PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/03882 Zitting 9 december 2022 CONCLUSIE P. Vlas In de zaak National Chemical Carriers Ltd., gevestigd te Riyad, Saoedi-Arabië, (hierna: NCC) tegen The International Oil Pollution Compensation Fund 1992, gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk (hierna: het Fonds) en tegen
(20)tanks waarin persistente oliën zijn vervoerd uitgebreide wasprogramma’s (met Envirocare 370) met lozing op zee zijn doorlopen en dat de tanks daarna schoon waren, is evenmin op overtuigende wijze aangetoond. NCC beroept zich op bijlage 2 bij het rapport van Van Ameyde, maar de juistheid van de vermeldingen in dat ongedateerde en niet getekende document staat echter niet vast. Verder blijkt niet dat alle tanks kort na het incident zijn geïnspecteerd en er zijn geen door derden afgegeven reinigingscertificaten – van kort voor of direct na het incident – met betrekking tot alle beweerdelijk schoongemaakte tanks (rov. 7.4.3). De bedenkingen worden niet weggenomen met de verklaringen die de bemanningsleden na de afwijzende beslissing van de rechtbank tegenover de advocaat van NCC hebben afgelegd. Die verklaringen zijn weinig gedetailleerd en ook niet steeds in lijn met de (wisselende) stellingen van NCC. Uit de verklaringen volgt ook niet overtuigend wie precies op welk moment in tank 9C is neergedaald en toen – als enige tekortkoming – de beweerdelijke witte afzetting daarin heeft geconstateerd en vervolgens gerapporteerd (rov. 7.4.4). 2.12 Het hof heeft hieruit geconcludeerd dat: ‘8. (…) wat er door NCC in het kader van haar beroep op de uitzonderingsclausule aan onderbouwing/bewijs is aangedragen, in wezen niet meer is dan haar eigen, niet steeds consistente, verklaring en de rapportages van de door haar ingeschakelde expert Van Ameyde, die is uitgegaan van de haar door NCC verstrekte gegevens. De door NCC overgelegde certificaten tonen de gestelde ‘schone staat’ van het schip ten tijde van en kort na het incident onvoldoende aan. Een bevestiging van die ‘schone staat’ door een onafhankelijke en deskundige bron ontbreekt. Voor zover die bevestiging er al had kunnen zijn, komt het voor rekening van NCC dat deze er niet is, omdat zij een onafhankelijke/gezamenlijke expertise van de tanks heeft tegengehouden, althans deze niet heeft georganiseerd, terwijl daartoe direct na het incident alle aanleiding en ook gelegenheid bestond. Thans is niet meer objectief vast te stellen of alle tanks van het schip ‘schoon’ waren en/of dat het uit tank 14C getrokken monster voldoende representatief is met het oog op het vaststellen van de afwezigheid van residuen. Hiervoor, onder 7.1.3, is uit de verdragsgeschiedenis [lees: aangehaald; A-G] dat het niet genoeg is om te stellen dat er geen residuen aan boord van het schip aanwezig zijn. Voor de praktijk zou het een verkeerd signaal zijn indien hiermee toch wel genoegen wordt genomen, ook in die gevallen waarin de scheepseigenaar op objectieve wijze invulling had kunnen geven aan de op hem rustende stelplicht/bewijslast.’ 2.13 Vervolgens heeft het hof het bewijsaanbod van NCC gepasseerd, omdat NCC haar – door verweerders gemotiveerd betwiste – standpunt ook in hoger beroep niet van een voldoende onderbouwing heeft voorzien en het bewijsaanbod bovendien te weinig is gespecificeerd. Voor zover NCC (een aantal) bemanningsleden als getuige wil doen horen, bestaat daarvoor geen aanleiding, omdat gesteld noch gebleken is dat zij meer of anders kunnen verklaren dan in hun op schrift gestelde verklaringen is vermeld, terwijl dat onvoldoende is voor het bewijs. Verder heeft NCC niet toegelicht dat de als getuige voorgestelde bootsman [getuige 1] , van wie geen schriftelijke verklaring is overgelegd, mogelijk iets meer of anders kan verklaren dan bootsman [getuige 2] , van wie wel een schriftelijke verklaring is overgelegd, maar wiens verklaring onvoldoende is voor het te leveren bewijs (rov. 9). 