← Nederland

ECLI:NL:PHR:2021:973

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/00765 Zitting 14 oktober 2021 CONCLUSIE T. Hartlief In de prejudiciële procedure Vereniging Woekerpolis.nl (hierna: de ‘Vereniging’) tegen Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. (hierna: ‘NN’) INHOUDSOPGAVE Rnr. 1. De verhouding tussen sectorspecifieke informatieplichten voor levensverzekeraars en het privaatrecht: inleiding en vraagstelling ..… 1 2. Achtergrond van de prejudiciële vragen: maatschappelijke ophef over beleggingsverzekeringen ..………………………………………………… 2 3. De beleggingsverzekering in vogelvlucht …..………………...…………… 3 4. De ontwikkeling van de sectorspecifieke informatieplichten door de jaren heen: langzaamaan steeds meer en concretere informatie ...…… 4 (

  1. i)vóór 1992 ….……………………………………………………………….. 4.4 (
  2. ii)1992-1994 ….…………….………………………………………………… 4.8 (iii) 1995-1999 ….……….……………………………………………………… 4.18 (
  3. iv)2000-2005 ….……….……………………………………………………… 4.54 (
  4. v)2006-2008 ….…….………………………………………………………… 4.71 (
  5. vi)ná 2008 …..………………………………………………………………… 4.103 Slotsom: langzaamaan steeds meer en concretere informatie ...………….. 4.109 5. Regelgevers lijken bij de ontwikkeling van de sectorspecifieke informatieplichten lange tijd achter de feiten aan te hebben gelopen .… 5 6. Privaatrechtelijke normen/leerstukken en informatieverstrekking …… 6 (
  6. i)wilsovereenstemming …..…………………………………………………. 6.4 (
  7. ii)de transparantie- en oneerlijkheidstoetsen …….…………..….….….… 6.12 (iii) zorgplicht ….……………………………………………………………….. 6.20 (
  8. iv)dwaling …..………………………………………………………………… 6.26 (
  9. v)eisen van redelijkheid en billijkheid …..….…….………………………… 6.38 Slotsom: het privaatrecht legt verschillende ‘informatieverplichtingen’ op … 6.44 7. Tussenbalans …………………………………………………………………… 7 8. Het HvJ over art. 31 lid 3 DLR: met Axa Royale en NN/Van Leeuwen zijn de bakens uitgezet …...……………………………………………………….. 8 Axa Royale

(2002)…..……..…………………………………………………… 8.2 NN/Van Leeuwen
(2015)…..…………………………………………………… 8.5 9. De betekenis van de arresten Axa Royale en NN/Van Leeuwen : de nationale rechter is aan zet ……………..…………………………………... 9 10. De literatuur is verdeeld ……………………………..….…………………….. 10 Visie (i): naleving van sectorspecifieke informatieplichten brengt mee dat qua informatieverstrekking ook aan de privaatrechtelijke normen is voldaan ….. 10.4 Visie (ii): privaatrechtelijke normen kunnen verplichten tot het verstrekken van aanvullende informatie ……………………………..…………………….. 10.9 Slotsom: de meerderheid ziet ruimte voor aanvullende verplichtingen op grond van het privaatrecht ……………………………………………………... 10.18 11. Ook de feitenrechters zitten niet op één lijn ..…………………………...… 11 Richting (i): naleving van sectorspecifieke informatieplichten brengt mee dat qua informatieverstrekking ook aan de privaatrechtelijke normen is voldaan .. 11.5 Richting (ii): privaatrechtelijke normen kunnen verplichten tot het verstrekken van aanvullende informatie …………………………………………………...… 11.23 Uitspraken van de CvB van het KiFiD passen bij richting (
  1. ii)……………….. 11.44 Slotsom: de feitenrechters zitten niet op één lijn ……………….…..………... 11.57 12. Vereniging/NN : feiten en procesverloop in feitelijke instanties ….…… 12 Feiten ……………………………………………………………………………... 12.1 Procesverloop in eerste aanleg ………………………………………………... 12.5 Procesverloop in hoger beroep ………………………………………………... 12.22 13. Vereniging/NN : de standpunten in deze prejudiciële procedure …...….. 13 14. Beantwoording van de eerste prejudiciële vraag …..……………………. 14 Het systeem van de DLR ……………………………………………………….. 14.3 Grondslagen: sectorspecifieke regelgeving en het privaatrecht ……………. 14.8 Naleving van de sectorspecifieke informatieplichten levert niet automatisch ook naleving van het privaatrecht op …………………………………………… 14.12 Steun voor deze opvatting ……..………………………………………………. 14.15 De tegenargumenten overtuigen niet ...……………………………………….. 14.16 Het toetsingskader ……………………………………………………………… 14.25 15. Beantwoording van de tweede prejudiciële vraag ...….…...……………… 15 De eisen die worden gesteld aan een verplichting om aanvullende informatie te verstrekken …………………………………………………………………… 15.3 In zijn algemeenheid kan niet worden gezegd of (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen aan de eisen van art. 31 lid 3 DLR voldoen ……... 15.6 De eis van voorspelbaarheid nader bezien ………………………...………… 15.9 16. Het antwoord op de prejudiciële vragen …..………………………………. 16 17. Conclusie …..……………………………………………………………………. 17 1. De verhouding tussen sectorspecifieke informatieplichten voor levensverzekeraars en het privaatrecht: inleiding en vraagstelling 1.1 Deze zaak ziet op de levensverzekeringsbranche en draait in de kern om de vraag wat de verhouding is tussen enerzijds sectorspecifieke informatieplichten en anderzijds privaatrechtelijke normen die (mede) op informatieverstrekking zien. De Vereniging is van mening dat levensverzekeraars, zoals NN, niet konden en kunnen volstaan met het naleven van de sectorspecifieke informatieplichten en op grond van (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen aanvullende informatie aan verzekeringnemers (hadden) moeten verstrekken. NN stelt zich op het (tegengestelde) standpunt dat naleving van de sectorspecifieke informatieplichten in het algemeen meebracht en nog steeds meebrengt dat daarmee qua informatieverstrekking ook is voldaan aan (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen. Dit verschil van inzicht, dat ook breder in de literatuur en de rechtspraak is terug te vinden, heeft het hof Den Haag gebracht tot het stellen van twee prejudiciële vragen aan Uw Raad. Die vragen staan in deze procedure centraal. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de Vereniging en NN (als partijen) en door de vereniging De Consumentenbond, M. van Rossum Management Consultant B.V. en Stichting Wakkerpolis (als ‘insprekende’ derden). 1.2 Deze prejudiciële procedure heeft een aanzienlijk maatschappelijk en financieel belang en vindt zijn oorsprong in de miljoenen beleggingsverzekeringen die vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw in Nederland zijn verkocht. Een beleggingsverzekering is een bepaald type levensverzekering dat beleggen met verzekeren combineert (paragraaf 3 hierna). Niet lang na de eeuwwisseling is het aanvankelijke enthousiasme over beleggingsverzekeringen omgeslagen in maatschappelijke onrust en zijn beleggingsverzekeringen in de volksmond bekend komen te staan als ‘woekerpolissen’ (paragraaf 2 hierna). Veel verzekeringnemers bleken (
  2. te)weinig kennis en begrip te hebben van de inhoud en werking – en daarmee de risico’s – van hun beleggingsverzekering. Geregeld waren ze ook onwetend over (de hoogte van) de kosten en risicopremie die de levensverzekeraar op hun inleg in mindering bracht. Met het ontstaan van de maatschappelijke onrust kwam al snel de vraag op of levensverzekeraars méér informatie hadden moeten verstrekken dan zij destijds hebben gedaan. Concreter: hadden levensverzekeraars op basis van het privaatrecht méér informatie aan verzekeringnemers moeten verstrekken dan zij op grond van de sectorspecifieke regelgeving verplicht waren te doen? 1.3 De sectorspecifieke informatieplichten waar het in deze procedure om draait, vinden hun oorsprong in sectorspecifieke Europese regelgeving: de Derde Levensrichtlijn (hierna: ‘DLR’) en zijn opvolgers. Art. 31 lid 1 DLR schreef voor dat aan de verzekeringnemer ten minste de gegevens moeten worden meegedeeld die zijn genoemd in Bijlage II, onder A., bij de DLR. Art. 31 lid 3 DLR bepaalde dat lidstaten niet van verzekeringsondernemingen mogen verlangen dat zij, naast de in Bijlage II vermelde gegevens, aanvullende gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis. 1.4 In 2015 heeft het Hof van Justitie (hierna: ‘HvJ EU’, ‘HvJ EG’ of ‘HvJ’) in de zaak NN/Van Leeuwen geoordeeld dat ook open en/of ongeschreven regels een grondslag kunnen vormen voor een verplichting van de verzekeraar om aanvullende gegevens te verstrekken. Volgens het HvJ EU staat art. 31 lid 3 DLR niet eraan in de weg dat een verzekeraar op grond van algemene beginselen van intern recht, zoals open en/of ongeschreven regels, is gehouden de verzekeringnemer bepaalde informatie te verstrekken in aanvulling op de informatie vermeld in Bijlage II bij de DLR. Deze verlangde aanvullende informatie moet, aldus het HvJ EU, wel duidelijk en nauwkeurig zijn, noodzakelijk voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis en zij moet voldoende rechtszekerheid waarborgen. Het is aan de nationale rechter om dit te verifiëren. 1.5 Gelet op deze ‘taak’ van de nationale rechter, is de kous met NN/Van Leeuwen niet af. Het arrest heeft aanleiding gegeven tot vervolgvragen, die de nationale rechter moet beantwoorden. Twee van deze vragen liggen in deze procedure ter beantwoording door Uw Raad voor. De eerste vraag is of levensverzekeraars, door te voldoen aan de informatieplichten uit de DLR en de nationale uitwerkingen daarvan, in het algemeen ook hebben voldaan aan de informatieplichten die voortvloeien uit (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen. Indien het antwoord op deze eerste vraag ontkennend luidt, is de tweede vraag of de aanvullende informatie die levensverzekeraars op grond van (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen moeten verstrekken, moet voldoen aan de criteria zoals geformuleerd door het HvJ EU in het arrest NN/Van Leeuwen. Het hof heeft dus gesloten vragen geformuleerd, die in principe met een ‘ja’ of een ‘nee’ kunnen worden beantwoord. Toch is het uitdrukkelijk de bedoeling van het hof en de vragen om duidelijkheid te krijgen over ‘het toetsingskader’. Hoewel niet geheel duidelijk is wat voor soort toetsingskader het hof op het oog heeft – het hof concretiseert dit niet – streef ik ernaar in deze conclusie de feitenrechtspraak een aantal handvatten te geven waarmee zij vooruit kan. 1.6 Het hof Den Haag heeft de prejudiciële vragen als volgt geformuleerd: “1. Brengt naleving door een verzekeraar van de in de Derde Levensrichtlijn en in de nationale uitwerkingen daarvan in RIAV 1994 en RIAV 1998 neergelegde (toezichtrechtelijke) informatieplichten mee dat deze verzekeraar in het algemeen (specifieke op een bepaald persoon betrekking hebbende bijzonderheden daargelaten die er in deze 3:305a BW-procedure niet toe doen) daarmee (ook) aan zijn (privaatrechtelijke) verplichtingen heeft voldaan die onder meer voortvloeien uit Europese privaatrechtelijke (open) normen zoals met name de Richtlijn oneerlijke bedingen 93/13 en de daarin neergelegde transparantie-eis en aan nationale privaatrechtelijke (open) normen, zoals wilsovereenstemming, onredelijk bezwarende bedingen in de zin van artikel 6:233 e.v. BW, de geïmplementeerde transparantie-eis in artikel 6:238 lid 1 BW, de aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW) en de (contractuele of buitencontractuele) zorgplicht van de verzekeraar jegens de verzekeringnemer. 2. Als het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt, moeten dan aanvullende informatieverplichtingen die op grond van de genoemde Europese en / of Nederlandse (open) normen worden aangenomen, voldoen aan de door het HvJ in de arresten Axa Royale Belge (HvJ EU 5 maart 2002, ECLI:EU:C:2002:136) en Nationale-Nederlanden / Van Leeuwen (HvJ EU 29 april 2015, ECLI:EU:C:2015:286) geformuleerde criteria, te weten dat de verlangde informatie duidelijk en nauwkeurig is en noodzakelijk voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis en zij voldoende rechtszekerheid waarborgt, onder meer doordat de verzekeraar in staat wordt gesteld met een voldoende mate van voorspelbaarheid vast te stellen welke aanvullende informatie hij dient te verstrekken en de verzekeringnemer kan verwachten.” 1.7 Voordat ik aan beantwoording van deze vragen toekom, ga ik eerst in op de achtergrond van de vragen (paragraaf 2) en zet ik in grote lijnen uiteen wat een beleggingsverzekering is (paragraaf 3). Daarna beschrijf ik de ontwikkeling van de sectorspecifieke regelgeving door de jaren heen (paragrafen 4 en 5), net als de (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen op grond waarvan verzekeraars gehouden kunnen zijn om bepaalde informatie aan hun verzekeringnemers te verstrekken (paragraaf 6). Nadat ik een tussenbalans heb opgemaakt (paragraaf 7), bespreek ik wat het HvJ tot nu toe over art. 31 lid 3 DLR heeft geoordeeld en wat dit betekent (paragrafen 8 en 9). Ik breng de stand van zaken in de literatuur (paragraaf 10) en in de rechtspraak (paragraaf 11) in beeld. Vervolgens keer ik terug naar de procedure tussen de Vereniging en NN, waarbij ik de feiten en het procesverloop in feitelijke instanties weergeef (paragraaf 12) en de standpunten van partijen en de insprekende derden in deze prejudiciële procedure samenvat (paragraaf 13). Dit alles dient als basis voor de uiteindelijke beantwoording van de prejudiciële vragen (paragrafen 14, 15 en 16) en de conclusie (paragraaf 17). 2. Achtergrond van de prejudiciële vragen: maatschappelijke ophef over beleggingsverzekeringen 2.1 De prejudiciële vragen in deze procedure komen niet uit de lucht vallen; er is al jaren een discussie gaande over de vraag of levensverzekeraars (destijds) voldoende informatie over de bij hen afgesloten beleggingsverzekeringen hebben verstrekt. Die discussie heeft de volgende achtergrond. 2.2 De verkoop van beleggingsverzekeringen kwam in Nederland in de jaren tachtig van de vorige eeuw langzaam op gang. Vanaf 1993 is de verkoop echter sterk toegenomen. Deze groei kan worden verklaard door een samenspel van (in ieder geval) de volgende factoren: (
  3. i)er vond een tweetal belastingherzieningen plaats, waarop verzekeraars inspeelden door producten aan te bieden waarbij consumenten maximaal van het gunstige fiscale regime konden profiteren, (
  4. ii)de (spaar)rentes kelderden, wat mensen naar beleggen dreef, (iii) er was sprake van een hausse op de beurs, waar verzekeraars van wilden meeprofiteren door, in aanvulling op hun meer ‘traditionele’ verzekeringen, ook beleggingsverzekeringen aan te bieden, (
  5. iv)verkoopcampagnes van verzekeraars en tussenpersonen stuwden de verkoop van beleggingsverzekeringen op en (
