PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/05872 Zitting 5 februari 2021 CONCLUSIE M.H. Wissink In de zaak 1. Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen 2. Vereniging Mail Distributie Bedrijven advocaten: mrs. W.H. van Hemel en V. Rörsch tegen Gemeente Amsterdam advocaat: mr. M.W. Scheltema 1Inleiding 1.1 Sinds vele jaren geldt voor de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk en huis-aan-huisbladen een zogenaamd opt-out-systeem. Bezorging is toegestaan, behalve op adressen waarvan de bewoners hebben aangegeven daarop geen prijs te stellen door middel van een NEE/NEE-sticker of een NEE/JA-sticker. Deze zaak betreft het besluit van de Gemeente Amsterdam (hierna: de Gemeente) om in haar Afvalstoffenverordening te bepalen dat ongeadresseerde reclamefolders alleen bezorgd mogen worden bij inwoners die daarvoor toestemming hebben verleend door een sticker met de tekst ‘JA’ of ‘JA/JA’ op hun brievenbus te plakken. Volgens eiseressen tot cassatie (hierna gezamenlijk: MailDB c.s.) is dit onrechtmatig jegens hen. In cassatie gaat het om de vraag of het Gerechtshof Amsterdam heeft kunnen oordelen dat voor dit zogenaamde opt-in-systeem een toereikende wettelijke grondslag bestaat en dat de regeling niet in strijd is met het Unierecht, art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM of algemene rechtsbeginselen dan wel de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De zaak vertoont enige raakvlakken met de onder nummer 20/01411 bij de Hoge Raad aanhangige zaak over de opt-in-regeling voor huis-aan-huisbladen in de Afvalstoffenverordening van de Gemeente Utrecht, waarin art. 10 EVRM centraal staat. 1.2 In deze conclusie volgt na een weergave van de feiten (onder 2) en het procesverloop (onder 3), een bespreking van de vier onderdelen van het cassatiemiddel van MailDB c.s. Onderdeel 1 betreft de vraag of de EU Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken dan wel art. 114 VWEU eraan in de weg staat dat de Gemeente het opt-in-systeem invoert (hierna onder 3). Onderdeel 2 betreft de vraag of de Gemeente bevoegd is om het opt-in-systeem in te voeren in het licht van de Wet milieubeheer en de Gemeentewet (hierna onder 4). Onderdeel 3 stelt aan de orde of de invoering van het opt-in-systeem strijd oplevert met het recht op eigendom als bedoeld in art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna onder 5). Onderdeel 4 betreft de vraag of het besluit tot invoering van het opt-in-systeem toetsing aan algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan doorstaan (hierna onder 6). Ik kom in deze conclusie tot de slotsom dat de klachten van het cassatiemiddel niet slagen. 2. Feiten 2.1 Netwerk VSP B.V. exploiteert het platform Spotta. Via dit platform verspreidt zij ongeadresseerd reclamedrukwerk. 2.2 De Vereniging Mail Distributie Bedrijven (hierna: MailDB) is een brancheorganisatie die het belang van verspreiders en distributeurs van commercieel drukwerk behartigt. MailDB zorgt voor verspreiding van de zogenoemde NEE/NEE en NEE/JA-stickers. Netwerk VSP is lid van MailDB. 2.3 Het Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen (hierna: KVGO) is ook een brancheorganisatie. KVGO behartigt de belangen van haar leden die in de communicatie-industrie opereren. Bij KVGO waren eind 2015 ongeveer 1.000 bedrijven aangesloten. Art. 17 Afvalstoffenverordening 2009 2.4 Artikel 17 (“ongeadresseerd reclamedrukwerk”) van de Afvalstoffenverordening, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van 2 juli 2009 en in werking getreden op 1 november 2009 (hierna: Afvalstoffenverordening 2009), luidde voorheen als volgt: “Het is verboden ongeadresseerd reclamedrukwerk te bezorgen of te doen bezorgen bij een woning, bedrijf of woonschip, indien de gebruiker ervan kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen van ongeadresseerd reclamedrukwerk.” 2.5 De toelichting op dit artikel luidde als volgt: “Dit artikel verbiedt het bezorgen of doen bezorgen van ongeadresseerd reclamedrukwerk, indien de bewoner of gebruiker van een perceel of schip kenbaar heeft gemaakt deze reclame niet te willen ontvangen, meestal door middel van een sticker (Nee-Nee of Ja-Nee) op de brievenbus. Onder ongeadresseerd reclamedrukwerk worden verstaan reclamedrukwerk, goederen of monsters die gratis huis aan huis worden verspreid zonder vermelding van adres (of postbus) en woonplaats van de ontvanger. Reclamedrukwerk dat is geadresseerd aan “de bewoner van” een specifiek adres wordt als geadresseerd drukwerk beschouwd. Degenen die vallen onder het verbod om ongeadresseerd reclamedruk werk te bezorgen of doen bezorgen zijn naast de afzenders ook de bezorgers die het reclamedrukwerk in de brievenbus stoppen.” 2.6 Het voorheen geldende systeem wordt een ‘opt-out-systeem’ genoemd: ongeadresseerd drukwerk mag worden bezorgd, tenzij de bewoner of gebruiker - met een sticker op de brievenbus - kenbaar heeft gemaakt dit niet te willen ontvangen. Met de NEE/NEE-sticker wordt kenbaar gemaakt dat ongeadresseerd reclamedrukwerk en huis-aan-huisbladen niet op prijs worden gesteld. Met de NEE/JA-sticker wordt kenbaar gemaakt dat ongeadresseerd reclamedrukwerk niet, maar huis-aan-huisbladen wel mogen worden bezorgd. 2.7 Tegen overtredingen van artikel 17 van de Afvalstoffenverordening 2009 treedt de gemeente niet bestuursrechtelijk op. Ook het Openbaar Ministerie handhaaft niet strafrechtelijk, al voorziet de verordening in een strafbepaling. De branche, de centrale overheid en de gemeenten hebben gekozen voor zelfregulering door de branche met gebruikmaking van de Stichting Reclame Code. Het principebesluit 2.8 De gemeenteraad heeft op 20 april 2016 besloten om een ‘opt-in-systeem’ voor ongeadresseerd reclamedrukwerk in te voeren (hierna: het principebesluit). Dat houdt in een verbod tot het bezorgen van ongeadresseerd reclamedrukwerk, tenzij de bewoner of gebruiker - met een sticker op de brievenbus - kenbaar heeft gemaakt dit wel te willen ontvangen. Met het principebesluit beoogt de gemeente een betere milieubescherming te realiseren door verspilling van papier tegen te gaan en het aantal kilometers te verminderen dat voertuigen moeten afleggen in het logistieke proces van de productie, verspreiding en het inzamelen van drukwerk. 