← Nederland

ECLI:NL:PHR:2021:98

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/05872 Zitting 5 februari 2021 CONCLUSIE M.H. Wissink In de zaak 1. Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen 2. Vereniging Mail Distributie Bedrijven advocaten: mrs. W.H. van Hemel en V. Rörsch tegen Gemeente Amsterdam advocaat: mr. M.W. Scheltema 1Inleiding 1.1 Sinds vele jaren geldt voor de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk en huis-aan-huisbladen een zogenaamd opt-out-systeem. Bezorging is toegestaan, behalve op adressen waarvan de bewoners hebben aangegeven daarop geen prijs te stellen door middel van een NEE/NEE-sticker of een NEE/JA-sticker. Deze zaak betreft het besluit van de Gemeente Amsterdam (hierna: de Gemeente) om in haar Afvalstoffenverordening te bepalen dat ongeadresseerde reclamefolders alleen bezorgd mogen worden bij inwoners die daarvoor toestemming hebben verleend door een sticker met de tekst ‘JA’ of ‘JA/JA’ op hun brievenbus te plakken. Volgens eiseressen tot cassatie (hierna gezamenlijk: MailDB c.s.) is dit onrechtmatig jegens hen. In cassatie gaat het om de vraag of het Gerechtshof Amsterdam heeft kunnen oordelen dat voor dit zogenaamde opt-in-systeem een toereikende wettelijke grondslag bestaat en dat de regeling niet in strijd is met het Unierecht, art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM of algemene rechtsbeginselen dan wel de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De zaak vertoont enige raakvlakken met de onder nummer 20/01411 bij de Hoge Raad aanhangige zaak over de opt-in-regeling voor huis-aan-huisbladen in de Afvalstoffenverordening van de Gemeente Utrecht, waarin art. 10 EVRM centraal staat. 1.2 In deze conclusie volgt na een weergave van de feiten (onder 2) en het procesverloop (onder 3), een bespreking van de vier onderdelen van het cassatiemiddel van MailDB c.s. Onderdeel 1 betreft de vraag of de EU Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken dan wel art. 114 VWEU eraan in de weg staat dat de Gemeente het opt-in-systeem invoert (hierna onder 3). Onderdeel 2 betreft de vraag of de Gemeente bevoegd is om het opt-in-systeem in te voeren in het licht van de Wet milieubeheer en de Gemeentewet (hierna onder 4). Onderdeel 3 stelt aan de orde of de invoering van het opt-in-systeem strijd oplevert met het recht op eigendom als bedoeld in art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna onder 5). Onderdeel 4 betreft de vraag of het besluit tot invoering van het opt-in-systeem toetsing aan algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan doorstaan (hierna onder 6). Ik kom in deze conclusie tot de slotsom dat de klachten van het cassatiemiddel niet slagen. 2. Feiten 2.1 Netwerk VSP B.V. exploiteert het platform Spotta. Via dit platform verspreidt zij ongeadresseerd reclamedrukwerk. 2.2 De Vereniging Mail Distributie Bedrijven (hierna: MailDB) is een brancheorganisatie die het belang van verspreiders en distributeurs van commercieel drukwerk behartigt. MailDB zorgt voor verspreiding van de zogenoemde NEE/NEE en NEE/JA-stickers. Netwerk VSP is lid van MailDB. 2.3 Het Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen (hierna: KVGO) is ook een brancheorganisatie. KVGO behartigt de belangen van haar leden die in de communicatie-industrie opereren. Bij KVGO waren eind 2015 ongeveer 1.000 bedrijven aangesloten. Art. 17 Afvalstoffenverordening 2009 2.4 Artikel 17 (“ongeadresseerd reclamedrukwerk”) van de Afvalstoffenverordening, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van 2 juli 2009 en in werking getreden op 1 november 2009 (hierna: Afvalstoffenverordening 2009), luidde voorheen als volgt: “Het is verboden ongeadresseerd reclamedrukwerk te bezorgen of te doen bezorgen bij een woning, bedrijf of woonschip, indien de gebruiker ervan kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen van ongeadresseerd reclamedrukwerk.” 2.5 De toelichting op dit artikel luidde als volgt: “Dit artikel verbiedt het bezorgen of doen bezorgen van ongeadresseerd reclamedrukwerk, indien de bewoner of gebruiker van een perceel of schip kenbaar heeft gemaakt deze reclame niet te willen ontvangen, meestal door middel van een sticker (Nee-Nee of Ja-Nee) op de brievenbus. Onder ongeadresseerd reclamedrukwerk worden verstaan reclamedrukwerk, goederen of monsters die gratis huis aan huis worden verspreid zonder vermelding van adres (of postbus) en woonplaats van de ontvanger. Reclamedrukwerk dat is geadresseerd aan “de bewoner van” een specifiek adres wordt als geadresseerd drukwerk beschouwd. Degenen die vallen onder het verbod om ongeadresseerd reclamedruk werk te bezorgen of doen bezorgen zijn naast de afzenders ook de bezorgers die het reclamedrukwerk in de brievenbus stoppen.” 2.6 Het voorheen geldende systeem wordt een ‘opt-out-systeem’ genoemd: ongeadresseerd drukwerk mag worden bezorgd, tenzij de bewoner of gebruiker - met een sticker op de brievenbus - kenbaar heeft gemaakt dit niet te willen ontvangen. Met de NEE/NEE-sticker wordt kenbaar gemaakt dat ongeadresseerd reclamedrukwerk en huis-aan-huisbladen niet op prijs worden gesteld. Met de NEE/JA-sticker wordt kenbaar gemaakt dat ongeadresseerd reclamedrukwerk niet, maar huis-aan-huisbladen wel mogen worden bezorgd. 2.7 Tegen overtredingen van artikel 17 van de Afvalstoffenverordening 2009 treedt de gemeente niet bestuursrechtelijk op. Ook het Openbaar Ministerie handhaaft niet strafrechtelijk, al voorziet de verordening in een strafbepaling. De branche, de centrale overheid en de gemeenten hebben gekozen voor zelfregulering door de branche met gebruikmaking van de Stichting Reclame Code. Het principebesluit 2.8 De gemeenteraad heeft op 20 april 2016 besloten om een ‘opt-in-systeem’ voor ongeadresseerd reclamedrukwerk in te voeren (hierna: het principebesluit). Dat houdt in een verbod tot het bezorgen van ongeadresseerd reclamedrukwerk, tenzij de bewoner of gebruiker - met een sticker op de brievenbus - kenbaar heeft gemaakt dit wel te willen ontvangen. Met het principebesluit beoogt de gemeente een betere milieubescherming te realiseren door verspilling van papier tegen te gaan en het aantal kilometers te verminderen dat voertuigen moeten afleggen in het logistieke proces van de productie, verspreiding en het inzamelen van drukwerk. 2.9 Aan het principebesluit ligt onderzoek van Milieu Centraal uit 2014 ten grondslag. Milieu Centraal is een voorlichtingsorganisatie die huishoudens helpt informatie te krijgen om duurzame keuzes te maken. In de toelichting op het principebesluit staat hierover, voor zover relevant: “Volgens MilieuCentraal ontvangen huishoudens zonder brievenbusstickers gemiddeld 33 ongevraagde folders per week in hun brievenbus. Dat staat gelijk aan 34 kilo reclamedrukwerk per jaar. Daarbij gaat in drie op de tien huishoudens ook nog eens alles ongelezen bij het afval. Uit navraag bij verspreiders van huis-aan-huisreclamedrukwerk blijkt dat er in Amsterdam bij benadering 320.000 adressen zijn die geen beperkende sticker hebben aangebracht op de brievenbus. Dit betekent dat er in de stad gemiddeld per week 10.560.000 folders ongevraagd bij mensen in hun brievenbus belanden. Met de cijfers van MilieuCentraal als uitgangspunt staat dit gelijk aan 10.880.000 kilo drukwerk per jaar in Amsterdam. 30% van dit ongevraagde drukwerk wordt dus regelrecht bij het afval gedaan. Dat is zo’n 3.264.000 kilo reclamefolders aan pure verspilling per jaar. En dan zijn de huis-aan-huisbladen en geadresseerde reclamefolders nog niet eens meegerekend in de berekening. Bovendien wordt het drukwerk regelmatig als bundel in een plastic hoesje geleverd.” Rapportages 2.10 Milieu Centraal heeft op 11 april 2016 het rapport “Deskstudie Afvalpreventie, Het stimuleren van consumenten om minder afval te produceren” uitgebracht. Deze deskstudie bespreekt de consumenten- en gedragsinzichten rondom afvalpreventie, en hoe deze inzichten ingezet kunnen worden om consumenten te stimuleren tot afvalverminderend gedrag. Op pagina 39 van dit rapport (in hoofdstuk 9: “Pijler 3: Afvalarme varianten kiezen”, paragraaf 9.2 “huidig gedrag en houding”) staat: “Nog veel papier door de brievenbus, niet altijd gewenst Terwijl reclamefolders en de telefoongids tegenwoordig online geraadpleegd worden, ontvangen Nederlandse huishoudens zonder brievenbussticker nog gemiddeld 34 kilo aan reclamedrukwerk (Milieu Centraal 2013). De standaard (default) is momenteel dat een huishouden reclamedrukwerk ontvangt tenzij de bewoners met behulp van een brievenbussticker aangeven dit niet meer te willen. Ruim één op de vijf Nederlandse huishoudens heeft al een nee/nee- of een ja/nee sticker opgeplakt (MailDB, 2014). Deze zijn verkrijgbaar bij de gemeente of te bestellen via internet. Van de overige huishoudens, vindt 30% het reclamedrukwerk dat zij ontvangen, ongewenst. Door deze huishoudens te motiveren om eenmalig een brievenbussticker aan te vragen, wordt deze stroom blijvend voorkomen.'' 2.11 Team Vier en Reclamefolder.nl hebben in mei 2016 gezamenlijk het onderzoeksrapport “Het gebruik en de effecten van online folders, inzicht in effectiviteit van online folders, ook onder sticker bezitters” uitgebracht. Zij hebben onderzoek gedaan naar de populariteit van reclamedrukwerk in Amsterdam. Uit het onderzoek blijkt dat volgens de verspreiders van het drukwerk 45% van de huishoudens een sticker heeft geplakt en dus ongeveer 55% van de huishoudens in Amsterdam ongeadresseerd reclamedrukwerk ontvangt (pagina 26). Uit dit onderzoek blijkt verder dat in ieder geval 22% van de mensen die nog geen sticker hebben geplakt ongeadresseerd reclamedrukwerk niet op prijs stelt en geen JA/JA-sticker zal plakken, dat 50% wel een JA/JA sticker zal plakken en dat 28% van de mensen zonder sticker zegt nog niet te weten of zij een JA/JA sticker zal plakken. Omgerekend zegt 27% van alle Amsterdamse boodschappers van 20-49 jaar een JA/JA-sticker te zullen nemen, 16% van deze groep zegt expliciet dit niet van plan te zijn, 12% zegt het (nog) niet te weten (pagina 30). 2.12 Accountantskantoor Deloitte Financial Advisory Services B.V. (hierna: Deloitte) heeft op verzoek van Netwerk VSP onderzocht welke schade Netwerk VSP zal lijden als gevolg van de invoering van het opt-in-systeem. Zij heeft op 23 november 2016 hiervan een rapport uitgebracht. 2.13 KVGO heeft onderzocht welke schade haar leden zullen lijden als gevolg van de invoering van het opt-in-systeem. BDO Advisory B.V. (hierna: BDO) heeft het rapport van KVGO beoordeeld en hiervan op 5 december 2016 een rapport opgemaakt. 2.14 De gemeente heeft KPMG Corporate Finance (hierna: KPMG) gevraagd de rapportages van Deloitte en BDO te beoordelen. KPMG heeft op 14 maart 2017 hiervan een rapport opgesteld. Vervolgens hebben Deloitte en BDO hierop bij rapporten van 10 respectievelijk 11 augustus 2017 schriftelijk gereageerd. 2.15 Direct Research heeft op 4 augustus 2017 het rapport “Folderonderzoek Amsterdam” uitgebracht. Het onderzoek van Direct Research was toegespitst op het leesgedrag van de Amsterdamse bevolking met betrekking tot folders en de effecten van de invoering van het opt-in-systeem op dit gedrag. In het rapport staat onder meer dat van degenen die nu een folder ontvangen 32% aangeeft geen JA/JA-sticker te zullen plakken als het opt-in-systeem wordt ingevoerd (pagina 11). Daarmee wordt het bereik van folders in deze groep met een derde beperkt. Dit komt bovenop de (42% van

  1. de)Amsterdammers die, met een NEE/NEE of NEE/JA-sticker al hebben aangegeven geen folders te willen ontvangen. 2.16 Op 7 augustus 2017 heeft prof. dr. A.P.C. Faaij, als Distinguished Professor Energy System Analysis verbonden aan de Universiteit Groningen en tevens directeur van Energy Academy Europe (hierna: Faaij), op verzoek van MailDB c.s., schriftelijk gereageerd op het standpunt over de milieugevolgen van het opt-in-systeem dat de gemeente bij conclusie van antwoord heeft ingenomen. 2.17 Prof. dr. E. Worrell, hoogleraar Energy, Resources & Technological Change, verbonden aan het Copernicus Instituut voor Duurzame Ontwikkeling van de Universiteit Utrecht, heeft op 25 augustus 2017 een schriftelijke reactie op de bevindingen van Faaij opgesteld. Art. 17 Afvalstoffenverordening 2017 2.18 Bij besluit van 27 september 2017 (hierna: het raadsbesluit) heeft de gemeenteraad besloten tot een wijziging van de Afvalstoffenverordening 2009. Het besluit luidt, voor zover relevant: “Artikel 17 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden: 1) In dit artikel wordt verstaan onder:
  2. a)ongeadresseerd reclamedrukwerk: reclamedrukwerk of samples die gratis huis aan huis woorden verspreid zonder vermelding van naam, adres of postbus en woonplaats van de ontvanger, niet zijnde:
  3. i)een huis-aan-huisblad of andere informatie over werkzaamheden of activiteiten in de buurt die voor de bewoners/gebruikers van een woning, bedrijf of woonschip in die buurt van belang zijn om te weten;
  4. ii)drukwerk van vrijwilligers of niet-commerciële organisaties;
