrechtelijk Financiële Onderzoeken contra de verdachten:
Gespreksgegevens: 04/610100 010 200038525 Tijdstip: 11-08-00 19:08:33 In/uit: 1 Met nummer: [telefoonnummer] Tenaamstelling: [betrokkene 14] [a-straat 1] [plaats] Beller: [betrokkene 14] Gebelde: [betrokkene] Inhoud: [betrokkene] wordt gebeld door een man die zich [betrokkene 14] noemt. [betrokkene] zegt dat hij een nieuwe boot heeft gekocht, merk “Rodman”, 8 meter lang met twee 6-cilinder inboord motoren en navigatie.”
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9411, zaaknummer 01717/07 P.
Naar mijn inzicht handelt het hof hiermee correct. Voor de volledigheid wijs ik op recente rechtspraak inzake het hier bedoelde overgangsrecht: HR 4 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:841, waarvoor ik de conclusie schreef (PHR:2019:333); HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1888, en recenter HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:478.
Vgl. HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258, NJ 2009/121, en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Knigge.
Bij een (korte) bespreking van de onschuldpresumptie mag sinds 2018 ten minste één verwijzing naar Bemelmans niet meer ontbreken. Alvast bij deze: J.H.B. Bemelmans, Totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie in rechtshistorisch, theoretisch, internationaalrechtelijk en Nederlands strafprocesrechtelijk perspectief (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2018.
Dat in de onschuldpresumptie ook een zekere bewijsstandaard (of ‘bewijsdrempel’) ligt besloten, namelijk de eis dat de schuld boven redelijke twijfel kan worden vastgesteld, volgt onder meer uit EHRM 6 december 1988, nr. 10590/83 (Barberà, Messegué en Jabardo/Spanje). Ik citeer uit § 77: “Paragraph 2 (art. 6-2) embodies the principle of the presumption of innocence. It requires, inter alia, that when carrying out their duties, the members of a court should not start with the preconceived idea that the accused has committed the offence charged; the burden of proof is on the prosecution, and any doubt should benefit the accused. It also follows that it is for the prosecution to inform the accused of the case that will be made against him, so that he may prepare and present his defence accordingly, and to adduce evidence sufficient to convict him.” Herhaald in EHRM 23 juli 2002, nr. 34619/97 (Janosevic/Zweden), § 97.
Zie tevens art. 6 lid 2 van de Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, PbEU L 65/1, waaruit ik citeer: “De lidstaten waarborgen dat iedere twijfel over de schuldvraag in het voordeel van de verdachte of de beklaagde werkt, ook wanneer de rechter beoordeelt of de betrokkene moet worden vrijgesproken.”
Ik neem hierbij aan dat in de termen ‘iedere twijfel’ c.q. ‘any doubt’ niet ook onredelijke twijfel ligt besloten. Zie hierover verder: Bemelmans a.w., p. 76-89.
Zie opnieuw EHRM 6 december 1988, nr. 10590/83 (Barberà, Messegué en Jabardo/Spanje), § 77. Zie verder Bemelmans, a.w. p. 80 e.v. en p. 99 e.v.
Zie EHRM 28 augustus 1991, nrs. 11170/84, 12876/87 en 13468/87 (Brandstetter/Oostenrijk), § 67. Overigens verankert het EHRM het recht op een ‘adversarial trial’ in zowel lid 1 als lid 3 onder c (van art. 6 EVRM).
De toepassing van weerlegbare bewijsvermoedens is op zichzelf niet in strijd met de onschuldpresumptie. Ik citeer het EHRM in EHRM 10 november 2009, nr. 7618/07 (Minhas/Verenigd Koninkrijk): “In Phillips, the Court emphasised that the right to the presumption of innocence is not absolute, since presumptions of fact or of law operate in every criminal law system (...). Accordingly, the Convention does not prohibit presumptions of fact or law that may operate against an accused, but any such presumptions must be confined within reasonable limits which take into account the importance of what is at stake and maintain the rights of the defence.” Zie ook EHRM 23 september 2008, nrs. 19955/05 en 15085/06 (Grayson en Barnham/Verenigd Koninkrijk), § 40; EHRM 6 mei 2014, nr. 38759/12 (Young/Verenigd Koninkrijk).
Ik verwijs in dit verband ook naar de toepassing van (abstracte) schattingsmethoden en extrapolaties. Ook tegen het gebruik daarvan verzet de onschuldpresumptie zich niet.