  6. v)er was sprake van toenemende media-aandacht voor beleggingsrendementen en de daarbij behorende belastingvoordelen. 2.3 De sterke groei op de markt van beleggingsverzekeringen resulteerde erin dat er in 2005 maar liefst 7,2 miljoen beleggingsverzekeringen uitstonden in Nederland. De totale inleg die verzekeraars jaarlijks van klanten met beleggingsverzekeringen ontvingen, groeide van € 1,5 miljard in 1995 tot € 6,8 miljard in 2005. Aan het einde van 2005 bedroeg de opgebouwde waarde van alle in Nederland uitstaande beleggingsverzekeringen € 49,2 miljard. 2.4 Vanaf de topjaren aan het einde van de jaren negentig is de groei van beleggingsverzekeringen in Nederland afgekalfd. De slechte beursjaren in 2000 en 2001 en de inperking van de fiscale voordelen in 2001 hebben hierin een belangrijke rol gespeeld. In de loop van 2006 is bovendien de maatschappelijke ophef over beleggingsverzekeringen een rol gaan spelen in de verkoop van beleggingsverzekeringen. Verzekeringnemers raakten meer en meer teleurgesteld in de ‘prestaties’ van hun beleggingsverzekering. Omdat een aanzienlijk deel van de verzekeringnemers hun beleggingsverzekering had afgesloten met het oog op aflossing van hun hypotheek of als aanvulling op hun pensioen, konden eventuele tegenvallende resultaten voor hen voor grote (financiële) problemen zorgen. Eind 2006 kwam de term ‘woekerpolis’ in zwang nadat het consumentenprogramma Radar deze term voor het eerst gebruikte om de problematiek rondom beleggingsverzekeringen aan te kaarten. 2.5 Met het ontstaan van de ophef werd ook in toenemende mate onvrede geuit over de informatieverstrekking door verzekeraars. Onder meer werd geklaagd dat onduidelijkheid bestond over (de hoogte van) de kosten en risicopremie die verzekeraars in rekening brachten en – meer in het algemeen – over de aard, werking en risico’s van beleggingsverzekeringen. Uit diverse onderzoeken is gebleken dat veel consumenten zelfs niet ruwweg begrepen hoe een beleggingsverzekering werkt. Uit in 1997 uitgevoerd onderzoek bleek dat 40 tot 50% van de consumenten dacht dat hun gehele inleg werd belegd, zonder dat daarop kosten of risicopremie werden ingehouden. Soms dachten consumenten dat beleggen door middel van een beleggingsverzekering veiliger is dan ‘gewoon’ beleggen, waarschijnlijk door de connotatie van het woord ‘verzekering’. Uit in 2008 uitgevoerd onderzoek bleek dat 13% van de consumenten dacht dat een beleggingsverzekering een belegging is met daarbij een verzekering tegen verliesgevende beleggingen. 20% dacht dat een beleggingsverzekering een levensverzekering is die uit beleggingswinst wordt betaald en 8% wist het niet precies. 2.6 In 2008 heeft de (toenmalige) Ombudsman Financiële Dienstverlening geconcludeerd dat het cruciale manco van beleggingsverzekeringen in het algemeen, gunstige uitzonderingen daargelaten, een gebrek aan transparantie voor de consument is geweest. Volgens de Ombudsman is de verzekeraar, als ontwikkelaar en aanbieder van de producten, hiervoor verantwoordelijk. De Ombudsman heeft verzekeraars aanbevolen met terugwerkende kracht een kostenmaximering op de beleggingsverzekeringen toe te passen en de consument met inachtneming van de aanbevolen maximering te compenseren. Een aanzienlijk aantal verzekeraars, waaronder NN, heeft de aanbeveling van de Ombudsman opgevolgd en compensatieregelingen getroffen. Verzekeraars hebben via deze regelingen in totaal ongeveer € 3 miljard aan klanten (terug)betaald. 2.7 De compensatieregelingen en de rol van de Ombudsman Financiële Dienstverlening als bemiddelaar hebben niet kunnen voorkomen dat veel civiele procedures tegen levensverzekeraars aanhangig zijn gemaakt, met name van collectieve aard. Hoewel in de collectieve procedures geen schadevergoeding kan worden gevorderd (gelet op art. 3:305a lid 3 BW (oud)), zal dat vaak wel het uiteindelijke doel van de procedures zijn. Het financiële belang dat met deze procedures is gemoeid, is in potentie dan ook groot: door de jaren heen zijn als gezegd miljoenen beleggingsverzekeringen in Nederland verkocht (randnummer 2.3 hiervoor). 2.8 Eén van de collectieve procedures heeft de Vereniging eind 2013 op de voet van art. 3:305a BW (oud) tegen NN aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam. Op die procedure ga ik in paragraaf 12 nader in. Heel kort gezegd, verwijt de Vereniging NN dat zij bij beleggingsverzekeringen die tussen 1992 en 2008 zijn afgesloten (
  7. i)kosten heeft ingehouden die contractueel niet zijn overeengekomen, (
  8. ii)klanten niet (voldoende) heeft geïnformeerd over en/of gewaarschuwd voor bepaalde risico’s en (iii) klanten niet (voldoende) heeft geïnformeerd over de hoogte van de diverse kosten en de gevolgen van de kosten voor het op te bouwen vermogen. In 2017 heeft de rechtbank de vorderingen van de Vereniging afgewezen. In hoger beroep heeft het hof Den Haag de prejudiciële vragen gesteld die in deze procedure centraal staan. 2.9 Omdat het verzekeringsproduct dat de aanleiding is van deze prejudiciële procedure – de beleggingsverzekering – vrij complex is, licht ik in de paragraaf hierna toe wat een dergelijke verzekering, op hoofdlijnen, inhoudt. 3De beleggingsverzekering in vogelvlucht 3.1 Een beleggingsverzekering is een bijzonder type levensverzekering. Het betreft een zogenoemde gemengde levensverzekering, waarbij uitkering van een kapitaal plaatsvindt (
  9. i)op een in de polis vastgestelde datum als de verzekerde op die datum nog in leven is of (
  10. ii)bij overlijden van de verzekerde vóór de in de polis vastgestelde datum (om, voor de nabestaanden, het risico van overlijden te dekken). 3.2 Bij een ‘traditionele’ gemengde levensverzekering sluit de klant een overeenkomst met de verzekeraar, waarin wordt afgesproken dat de klant aan het einde van de looptijd van de overeenkomst een bepaald bedrag zal ontvangen (een uitkering bij leven). Mocht de klant voortijdig komen te overlijden, krijgen zijn nabestaanden een uitkering (een uitkering bij overlijden). De klant betaalt hiervoor een vaste premie, die eenmalig kan zijn (een koopsom) of periodiek (bijvoorbeeld elke maand). De klant weet bij een traditionele levensverzekering dus bij het aangaan van de verzekering precies wat de verzekeraar bij leven of overlijden zal uitkeren. Dit maakt dat bij traditionele levensverzekeringen de (beleggings)risico’s van de verzekering bij de verzekeraar liggen. 3.3 Een beleggingsverzekering combineert verzekeren met beleggen en onderscheidt zich daarmee van een traditionele levensverzekering. Het begrip ‘beleggingsverzekering’ is niet in de wet omschreven en ook in het spraakgebruik heeft het geen eenduidige betekenis. Beleggingsverzekeringen worden echter doorgaans beschouwd als verzekeringen waarbij de premie (de inleg die de verzekeringnemer betaalt ) geheel of ten dele wordt aangewend om voor rekening en risico van de verzekeringnemer een belang – veelal uitgedrukt in beleggingseenheden/participaties (units) – te nemen in een of meer beleggingsfondsen en waarbij de verzekeringnemer het aan dat belang verbonden beleggingsrisico loopt. In de meeste gevallen kan de verzekeringnemer invloed uitoefenen op de keuze van de beleggingen en kiezen voor (een combinatie van) verschillende fondsen met verschillende risicoprofielen. Kortom: bij een beleggingsverzekering bouwt de klant vermogen op doordat de verzekeraar de betaalde premie (de inleg, ook wel de ‘bruto premie’ genoemd) voor risico van de klant belegt in participaties/beleggingseenheden (units) van beleggingsfondsen. Als de koers van de participaties stijgt, neemt de waarde van het opgebouwde vermogen toe. Omgekeerd neemt de waarde van het opgebouwde vermogen af als de koers van de participaties daalt. 3.4 De uitkering bij leven (het bedrag dat de klant ontvangt als hij op de einddatum van de verzekering nog in leven
  11. is)is bij beleggingsverzekeringen géén vast bedrag, maar is gebaseerd op de dan geldende waarde van de beleggingseenheden. De uiteindelijke opbrengst van de beleggingsverzekering staat dus bij het aangaan van de verzekering niet vast. De uitkering bij voortijdig overlijden (het bedrag dat de nabestaanden van de verzekerde ontvangen als de verzekerde vóór de einddatum van de verzekering overlijdt) is bij beleggingsverzekeringen, net als bij traditionele levensverzekeringen, meestal wél een vast gegarandeerd bedrag. Voor die uitkering rekent de verzekeraar een (overlijdens)risicopremie. Soms is de uitkering bij voortijdig overlijden uitgedrukt in een percentage van de op de overlijdensdatum aanwezige waarde van de beleggingseenheden. In dat geval is de uitkering bij voortijdig overlijden dus geen vaste uitkering, maar gebaseerd op de waarde van de beleggingseenheden, net als bij de uitkering bij leven. 3.5 Er zijn drie hoofdtypen beleggingsverzekeringen te onderscheiden, te weten (
  12. i)spaarkas, (
  13. ii)unit linked en (iii) universal life. Ik omschrijf ze kort. (
  14. i)Bij een spaarkas gaat een (grote) groep deelnemers een overeenkomst aan met een verzekeraar om op een vooraf vastgesteld tijdstip in de toekomst kapitaal beschikbaar te hebben voor de dan nog in leven zijnde deelnemers. De deelnemers storten hun inleg in de spaarkas, waarin alle deelnemers een aandeel hebben. Het geld in de spaarkas wordt vervolgens – na inhouding van de kosten en een vaste risicopremie – voor rekening en risico van de deelnemers belegd. Indien een deelnemer vóór het einde van de looptijd van de spaarkasovereenkomst overlijdt, valt de door hem opgebouwde waarde toe aan de spaarkas. Aan het einde van de looptijd krijgen de nog in leven zijnde deelnemers een uitkering uit hoofde van de beleggingen. (
  15. ii)Bij een unit linked beleggingsverzekering belegt de verzekeraar de (bruto) premie die de verzekeringnemer betaalt (de inleg), na aftrek van de verzekeringskosten en de (overlijdens)risicopremie, in participaties (units) in door de verzekeraar aangeboden beleggingsfondsen. De waarde van die participaties kan stijgen, zodat de verzekeringnemer vermogen opbouwt dat hij na afloop van de verzekering (bijvoorbeeld bij pensionering) kan benutten, maar die waarde kan uiteraard ook dalen of gelijk blijven. De (overlijdens)risicopremie die de verzekeraar op de inleg inhoudt, wordt berekend over het volledige verzekerde bedrag (de verzekerde som) bij voortijdig overlijden en staat reeds bij aanvang van de overeenkomst vast. De hoogte van de (overlijdens)risicopremie is dus niet afhankelijk van de waardeontwikkeling van de beleggingen. Schematisch en vereenvoudigd ziet de werking van een unit linked beleggingsverzekering er als volgt uit: (iii) Een universal life beleggingsverzekering is een specifieke vorm van de unit linked beleggingsverzekering, waarin de verzekeraar de gehele door de verzekeringnemer betaalde (bruto) premie (de inleg) meteen in participaties (units) belegt. Vervolgens verkoopt de verzekeraar een aantal participaties, waaruit de verzekeringskosten en de (overlijdens)risicopremie worden voldaan. De resterende participaties blijven de waardeontwikkeling van het beleggingsfonds volgen. Dit proces van aankopen en verkopen herhaalt zich periodiek, meestal elke maand. Schematisch en vereenvoudigd ziet de werking van een universal life beleggingsverzekering er als volgt uit: De hoogte van de (overlijdens)risicopremie die de verzekeraar periodiek aan de participaties onttrekt, wordt – anders dan bij een unit linked beleggingsverzekering – door de verzekeraar (periodiek, meestal maandelijks) bepaald aan de hand van de actuele situatie en kan dus per periode verschillen. Indien, naast de uitkering bij leven, ook een vast bedrag bij voortijdig overlijden bij de beleggingsverzekering is meeverzekerd, wordt de hoogte van de te onttrekken overlijdensrisicopremie vastgesteld door het verschil te bepalen tussen (
  16. a)de verzekerde uitkering bij voortijdig overlijden en (
  17. b)de waarde die de uitstaande beleggingen op dat moment hebben. Het verschil tussen (
  18. a)en (
  19. b)wordt het ‘risicokapitaal’ genoemd. Anders geformuleerd: het risicokapitaal is de verzekerde uitkering bij voortijdig overlijden minus de actuele waarde van de uitstaande beleggingen. Het zijn dus communicerende vaten: hoe lager de waarde van de beleggingen, hoe hoger het risicokapitaal, en omgekeerd. Aan de hand van (de omvang van) het risicokapitaal wordt de aan de participaties te onttrekken (overlijdens)risicopremie berekend. Hierbij geldt dat naarmate het risicokapitaal groter is (en de waarde van de beleggingen dus lager), de verzekeraar méér (overlijdens)risicopremie in rekening brengt, om het grotere risico van de verzekeraar af te dekken. In dat geval moet de verzekeraar dus méér participaties verkopen om de verschuldigde risicopremie uit te kunnen voldoen. Kortom: anders dan bij de spaarkas en de unit linked beleggingsverzekering, is bij de universal life beleggingsverzekering de hoogte van de door de verzekeraar in rekening te brengen (overlijdens)risicopremie niet vast, maar onder meer afhankelijk van de waarde van de opgebouwde beleggingseenheden. Dit brengt extra onzekerheid voor de verzekeringnemer mee. Aan de andere kant is het voordelig voor de verzekeringnemer dat bij een universal life beleggingsverzekering de (overlijdens)risicopremie op basis van ‘slechts’ het risicokapitaal wordt berekend en niet op basis van de (waarschijnlijk hogere) volledige uitkering bij overlijden, zoals bij een ‘standaard’ unit linked beleggingsverzekering. Hierdoor zal de (overlijdens)risicopremie bij een universal life beleggingsverzekering doorgaans lager zijn dan bij een unit linked beleggingsverzekering en blijft er meer inleg over om te beleggen. 