2.9 Aan het principebesluit ligt onderzoek van Milieu Centraal uit 2014 ten grondslag. Milieu Centraal is een voorlichtingsorganisatie die huishoudens helpt informatie te krijgen om duurzame keuzes te maken. In de toelichting op het principebesluit staat hierover, voor zover relevant: “Volgens MilieuCentraal ontvangen huishoudens zonder brievenbusstickers gemiddeld 33 ongevraagde folders per week in hun brievenbus. Dat staat gelijk aan 34 kilo reclamedrukwerk per jaar. Daarbij gaat in drie op de tien huishoudens ook nog eens alles ongelezen bij het afval. Uit navraag bij verspreiders van huis-aan-huisreclamedrukwerk blijkt dat er in Amsterdam bij benadering 320.000 adressen zijn die geen beperkende sticker hebben aangebracht op de brievenbus. Dit betekent dat er in de stad gemiddeld per week 10.560.000 folders ongevraagd bij mensen in hun brievenbus belanden. Met de cijfers van MilieuCentraal als uitgangspunt staat dit gelijk aan 10.880.000 kilo drukwerk per jaar in Amsterdam. 30% van dit ongevraagde drukwerk wordt dus regelrecht bij het afval gedaan. Dat is zo’n 3.264.000 kilo reclamefolders aan pure verspilling per jaar. En dan zijn de huis-aan-huisbladen en geadresseerde reclamefolders nog niet eens meegerekend in de berekening. Bovendien wordt het drukwerk regelmatig als bundel in een plastic hoesje geleverd.” Rapportages 2.10 Milieu Centraal heeft op 11 april 2016 het rapport “Deskstudie Afvalpreventie, Het stimuleren van consumenten om minder afval te produceren” uitgebracht. Deze deskstudie bespreekt de consumenten- en gedragsinzichten rondom afvalpreventie, en hoe deze inzichten ingezet kunnen worden om consumenten te stimuleren tot afvalverminderend gedrag. Op pagina 39 van dit rapport (in hoofdstuk 9: “Pijler 3: Afvalarme varianten kiezen”, paragraaf 9.2 “huidig gedrag en houding”) staat: “Nog veel papier door de brievenbus, niet altijd gewenst Terwijl reclamefolders en de telefoongids tegenwoordig online geraadpleegd worden, ontvangen Nederlandse huishoudens zonder brievenbussticker nog gemiddeld 34 kilo aan reclamedrukwerk (Milieu Centraal 2013). De standaard (default) is momenteel dat een huishouden reclamedrukwerk ontvangt tenzij de bewoners met behulp van een brievenbussticker aangeven dit niet meer te willen. Ruim één op de vijf Nederlandse huishoudens heeft al een nee/nee- of een ja/nee sticker opgeplakt (MailDB, 2014). Deze zijn verkrijgbaar bij de gemeente of te bestellen via internet. Van de overige huishoudens, vindt 30% het reclamedrukwerk dat zij ontvangen, ongewenst. Door deze huishoudens te motiveren om eenmalig een brievenbussticker aan te vragen, wordt deze stroom blijvend voorkomen.'' 2.11 Team Vier en Reclamefolder.nl hebben in mei 2016 gezamenlijk het onderzoeksrapport “Het gebruik en de effecten van online folders, inzicht in effectiviteit van online folders, ook onder sticker bezitters” uitgebracht. Zij hebben onderzoek gedaan naar de populariteit van reclamedrukwerk in Amsterdam. Uit het onderzoek blijkt dat volgens de verspreiders van het drukwerk 45% van de huishoudens een sticker heeft geplakt en dus ongeveer 55% van de huishoudens in Amsterdam ongeadresseerd reclamedrukwerk ontvangt (pagina 26). Uit dit onderzoek blijkt verder dat in ieder geval 22% van de mensen die nog geen sticker hebben geplakt ongeadresseerd reclamedrukwerk niet op prijs stelt en geen JA/JA-sticker zal plakken, dat 50% wel een JA/JA sticker zal plakken en dat 28% van de mensen zonder sticker zegt nog niet te weten of zij een JA/JA sticker zal plakken. Omgerekend zegt 27% van alle Amsterdamse boodschappers van 20-49 jaar een JA/JA-sticker te zullen nemen, 16% van deze groep zegt expliciet dit niet van plan te zijn, 12% zegt het (nog) niet te weten (pagina 30). 2.12 Accountantskantoor Deloitte Financial Advisory Services B.V. (hierna: Deloitte) heeft op verzoek van Netwerk VSP onderzocht welke schade Netwerk VSP zal lijden als gevolg van de invoering van het opt-in-systeem. Zij heeft op 23 november 2016 hiervan een rapport uitgebracht. 2.13 KVGO heeft onderzocht welke schade haar leden zullen lijden als gevolg van de invoering van het opt-in-systeem. BDO Advisory B.V. (hierna: BDO) heeft het rapport van KVGO beoordeeld en hiervan op 5 december 2016 een rapport opgemaakt. 2.14 De gemeente heeft KPMG Corporate Finance (hierna: KPMG) gevraagd de rapportages van Deloitte en BDO te beoordelen. KPMG heeft op 14 maart 2017 hiervan een rapport opgesteld. Vervolgens hebben Deloitte en BDO hierop bij rapporten van 10 respectievelijk 11 augustus 2017 schriftelijk gereageerd. 2.15 Direct Research heeft op 4 augustus 2017 het rapport “Folderonderzoek Amsterdam” uitgebracht. Het onderzoek van Direct Research was toegespitst op het leesgedrag van de Amsterdamse bevolking met betrekking tot folders en de effecten van de invoering van het opt-in-systeem op dit gedrag. In het rapport staat onder meer dat van degenen die nu een folder ontvangen 32% aangeeft geen JA/JA-sticker te zullen plakken als het opt-in-systeem wordt ingevoerd (pagina 11). Daarmee wordt het bereik van folders in deze groep met een derde beperkt. Dit komt bovenop de (42% van
(1)) dat de invoering van het opt-in-systeem past binnen het gemeentelijk beleid en dat die bovendien aansluit op LAP 2 en LAP 3. 5.42.2 Deze klacht slaagt naar mijn mening niet. De terminologie ‘regels’ en ‘maatregelen’ in het LAP kan niet toe- of afdoen aan de bevoegdheden die uit de wet voortvloeien. De stelling dat in het Afvalpreventieprogramma wordt ingezet op het actiever onder de aandacht brengen van de NEE/JA sticker, sluit een lokale maatregel die afvalpreventie wil bevorderen door middel van een JA/JA-sticker naar mijn mening niet uit (zie hiervoor in 5.36). 5.42.3 In feitelijke instanties hebben MailDB c.s. voorts gesteld dat het Afvalpreventieprogramma (op p. 60) vermeldt dat reclamedrukwerk leidt tot afval en dat het bedrijfsleven aangeeft niet zonder papieren reclame-uitingen te kunnen. Hierin behoefde het hof niet te lezen dat MailDB c.s. hebben gesteld – nog daargelaten de juistheid van een dergelijke stelling − dat in het Afvalpreventieprogramma het beperken van reclamedrukwerk door middel van een opt-in-systeem van de hand wordt gewezen vanwege het bedrijfsleven dat van het ongeadresseerde reclamedrukwerk afhankelijk is, zoals subonderdeel 2.3 aanvoert. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. 5.43 Volgens subonderdeel 2.5 is onjuist dat voor art. 17 Afvalstoffenverordening een wettelijke grondslag kan worden gevonden in art. 108 en 149 Gemeentewet, omdat deze bepaling geen gemeentelijk belang dient, maar een publiek belang, namelijk milieubescherming. 