In deze voetnoot meer over Europese jurisprudentie. Hieruit volgt namelijk dat HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, verenigbaar is met het spoor dat het EHRM heeft uitgezet in de zaak Engel/Nederland, EHRM 8 juni 1976, nrs. 5100/71, 5101/71, 5102/71, 5354/72 en 5370/72, NJ 1978/223 m.nt. (onder NJ 1978/224) van Meuwissen (Engel e.a./Nederland), uit welke uitspraak ik citeer: “As its [de onschuldpresumptie, D.A.] wording shows, it deals only with the proof of guilt and not with the kind or level of punishment.” Zie verder: EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips/Verenigd Koninkrijk), § 34; EHRM 19 september 2006, nr. 23037/04 (Matijašević/Servië), § 46; EHRM 16 juni 2015, nr. 48621/07 (Dìcle en Sadak/Turkije), § 53. Zie hierover M.J. Borgers, De ontnemingsmaatregel. Een onderzoek naar het karakter en de voorwaarden tot oplegging van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 36e Wetboek van Strafrecht) (diss. Tilburg), Den Haag: Boom Juridische uitgeverij 2001, met name p. 325-330, en Bemelmans, a.w., p. 206-207. De onschuldpresumptie van lid 2 van artikel 6 EVRM is daarentegen wél van toepassing op de ontnemingsprocedure wanneer in effect een nieuwe criminal charge wordt uitgebracht in de autonome betekenis van artikel 6 lid 2 EVRM. Dit kan zich voordoen wanneer uitdrukkelijk profijt wordt ontnomen van ‘andere strafbare feiten’ dan de bewezen verklaarde feiten. Zie EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips/Verenigd Koninkrijk), § 35, herhaald in EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03, NJ 2007/349 m.nt. Borgers (Geerings/Nederland), § 43: “However, whilst it is clear that Article 6 § 2 governs criminal proceedings in their entirety, and not solely the examination of the merits of the charge, the right to be presumed innocent under Article 6 § 2 arises only in connection with the particular offence with which a person has been “charged”. Once an accused has properly been proved guilty of that offence, Article 6 § 2 can have no application in relation to allegations made about the accused's character and conduct as part of the sentencing process, unless such accusations are of such a nature and degree as to amount to the bringing of a new “charge” within the autonomous Convention meaning referred to in paragraph 32 above (see Phillips v. the United Kingdom, no. 41087/98, § 35, ECHR 2001VII).”
Er valt nog wel één voorbehoud te plaatsen. Het EHRM acht art. 6 lid 1 EVRM (vanzelfsprekend) wél van toepassing op de gehele procedure, met inbegrip van de strafoplegging (en dus ook de confiscatie van wederrechtelijk profijt). Het bijzondere is echter dat naar het oordeel van het EHRM van de meer omvattende ‘general notion of a fair trial’ die ligt besloten in lid 1 (van art. 6 EVRM) de onschuldpresumptie van lid 2 mede deel uitmaakt. Over de band van lid 1 van art. 6 EVRM is de onschuldpresumptie dus ‘in beperkte mate’ (mijn woorden) van toepassing bij het vaststellen van de hoogte van de ontnemingsmaatregel. Zie EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips/Verenigd Koninkrijk), § 40. Het EHRM verschaft zich door deze rechtspraak meer ruimte om te verifiëren of de ontnemingsprocedure op zichzelf door de Straatsburgse beugel kan. Mijn indruk is dat het EHRM met zijn toets langs de lat van lid 1 weinig tot geen aandacht heeft voor het aspect van de (wettelijke) bewijsstandaard die in ontnemingsprocedures wordt toegepast, maar wel voor het aspect van de bewijslasttoedeling. De vraag is dan of de ontnemingsrechter in een concrete zaak het gebruik van bewijsvermoedens binnen zodanige perken houdt dat niet op de beklaagde in effect de last komt te rusten van het aantonen van zijn onschuld.
EHRM 24 november 1993, nr. 13972/88 (Imbrioscia/Zwitserland), §§ 33-44 (in het geval van ‘Imbrioscia’ ging het over de ‘pre-trial proceedings’) Zie EHRM 9 februari 1995, nr. 177440/90 (Welch/Verenigd Koninkrijk), waarin het EHRM oordeelde dat een confiscation order als een ‘penalty’ in de autonome betekenis van art. 7 lid 1 EVRM moet worden aangemerkt. Ook de Hoge Raad is dat oordeel toegedaan, zie HR 5 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0312, NJ 1996/411 m.nt. Schalken, rov. 6.1.
Zie Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 14: “Voor wat betreft de bewijsmiddelen schrijft de wet voor - thans in artikel 338, tweede lid, Sv; in de voorstellen van de ondergetekende in artikel 511f Sv -, dat de rechter de schatting van het op geld waardeerbare voordeel slechts kan ontlenen aan de inhoud van wettelijke bewijsmiddelen, als opgesomd in art. 339 Sr. Dit geldt voordeel in de zin van zowel het tweede als het derde lid van artikel 36e Sr. Dit houdt in, dat de bewijsgaring aan dezelfde regels is onderworpen als de bewijsgaring ten behoeve van de telastelegging van een strafbaar feit. Daarmee is niet gezegd, dat hier ook de bijzondere voorschriften over de bewijskracht van die bewijsmiddelen, met name die van de artikelen 341, tweede-vierde lid, 342, tweede lid, en 344, eerste lid, onder 5°, Sv, zouden gelden. Zulks is niet het geval.".