2.14 Tegen de beschikking van het hof heeft NCC (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Reederei Jaegers c.s., Esso c.s. en de Staat hebben geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De overige – in de feitelijke instanties op enig moment verschenen – belanghebbenden zijn in cassatie niet verschenen. NCC en de verschenen verweerders hebben hun standpunt schriftelijk doen toelichten, waarna NCC en de Staat respectievelijk hebben gerepliceerd en gedupliceerd. 2.15 Het Fonds heeft op 21 december 2020 een incidenteel verzoek in cassatie ingediend dat primair strekte tot tussenkomst als partij, subsidiair tot toelating als belanghebbende in de verzoekprocedure en meer subsidiair tot voeging als partij aan de zijde van NCC. Bij (tussen)beschikking van 24 december 2021 heeft de Hoge Raad het subsidiaire verzoek van het Fonds om als belanghebbende te worden toegelaten op basis van het commune burgerlijke procesrecht toegewezen en daarbij bepaald dat het Fonds bij verweer desgewenst incidenteel cassatieberoep kan instellen (rov. 3.6). Volgens de Hoge Raad is een geding waarin de aansprakelijkheid voor de schade wordt beperkt en een fonds wordt gevormd, niet een geding als bedoeld in art. 7 lid 4 Fondsverdrag en art. 3 lid 2 Wet schadefonds olietankschepen (rov. 3.2.9-3.3). 2.16 Het Fonds heeft een verweerschrift ingediend, waarin het zich in het principaal cassatieberoep van NCC heeft geschaard aan de zijde van NCC. Tevens heeft het Fonds incidenteel cassatieberoep ingesteld strekkende tot, kort gezegd, heroverweging door de Hoge Raad van zijn beslissing dat een verdragsrechtelijke grondslag ontbreekt voor de toekenning van het verzoek van Fonds om te interveniëren. Ook klaagt het incidenteel middel dat het hof het Fonds ten onrechte niet heeft opgeroepen. 2.17 NCC heeft zich ten aanzien van het door het Fonds ingestelde incidenteel cassatieberoep en het gedane verzoek tot heroverweging gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad. De Staat heeft verzocht tot verwerping van het incidenteel cassatieberoep, evenals Reederei Jaegers c.s. en Esso c.s. Het Fonds, de Staat, Reederei Jaegers c.s. en Esso c.s. hebben hun standpunten ten aanzien van het incidenteel cassatieberoep schriftelijk doen toelichten en het Fonds heeft gerepliceerd. 3Bespreking van het principaal cassatiemiddel 3.1 In het principaal cassatieberoep staat de vraag centraal of het schip valt onder de definitie van ‘schip’ zoals omschreven in art. I lid 1 CLC-Verdrag 1992, zodat het Bunkerverdrag toepassing mist en het verzoek van NCC op die grond moet worden afgewezen (zie rov. 6.1.1-6.1.2 van de bestreden beschikking). Het middel bestaat uit drie onderdelen, die uiteenvallen in verschillende subonderdelen. 3.2 Het middel klaagt dat het hof is uitgegaan van een te zware bewijslast (onderdeel 1), dat de oordelen van het hof over de bewijswaardering niet in stand kunnen blijven (onderdeel 2) en dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan het bewijsaanbod van NCC (onderdeel 3). 