  5. b)Huis-aan-huisblad: ongeadresseerd blad dat met een vaste frequentie gratis huis aan huis wordt verspreid in een geografisch beperkt gebied, daarbij de indeling van de gemeente in zeven stadsdelen volgend en waarvan tenminste 10% van de inhoud bestaat uit informatie over en nieuws uit het eigen verspreidingsgebied, niet zijnde reclame; 2) Ongeadresseerd reclamedrukwerk mag uitsluitend bezorgd worden of laten worden bij een woning, bedrijf of woonschip als de bewoner of gebruiker kenbaar heeft gemaakt prijs te stellen op het ontvangen ervan; 3) Een huis-aan-huisblad mag worden bezorgd bij een woning, bedrijf of woonschip, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan.” 2.19 In het besluit zijn als basis voor het besluit vermeld de artikelen 147, 160 en 169 van de Gemeentewet en artikel 10.23 van de Wet Milieubeheer (hierna: Wm). 2.20 De gemeenteraad heeft vastgesteld dat de toelichting op artikel 17 en de aanpassing van de toelichting op artikel 22 als volgt komen te luiden: “Artikel 17 Ongeadresseerd reclamedrukwerk Artikel 17 heeft als doel om de verspreiding van ongewenst drukwerk te voorkomen. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan een van de doelen in het uitvoeringsplan afval 2016-2020: afvalpreventie. Deze regeling maakt daarmee onderdeel uit van de doelstelling in 2020 65% van het huishoudelijk afval te scheiden. Amsterdammers hebben met de komst van de nieuwe Ja/Ja sticker de volgende mogelijkheden om hun voorkeur ten aanzien van de ontvangst van commercieel reclamedrukwerk en/of de huis-aan-huisbladen kenbaar te maken: Tabel 1: Overzicht wanneer bezorging gewenst is en dus mag geschieden Toelichting artikel 17 In het eerste lid zijn de definities opgenomen met het onderscheid tussen ongeadresseerd reclamedrukwerk voor commerciële doeleinden en drukwerk van vrijwilligers- en overige niet commerciële organisaties, waaronder ook politieke partijen en huis-aan-huisbladen. Met ongeadresseerd reclamedrukwerk wordt in deze verordening bedoeld al het reclamedrukwerk dat zonder adres wordt aangeboden. Onder deze definitie vallen alle aanduidingen zonder toevoeging van een feitelijk adres, zoals bijvoorbeeld “aan de bewoners van dit pand of gebouw”. Drukwerk van vrijwilligers- en niet commerciële organisaties, waaronder ook politieke partijen, valt niet onder de definitie ‘ongeadresseerd drukwerk’. De gemeente kiest voor dit onderscheid omdat de huis- aan-huisbladen en pamfletten een belangrijke functie voor onder meer de nieuwsverspreiding op lokaal niveau en de sociale cohesie in de buurt hebben. Daarbij hebben deze bladen een lage frequentie. In de definitie van de ‘huis-aan-huisblad’ is een norm gehanteerd van 10% aan inhoudelijk buurtgericht nieuws. Hiermee sluit de Afvalstoffenverordening aan op de norm die landelijk door de Stichting Reclamecode gehanteerd wordt. In het tweede lid is bepaald dat de gemeente bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk uitsluitend toestaat als de ontvanger onmiskenbaar met een JA/JA- sticker duidelijk heeft gemaakt hij het ongeadresseerde reclamedrukwerk wil ontvangen. Daarbij gaat het niet alleen om de bezorging maar ook om het laten bezorgen. De adverteerders dienen zich ook aan het opt-in systeem te houden. In het derde lid is bepaald dat huis-aan-huisbladen bezorgd mogen worden, tenzij de ontvanger onmiskenbaar duidelijk heeft gemaakt deze bladen niet te willen ontvangen. Toelichting artikel 22 Het tweede lid bevat de strafmaat voor het enige artikel dat als een autonome bepaling in de verordening is opgenomen, namelijk artikel 17 dat handelt over het bezorgen en laten bezorgen van ongeadresseerd drukwerk. De overige bepalingen in de verordening vinden hun basis in de Wet milieubeheer en zijn in medebewind tot stand gekomen. Voor artikel 17 geldt dat op overtreding hiervan, naast het optreden op grond van het strafrecht zoals in dit artikel is bepaald, de gemeente een bestuurlijke boete op kan leggen, zoals is vastgelegd in artikel 1, lid 2 van de Verordening Bestuurlijke Boete Overlast in de Openbare Ruimte.” 2.21 De gemeenteraad heeft op 27 september 2017 tevens bepaald dat de gewijzigde Verordening – hierna: Afvalstoffenverordening 2017 - in werking treedt op 1 januari 2018. 3Procesverloop 3.1 Op 9 december 2016 hebben MailDB, Netwerk VSP en KVGO (hierna tezamen: MailDB c.s.) de Gemeente voor de rechtbank Amsterdam gedagvaard. Kort gezegd strekt hun vordering, na eiswijzigingen, tot: primair een verklaring voor recht dat het opt-in-systeem onrechtmatig is, een verbod voor de Gemeente om dit systeem te handhaven, veroordeling om € 292.307,-- aan MailDB c.s. te betalen alsmede om schade nog op te maken bij staat te vergoeden en publicatie van de uitkomst; subsidiair hetzelfde als primair is gevorderd met dien verstande dat slechts gedurende een termijn van vijf jaar handhaving van het opt-in-systeem wordt verboden; meer subsidiair een verklaring voor recht dat het opt-in-systeem onrechtmatig is voor zover niet aan MailDB c.s. schade wordt vergoed en veroordeling tot betaling aan MailDB c.s. van € 292.307,-- alsmede om schade op te maken bij staat te vergoeden; nog meer subsidiair hetzelfde als meer subsidiair behoudens veroordeling om schade op te maken bij staat te vergoeden; uiterst subsidiair die maatregelen en vorderingen uit te spreken die geraden worden geacht. 3.2 MailDB c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat het raadsbesluit tot invoering van het opt-in-systeem onrechtmatig jegens hen is. Op hoofdlijnen samenvat voeren zij aan dat het raadsbesluit: (
  6. i)gebaseerd is op beleidsmatige en feitelijke onjuistheden; (
  7. ii)leidt tot een onevenredige aantasting van de (financiële) belangen van MailDB c.s.; en (iii) de Europese en nationaalrechtelijke grenzen van de wettelijke bevoegdheden van de Gemeente miskent. Invoering van het opt-in-systeem is in strijd met de richtlijn oneerlijke handelspraktijken (Richtlijn 2005/29/EG), artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, al dan niet in verbinding met artikel 14 EVRM en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Wet Milieubeheer (Wm) en de Gemeentewet bieden geen wettelijke grondslag voor de invoering van het opt-in-systeem. Voorts stellen MailDB c.s. dat zij schade lijden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Gemeente. Zij verwijzen daarvoor naar schaderapporten van Deloitte en BDO. De Gemeente heeft verweer gevoerd. De rechtbank Amsterdam heeft bij eindvonnis van 22 november 2017 de vorderingen afgewezen. 3.3 MailDB c.s. zijn, met wijziging van hun eis, van het eindvonnis in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof Amsterdam. De Gemeente heeft de grieven en de gewijzigde eis bestreden. Het hof heeft bij arrest van 24 september 2019 het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd. 3.4 KVGO en MailDB hebben bij procesinleiding van 23 december 2019 tijdig cassatieberoep ingesteld tegen dit arrest. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichtingen, waarna KVGO en MailDB hebben gerepliceerd en de Gemeente heeft gedupliceerd. 4Bespreking van onderdeel 1 van het middel (het Unierecht) 4.1 Onderdeel 1 van het cassatiemiddel betreft in de eerste plaats het beroep van MailDB c.s. op de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (hierna: Richtlijn OHP). Dit beroep berust op de gedachte dat de verspreiding van ongeadresseerd reclamedrukwerk een handelspraktijk is en dat de Richtlijn OHP handelspraktijken exclusief regelt, zodat de Gemeente dit niet kan doen. In verband met het oordeel dat de Richtlijn OHP niet van toepassing is op het besluit tot invoering van het opt-in-systeem, klagen de subonderdelen 1.1. en 1.2 over de wijze waarop het hof het doel van dit besluit heeft vastgesteld. Volgens subonderdeel 1.3 had dit besluit in ieder geval, ook als het niet onder de Richtlijn OHP zou vallen, op grond van art. 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) bij de Europese Commissie aangemeld moeten worden. Subonderdeel 1.4 betreft het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU). 4.2 In rov. 2.8 overwoog het hof dat de Gemeente met het principebesluit beoogt een betere milieubescherming te realiseren. Na de stellingen van partijen over de toepasselijkheid van de Richtlijn OHP te hebben weergegeven (rov. 3.4-3.6), overweegt het hof: “3.7. (…) De toepasselijkheid van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken wordt bepaald door het doel van het voorgenomen besluit tot invoering van het opt-in-systeem. Uit het initiatiefvoorstel (…), dat ten grondslag ligt aan het principebesluit van 20 april 2016, blijkt niet dat het opt-in-systeem strekt tot bescherming van een economisch belang van de consument, noch tot regulering van een op de consument gerichte agressieve handelspraktijk. Daar waar in het Initiatiefvoorstel (blz. 2-3 Initiatiefvoorstel) het belang van de consument wordt genoemd, betreft dat – kort weergegeven – het belang van burgers om verspilling in de vorm van onnodig afval van papier en plastic en verspilling van energie voor productie en transport te voorkomen. Hetgeen MailDB c.s. overigens hebben aangevoerd, zoals de stelling dat in het Initiatiefwetsvoorstel wordt gerefereerd aan het belang van vele milieubewuste Amsterdammers die in het opt-outsysteem ongeadresseerd drukwerk ontvingen terwijl men daarvan niet was gediend en daarvan in het opt-in-systeem bevrijd blijven zonder dat daarvoor enige actie van hen wordt verlangd, maakt dat niet anders. Hieruit volgt dat de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken niet van toepassing is op het besluit tot invoering van het opt-in-systeem, zodat het hof niet toekomt aan de vraag of rechtstreekse toetsing aan die Richtlijn mogelijk is. Grief 2 faalt mitsdien.” In rov. 3.8 verwerpt het hof het standpunt van MailDB c.s. (in hun grief 3) dat uit een antwoord van Eurocommissaris Jourová op een vraag in het Europees Parlement volgt dat de Richtlijn OHP van toepassing is, omdat uit dit antwoord blijkt dat ook de Eurocommissaris onderkent dat de Richtlijn OHP niet van toepassing is indien het doel van de maatregel niet gelegen is in de bescherming van een economisch belang van consumenten. 4.3.1 Ik stel het volgende voorop. De Richtlijn OHP heeft als doelen het bijdragen aan de goede werking van de interne markt en het tot stand brengen van een hoog niveau van consumentenbescherming (art. 1). De richtlijn beoogt maximumharmonisatie (art. 4) van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van consumenten schaden. Lidstaten mogen in de gevallen waarin de richtlijn van toepassing is geen andere c.q. strengere eisen stellen. Het toepassingsgebied van Richtlijn OHP wordt bepaald door art. 3, in samenhang met art. 2 dat definities bevat. 4.3.2 De Richtlijn OHP is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een goed of dienst (art. 3 lid 1 in verbinding met art. 2 onder c). De richtlijn reguleert daarmee het gehele traject tot en met verkoop of levering van een product aan consumenten, alsmede service en klachtenbehandeling. Onder het begrip handelspraktijk wordt ingevolge art. 2 onder d Richtlijn OHP verstaan: “(…) iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten;” Het Hof van Justitie heeft de ruime interpretatie van het begrip handelspraktijk herhaaldelijk bevestigd. De breedheid van het begrip, en daarmee het toepassingsbereik van de Richtlijn OHP, wordt echter begrensd door het vereiste dat de praktijk rechtstreeks verband houdt met de verkoop(bevordering). De richtlijn reguleert dus iedere handelspraktijk, maar slechts voor zover die praktijk een mogelijk effect heeft op het economische gedrag van consumenten. De Richtlijn OHP is niet van toepassing op handelspraktijken die hoofdzakelijk voor andere doeleinden bedoeld zijn. Subonderdeel 1.1 4.4 Subonderdeel 1.1 klaagt in de procesinleiding nr. 5 dat het hof in rov. 3.7 ten onrechte de bewoordingen, althans een uitleg van het Initiatiefvoorstel bij zijn beoordeling centraal stelt. Het hof had moeten beoordelen of de invoering van het opt-in-systeem de facto als doel heeft om economische belangen van consumenten te behartigen. Door MailDB c.s. is uiteengezet dat het opt-in-systeem de facto tot doel heeft de economische belangen van consumenten beschermen. Het oordeel is althans ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof heeft nagelaten deze feitelijke gevolgen van het opt-in-systeem voldoende kenbaar in zijn oordeel te betrekken, aldus het subonderdeel. 4.5 Deze klachten slagen naar mijn mening niet. 4.6.1 Onderdeel 1.1 klaagt, terecht, niet over het oordeel (in rov. 3.7) dat de toepasselijkheid van de Richtlijn OHP bepaald wordt door het doel van het voorgenomen besluit tot invoering van het opt-in-systeem. Wat het doel is van de regeling, dient door de nationale rechter te worden vastgesteld. Doorslaggevend is dus niet de vraag of de ongevraagde toezending van reclamedrukwerk zou kunnen worden gekwalificeerd als een handelspraktijk in de zin van de Richtlijn OHP. Het gaat erom of de Gemeente met het opt-in-systeem een regeling beoogt te treffen die (alleen) een milieudoelstelling heeft dan wel (ook) de bescherming van de economische belangen van consumenten zoals bedoeld in de Richtlijn OHP tot doel heeft. 4.6.2 Het hof heeft (in rov. 2.8) vastgesteld dat de Gemeente met het principebesluit van de gemeenteraad van 20 april 2016 beoogt een betere milieubescherming te realiseren, en (in rov. 3.7) overwogen dat het doel van de regeling niet – waaronder, zo voeg ik toe, ook is te verstaan: niet mede − is gelegen in de bescherming van de economische belangen van consumenten. Het is niet onjuist dat het hof het doel van het besluit tot invoering van het opt-in-systeem toetst aan (de bewoordingen van) het initiatiefvoorstel dat ten grondslag ligt aan het principebesluit, nu het hof daarmee reageert op de in rov. 3.5 genoemde stelling van MailDB c.s. dat uit (de tekst van) het principebesluit blijkt dat de Gemeente mede het economische belang van consumenten wil beschermen. 4.7.1 Volgens het subonderdeel had het hof ook moeten beoordelen of het opt-in-systeem de facto als doel heeft de economische belangen van consumenten te beschermen en heeft het hof nagelaten deze feitelijke gevolgen van het opt-in-systeem voldoende kenbaar in zijn oordeel te betrekken. Gezien de stellingen van MailDB c.s. waarnaar de klacht verwijst, dient hieronder het volgende te worden verstaan. 4.7.2 In feitelijke instanties hebben MailDB c.s. aangevoerd, kort gezegd, dat de Richtlijn OHP ook van toepassing is wanneer een maatregel die een handelspraktijk verbiedt of aan banden legt, feitelijk tot gevolg heeft dat de praktijk als oneerlijk wordt bestempeld (dus verboden of anderszins aan banden gelegd wordt) respectievelijk dat het specifieke oogmerk waarmee de maatregel wordt ingevoerd niet uitmaakt, omdat doorslaggevend is of de maatregel in kwestie feitelijk tot gevolg heeft dat de praktijk als oneerlijk wordt bestempeld door deze te verbieden of (verder) aan banden te leggen. Hierop aansluitend, hebben MailDB c.s. aangevoerd dat uit het principebesluit en de toelichting op het besluit volgt dat de invoering van het opt-in-systeem ertoe strekt de consument te beschermen. In verband met dit laatste wezen MailDB c.s. erop dat in de voorbereidende en toelichtende stukken wordt gesproken van het ‘niet nuttig’ vinden van ongeadresseerd drukwerk, van het ‘ongevraagd’ ontvangen van ongeadresseerd drukwerk en van het voorkomen van de verspreiding van ‘ongewenst’ drukwerk. Voorts wezen MailDB c.s. erop dat de Gemeente in haar memorie van antwoord nr. 2.4 ook spreekt van het niet op prijs stellen van het ontvangen van ongeadresseerd reclamedrukwerk. 4.7.3 Hieruit volgt dat de stellingen van MailDB c.s. over het ‘de facto’ of ‘daadwerkelijke’ doel van het opt-in-systeem inhouden dat dit systeem (mede) tot doel heeft om economische belangen van consumenten te behartigen omdat dit volgens MailDB c.s. blijkt uit de kwalificaties van ongeadresseerd reclamedrukwerk als (voor een deel van de ontvangers ervan) ‘niet nuttig’, ‘ongevraagd’ of ‘ongewenst’ en dergelijke. Het hof verwijst naar deze stellingen in rov. 3.5. Het hof heeft vervolgens in rov. 3.7 de betekenis van dergelijke kwalificaties onderzocht. Het hof heeft daarmee dus, anders dan subonderdeel 1.1 in de procesinleiding nr. 5 aanvoert, de stellingen van MailDB c.s. beoordeeld die zagen op het de facto doel c.q. de feitelijke gevolgen van het opt-in-systeem. 4.8.1 Het hof oordeelt in rov. 3.7 als volgt over deze stellingen. De verwijzing in het Initiatiefvoorstel naar het belang van de consument betreft volgens het hof het belang van burgers om verspilling in de vorm van onnodig afval van papier en plastic en verspilling van energie voor productie en transport te voorkomen. Het hof voegt daaraan toe dat hetgeen overigens is aangevoerd − zoals de stelling dat in het Initiatiefwetsvoorstel wordt gerefereerd aan het belang van vele milieubewuste Amsterdammers die in het opt-out-systeem ongeadresseerd drukwerk ontvingen terwijl men daarvan niet was gediend en daarvan in het opt-in-systeem bevrijd blijven zonder dat daarvoor enige actie van hen wordt verlangd − het oordeel van het hof niet anders maakt. 4.8.2 Hiermee heeft het hof naar mijn mening afdoende gereageerd op de stellingen van MailDB c.s. De besluitvorming rond de invoering van het opt-in-systeem berust op de gedachte dat ongeadresseerd reclamedrukwerk voor een deel van de ontvangers ervan ‘niet nuttig’, ‘ongevraagd’ of ‘ongewenst’ en dergelijke is. Volgens MailDB c.s. duiden dergelijke kwalificaties van ongeadresseerd reclamedrukwerk erop dat het opt-in-systeem ook de belangen dient van consumenten die geen prijs stellen op de ontvangst van dergelijk drukwerk, ook omdat zij in het nieuwe systeem geen NEE/NEE-sticker of NEE/JA-sticker meer behoeven op te halen (zie rov. 3.5). Volgens de Gemeente gaat het alleen om voorkomen van verspilling doordat een drempel wordt weggenomen voor burgers die geen prijs stellen op de ontvangst van dit materiaal omdat zij, anders dan in het opt-out-systeem, niet langer actie behoeven te ondernemen door het aanvragen van een NEE/NEE-sticker of een NEE/JA-sticker. Het is uiteindelijk een kwestie van waardering van het feitenmateriaal hoe dergelijke kwalificaties in het kader van de voorbereiding van het opt-in-systeem moeten worden uitgelegd bij het bepalen van de vraag welk(