HR 9 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9559, NJ 1998/90: “(…) voorts zijn de bewijsminima uit het Wetboek van Strafvordering - gelijk uit het hiervoor onder 5.3.1 weergegevene volgt - niet van toepassing op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel”;
HR 13 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1173, NJ 1999/483: “Ten aanzien van soortgelijke feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr stelt de wet in dit verband geen ander vereiste dan dat voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan. Voorzover aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat hier de bewijsvoorschriften van de art. 338 tot en met 344a Sv van toepassing zijn en dat de desbetreffende feiten alleen in de beschouwingen mogen worden betrokken in dien deze bewezen zijn verklaard, kan die opvatting dus niet als juist worden aanvaard.”;
HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7648, NJ 2008/406 m.nt. Borgers, over de vraag of een anonieme brief die bij de CID was binnengekomen aan het dossier moest worden toegevoegd: “De bewijsminima uit het Wetboek van Strafvordering zijn derhalve niet van toepassing op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel (vgl. HR 9 september 1997, NJ 1998, 90). 3.5.3. De regeling van art. 344a Sv, die het gebruik van anonieme verklaringen voor het bewijs slechts onder voorwaarden toestaat, is gelet op het hiervoor overwogene niet van toepassing op de ontnemingsprocedure. In het geval een verklaring als hier bedoeld in een ontnemingsprocedure als bewijsmiddel wordt gebezigd, dient echter gewaarborgd te zijn dat aan de verdedigingsrechten van de betrokkene in voldoende mate tegemoet wordt gekomen.”
HR 26 maart 2013, ECLI:NL:2013:BV9087, NJ 2013/544 m.nt. Borgers.
Voor ontneming op de grondslag van art. 36e lid 3 Sr geldt dat het hiervoor bedoelde onderscheid tussen (i) de vaststelling van de delicten die aan de ontnemingsmaatregel ten grondslag liggen, en (ii) de omvang van het door die delicten verkregen voordeel, niet hoeft te worden gemaakt. Dat is in geval van een abstracte voordeelberekening ook lastig. Het bestaan van andere delicten wordt in dat geval namelijk afgeleid uit de vaststelling van voordeel met een illegale herkomst, ongeacht door wie die delicten zijn begaan. De vaststelling van voordeel met een illegale herkomst door toepassing van een abstracte voordeelberekening (de kasmethode of de methode van vermogensvergelijking), en met name de voordeelposten in zo’n berekening, dient dus – op grond van art. 511f Sv – wél te berusten op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Zie met name HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4724, NJ 2007/265 (Zwolsman).
HR 26 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7805, NJ 2002/545 (met een kritische noot van Reijntjes): “Het middel faalt, reeds omdat het miskent dat - anders dan ingevolge art. 511f Sv ten aanzien van de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel het geval is - geen wetsbepaling voorschrijft dat het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene soortgelijke feiten heeft begaan (in de zin van art. 36e, tweede lid, Sr) slechts kan worden ontleend aan dan wel dient te berusten op de inhoud van wettige bewijsmiddelen.”
De belangrijkste uitzondering op die regel is het deskundigenoordeel. Wanneer voor het trekken van conclusies uit waarnemingen en bevindingen specialistische kennis is vereist, mag (moet) ook de deskundige conclusies trekken. Het is de rechter die deze conclusies “tot de zijne” kan maken. Uiteindelijk is alleen de rechter verantwoordelijk voor the ultimate issue: het oordeel over het bewijs van de ten laste gelegde feiten.
Zie nogmaals Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 14.
Ter verduidelijking van deze verwijzing door het hof (en de advocaat-generaal) nog het volgende. Bij controle van de bij de Hoge Raad aanwezige stukken is gebleken dat in het dossier aanwezig zijn: (1) Het volledige ontnemingsproces-verbaal waarnaar de AG verwijst in zijn requisitoir en (2) de (doorlopende) pagina’s 113-118 van het strafdossier. De pagina’s 113-118 betreffen de paragraaf “2. Voorinformatie”. De AG en het hof hebben de opsomming op de pagina’s 117-118 letterlijk overgenomen. De daaraan voorafgaande pagina’s 113-117 bevatten per opgesomd punt een wat uitgebreidere beschrijving met verwijzingen (met paginanummers) naar de verhoren van in Duitsland door de Duitse autoriteiten in het kader van een rechtshulpverzoek van Nederland gehoorde getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 1].
Zie p. 5 van het bestreden arrest.
Zie p. 4 van het bestreden arrest.
Conclusie van 19 februari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC9411.
HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9411, zaaknummer 01717/07P.
Zie p. 5 van het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 september 2019.
Zie p. 4 van het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 september 2019.