3.3 Voordat ik de verschillende onderdelen bespreek, merk ik het volgende op. In deze zaak heeft NCC een verzoek ingediend tot beperking van haar aansprakelijkheid overeenkomstig het LLMC in samenhang met het Bunkerverdrag, en niet (subsidiair) tot beperking van aansprakelijkheid op grond van het CLC-Verdrag 1992. Zowel het Bunkerverdrag als het CLC-Verdrag 1992 zijn van toepassing op schade door verontreiniging veroorzaakt op het grondgebied (incl. de territoriale zee) en binnen de exclusieve economische zone van een verdragsluitende staat. Het Bunkerverdrag is echter niet van toepassing op schade door verontreiniging zoals omschreven in het CLC-Verdrag 1992, ongeacht of ten aanzien van die schade wel of geen schadevergoeding verschuldigd is ingevolge dat verdrag. Onder schade door verontreiniging wordt voor de toepassing van het CLC-Verdrag 1992 – kort gezegd – verstaan: verlies of schade buiten het schip veroorzaakt door bevuiling ten gevolge van het ontsnappen of doen wegvloeien uit het schip van persistente uit koolwaterstoffen bestaande minerale oliën, vervoerd aan boord van een schip als lading of in de bunkers van een schip. De term ‘schip’ wordt in art. I lid 1 CLC-Verdrag 1992 (in de authentieke Engelse en Franse teksten) als volgt gedefinieerd: ‘For the purposes of this Convention: 1. “Ship” means any sea-going vessel and seaborne craft of any type whatsoever constructed or adapted for the carriage of oil in bulk as cargo, provided that a ship capable of carrying oil and other cargoes shall be regarded as a ship only when it is actually carrying oil in bulk as cargo and during any voyage following such carriage unless it is proved that it has no residues of such carriage of oil in bulk aboard.’ ‘‘Au sens de la présente Convention: 1. “Navire” signifie tout bâtiment de mer ou engin marin, quel qu'il soit, construit ou adapté pour le transport des hydrocarbures en vrac en tant que cargaison, à condition qu'un navire capable de transporter des hydrocarbures et d'autres cargaisons ne soit considéré comme un navire que lorsqu'il transporte effectivement des hydrocarbures en vrac en tant que cargaison et pendant tout voyage faisant suite à un tel transport à moins qu'il ne soit établi qu'il ne reste à bord aucun résidu de ce transport d'hydrocarbures en vrac.’ De Nederlandse vertaling van deze bepaling luidt als volgt: ‘Voor de toepassing van dit Verdrag: 1. wordt onder “schip” verstaan: alle zeeschepen en andere zeegaande vaartuigen, van welk type ook, gebouwd of aangepast voor het vervoer van olie in bulk als lading, met dien verstande dat een schip dat olie en andere soorten lading kan vervoeren alleen als een schip wordt beschouwd, wanneer het daadwerkelijk olie in bulk als lading vervoert en tijdens iedere reis na een zodanig vervoer, tenzij wordt aangetoond dat het geen residuen van zulk vervoer van olie in bulk aan boord heeft.’ 3.4 In cassatie staat vast – en tussen partijen is niet in geschil geweest – dat het schip voorafgaand aan het incident persistente oliën in de zin van het CLC-Verdrag 1992 als bulklading heeft vervoerd. Het schip kwalificeert dan ook als een ‘schip’ zoals bedoeld in art. I lid 1 CLC-Verdrag 1992, tenzij wordt aangetoond dat het schip ten tijde van het incident geen residuen van zulk vervoer van olie in bulk aan boord heeft. 3.5 Het middel richt zich hoofdzakelijk tegen de interpretatie en toepassing van deze uitzonderingsbepaling door het hof. 3.6 Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 7.1.2-7.1.6, waarin ‘algemene overwegingen met betrekking tot de bewijsvoering’ zijn weergegeven. Het onderdeel klaagt in algemene zin dat het hof is uitgegaan van een te zware bewijslast, hetgeen wordt toegelicht in twaalf subonderdelen. 3.7 Onderdeel 1.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat, indien is aangetoond dat een chemicaliëntanker zoals het schip (
- i)is schoongemaakt en (
