← Nederland

ECLI:NL:PHR:2022:1024

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/00199 Zitting 4 november 2022 CONCLUSIE R.H. de Bock In de zaak Capgemini Nederland B.V. (hierna: Capgemini) advocaten: mr. B.T.M. van der

§ 8.13-8.18 en 8.29; Mv

A § 6.6-6.18; Capgemini pita II § 2.20. Zie § 6.2-6.18 memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel. Zie § 11.7 (slotzin) CvA. In de procesinleiding wordt verwezen naar de volgende vindplaatsen uit de processtukken in feitelijke instanties: CvA § 1.6, 4.1-4.2, 5.5, 9.1 sub 2, 12.9; Capgemini pleitnota I §1.3, 2.3 onder

(1); MvA § 4.5, 4.14.1; Capgemini pleitnota II § 2.2. In de procesinleiding wordt verwezen naar: CvA § 1.6, 4.1-4.3, 5.5, 9.1 sub 1, 12.9;

§ 4.24-4.25, 7.3, 10.15; Mv

A § 4.5, 4.14.2-4.14.4; Capgemini pleitnota II § 2.

  1. In de procesinleiding wordt verwezen naar: CvA § 6.9 onder verwijzing naar productie C-
  2. In de procesinleiding wordt verwezen naar: CvA § 6.5;

§ 5.16, 5.18, 10.15; Capgemini pleitnota I § 3.7-3.8; Mv

A § 4.36-4.38. In de procesinleiding wordt verwezen naar: CvA § 4.7 en 9.1 sub 2;

§ 4.6-4J, 4.10, 4.24; Capgemini pleitnota I § 2.6; Mv

A § 4.9, 4.

  1. Zie met name CvA § 5.4-5.
  2. Zie CvA § 5.
  3. Zie

§ 4.11. Zie Cv

A § 5.4 Zie

§ 4.12.

Zie

§ 4.11. De procesinleiding verwijst naar CvA § 1.7, 5.11-5.13, 5.20, 9.1

(7)onder b en c, 14.6;

§ 5.55-5.57, 10.17; Capgemini Pita I § 3.3-3.5.

De procesinleiding verwijst naar

§ 5.23, 5.26, 5.53; Capgemini Pita I § 3.9. De procesinleiding verwijst naar Cv

A § 7.2;

§ 5.21,5.26 Capgemini Pita I § 3.9; MvA §4.41, 7.14; Capgemini pita II § p. 11. Zie met name CvA § 9.1

(7);

§ 5.55; Mv

A § 7.