3.6 Ondanks deze verschillen tussen de verschillende typen beleggingsverzekeringen, is de kostenstructuur van beleggingsverzekeringen in grote lijnen steeds dezelfde. Grosso modo kan sprake zijn van de volgende kostenposten, die de verzekeraar deels als aparte kostenpost in rekening brengt en deels opneemt/integreert in de te betalen (bruto) premie (de inleg): - aankoop- en verkoopkosten: kosten die de verzekeraar in rekening brengt bij de aan- en verkoop van de participaties; - eerste kosten: eenmalige kosten die de verzekeraar maakt voor of bij aanvang van een verzekering. Ze bestaan uit onder meer ontwikkelingskosten van de beleggingsverzekering, offerte- en acceptatiekosten, reclamekosten, kosten voor het invoeren van de verzekering in diverse administraties en – indien van toepassing – de aan de tussenpersoon te betalen afsluitprovisie. De verzekeraar brengt de eerste kosten ofwel in één keer in rekening, ofwel gelijkmatig verdeeld over de hele looptijd van de verzekering, ofwel gedurende de eerste jaren van de verzekering; - doorlopende kosten: kosten die de verzekeraar gedurende de gehele verzekeringsduur in rekening brengt en die dienen ter dekking van de incassokosten, de jaarlijkse administratiekosten, de bedrijfskosten en – indien van toepassing – de aan de tussenpersoon te betalen doorlopende provisie; - beheerkosten/vermogenskosten: kosten die de verzekeraar in rekening brengt voor het beheer van het vermogen; - beleggings(fonds)kosten: kosten voor het beheren van het beleggingsfonds, ook wel Total Expense Ratio (TER) genoemd; - prestatiebeloning bij hoge rendementen: dit zijn de kosten die de verzekeraar in rekening brengt indien hoge rendementen worden behaald; - switchkosten: kosten die de verzekeraar in rekening brengt als de verzekeringnemer overstapt naar een ander beleggingsfonds; en - mutatiekosten: kosten die de verzekeraar in rekening brengt als de verzekerde wijzigingen in de polis wil aanbrengen, zoals een premieverlaging, een premievrijmaking of een afkoop (een tussentijdse contractopzegging). 3.7 Verzekeraars passen soms gedurende de looptijd van de beleggingsverzekering (de hoogte van) de kosten aan. Dit is bekend van de beleggings(fonds)kosten. Hierdoor lopen afnemers van beleggingsverzekeringen een kostenrisico. Immers: als de kosten van de beleggingsverzekering stijgen, kan de verzekeraar periodiek minder participaties aankopen (bij unit linked beleggingsverzekeringen) c.q. moet de verzekeraar periodiek meer participaties verkopen om de stijgende kosten te dekken (bij universal life beleggingsverzekeringen). Kostenstijgingen kunnen dus direct invloed hebben op het rendement van de beleggingen en daarmee op de ‘prestaties’ van de beleggingsverzekering. 3.8 De kostenstructuur van een beleggingsverzekering, waarbij vaak hoge kosten in het begin worden gemaakt (met name door de eerste kosten), en het beleggingskarakter van de verzekering maken dat beleggingsverzekeringen zijn ingericht op een lange looptijd (soms tot wel vijftig jaar). Over het algemeen worden de ‘prestaties’ van een beleggingsverzekering dus verminderd door een korte looptijd (en door een relatief lage inleg), omdat in dat geval de kosten relatief zwaar drukken op het rendement van de beleggingsverzekering. Ook afkoop, premievrijmaking en premieverlaging beïnvloeden de ‘prestaties’ van de beleggingsverzekering doorgaans negatief. Bij tegenvallende koersontwikkeling kan de uitkering uit de beleggingsverzekering minder zijn dan aan (bruto) premie is ingelegd. Het is zelfs mogelijk dat de binnen de beleggingsverzekering opgebouwde waarde volledig verloren gaat en de verzekering om die reden vroegtijdig komt te vervallen. 3.9 Duidelijk is dus dat de verzekeringnemer bij een beleggingsverzekering diverse risico’s loopt. Meer specifiek kan (
  20. i)het zogenoemde crashrisico zich verwezenlijken en (
  21. ii)sprake zijn van het zogenoemde fata morgana-effect. Daarnaast kan, door de systematiek van universal life beleggingsverzekeringen, bij dat type beleggingsverzekering (iii) het zogenoemde hefboom- en inteereffect optreden en is er een groter risico op (
  22. iv)churning. (
  23. i)Het crashrisico houdt in dat één of meerdere (forse) koersdalingen tot gevolg hebben dat het feitelijk niet meer mogelijk is om het beoogde eindkapitaal van de beleggingsverzekering te bereiken, dat bij het aangaan van de verzekering door middel van een of meerdere voorbeelden als mogelijkheid was voorgespiegeld. Het eindkapitaal kan dan zelfs niet meer worden gehaald als de markt later weer aantrekt en/of als de voorgespiegelde gemiddelde rendementen (over de gehele looptijd berekend) wél worden gehaald. Omdat een (forse) koersdaling grotere impact heeft indien al een aanzienlijk vermogen is belegd (meestal op het einde van de looptijd van de verzekering), speelt het crashrisico voornamelijk dan een rol. (
  24. ii)Het fata morgana-effect houdt verband met het (gemiddelde) rendementspercentage dat de verzekeraar aan de verzekeringnemer heeft gepresenteerd. Is dat een rekenkundig gemiddelde, dan zal de consument op basis van dat rendementspercentage een te rooskleurig beeld hebben gekregen van het met de beleggingsverzekering mogelijk te behalen eindkapitaal. Bij een rekenkundig gemiddelde van rendementen worden de effecten van koersbewegingen (de volatiliteit) namelijk niet in het rendementspercentage verdisconteerd. Hierdoor geeft het rekenkundig gemiddelde percentage geen realistisch (want: te positief) beeld van het mogelijk met de inleg te behalen eindkapitaal. Bij een meetkundig gemiddelde van rendementen worden de effecten van de koersbewegingen wel verdisconteerd. Een meetkundig gemiddeld rendementspercentage is daarom altijd lager of gelijk aan het rekenkundig gemiddeld rendementspercentage. Bij een beleggingsverzekering met een looptijd van dertig jaar zal een met een rekenkundig gemiddelde corresponderend meetkundig gemiddelde ongeveer twee à drie procentpunten lager liggen. Als ik het goed begrijp, kan volgens de Vereniging het fata morgana-effect ook optreden indien de verzekeraar wél een meetkundig gemiddeld rendementspercentage heeft gehanteerd maar de verzekeringnemer daarbij niet op de meetkundige rekenmethodiek heeft gewezen. Bij gebrek aan kennis zal de verzekeringnemer een als voorbeeld gegeven rendementspercentage immers doorgaans als een ‘gewoon’ rekenkundig gemiddelde (en dus niet als een meetkundig gemiddelde) interpreteren, waardoor de verzekeringnemer alsnog een te rooskleurig beeld van het beoogde eindkapitaal zou krijgen. (iii) Het (negatieve) hefboom- en inteereffect speelt alleen een rol bij universal life beleggingsverzekeringen en kan optreden indien het rendement op de verzekering achterblijft. In dat geval valt het risicokapitaal hoger uit dan aanvankelijk was verwacht, waardoor méér (overlijdens)risicopremie moet worden betaald (randnummer 3.5, onder (iii), hiervoor). Deze extra risicopremie wordt ten laste van de (al tegenvallend presterende) participaties gebracht, waardoor de waarde van de beleggingen nóg lager zal uitvallen. En ga zo maar door. Omgekeerd zal bij meevallende en dus goede rendementen het risicokapitaal láger uitvallen dan verwacht. In dat geval hoeft minder (overlijdens)risicopremie te worden betaald en valt de waarde van de beleggingen nóg hoger uit. Deze versterkende effecten worden aangeduid als het (negatieve en positieve) hefboomeffect. De kans op het negatieve hefboomeffect wordt vergroot indien ook andere factoren, naast tegenvallende beleggingsresultaten, tot verhoging van de overlijdensrisicopremie leiden. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de verzekerde ouder wordt: hoe hoger de leeftijd, des te groter de kans op overlijden en dus des te hoger de (overlijdens)risicopremie. Indien, na tegenvallende beleggingsresultaten, de voor een periode verschuldigde (overlijdens)risicopremie en kosten méér bedragen dan de voor die periode ingelegde (bruto) premie (de inleg), worden méér participaties onttrokken dan er worden bijgekocht. In dat geval wordt dus op de participaties ingeteerd. Dit wordt het inteereffect genoemd. Indien de waarde van de participaties (door koersdalingen en/of interen) op enig moment onvoldoende is om de verschuldigde (overlijdensrisico)premie en kosten te onttrekken, eindigt de universal life beleggingsverzekering voortijdig. Er vindt dan dus geen uitkering plaats en de overlijdensrisicodekking vervalt. (
  25. iv)Churning houdt in dat een verzekeraar onnodig, en te eigen bate, effectentransacties uitvoert, waarover hij aan- en/of verkoopkosten in rekening brengt. Verzekeraars die universal life beleggingsverzekeringen aanbieden, wordt soms verweten zich aan churning schuldig te maken. Bij deze verzekeringen belegt de verzekeraar namelijk eerst de volledige premie/inleg, waarbij hij aankoopkosten in rekening brengt. Vervolgens verkoopt de verzekeraar weer een deel van de participaties om de (overlijdens)risicopremie en kosten uit te voldoen (randnummer 3.5, onder (iii), hiervoor). Over die verkoop brengt de verzekeraar verkoopprovisie in rekening. Deze constructie met periodieke aankoop- én verkoopkosten kan een negatief effect hebben op het te behalen rendement. 3.10 Het zal inmiddels duidelijk zijn dat de beleggingsverzekering een complex en risicovol product is. De precieze werking van een beleggingsverzekering, met de verschillende productonderdelen die van elkaar afhankelijk zijn en op elkaar inwerken, is niet eenvoudig te doorgronden. Tekenend in dit kader is dat AG Sharpston, die de conclusie voor het arrest NN/Van Leeuwen voor haar rekening nam, daarin opmerkte dat ze eerlijk gezegd ook na raadpleging van het nationale dossier nog niet goed begreep hoe de betrokken verzekering (een universal life beleggingsverzekering) precies in haar werk gaat. Het gaat het bestek van deze prejudiciële procedure te buiten, maar bij sommigen komt de vraag op of het verstandig was om (universal life) beleggingsverzekeringen (op grote schaal) aan (ondeskundige) consumenten aan te bieden. Zoals R.A. Salomons in mei 2009 opmerkte: “Misschien moet de conclusie zijn dat sommige producten (vooral op levengebied) helemaal niet verkocht moeten worden aan de consument, omdat ze (in computertermen) te gebruikersonvriendelijk zijn. Ik bedoel niet dat ze te riskant zijn, maar dat het niet altijd mogelijk is moeilijke dingen of riskante dingen adequaat uit te leggen.” 3.11 Wenselijk of niet: beleggingsverzekeringen zijn nu eenmaal op grote schaal verkocht. Zeker omdat het complexe producten zijn, is het aan levensverzekeraars om verzekeringnemers op juiste en doeltreffende wijze over de inhoud, werking en risico’s van de verzekering te informeren, zowel vóór sluiting van de overeenkomst als gedurende de looptijd van de verzekering. Dit brengt mij bij de diverse (gedetailleerde) informatieplichten die in de loop der jaren in sectorspecifieke Europese en nationale regelgeving zijn neergelegd. Die sectorspecifieke regelgeving komt nu aan bod. 4. De ontwikkeling van de sectorspecifieke informatieplichten door de jaren heen: langzaamaan steeds meer en concretere informatie 4.1 Op levensverzekeraars zijn in de loop der jaren verschillende (Europese en Nederlandse) sectorspecifieke regels van toepassing geweest, die onder meer bepaalden welke informatie de verzekeraars aan (potentiële) verzekeringnemers moesten geven. In deze paragraaf wordt de betreffende regelgeving in chronologische volgorde weergegeven. Zo wordt zichtbaar dat levensverzekeraars op grond van sectorspecifieke regelgeving langzaamaan steeds méér informatie aan verzekeringnemers moesten verstrekken en dat deze informatie uiteindelijk ook steeds concreter is geworden, met name ten aanzien van de aan de beleggingsverzekering verbonden kosten, risicopremie en risico’s. Naast het in kaart brengen van deze ontwikkeling, is het van belang om vast te stellen wat de regelgevers met de sectorspecifieke regelgeving hebben beoogd en welke overwegingen daarbij een rol hebben gespeeld. Daarom wordt in deze paragraaf ook ingegaan op de parlementaire geschiedenis van de sectorspecifieke regelgeving. Tevens wordt de kritiek beschreven die door de jaren heen op (de ontwikkeling van) de sectorspecifieke regelgeving is geuit en wordt aangegeven of en zo ja in hoeverre de regelgevers daar iets mee hebben gedaan. Dit alles maakt deze paragraaf omvangrijk. 4.2 Toch wordt niet overal ‘en detail’ ingegaan op alle regels die hebben gegolden en evenmin op de precieze inhoud van alle sectorspecifieke regelgeving. Dat is ook niet nodig: het doel van deze prejudiciële procedure is om duidelijkheid te krijgen over het (algemene) toetsingskader omtrent informatieverplichtingen van levensverzekeraars (randnummer 1.5 hiervoor), niet om concreet te toetsen of NN met de informatie die zij door de jaren heen aan (potentiële) verzekeringnemers heeft verstrekt daadwerkelijk aan haar informatieplichten heeft voldaan. 4.3 Ten behoeve van de overzichtelijkheid van deze paragraaf wordt de sectorspecifieke regelgeving per periode weergegeven: daartoe heb ik de regelgeving in blokken van enkele jaren ‘opgeknipt’. Voor de beeldvorming en de volledigheid ga ik ook kort in op de periode vóór 1992 en de periode ná 2008, hoewel NN in die periode geen beleggingsverzekeringen aan particulieren heeft verkocht. De volgende zes periodes komen zo in beeld: (
  26. i)vóór 1992; (
  27. ii)1992-1994; (iii) 1995-1999; (
  28. iv)2000-2005; (
  29. v)2006-2008; en (
  30. vi)ná 2008. Periode (i): vóór 1992 4.4 Aan het einde van de jaren zeventig van de vorige eeuw is de Uniewetgever begonnen met de stapsgewijze harmonisering van de Europese markt voor levensverzekeringen. In 1979 werd hiertoe de Eerste Levensrichtlijn uitgevaardigd, die als doel had de toegang tot en de uitoefening van het levensverzekeringsbedrijf te vergemakkelijken. Dit doel moest worden bereikt door onder meer verschillen weg te nemen op het gebied van het toezicht tussen de nationale wetgevingen en de bepalingen te coördineren omtrent de financiële garanties die van levensverzekeraars worden geëist. De Eerste Levensrichtlijn bevatte nog geen informatieverplichtingen voor levensverzekeraars. 4.5 In 1990 is de Eerste Levensrichtlijn gewijzigd en aangevuld door de Tweede Levensrichtlijn, die eveneens tot doel had de interne markt in de levensverzekeringssector open te stellen. Ook de Tweede Levensrichtlijn bevatte geen informatieplichten voor verzekeraars, afgezien van de verplichting om aan de verzekeringnemer te melden in welke lidstaat de verzekeraar is gevestigd. 4.6 Vrij snel na de Tweede Levensrichtlijn heeft de Europese Commissie in maart 1991 een voorstel ingediend voor de Derde Levensrichtlijn (hierna: het ‘Voorstel DLR’), die de interne markt volledig moest voltooien. Op grond van het Voorstel DLR moest de verzekeringnemer de mogelijkheid hebben om zich tot alle verzekeraars in de Gemeenschap te wenden, zodat hij de voor zijn behoeften meest passende dekking kon vinden, waarbij hij tevens voldoende bescherming genoot. Het Voorstel DLR vermeldde dat het niet overgaat tot “een harmonisatie van het materiële verbintenissenrecht en de verzekeringsvoorwaarden.” De bescherming van de consument wordt namelijk reeds gewaarborgd, “omdat in beginsel de Lid-Staat van de verbintenis de mogelijkheid heeft op het verzekeringscontract dat een verzekeringnemer dekt die woonachtig is op zijn grondgebied, zijn eigen wettelijke regeling toe te passen.” 4.7 Het Voorstel DLR vermeldde ook dat de consument duidelijke en nauwkeurige informatie moest ontvangen over de fundamentele kernmerken van de verzekeringsproducten die hem werden aangeboden, om zo ten volle te kunnen profiteren van een sterkere concurrentie op de markt voor levensverzekeringen. In de DLR zou daarom een minimumlijst worden opgenomen met informatie die verzekeraars aan verzekeringnemers zouden moeten verstrekken. De lidstaten konden deze lijst aanvullen, met dien verstande dat dergelijke (aanvullende) informatieverplichtingen de bescherming van de consument moesten bevorderen en de keuze van de aangeboden producten niet mochten beperken. Periode (ii): 1992-1994 4.8 In november 1992, anderhalf jaar na het verschijnen van het Voorstel DLR, heeft de Europese Unie de DLR uitgevaardigd. In de considerans van de DLR staat onder meer dat de met de DLR te introduceren informatieplichten minimumvoorschriften zijn, de DLR het recht op het gebied van verzekeringsovereenkomsten niet harmoniseert en de consument, om ten volle van de diversiteit en toegenomen concurrentie op de markt voor levensverzekeringen te kunnen profiteren, over duidelijke en nauwkeurige informatie moet beschikken over de wezenlijke kenmerken van de verzekering: “