  8. e)doel(
  9. en)door de Gemeente met het opt-in-systeem wordt nagestreefd. 4.8.3 De gedachte dat er in deze zaak een verschil zou bestaan tussen het formeel met de regeling beoogde doel (milieubescherming) en het daadwerkelijke doel van de regeling (consumentenbescherming), vindt geen steun in het arrest van het hof. 4.8.4 Uit de omstandigheid dat de ongevraagde toezending van reclamedrukwerk (volgens MailDB c.s.) moet worden gekwalificeerd als een handelspraktijk in de zin van de Richtlijn OHP, lijken MailDB c.s. af te leiden dat het opt-in-systeem feitelijk dus (ook) een handelspraktijk regelt, zodat het besluit tot invoering van dit systeem onder de Richtlijn OHP valt. Deze redenering ziet er echter aan voorbij dat voor toepasselijkheid van de Richtlijn OHP bepalend is het doel van het opt-in-systeem. 4.8.5 MailDB c.s. betogen in cassatie nog dat de Gemeente uitgaat van een waardeoordeel dat ongeadresseerd reclamedrukwerk, in tegenstelling tot huis-aan-huisbladen, niet nuttig is en dat het opt-in-systeem daarom minstens indirect de belangen van consumenten behartigt. Voor zover dit betoog al feitelijke grondslag heeft, stuit het af op rov. 3.7. Het hof verwijst in rov. 3.7 naar p. 2-3 van het Initiatiefvoorstel, waar onder meer de kwalificatie ‘niet nuttig’ staat. Het hof beziet dus ook die kwalificatie in het licht van de milieudoelstelling van het opt-in-systeem, en niet in het licht van een consumentendoelstelling zoals door MailDB c.s. was bepleit. 4.8.6 Kortom, anders dan subonderdeel 1.1 in de procesinleiding nr. 5 aanvoert, behoefde het hof zijn oordeel niet nader te motiveren om begrijpelijk te zijn. In het bijzonder behoefde het hof ook niet afzonderlijk te reageren op de verwijzing naar de situatie bij digitale mailings of het klachtensysteem bij de ontvangst van ongevraagd drukwerk. 4.9 De overige klachten van subonderdeel 1.1 kunnen na het voorgaande kort worden besproken. 4.10.1 Anders dan subonderdeel 1.1 in de procesinleiding nrs. 6 en 7 aanvoert, kan naar mijn mening niet gesteld worden dat het oordeel in rov. 3.7 onjuist of onbegrijpelijk is omdat het hof daarin een onjuiste, onvoldoende gemotiveerde of onbegrijpelijke uitleg zou geven aan het begrip ‘economische belangen van consumenten’. 4.10.2 De klachten komen erop neer dat onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof de eerder genoemde kwalificaties van ongeadresseerd reclamedrukwerk als ‘ongevraagd’ of ‘ongewenst’ en dergelijke, niet heeft opgevat als een indicatie dat het opt-in-systeem (mede) de economische belangen van consumenten behartigt. Zoals gezegd, is het oordeel van het hof op dit punt niet onbegrijpelijk te noemen. De Gemeente heeft verder het ontvangen van ‘ongewenst’ of ‘ongevraagd’ drukwerk in verband gebracht met de milieudoelstelling van het opt-in-systeem, zodat het oordeel in rov. 3.7 evenmin onbegrijpelijk is te noemen in het licht van dit aspect van het partijdebat. In rov. 3.7 toetst het hof hetgeen MailDB c.s. blijkens rov. 3.5 hebben gesteld over de economische belangen van consumenten. Het hof concludeert, kort gezegd, dat het opt-in-systeem geen economische belangen van consumenten regelt, omdat het alleen een milieudoelstelling heeft. Niet valt in te zien dat het hof hierbij van een onjuiste rechtsopvatting over het begrip economische belangen van consumenten is uitgegaan of dat onduidelijk is wat het hof hieronder verstaat. 4.10.3 Het hof heeft in rov. 2.8 vastgesteld dat de Gemeente met het principebesluit beoogt een betere milieubescherming te realiseren door (onder meer) verspilling van papier tegen te gaan. Het hof heeft in rov. 2.8 kennelijk nog niet tot uitdrukking willen brengen dat het principebesluit ‘louter’ dit doel heeft, zoals de klacht veronderstelt. Het hof onderzoekt immers in rov. 3.7 en 3.8 of er (ook) een doelstelling is om economische belangen van consumenten te behartigen. In zoverre berust de klacht op een onjuiste lezing van rov. 2.8. 4.11 Anders dan subonderdeel 1.1 in de procesinleiding nr. 8 aanvoert, meen ik dat uit de wijze waarop het hof de in de klacht bedoelde stelling van MailDB c.s. in rov. 3.7 heeft weergeven, niet kan worden afgeleid dat het hof een onbegrijpelijke uitleg aan de stellingen van MailDB c.s. heeft gegeven. Zoals hierboven is opgemerkt, heeft het hof gereageerd op de stellingen van MailDB c.s. over kwalificaties van ongeadresseerd reclamedrukwerk als ‘niet nuttig’ of ‘ongewenst’ en dergelijke. Subonderdeel 1.2 4.12 Subonderdeel 1.2 klaagt in de procesinleiding nr. 9 dat het hof in rov. 3.5 een onbegrijpelijke uitleg geeft aan de stellingen van MailDB c.s. omdat MailDB c.s., anders dan het hof overweegt, hun grief 2 niet hebben toegelicht met de stelling dat de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk een agressieve handelspraktijk is, en in de procesinleiding nr. 10 dat het hof het toepassingsbereik van de Richtlijn OHP ten onrechte heeft vastgesteld op basis van art. 8 Richtlijn OHP. 4.13.1 De klacht in de procesinleiding nr. 10 berust op een onjuiste lezing van het arrest en faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het oordeel in rov. 3.7 dat de Richtlijn OHP niet van toepassing is, wordt zelfstandig gedragen door de overweging, kort gezegd, dat niet blijkt dat het opt-in-systeem strekt tot bescherming van een economisch belang van de consument. Het hof heeft het toepassingsbereik van de Richtlijn OHP dus niet vastgesteld op basis van art. 8 Richtlijn OHP, waarin agressieve handelspraktijken worden omschreven. Het hof overweegt weliswaar in rov. 3.7 ook dat geen sprake is van regulering van een agressieve handelspraktijk – kennelijk in reactie op zijn lezing van de stellingen van MailDB c.s. op dit punt −, maar dit is een overweging ten overvloede die niets toevoegt aan het oordeel dat de Richtlijn OHP gezien het doel van het besluit tot invoering van het opt-in-systeem niet van toepassing is. 4.13.2 Gezien het voorgaande, is verder niet van belang of het toezenden van ongeadresseerd reclamedrukwerk al dan niet een op consumenten gerichte agressieve handelspraktijk zou zijn. Dat sprake zou zijn van een agressieve handelspraktijk hebben MailDB c.s., zoals de klacht in de procesinleiding nr. 9 aanvoert, overigens inderdaad niet op die manier gesteld. Deze klacht over de lezing van de stellingen van MailDB c.s. slaagt dus weliswaar, maar kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. 4.13.3 Ten slotte faalt subonderdeel 1.2 voor zover het voortbouwt op subonderdeel 1.1 om de redenen die zijn gegeven bij de bespreking van subonderdeel 1.1. Subonderdeel 1.3 4.14 Subonderdeel 1.3 klaagt niet over de lezing die het hof in rov. 3.8 geeft aan de uitlating van de Eurocommissaris Jourová. Het subonderdeel klaagt in nr. 11 van de procesinleiding dat het hof miskent dat invoering van het systeem in strijd is met art. 114 VWEU omdat het niet bij de Europese Commissie is aangemeld, althans dat het hof in zoverre een onbegrijpelijk oordeel geeft. Het subonderdeel klaagt in nr. 12 van de procesinleiding dat het hof een onbegrijpelijke uitleg aan de stellingen van MailDB c.s. geeft, omdat deze stellingen inhielden dat zelfs als het opt-in-systeem niet onder het toepassingsbereik van de Richtlijn OHP valt, dit bij de Europese Commissie aangemeld had moeten worden. 4.15.1 Art. 114 VWEU dient de realisatie van de (werking van
  10. de)interne markt. De bepaling geldt als rechtsgrondslag voor harmonisatie door middel van de (normale) Europese wetgevingsprocedure, tenzij de verdragen specifieke bepalingen bevatten voor regulering van rechtsgebieden. De klacht doelt kennelijk op de notificatieprocedure van art. 114, leden 4-6 (in het bijzonder lid 5), VWEU. Indien een lidstaat, nadat een harmonisatiemaatregel is genomen, het noodzakelijk acht om bestaande nationale bepalingen te handhaven (lid 4) dan wel te treffen (lid 5) in verband met onder meer de bescherming van het milieu, dan dient daarvan kennis te worden gegeven aan de Commissie die nagaat of de bepalingen al dan niet een middel tot willekeurige discriminatie, een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten of een belemmering voor de werking van de interne markt vormen (lid 6). 4.15.2 De notificatieprocedure van art. 114, leden 4-6, VWEU betreft gevallen waarin een (onderdeel van een) lidstaat nationale bepalingen wil handhaven of invoeren die afwijken van wat in een harmonisatiemaatregel is bepaald, en wel door meer bescherming te bieden dan de maatregel zelf toelaat (afwijken ‘naar boven’). Dit veronderstelt dat de notificatieprocedure van art. 114, leden 4-6, VWEU betrekking heeft op nationale bepalingen die vallen binnen het toepassingsbereik van de betrokken harmonisatiemaatregel waarvan deze bepalingen afwijken. 4.15.3 Van dit laatste is in deze zaak geen sprake, zoals de Gemeente ook heeft betoogd. Het hof heeft immers – door onderdeel 1 vergeefs bestreden – geoordeeld dat het opt-in-systeem van de Gemeente gezien zijn doelstelling niet valt onder het toepassingsbereik van de Richtlijn OHP. De stelling dat toezending van reclame onder de Richtlijn OHP valt, volstaat niet voor de conclusie dat het opt-in-systeem onder de notificatieverplichting van art. 114 VWEU valt. Omdat het opt-in-systeem niet onder de Richtlijn OHP valt, kan het ook niet worden beschouwd als een notificatieplichtige afwijking daarvan. MailDB c.s. hebben inderdaad de in nr. 12 van de procesinleiding bedoelde stelling ingenomen (in de memorie van grieven nr. 77). Ik meen dat het hof dit niet heeft miskend, maar heeft geoordeeld dat het niet afzonderlijk op deze stelling behoefde te reageren. In het licht van het voorgaande is dit oordeel onjuist noch onbegrijpelijk. Hierop stuiten de klachten van subonderdeel 1.3. af. Subonderdeel 1.4 4.16 Subonderdeel 1.4 betoogt dat de subonderdelen 1.1 tot en met 1.3 kwesties aan de orde stellen – het toepassingsbereik van de Richtlijn OHP, het begrip ‘economisch belang van consumenten’ en de toepassing van art. 114 VWEU − waarover de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het HvJEU dient te stellen. 4.17 Voor het stellen van vragen is naar mijn mening geen aanleiding. Uit de bespreking van subonderdelen 1.1 en 1.2 is gebleken, dat het middel niet klaagt over de in rov. 3.7 door het hof gehanteerde maatstaf om te beoordelen of de Richtlijn OHP van toepassing is. De klachten zien wel op de toepassing die het hof aan die maatstaf heeft gegeven in het licht van hetgeen partijen in deze procedure hebben aangevoerd. Over dit laatste zal het HvJEU zich geen oordeel vormen, omdat de toepassing van de maatstaf is overgelaten aan de nationale rechter. Voorts bleek uit de bespreking van subonderdeel 1.3 dat dit subonderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting aangaande art. 114, leden 4-6, VWEU. Dat lijkt mij een acte clair, zodat de nationale rechter daarover geen vragen aan het HvJ behoeft te stellen. Het subonderdeel vermeldt geen Unierechtelijke harmonisatiemaatregel op het gebied van milieu waarvan het opt-in-systeem zou afwijken. Slotsom 4.18 Onderdeel 1 slaagt niet. 5Bespreking van onderdeel 2 het middel (bevoegdheid van de Gemeente) 5.1 Onderdeel 2 van het cassatiemiddel betreft de vraag of de Gemeente bevoegd is tot invoering van het opt-in-systeem. Volgens de daarop gegeven toelichting berusten de bepalingen van de Afvalstoffenverordening op de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm), en zijn deze dus in medebewind tot stand gekomen, behoudens art. 17 dat als een autonome bepaling − dat wil zeggen op grond van de verordenende bevoegdheid krachtens de Gemeentewet − in de verordening is opgenomen (rov. 2.20). Het hof heeft echter, in cassatie onbestreden, aan zowel de Wet Milieubeheer als de Gemeentewet getoetst (rov. 3.12) en geconcludeerd dat deze wetten de benodigde bevoegdheidsgrondslag bieden. Daartoe overwoog het hof, kort gezegd, als volgt. Volgens art. 10.23 Wm kunnen in een Afvalstoffenverordening ook regels worden opgenomen die betrekking hebben op het voorkomen dan wel het verminderen van afval. Daarbij moet krachtens art. 10.4 Wm rekening worden gehouden met het Landelijke Afvalbeheerplan (hierna: LAP); het opt-in-systeem geeft uitvoering aan de doelstelling afvalpreventie van LAP 2 en LAP 3 (rov. 3.14). Ongeadresseerd reclamedrukwerk moet als afval worden aangemerkt, althans door beperking van de verspreiding daarvan wordt voorkomen dat afval ontstaat (rov. 3.15). Daarom valt het opt-in-systeem binnen de ruime reikwijdte van art. 10.23 Wm (rov. 3.16). Hieraan staat art. 9.5.2 Wm niet in de weg nu dit niet tot doel heeft om aan het Rijk de exclusieve bevoegdheid toe te kennen tot het stellen van regels ter preventie van afvalstoffen (rov. 3.18) en geenszins uitsluit dat naast nationale regels ook regels op gemeentelijk niveau kunnen worden gesteld (rov. 3.21). De wettelijke grondslag voor art. 17 Afvalstoffenverordening kan ook gevonden worden in de autonome regelgevende bevoegdheid van art. 108 en 149 Gemeentewet, omdat uit art. 21.7 Wm volgt dat gemeenteraden bevoegd blijven ten aanzien van het onderwerp waarin hoofdstuk 10 Wm voorziet zolang een verordening van de gemeenteraad niet in strijd is met de Wet milieubeheer. Dit sluit aan bij art. 121 van de Gemeentewet (rov. 3.19). Onvoldoende is toegelicht dat art. 17 Afvalstoffenverordening in strijd is met de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelingen (rov. 3.20) en waarom LAP 2 en LAP 3 zich zouden verzetten tegen een afvalpreventiemaatregel door een gemeente, zoals het opt-in-systeem (rov. 3.21). 5.2 Hierover klagen de subonderdelen 2.1-2.6. Subonderdeel 2.1 betreft het oordeel dat het ongeadresseerde reclamedrukwerk een afvalstof is. Subonderdeel 2.2 stelt dat art. 10.23 Wm geen grondslag biedt omdat dit niet ziet op het voorkomen van afvalstoffen. Subonderdeel 2.3 betreft de verwijzing naar het LAP. Subonderdeel 2.4 betreft het oordeel dat uit art. 9.5.2 Wm niet volgt dat het Rijk exclusief bevoegd is. Volgens subonderdeel 2.5 biedt art. 149 Gemeentewet geen basis voor de invoering van een opt-in-systeem omdat dit geen gemeentelijk belang als bedoeld in art. 108 Gemeentewet dient. Aansluitend bestrijdt subonderdeel 2.6 de overweging over art. 121 Gemeentewet. Wet milieubeheer 5.3 De overwegingen van het hof scharnieren om zijn oordelen (