5.44.1 Deze klacht slaagt naar mijn mening niet. Het opt-in-systeem van art. 17 Afvalstoffenverordening betreft inderdaad een publiek belang (en niet louter particuliere belangen van burgers) in de vorm van preventie van afvalstoffen. De Gemeente heeft een zorgplicht ten aanzien van de inzameling van afvalstoffen (art. 10.21 Wm). Daarom bestaat er een gemeentelijk belang bij de hoeveelheid afvalstoffen die ter inzameling wordt aangeboden. Dit betreft de ‘huishouding van de gemeente’ als bedoeld in art. 108 lid 1 Gemeentewet. De regels in de afvalstoffenverordening worden op voet van art. 10.23 Wm vastgesteld in het belang van de bescherming van het milieu. Art. 10.23 Wm laat nog enige ruimte voor de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente. Voor zover de Gemeente niet in strijd met de Wet milieubeheer handelt, kan zij een ‘lokaal milieubelang’ dienen (zie voor dit laatste in 5.14). Ten slotte betekent m.i. het enkele feit dat het opt-in-systeem burgers die ongeadresseerde reclame willen ontvangen, dwingt tot het plakken van een sticker niet dat de Gemeente buiten haar bevoegdheden treedt door aldus de bijzondere belangen van haar ingezetenen te reguleren. 5.44.2 Voor zover de klacht nog verwijst naar de stellingen van MailDB c.s. dat de doorkruising van het landelijke opt-out-systeem leidt tot praktische problemen voor ondernemers, verwijs ik naar het gestelde in 5.37. 5.45 Subonderdeel 2.6 klaagt over de overweging (in rov. 3.19) dat het oordeel van het hof over de autonome regelgevende bevoegdheid aansluit op art. 121 Gemeentewet. 5.46 Voor zover het subonderdeel hiertoe (in nr. 30 van de procesinleiding) verwijst naar de onderdelen 1, 3 en 4 van het middel, faalt het in het voetspoor van die onderdelen. 5.47.1 Voor zover het subonderdeel (in nrs. 31 en 32 van de procesinleiding) klaagt dat het hof heeft miskend dat het opt-in-systeem in strijd is met de Dienstenrichtlijn, de vrijheid van ondernemerschap of de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM, art. 11 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie of art. 7 Grondwet, faalt het, omdat deze argumenten in feitelijke instanties niet onderbouwd zijn aangevoerd. Ik verwijs hiervoor naar mijn bespreking van de subonderdelen 4.1 en 4.4 (hierna in 7.11.2 en 7.28). 5.47.2 In dit verband merk ik nog op dat onderdeel 2 (in nr. 15 van de procesinleiding) ten onrechte klaagt dat het hof niet (kenbaar) in zijn oordeel heeft betrokken het betoog van MailDB c.s. dat door invoering van het opt-in-systeem inbreuk is gemaakt op fundamentele rechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) en het gelijkheidsbeginsel (art. 14 EVRM en 12e Protocol bij het EVRM), althans dat het hof heeft miskend dat vanwege deze schending van fundamentele rechten sprake moet zijn van een voorzienbare wettelijke basis. MailDB c.s. hebben zich in hoger beroep niet met een tijdig naar voren gebrachte grief op schending van de vrijheid van meningsuiting beroepen, althans blijkt dat niet uit de genoemde vindplaatsen in de processtukken. In eerste aanleg en in hoger beroep hebben MailDB c.s. zich beroepen op schending van het gelijkheidsbeginsel. In hoger beroep hebben zij zich daarop beroepen in het kader van grief 15 en niet in het kader van de grieven 4 tot en met 7 waarvan de verwerping door onderdeel 2 wordt bestreden, althans blijkt dit niet uit de genoemde vindplaatsen in de processtukken. Voorts hebben MailDB c.s. bij hun grief 13 het onderscheid met huis-aan-huisbladen aan de orde gesteld. In lijn hiermee is het hof bij de bespreking van grieven 13 en 15 hierop in gegaan (in rov. 3.40 en 3.46). 5.48 Ten slotte klaagt subonderdeel 2.6 (in nr. 33 van de procesinleiding), kort gezegd, dat het hof in rov. 3.19, 3.20 en 3.35 heeft miskend dat het opt-in-systeem in strijd is met de wil van de wetgever, omdat de centrale wetgever mede in het licht van het recht op vrijheid van meningsuiting (uitdrukkelijke) bezwaren heeft tegen het opt-in-systeem. Zoals eerder besproken, is het landelijke beleid gericht op voortzetting van het opt-out-systeem. Uit de vindplaatsen in de processtukken waarnaar de klacht verwijst, kan naar mijn mening niet worden afgeleid dat MailDB c.s. specifiek hebben gesteld dat de centrale wetgever mede in het licht van het recht op vrijheid van meningsuiting (uitdrukkelijke) bezwaren heeft tegen het opt-in-systeem. De klacht mist daarom feitelijke grondslag. Subonderdeel 2.1 5.49 Subonderdeel 2.1 richt vijf klachten tegen rov. 3.13-3.16 en betreft in het bijzonder de vraag of sprake is van een afvalstof. Daarover overwoog het hof in rov. 3.15: “Vaststaat dat een huishouden zich op enig moment van ongeadresseerd reclamedrukwerk zal ontdoen. Tussen partijen is bovendien niet in geschil dat een aanzienlijk deel van het ongeadresseerd reclamedrukwerk ongelezen wordt weggegooid. Dat partijen strijden over het exacte percentage daarvan, doet daaraan niet af. Met een en ander staat voldoende vast dat ongeadresseerd reclamedrukwerk als afval moet worden aangemerkt, althans dat door beperking van de verspreiding daarvan voorkomen wordt dat afval ontstaat.” 5.50 Volgens de eerste klacht, in nr. 16 van de procesinleiding, is onjuist het oordeel dat de grondslag voor het opt-in-systeem in art. 10.23 Wm kan worden gevonden omdat ongeadresseerd reclamedrukwerk als afval moet worden aangemerkt, omdat dit niet strookt met de definitie van afval in art. 1 lid 1 Wm en art. 3 Kaderrichtlijn afvalstoffen 2008. Van een afvalstof is pas sprake wanneer de houder zich van deze stof ontdoet of wil ontdoen. Daarvan is in ieder geval nog geen sprake als het ongeadresseerd reclamedrukwerk bezorgd wordt, aldus de klacht. 