(9)Overwegende dat een aantal bepalingen van de onderhavige richtlijn minimumnormen vaststellen; dat de Lid-Staat van herkomst strengere regels kan opleggen aan verzekeringsondernemingen waaraan door zijn eigen bevoegde autoriteiten vergunning is verleend; (…)
(19)Overwegende dat de harmonisatie van het recht op het gebied van verzekeringsovereenkomsten geen prealabele voorwaarde is voor de totstandbrenging van de interne verzekeringsmarkt; dat derhalve de aan de Lid-Staten gelaten mogelijkheid om verzekeringsovereenkomsten die op hun grondgebied aangegane verbintenissen behelzen, onder toepassing van hun recht te doen vallen, voldoende waarborgen biedt voor verzekeringnemers; (…)
(23)Overwegende dat de consument in het kader van een eengemaakte verzekeringsmarkt een grotere en meer gediversifieerde keuze uit overeenkomsten zal hebben; dat hij om ten volle van deze diversiteit en een toegenomen concurrentie te kunnen profiteren, moet beschikken over de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past; dat deze behoefte aan inlichtingen nog sterker is omdat de looptijd van de verbintenissen zeer lang kan zijn; dat het dientengevolge wenselijk is de minimumvoorschriften te coördineren opdat de consument [een] duidelijke en nauwkeurige informatie zou ontvangen over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden produkten en over de gegevens betreffende de organismen [instanties, A-G] die bevoegd zijn om kennis te nemen van de klachten van verzekeringnemers, verzekerden of begunstigden van de overeenkomst;” 4.9 De informatieplicht van de levensverzekeraar was neergelegd in art. 31 DLR, waarvan de tekst als volgt luidde: “1. Vóór de sluiting van de verzekeringsovereenkomst dienen aan de verzekeringnemer ten minste de in bijlage II, onder A, vermelde gegevens te worden medegedeeld. 2. De verzekeringnemer dient gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst te worden ingelicht over elke wijziging van de in bijlage II, onder B, vermelde gegevens. 3. De Lid-Staat van de verbintenis mag van de verzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage II vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis. 4. De toepassingsvoorschriften betreffende dit artikel en bijlage II worden door de Lid-Staat van de verbintenis vastgesteld.” 4.10 Bijlage II bij de DLR bepaalde onder het opschrift “Aan de verzekeringnemer te verstrekken inlichtingen” dat de inlichtingen die aan de verzekeringnemer moesten worden meegedeeld, “duidelijk, nauwkeurig en schriftelijk” moesten worden verstrekt in een officiële taal van de lidstaat van de verbintenis. Vóór de sluiting van de overeenkomst dienden diverse inlichtingen (a.1-a.16) te worden verstrekt, waaronder inlichtingen over de verzekeringsdekking (a.4), de premie(betaling) (a.7 en a.10) en de afkoop- en premievrije waarden (a.9). 4.11 In maart 1994 is art. 31 DLR in Nederland geïmplementeerd in art. 51 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (hierna: ‘Wtv’), dat in lid 1 bepaalde dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot aan het publiek te verstrekken informatie door verzekeraars. 4.12 Via art. 51 Wtv is de informatieverplichting uit art. 31 DLR terechtgekomen in de Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers (hierna: de ‘RIAV 1994’), die op 1 juli 1994 in Nederland in werking is getreden. De in Bijlage II, onder A., bij de DLR genoemde inlichtingen zijn – in andere bewoordingen, in een andere volgorde en op andere wijze gegroepeerd – in art. 2 lid 2 RIAV 1994 terechtgekomen. Op grond van die bepaling diende de levensverzekeraar er zorg voor te dragen dat de verzekeringnemer schriftelijk in kennis zou worden gesteld van, onder meer: “(...) b. een omschrijving van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht; c. een omschrijving van de keuzemogelijkheden die de verzekeringnemer of de gerechtigde op uitkeringen ingevolge de overeenkomst heeft onderscheidenlijk hebben; (…) h. de premie verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor ieder van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd; i. een opgave of de premie eenmalig is verschuldigd dan wel periodiek; j. de periode gedurende welke premie verschuldigd is; k. indien de overeenkomst voorziet in een afkoop- of premievrije waarde, een opgave of indicatie van deze waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend; (…).” 4.13 In lijn met het bepaalde in de DLR diende de verzekeraar dus op grond van art. 2 lid 2 RIAV 1994 inlichtingen te verstrekken over onder meer de verzekeringsdekking (onder b. en c.), de premie(betaling) (onder h., i. en j.) en de afkoop- en premievrije waarden (onder k.). Omdat de verzekeringsdekking/de uitkering (bij leven) bij beleggingsverzekeringen onzeker is en afhangt van het te behalen beleggingsresultaat (randnummer 3.4 hiervoor), informeerden verzekeraars hun klanten doorgaans over de mogelijk te behalen verzekeringsdekking/uitkering door een of meerdere voorbeelden van mogelijke uitkeringen te tonen (de zogenoemde ‘voorbeeldkapitalen’). 4.14 In de toelichting bij de RIAV 1994 stond dat de toepassing van de regeling door het burgerlijk recht wordt beheerst: “De onderhavige regeling betreft de (pre)contractuele verhouding tussen verzekeraar en verzekeringnemer. Behalve door de WTV 1993 (de Verzekeringskamer kan door middel van haar aanwijzingsrecht naleving van deze regeling bevorderen) wordt de toepassing van deze regeling beheerst door het burgerlijk recht, waarbij bijvoorbeeld ook de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek) gelden.” 4.15 De Ombudsman Levensverzekering, in 1971 ingesteld om klachten in behandeling te nemen over de totstandkoming en uitvoering van levensverzekeringsovereenkomsten, heeft in zijn jaarverslagen over de jaren 1992, 1993 en 1994 onder meer opgemerkt dat consumenten de aan de verzekering verbonden kosten onderschatten, waardoor met name sprake is van een toename van het aantal klachten over de afkoop van levensverzekeringen: “Vanaf het moment van instelling van de Ombudsman Levensverzekering in 1971 hebben veel voorgelegde klachten over de uitvoering van levensverzekeringenovereenkomsten betrekking gehad op afkoop, afkoop- en premievrije waarde; ze vormen de grootste categorie. (…) Onderschatting van met name de aan het sluiten en het voortbestaan van een levensverzekering verbonden kosten leidt dan tot teleurstelling en onvrede, zeker in die gevallen waarin een gesloten levensverzekering na een, in verhouding met de overeengekomen duur, korte bestaansperiode door afkoop wordt beëindigd. Het aantal van de in 1992 en 1993 ontvangen en behandelde klachten met betrekking tot afkoop en de vaststelling van afkoopwaarden duidt er echter op dat er helaas in toenemende mate sprake is van een discrepantie tussen de werkelijkheid en het verwachtingspatroon bij de verzekeringsconsument ter zake van zijn of haar aanspraken bij afkoop. (…).” 4.16 De teleurstelling bij consumenten is volgens de Ombudsman vaak te herleiden tot onvolledige (en soms onjuiste of misleidende) voorlichting door verzekeraars bij het afsluiten van de levensverzekering, onder meer over (de invloed van) de verzekeringskosten: “Die teleurstelling is, zoals eerder opgemerkt, blijkens aan de Ombudsman voorgelegde klachten in veel gevallen ter herleiden tot onvolledige – maar in een aantal gevallen ook onjuiste of misleidende – voorlichting bij het afsluiten van de levensverzekering. Zoals bij elk ander produkt het geval is, betaalt de koper van een levensverzekering alle kosten die gemoeid zijn zowel met de vervaardiging als de verkoop van het produkt. Het moge zo zijn dat deze kosten bij levensverzekering om de eerder vermelde redenen aanzienlijk zijn, dit kan echter nimmer aanleiding zijn (…) om terughoudend te zijn met betrekking tot de informatieverstrekking aan de verzekeringsconsument omtrent de invloed die deze kosten hebben op het door hem te sluiten contact en de daaruit voortvloeiende rechten. Voor een financieel produkt als levensverzekering dient de voorlichting in alle gevallen op een hoog peil te staan.” 4.17 Ten aanzien van unit linked beleggingsverzekeringen (randnummer 3.5, onder (
  1. ii)en (iii), hiervoor) heeft de Ombudsman in zijn jaarverslag over het jaar 1994 opgemerkt dat voor veel verzekeringnemers de materie (
  2. te)complex is. Het beeld dat de klant heeft, komt volgens de Ombudsman niet altijd overeen met de inhoud van het contract. Periode (iii): 1995-1999 4.18 De Ombudsman Levensverzekering is niet de enige die al snel na de invoering van de eerste sectorspecifieke regelgeving kritiek heeft geuit. In november 1995 heeft Boot, destijds hoogleraar Ondernemingsfinanciering en Financiële Markten aan de Universiteit van Amsterdam, een kritisch onderzoeksrapport uitgebracht over de informatieverstrekking rondom, kort gezegd, beleggingsverzekeringen. De conclusie van Boot was dat het erg moeilijk is om inzicht te krijgen in de kostenstructuur van beleggingsverzekeringen, omdat verzekeraars de verzekeringspolissen zo ondoorzichtig en onvergelijkbaar mogelijk maken: “(…) De praktijk leert echter dat verzekeringsmaatschappijen alles behalve duidelijk zijn ten aanzien van hun eigen produkt. De huidige generatie koopsompolissen waarbij wordt belegd in beleggingsfondsen en zodoende het eindkapitaal afhankelijk is van de toekomstige fund-performance, zijn zo ondoorzichtig mogelijk gemaakt. (…) Uit de offertes voor deze koopsompolissen blijkt vaak niet hoeveel van het gestorte bedrag daadwerkelijk wordt belegd, en welk gedeelte als kosten door de verzekeraar worden ingehouden. Hetzelfde geldt voor de maandelijkse premiestorting. (…). Het bepalen van de kostenstructuur is zo complex omdat verzekeringsmaatschappijen de polissen zoveel als mogelijk ondoorzichtig en onvergelijkbaar maken. (…).” 4.19 Ten aanzien van de kosten en het rendement van beleggingsverzekeringen heeft Boot geconcludeerd dat verzekeraars meestal niet vermelden welk gedeelte van de ingelegde premie of koopsom nu daadwerkelijk wordt belegd en welk gedeelte als kosten wordt ingehouden. Volgens Boot is de verzekeringnemer aangewezen op volharding tijdens telefoongesprekken of het uitvoeren van berekeningen. Over telefoongesprekken met enkele verzekeraars schrijft Boot het volgende: “Bij Delta Lloyd bleken de kosten zonder veel problemen te achterhalen. Bij Nationale Nederlanden daarentegen was het een werkelijke ‘challenge’ om niet met een kluitje in het riet te worden gestuurd. Amev stuurde ons na telefonisch contact een keurig overzicht. Hierop stond overigens de niet zo vreugdevolle mededeling dat gedurende de eerste 5 jaar van onze premieregeling 40.5% van de premie als eerste kosten moeten worden beschouwd. Tevens bleek f 12.50 per maand aan poliskosten te moeten worden voldaan. Voor enige vermakelijke, maar tevens veelzeggende, citaties aangaande de telefoon gesprekken die werden gevoerd, verwijzen wij naar paragraaf 3.4. Over het algemeen is het zo dat zelfs inspecteurs, zij die met de cliënt de polis afsluiten, geen idee hebben van de kosten die de maatschappij inhoudt. Dit betekent dat er naar “het kantoor” moet worden gebeld; door de cliënt wel te verstaan.” 4.20 Naar aanleiding van het onderzoeksrapport van Boot zijn in december 1995 in de Tweede Kamer vragen gesteld aan de minister van Financiën. Volgens de minister werd de Nederlandse (levens-)verzekeringsmarkt echter gekenmerkt door een hoge graad van concurrentie tussen aanbieders, waardoor een marktbreed te hoog kostenniveau “niet aannemelijk” was. Ook bestond volgens de minister in zo’n markt “geen reden” om te komen tot een convenant met de branche over een maximum kostenpercentage. Dat dit een inschattingsfout van de minister is geweest, blijkt wel uit het feit dat een dergelijk convenant in 2008 alsnog nodig werd geacht: na aanbeveling van de Ombudsman Financiële Dienstverlening zijn in 2008 compensatieregelingen tot stand gekomen, waarin wél een maximum kostenpercentage is opgenomen (randnummer 2.6 hiervoor en randnummer 4.101 hierna). De minister van Financiën vond (bij nader inzien) de aanbeveling, met daarin de kostenmaximering, in 2008 wél “een belangrijke eerste stap in het oplossen van de problemen van beleggingsverzekeringspolishouders” (randnummer 4.102 hierna). 4.21 De Ombudsman Levensverzekering heeft ook in zijn jaarverslag over het jaar 1995 opgemerkt dat de polishouder in veel gevallen pas met de kosten van de verzekering wordt geconfronteerd op het moment dat hij het door hem gesloten verzekeringscontract wil beëindigen of aanpassen: “(…) Bij verzekeringen in beleggingseenheden – wordt hij [de polishouder, A-G] op zo’n moment geconfronteerd met een beleggingsoverzicht waaruit een voor betrokkene onverwacht forse kostenpost blijkt. Ook kan dan pas blijken dat voor een bepaalde periode een niet onbelangrijk deel van de overeengekomen premie niet wordt belegd maar dient voor delging van gemaakte kosten en voor risicodekking. Met de sterke opkomst van verzekeringen in beleggingseenheden wordt niet alleen meer over de hoogte van afkoopwaarden geklaagd, maar ook over de hoogte van de door maatschappijen in rekening gebrachte kosten en het niet geïnformeerd zijn daarover, noch door de maatschappij, noch door de tussenpersoon.” 