  11. i)dat volgens art. 10.23 Wm in een afvalstoffenverordening ook regels kunnen worden opgenomen die betrekking hebben op het voorkomen dan wel het verminderen van afval en (
  12. ii)dat art. 9.5.2 Wm hieraan niet in de weg staat. Daartoe verken ik de relevante bepalingen van de Wet milieubeheer. Tenzij anders aangegeven, ga ik hierna uit van de versie van die wet die gold toen het opt-in-systeem van art. 17 Afvalstoffenverordening werd vastgesteld. 5.4 Hoofdstuk 10 Wm bevat bepalingen over afvalstoffen. Volgens art. 1.1 lid 1 Wm zijn ‘afvalstoffen’ alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Hoofdstuk 10 Wm bevat regels over het afvalbeheerplan (titel 10.2) en over het beheer van huishoudelijke en andere afvalstoffen (titel 10.4). Het afvalbeheerplan 5.5 Het afvalbeheerplan wordt periodiek door de minister vastgesteld (art. 10.3 Wm). Het derde landelijk afvalbeheerplan (LAP 3) is eind 2017 in werking getreden. Voordien gold vanaf 2009 LAP 2. Het LAP bevat de uitgangspunten en doelstellingen van het afvalstoffenbeleid en bepaalt op welke wijze voor de verschillende afvalstromen en voor de verschillende wijzen van beheer vorm zal worden gegeven aan het begrip ‘doelmatig beheer van afvalstoffen’. In verband daarmee verwijst art. 1.1 lid 1 voor het ‘doelmatig beheer van afvalstoffen’ naar het landelijk afvalbeheerplan. 5.6 Art. 10.4 lid 1 bepaalt dat bij de vaststelling van het afvalbeheerplan en bij het nemen van andere maatregelen voor de preventie en het beheer van afvalstoffen als prioriteitsvolgorde de volgende afvalhiërarchie geldt: preventie, voorbereiding voor hergebruik, recycling, andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning en veilige verwijdering. Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken (art. 10.5). Toetsing aan het afvalbeheerplan 5.7.1 Het LAP is richtinggevend voor het beleid van diverse overheden, zoals gemeenten, die op grond van de Wet milieubeheer bevoegdheden hebben op het terrein van afvalstoffen. Bestuursorganen moeten bij de uitoefening van de bevoegdheden krachtens de Wet milieubeheer toetsen aan het afvalbeheerplan. Daartoe bepaalt Titel 10.2 in art. 10.14 lid 1 Wm: “1. Ieder bestuursorgaan houdt rekening met het geldende afvalbeheerplan bij het uitoefenen van een bevoegdheid krachtens deze wet, voor zover de bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalstoffen.” 5.7.2 De term ‘met betrekking tot afvalstoffen’ is volgens de toelichting: “ruimer dan «in het belang van de doelmatige verwijdering van afvalstoffen». Ook het voorkomen van het ontstaan van afvalstoffen en het innemen van een product na toepassing vallen eronder. Bij de vraag of een bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalstoffen, gaat het om de uitoefening van de bevoegdheid in de concrete situatie. De bevoegdheden van hoofdstuk 10 worden uiteraard steeds uitgeoefend met betrekking tot afvalstoffen. In andere gevallen moet naar de omstandigheden van het geval worden geoordeeld. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bevoegdheden krachtens hoofdstuk 8.” De gemeenteraad stelt volgens hoofdstuk 10 een afvalstoffenverordening vast (art. 10.23). Het college van burgemeester en wethouders verstrekt in bepaalde gevallen voor aangewezen inrichtingen als bevoegd gezag een (omgevings)vergunning. Tot 1 oktober 2020 was dit bepaald in hoofdstuk 8 Wm (art. 8.2 (oud) Wm), vanaf die datum in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (art. 2.4 Wabo). Ook gemeenten kunnen zich dus, binnen bepaalde grenzen, bezighouden met de preventie van afvalstoffen. 5.8 Omdat een bestuursorgaan alleen ‘bij het uitoefenen van een bevoegdheid krachtens deze wet’ rekening houdt met het plan, strekt de toetsing aan het plan niet verder dan de bevoegdheid strekt. Zo zullen bij de hantering van de bevoegdheden waar het betreft de vergunningverlening voor inrichtingen, alleen de inrichtinggebonden gevolgen mogen worden meegenomen en niet de gevolgen van bijvoorbeeld het op de markt brengen van producten. Dit laatste is immers blijkens art. 9.5.2 op landelijk niveau belegd (zie hierna in 5.9.e.v.). Dit volgt ook uit art. 10.4 lid 2 Wm. De in art. 10.4 lid 1 bedoelde afvalhiërarchie geldt ook wanneer gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders maatregelen als bedoeld in het eerste lid nemen (art. 10.4 lid 2). Daarom kunnen gemeenten bij de vergunningverlening aan bedrijven ook doen aan de bevordering van preventie, voor zover hun bevoegdheid strekt. Landelijke preventieve maatregelen 5.9 Hoofdstuk 9 Wm bevat bepalingen over stoffen, mengsels en producten alsmede genetisch gemodificeerde organismen. Art. 9.5.2 Wm maakt deel uit van ‘Titel 9.5. Overige bepalingen met betrekking tot stoffen, preparaten en producten’ en bepaalt: “1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter stimulering van hergebruik, preventie, recycling en andere nuttige toepassing, van een doelmatig beheer van afvalstoffen of anderszins in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, in ontvangst nemen, innemen, nuttig toepassen en verwijderen van bij de maatregel aangewezen stoffen, mengsels of producten of afvalstoffen. (…).” 5.10.1 Voorlopers van deze bepaling zijn per 1 januari 1994 opgenomen in titel 10.2 Preventie (art. 10.4 – 10.6) Wm. Daarbij is toegelicht dat het gaat om brongericht beleid dat betrekking heeft op het voorkomen en beperken van het ontstaan van afvalstoffen. De regels houden in dat ten aanzien van producten waarvan kan worden vastgesteld dat zij als afvalstof tot belangrijke problemen (kunnen) leiden, adequate mogelijkheden tot regulering in de fase van het ontstaan mogelijk zijn. Daarbij is uiteengezet dat de primaire verantwoordelijkheid voor de beleidsbepaling op landelijk niveau ligt, omdat: “vooral vanwege de invloeden op de concurrentiepositie van bedrijven, produktgerichte maatregelen welke het ontstaan van afvalstoffen voorkomen of beperken, slechts op nationaal niveau en gelet op de open Nederlandse markt nog vaker alleen in internationaal verband [kunnen] worden getroffen.” 5.10.2 Per 8 mei 2002 is de bestaande titel 10.2 Preventie vervallen (titel 10.2 zou voortaan het afvalbeheerplan regelen) en is in de plaats daarvan titel 10.3 Preventie en nuttige toepassing (art. 10.15 – 10.18) in de Wm opgenomen. Hierin was, onder meer, bepaald dat bij AMvB ter stimulering van preventie ten aanzien van aangewezen categorieën van stoffen, preparaten of producten of afvalstoffen regels kunnen worden gesteld over het ontwikkelen, vervaardigen, behandelen, toepassen, verwerken, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, in ontvangst nemen of invoeren ervan door producenten (art. 10.15), verpakkingen (art. 10.16), inname (art. 10.17) en verplichte inontvangstneming (art. 10.18). 5.10.3 Titel 10.3 is per 1 januari 2012 verplaatst naar art. 9.5.2 in het kader van het in gemoderniseerde vorm onderbrengen in hoofdstuk 9 Wm van bepalingen over stoffen, preparaten en producten die in verschillende wetten voorkomen. Daarmee kwamen de voorschriften voor handelingen met deze stoffen, preparaten en producten overzichtelijk in de Wm te staan. Bij de overheveling van het bepaalde in titel 10.3 naar art. 9.5.2 Wm is geen inhoudelijke wijziging beoogd. 5.11 Evenals voorheen Titel 10.3, vormt art. 9.5.2 de basis voor regelgeving die producenten of importeurs verplicht om door hen op de markt gebrachte stoffen, mengsels of producten terug in te nemen en te verwerken. Het gaat om een mogelijkheid om regels te stellen met betrekking tot een stof, die – al dan niet toegepast in producten – problemen oplevert voor mens of milieu bij de verwijdering als afvalstof, of juist bij het nalaten van deze verwijdering. Het aangrijpingspunt voor een dergelijke regeling is dus steeds het ontstaan van problemen in de afvalfase.Voor dit productgericht afvalstoffenbeleid met het oog op de uitwerking van de zogenaamde producentenverantwoordelijkheid, bestaan regelingen voor de productstromen autobanden, autowrakken, batterijen en accu’s, elektrische en elektronische apparatuur en verpakkingen (o.a. plastic draagtassen). De gemeentelijke afvalstoffenverordening 5.12 Titel 10.4 (Het beheer van huishoudelijke en andere afvalstoffen) bevat een gemeentelijke zorgplicht voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen (art. 10.21 en 10.22 Wm) en verplicht de gemeenteraad tot het vaststellen van een afvalstoffenverordening, zodat sprake is van een medebewindsverordening. 5.13 Aanvankelijk had de gemeentelijke afvalstoffenverordening een beperkte strekking. Zij bevatte volgens de Wet milieubeheer regels inzake het zich ontdoen van huishoudelijke afvalstoffen (zoals de dagen en tijdstippen waarop de afgifte van huishoudelijke afvalstoffen kan plaatsvinden, de wijze waarop de afgifte dient te geschieden en aanwijzing van de dienst die belast is met de inzameling). Gemeenten regelden echter meer onderwerpen en vielen daarvoor terug op hun autonome bevoegdheid onder de Gemeentewet. Door een wijziging van de Wet milieubeheer werd hiervoor een grondslag in de Wm gecreëerd. Daartoe bepaalt art. 10.23 Wm: “1. De gemeenteraad stelt in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast. 2. Onverminderd artikel 10.14 wordt bij het vaststellen of wijzigen van de verordening rekening gehouden met het gemeentelijke milieubeleidsplan, indien in de gemeente een milieubeleidsplan geldt. 3. De afvalstoffenverordening bevat geen regels als bedoeld in artikel 10.48.” 5.14 In de memorie van toelichting wordt opgemerkt: “De gemeenten zijn gehouden om een afvalstoffenverordening vast te stellen. De regels worden vastgesteld in het belang van de bescherming van het milieu. Dat is ruimer dan de doelmatige verwijdering van afvalstoffen. Ook regels die beogen de milieu-aspecten van handelingen met afvalstoffen te beperken, zijn daardoor mogelijk. Men denke aan een verbod om ter voorkoming van (geluids-)overlast afvalstoffen in te zamelen voor zeven uur ’s ochtends. De gemeentelijke regelstelling moet vanzelfsprekend blijven binnen wettelijke grenzen. Zo kunnen gemeenten niet op eigen initiatief een brengplicht invoeren voor bestanddelen van het huishoudelijk afval. Dat zou hen in strijd brengen met artikel 10.28, waarin deze bevoegdheid is toebedeeld aan het Rijk. Ook de in de artikelen 10.17 en 15.32 neergelegde rijksbevoegdheid om personen een verplichting op te leggen om producten, al dan niet in combinatie met een statiegeldregeling, in te nemen, moet worden gezien als uitputtend. De gemeenten kunnen een dergelijke inname dus niet verplicht voorschrijven. Eventueel kunnen zij in het lokale milieubelang regels stellen omtrent de wijze waarop de inname geschiedt.” 5.15.1 Uit art. 10.23 lid 3 Wm en het citaat in 5.14 blijkt dat de afvalstoffenverordening geen regels mag bevatten over het inzamelen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke stoffen (art. 10.48 lid 1), geen verplichting mag opleggen om producten in te nemen (art. 10.17 (oud), thans art. 9.5.2) en geen statiegeldregeling mag voorschrijven (art. 15.32). Over deze onderwerpen kan de minister bij AMvB regels stellen. 5.15.2 Ten aanzien van de inhoud van de verordening bepaalt art. 10.24 lid 1 Wm dat de verordening ‘ten minste’ een aantal in dit lid genoemde aspecten van het zich ontdoen van huishoudelijke afvalstoffen dient te regelen. Het staat de gemeenteraad dus vrij daarover meer regels te stellen. Voorts kunnen regels worden gesteld over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen (art. 10.24 lid 2) en ‘in ieder geval’ over zwerfafval en het op een voor het publiek zichtbare plaats aanwezig hebben van afvalstoffen (art. 10.25). 5.16.1 Artikel 10.23 Wm impliceert niet dat de gemeenten in het geheel geen autonome regels meer mogen stellen met betrekking tot afvalstoffen. Wel zal daarvoor een bijzondere motivering vereist zijn. Volgens de toelichting zal naar verwachting de ruime grondslag van het artikel de behoefte aan autonome regels zeer gering doen zijn. 5.16.2. Art. 21.7 Wm bepaalt dat de bevoegdheid van gemeenteraden en waterschappen tot het maken van verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin hoofdstuk 10 voorziet, gehandhaafd blijft, voor zover deze verordeningen niet met het bij of krachtens deze wet bepaalde in strijd zijn. Gemeentewet 5.17 Volgens art. 149 Gemeentewet maakt de raad de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt. De autonome verordeningsbevoegdheid wordt, voor zover thans van belang, begrensd door art. 108 lid 1 (de zogenaamde ondergrens) en art. 121 (de zogenaamde bovengrens) van de Gemeentewet. 