- ii)het waswater heeft afgegeven/geloosd conform de voorschriften die volgen uit het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (hierna: MARPOL), daarmee dan is aangetoond (althans in beginsel, behoudens tegenbewijs) dat het schip geen residuen van persistente olie als bedoeld in het CLC-Verdrag 1992 aan boord had en dus niet als CLC-schip geldt. De op MARPOL gebaseerde voorschriften kunnen gelden als algemeen aanvaarde standaardprocedure. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat het bewijs dat aan die voorschriften is voldaan, niet aan de in rov. 7.1.3 gestelde eisen behoeft te voldoen. 3.8 Het hof heeft in rov. 7.1.2 vastgesteld dat er internationaal geen algemeen aanvaarde standaardprocedure bestaat aan de hand waarvan bepaald wordt wanneer een schip – dat dienst kan doen als olietanker onder het CLC-Verdrag 1992 en als niet-CLC chemicaliëntanker onder het Bunkerverdrag – ophoudt een CLC-schip te zijn (zie ook de oproep van het hof aan de verdragsstaten in rov. 11). Ook NCC onderschrijft in de toelichting op het middel dat het CLC-Verdrag 1992 niet een dergelijke standaardprocedure bevat. Uit het CLC-Verdrag 1992 kan niet de algemene regel worden afgeleid dat aan de uitzonderingsbepaling is voldaan, althans het vermoeden geldt dat daaraan is voldaan, indien (vaststaat dat) de MARPOL voorschriften zijn gevolgd. Het gaat de taak van de (Nederlandse) rechter te buiten om – zonder enige steun in de tekst van het CLC-Verdrag 1992 – een dergelijke standaardprocedure te introduceren. Dat ligt op de weg van de verdragsstaten. Bij de huidige stand van zaken kan dan ook niet worden gezegd dat indien vast zou staan dat de tanks van het schip vrij waren van olie volgens MARPOL, het hof geen nader bewijs mocht verlangen dat aan de uitzonderingsbepaling is voldaan. Hierop stuit de klacht af. Ik merk overigens nog op dat uit het dossier niet blijkt dat NCC in feitelijke instanties het argument over de standaardprocedure heeft gevoerd. NCC heeft slechts gesteld dat als het schip ‘vrij van olie’ volgens MARPOL is, het niet als CLC-schip kan kwalificeren (p. 6 beroepschrift) en er dan geen noodzaak (meer) bestaat om het CLC-Verdrag 1992 van toepassing te laten zijn. 3.9 Onderdeel 1.2 betoogt dat het hof in rov. 7.1.3 heeft miskend dat op grond van art. 152 lid 1 Rv bewijs kan worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt. Onjuist is dan ook de overweging van het hof dat als uitgangspunt kan gelden dat in beginsel niet volstaat dat de scheepseigenaar of -bemanning zelf verklaart dat het schip ‘schoon’ is. Het CLC-Verdrag 1992 noch het commune Nederlandse recht kent immers een dergelijke regel, aldus het onderdeel. 3.10 Het hof heeft in rov. 7.1.3 overwogen dat als uitgangspunt kan gelden dat voor de bewijsvoering in beginsel niet volstaat dat de scheepseigenaar of -bemanning zelf verklaart dat het schip ‘schoon’ is. Bij voorkeur dient dit door een onafhankelijke deskundige te worden verklaard/bevestigd of in elk geval op basis van een tegensprekelijke expertise te worden vastgesteld, aldus het hof. Uit deze overwegingen blijkt niet dat het hof de vrije bewijsleer heeft miskend. Dat het hof de ‘voorkeur’ geeft aan een onafhankelijk deskundigenrapport of een tegensprekelijke expertise leidt er immers niet toe dat andere bewijsmiddelen (bij voorbaat) zijn uitgesloten. Zo blijkt uit rov. 7.3.1 e.v. dat het hof de verklaringen van NCC, het (aangevulde) rapport van haar partijdeskundige en de verklaringen van de bemanningsleden van het schip wel degelijk bij zijn oordeel heeft betrokken. Het hof heeft dan ook niet art. 152 lid 1 Rv miskend, zodat de klacht faalt. 