4.22 De Ombudsman heeft daarnaast benadrukt dat hij in vrijwel elk jaarverslag (sinds 1971) een pleidooi houdt voor meer en betere voorlichting bij het afsluiten van levensverzekeringen, wat hij de achilleshiel van het levensverzekeringsbedrijf noemt: “De Ombudsman heeft vrijwel in elk van de inmiddels verschenen 24 verslagen van werkzaamheden een pleidooi gehouden voor meer en betere voorlichting bij het afsluiten van levensverzekeringen. Dat dit punt na 25 jaar ondanks verbeteringen nog steeds actueel is, tekent de weerbarstigheid van de materie en toont ook de achilleshiel van het levensverzekeringsbedrijf. Nog niet goed te beoordelen is hoe levensverzekeringsmaatschappijen en tussenpersonen omgaan met de Regeling Informatieverstrekking Verzekeringnemers 1994, de op grond van Europees consumentenbeleid ingevoerde informatieplicht voor verzekeraars. De eerste voorzichtige indruk is, dat juist op het punt van de informatieplicht ten aanzien van afkoopwaarden de teugels nog moeten worden aangetrokken.” 4.23 In september 1996 is in de Tweede Kamer de vraag gesteld of verzekeraars op basis van de RIAV 1994 ook verplicht zijn om inzicht te geven in de opbouw van de kosten die de verzekeraar bij de samenstelling van het financiële product maakt. De minister van Financiën heeft op deze vraag ‘nee’ geantwoord, ondanks de jarenlange kritiek van de Ombudsman Levensverzekering op dit punt: “De Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1994 is gebaseerd op artikel 51 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en vloeit voort uit de derde schadeverzekerings- en de derde levensverzekeringsrichtlijn. De regeling regelt de (pre)contractuele verhouding tussen de verzekeraar en de verzekeringnemer. Verzekeraars zijn, evenmin als de producenten van andere (financiële) producten niet verplicht inzicht te geven in de kostenstructuur.” 4.24 In 1996 heeft het Verbond van Verzekeraars – nadat de Verzekeringskamer (thans opgegaan in De Nederlandsche Bank) daar sinds 1993 op had aangedrongen – een gedragscode opgesteld voor informatieverstrekking over beleggingsrendement en beleggingsrisico van onder meer beleggingsverzekeringen (de Code Rendement en Risico 1996, hierna: de ‘CRR 1996’). De CRR 1996 gold vanaf 1 januari 1997 en had het volgende doel: “Door toepassing van de Code moet de (adspirant)koper van het produkt inzicht krijgen in de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen uit spaarkasovereenkomsten en individuele kapitaalverzekeringen.” 4.25 In de toelichting bij de CRR 1996 stond dat de consument bij het maken van zijn keuze voor de verzekering een relevante voorstelling nodig heeft van de mogelijke uitkomsten. Daarom moesten verzekeraars minstens twee voorbeelden van uitkomsten (voorbeeldkapitalen) geven, uitgaande van mogelijk te behalen rendementen: “Het levensverzekerings- en spaarkasbedrijf biedt de consument produkten aan voor de verzorging van financiële zekerheid op lange termijn. De mate waarin financiële zekerheid kan worden verkregen is onzeker voor zover het bedrag van de uiteindelijke uitkering, in de vorm van een kapitaal al dan niet bestemd voor een vervolgens te kopen lijfrente, niet kan worden gegarandeerd. De uitkering kan immers variëren afhankelijk van de opbrengsten die voor de verzekerde worden behaald op de belegde premies of spaargelden. De consument heeft voor de koopbeslissing dus een relevante voorstelling nodig van de mogelijke uitkomsten. Daarom worden voorbeelden berekend uitgaande van mogelijk te behalen rendementen. De te gebruiken rendementen dienen een zinvolle weerspiegeling te zijn van de aard van de beleggingen en met name ook van de daaraan verbonden risico’s voor zover die voor rekening van de verzekerde komen. Het geven van verantwoorde voorlichting omtrent te verwachten rendementen en voorbeelden is allereerst de eigen verantwoordelijkheid van iedere aanbieder. Gezien het grote belang voor de consument is een Code gewenst. Aldus ontstaat een standaardisatie van begrippen en te verschaffen informatie.” 4.26 Op grond van de CRR 1996 dienden verzekeraars in elke communicatie standaard te vermelden dat aan de gegeven voorbeelden géén rechten kunnen worden ontleend, de gebruikte rendementen géén garantie voor de toekomst inhouden en de toekomstige rendementen jaarlijks kunnen fluctueren en kunnen afwijken van de in de voorbeelden genoemde rendementen. 4.27 De minister van Financiën heeft de CRR 1996 vanuit het oogpunt van consumentenbelang positief gewaardeerd. Volgens de minister werd het in brede kring noodzakelijk geacht dat consumenten voor het aanschaffen van een beleggingsverzekering over de risico’s daarvan zouden worden geïnformeerd: “De laatste jaren worden er steeds meer levensverzekeringsproducten aangeboden waarbij het rendementsrisico direct door de verzekeringnemer wordt gelopen. Vanwege deze ontwikkeling werd het in brede kring noodzakelijk geacht dat in informatieverstrekking aan de consument de risico’s die voor hem aan dergelijke levensverzekeringsproducten zijn verbonden voldoende worden belicht. In dit verband is recent door het Verbond van Verzekeraars de gedragscode rendementsprognoses vastgesteld [de CRR 1996, A-G]. In deze gedragscode wordt een aantal eisen geformuleerd waaraan informatieverstrekking aan de consument betreffende de genoemde producten moet voldoen. (…) het doel van deze gedragscode [is] de consument inzicht te verschaffen in de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen uit levensverzekeringen en spaarkasovereenkomsten. Deze gedragscode wordt door ondergetekende vanuit het oogpunt van consumentenbelang positief gewaardeerd. Het kabinet acht het wenselijk om, los daarvan, te bezien of er aanleiding bestaat om aan alle op de Nederlandse markt actieve levensverzekeraars bepaalde voorschriften te geven die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van de wezenlijke bestanddelen van de verzekeringsovereenkomst.” 4.28 Er is echter ook kritiek geuit op de CRR 1996, onder meer door een oud-bestuurslid van de Verzekeringskamer (de heer Kool, hierna: ‘Kool’): “De PVK [Pensioen- en Verzekeringskamer, A-G] was, en is dat naar ik aanneem nog steeds, een voorstander van zelfregulering door de bedrijfstak waar dat gewenst en mogelijk is. De bedrijfstak is door het ragfijne samenspel van relatief beperkte regelgeving, zelfdiscipline, zelfregulering en normatief toezicht groot geworden en gezond gebleven. Het door Europa warende dogma van de volledige concurrentie, ook wel marktwerking genoemd, betekende een rem op bepaalde vormen van zelfregulering en een aantal maatschappijen had ook niet zo veel zin meer in vormen van zelfregulering die in hun ogen het eigen ondernemerschap te veel aantasten. Dat moge zo zijn, maar als de keuze gaat tussen opgelegde regelgeving en zelfregulering is de keuze snel gemaakt. (…). Het was allemaal niet zo eenvoudig, maar, om een lang verhaal kort te houden, er kwam zelfregulering verwoord in een gedragscode (…). Het was ongetwijfeld een goede poging, maar toch al heel snel kwam er forse kritiek van overheid, maatschappelijke organisaties en consumenten op de werking en de naleving van de Code. Sommige verzekeraars hadden moeite met het onderschrijven van de Code en deden dat dan ook niet. In de bedrijfstak werd fors ‘gediscussieerd’ over de wijze waarop collega-maatschappijen, concurrenten dus, de Code interpreteerden. (…).” 4.29 De Ombudsman Levensverzekering heeft in zijn jaarverslag over het jaar 1996 wederom gehamerd op meer en betere voorlichting bij het sluiten van levensverzekeringen, onder meer ten aanzien van factoren die van invloed zijn op het eindresultaat van het contract. Reeds in zijn “Woord vooraf” staat onder meer het volgende: “Kwalitatief zijn mijn ervaringen bij de klachtbehandeling ook over 1996 zodanig, dat ik als immer moet (blijven) hameren op het aanbeeld [lees: aambeeld, A-G] van meer en betere voorlichting bij het sluiten van levensverzekeringen. Ik acht het van wezenlijk belang dat de consument bij het sluiten van een levensverzekering met een spaar- of beleggingselement niet alleen op bevattelijke wijze wordt geïnformeerd over die aspecten van de overeenkomst, die tot teleurstelling kunnen leiden bij tussentijdse beëindiging, maar ook over zaken die de polishouder inzicht geven in de factoren die hun invloed doen gelden op het eindresultaat van het contract. Mijn in het 25ste verslag gegeven ‘voorzichtige’ indruk, dat voor wat betreft de uitvoering door verzekeraars van de ‘Regeling Informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1994’ de teugels nog strakker moeten worden aangetrokken, vindt – helaas – steeds meer bevestiging in de voorgelegde dossiers. Het kan uiteraard niet zo zijn dat deze Regeling door sommige verzekeraars zo wordt geïnterpreteerd dat zij in de praktijk niet of nauwelijks een toegevoegde waarde heeft ten opzicht[e] van de situatie voor 1 juli 1994.” 4.30 Om teleurstelling over de hoogte van de uitkering zoveel mogelijk te voorkomen, moeten consumenten volgens de Ombudsman inzicht krijgen in het deel van de betaalde premie dat bestemd is voor kosten en risicodekking. Volgens de Ombudsman wordt de consument dan pas compleet voorgelicht: “Om deze teleurstelling [over de hoogte van de uitkering op de einddatum, A-G] te voorkomen en als aanvullend instrument om aan de consument duidelijk te maken dat een levensverzekering meer is dan een simpele spaar- of beleggingsrekening, moet derhalve inzicht worden verschaft in het deel van de betaalde premies dat bestemd is voor kosten en risicodekking en derhalve voor het fondsrendement niet meetelt (zie ook mijn pleidooi in het 25ste verslag van werkzaamheden pagina 19). Eerst dan wordt de consument compleet voorgelicht.” 4.31 Ook in 1997 gaan veel klachten die bij de Ombudsman Levensverzekeringen worden ingediend over de hoogte van de afkoop- en premievrije waarde. Deze klachten kunnen volgens de Ombudsman worden vermeden door betere informatievoorziening, onder meer ten aanzien van de kostenstructuur: “Veel klachten over de consequenties van tussentijdse beëindiging kunnen vermeden worden door de verzekeringsconsument die een levensverzekering met een spaar- of beleggingselement afsluit, daarover duidelijke, nauwkeurige en inzichtelijke informatie op schrift te verstrekken. Het liefst in de vorm van een schema waaruit de ontwikkeling van de afkoopwaarde blijkt gedurende de looptijd van de te sluiten verzekering. Omdat gezien de wijze van verkoop de kosten van een levensverzekering aanzienlijk zijn indien deze worden afgezet tegen de waarde van de verzekering na een relatief korte bestaansduur, lijkt het verstandig daarbij ook enige toelichting te geven op de kostenstructuur.” 4.32 In april 1998 heeft de Verzekeringskamer een onderzoeksrapport uitgebracht, getiteld “Informatieverstrekking aan verzekeringnemers”. In de samenvatting van het rapport staat onder meer dat als belangrijkste knelpunten van de RIAV 1994 naar voren komen dat de informatie over de afkoop- en premievrije waarde doorgaans onvoldoende volledig is en dat de wettelijk verplichte informatie over diverse aspecten verspreid staat over verschillende informatiebronnen. 4.33 Over de wezenlijke kenmerken van het verzekeringsproduct waarover verzekeraars op grond van de RIAV 1994 géén informatie hoefden te geven, zoals de kosten en het beleggingsrisico, heeft de Verzekeringskamer het volgende geschreven: “Daarnaast is geïnventariseerd welke informatie wordt verstrekt over wezenlijke kenmerken van het verzekeringsproduct, waarover in de Regeling [de RIAV 1994, A-G] geen voorschriften zijn gegeven. De voor de polishouder relevante informatie over een (voorbeeld)eindwaarde, het beleggingsrisico en de beleggingskosten is vaak niet of nauwelijks te vinden in de aangeboden schriftelijke informatiebronnen. Bij 95% van de traditionele levensverzekeringen en 44% van de beleggingsverzekeringen is niet duidelijk of de in rekenvoorbeelden getoonde bedragen na aftrek van alle relevante kosten luiden. Een indicatie van het beleggingsrisico ontbreekt bij 53% van de beleggingsverzekeringen. Bij 72% van de beleggingsverzekeringen is het totaal van aan- en verkoopkosten, switchkosten, beheerskosten en overige kosten zoals administratie- en poliskosten niet vermeld.” 4.34 Volgens de Verzekeringskamer was er ruimte en aanleiding om de RIAV 1994 aan te scherpen: “Uit de juridische studie blijkt dat binnen het kader van de Europese verzekeringsrichtlijnen ruimte voor aanscherping van de Regeling [de RIAV 1994, A-G] bestaat. Deze ruimte is in Nederland nog ongebruikt gelaten. Het gaat dan met name om het voorschrift dat voor verzekeringsproducten duidelijke en nauwkeurige informatie over de afkoop- en premievrije waarde en over de kosten ten laste van de verzekeringnemer verstrekt dient te worden, en om het voorschrift dat voor beleggingsverzekeringen geen onrealistische verwachtingen mogen worden geschapen. Op basis van de resultaten van het onderzoek meent de Verzekeringskamer dat er aanleiding is voor de wetgever de Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1994 aan te passen.” 4.35 Na het verschijnen van het onderzoeksrapport heeft de minister van Financiën aan de Tweede Kamer laten weten dat het wenselijk is dat de informatieverstrekking door verzekeraars wordt verbeterd: “In het licht van de onderzoeksresultaten en het advies van de Verzekeringskamer, en ook gelet op (…) onderzoeken van Consumentenbond en Verbond van Verzekeraars, is het wenselijk dat de informatieverstrekking wordt verbeterd. Centraal staat dat de informatie die gegeven wordt aan verzekeringnemers volledig, overzichtelijk en vergelijkbaar moet zijn. In geval van verzekeringen met een beleggingscomponent zal de verzekeringnemer inzicht moeten hebben in de kosten die zijn rendement beïnvloeden en het risico dat is verbonden aan het product dat hij afneemt en zich een beeld moeten kunnen vormen ten opzichte van andere aanbieders. (…) Tegen deze achtergrond wordt van overheidswege een aantal stappen gezet: - De Regeling informatieverstrekking zal worden aangepast. Dit is wenselijk, omdat deze het juridisch kader geeft waarmee een «level playing field» gecreëerd wordt voor alle in Nederland actieve verzekeraars en waarmee recht wordt gedaan aan de positie van de individuele consument. Elementen als rechtszekerheid en handhaving spelen daarbij een belangrijke rol. De elementen zoals de Verzekeringskamer deze schetst in haar advies dienen hierbij als uitgangspunt. - (…).” 4.36 Nadat er in de loop van 1997 in toenemende mate kritiek van overheid, maatschappelijke organisaties en consumenten op de werking en de naleving van de CRR 1996 was geuit, heeft het Verbond van Verzekeraars de werking van de CRR 1996 geëvalueerd. Dit heeft ertoe geleid dat het Verbond van Verzekeraars de CRR 1996 in april 1998 heeft vervangen door de Code Rendement en Risico 1998 (hierna: de ‘CRR 1998’), die per 1 oktober 1998 in werking is getreden. 4.37 Ten opzichte van de CRR 1996 (randnummer 4.24 hiervoor), is het doel van de CRR 1998 in die zin gewijzigd c.q. geherformuleerd dat consumenten nu “op een begrijpelijke wijze” een “helder” inzicht moeten krijgen, niet alleen in de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen, maar ook in de aard van het product. Dit blijkt uit hoofdstuk I van de CRR 1998 (“Algemene bepalingen”): “Art. 02. - Het doel van de Code is om consumenten op een begrijpelijke wijze een helder inzicht te geven in de aard van het produkt en de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen.” 4.38 Op grond van de CRR 1998 dienden verzekeraars ten minste drie voorbeelden (voorbeeldkapitalen) te geven van mogelijk te behalen (netto) uitkeringen, in plaats van de vereiste twee voorbeelden op grond van de CRR 1996 (randnummer 4.25 hiervoor). De voorbeeldkapitalen moesten zijn gebaseerd op (