5.18 De verordeningen dienen zich te beperken tot het gemeentelijk belang – de in art. 108 lid 1 Gemeentewet bedoelde ‘huishouding van de gemeente’− en mogen niet treden in een regeling van de ‘bijzondere belangen van de ingezetenen’. Anders gezegd, een gemeentelijke verordening moet een gemeentelijk, openbaar belang kunnen dienen en mag niet in de privésfeer van de burger treden. De rechter toetst of een verordening in het belang van de gemeentelijke huishouding kan zijn. 5.19 Indien hogere wet- en regelgeving met hetzelfde onderwerp van kracht is, blijft de bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, volgens art. 121 Gemeentewet gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn. Of sprake is van regeling van hetzelfde onderwerp wordt – zeer kort gezegd − bepaald aan de hand van het motief van de regeling (c.q. de daarmee geregelde belangen) en het gereguleerde object (de genormeerde gedraging). Indien hetzelfde onderwerp wordt geregeld, is aanvulling toegestaan mits de gemeentelijke verordening niet in strijd komt met de hogere regeling. Van strijd met de hogere regeling is sprake indien deze uitputtend is bedoeld of wanneer de gemeentelijke regeling de hogere regeling doorkruist. Als de tekst van de regeling niet duidelijk is, leidt de rechter uit de aard van de regels, systematiek van de regeling of parlementaire geschiedenis af of beoogd is het onderwerp uitputtend te regelen. Afweging 5.20 De Wet milieubeheer is niet duidelijk over de vraag of de Gemeente een opt-in-systeem mag invoeren. Om deze vraag te beantwoorden, moeten de hiervoor bedoelde bepalingen in onderling verband worden bezien. Preventie van afvalstoffen op landelijk en op lokaal niveau 5.21 Enerzijds is naar mijn mening duidelijk, dat de in art. 9.5.2 Wm bedoelde bevoegdheid van de minister uitputtend is bedoeld. Zie hiervoor in 5.7.2 en 5.15.1. Daaraan kan worden toegevoegd dat deze bepaling spreekt van regelstelling bij AMvB zodat deze op landelijk niveau moet plaatsvinden. Art. 9.5.2 kent de minister overigens een bevoegdheid toe om regels te stellen, maar verplicht daartoe niet. 5.22 Anderzijds betekent dit niet, dat preventie van afvalstoffen alléén een zaak van de minister is en per definitie op landelijk niveau geregeld dient te worden. Ten eerste kunnen – of beter gezegd: dienen (zie hiervoor in 5.7.2) − gemeenten bij de vergunningverlening aan bedrijven ‘inrichtinggebonden ‘ rekening te houden met de preventie van afvalstoffen (zie hiervoor in 5.8). 5.23 Ten tweede kan de raad op voet van art. 10.23 een afvalverordening vaststellen ‘in het belang van het milieu’ (zie 5.14). De bevoegdheden van hoofdstuk 10, en dus ook de vaststelling van de afvalstoffenverordening, worden volgens art. 10.14 lid 1 steeds uitgeoefend ‘met betrekking tot afvalstoffen’. Daaronder valt ook het voorkomen van het ontstaan van afvalstoffen (zie hiervoor in 5.7.2). 5.24 Hieruit volgt naar mijn mening dat art. 9.5.2 uitputtend bedoeld is voor zover het betreft preventie van afvalstoffen in verband met de onderwerpen die in art. 9.5.2 worden geregeld, maar niet uitputtend is ten aanzien van preventie van afvalstoffen in het algemeen. Het hof kon dus overwegen (in rov. 3.18) dat art. 9.5.2 “gelet op de tekst en strekking niet tot doel heeft om het Rijk de exclusieve bevoegdheid te geven tot het stellen van regels ter preventie van afvalstoffen en (…) in dat opzicht ook niet uitputtend [is] bedoeld.” 5.25 De vraag is dan of een lokaal opt-in-systeem met betrekking tot de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk een regel ter preventie van afvalstoffen oplevert, die in strijd is met (
  13. i)de bevoegdheid van de minister uit hoofde van art. 9.5.2 (andere uitputtende bevoegdheden spelen in deze zaak niet) dan wel (
  14. ii)meer in het algemeen in strijd is met de strekking en systematiek van de Wm. De reikwijdte van de bevoegdheid van de minister uit hoofde van art. 9.5.2 Wm 5.26.1 Ik bezie eerst nader de bevoegdheid van de minister op voet van art. 9.5.2. Tekstueel biedt art. 9.5.2 ruimte voor de bevoegdheid van de minister om een opt-in-systeem in te voeren: “Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ter stimulering van (…) preventie (..) regels worden gesteld met betrekking tot het (..) aan een ander ter beschikking stellen, in ontvangst nemen (..) van bij de maatregel aangewezen stoffen (..) of producten of afvalstoffen.” 5.26.2 Gezien de wetsgeschiedenis betreft art. 9.5.2 echter, kort gezegd, productgerichte maatregelen ter preventie van afvalstoffen respectievelijk stoffen of producten die problemen in de afvalfase opleveren. Dat laatste wil zeggen problemen voor mens of milieu bij de verwijdering als afvalstof of bij het nalaten van deze verwijdering (zie hiervoor in 5.10.1 en 5.11). Ik zou menen (hierover is, als ik het goed zie, geen partijdebat gevoerd) dat dit niet speelt bij de verwijdering van ongeadresseerd reclamedrukwerk. Het gaat dan om bedrukt papier en niet om problematische zaken als batterijen e.d. In ieder geval betreft de door art. 17 Afvalstoffenverordening beoogde preventie de hoeveelheid afvalstoffen, niet de met het oog op verwijdering problematische aard van bepaalde stoffen of producten. 5.26.3 Voorts is de ratio van het op landelijk niveau beleggen van de bevoegdheid van art. 9.5.2 Wm dat het maatregelen betreft die in verband met de concurrentiepositie van bedrijven en de open Nederlandse markt op nationaal (of internationaal) niveau genomen moeten worden (zie hiervoor in 5.10.1). Een dergelijk belang is mijns inziens (hierover is, als ik het goed zie, geen partijdebat gevoerd) niet in het geding bij de keuze tussen een opt-out- dan wel een opt-in-systeem voor de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk. Er worden hiermee immers geen eisen gesteld aan de stof of het product als zodanig die de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven ten opzichte van buitenlandse bedrijven aantast. 5.27 Het voorgaande wijst er mijns inziens op dat art. 9.5.2 Wm uitputtend is voor zover het gaat om stoffen of producten die problemen in de afvalfase opleveren of ten aanzien waarvan een landelijke regeling wenselijk is met het oog op internationale concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven en dat in zoverre, ook indien ten aanzien van bepaalde stoffen of producten geen AMvB op basis van art. 9.5.2 is vastgesteld, daarover op decentraal niveau geen regels kunnen worden gesteld. 5.28.1 Dit ligt mijns inziens anders bij preventiemaatregelen ten aanzien van stoffen of producten die tekstueel mogelijk wel onder art. 9.5.2 begrepen zouden kunnen worden, maar waarbij de ratio van deze bepaling, zoals uiteengezet in 5.26.2 en 5.26.3, niet opgaat. Hier kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een lokaal opt-in-systeem met betrekking tot de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk. Voor die gevallen kan men twee kanten op. 5.28.2 Indien de tekst van art. 9.5.2 Wm in het licht van de ratio van deze bepaling restrictief wordt gelezen – in die zin dat het toepassingsbereik van deze bepaling is beperkt tot regulering van gevallen waarop de bepaling naar haar ratio ziet − dan is de conclusie dat preventiemaatregelen met betrekking tot de bezorging van ongeadresseerd drukwerk, niet onder het bereik van art. 9.5.2. vallen. 5.28.3 Een alternatief is om art. 9.5.2 Wm louter tekstueel te lezen en het toepassingsbereik ervan niet te beperken aan de hand van de ratio van deze bepaling. Dan ontbreekt de rechtvaardiging om het enkele bestaan van een regelgevende bevoegdheid van de minister, voldoende te achten voor de conclusie dat op decentraal niveau geen maatregelen mogen worden getroffen (zie hiervoor in 5.19). Uitgaande van deze lezing, zou ik menen dat eerst wanneer de minister heeft vastgesteld dat ten aanzien van de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk landelijke regelgeving noodzakelijk is en daartoe bij AMvB wordt overgegaan, op lokaal niveau geen maatregelen meer kunnen worden getroffen die daarvan afwijken (behoudens voor zover uit de desbetreffende AMvB zou blijken dat toch nog enige ruimte voor een lokale regeling blijft bestaan). Systematiek en strekking van de Wm 5.29 Ervan uitgaande dat art. 9.5.2 Wm zich als zodanig niet verzet tegen een lokaal opt-in-systeem met betrekking tot de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk, bezie ik thans nader of uit de systematiek en strekking van de Wm volgt dat de Wm (impliciet) in de weg staat aan een dergelijk systeem. 5.30.1 In de eerste plaats kan men zich afvragen of de Afvalstoffenverordening, die weliswaar als doel heeft om milieubelangen te beschermen, zich niet zou moeten beperken tot ‘afvalstoffen’ als reguleringsobject. Dit zou betekenen dat ‘preventie van afvalstoffen’ ziet op kwesties als het voorkomen van verspreiding van zwerfvuil. De verordening kan dus weliswaar in het belang van het milieu bepalingen bevatten over preventie (zoals al werd geconcludeerd in 5.23), maar deze bepalingen mogen alleen betrekking hebben op stoffen die reeds afvalstoffen zijn en niet op stoffen of producten etc. die het stadium van afvalstof nog niet hebben bereikt. 5.30.2 Deze beperkte opvatting van ‘preventie van afvalstoffen’ wijkt af van het begrip preventie volgens art. 1.1 lid 1 Wm. Daarin wordt preventie omschreven als (onder meer) “maatregelen die worden genomen voordat een stof, materiaal of product afvalstof is geworden, ter vermindering van: a. de hoeveelheden afvalstoffen (…).” Preventie van afvalstoffen heeft dus juist betrekking op stoffen en producten die nog geen afvalstoffen zijn. 5.30.3 In het licht hiervan is het in 5.28.1 bedoelde argument nog steeds denkbaar, maar ligt het mijns inziens niet voor de hand. Naar mijn mening staat de Wet milieubeheer het nemen van preventiemaatregelen op decentraal niveau toe (zie in 5.22) voor zover deze niet zijn belegd op een ander niveau. 5.30.4 In de memorie van toelichting bij art. 10.23 Wm wordt opgemerkt dat ook regels die beogen de milieuaspecten van ‘handelingen met afvalstoffen’ te beperken gesteld kunnen worden (zie hiervoor in 5.14). Men kan dit in beperkende zin lezen – het moet steeds gaan om afvalstoffen, ook bij preventie − maar de tekst van deze passage dwingt daartoe mijns inziens niet. 5.31.1 In de tweede plaats kan, voortbouwend op het eerste argument, worden gewezen op het verschil tussen hoofdstuk 9 Wm dat als reguleringsobject heeft ‘stoffen en producten’ en hoofdstuk 10 Wm dat als reguleringsobject heeft ‘afvalstoffen’. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat bevoegdheden van hoofdstuk 10 geen betrekking kunnen hebben op ‘stoffen en producten’. 5.31.2 Zoals hiervoor bleek, kan het belang van het onderscheid tussen ‘stoffen en producten’ en ‘afvalstoffen’ gerelativeerd worden wanneer het gaat over preventie van afvalstoffen. Bovendien kan bij de uitleg van de Wm m.i. geen bijzonder gewicht toekomen aan argumenten die worden ontleend aan de plaats van de bepaling van art. 9.5.2 in hoofdstuk 9 en niet in hoofdstuk 10 van de Wm. Deze bepaling stond eerst in hoofdstuk 10 en is om redenen van wetgevingstechniek overgeheveld naar hoofdstuk 9 zonder dat daarmee een inhoudelijke wijziging werd beoogd (zie hiervoor in 5.10.3). Hoofdstuk 9 Wm ziet dus, omgekeerd bezien, ook niet uitsluitend op stoffen etc. die het stadium van afvalstof nog niet hebben bereikt. 5.32.1 In de derde plaats kan, voortbouwend op de hiervoor genoemde argumenten, erop worden gewezen dat art. 21.7 Wm slechts vermeldt, kort gezegd, dat de verordenende bevoegdheden van de gemeenteraden ten aanzien van het onderwerp waarin hoofdstuk 10 Wm voorziet, van kracht blijven. 5.32.2 Art. 21.7 verwijst naar hoofdstuk 10 en levert dus geen vragen op, zowel indien hoofdstuk 10 (art. 10.23) voorziet in een zekere verordenende bevoegdheid ten aanzien van preventiemaatregelen, als indien hoofdstuk 10 daarin niet voorziet. Bij de invoering van deze bepaling verwees de wetgever naar het hoofdstuk over afvalstoffen. Dat hoofdstuk bevatte toen niet alleen de bepaling over de verordenende bevoegdheid van de raad, maar ook de bepaling over preventieve maatregelen die thans in art. 9.5.2. is opgenomen. Er kan dus ook in dit opzicht geen argument worden ontleend aan de plaats van die laatste bepaling in thans hoofdstuk 9 Wm. 5.33.1 In de vierde plaats kan de vraag worden gesteld of ‘het hek van de dam’ is, indien de gemeente de bevoegdheid zou hebben om preventieve maatregelen op te nemen in een afvalstoffenverordening. Zou daarmee niet de mogelijkheid worden geopend dat allerlei regels op gemeentelijke niveau worden gesteld? 5.33.2 Deze vrees is naar mijn mening onterecht, omdat, indien wordt aangenomen dat de gemeente een zekere bevoegdheid heeft om preventie van afvalstoffen te reguleren in de afvalstoffenverordening, steeds zal moeten worden beoordeeld of de gemeente in het concrete geval binnen de door de Wet milieubeheer getrokken grenzen van haar bevoegdheid blijft. Thans ligt alleen ter beoordeling voor de invoering van een lokaal opt-in-systeem met betrekking tot de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk en niet, bijvoorbeeld de invoering van een lokaal statiegeldsysteem of lokale productgerichte eisen. 5.34.1 In de vijfde plaats kan erop worden gewezen dat bij de invoering van hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer – waarin ook een voorganger van art. 9.5.2 Wm was opgenomen (zie hiervoor in 5.10.1) − in de memorie van toelichting bij de betreffende wet over de aard van het instrumentarium destijds werd opgemerkt dat werd beoogd een sluitend geheel van instrumenten te bieden met het oog op het voorkomen en beperken van het ontstaan van afvalstoffen. 5.34.2 Ik meen dat aan die opmerking niet veel gewicht (meer) toekomt als het gaat om de vraag of een gemeente een lokaal opt-in-systeem met betrekking tot de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk kan invoeren. Ten eerste omdat hieruit niet volgt dat elke preventiemaatregel moet worden gebaseerd op (thans) art. 9.5.2. Wm. In dezelfde memorie van toelichting werd ook opgemerkt dat in gevallen waar afvalpreventie noodzakelijk of wenselijk is, ook gekozen zou kunnen worden voor hantering van andere instrumenten (zoals heffingen of subsidies of convenanten tussen bedrijfsleven en overheid). Voorts werd daarin opgemerkt dat het wettelijk kader waarin taken en bevoegdheden van de verschillende overheden zijn vervat, flexibel is opgezet in die zin dat in beginsel zowel ontwikkelingen ten aanzien van de rol van de overheid bij de afvalverwijdering als ontwikkelingen in het denken over de verdeling van bevoegdheden tussen de overheden met het beschikbare wettelijk instrumentarium kunnen worden opgevangen. Ten tweede geldt meer in het algemeen dat in de systematiek van de Wm bevoegdheden op landelijk niveau belegd zijn in gevallen waarin landelijk uniforme regels gewenst zijn. De regelstelling voor gevallen waarin regionale of plaatselijke verschillen mogelijk zijn of waarin het om een individuele beoordeling van locatiegebonden activiteiten gaat, is decentraal. 5.35 In de zesde plaats kan de vraag worden gesteld of het nodig is dat een opt-in- dan wel opt-out-systeem landelijk wordt geregeld. 