5.51 De omschrijving van afvalstoffen in art. 1.1 lid 1 Wm (“alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”) is bijna woordelijk overgenomen uit de Kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG). Het begrip afvalstof moet worden uitgelegd met inachtneming van de door het Hof van Justitie (hierna ook: HvJ) over dit begrip gevormde jurisprudentie. Volgens het Hof van Justitie moet het begrip afvalstoffen ruim worden uitgelegd. Of een stof een afvalstof is, moet worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Daarbij is vooral het gedrag van de houder in relatie tot de betekenis van de woorden "zich ontdoen van" relevant. In dit verband verdient bijzondere aandacht of de stof in kwestie voor de houder ervan geen nut heeft of meer heeft, zodat deze stof een last is waarvan hij zich wil ontdoen. Ook maatschappelijke opvattingen kunnen een aanwijzing zijn voor de kwalificatie als afvalstof. De toekomstige bestemming van een voorwerp of een stof is niet van invloed op het karakter van afvalstof van deze stof. 5.52.1 In het oordeel van het hof is bepalend dat een huishouden zich op enig moment van ongeadresseerd reclamedrukwerk zal ontdoen. Het hof laat in het midden vanaf welk moment ongeadresseerd reclamedrukwerk als een afvalstof in de zin van art. 1 lid 1 Wm kwalificeert. Dit kan in het midden blijven omdat het hof voor de bevoegdheidsgrondslag heeft gewezen op de met het opt-in-systeem beoogde preventie van het ontstaan van afvalstoffen (zie in verband met art. 10.23 Wm rov. 3.14, 3.16, 3.18 en 3.21 en in verband met art. 108 en 149 Gemeentewet rov. 3.18 en 3.19). Daarbij moet worden bedacht dat ingevolge art. 1 lid 1 Wm onder preventie wordt verstaan: “maatregelen die worden genomen voordat een stof, materiaal of product afvalstof is geworden, ter vermindering van (…) de hoeveelheden afvalstoffen (…)”. De vaststelling in rov. 3.15 dat een aanzienlijk deel van het ongeadresseerd reclamedrukwerk ongelezen wordt weggegooid, biedt in de redenering van het hof kennelijk steun aan de conclusie dat door beperking van de verspreiding van dit drukwerk voorkomen wordt dat afval ontstaat, omdat de huishoudens die het drukwerk ongelezen weggooien onder het opt-in-systeem veelal geen gebruik van de JA/JA-sticker zullen maken (zie ook rov. 3.37). Deze vaststelling is echter niet dragend voor de redenering van het hof in rov. 3.15. 5.52.2 De eerste klacht berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, omdat de bestreden overweging niet berust op een oordeel dat ongeadresseerd reclamedrukwerk op het moment van bezorging reeds moet worden aangemerkt als een afvalstof. De eerste klacht kan daarom niet tot cassatie leiden. 5.53 De tweede klacht, in nr. 17 van de procesinleiding, betoogt dat voor zover het hof in rov. 3.15 van oordeel is dat ongeadresseerd reclamedrukwerk als afval moet worden aangemerkt omdat het (op den duur) − al dan niet na gebruik − wordt weggegooid, dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is. Indien het oordeel juist zou zijn, dan zou de Gemeente bevoegd zijn alle stoffen preventief te reguleren aangezien alle stoffen op den duur een afvalstof worden. 5.54 Deze klacht slaagt niet. In het midden kan blijven of alle stoffen op den duur een afvalstof worden. Het hof heeft geoordeeld, dat ongeadresseerd reclamedrukwerk op enig moment een afvalstof wordt, omdat een huishouden zich op enig moment van ongeadresseerd reclamedrukwerk zal ontdoen. Dat oordeel komt onjuist noch onbegrijpelijk voor. Voor zover de klacht betoogt dat met aanvaarding van de rechtsopvatting van het hof het hek van de dam zou zijn, verwijs ik naar het gestelde in 5.33.2. 5.55 De derde klacht, in nr. 18 van de procesinleiding, berust op de veronderstelling dat het hof in rov. 3.15 van oordeel is dat ongeadresseerd reclamedrukwerk al tijdens het bezorgen als afval kan worden aangemerkt. 5.56 Zoals vermeld, berust deze klacht op een onjuiste lezing van rov. 3.15 en dient zij daarom te falen. Voor het overige verdient opmerking dat aan de kwalificatie als afvalstof niet in de weg staat dat deze stof in de toekomst gerecycled zal worden. Afvalstoffen kunnen onder voorwaarden niet langer als afvalstoffen worden beschouwd wanneer zij een recyclingsbehandeling hebben ondergaan (zie de definitie van recycling in art. 3 lid 17 Kaderrichtlijn 2008 en de regeling van de einde-afvalfase in art. 6 lid 1 van deze richtlijn). 5.57 De vierde en vijfde klacht, in de nrs. 19 en 20 van de procesinleiding, betreffen de overweging dat een aanzienlijk deel van het ongeadresseerd reclamedrukwerk ongelezen wordt weggegooid. Volgens de klachten is onjuist dan wel onbegrijpelijk dat het hof het ongelezen weggooien van ongeadresseerd reclamedrukwerk door een deel van de ontvangers centraal stelt zonder het aanzienlijke belang voor adverteerders en/of de populariteit onder ontvangers in aanmerking te nemen (nr. 19) en is onbegrijpelijk de vaststelling dat niet in geschil is dat een aanzienlijk deel van het ongeadresseerd reclamedrukwerk ongelezen wordt weggegooid (nr. 20). 5.58 Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden, omdat het oordeel van het hof zelfstandig wordt gedragen door zijn overwegingen dat vaststaat dat een huishouden zich op enig moment van ongeadresseerd reclamedrukwerk zal ontdoen en dat door beperking van de verspreiding van ongeadresseerd reclamedrukwerk voorkomen wordt dat afval ontstaat. Nu het hof in het midden heeft gelaten op welk moment sprake is van afvalstoffen, behoefde het hof overigens niet afzonderlijk in te gaan op de in nr. 19 van de procesinleiding bedoelde stelling van MailDB c.s. dat voor de vraag of sprake is van afvalstoffen doorslaggevend is de intentie van de houder op het moment van bezorging en niet het opvolgend gebruik van het ongeadresseerd reclamedrukwerk. Voorts heeft het hof met zijn overweging dat partijen strijden over het exacte percentage van het ongeadresseerd reclamedrukwerk dat ongelezen wordt weggegooid, onderkend dat MailDB c.s. hebben aangevoerd dat de conclusie van Milieu Centraal uit 2014 dat drie op de tien huishoudens reclamefolders ongelezen weggooit, achterhaald en onjuist is (wat de Gemeente op haar beurt overigens heeft bestreden). MailDB c.s. hebben voorts gesteld (memorie van grieven nr. 44) dat 4% tot 10% van de folderontvangers folderpakketten niet leest. Of het hof in het licht van het partijdebat kon komen tot de kwalificatie ‘aanzienlijk’ kan in het midden blijven, omdat dit deel van rov. 3.15 niet dragend is voor de redenering van het hof (zie in 5.52.1). Slotsom 5.59 Onderdeel 2 slaagt niet. 6Bespreking van onderdeel 3 van het middel (recht op eigendom) 6.1 MailDB c.s. hebben aangevoerd dat de invoering van het opt-in-systeem in strijd is met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: art. 1 EP), omdat hun opt-out adressen- of klantenbestand en de marktwaarde van hun onderneming kwalificeren als eigendom in de zin van art. 1 EP en de invoering van het opt-in-systeem de waarde ervan aantast (rov. 3.25). Het hof oordeelt (in rov. 3.29-3.32) dat geen sprake is van eigendom in de zin van art. 1 EP. Daarover klaagt onderdeel 3 in twee subonderdelen. Het onderdeel klaagt niet over de weergave van de stellingen van partijen (rov. 3.25-3.27), het toepasselijke toetsingskader (rov. 3.28) en het oordeel dat gezien de stellingen van MailDB c.s. beoordeeld moet worden of het opt-out adressen en/of klantenbestand kwalificeert als eigendom in de zin van art. 1 EP (rov. 3.29). 