3.11 Onderdelen 1.3-1.6 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling (in de schriftelijke toelichting van NCC worden zij ook gezamenlijk toegelicht). De onderdelen klagen in de kern genomen dat het hof art. 31-32 Weens Verdragenverdrag (hierna: WVV) onjuist heeft toegepast bij de uitleg van art. I lid 2 CLC-Verdrag 1992. De gewone betekenis van de termen van het CLC-Verdrag 1992 in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het CLC-Verdrag 1992 brengt, zo betoogt het onderdeel, immers niet mee dat het aantonen van de afwezigheid van residuen niet met alle middelen kan geschieden (rov. 7.1.3), (bijzonder) zwaar is of kan zijn (rov. 7.1.4), en dat aan de bewijsvoering, als uitgangspunt, hoge eisen mogen worden gesteld (rov. 7.1.5). 3.12 De bestreden overwegingen maken deel uit van de ‘algemene overwegingen’ van het hof ‘met betrekking tot de bewijsvoering’ (rov. 7.1.1-7.1.6). Deze overwegingen volgen op het oordeel in rov. 6.2 dat het aan NCC is om feiten te stellen en aan te tonen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat (het Bunkerverdrag van toepassing is doordat) de uitzondering van art. I lid 1 CLC-Verdrag 1992 zich voordoet en het oordeel in rov. 6.8 dat voor een geslaagd beroep op de uitzonderingsbepaling – in een geval als het onderhavige – nodig, maar ook voldoende is, dat gemotiveerd wordt gesteld, en bij gemotiveerde betwisting bewezen, althans voldoende aannemelijk gemaakt, dat er ten tijde van het incident (
- i)ofwel in het geheel geen residuen aanwezig waren, (
- ii)ofwel hooguit een verwaarloosbare hoeveelheid. Deze oordelen zijn in cassatie niet bestreden en geven de bewijsmaatstaf weer die het hof aan de hand van uitleg van art. I lid 1 CLC-Verdrag 1992 en de term ‘residuen’ in het bijzonder, heeft aangelegd voor de vraag of het Bunkerverdrag van toepassing is op het verzoek van NCC. Uit deze overwegingen blijkt niet dat het hof een (bijzonder) zware of verzwaarde bewijslast op het oog heeft gehad. 3.13 Vervolgens heeft het hof in rov. 6.8 geoordeeld dat NCC er niet in is geslaagd om aan die bewijsmaatstaf te voldoen en heeft het hof dit nader toegelicht in de daaropvolgende ‘algemene overwegingen’ over de bewijsvoering. Hieruit volgt dat de toelichting in rov. 7.1.1-7.1.6 specifiek betrekking heeft op dat oordeel en op de bewijsvoering en -waardering in het onderhavige geval. Uit rov. 7.1.2 blijkt verder dat er internationaal geen algemeen aanvaarde standaardprocedure bestaat aan de hand waarvan kan worden bepaald wanneer een schip onder de uitzonderingsbepaling valt. Het CLC-Verdrag 1992 bevat ook geen bepalingen die betrekking hebben op de bewijsvoering en -waardering in dit verband. Het stond het hof dan ook vrij deze leemte op te vullen en voor het onderhavige geval gezichtspunten voor de bewijsvoering te formuleren, al dan niet onder verwijzing naar bronnen afkomstig van het IMO of het Fonds. De klachten berusten op een verkeerde lezing van de beschikking en falen daarom. 3.14 Onderdeel 1.7 betoogt dat het hof in rov. 7.1.3 heeft miskend dat het niet op basis van IMO-document LEG/CONF.6/19 (een bijdrage van de Franse delegatie d.d. 6 maart 1984, met betrekking tot de concepttekst voor een aangepast verdrag) heeft kunnen concluderen dat in beginsel niet volstaat dat de scheepseigenaar of -bemanning zelf verklaart dat het schip ‘schoon’ is. 3.15 Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Zoals hierboven aan de orde is gekomen, heeft het hof in het kader van de bewijsvoering en -waardering een voorkeur uitgesproken voor een onafhankelijk deskundigenrapport of in elk geval een tegensprekelijke expertise en daarbij niet de vrije bewijsleer miskend. Het hof heeft slechts ter vergelijking (kennelijk niet in tegengestelde, maar in bevestigende/ondersteunende zin) verwezen naar de bijdrage van de Franse delegatie, zodat niet kan worden gezegd dat het hof (uitsluitend) op basis van dit document de conclusie heeft getrokken dat als uitgangspunt in beginsel niet volstaat dat de scheepseigenaar of -bemanning zelf verklaart dat het schip ‘schoon’ is. Overigens blijkt uit deze bijdrage – wat daarvan verder ook zij – dat volgens de Franse delegatie het plaatsen van de bewijslast op de scheepseigenaar reeds meebrengt dat de enkele verklaring dat er geen residuen aan boord zijn, niet volstaat, zodat niet duidelijk is waarom deze bijdrage zich niet zou verhouden tot de termen van art. I lid 1 CLC-Verdrag 1992 en de voorkeur die het hof heeft uitgesproken over de bewijsvoering. 