5.36 Het opt-out-systeem berust op met de branche gemaakte afspraken. Begin jaren ’90 heeft de minister van VROM gezegd een landelijk systeem te prefereren boven lokale regelingen. In 2013 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu in 2013 bevestigd achter het opt-out-systeem te staan. Tot regelgeving op landelijk niveau is het echter niet gekomen. Uit LAP 3 kan, naar ik begrijp, niet worden afgeleid dat de minister het Amsterdamse initiatief verwerpt. Al met al is naar mijn mening sprake van een beleidsvoorkeur. Het Amsterdamse opt-in-systeem gaat verder dan het landelijke out-out-systeem. Beide systemen kunnen echter in die zin naast elkaar bestaan dat zij beide afvalpreventie bevorderen. Het hof wijst hierop terecht aan het slot van rov. 3.14. Dat in het LAP wordt gesproken van door de minister te stellen ‘regels’ en door de gemeenten te nemen ‘maatregelen’, lijkt mij verder niet relevant, omdat dit niet kan toe- of afdoen aan de bevoegdheden die uit de wet voortvloeien 5.37 Op zichzelf is begrijpelijk dat MailDB c.s. een voorkeur hebben voor een uniform landelijk systeem. Zij stellen dat lokale verschillen in de regimes voor de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk ‘onwerkbaar’ zijn. Ik begrijp dat dit ziet op de bedrijfsvoering van MailDB c.s.: de bezorging wordt ingewikkelder wanneer lokale verschillen bestaan, zoals over de vraag of ongeadresseerd reclamedrukwerk mag worden bezorgd op adressen zonder NEE/NEE-sticker of slechts bij adressen met een JA/JA-sticker. Een en ander heeft, als ik het goed begrijp, bedrijfseconomische gevolgen, maar staat verder los van de doelstelling van afvalpreventie. Evenmin blijkt naar mijn mening van een noodzaak van een landelijke regeling in het licht van de overwegingen die ten grondslag liggen aan art. 9.5.2 Wm (zie hiervoor in 5.26.2-5.26.3). Het hof oordeelde overigens (in rov. 3.37 en 3.39) dat de gemeente(raad) de belangen van MailDB c.s. heeft meegewogen. MailDB c.s. hebben ook gesteld dat er verschillen kunnen ontstaan tussen lokale, alleen in Amsterdam opererende, ondernemingen en landelijk opererende ondernemingen. Lokale verschillen in regelgeving zijn op zichzelf bestaanbaar en worden door de Wm ook niet geheel uitgesloten. Slotsom 5.38 Naar ik meen volgt uit het voorgaande niet dat het invoeren van een lokaal opt-in-systeem voor ongeadresseerd reclamedrukwerk in strijd is met art. 9.5.2 Wm dan wel de strekking en systematiek van de Wm. Dit betekent dat art. 17 Afvalstoffenverordening gebaseerd zou kunnen worden op art. 10.23 Wm, althans zolang er geen AMvB ex art. 9.5.2 Wm is die dit onderwerp uitputtend regelt. Voorts betekent dit dat de Wm zich er niet tegen verzet dat art. 17 Afvalstoffenverordening wordt gebaseerd op de Gemeentewet. 5.39 Tegen deze achtergrond bespreek ik eerst de subonderdelen 2.2-2.6 en aansluitend subonderdeel 2.1. Subonderdelen 2.2 tot en met 2.6 5.40 Gezien het voorgaande faalt naar mijn mening subonderdeel 2.2, waar het klaagt (in de nrs. 21 en 22 van de procesinleiding) dat het hof ten onrechte oordeelt in (rov. 3.16) dat de invoering van het opt-in-systeem binnen de reikwijdte van art. 10.23 Wm valt. Ook faalt de rechtsklacht (in de nrs. 23 en 24 van de procesinleiding) tegen het oordeel (in rov. 3.19) dat de Gemeente in het licht van art. 21.7 Wm een autonome regelgevende bevoegdheid toekomt. Eveneens faalt de rechtsklacht van subonderdeel 2.4 (in de nrs. 27 en 28 van de procesinleiding) tegen het oordeel (in rov. 3.18) dat art. 9.5.2 Wm niet tot doel heeft om aan het Rijk de exclusieve bevoegdheid toe te kennen tot het stellen van regels ter preventie van afvalstoffen. 5.41 Anders dan de klacht van subonderdeel 2.3 (in nr. 25 van de procesinleiding) aanvoert, heeft het hof niet geoordeeld dat een gemeente een bevoegdheid kan ontlenen aan het LAP. Voor het overige oordeelt het hof in rov. 3.14 terecht dat de Gemeente volgens art. 10.14 lid 1 Wm rekening moet houden met het LAP. 5.42.1 Subonderdeel 2.3 wijst (in nr. 26 van de procesinleiding) op de stellingen van MailDB c.s. (
  15. i)over het verschil tussen regels en maatregelen in het LAP en (
  16. ii)over de verwijzing in het LAP naar het Afvalpreventieprogramma. Volgens het subonderdeel zijn in het licht van deze stellingen onjuist dan wel onbegrijpelijk het oordeel (in rov. 3.14) dat art. 17 Afvalstoffenverordening uitvoering geeft aan de doelstelling afvalpreventie en in zoverre overeenstemt met het LAP, (in rov. 3.20) dat MailDB c.s. onvoldoende hebben toegelicht dat art. 17 Afvalstoffenverordening in strijd is met de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelingen, (in rov. 3.21) dat MailDB c.s. onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt waarom LAP 2 en LAP 3 zich zouden verzetten tegen art. 17 Afvalstoffenverordening, en (in rov. 3.35

(1)) dat de invoering van het opt-in-systeem past binnen het gemeentelijk beleid en dat die bovendien aansluit op LAP 2 en LAP 3. 5.42.2 Deze klacht slaagt naar mijn mening niet. De terminologie ‘regels’ en ‘maatregelen’ in het LAP kan niet toe- of afdoen aan de bevoegdheden die uit de wet voortvloeien. De stelling dat in het Afvalpreventieprogramma wordt ingezet op het actiever onder de aandacht brengen van de NEE/JA sticker, sluit een lokale maatregel die afvalpreventie wil bevorderen door middel van een JA/JA-sticker naar mijn mening niet uit (zie hiervoor in 5.36). 5.42.3 In feitelijke instanties hebben MailDB c.s. voorts gesteld dat het Afvalpreventieprogramma (op p. 60) vermeldt dat reclamedrukwerk leidt tot afval en dat het bedrijfsleven aangeeft niet zonder papieren reclame-uitingen te kunnen. Hierin behoefde het hof niet te lezen dat MailDB c.s. hebben gesteld – nog daargelaten de juistheid van een dergelijke stelling − dat in het Afvalpreventieprogramma het beperken van reclamedrukwerk door middel van een opt-in-systeem van de hand wordt gewezen vanwege het bedrijfsleven dat van het ongeadresseerde reclamedrukwerk afhankelijk is, zoals subonderdeel 2.3 aanvoert. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. 5.43 Volgens subonderdeel 2.5 is onjuist dat voor art. 17 Afvalstoffenverordening een wettelijke grondslag kan worden gevonden in art. 108 en 149 Gemeentewet, omdat deze bepaling geen gemeentelijk belang dient, maar een publiek belang, namelijk milieubescherming. 5.44.1 Deze klacht slaagt naar mijn mening niet. Het opt-in-systeem van art. 17 Afvalstoffenverordening betreft inderdaad een publiek belang (en niet louter particuliere belangen van burgers) in de vorm van preventie van afvalstoffen. De Gemeente heeft een zorgplicht ten aanzien van de inzameling van afvalstoffen (art. 10.21 Wm). Daarom bestaat er een gemeentelijk belang bij de hoeveelheid afvalstoffen die ter inzameling wordt aangeboden. Dit betreft de ‘huishouding van de gemeente’ als bedoeld in art. 108 lid 1 Gemeentewet. De regels in de afvalstoffenverordening worden op voet van art. 10.23 Wm vastgesteld in het belang van de bescherming van het milieu. Art. 10.23 Wm laat nog enige ruimte voor de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente. Voor zover de Gemeente niet in strijd met de Wet milieubeheer handelt, kan zij een ‘lokaal milieubelang’ dienen (zie voor dit laatste in 5.14). Ten slotte betekent m.i. het enkele feit dat het opt-in-systeem burgers die ongeadresseerde reclame willen ontvangen, dwingt tot het plakken van een sticker niet dat de Gemeente buiten haar bevoegdheden treedt door aldus de bijzondere belangen van haar ingezetenen te reguleren. 5.44.2 Voor zover de klacht nog verwijst naar de stellingen van MailDB c.s. dat de doorkruising van het landelijke opt-out-systeem leidt tot praktische problemen voor ondernemers, verwijs ik naar het gestelde in 5.37. 5.45 Subonderdeel 2.6 klaagt over de overweging (in rov. 3.19) dat het oordeel van het hof over de autonome regelgevende bevoegdheid aansluit op art. 121 Gemeentewet. 5.46 Voor zover het subonderdeel hiertoe (in nr. 30 van de procesinleiding) verwijst naar de onderdelen 1, 3 en 4 van het middel, faalt het in het voetspoor van die onderdelen. 5.47.1 Voor zover het subonderdeel (in nrs. 31 en 32 van de procesinleiding) klaagt dat het hof heeft miskend dat het opt-in-systeem in strijd is met de Dienstenrichtlijn, de vrijheid van ondernemerschap of de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM, art. 11 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie of art. 7 Grondwet, faalt het, omdat deze argumenten in feitelijke instanties niet onderbouwd zijn aangevoerd. Ik verwijs hiervoor naar mijn bespreking van de subonderdelen 4.1 en 4.4 (hierna in 7.11.2 en 7.28). 5.47.2 In dit verband merk ik nog op dat onderdeel 2 (in nr. 15 van de procesinleiding) ten onrechte klaagt dat het hof niet (kenbaar) in zijn oordeel heeft betrokken het betoog van MailDB c.s. dat door invoering van het opt-in-systeem inbreuk is gemaakt op fundamentele rechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) en het gelijkheidsbeginsel (art. 14 EVRM en 12e Protocol bij het EVRM), althans dat het hof heeft miskend dat vanwege deze schending van fundamentele rechten sprake moet zijn van een voorzienbare wettelijke basis. MailDB c.s. hebben zich in hoger beroep niet met een tijdig naar voren gebrachte grief op schending van de vrijheid van meningsuiting beroepen, althans blijkt dat niet uit de genoemde vindplaatsen in de processtukken. In eerste aanleg en in hoger beroep hebben MailDB c.s. zich beroepen op schending van het gelijkheidsbeginsel. In hoger beroep hebben zij zich daarop beroepen in het kader van grief 15 en niet in het kader van de grieven 4 tot en met 7 waarvan de verwerping door onderdeel 2 wordt bestreden, althans blijkt dit niet uit de genoemde vindplaatsen in de processtukken. Voorts hebben MailDB c.s. bij hun grief 13 het onderscheid met huis-aan-huisbladen aan de orde gesteld. In lijn hiermee is het hof bij de bespreking van grieven 13 en 15 hierop in gegaan (in rov. 3.40 en 3.46). 5.48 Ten slotte klaagt subonderdeel 2.6 (in nr. 33 van de procesinleiding), kort gezegd, dat het hof in rov. 3.19, 3.20 en 3.35 heeft miskend dat het opt-in-systeem in strijd is met de wil van de wetgever, omdat de centrale wetgever mede in het licht van het recht op vrijheid van meningsuiting (uitdrukkelijke) bezwaren heeft tegen het opt-in-systeem. Zoals eerder besproken, is het landelijke beleid gericht op voortzetting van het opt-out-systeem. Uit de vindplaatsen in de processtukken waarnaar de klacht verwijst, kan naar mijn mening niet worden afgeleid dat MailDB c.s. specifiek hebben gesteld dat de centrale wetgever mede in het licht van het recht op vrijheid van meningsuiting (uitdrukkelijke) bezwaren heeft tegen het opt-in-systeem. De klacht mist daarom feitelijke grondslag. Subonderdeel 2.1 5.49 Subonderdeel 2.1 richt vijf klachten tegen rov. 3.13-3.16 en betreft in het bijzonder de vraag of sprake is van een afvalstof. Daarover overwoog het hof in rov. 3.15: “Vaststaat dat een huishouden zich op enig moment van ongeadresseerd reclamedrukwerk zal ontdoen. Tussen partijen is bovendien niet in geschil dat een aanzienlijk deel van het ongeadresseerd reclamedrukwerk ongelezen wordt weggegooid. Dat partijen strijden over het exacte percentage daarvan, doet daaraan niet af. Met een en ander staat voldoende vast dat ongeadresseerd reclamedrukwerk als afval moet worden aangemerkt, althans dat door beperking van de verspreiding daarvan voorkomen wordt dat afval ontstaat.” 5.50 Volgens de eerste klacht, in nr. 16 van de procesinleiding, is onjuist het oordeel dat de grondslag voor het opt-in-systeem in art. 10.23 Wm kan worden gevonden omdat ongeadresseerd reclamedrukwerk als afval moet worden aangemerkt, omdat dit niet strookt met de definitie van afval in art. 1 lid 1 Wm en art. 3 Kaderrichtlijn afvalstoffen 2008. Van een afvalstof is pas sprake wanneer de houder zich van deze stof ontdoet of wil ontdoen. Daarvan is in ieder geval nog geen sprake als het ongeadresseerd reclamedrukwerk bezorgd wordt, aldus de klacht. 5.51 De omschrijving van afvalstoffen in art. 1.1 lid 1 Wm (“alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”) is bijna woordelijk overgenomen uit de Kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG). Het begrip afvalstof moet worden uitgelegd met inachtneming van de door het Hof van Justitie (hierna ook: HvJ) over dit begrip gevormde jurisprudentie. Volgens het Hof van Justitie moet het begrip afvalstoffen ruim worden uitgelegd. Of een stof een afvalstof is, moet worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Daarbij is vooral het gedrag van de houder in relatie tot de betekenis van de woorden "zich ontdoen van" relevant. In dit verband verdient bijzondere aandacht of de stof in kwestie voor de houder ervan geen nut heeft of meer heeft, zodat deze stof een last is waarvan hij zich wil ontdoen. Ook maatschappelijke opvattingen kunnen een aanwijzing zijn voor de kwalificatie als afvalstof. De toekomstige bestemming van een voorwerp of een stof is niet van invloed op het karakter van afvalstof van deze stof. 5.52.1 In het oordeel van het hof is bepalend dat een huishouden zich op enig moment van ongeadresseerd reclamedrukwerk zal ontdoen. Het hof laat in het midden vanaf welk moment ongeadresseerd reclamedrukwerk als een afvalstof in de zin van art. 1 lid 1 Wm kwalificeert. Dit kan in het midden blijven omdat het hof voor de bevoegdheidsgrondslag heeft gewezen op de met het opt-in-systeem beoogde preventie van het ontstaan van afvalstoffen (zie in verband met art. 10.23 Wm rov. 3.14, 3.16, 3.18 en 3.21 en in verband met art. 108 en 149 Gemeentewet rov. 3.18 en 3.19). Daarbij moet worden bedacht dat ingevolge art. 1 lid 1 Wm onder preventie wordt verstaan: “maatregelen die worden genomen voordat een stof, materiaal of product afvalstof is geworden, ter vermindering van (…) de hoeveelheden afvalstoffen (…)”. De vaststelling in rov. 3.15 dat een aanzienlijk deel van het ongeadresseerd reclamedrukwerk ongelezen wordt weggegooid, biedt in de redenering van het hof kennelijk steun aan de conclusie dat door beperking van de verspreiding van dit drukwerk voorkomen wordt dat afval ontstaat, omdat de huishoudens die het drukwerk ongelezen weggooien onder het opt-in-systeem veelal geen gebruik van de JA/JA-sticker zullen maken (zie ook rov. 3.37). Deze vaststelling is echter niet dragend voor de redenering van het hof in rov. 3.15. 5.52.2 De eerste klacht berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, omdat de bestreden overweging niet berust op een oordeel dat ongeadresseerd reclamedrukwerk op het moment van bezorging reeds moet worden aangemerkt als een afvalstof. De eerste klacht kan daarom niet tot cassatie leiden. 5.53 De tweede klacht, in nr. 17 van de procesinleiding, betoogt dat voor zover het hof in rov. 3.15 van oordeel is dat ongeadresseerd reclamedrukwerk als afval moet worden aangemerkt omdat het (op den duur) − al dan niet na gebruik − wordt weggegooid, dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is. Indien het oordeel juist zou zijn, dan zou de Gemeente bevoegd zijn alle stoffen preventief te reguleren aangezien alle stoffen op den duur een afvalstof worden. 5.54 Deze klacht slaagt niet. In het midden kan blijven of alle stoffen op den duur een afvalstof worden. Het hof heeft geoordeeld, dat ongeadresseerd reclamedrukwerk op enig moment een afvalstof wordt, omdat een huishouden zich op enig moment van ongeadresseerd reclamedrukwerk zal ontdoen. Dat oordeel komt onjuist noch onbegrijpelijk voor. Voor zover de klacht betoogt dat met aanvaarding van de rechtsopvatting van het hof het hek van de dam zou zijn, verwijs ik naar het gestelde in 5.33.2. 5.55 De derde klacht, in nr. 18 van de procesinleiding, berust op de veronderstelling dat het hof in rov. 3.15 van oordeel is dat ongeadresseerd reclamedrukwerk al tijdens het bezorgen als afval kan worden aangemerkt. 