  3. i)het gemiddeld historisch fondsrendement, (
  4. ii)het gemiddeld historisch fondsrendement verminderd met een ‘afslag’ en (iii) een jaarlijks vast te stellen standaardfondsrendement. Het gemiddeld historisch rendement werd berekend op grond van, kort gezegd, de rendementen van de laatste twintig jaar. Hierover heeft Kool, het oud-bestuurslid van de Verzekeringskamer, het volgende opgemerkt: “Dat verzekeraars graag voorbeeldkapitalen wilden laten zien, die berekend waren op basis van die twintig jaar, is geen verrassing. Op enkele jaren na zijn er met name op aandelen in de twintig jaar voorafgaande aan 2000 hoge tot zeer hoge rendementen behaald. Dat leidde tot exorbitante, doch leuk ogende voorbeeldkapitalen en dat leidde bij velen weer tot grote gulden-/eurotekens in de ogen. (…) Maar, kunnen de aanhangers van het tonen van voorbeeldkapitalen op basis van het gemiddeld historisch fondsrendement zeggen: ‘Er moesten toch ook voorbeeldkapitalen worden getoond op basis van het gemiddeld historisch fondsrendement na afslag en op basis van het standaardfondsrendement?’ Ja, dat is waar, maar waarom voorbeeldkapitalen laten zien die zich waarschijnlijk niet zullen manifesteren?” 4.39 Naast het geven van drie voorbeeldkapitalen, moesten verzekeraars op grond van de CRR 1998 vermelden welk rendement op de (bruto) premie werd behaald, uitgaande van een bepaald voorbeeldscenario (de zogenoemde productrendementen). Het productrendement liet aldus zien welk rendement jaar na jaar zou moeten worden behaald om op het voorbeeldkapitaal uit te komen. Ook verplichtte de CRR 1998 tot opname van de zogenoemde ‘LET OP-teksten’ in alle communicatie-uitingen betreffende levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met beleggingsrisico. 4.40 In zijn jaarverslag over het jaar 1998 is de Ombudsman Levensverzekering onverminderd kritisch op de informatieverstrekking door verzekeraars, met name ten aanzien van het (hoge) kostenniveau, dat voor veel verzekeringnemers pas duidelijk wordt bij voortijdige afkoop van de verzekering: “HET PROBLEEM “Ik ben van mening dat van de verzekeringsconsument het besef mag worden verwacht dat aan de dienstverlening van een verzekeraar kosten zijn verbonden. Van algemene bekendheid is voorts dat het afkopen van een levensverzekering een onvoordelige transactie kan zijn. Dit neemt niet weg dat polishouders die na een relatief korte bestaansduur – en daar moet ook een bestaansduur van 10 jaar of zelfs langer toe gerekend worden – vaak ontsteld zijn over de hoogte van het vastgestelde afkoopbedrag dan wel over het niveau van de in rekening gebrachte eerste kosten. (…) Er zijn derhalve dwingende redenen om de verzekeringsconsument bij het sluiten van een levensverzekering nadrukkelijk te wijzen op het feit dat hij een langjarige overeenkomst heeft gesloten en dat bij voortijdige beëindiging, met name gedurende de eerste jaren van de looptijd, de afkoopwaarde aanzienlijk veel lager kan zijn dan het bedrag aan betaalde premies. Het is onbetwist de bedoeling van de Europese Raad en de nationale wetgeving geweest dat verzekeraars in hun voorlichting niet kunnen volstaan met algemene, omschrijvende, informatie die de verzekeringsnemer géén duidelijk inzicht geeft in de consequenties van eventuele vroegtijdige beëindiging van de te sluiten levensverzekering.” 4.41 Op 1 januari 1999, drie maanden na invoering van de CRR 1998, is de Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998 (hierna: de ‘RIAV 1998’) in werking getreden, die de RIAV 1994 verving. De informatie die op grond van art. 2 lid 2 RIAV 1994 moest worden verstrekt (randnummer 4.12 hiervoor), diende nu op grond van art. 2 lid 2 RIAV 1998 te worden verstrekt. Onder meer de informatieverplichting van de verzekeraar ten aanzien van de uitkering (art. 2 lid 2, onder b., RIAV 1994 en RIAV 1998) werd iets aangescherpt. Een omschrijving van de uitkering(
  5. en)waartoe de verzekeraar zich verplichtte, volstond niet langer. Het bedrag van de uitkering(
  6. en)diende te worden vermeld, of – voor zover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kon worden bepaald (zoals bij beleggingsverzekeringen) – een nauwkeurige omschrijving van de uitkering(en), alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering(
  7. en)afhankelijk is. 4.42 Verzekeraars dienden op grond van art. 2 lid 2 RIAV 1998 ook informatie te verstrekken over: “q. de invloed van kosten en inhoudingen ten laste van de verzekeringnemer op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst; r. indien van toepassing, de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht; s. indien van toepassing, het aan de overeenkomst verbonden beleggingsrisico en de mate waarin dit risico ten laste is van de verzekeringnemer.” 4.43 Deze inlichtingen stonden niet genoemd in Bijlage II bij de DLR. Het betroffen derhalve aanvullende informatievoorschriften in de zin van art. 31 lid 3 DLR (randnummer 4.9 hiervoor). De algemene toelichting bij de RIAV 1998 vermeldde hierover het volgende: “ Een belangrijke ontwikkeling van de laatste jaren is het toenemende aanbod van verzekeringsproducten met een beleggingscomponent. Volgens de Financiële Maandstatistieken van het CBS is het aandeel van deze producten in de levenmarkt (…) toegenomen van ongeveer 20% eind 1995 tot ongeveer 40% eind 1997. Inzicht in en vergelijkbaarheid van het rendement, de kosten, de afkoopwaarde en het risico die verbonden zijn aan dergelijke producten maken een goede oordeelsvorming bij de consument mogelijk. (…) De wijzigingen in de onderhavige regeling ten opzichte van de regeling van 1994 passen binnen de ruimte die geboden wordt door de derde generatie EU-verzekeringsrichtlijnen. Daarin staat centraal dat de consument duidelijke en nauwkeurige informatie moet ontvangen over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden producten.” 4.44 De artikelsgewijze toelichting bij art. 2 RIAV 1998 voegde hieraan het volgende toe: “ Ten opzichte van de regeling van 1994 is aan het eind van het tweede lid een drietal onderdelen toegevoegd (onderdelen q, r en s). Deze toevoeging speelt met name in op het toenemende belang van levensverzekeringen en spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent. Onderdeel q beoogt de verzekeringnemer inzicht te geven hoe inhoudingen en kosten zijn rendement en de uiteindelijke uitkering kunnen beïnvloeden. Met de systematiek van de nieuwe Code rendement en risico van het Verbond van Verzekeraars [de CRR 1998, A-G], waarbij gebruik wordt gemaakt van rekenvoorbeelden waarin de kosten en inhoudingen worden verwerkt, wordt invulling gegeven aan deze verplichting. In sommige gevallen worden kosten van levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent naast de brutopremie in rekening gebracht. In dat geval is het van belang dat de consument hiervan op de hoogte wordt gebracht. Het betreft hier niet slechts de kostensoorten, maar ook een kwantitatieve weergave van de kosten. Met onderdeel r wordt de verplichting hiertoe geregeld. Voor zover alle kosten al verwerkt zijn in de brutopremie, legt onderdeel r geen extra verplichtingen op ten opzichte van onderdeel q. Onderdeel s beoogt dat de verzekeringnemer duidelijk op de hoogte wordt gebracht van het beleggingsrisico dat verbonden is aan levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent en in hoeverre dat voor zijn rekening komt. Bij veel van de nieuwe overeenkomsten met een beleggingscomponent komt dit risico al dan niet geheel voor rekening van de verzekeringnemer. In geval van rekenvoorbeelden moet duidelijk aangegeven worden wat de effecten zijn van lagere rendementen dan de rendementen die in voorgaande periodes zijn gerealiseerd door het relevante fonds of de passende indexreeks. Met de Code rendement en risico van het Verbond van Verzekeraars wordt door middel van zowel tekstblokken als bepalingen voor rekenvoorbeelden invulling gegeven aan de verplichting om de verzekeringnemer inzicht te verschaffen in het beleggingsrisico.” 4.45 De algemene toelichting bij de RIAV 1998 vermeldde verder dat met de regeling een duidelijk kader in de regelgeving was gecreëerd, dat nader kon worden uitgewerkt. Ook werd, net als in de toelichting op de RIAV 1994 (randnummer 4.14 hiervoor), opgemerkt dat de toepassing van de RIAV 1998 door het burgerlijk recht wordt beheerst: “ Een belangrijke taak voor de overheid bij het bevorderen van een transparante verzekeringsmarkt is gelegen in het creëren van een duidelijk kader in de regelgeving waarin de voorwaarden voor een goede informatieverstrekking opgenomen zijn. Bij de vormgeving en uitwerking van dit kader bestaat vervolgens ruimte voor initiatieven van de marktpartijen zelf. (…) Dergelijke initiatieven in de markt zijn een belangrijke stap bij het bevorderen van de transparantie in de verzekeringsmarkt en zijn te zien als een uitwerking van het kader dat vastgelegd wordt in de onderhavige regeling. (…) Conform de regeling van 1994 betreft de onderhavige regeling de (pre)contractuele verhouding tussen verzekeraar en verzekeringnemer. Behalve door de WTV 1993 (de Verzekeringskamer kan door middel van haar aanwijzingsrecht naleving van deze regeling bevorderen) wordt de toepassing van deze regeling beheerst door het burgerlijk recht, waarbij bijvoorbeeld ook de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek) gelden.” 4.46 Uit het voorgaande blijkt dat op grond van de RIAV 1998 informatie moest worden gegeven over (
  8. i)de invloed van alle kosten en inhoudingen (de risicopremie) op het te behalen rendement en de uitkering (zogenoemde indirecte transparantie), (
  9. ii)de kosten die de verzekeraar naast de (bruto) premie bij de verzekeringnemer in rekening brengt en (iii) het beleggingsrisico dat ten laste van de verzekeringnemer komt. 4.47 Ruim een half jaar na invoering van de RIAV 1998 zijn vanaf 1 augustus 1999 beleidsregels in werking getreden, die de Verzekeringskamer op grond van art. 2, tweede en vierde lid, en art. 4 RIAV 1998 heeft vastgesteld (de Beleidsregels inzake de Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998, hierna: de ‘Beleidsregels’). De Beleidsregels hebben nadere invulling gegeven aan bepaalde op grond van de RIAV 1998 te verstrekken informatie, zoals de winstdeling, de afkoop- of premievrije waarde en het beleggingsrisico. 4.48 In de Beleidsregels stond dat op grond van art. 2 lid 4 RIAV 1998 de levensverzekeraar ervoor zorgdraagt dat de verzekeringnemer op overzichtelijke wijze inzicht wordt geboden in de wezenlijke kenmerken van de aangeboden overeenkomst van levensverzekering. Met het oog op deze overzichtelijkheid moest aan de verzekeringnemer een gestandaardiseerde productleeswijzer ter beschikking worden gesteld. Deze productleeswijzer gaf aan de verzekeringnemer aan op welke plaatsen in het schriftelijk informatiemateriaal, behorend bij het aangeboden verzekeringsproduct van de verzekeraar, de wezenlijke kenmerken van het verzekeringsproduct waren beschreven. Volgens het standaardformaat van de productleeswijzer waren onder meer de premies, uitkeringen en verplichtingen (onder 2), de risicofactoren (onder 3) en de kosten en inhoudingen (onder 6) wezenlijke kenmerken van een verzekering. In de productleeswijzer was ook ruimte voor aanvullende informatie die volgens de verzekeraar nodig is om een goed begrip te krijgen van de wezenlijke bestanddelen van de verzekering (onder 7): 4.49 In juli 1999 heeft de minister van Financiën de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van een vergelijkende analyse van de voorschriften rond informatieverstrekking aan consumenten in verschillende financiële sectoren. De bevindingen waren dat goede ontwikkelingen zichtbaar waren, maar dat verdere verbeteringen (onder meer op het gebied van inzichtelijkheid) mogelijk en nodig waren: “In Nederland zijn de afgelopen jaren reeds goede ontwikkelingen te zien geweest. Verschillende onderzoeken zijn verricht waaruit bleek dat verbeteringen mogelijk en nodig waren. Als gevolg hiervan heeft met name in 1998 en 1999 aanscherping plaatsgevonden in de diverse sectoren, via zowel regelgeving als zelfregulering. Voorbeelden zijn de Regeling informatieverstrekking voor verzekeringnemers 1998 (…), de beleidsregels van de Verzekeringskamer en de Code Rendement en Risico van het Verbond van Verzekeraars. (…) Algemene bevinding uit de analyse is dat vanuit sectoroverstijgend perspectief verdere verbeteringen mogelijk en nodig zijn. Deze concentreren zich rond de volgende kernbegrippen: informatie over toezicht, inhoudelijke consistentie van informatie, verstrekkingswijze van informatie, inzichtelijkheid en naleving van de regels.” 