6.2 Wat betreft het toetsingskader kan worden vermeld dat het begrip ‘possessions’ c.q. ‘biens’ in art. 1 EP ruimer is dan de nationale, goederenrechtelijke betekenis van eigendom. Het begrip eigendom in de zin van art. 1 EP omvat bestaande, op geld waardeerbare rechten alsmede aanspraken ten aanzien waarvan een legitieme verwachting (voor opeisbaarheid) bestaat. De legitieme verwachting kan bestaan uit een wettelijke bepaling of een rechterlijke uitspraak (dan wel vaste rechtspraak), en onder omstandigheden ook een vergunning. Daaruit volgt dat art. 1 EP (slechts) rechten, aanspraken of belangen beschermt die met voldoende zekerheid vaststaan c.q. waarvan de economische waarde voldoende vaststaat. Het middel klaagt niet over het in rov. 3.28 door het hof weergegeven toetsingskader, dat is ontleend aan HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2888 (Pelsdieren). Het hof overwoog: “3.28. (…). Ingevolge bestendige rechtspraak van het EHRM kan goodwill onder bepaalde omstandigheden weliswaar als eigendom in de zin van artikel 1 EP worden beschouwd, maar kunnen toekomstige inkomsten alleen dan als zodanig worden aangemerkt wanneer zij reeds zijn verdiend of wanneer daarop een rechtens afdwingbare aanspraak bestaat (vgl. recent EHRM 21 april 2016, nr. 32913/03 (Topallay/Albanië), par. 88). Dat brengt met zich dat goodwill, dan wel de waarde van een onderneming, niet als eigendom in de zin van artikel 1 EP heeft te gelden indien het bestaan daarvan uitsluitend kan worden onderbouwd door verwijzing naar toekomstige inkomsten (zie EHRM 25 januari 2000, nr. 37683/97 (Ian Edgar (Liverpool) Ltd./Verenigd Koninkrijk) en EHRM 13 maart 2012, nr. 23780/08, ECLI:NL:XX:2012:BX1155 (Malik/Verenigd Koninkrijk)). In de uitspraken waarin het EHRM goodwill als (onderdeel van) eigendom heeft aanvaard, ging het om gevallen waarin die goodwill voortvloeide uit een bestaande vergunning (Tre Traktörer) en EHRM 18 februari 1991, nr. 12033/86 (Fredin/Zweden)), of uit een bestaande klanten- of patiëntenkring (Van Marie en de hiervoor genoemde zaak Malik/Verenigd Koninkrijk). Daarnaast is in de zaak Wendenburg/Duitsland (EHRM 6 februari 2003, nr. 71630/01) artikel 1 EP toepasselijk geacht op “law practices and their clientele”; voor die toepasselijkheid achtte het EHRM echter van belang dat op grond van een bestaand wettelijk privilege (het uitsluitend recht van advocaten om te procederen voor Duitse gerechtshoven) de ‘legitimate expectation’ bestond dat inkomsten verworven kunnen worden: “When dealing with the protection of privileges accorded by law, the Convention is applicable where such privileges lead to a legitimate expectation of acquiring certain possessions”. 6.3.1 Volgens het hof (in rov. 3.29-3.32) kwalificeert het opt-out-adressen en klantenbestand niet als eigendom in de zin van art. 1 EP, omdat het in wezen niet anders is dan de mogelijkheid om ongeadresseerd reclamedrukwerk te (laten) bezorgen op adressen waarvan de brievenbus niet is voorzien van een NEE/JA- of NEE/NEE-sticker (rov. 3.30) en de door het opt-in-systeem verminderde bezorgmogelijkheid louter het verlies van toekomstig inkomen betreft (rov. 3.32). Daartoe beoordeelt het hof op de voet van het in rov. 3.28 genoemde toetsingskader (in rov. 3.30) of sprake is van een ‘vast klantenbestand’ dan wel ‘opgebouwde clientèle’ en (in rov. 3.31) of sprake is van een aanspraak, ‘asset’, verleend recht, vergunning dan wel gerechtvaardigde verwachtingen. 6.3.2 Volgens het hof (in rov. 3.30) kwalificeert de bezorgmogelijkheid niet (zonder nadere uitleg) als ‘vast klantenbestand’ of ‘opgebouwde clientèle’. Het gaat om drukwerk zonder klantgegevens dat ongeadresseerd wordt bezorgd. Zie ook hierna in 6.3.3. Daar komt bij, aldus het hof, dat een aanzienlijk aantal Amsterdammers zonder NEE/NEE- of NEE/JA-sticker geen prijs stelt op ongeadresseerd reclamedrukwerk. Deze personen kunnen dus − naar ik begrijp: óók om deze reden − niet als klant van MailDB c.s. worden beschouwd. Het betreft hier m.i. een ten overvloede gegeven overweging die ziet op een subset van de groep adressen zonder NEE/NEE- of NEE/JA-sticker. 6.3.3 Voorts overweegt het hof (in rov. 3.31) dat de bezorgmogelijkheid door de bewoners wordt bepaald, het kunnen bezorgen op een bepaald adres niet de verdienste van MailDB c.s. is en MailDB c.s. geen exclusieve aanspraak heeft op bezorging. Gelezen in samenhang met rov. 3.30 komt dit er m.i. op neer dat het niet gaat om adressen van klanten die MailDB c.s. op de een of andere manier hebben geworven of aan zich hebben gebonden. Het gaat om adressen waarvan de bewoners − slechts − niet hebben aangeven dat zij geen prijs stellen op de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk. 6.3.4 Het bestaan van de bezorgmogelijkheid als zodanig, zo begrijp ik het hof, is niet een gevolg van de inspanningen of investeringen van MailDB c.s. Het hof oordeelt (in rov. 3.31) dat dit niet anders wordt doordat MailDB c.s (
- i)opt-outstickers hebben uitgegeven en daarvoor kosten hebben gemaakt dan wel, mogelijk, (
- ii)een bestand hebben gemaakt van adressen zonder NEE/NEE- of NEE/JA-sticker. 6.3.5 Ten slotte oordeelt het hof (in rov. 3.31) dat het feitelijke gebruik dat MailDB c.s. al geruime tijd van de bezorgmogelijkheid van het opt-out-systeem maakten, niet is gebaseerd op een door de Gemeente aan MailDB c.s. verleend recht of verleende vergunning en jegens de Gemeente geen gerechtvaardigde verwachting oplevert van voortzetting daarvan waarop de invoering van het opt-in-systeem een inbreuk zou maken. 6.3.6 Omdat de bezorgmogelijkheid van het opt-out-systeem om voornoemde redenen niet als eigendom van MailDB c.s. in de betekenis van art. 1 EP kwalificeert, is de door invoering van het opt-in-systeem verminderde bezorgmogelijkheid niet als een met dat artikel strijdige inbreuk te beschouwen. De door het opt-in-systeem verminderde bezorgmogelijkheid betreft daarmee louter het verlies van toekomstig inkomen. De aan dat toekomstig inkomen ontleende waarde en economisch belang van MailDB c.s. kwalificeren evenmin als hun eigendom in de zin van art. 1 EP, aldus het hof (in rov. 3.32). Subonderdeel 3.1 6.4 Subonderdeel 3.1 maakt om te beginnen een onderscheid tussen enerzijds het adressenbestand (een bestand van adressen zonder NEE/NEE- of NEE/JA-sticker) en anderzijds een adverteerder- of opdrachtgeversbestand, dat wil zeggen een bestand van klanten/opdrachtgevers van de distributiebedrijven.Volgens het subonderdeel is de door het hof gebruikte terminologie – ‘adressen- en/of klantenbestand’ – onduidelijk. Het subonderdeel betrekt de klachten op beide bestanden en klaagt (in nr. 37) nog specifiek dat het hof is voorbijgegaan aan de stellingen van MailDB c.s. dat leden een vast klanten/opdrachtgeversbestand hebben. 6.5.1 MailDB c.s. hebben bij hun beroep op art. 1 EP inderdaad gewezen op (