5.56 Zoals vermeld, berust deze klacht op een onjuiste lezing van rov. 3.15 en dient zij daarom te falen. Voor het overige verdient opmerking dat aan de kwalificatie als afvalstof niet in de weg staat dat deze stof in de toekomst gerecycled zal worden. Afvalstoffen kunnen onder voorwaarden niet langer als afvalstoffen worden beschouwd wanneer zij een recyclingsbehandeling hebben ondergaan (zie de definitie van recycling in art. 3 lid 17 Kaderrichtlijn 2008 en de regeling van de einde-afvalfase in art. 6 lid 1 van deze richtlijn). 5.57 De vierde en vijfde klacht, in de nrs. 19 en 20 van de procesinleiding, betreffen de overweging dat een aanzienlijk deel van het ongeadresseerd reclamedrukwerk ongelezen wordt weggegooid. Volgens de klachten is onjuist dan wel onbegrijpelijk dat het hof het ongelezen weggooien van ongeadresseerd reclamedrukwerk door een deel van de ontvangers centraal stelt zonder het aanzienlijke belang voor adverteerders en/of de populariteit onder ontvangers in aanmerking te nemen (nr. 19) en is onbegrijpelijk de vaststelling dat niet in geschil is dat een aanzienlijk deel van het ongeadresseerd reclamedrukwerk ongelezen wordt weggegooid (nr. 20). 5.58 Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden, omdat het oordeel van het hof zelfstandig wordt gedragen door zijn overwegingen dat vaststaat dat een huishouden zich op enig moment van ongeadresseerd reclamedrukwerk zal ontdoen en dat door beperking van de verspreiding van ongeadresseerd reclamedrukwerk voorkomen wordt dat afval ontstaat. Nu het hof in het midden heeft gelaten op welk moment sprake is van afvalstoffen, behoefde het hof overigens niet afzonderlijk in te gaan op de in nr. 19 van de procesinleiding bedoelde stelling van MailDB c.s. dat voor de vraag of sprake is van afvalstoffen doorslaggevend is de intentie van de houder op het moment van bezorging en niet het opvolgend gebruik van het ongeadresseerd reclamedrukwerk. Voorts heeft het hof met zijn overweging dat partijen strijden over het exacte percentage van het ongeadresseerd reclamedrukwerk dat ongelezen wordt weggegooid, onderkend dat MailDB c.s. hebben aangevoerd dat de conclusie van Milieu Centraal uit 2014 dat drie op de tien huishoudens reclamefolders ongelezen weggooit, achterhaald en onjuist is (wat de Gemeente op haar beurt overigens heeft bestreden). MailDB c.s. hebben voorts gesteld (memorie van grieven nr. 44) dat 4% tot 10% van de folderontvangers folderpakketten niet leest. Of het hof in het licht van het partijdebat kon komen tot de kwalificatie ‘aanzienlijk’ kan in het midden blijven, omdat dit deel van rov. 3.15 niet dragend is voor de redenering van het hof (zie in 5.52.1). Slotsom 5.59 Onderdeel 2 slaagt niet. 6Bespreking van onderdeel 3 van het middel (recht op eigendom) 6.1 MailDB c.s. hebben aangevoerd dat de invoering van het opt-in-systeem in strijd is met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: art. 1 EP), omdat hun opt-out adressen- of klantenbestand en de marktwaarde van hun onderneming kwalificeren als eigendom in de zin van art. 1 EP en de invoering van het opt-in-systeem de waarde ervan aantast (rov. 3.25). Het hof oordeelt (in rov. 3.29-3.32) dat geen sprake is van eigendom in de zin van art. 1 EP. Daarover klaagt onderdeel 3 in twee subonderdelen. Het onderdeel klaagt niet over de weergave van de stellingen van partijen (rov. 3.25-3.27), het toepasselijke toetsingskader (rov. 3.28) en het oordeel dat gezien de stellingen van MailDB c.s. beoordeeld moet worden of het opt-out adressen en/of klantenbestand kwalificeert als eigendom in de zin van art. 1 EP (rov. 3.29). 6.2 Wat betreft het toetsingskader kan worden vermeld dat het begrip ‘possessions’ c.q. ‘biens’ in art. 1 EP ruimer is dan de nationale, goederenrechtelijke betekenis van eigendom. Het begrip eigendom in de zin van art. 1 EP omvat bestaande, op geld waardeerbare rechten alsmede aanspraken ten aanzien waarvan een legitieme verwachting (voor opeisbaarheid) bestaat. De legitieme verwachting kan bestaan uit een wettelijke bepaling of een rechterlijke uitspraak (dan wel vaste rechtspraak), en onder omstandigheden ook een vergunning. Daaruit volgt dat art. 1 EP (slechts) rechten, aanspraken of belangen beschermt die met voldoende zekerheid vaststaan c.q. waarvan de economische waarde voldoende vaststaat. Het middel klaagt niet over het in rov. 3.28 door het hof weergegeven toetsingskader, dat is ontleend aan HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2888 (Pelsdieren). Het hof overwoog: “3.28. (…). Ingevolge bestendige rechtspraak van het EHRM kan goodwill onder bepaalde omstandigheden weliswaar als eigendom in de zin van artikel 1 EP worden beschouwd, maar kunnen toekomstige inkomsten alleen dan als zodanig worden aangemerkt wanneer zij reeds zijn verdiend of wanneer daarop een rechtens afdwingbare aanspraak bestaat (vgl. recent EHRM 21 april 2016, nr. 32913/03 (Topallay/Albanië), par. 88). Dat brengt met zich dat goodwill, dan wel de waarde van een onderneming, niet als eigendom in de zin van artikel 1 EP heeft te gelden indien het bestaan daarvan uitsluitend kan worden onderbouwd door verwijzing naar toekomstige inkomsten (zie EHRM 25 januari 2000, nr. 37683/97 (Ian Edgar (Liverpool) Ltd./Verenigd Koninkrijk) en EHRM 13 maart 2012, nr. 23780/08, ECLI:NL:XX:2012:BX1155 (Malik/Verenigd Koninkrijk)). In de uitspraken waarin het EHRM goodwill als (onderdeel van) eigendom heeft aanvaard, ging het om gevallen waarin die goodwill voortvloeide uit een bestaande vergunning (Tre Traktörer) en EHRM 18 februari 1991, nr. 12033/86 (Fredin/Zweden)), of uit een bestaande klanten- of patiëntenkring (Van Marie en de hiervoor genoemde zaak Malik/Verenigd Koninkrijk). Daarnaast is in de zaak Wendenburg/Duitsland (EHRM 6 februari 2003, nr. 71630/01) artikel 1 EP toepasselijk geacht op “law practices and their clientele”; voor die toepasselijkheid achtte het EHRM echter van belang dat op grond van een bestaand wettelijk privilege (het uitsluitend recht van advocaten om te procederen voor Duitse gerechtshoven) de ‘legitimate expectation’ bestond dat inkomsten verworven kunnen worden: “When dealing with the protection of privileges accorded by law, the Convention is applicable where such privileges lead to a legitimate expectation of acquiring certain possessions”. 6.3.1 Volgens het hof (in rov. 3.29-3.32) kwalificeert het opt-out-adressen en klantenbestand niet als eigendom in de zin van art. 1 EP, omdat het in wezen niet anders is dan de mogelijkheid om ongeadresseerd reclamedrukwerk te (laten) bezorgen op adressen waarvan de brievenbus niet is voorzien van een NEE/JA- of NEE/NEE-sticker (rov. 3.30) en de door het opt-in-systeem verminderde bezorgmogelijkheid louter het verlies van toekomstig inkomen betreft (rov. 3.32). Daartoe beoordeelt het hof op de voet van het in rov. 3.28 genoemde toetsingskader (in rov. 3.30) of sprake is van een ‘vast klantenbestand’ dan wel ‘opgebouwde clientèle’ en (in rov. 3.31) of sprake is van een aanspraak, ‘asset’, verleend recht, vergunning dan wel gerechtvaardigde verwachtingen. 6.3.2 Volgens het hof (in rov. 3.30) kwalificeert de bezorgmogelijkheid niet (zonder nadere uitleg) als ‘vast klantenbestand’ of ‘opgebouwde clientèle’. Het gaat om drukwerk zonder klantgegevens dat ongeadresseerd wordt bezorgd. Zie ook hierna in 6.3.3. Daar komt bij, aldus het hof, dat een aanzienlijk aantal Amsterdammers zonder NEE/NEE- of NEE/JA-sticker geen prijs stelt op ongeadresseerd reclamedrukwerk. Deze personen kunnen dus − naar ik begrijp: óók om deze reden − niet als klant van MailDB c.s. worden beschouwd. Het betreft hier m.i. een ten overvloede gegeven overweging die ziet op een subset van de groep adressen zonder NEE/NEE- of NEE/JA-sticker. 6.3.3 Voorts overweegt het hof (in rov. 3.31) dat de bezorgmogelijkheid door de bewoners wordt bepaald, het kunnen bezorgen op een bepaald adres niet de verdienste van MailDB c.s. is en MailDB c.s. geen exclusieve aanspraak heeft op bezorging. Gelezen in samenhang met rov. 3.30 komt dit er m.i. op neer dat het niet gaat om adressen van klanten die MailDB c.s. op de een of andere manier hebben geworven of aan zich hebben gebonden. Het gaat om adressen waarvan de bewoners − slechts − niet hebben aangeven dat zij geen prijs stellen op de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk. 6.3.4 Het bestaan van de bezorgmogelijkheid als zodanig, zo begrijp ik het hof, is niet een gevolg van de inspanningen of investeringen van MailDB c.s. Het hof oordeelt (in rov. 3.31) dat dit niet anders wordt doordat MailDB c.s (
  1. i)opt-outstickers hebben uitgegeven en daarvoor kosten hebben gemaakt dan wel, mogelijk, (
  2. ii)een bestand hebben gemaakt van adressen zonder NEE/NEE- of NEE/JA-sticker. 6.3.5 Ten slotte oordeelt het hof (in rov. 3.31) dat het feitelijke gebruik dat MailDB c.s. al geruime tijd van de bezorgmogelijkheid van het opt-out-systeem maakten, niet is gebaseerd op een door de Gemeente aan MailDB c.s. verleend recht of verleende vergunning en jegens de Gemeente geen gerechtvaardigde verwachting oplevert van voortzetting daarvan waarop de invoering van het opt-in-systeem een inbreuk zou maken. 6.3.6 Omdat de bezorgmogelijkheid van het opt-out-systeem om voornoemde redenen niet als eigendom van MailDB c.s. in de betekenis van art. 1 EP kwalificeert, is de door invoering van het opt-in-systeem verminderde bezorgmogelijkheid niet als een met dat artikel strijdige inbreuk te beschouwen. De door het opt-in-systeem verminderde bezorgmogelijkheid betreft daarmee louter het verlies van toekomstig inkomen. De aan dat toekomstig inkomen ontleende waarde en economisch belang van MailDB c.s. kwalificeren evenmin als hun eigendom in de zin van art. 1 EP, aldus het hof (in rov. 3.32). Subonderdeel 3.1 6.4 Subonderdeel 3.1 maakt om te beginnen een onderscheid tussen enerzijds het adressenbestand (een bestand van adressen zonder NEE/NEE- of NEE/JA-sticker) en anderzijds een adverteerder- of opdrachtgeversbestand, dat wil zeggen een bestand van klanten/opdrachtgevers van de distributiebedrijven.Volgens het subonderdeel is de door het hof gebruikte terminologie – ‘adressen- en/of klantenbestand’ – onduidelijk. Het subonderdeel betrekt de klachten op beide bestanden en klaagt (in nr. 37) nog specifiek dat het hof is voorbijgegaan aan de stellingen van MailDB c.s. dat leden een vast klanten/opdrachtgeversbestand hebben. 6.5.1 MailDB c.s. hebben bij hun beroep op art. 1 EP inderdaad gewezen op (
  3. a)de marktwaarde van de ondernemingen, (
  4. b)het adressenbestand en (
  5. c)het klantenbestand. Met dit laatste wordt gedoeld op de opsomming van een aantal klanten van Netwerk VSP dat door MailDB c.s. is overgelegd als productie 52. Het hof heeft dit naar mijn mening niet miskend, zodat het arrest op deze grond niet onduidelijk of onbegrijpelijk is. Het hof spreekt immers van een opt-outadressen- en/of klantenbestand en benoemt in rov. 3.26 en 3.31 afzonderlijk het opt-outadressenbestand in verband met de door MailDB c.s. gestelde investeringen in dat bestand. Deze terminologie wordt door het hof consequent gehanteerd, ook waar het hof in rov. 3.30 overweegt dat “het reclamedrukwerk zonder adresgegevens ongeadresseerd wordt bezorgd”. Het hof spreekt dus niet van ‘ongeadresseerde klantgegevens’, anders dan het middel (in voetnoot 44) veronderstelt. In zijn beoordeling maakt het hof verder in beginsel geen onderscheid tussen beide bestanden, zoals het hof ook het gestelde verlies aan marktwaarde van de ondernemingen niet afzonderlijk bespreekt. Het baseert dit op zijn oordelen (
  6. i)dat gezien de stellingen van MailDB c.s. beoordeeld moet worden of het opt-out adressen en/of klantenbestand kwalificeert als eigendom in de zin van art. 1 EP (rov. 3.29) en (
  7. ii)dat wat MailDB c.s. als hun opt-outadressen- of klantenbestand benoemt, in wezen niets anders is dan de mogelijkheid om ongeadresseerd reclamedrukwerk te (laten) bezorgen op adressen zonder NEE/NEE- of NEE/JA-sticker (rov. 3.30). 6.5.2 De klacht in nr. 37 van de procesinleiding berust daarom op een onjuiste lezing van het arrest voor zover zij veronderstelt dat het hof de stellingen van MailDB c.s. over het adverteerder/opdrachtgeverbestand niet in zijn oordeel heeft betrokken. De klacht faalt ook voor zover wordt geklaagd dat het hof dit onvoldoende heeft gedaan. In het bijzonder behoefde het hof niet afzonderlijk in te gaan op de stellingen van MailDB c.s. dat de klanten/opdrachtgevers per bezorgde folder betalen en dat het adverteerder/opdrachtgeverbestand door invoering van het opt-in-systeem niet benut kan worden. Een opt-in-systeem staat als zodanig immers niet in de weg aan bezorging van ongeadresseerd drukwerk, al zal de invoering van dit systeem (mogelijk) tot minder omzet (benutting van de kring van bestaande opdrachtgevers) leiden en daarmee van invloed zijn op de waarde van de onderneming. Een opgebouwd klantenbestand dat voor een ondernemer een krachtens art. 1 EP beschermd recht met (economische) waarde vertoont, moet worden onderscheiden van toekomstig inkomen. Toekomstig inkomen geldt slechts als eigendom in de zin van art. 1 EP als het, kort gezegd, een rechtsgeldige aanspraak op nog te ontvangen inkomen betreft. Art. 1 EP beschermt niet de enkele hoop of verwachting om inkomen te verwerven. 6.6 Het subonderdeel klaagt in nr. 35 van de procesinleiding dat het hof geen waarde heeft toegekend aan de investeringen van MailDB c.s. als het uitgeven van stickers en het bijhouden van het adressen- en adverteerdersbestand op basis waarvan de distributiebedrijven hun bedrijfsvoering voeren en waaraan zij marktwaarde ontlenen. 6.7 Deze klacht mist mijn inziens feitelijke grondslag. Het hof gaat na of het opt-outadressen- en/of klantenbestand als eigendom in de zin van art. 1 EP kwalificeert en behandelt daarmee tevens de door MailDB c.s. gestelde marktwaarde van de ondernemingen. Daarmee heeft het hof erkend dat dit voor MailDB c.s. waarde vertegenwoordigt. Het hof heeft – naast het voorgaande − in de stellingen van MailDB c.s. kennelijk niet gelezen dat er relevante investeringen zijn gedaan voor het bijhouden van een lijst met opdrachtgevers zoals bedoeld in productie 52 van MailDB c.s. Dat is niet onbegrijpelijk. Aan de door MailDB c.s. gestelde investeringen in het opt-outadressenbestand (rov. 3.26) besteedt het hof in rov. 3.31 aandacht. 6.8 Dat het hof blijkens rov. 3.31 de gestelde investeringen in het opt-outadressenbestand (rov. 3.26) onvoldoende vindt om te concluderen dat sprake is van eigendom in de zin van art. 1 EP, is naar mijn mening in het licht van de rov. 3.30-3.31, anders dan het subonderdeel in nr. 36 van de procesinleiding aanvoert, niet onbegrijpelijk. 