4.50 De minister heeft benadrukt dat de inzichtelijkheid weliswaar moest worden verbeterd, maar dat ook moest worden gewaakt voor een onnodige verzwaring van de informatie-eisen voor verzekeraars en voor een informatieoverschot voor de consument: “De informatie voor de consument moet inzicht bieden in de wezenlijke kenmerken van een product, en de consument de mogelijkheid bieden om te vergelijken met alternatieven. Dit impliceert dat naast consistentie voor soortgelijke producten of aspecten daarvan, ook relevant is het voorkomen van onnodige verzwaring van informatie-eisen voor aanbieders en van overkill aan informatie voor de consument.” 4.51 In reactie op een constatering vanuit de Tweede Kamer dat de verzekeringssector vóórloopt op andere spelers in de financiële markt als het gaat om informatieverstrekking aan de consument, heeft de minister van Financiën in december 1999 opgemerkt dat het niet zo is dat één sector op alle onderdelen van de informatieverstrekking beter scoort dan de andere. Volgens de minister waren daarom voor alle sectoren wijzigingen voorzien. 4.52 In het jaarverslag over het jaar 1999 van de Stichting Klachteninstituut Verzekeringen, waarvan het verslag van werkzaamheden van de Ombudsman Levensverzekering vanaf dat moment onderdeel uitmaakte, heeft de Ombudsman opgemerkt dat het aantal klachten over beleggingsverzekeringen in dat jaar met 30% is toegenomen, omdat consumenten attenter zijn op de verzekeringskosten. Volgens de Ombudsman heeft het merendeel van de verzekeraars nog (steeds) moeite met het daadwerkelijk betrachten van transparantie op het punt van kosten: “Kwantitatief is de klachtbehandeling in 1999 duidelijk een uitschieter. Het aantal ingediende klachten over de totstandkoming en uitvoering van levensverzekeringen en spaarkasovereenkomsten nam met 30% toe tot 1.124. Deze stijging is vooral terug te voeren naar het meer attent zijn van de verzekeringsconsument op het kostenaspect in levensverzekeringen. (…) Omdat het merendeel van verzekeraars en tussenpersonen, ondanks wettelijke en andere regelgeving, nog moeite heeft met het daadwerkelijk betrachten van transparantie op het punt van kosten, leidt dit tot meer en anders geformuleerde klachten dan de ‘klassieke’ klachten over tegenvallende afkoopwaarden.” 4.53 Dit terwijl transparantie omtrent de kosten en informatie omtrent het beleggingsrisico volgens de Ombudsman “onmisbare voorwaarden” zijn voor het aangaan van een levensverzekering: “Voor levensverzekeringen die als drager dienen voor vermogensvorming en waarbij de consument zich verbindt om gedurende een reeks van jaren een vooraf vastgestelde premie te betalen, is het van essentieel belang dat die consument zich bewust is van de consequenties van de aangegane verplichting. Transparantie omtrent de kosten die de verzekeraar in rekening brengt voor zijn dienstverlening – en de wijze waarop dit plaatsvindt – alsmede informatie over het te lopen beleggingsrisico, zijn onmisbare voorwaarden voor het aangaan van een langjarige overeenkomst van levensverzekering.” Periode (iv): 2000-2005 4.54 In het streven om tot sector-overstijgend toezicht te komen, is rond de eeuwwisseling een Raad van Financiële Toezichthouders (hierna: ‘de RFT’) samengesteld, bestaande uit toezichthouders van De Nederlandsche Bank, de Stichting Toezicht Effectenverkeer en de Verzekeringskamer. De RFT is verzocht om een Financiële Bijsluiter te ontwikkelen. Een belangrijke doelstelling van die bijsluiter was om producten in verschillende financiële sectoren beter vergelijkbaar te maken. Dit blijkt uit een brief van 19 september 2001 van de minister van Financiën aan de Tweede Kamer: “Een belangrijke doelstelling van de Financiële Bijsluiter is het bevorderen van de mogelijkheden om producten met elkaar te kunnen vergelijken. Vanwege de toegenomen vervlechting van de producten is het daarbij van belang dat producten die in verschillende sectoren van de financiële markten worden aangeboden op consistente wijze en waar mogelijk aan identieke informatieverplichtingen worden onderworpen. Zo zullen producten die door verzekeraars worden aangeboden moeten kunnen worden vergeleken met producten van banken of beleggingsinstellingen indien deze producten in gelijke behoeften van de consument kunnen voorzien.” 4.55 De verplichting tot het verstrekken van de Financiële Bijsluiter zou vooralsnog worden beperkt tot complexe financiële producten, zoals beleggingsverzekeringen, die voor de consument vaak niet eenvoudig te doorgronden zijn: “Vooralsnog wordt de verplichting tot het verstrekken van een Financiële Bijsluiter beperkt tot zogenaamde complexe financiële producten. Dit betekent in ieder geval dat voor producten die bestaan uit meerdere productsoorten en waarvan één van de elementen een beleggingskarakter kent, zoals effectenlease en levensverzekeringen met een beleggingscomponent, een Financiële Bijsluiter zal moeten worden opgesteld en verstrekt. De aanschaf van dergelijke producten heeft voor de consument immers vaak verstrekkende financiële gevolgen, terwijl de aard en de op elkaar inwerkende risico’s van deze producten dikwijls niet eenvoudig te doorgronden zijn. Voor deze producten ligt de verplichting tot het verstrekken van een Financiële Bijsluiter voor de hand.” 4.56 De Financiële Bijsluiter zou – met het oog op de beoogde vergelijkbaarheid – bepaalde standaardformuleringen voorschrijven en voor de presentatie van kosten zouden standaardmodellen worden ontwikkeld. Bij de keuze voor standaardisering speelde het spanningsveld tussen lengte en begrijpelijkheid een rol. Hoe omvangrijker de informatie, des te groter immers het risico was dat de consument de informatie niet zou lezen: “Hier is sprake van een spanningsveld tussen de lengte en begrijpelijkheid van het kernpuntendocument [de Financiële Bijsluiter, A-G] en de volledigheid ervan. Het risico is groot dat de consument het kernpuntendocument niet leest wanneer het kernpuntendocument te omvangrijk wordt. Uitgangspunt is dat de onderlinge vergelijkbaarheid van de complexe financiële producten cross-sectoraal wordt bevorderd. Een standaardisering van inhoud en presentatie kan hier dienstig zijn.” Bij de keuze welke informatie in de Financiële Bijsluiter terecht moest komen en op welke wijze, werd dan ook rekening gehouden met het feit dat onderzoek aantoonde “dat de consument al snel overvoert [lees: overvoerd, A-G] raakt met informatie.” 4.57 De RFT koos er om die reden voor om géén specificatie te verlangen van de kosten die aan het verzekeringsproduct zijn verbonden. Uit onderzoek bleek immers dat de consument met name was geïnteresseerd in de netto-opbrengst van het financiële product: “De RFT hanteert terecht het uitgangspunt dat de Financiële Bijsluiter een bondig, voor de consument toegankelijk document moet worden. Ook moet de Financiële Bijsluiter voor de consument als zodanig identificeerbaar zijn. Hiertoe heeft de RFT een standaardmodel ontwikkeld waarin met name informatie moet worden gegeven over: • de aard en het doel van het product; een beschrijving van de met het product samenhangende financiële risico’s; • de verplichtingen voor de afnemer; • een indicatie van het voorbeeldrendement en de voor de afnemer aan het product verbonden kosten; • (…). “ Voor een aantal onderdelen, zoals bijvoorbeeld de indicatie van de financiële risico’s, worden door de RFT standaardformuleringen voorgeschreven. Ook heeft de RFT voor de presentatie van de kosten en van de voorbeeldrendementen standaardmodellen ontwikkeld die het mogelijk moeten maken om verschillende (soorten) producten goed met elkaar te kunnen vergelijken. Deze modellen heeft de RFT door het NIPO laten toetsen door middel van een consumentenonderzoek. Dit heeft ertoe geleid dat de geteste modellen op een aantal punten zijn vereenvoudigd. Zo heeft de RFT er onder meer toe besloten geen specificatie van de kosten te verlangen die aan een product verbonden zijn. Uit het NIPO-onderzoek blijkt namelijk dat de consument met name geïnteresseerd is in de netto-opbrengst die bij een bepaalde inleg uiteindelijk kan worden verwacht.” 4.58 In juli 2002 is de Financiële Bijsluiter daadwerkelijk geïntroduceerd, met de inwerkingtreding van het Besluit financiële bijsluiter (hierna: ‘het Bfb’) en de Nadere regeling financiële bijsluiter 2002 (hierna: ‘de Nrfb’). In de nota van toelichting bij het Bfb stond dat de standaardisatie de inzichtelijkheid en vergelijkbaarheid van complexe producten vergroot. Op grond van het Bfb en de Nrfb diende de verzekeraar – net als al in de CRR 1998 werd voorgeschreven – ten minste drie voorbeelden (voorbeeldkapitalen) van de mogelijke uitkeringen te geven, ditmaal op basis van het historisch behaalde rendement, een pessimistisch rendement en een standaardrendement van 4%. Over het behoud van het historisch behaalde rendement (berekend over de twintig achterliggende jaren) en het pessimistisch rendement heeft Kool, het oud-bestuurslid van de Verzekeringskamer, in 2002 het volgende geschreven: “(…) Vanuit het oogpunt van consumentenvoorlichting moet het betreurd worden dat het tonen van voorbeeldwaarden op basis van het gemiddeld historisch rendement is gehandhaafd. Die voorbeeldwaarden zullen nog jaren een irreëel beeld geven van de zegeningen van het beleggen, al zal het beroerde beursklimaat van de laatste jaren een dempend effect op het historisch rendement hebben. Hoe het ook zij, de financiële bijsluiter was een mooie gelegenheid geweest om van het begrip historisch rendement af te komen. Maar dat komt bij de evaluatie te zijner tijd van de financiële bijsluiter ongetwijfeld weer aan de orde. (…) Negatieve rendementen doen hun intrede in het voorlichtingsmateriaal van financiële dienstverleners voor consumenten. Dat moet een schok voor velen zijn. Alhoewel niet weinigen een aantal jaren geleden een dergelijk plaatje als ernstig pessimistisch zouden hebben bestempeld, hebben we de afgelopen jaren gezien dat het nog (veel) erger kan, in ieder geval in termen van enkele jaren. Het zou een misvatting zijn als de consument zou denken dat het pessimistische rendement een ondergrens is van het rendement dat hij zal behalen. (…).” 4.59 Volgens Kool zal, hoewel bij de invoering van de Financiële Bijsluiter veel aandacht aan de verwerking van kosten in voorbeeldbedragen en nettorendementen is besteed, het kostenaspect door de complexiteit van de werkelijke kostenstructuren een “voortdurend discussiepunt” blijven. 4.60 Op grond van het Bfb en de Nrfb dienden de drie voorbeeldkapitalen met productrendementen te worden aangevuld, net als in de CRR 1998 was voorgeschreven (randnummer 4.38 hiervoor). Ook werd in de Financiële Bijsluiter op gestandaardiseerde wijze gewaarschuwd voor de risico’s verbonden aan het financiële product. 4.61 Op 1 juli 2002 is – als opvolger van de CRR 1998 – de Code Rendement en Risico 2002 (hierna: ‘CRR 2002’) in werking getreden, waarmee het Verbond van Verzekeraars de CRR in lijn heeft gebracht met het Bfb en de Nrfb. In de CRR 2002 is gekozen voor een verregaande integratie met de Financiële Bijsluiter, omdat daarin veel elementen van de CRR 1998 waren overgenomen. 4.62 Op Europees niveau zijn op 19 december 2002 de Eerste Levensrichtlijn, de Tweede Levensrichtlijn en de DLR vervangen door Richtlijn 2002/83/EG (hierna: de ‘Levensrichtlijn 2002’). Net als de DLR (randnummer 4.8 hiervoor), had de Levensrichtlijn 2002 als doel de toegang tot en de uitoefening van het levensverzekeringsbedrijf te vergemakkelijken, onder waarborging van een passende bescherming voor de verzekeringnemer: “
(5)Met deze richtlijn is derhalve een belangrijke stap gezet op de weg naar het samenbrengen van de nationale markten in één geïntegreerde markt en die fase moet worden aangevuld met andere communautaire instrumenten teneinde onder waarborging van een adequate bescherming voor de verzekeringnemer, alle verzekeringnemers de mogelijkheid te geven een beroep te doen op elke verzekeraar die zijn hoofdkantoor in de Gemeenschap heeft en die daar zijn bedrijf uitoefent op grond van het recht van vestiging of in het kader van het vrij verrichten van diensten.” 4.63 Eveneens in lijn met de considerans van de DLR (randnummer 4.8 hiervoor), stond in de considerans van de Levensrichtlijn 2002 dat het de minimumvoorschriften omtrent de informatieverplichtingen van verzekeraars coördineert: “
(52)De consument zal in het kader van een interne markt voor verzekeringen een grotere en meer gediversifieerde keuze uit overeenkomsten hebben. Hij moet om ten volle van deze diversiteit en van een toegenomen concurrentie te kunnen profiteren, over de nodige inlichtingen beschikken om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past. Deze behoefte aan inlichtingen is nog sterker omdat de looptijd van de verbintenissen zeer lang kan zijn. Het is dientengevolge wenselijk de minimumvoorschriften te coördineren opdat de consument [een] duidelijke en nauwkeurige informatie ontvangt over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden producten en over de gegevens betreffende de organismen [instanties, A-G] die bevoegd zijn om kennis te nemen van de klachten van verzekeringnemers, verzekerden of begunstigden van de overeenkomst.” 4.64 In de Levensrichtlijn 2002 werden de informatieverplichtingen van levensverzekeraars op dezelfde wijze geharmoniseerd als in de DLR. Art. 36 Levensrichtlijn 2002 was dan ook woordelijk gelijk aan art. 31 DLR (randnummer 4.9 hiervoor), met dien verstande dat naar Bijlage III werd verwezen in plaats van naar Bijlage II: “
  1. Vóór de sluiting van de verzekeringsovereenkomst dienen aan de verzekeringnemer ten minste de in bijlage III, onder A, vermelde gegevens te worden medegedeeld.
  2. De verzekeringnemer dient gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst te worden ingelicht over elke wijziging van de in bijlage III, onder B, vermelde gegevens.
  3. De lidstaat van de verbintenis mag van de verzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage III vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis.