  1. Zie Van Zeben, Du Pon & Olthof, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 283 (Toelichting Meijers bij art. 6:81 BW: “Van verzuim kan geen sprake zijn voor zover nakoming blijvend onmogelijk is. Heeft de schuldenaar in strijd gehandeld met een verplichting om niet te doen, heeft hij een prestatie achterwege gelaten, die alleen binnen een bepaalde tijd kon worden verricht of is door een andere oorzaak nakoming blijvend onmogelijk geworden, dan zijn de bepalingen over het verzuim niet van toepassing.”, (onderstr. A-G); Asser/Sieburgh 6-I 2020/383; H.B. Krans en M.H. Wissink, Verbintenissenrecht algemeen (Studiereeks Burgerlijk Recht nr. 4) 2022, nr. 135; G.T. de Jong, Niet-nakoming van verbintenissen (Mon. BW. B33), 2017, nr. 9.2; H.J.S.M. Langbroek, in: Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 3.7 en 3.7.5 (actueel t/m 15 maart 2020); P.S. Bakker in: Sdu Commentaar Vermogensrecht, art. 6:74 BW, aant. 1.5 (bijgewerkt op 23 juni 2022); M.M. Stolp, Ontbinding, schadevergoeding en nakoming. De remedies voor wanprestatie in het licht van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit (diss. Radboud Universiteit Nijmegen), 2007, p. 52; de annotatie van Jac. Hijma onder nr. 6 bij HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9348, NJ 2010/83 (Moerings/Mol Agrocom). Anders: J.F.M. Janssen, ‘Heroriëntatie op de ingebrekestelling’, in: NTBR 2005/63, p. 360; A.C. van Schaick, ‘Blijvende onmogelijkheid’, in: NTBR 2012/40, p. 287-
  2. Janssen en Van Schaick menen dat wenselijker is om in dergelijke gevallen aan te nemen dat sprake is van verzuim wegens het verstrijken van een fatale termijn in de zin van art. 6:83 onder a BW, o.a. omdat de prestatie zelf feitelijk nog mogelijk is en de schuldeiser daarmee niet de mogelijkheid wordt ontnomen om alsnog nakoming te vorderen indien hij daarbij nog belang zou hebben. Zie Asser/Sieburgh 6-I 2020/
  3. Zie o.a. Asser/Sieburgh 6-I 2020/
  4. Vgl. de Toelichting Meijers bij art. 6:265 BW, Van Zeben, Du Pon & Olthof, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 1006: “De situaties waarin krachtens inhoud of strekking van de overeenkomst ontbinding zonder aanmaning mogelijk is, zijn van verschillende aard. In de eerste plaats kan uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat het enkele verstrijken van een bepaalde termijn recht op ontbinding zal geven. Daarnaast is mogelijk dat een termijn die strekking heeft zonder dat zulks uitdrukkelijk is bepaald, namelijk doordat, naar de schuldenaar weet, de schuldeiser er overwegend belang bij heeft dat de termijn in acht genomen wordt. Verder kan ook zonder dat een bepaalde termijn is afgesproken, het de schuldenaar duidelijk zijn dat de prestatie voor de wederpartij na verloop van zekere tijd geen betekenis meer heeft. Soms ook moet de schuldenaar uit de aard van de bedongen prestatie begrijpen, dat hij haar na een bepaalde tijd niet meer als nakoming kan doen gelden. Bekende voorbeelden hiervan zijn, dat iemand een taxi bestelt om naar het station te rijden, en dat een bruid haar bruidsjapon bestelt. Ook kan men denken aan de overeenkomst, een bepaalde plechtigheid te fotograferen of te verfilmen. Men bevindt zich hier in een overgangsgebied naar de niet-nakoming die niet onder het tweede lid valt omdat de prestatie niet meer mogelijk is. In bepaalde gevallen hangt het van het oordeel van een der partijen af, of de nakoming als onmogelijk zal gelden; wil de bruid in het hierboven gegeven voorbeeld de japon ook na de bruiloft nog aanvaarden, dan zal haar wederpartij de nakoming niet als onmogelijk mogen weigeren, daar de regel dat aflevering na de bruiloft niet meer als nakoming kan gelden, alleen in het belang van de bruid van kracht is.” Zie over dit onderscheid o.a. Asser/Sieburgh 6-I 2020/338, 382; H.J.S.M. Langbroek, in: Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 3.2 (actueel t/m 15 maart 2020). Zie H.J.S.M. Langbroek, in: Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 3.2.1 (actueel t/m 15 maart 2020). Zie G.T. de Jong, Niet-nakoming van verbintenissen (Mon. BW. B33), 2017, nr. 9.
  5. Zie H.B. Krans en M.H. Wissink, Verbintenissenrecht algemeen (Studiereeks Burgerlijk Recht nr. 4) 2022, nr. 135; Jac. Hijma en M.M. Olthof, Compendium van het Nederlands vermogensrecht, 2020, nr. 377; G.T. de Jong, Niet-nakoming van verbintenissen (Mon. BW. B33), 2017, nr. 9.
  6. H.J.S.M. Langbroek, in: Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 3.7.3 (actueel t/m 15 maart 2020). HR 22 mei 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4192, NJ 1982/59, m.nt. C.J.H. Brunner (Van der Gun/Farmex). Dit arrest wordt meestal in één adem genoemd met HR 26 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4352, NJ 1982/626, m.nt. C.J.H. Brunner (Automatic Signal/De Haas). Zie de noot van W.F.R. Rinzema bij het bestreden tussen arrest in Computerrecht 2021/159, onder nrs. 8-9.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.