- a)de marktwaarde van de ondernemingen, (
- b)het adressenbestand en (
- c)het klantenbestand. Met dit laatste wordt gedoeld op de opsomming van een aantal klanten van Netwerk VSP dat door MailDB c.s. is overgelegd als productie 52. Het hof heeft dit naar mijn mening niet miskend, zodat het arrest op deze grond niet onduidelijk of onbegrijpelijk is. Het hof spreekt immers van een opt-outadressen- en/of klantenbestand en benoemt in rov. 3.26 en 3.31 afzonderlijk het opt-outadressenbestand in verband met de door MailDB c.s. gestelde investeringen in dat bestand. Deze terminologie wordt door het hof consequent gehanteerd, ook waar het hof in rov. 3.30 overweegt dat “het reclamedrukwerk zonder adresgegevens ongeadresseerd wordt bezorgd”. Het hof spreekt dus niet van ‘ongeadresseerde klantgegevens’, anders dan het middel (in voetnoot 44) veronderstelt. In zijn beoordeling maakt het hof verder in beginsel geen onderscheid tussen beide bestanden, zoals het hof ook het gestelde verlies aan marktwaarde van de ondernemingen niet afzonderlijk bespreekt. Het baseert dit op zijn oordelen (
- i)dat gezien de stellingen van MailDB c.s. beoordeeld moet worden of het opt-out adressen en/of klantenbestand kwalificeert als eigendom in de zin van art. 1 EP (rov. 3.29) en (
- ii)dat wat MailDB c.s. als hun opt-outadressen- of klantenbestand benoemt, in wezen niets anders is dan de mogelijkheid om ongeadresseerd reclamedrukwerk te (laten) bezorgen op adressen zonder NEE/NEE- of NEE/JA-sticker (rov. 3.30). 6.5.2 De klacht in nr. 37 van de procesinleiding berust daarom op een onjuiste lezing van het arrest voor zover zij veronderstelt dat het hof de stellingen van MailDB c.s. over het adverteerder/opdrachtgeverbestand niet in zijn oordeel heeft betrokken. De klacht faalt ook voor zover wordt geklaagd dat het hof dit onvoldoende heeft gedaan. In het bijzonder behoefde het hof niet afzonderlijk in te gaan op de stellingen van MailDB c.s. dat de klanten/opdrachtgevers per bezorgde folder betalen en dat het adverteerder/opdrachtgeverbestand door invoering van het opt-in-systeem niet benut kan worden. Een opt-in-systeem staat als zodanig immers niet in de weg aan bezorging van ongeadresseerd drukwerk, al zal de invoering van dit systeem (mogelijk) tot minder omzet (benutting van de kring van bestaande opdrachtgevers) leiden en daarmee van invloed zijn op de waarde van de onderneming. Een opgebouwd klantenbestand dat voor een ondernemer een krachtens art. 1 EP beschermd recht met (economische) waarde vertoont, moet worden onderscheiden van toekomstig inkomen. Toekomstig inkomen geldt slechts als eigendom in de zin van art. 1 EP als het, kort gezegd, een rechtsgeldige aanspraak op nog te ontvangen inkomen betreft. Art. 1 EP beschermt niet de enkele hoop of verwachting om inkomen te verwerven. 6.6 Het subonderdeel klaagt in nr. 35 van de procesinleiding dat het hof geen waarde heeft toegekend aan de investeringen van MailDB c.s. als het uitgeven van stickers en het bijhouden van het adressen- en adverteerdersbestand op basis waarvan de distributiebedrijven hun bedrijfsvoering voeren en waaraan zij marktwaarde ontlenen. 6.7 Deze klacht mist mijn inziens feitelijke grondslag. Het hof gaat na of het opt-outadressen- en/of klantenbestand als eigendom in de zin van art. 1 EP kwalificeert en behandelt daarmee tevens de door MailDB c.s. gestelde marktwaarde van de ondernemingen. Daarmee heeft het hof erkend dat dit voor MailDB c.s. waarde vertegenwoordigt. Het hof heeft – naast het voorgaande − in de stellingen van MailDB c.s. kennelijk niet gelezen dat er relevante investeringen zijn gedaan voor het bijhouden van een lijst met opdrachtgevers zoals bedoeld in productie 52 van MailDB c.s. Dat is niet onbegrijpelijk. Aan de door MailDB c.s. gestelde investeringen in het opt-outadressenbestand (rov. 3.26) besteedt het hof in rov. 3.31 aandacht. 6.8 Dat het hof blijkens rov. 3.31 de gestelde investeringen in het opt-outadressenbestand (rov. 3.26) onvoldoende vindt om te concluderen dat sprake is van eigendom in de zin van art. 1 EP, is naar mijn mening in het licht van de rov. 3.30-3.31, anders dan het subonderdeel in nr. 36 van de procesinleiding aanvoert, niet onbegrijpelijk. 6.9 Voorts is volgens het subonderdeel (in nr. 36 van de procesinleiding) de overweging dat reclamedrukwerk zonder klantgegevens ongeadresseerd wordt bezorgd, geen toereikende motivering. Een klantenbestand in de zin van art. 1 EP kan bestaan uit het bijhouden van het aantal adressen per bezorgingsgebied zonder de specifieke adressen te gebruiken, aldus de klacht. 6.10 Deze klacht kan niet slagen. Het oordeel van het hof dat zonder nadere uitleg door MailDB c.s. niet kan worden vastgesteld waarom de mogelijkheid om ongeadresseerd reclamedrukwerk te (laten) bezorgen op adressen waarvan de brievenbus niet is voorzien van een NEE/JA- of NEE/NEE-sticker geldt als een vast klantenbestand of door MailDB c.s. opgebouwde clientèle, is niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof komt er m.i. op neer, zoals vermeld in 6.3.3, dat het niet gaat om adressen van klanten die MailDB c.s. op de een of andere manier heeft geworven of aan zich heeft gebonden. Het gaat om adressen waarvan de bewoners − slechts − niet hebben aangeven dat zij geen prijs stellen op de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk. Dat MailDB c.s. moeite (investeringen) hebben gedaan om deze adressen te kennen, heeft het hof niet miskend, maar onvoldoende geacht (rov. 3.31). 6.11 In nr. 38 van de procesinleiding wordt geklaagd over de overweging in rov. 3.30 dat een aanzienlijk aantal Amsterdammers zonder NEE/NEE- of NEE/JA-sticker geen prijs stelt op ongeadresseerd reclamedrukwerk. 