  4. De toepassingsvoorschriften betreffende dit artikel en bijlage III worden door de lidstaat van de verbintenis vastgesteld.” 4.65 De bijlagen bij de DLR en de Levensrichtlijn 2002 waren eveneens identiek. Bijlage III bij de Levensrichtlijn 2002 bepaalde derhalve ook dat de inlichtingen, die aan de verzekeringnemer moesten worden meegedeeld, “duidelijk, nauwkeurig en schriftelijk” moesten worden verstrekt in een officiële taal van de lidstaat van de verbintenis. Er dienden wederom vóór sluiting van de overeenkomst diverse inlichtingen (a.1-a.16) te worden verstrekt, waaronder over de verzekeringsdekking (a.4), de premie(betaling) (a.7 en a.10) en de afkoop- en premievrije waarden (a.9). 4.66 In 2003 en 2004 heeft het Verbond van Verzekeraars nieuwe versies van de CRR uitgebracht (de Code Rendement en Risico 2003 en de Code Rendement en Risico 2004). Deze versies bevatten geen wijzigingen die relevant zijn voor de onderhavige procedure. 4.67 In de jaren 2000-2005 is de Ombudsman Verzekeringen, die per 1 januari 2001 in de plaats was gekomen van de Ombudsman Levensverzekering en de Ombudsman Schadeverzekering, in zijn jaarverslagen stevige kritiek blijven uiten op de informatieverstrekking door (levens)verzekeraars. Zo stond er in het jaarverslag over het jaar 2001 dat de kiem van veel problemen tussen verzekeraars en consumenten een gebrekkige communicatie is en dat informatie over levensverzekeringen (dus breder dan alleen beleggingsverzekeringen) soms zó ontoereikend is dat het de consument niet eens duidelijk is wat voor soort product hij heeft aangeschaft: “Ook in dit jaarverslag over 2001 is onvolledigheid van informatie of anderszins tekortschietende communicatie een steeds weer terugkerend thema, hetgeen in diverse passages van het verslag nog eens typografisch is benadrukt. Het kenmerk van goede communicatie is, dat er niet alleen informatie wordt gezonden, maar ook wordt ontvangen en dat er een wisseling van die rollen is. In de driehoek verzekeraars – tussenpersonen – consumenten schort het daar helaas vaak aan. Veel verzekeraars hebben grote moeite, enigszins lijdend onder de last van de grote aantallen en de behoorlijk grote administratieve knelpunten, om klanten adequaat over de aard van het product, over relevante nieuwe ontwikkelingen of over productwijzigingen te informeren. Informatie over levensverzekeringen is, bij wijze van voorbeeld, soms zo ontoereikend dat het klanten volledig onduidelijk is dat het geen spaarproduct, maar een verzekeringsproduct betreft of dat men niet beseft dat het om een hypotheek gaat waaraan onlosmakelijk een verpande levensverzekering is verbonden. (…).” 4.68 Volgens de Ombudsman blijven consumenten onwetend over de kostenstructuur van levensverzekeringsovereenkomsten: “Nog steeds laten zowel tussenpersonen als verzekeraars hun cliënten in de precontractuele fase in het ongewisse over de precieze kosten die aan het sluiten en voortbestaan van een levensverzekering zijn verbonden. Veel klagers stellen mij de vraag of dat zo maar is toegestaan. Ik begrijp uiteraard de onvrede en teleurstelling over de gang van zaken, maar kan in de regel niets concreets voor de verzekeringsconsument betekenen. Ik heb immers als Ombudsman Verzekeringen niet de bevoegdheid om over de tarieven van maatschappijen te oordelen. Wel hecht ik er grote waarde aan dat verzekeraars en tussenpersonen hun cliënten goed informeren over de essentiële kenmerken van aangeboden producten. Helaas is het zelfs na de invoering van de Financiële Bijsluiter per 1 juli 2002 nog geen gemeengoed dat de kosten die aan het sluiten en voortbestaan van een levensverzekering zijn verbonden, expliciet moeten worden vermeld.” En: “Veel geschillen waarbij mijn bemiddeling wordt gevraagd, zijn terug te voeren op gebrek aan transparantie in de kosten van verzekeringen. Consumenten schrikken nogal eens wanneer zij ontdekken welk deel van de premie uiteindelijk daadwerkelijk wordt belegd. Ik haast me op te merken dat ik mij niet bemoei met de hoogte van kosten – hoewel ik soms grote vraagtekens plaats bij de verhouding tussen de netto- en bruto-investeringen – en dat ik natuurlijk ook goed begrijp dat kosten, voor productontwikkeling, administratie, verkoop, provisie, verzekeringsaspecten et cetera, moeten worden gemaakt. Wel hekel ik al gedurende jaren de ondoorzichtige presentatie van deze kosten, hetgeen niet alleen tot geschillen leidt, maar de consument bovendien de mogelijkheid ontneemt producten adequaat met elkaar te vergelijken. Gelukkig neem ik nu een positieve ontwikkeling op dit gebied waar. Een toenemend aantal verzekeraars besluit hun portefeuilles met betrekking tot dit aspect van kosten, wat hoogte en transparantie betreft, te herzien. Ik zie zeer uit naar de resultaten daarvan.” 4.69 De Ombudsman Verzekeringen heeft ook kritiek geuit op de nonchalante houding van consumenten. Hij merkt op dat consumenten de risico’s van beleggingsverzekeringen soms schromelijk hebben onderschat en dat het van wezenlijk belang is dat verzekeraars – net als banken – polishouders veel nadrukkelijker op de grote risico’s van beleggen wijzen: “(…) Inmiddels hebben de meeste beleggers ook met de keerzijde van het beleggen kennisgemaakt en is het hen duidelijk geworden dat ook aan het sluiten van een beleggingsverzekering risico’s zijn verbonden. De inmiddels bekende handreiking ‘dat in het verleden behaalde rendementen geen garantie voor de toekomst bieden’ is nu bewaarheid. Ik heb overigens de indruk dat menig consument, tussenpersoon en verzekeraar deze zinsnede in het nabije verleden toch niet altijd even serieus heeft genomen. De klachten over beleggingsverzekeringen bleven tot voor kort beperkt tot onvoldoende inzicht in de kostenstructuur, maar dat is duidelijk veranderd sinds de koersen sterk zijn gedaald. De ervaring leert dat de consument zeker bij relatief korte looptijden de risico’s van beleggen, ondanks de ingrijpende gevolgen daarvan, soms schromelijk onderschat. (…) (…)Het zou (…) van zorgvuldigheid getuigen indien verzekeringnemers voldoende informatie krijgen, waarmee wordt voorkomen dat zij op basis van onrealistische veronderstellingen ingrijpende beslissingen nemen. Richting banken heeft de Hoge Raad zich al eens uitgesproken voor een waarschuwingsplicht in het geval een cliënt een al te risicovolle transactie wil verrichten. De Hoge Raad vindt zelfs dat de bank, wanneer de cliënt zo’n transactie toch wil doorzetten, hem tegen een eigen gebrek aan inzicht moet beschermen. Mijns inziens is het wenselijk dat de verzekeringsbranche eenzelfde lijn volgt. (…).” 4.70 De Ombudsman Verzekeringen heeft daarom verzekeraars geadviseerd bij het aanprijzen van beleggingsverzekeringen meer terughoudend te zijn: “(…) Veel klagers hebben dan ook moeite met de wijze waarop sommige maatschappijen beleggingsverzekeringen met een aura van zekerheid blijven omringen. Deze verzekeraars stellen dat het geld van de consument bij hen in veilige handen is, gezien de expertise die zij in huis hebben, maar gaan daarmee voorbij aan de risico’s die nu eenmaal aan beleggingsverzekeringen zijn verbonden. Zij zullen de zekerheid zoals zij die schetsen, in tijden van slechte beurskoersen niet kunnen waarmaken, hetgeen tot grote teleurstellingen zal leiden. Dit zal het imago van de bedrijfstak niet bevorderen, maar helaas is nog niet iedere verzekeraar daarvan doordrongen. Ik adviseer verzekeraars daarom bij het aanprijzen van beleggingsverzekeringen meer terughoudend te zijn en zich beter in de financiële positie van de consument te verdiepen. (…).” Periode (v): 2006-2008 4.71 Op 1 januari 2006 is de Wet financiële dienstverlening (hierna: de ‘Wfd’) in werking getreden. Op grond van art. 31 lid 1 Wfd moest de consument de informatie ontvangen die redelijkerwijs relevant was om het financiële product adequaat te kunnen beoordelen: “Voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product verstrekt de financiële dienstverlener de consument informatie voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van dat product.” 4.72 De Wfd voorzag in de mogelijkheid om de informatie, die financiële dienstverleners op grond van de Wfd dienden te verstrekken, uit te werken bij algemene maatregel van bestuur. Eveneens op 1 januari 2006 is daarom het Besluit financiële dienstverlening (hierna: het ‘Bfd’) in werking getreden. Art. 32 Bfd bevatte de informatieverplichtingen die voorheen in de RIAV 1998 waren opgenomen: “
  5. Onverminderd artikel 30 verstrekt een aanbieder van levensverzekeringen een consument voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een levensverzekering, voorzover van toepassing, ten minste de volgende informatie: (…) b. het bedrag van de uitkering of uitkeringen waartoe hij zich verplicht of voorzover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving, van die uitkering of uitkeringen, alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering of uitkeringen afhankelijk is; (…) i. de premie verschuldigd voor de hoofddekking en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor elk van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd dan wel, indien de exacte premie niet kan worden gegeven, de wijze waarop deze premie wordt berekend; (…) q. de invloed van kosten ten laste van de consument op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst; r. de kosten die naast de brutopremie in rekening worden gebracht; s. het aan de overeenkomst verbonden financiële risico en de mate waarin dit risico voor rekening is van de consument; (…).” 4.73 In de memorie van toelichting bij de Wfd heeft de regering gewezen op de informatieasymmetrie tussen financiële dienstverleners en consumenten en het gegeven dat informatieverstrekking een belangrijke hoeksteen van consumentenbescherming vormt: “Aan de aanschaf van financiële producten zijn doorgaans risico’s verbonden. Risico’s die voor de consument in de regel moeilijker te beoordelen zijn dan voor de financiële dienstverlener. De financiële dienstverlener beschikt ten opzichte van de consument over een grote kennisvoorsprong. Deze informatieasymmetrie hangt samen met de complexiteit en heterogeniteit van financiële producten. Daar komt bij dat veel financiële producten niet frequent worden aangeschaft – denk aan een hypotheek of een levensverzekering – zodat er voor de consument weinig leer- en reputatie-effecten optreden. Bovendien zijn veel financiële producten «ervaringsgoederen» waarvan de kwaliteit pas zichtbaar wordt naar [na, A-G] verloop van tijd (bijv. een schadeverzekering). Voor een deel is de genoemde informatieasymmetrie het bestaansrecht van de financiële dienstverleners. Het stelt hen in staat producten en diensten te creëren waarmee in een behoefte van de consument wordt voorzien. Voor het goede functioneren van de markt is het echter van belang dat de consument in staat wordt gesteld zich een oordeel te vormen over de verschillende producten en de mogelijkheid heeft om producten te vergelijken. Om die reden is het wenselijk dat van financiële dienstverleners wordt verlangd dat zij adequate informatie verschaffen over de door hen aangeboden producten en diensten. Daarnaast is deze informatieverstrekking een belangrijke hoeksteen van de consumentenbescherming. Door goede informatieverstrekking kan de consument worden gewaarschuwd voor de risico’s die aan een product verbonden zijn en kan hij de vraag beantwoorden of het product in zijn behoeften voorziet. De beslissing die de consument vervolgens neemt is zijn eigen verantwoordelijkheid. Adequate informatieverstrekking is de voorwaarde waaronder hij deze verantwoordelijkheid invulling kan geven.” 4.74 De regering heeft geconstateerd dat het huidige stelsel van wetgeving op belangrijke punten tekortschiet en dit tekort onvoldoende wordt gecompenseerd door de bestaande zelfregulering. Het doel van de Wfd is echter niet om de bestaande zelfregulering volledig te vervangen of te ontmoedigen: “Deze gebreken in de huidige financiële toezichtwetgeving worden ten dele ondervangen door het stelsel van zelfregulering dat in Nederland aanwezig is. Wetgeving zou immers niet nodig zijn indien alle marktpartijen zich aan effectieve en inhoudelijk goede zelfregulering zouden houden. Momenteel is de meerderheid van de financiële dienstverleners aangesloten bij brancheorganisaties als (…) het Verbond van Verzekeraars (…). Veel van deze brancheorganisaties stellen als voorwaarde voor het lidmaatschap dat gedragscodes over de omgang met consumenten worden onderschreven. Ook zijn er op de markt zeer waardevolle initiatieven ontstaan als de Gedragscode Informatieverstrekking Dienstverlening Intermediair (GIDI) die de positie van de consument wezenlijk verbeteren. Geconstateerd moet echter worden dat slechts een beperkt deel van de markt zich committeert aan deze waardevolle initiatieven. De beperkte marktdekkendheid van de zelfregulering zorgt ervoor dat er een ongelijk speelveld ontstaat waarop bonafide dienstverleners concurreren met marktpartijen die zich aan gedragscodes weinig gelegen laten liggen. Daarbij komt dat de negatieve reputatie van deze laatste groep tevens de reputatie van de eerste groep kan aantasten. Het is nadrukkelijk niet de intentie van dit wetsvoorstel om de bestaande zelfregulering volledig te vervangen of te ontmoedigen. Het wetsvoorstel kan eerder worden beschouwd als een wettelijke borging van dergelijke normen. Meer in het algemeen zoekt het wetsvoorstel aansluiting bij de normen waaraan het «goede» deel van de markt zich al vrijwillig houdt en bedoelt het met name de dienstverlening van het minder goede deel op een hoger niveau te tillen (of van de markt te weren). (…) Al met al kan worden geconstateerd dat er goede redenen zijn om waarborgen in te bouwen dat de consument goed wordt geïnformeerd en geadviseerd door deskundige en betrouwbare financiële dienstverleners. Hierbij is niet alleen de individuele consument, maar ook de economie als geheel gebaat. Het huidige stelsel van wetgeving schiet op belangrijke punten tekort en dit tekort wordt onvoldoende gecompenseerd door de bestaande zelfregulering. Alleen door middel van wetgeving die een bredere scope en een effectiever publiek toezichtinstrumentarium kent kan een marktdekkende kwaliteitsborging worden gecreëerd.” 4.75 In de memorie van toelichting bij de Wfd is ook opgemerkt dat de verplichtingen tot het verstrekken van adequate informatie voor een belangrijk deel reeds uit het civiele recht voortvloeien: “Tenslotte kan nog worden gewezen op het Burgerlijk Wetboek. Voor een belangrijk deel vloeien de verplichtingen tot het verstrekken van adequate informatie en het behoorlijk adviseren van consumenten al voort uit het civiele recht. Dat neemt niet weg dat de weg naar de civiele rechter voor de individuele consument vaak een langdurige en kostbare aangelegenheid is. Tevens slaagt het civiele recht er slechts ten dele in overtreding van normen te voorkomen. Financiële dienstverleners die er een «hit-and-run»-tactiek op nahouden zullen over het algemeen verdwenen zijn voordat de consument hen voor de rechter kan dagen. Publiek toezicht voegt aan het civiele recht een extra prikkel tot het naleven van verplichtingen ten aanzien van informatieverstrekking en zorgvuldige advisering toe. Door middel van boetes, dwangsommen en doordat uiteindelijk malafide partijen van de markt kunnen worden geweerd kan publiek toezicht een wezenlijke aanvulling leveren op het systeem van consumentenbescherming dat reeds bestaat.” 4.76 Uit een brief van de minister van Financiën blijkt dat bij de invoering van de Wfd en het Bfd in principe zo dicht mogelijk bij de Europese regelgeving is aangesloten: “Een ander onderwerp dat aan de orde is gekomen is de herkomst van de normen in Wfd en Bfd. Uw Kamer heeft meerdere malen benadrukt dat waar Europese regelgeving verplicht tot het stellen van normen aan het gedrag van financiële dienstverleners – mits het niveau van bescherming van de consument adequaat is – in principe zo dicht mogelijk bij deze regelgeving dient te worden aangesloten. Dit opdat de financiële dienstverleners in Nederland geen concurrentieel nadeel ondervinden ten opzichte van collega’s uit andere EU-lidstaten. (…).” 4.77 Na de invoering van de Wfd en het Bfd zag het Verbond van Verzekeraars aanleiding de CRR 2004 aan te passen. In augustus 2006 is daarom de Code Rendement en Risico 2006 (hierna: de ‘CRR 2006’) geïntroduceerd. 4.78 Per 1 oktober 2006 is de Nadere regeling financiële dienstverlening (hierna: de ‘NRfd’) in werking getreden. In aanvulling op de reeds bestaande verplichting (op grond van de RIAV 1998) om door middel van zogenoemde indirecte transparantie informatie te geven over de invloed van kosten en inhoudingen (risicopremie) op het rendement en de uitkering (randnummers 4.42 e.v. hiervoor), is de Financiële Bijsluiter door de NRfd in die zin gewijzigd dat verzekeraars nu ook de totale hoogte van de in de premie geïntegreerde kosten en risicopremie (inhoudingen) moesten vermelden, in absolute getallen dan wel in percentages van de uitkering. Deze aanpassing voorkwam echter niet dat op de Financiële Bijsluiter kritiek werd geuit, vooral omdat die (nog steeds) tekortschoot op het gebied van concrete, voor een leek begrijpelijke, informatie: “De Commissie [De Ruiter, zie randnummer 4.80 hierna, A-G] is evenwel tot het oordeel gekomen dat die Financiële Bijsluiter, ook in zijn sinds 1 oktober 2006 voorgeschreven vorm, te weinig bijdraagt aan de thans algemeen noodzakelijk geachte transparantie van (offertes voor) beleggingsverzekeringen. Dat oordeel bleek te worden gedeeld door degenen met wie de Commissie ter voorbereiding van dit rapport heeft gesproken. Weliswaar kan de bijsluiter worden gezien als een poging in de richting van meer transparantie, maar hij schiet daarin naar het oordeel van de Commissie vooral tekort waar het gaat om concrete, en vooral ook cijfermatige, voor de leek op dit gebied bevattelijke, informatie. De consument vindt in de Financiële Bijsluiter zoals die sinds 1 oktober 2006 geldt, niet zodanig heldere informatie over wat hem wordt aangeboden dat hem zijn persoonlijke situatie met betrekking tot beleggingen, verzekeringen en kosten duidelijk wordt. De talloze klachten die in de samenleving worden gehoord – en die ook [de] Raad van Toezicht en de Ombudsman Verzekeringen vele malen voorgelegd krijgen – betreffen vrijwel steeds de beleving van de consument, die denkt dat de door hem betaalde bedragen worden belegd en die later bemerkt dat zulks maar ten dele het geval is geweest.” 4.79 Ook verplichtten de Wfd, het Bfd en de NRfd tot he

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.