3.16 Onderdeel 1.8 klaagt dat het hof in rov. 7.1.4 heeft miskend dat niet op basis van het IMO-document LEG/CONF.6/C.2/SR.18 (‘Summary Record of the Eighteenth Meeting’ d.d. 14 augustus 1986) en het IOPC-document 92FUND/WGR.2/7 (‘Report of the Second Meeting of the Second Intersessional Working Group’ d.d. 31 augustus 2000) kan worden geconcludeerd dat het aantonen van de afwezigheid van residuen (bijzonder) zwaar is of kan zijn. 3.17 Het hof heeft in rov. 7.1.4 overwogen dat in het kader van de totstandkoming van het CLC-Verdrag 1992 is onderkend dat de bewijslast ten aanzien van het ‘schoon’ zijn van een schip en zijn tanks (bijzonder) zwaar is of kan zijn. Deze overweging volgt op de overweging dat als uitgangspunt kan gelden dat in beginsel niet volstaat dat de scheepseigenaar of -bemanning zelf verklaart dat het schip ‘schoon’ is en dat een onafhankelijk deskundigenbericht of een tegensprekelijke expertise de voorkeur verdiend. Tegen die achtergrond heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de bewijslast (bijzonder) zwaar is of kan zijn. Het hof heeft daarbij verwezen naar een opmerking van de vertegenwoordiger van Liberia en – kennelijk ter vergelijking – een opmerking van de Chairman van het Fonds, waaruit volgt dat het moeilijk kan zijn om aan te tonen dat aan boord geen residuen (meer) aanwezig zijn, respectievelijk dat moet worden aangenomen dat aan boord van dedicated crude oil tankers altijd residuen aanwezig zijn, hetgeen het hof ook van toepassing acht op een chemicaliëntanker nadat daarin persistente oliën zijn vervoerd, zoals in geval van het schip. Niet kan worden gezegd dat het hof uitsluitend op basis van deze documenten heeft geconcludeerd dat het aantonen van de afwezigheid van residuen (bijzonder) zwaar is of kan zijn, zodat de klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. 3.18 Ten overvloede merk ik op dat de door het hof in rov. 6.2 en 6.8 aangelegde bewijsmaatstaf geen blijk geeft van een (bijzonder) zware of verzwaarde bewijslast. Dat laat natuurlijk onverlet dat de bewijslastverdeling en/of -maatstaf kan meebrengen dat de bewijsvoering als (bijzonder) zwaar wordt ervaren door de partij op wie de bewijslast rust, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dat het hof heeft aangenomen dat dit voor NCC het geval zou kunnen zijn, zou onder meer kunnen worden verklaard door de omstandigheid dat NCC heeft nagelaten – ook na daartoe een verzoek te hebben ontvangen – om na het incident een onafhankelijk onderzoek of tegensprekelijke expertise te organiseren, zoals het hof onbestreden heeft vastgesteld in rov. 7.2. 3.19 Onderdeel 1.9 klaagt dat het hof in rov. 7.1.5 heeft miskend dat de belangen van de wederpartij van degene die zich op de uitzonderingsbepaling beroept, niet maken dat, als uitgangspunt, aan de onderbouwing/bewijsvoering hoge eisen mogen worden gesteld. Hun belangen worden al voldoende geadresseerd doordat zij niet de bewijslast dragen. Voor zover het hof in het slot van rov. 7.1.5 heeft miskend dat ook het CLC-Verdrag 1992 een aansprakelijkheidsbeperking kent, die in hoogte (voor dit geval) niet wezenlijk afwijkt van de met het onderhavige verzoek beoogde beperking, geeft dit (ook) blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het onderdeel. 