6.12 Nu het hier een ten overvloede gegeven overweging betreft (zie in 6.3.2), ontbreekt belang bij deze klacht. Subonderdeel 3.2 6.13.1 Subonderdeel 3.2 klaagt, in nr. 39 van de procesinleiding, dat de beoordeling (in rov. 3.1) of sprake is van een verleend recht of verleende vergunning en (in rov. 3.35) of door een toezegging van het bevoegd gezag gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt, miskent dat de economische belangen van MailDB c.s. ook geschaad kunnen worden door wijziging van een gemeentelijke verordening die een landelijk ingevoerd systeem doorkruist en gemaakte investeringen en economische belangen van een onderneming teniet maakt of schaadt. Het oordeel van het hof is volgens het subonderdeel in ieder geval onbegrijpelijk omdat de Gemeente steeds heeft meegewerkt aan het landelijke opt-out-systeem en MailDB c.s. dat landelijke systeem hebben uitgerold. 6.13.2 Subonderdeel 3.2 klaagt voorts, in nr. 40 van de procesinleiding, dat het oordeel in rov. 3.31 onjuist dan wel onbegrijpelijk is omdat het hof bij zijn oordeel over art. 1 EP centraal stelt of MailDB c.s. een exclusieve aanspraak hebben op de bezorgingsmogelijkheid en of het bestaan van de bezorgingsmogelijkheid de verdienste van MailDB c.s. is. Het oordeel is onbegrijpelijk in het licht van de essentiële stellingen van MailDB c.s. dat met betrekking tot het opt-out-systeem gerechtvaardigde verwachtingen bestaan ten aanzien van het gebruik van de (gedane en/of voortdurende) investeringen. 6.14 Deze klachten gaan niet op. Het hof heeft onderkend dat de economische belangen van MailDB c.s. in het geding zijn (zie rov. 3.32) en aan de hand van de verschillende elementen van het in rov. 3.28 bedoelde toetsingskader in rov. 3.30-3.31 onderzocht of sprake is van eigendom in de zin van art. 1 EP dan wel (slechts) van verlies van toekomstig inkomen. Naar mijn mening is de conclusie dat sprake is van toekomstig inkomen niet onbegrijpelijk in het licht van de stellingen dat de Gemeente heeft meegewerkt aan het landelijke opt-out-systeem, dat MailDB c.s dit systeem hebben uitgerold en dat verwachtingen bij MailDB c.s. bestaan over het voorgezette gebruik daarvan. Het hof heeft die stellingen beoordeeld in rov. 3.31 en 3.33 en voorts overwogen (in rov. 3.44) dat het opt-out-system in 1993 is ingevoerd en dat MailDB c.s. er in redelijkheid van uit kunnen gaan dat het systeem op enig moment zou wijzigen. Slotsom 6.15 Onderdeel 3 slaagt niet. 7Bespreking van onderdeel 4 van het middel (algemene beginselen) 7.1 Na beoordeling van het beroep van MailDB c.s. op het evenredigheids- en motiveringsbeginsel (grief 8; rov. 3.22-3.24) en op art. 1 EP (grieven 9 en 10; rov. 3.25-3.32), beoordeelt het hof in rov. 3.33 e.v. het beroep van MailDB c.s. op een aantal algemene rechtsbeginselen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur (grieven 11-15). In rov. 3.35 stelt het hof daartoe voorop: “Het hof is met de rechtbank van oordeel dat een algemeen verbindend voorschrift kan worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen, zoals de door MailDB c.s. genoemde algemene rechtsbeginselen. Tevens brengt artikel 3:1, eerste lid, onder a van de Algemene wet bestuursrecht met zich mee dat op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften, afdeling 3.2 van de Awb slechts van toepassing is voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet. Uitgangspunt is dat aan de gemeenteraad beleidsruimte toekomt bij het vaststellen van een verordening. Bij de beoordeling van de vraag of de gemeente in redelijkheid tot vaststelling van een algemeen verbindend voorschrift heeft kunnen komen, stelt de rechter zich terughoudend op. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen heeft de rechter niet tot taak de om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. (…)” Vervolgens verwerpt het hof het beroep van MailDB c.s. op het motiveringsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel (grief 12; rov. 3.34-3.35), het (formele) zorgvuldigheidsbeginsel-evenredigheidsbeginsel (grief 13; rov. 3.37-3.40), het evenredigheidsbeginsel in strikte zin (grief 14; rov. 3.42), het égalitébeginsel (grief 14; rov. 3.43-3.44), het verbod van détournement de pouvoir (grief 15; rov. 3.45) en het gelijkheidsbeginsel (grief 15; rov. 3.36). 7.2 Onderdeel 4 betreft de verwerping van het betoog van MailDB c.s. dat de invoering van het opt-in-systeem in strijd is met de hiervoor genoemde beginselen. Het onderdeel is in de kern gericht tegen de rov. 3.35-3.46. Het onderdeel vermeldt weliswaar dat het ook is gericht tegen de verwerping van het beroep op art. 1 EP in rov. 3.29-3.32, maar dat is naar ik begrijp omdat subonderdeel 4.1 mede verwijst naar het belang van fundamentele rechtsbeginselen zoals art. 1 EP. Onderdeel 4 is niet gericht tegen de verwerping van grief 8 in rov. 3.22-3.24. Subonderdeel 4.1 betreft de te hanteren maatstaf, de subonderdelen 4.2 tot en met 4.6 betreffen de toetsing door het hof aan de verschillende beginselen. Subonderdeel 4.1 7.3 Subonderdeel 4.1 is gericht tegen de rov. 3.29-3.46 en klaagt: (
- i)in de procesinleiding nr. 43 dat de toetsing door het hof ten onrechte geen blijk heeft gegeven van een intensieve toetsing aan algemene rechtsbeginselen zoals die geboden is blijkens CRvB 1 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2016) en de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Widdershoven (ECLI:NL:RVS:2017:3557), en dat een meer intensieve toetsing tot gevolg zou hebben gehad dat het opt-in-systeem in strijd met de algemene rechtsbeginselen was bevonden; (
- ii)in de procesinleiding nr. 44 dat het hof heeft miskend dat de rechterlijke toetsing van algemeen verbindende voorschriften aan algemene rechtsbeginselen intensiever moet zijn als fundamentele rechten en internationale rechtsbeginselen aan de orde zijn, althans (iii) dat het arrest onbegrijpelijk is omdat daaruit onvoldoende duidelijk blijkt dat het hof bij zijn oordeel over de mate van de rechterlijke toetsing in aanmerking heeft genomen het beroep van MailDB c.s. op de vrijheid van meningsuiting, het recht op eigendom, het non-discriminatiebeginsel, het noodzakelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel (art. 15 lid 2, onder a en b, in verbinding met lid 3 van de Dienstenrichtlijn) en de vrijheid van ondernemerschap. 7.4 De eerste klacht van dit subonderdeel stelt de intensiteit van toetsing van materiële wetgeving door de burgerlijke rechter aan de orde en in het bijzonder of de burgerlijke rechter zich in dit opzicht zou dienen aan te sluiten bij ontwikkelingen in de bestuursrechtspraak. Dit is een belangrijke, principiële vraag. Ik schets daartoe het juridisch kader en beantwoordt deze vraag vervolgens bevestigend. Ik merk nu alvast op dat mijn beschouwingen op dit punt niet tot de conclusie leiden dat het cassatiemiddel op dit punt slaagt. 