6.9 Voorts is volgens het subonderdeel (in nr. 36 van de procesinleiding) de overweging dat reclamedrukwerk zonder klantgegevens ongeadresseerd wordt bezorgd, geen toereikende motivering. Een klantenbestand in de zin van art. 1 EP kan bestaan uit het bijhouden van het aantal adressen per bezorgingsgebied zonder de specifieke adressen te gebruiken, aldus de klacht. 6.10 Deze klacht kan niet slagen. Het oordeel van het hof dat zonder nadere uitleg door MailDB c.s. niet kan worden vastgesteld waarom de mogelijkheid om ongeadresseerd reclamedrukwerk te (laten) bezorgen op adressen waarvan de brievenbus niet is voorzien van een NEE/JA- of NEE/NEE-sticker geldt als een vast klantenbestand of door MailDB c.s. opgebouwde clientèle, is niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof komt er m.i. op neer, zoals vermeld in 6.3.3, dat het niet gaat om adressen van klanten die MailDB c.s. op de een of andere manier heeft geworven of aan zich heeft gebonden. Het gaat om adressen waarvan de bewoners − slechts − niet hebben aangeven dat zij geen prijs stellen op de bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk. Dat MailDB c.s. moeite (investeringen) hebben gedaan om deze adressen te kennen, heeft het hof niet miskend, maar onvoldoende geacht (rov. 3.31). 6.11 In nr. 38 van de procesinleiding wordt geklaagd over de overweging in rov. 3.30 dat een aanzienlijk aantal Amsterdammers zonder NEE/NEE- of NEE/JA-sticker geen prijs stelt op ongeadresseerd reclamedrukwerk. 6.12 Nu het hier een ten overvloede gegeven overweging betreft (zie in 6.3.2), ontbreekt belang bij deze klacht. Subonderdeel 3.2 6.13.1 Subonderdeel 3.2 klaagt, in nr. 39 van de procesinleiding, dat de beoordeling (in rov. 3.1) of sprake is van een verleend recht of verleende vergunning en (in rov. 3.35) of door een toezegging van het bevoegd gezag gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt, miskent dat de economische belangen van MailDB c.s. ook geschaad kunnen worden door wijziging van een gemeentelijke verordening die een landelijk ingevoerd systeem doorkruist en gemaakte investeringen en economische belangen van een onderneming teniet maakt of schaadt. Het oordeel van het hof is volgens het subonderdeel in ieder geval onbegrijpelijk omdat de Gemeente steeds heeft meegewerkt aan het landelijke opt-out-systeem en MailDB c.s. dat landelijke systeem hebben uitgerold. 6.13.2 Subonderdeel 3.2 klaagt voorts, in nr. 40 van de procesinleiding, dat het oordeel in rov. 3.31 onjuist dan wel onbegrijpelijk is omdat het hof bij zijn oordeel over art. 1 EP centraal stelt of MailDB c.s. een exclusieve aanspraak hebben op de bezorgingsmogelijkheid en of het bestaan van de bezorgingsmogelijkheid de verdienste van MailDB c.s. is. Het oordeel is onbegrijpelijk in het licht van de essentiële stellingen van MailDB c.s. dat met betrekking tot het opt-out-systeem gerechtvaardigde verwachtingen bestaan ten aanzien van het gebruik van de (gedane en/of voortdurende) investeringen. 6.14 Deze klachten gaan niet op. Het hof heeft onderkend dat de economische belangen van MailDB c.s. in het geding zijn (zie rov. 3.32) en aan de hand van de verschillende elementen van het in rov. 3.28 bedoelde toetsingskader in rov. 3.30-3.31 onderzocht of sprake is van eigendom in de zin van art. 1 EP dan wel (slechts) van verlies van toekomstig inkomen. Naar mijn mening is de conclusie dat sprake is van toekomstig inkomen niet onbegrijpelijk in het licht van de stellingen dat de Gemeente heeft meegewerkt aan het landelijke opt-out-systeem, dat MailDB c.s dit systeem hebben uitgerold en dat verwachtingen bij MailDB c.s. bestaan over het voorgezette gebruik daarvan. Het hof heeft die stellingen beoordeeld in rov. 3.31 en 3.33 en voorts overwogen (in rov. 3.44) dat het opt-out-system in 1993 is ingevoerd en dat MailDB c.s. er in redelijkheid van uit kunnen gaan dat het systeem op enig moment zou wijzigen. Slotsom 6.15 Onderdeel 3 slaagt niet. 7Bespreking van onderdeel 4 van het middel (algemene beginselen) 7.1 Na beoordeling van het beroep van MailDB c.s. op het evenredigheids- en motiveringsbeginsel (grief 8; rov. 3.22-3.24) en op art. 1 EP (grieven 9 en 10; rov. 3.25-3.32), beoordeelt het hof in rov. 3.33 e.v. het beroep van MailDB c.s. op een aantal algemene rechtsbeginselen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur (grieven 11-15). In rov. 3.35 stelt het hof daartoe voorop: “Het hof is met de rechtbank van oordeel dat een algemeen verbindend voorschrift kan worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen, zoals de door MailDB c.s. genoemde algemene rechtsbeginselen. Tevens brengt artikel 3:1, eerste lid, onder a van de Algemene wet bestuursrecht met zich mee dat op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften, afdeling 3.2 van de Awb slechts van toepassing is voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet. Uitgangspunt is dat aan de gemeenteraad beleidsruimte toekomt bij het vaststellen van een verordening. Bij de beoordeling van de vraag of de gemeente in redelijkheid tot vaststelling van een algemeen verbindend voorschrift heeft kunnen komen, stelt de rechter zich terughoudend op. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen heeft de rechter niet tot taak de om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. (…)” Vervolgens verwerpt het hof het beroep van MailDB c.s. op het motiveringsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel (grief 12; rov. 3.34-3.35), het (formele) zorgvuldigheidsbeginsel-evenredigheidsbeginsel (grief 13; rov. 3.37-3.40), het evenredigheidsbeginsel in strikte zin (grief 14; rov. 3.42), het égalitébeginsel (grief 14; rov. 3.43-3.44), het verbod van détournement de pouvoir (grief 15; rov. 3.45) en het gelijkheidsbeginsel (grief 15; rov. 3.36). 7.2 Onderdeel 4 betreft de verwerping van het betoog van MailDB c.s. dat de invoering van het opt-in-systeem in strijd is met de hiervoor genoemde beginselen. Het onderdeel is in de kern gericht tegen de rov. 3.35-3.46. Het onderdeel vermeldt weliswaar dat het ook is gericht tegen de verwerping van het beroep op art. 1 EP in rov. 3.29-3.32, maar dat is naar ik begrijp omdat subonderdeel 4.1 mede verwijst naar het belang van fundamentele rechtsbeginselen zoals art. 1 EP. Onderdeel 4 is niet gericht tegen de verwerping van grief 8 in rov. 3.22-3.24. Subonderdeel 4.1 betreft de te hanteren maatstaf, de subonderdelen 4.2 tot en met 4.6 betreffen de toetsing door het hof aan de verschillende beginselen. Subonderdeel 4.1 7.3 Subonderdeel 4.1 is gericht tegen de rov. 3.29-3.46 en klaagt: (
  8. i)in de procesinleiding nr. 43 dat de toetsing door het hof ten onrechte geen blijk heeft gegeven van een intensieve toetsing aan algemene rechtsbeginselen zoals die geboden is blijkens CRvB 1 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2016) en de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Widdershoven (ECLI:NL:RVS:2017:3557), en dat een meer intensieve toetsing tot gevolg zou hebben gehad dat het opt-in-systeem in strijd met de algemene rechtsbeginselen was bevonden; (
  9. ii)in de procesinleiding nr. 44 dat het hof heeft miskend dat de rechterlijke toetsing van algemeen verbindende voorschriften aan algemene rechtsbeginselen intensiever moet zijn als fundamentele rechten en internationale rechtsbeginselen aan de orde zijn, althans (iii) dat het arrest onbegrijpelijk is omdat daaruit onvoldoende duidelijk blijkt dat het hof bij zijn oordeel over de mate van de rechterlijke toetsing in aanmerking heeft genomen het beroep van MailDB c.s. op de vrijheid van meningsuiting, het recht op eigendom, het non-discriminatiebeginsel, het noodzakelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel (art. 15 lid 2, onder a en b, in verbinding met lid 3 van de Dienstenrichtlijn) en de vrijheid van ondernemerschap. 7.4 De eerste klacht van dit subonderdeel stelt de intensiteit van toetsing van materiële wetgeving door de burgerlijke rechter aan de orde en in het bijzonder of de burgerlijke rechter zich in dit opzicht zou dienen aan te sluiten bij ontwikkelingen in de bestuursrechtspraak. Dit is een belangrijke, principiële vraag. Ik schets daartoe het juridisch kader en beantwoordt deze vraag vervolgens bevestigend. Ik merk nu alvast op dat mijn beschouwingen op dit punt niet tot de conclusie leiden dat het cassatiemiddel op dit punt slaagt. 7.5.1 In HR 16 mei 1986 (Landbouwvliegers) was de vraag aan de orde of de burgerlijke rechter een algemeen verbindend voorschrift niet zijnde een wet in formele zin (dus: materiële wetgeving) aan algemene rechtsbeginselen mag toetsen. Volgens de Hoge Raad luidde het antwoord op die vraag in zoverre bevestigend (rov. 6.1): “dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter een zodanig, niet door de formele wetgever gegeven voorschrift onverbindend en in verband daarmee de vaststelling en uitvoering daarvan onrechtmatig kan oordelen op de grond dat sprake is van willekeur in dier voege dat het desbetreffende overheidsorgaan, in aanmerking genomen de belangen die aan dit orgaan ten tijde van de totstandbrenging van het voormelde uitvoeringsbesluit bekend waren of behoorden te zijn, in redelijkheid niet tot het desbetreffende voorschrift is kunnen komen. Daarbij heeft de rechter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moeten worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen, terwijl zowel de aard van de wetgevende functie als de positie van de rechter in ons staatsbestel, zoals deze mede in art. 11 Wet Algemene Bepalingen tot uiting komt, meebrengen dat hij ook overigens bij deze toetsing terughoudendheid moet betrachten. Voorts zullen gebreken in de motivering van het desbetreffende voorschrift of van de bepaling waarop het voorschrift is gegrond op zichzelf niet tot onverbindendheid leiden. Wel zal de motivering mede in aanmerking kunnen worden genomen bij de vraag of dit voorschrift de toetsing aan de boven weergegeven maatstaf kan doorstaan, zoals daarbij ook in aanmerking kan worden genomen of in verband met het voorschrift wellicht aan de daardoor in het gedrang komende belangen is tegemoet gekomen door aan eventuele benadeelden enigerlei vorm van vergoeding toe te kennen.” 7.5.2 Hoewel uit dit arrest aanvankelijk is afgeleid dat de toetsing van materiele wetgeving aan algemene rechtsbeginselen indirect via het verbod op willekeur dient plaats te vinden, blijkt uit latere arresten van de Hoge Raad dat de toetsing hiertoe niet beperkt is en dat ook aan andere algemene rechtsbeginselen kan worden getoetst. Zo overwoog HR 18 mei 2018 (Binnenvaartarrest): “De Besluiten van 11 maart 1991 en 24 november 2008 behelzen geen wetgeving in formele zin. Het toetsingsverbod van art. 120 Grondwet is daarop niet van toepassing. Dergelijke wetgeving kan de rechter dan ook wel toetsen aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Bij die toetsing heeft de rechter echter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Voorts brengen zowel de aard van de wetgevende functie als de positie van de rechter in het Nederlandse staatsbestel mee dat hij ook overigens bij deze toetsing terughoudendheid moet betrachten (HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9354, NJ 1987/251 (Landbouwvliegers), rov. 6.1; zie voorts o.m. HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0146, NJ 2010/53, rov. 3.6). De rechter kan onder meer toetsen of de wetgever bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de betrokken regeling of regel heeft kunnen komen (art. 3:4 Awb, dat op grond van art. 3:1 lid 1, aanhef en onder a, Awb ook van toepassing is op algemeen verbindende voorschriften).” 7.5.3 Hieruit blijkt dat de burgerlijke rechter (
  10. i)materiële wetgeving kan toetsen aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, maar (
  11. ii)dat de rechter bij die toetsing niet de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht kan vaststellen en (iii) dat de rechter bij die toetsing voorts terughoudendheid moet betrachten gelet op de aard van de wetgevende functie en de positie van de rechter in het Nederlandse staatsbestel. Het onder (
  12. ii)en (
  13. ii)gestelde geldt ongeacht de wijze waarop de toetsing plaatsvindt, dat wil zeggen over de band van de willekeurtoets − opgevat als de toets of de wetgever bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de betrokken regel(ing) heeft kunnen komen – dan wel anderszins. Het is dus niet zo dat de onder (iii) bedoelde terughoudendheid zijn grondslag nog specifiek vindt in de willekeurtoets. Toetsing aan formele beginselen, zoals het motiveringsbeginsel, vindt blijkens het Landbouwvliegersarrest plaats over de band van de toets of de wetgever bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de betrokken regel(ing) heeft kunnen komen. 7.6.1 In het bestuursrecht kan geen beroep worden ingesteld tegen een algemeen verbindend voorschrift (vgl. art. 8:3 lid 1 onder a Awb). De bestuursrechter heeft echter de mogelijkheid om algemeen verbindende voorschriften te toetsen aan regels van hogere orde en algemene rechtsbeginselen indien deze ten grondslag zijn gelegd aan een besluit waarvan bij hem beroep openstaat (de zogeheten exceptieve toetsing). Bij deze toetsing is door de bestuursrechters min of meer de maatstaf van het Landbouwvliegersarrest gehanteerd, opgevat als de toets of het vaststellen van het algemeen verbindend voorschrift in strijd was met het verbod op willekeur (de ‘willekeursluis’). In de rechtspraak is echter een tendens naar een meer rechtstreekse en indringender toets aan andere rechtsbeginselen gesignaleerd. Zo constateert staatsraad advocaat-generaal Widdershoven in zijn conclusie van 22 december 2017 onder meer dat door de (burgerlijke en bestuurs-) rechter de willekeursluis niet wordt toegepast bij toetsing aan het gelijkheidsbeginsel en evenmin bij toetsing aan het verbod van terugwerkende kracht als onderdeel van het beginsel van rechtszekerheid. 7.6.2 Deze ontwikkeling vindt steun in de literatuur, waarin de willekeursluis van het Landbouwvliegersarrest overwegend te strikt wordt geacht. Daaraan ligt blijkens de eerder genoemde conclusie van Widdershoven onder meer ten grondslag de verschuiving van normstelling naar gedelegeerde regelgeving en daaraan verbonden opkomst van de ‘administratieve staat’. Widdershoven constateert dat de literatuur minder duidelijk is over de vraag of de beschreven ontwikkeling in de intensiteit van de toetsing ook opgaat voor regelgeving die is vastgesteld door direct gekozen organen, zoals de gemeenteraad en provinciale staten. In zijn conclusie adviseerde Widdershoven een (verdere) intensivering van de exceptieve toetsing van algemeen verbindende voorschriften langs twee routes: door een nadere operationalisering van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel conform de rechtspraak van het Hof van Justitie, en voorts door het loslaten van de toetsing aan het formele zorgvuldigheids

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.