7.5.1 In HR 16 mei 1986 (Landbouwvliegers) was de vraag aan de orde of de burgerlijke rechter een algemeen verbindend voorschrift niet zijnde een wet in formele zin (dus: materiële wetgeving) aan algemene rechtsbeginselen mag toetsen. Volgens de Hoge Raad luidde het antwoord op die vraag in zoverre bevestigend (rov. 6.1): “dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter een zodanig, niet door de formele wetgever gegeven voorschrift onverbindend en in verband daarmee de vaststelling en uitvoering daarvan onrechtmatig kan oordelen op de grond dat sprake is van willekeur in dier voege dat het desbetreffende overheidsorgaan, in aanmerking genomen de belangen die aan dit orgaan ten tijde van de totstandbrenging van het voormelde uitvoeringsbesluit bekend waren of behoorden te zijn, in redelijkheid niet tot het desbetreffende voorschrift is kunnen komen. Daarbij heeft de rechter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moeten worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen, terwijl zowel de aard van de wetgevende functie als de positie van de rechter in ons staatsbestel, zoals deze mede in art. 11 Wet Algemene Bepalingen tot uiting komt, meebrengen dat hij ook overigens bij deze toetsing terughoudendheid moet betrachten. Voorts zullen gebreken in de motivering van het desbetreffende voorschrift of van de bepaling waarop het voorschrift is gegrond op zichzelf niet tot onverbindendheid leiden. Wel zal de motivering mede in aanmerking kunnen worden genomen bij de vraag of dit voorschrift de toetsing aan de boven weergegeven maatstaf kan doorstaan, zoals daarbij ook in aanmerking kan worden genomen of in verband met het voorschrift wellicht aan de daardoor in het gedrang komende belangen is tegemoet gekomen door aan eventuele benadeelden enigerlei vorm van vergoeding toe te kennen.” 7.5.2 Hoewel uit dit arrest aanvankelijk is afgeleid dat de toetsing van materiele wetgeving aan algemene rechtsbeginselen indirect via het verbod op willekeur dient plaats te vinden, blijkt uit latere arresten van de Hoge Raad dat de toetsing hiertoe niet beperkt is en dat ook aan andere algemene rechtsbeginselen kan worden getoetst. Zo overwoog HR 18 mei 2018 (Binnenvaartarrest): “De Besluiten van 11 maart 1991 en 24 november 2008 behelzen geen wetgeving in formele zin. Het toetsingsverbod van art. 120 Grondwet is daarop niet van toepassing. Dergelijke wetgeving kan de rechter dan ook wel toetsen aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Bij die toetsing heeft de rechter echter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Voorts brengen zowel de aard van de wetgevende functie als de positie van de rechter in het Nederlandse staatsbestel mee dat hij ook overigens bij deze toetsing terughoudendheid moet betrachten (HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9354, NJ 1987/251 (Landbouwvliegers), rov. 6.1; zie voorts o.m. HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0146, NJ 2010/53, rov. 3.6). De rechter kan onder meer toetsen of de wetgever bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de betrokken regeling of regel heeft kunnen komen (art. 3:4 Awb, dat op grond van art. 3:1 lid 1, aanhef en onder a, Awb ook van toepassing is op algemeen verbindende voorschriften).” 7.5.3 Hieruit blijkt dat de burgerlijke rechter (
- i)materiële wetgeving kan toetsen aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, maar (
- ii)dat de rechter bij die toetsing niet de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht kan vaststellen en (iii) dat de rechter bij die toetsing voorts terughoudendheid moet betrachten gelet op de aard van de wetgevende functie en de positie van de rechter in het Nederlandse staatsbestel. Het onder (
- ii)en (
- ii)gestelde geldt ongeacht de wijze waarop de toetsing plaatsvindt, dat wil zeggen over de band van de willekeurtoets − opgevat als de toets of de wetgever bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de betrokken regel(ing) heeft kunnen komen – dan wel anderszins. Het is dus niet zo dat de onder (iii) bedoelde terughoudendheid zijn grondslag nog specifiek vindt in de willekeurtoets. Toetsing aan formele beginselen, zoals het motiveringsbeginsel, vindt blijkens het Landbouwvliegersarrest plaats over de band van de toets of de wetgever bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de betrokken regel(ing) heeft kunnen komen. 7.6.1 In het bestuursrecht kan geen beroep worden ingesteld tegen een algemeen verbindend voorschrift (vgl. art. 8:3 lid 1 onder a Awb). De bestuursrechter heeft echter de mogelijkheid om algemeen verbindende voorschriften te toetsen aan regels van hogere orde en algemene rechtsbeginselen indien deze ten grondslag zijn gelegd aan een besluit waarvan bij hem beroep openstaat (de zogeheten exceptieve toetsing). Bij deze toetsing is door de bestuursrechters min of meer de maatstaf van het Landbouwvliegersarrest gehanteerd, opgevat als de toets of het vaststellen van het algemeen verbindend voorschrift in strijd was met het verbod op willekeur (de ‘willekeursluis’). In de rechtspraak is echter een tendens naar een meer rechtstreekse en indringender toets aan andere rechtsbeginselen gesignaleerd. Zo constateert staatsraad advocaat-generaal Widdershoven in zijn conclusie van 22 december 2017 onder meer dat door de (burgerlijke en bestuurs-) rechter de willekeursluis niet wordt toegepast bij toetsing aan het gelijkheidsbeginsel en evenmin bij toetsing aan het verbod van terugwerkende kracht als onderdeel van het beginsel van rechtszekerheid. 7.6.2 Deze ontwikkeling vindt steun in de literatuur, waarin de willekeursluis van het Landbouwvliegersarrest overwegend te strikt wordt geacht. Daaraan ligt blijkens de eerder genoemde conclusie van Widdershoven onder meer ten grondslag de verschuiving van normstelling naar gedelegeerde regelgeving en daaraan verbonden opkomst van de ‘administratieve staat’. Widdershoven constateert dat de literatuur minder duidelijk is over de vraag of de beschreven ontwikkeling in de intensiteit van de toetsing ook opgaat voor regelgeving die is vastgesteld door direct gekozen organen, zoals de gemeenteraad en provinciale staten. In zijn conclusie adviseerde Widdershoven een (verdere) intensivering van de exceptieve toetsing van algemeen verbindende voorschriften langs twee routes: door een nadere operationalisering van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel conform de rechtspraak van het Hof van Justitie, en voorts door het loslaten van de toetsing aan het formele zorgvuldigheids