3.20 Het hof heeft in rov. 7.1.5 overwogen dat ook de belangen van de wederpartij van degene die zich op de uitzonderingsbepaling beroept, maken dat, als uitgangspunt, aan de onderbouwing/bewijsvoering hoge eisen mogen worden gesteld. Kennelijk heeft het hof dit niet als de enige factor beschouwd die maakt dat hoge eisen mogen worden gesteld aan de bewijsvoering in het onderhavige geval en moeten rov. 7.1.3-7.1.5 in samenhang worden gelezen. De tegen die overwegingen gerichte klachten kunnen niet slagen (zie hierboven), zodat het onderdeel faalt bij gebrek aan belang. 3.21 Ook de klacht dat het hof zou hebben miskend dat het CLC-Verdrag 1992 ook een aansprakelijkheidsbeperking kent, faalt. NCC heeft niet – ook niet subsidiair – een verzoek tot aansprakelijkheidsbeperking onder het CLC-Verdrag 1992 gedaan, dus de stelling dat het hof rekening zou moeten houden met de gevolgen van een dergelijk verzoek, is op z’n minst voorbarig. Het stond het hof hoe dan ook vrij om in aanmerking te nemen dat een geslaagd beroep op de uitzonderingsbepaling onder het Bunkerverdrag – welk verzoek wél voorligt – ertoe kan leiden dat de aansprakelijkheid voor de gestelde verontreinigingsschade van ruim € 80 miljoen, ten nadele van de gelaedeerden, wordt beperkt tot ruim € 17 miljoen. 3.22 Onderdelen 1.10-1.11 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling en klagen – in de kern genomen – dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het heeft miskend dat het CLC-Verdrag 1992 en de woorden ‘wordt aangetoond’ uit art. I lid 1 CLC-Verdrag 1992 de bewijslast bepalen. 3.23 Het hof heeft niet tot uitgangspunt genomen dat het CLC-Verdrag 1992 geen regeling bevat over de bewijslast(verdeling). Integendeel, in rov. 6.2-6.8 heeft het hof door middel van uitleg van de uitzonderingsbepaling geoordeeld dat de bewijslast op de scheepseigenaar rust en dat hij gemotiveerd moet stellen, en bij gemotiveerde betwisting bewijzen, althans voldoende aannemelijk moet maken, dat er geen residu (althans een verwaarloosbare hoeveelheid) persistente olie aanwezig was aan boord van het schip. De onderdelen falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. 3.24 Onderdeel 1.12 betoogt dat voor zover het hof met zijn verwijzing in rov. 7.1.6 naar overeenstemming tussen partijen heeft miskend dat het ambtshalve is gehouden de toepasselijke bewijsregels toe te passen, dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof met die verwijzing heeft aangenomen dat NCC heeft ingestemd met (de toepassing van) regels die afwijken van hetgeen in de voorafgaande onderdelen is verdedigd, is dit onbegrijpelijk. 3.25 Het hof heeft in rov. 7.1.6 overwogen dat partijen het erover eens zijn dat het Nederlandse (formele) bewijsrecht, inclusief de bewijswaardering, van toepassing is op de bewijsvoering met betrekking tot het zich voordoen van de uitzonderingssituatie (art. 149 e.v. Rv), waarna het hof heeft herhaald dat het aan NCC is om (gemotiveerd) te stellen en bij (gemotiveerde) betwisting te bewijzen dat het schip ‘schoon’ was, dat wil zeggen dat het schip geen (relevante hoeveelheden) residuen aan boord had. Uit niets blijkt dat het hof zou hebben miskend dat het ambtshalve is gehouden om de toepasselijke bewijsregels toe te passen, dan wel dat het hof heeft aangenomen dat NCC zou hebben ingestemd met (de toepassing van) regels die afwijken van haar stellingen in het kader van de voorgaande onderdelen. De klacht faalt daarom. 3.26 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 7.3.1-7.3.6, 7.4.1-7.4.4 en 8, waarin het hof het door NCC aangedragen bewijs heeft gewaardeerd en tot de conclusie is gekomen dat NCC haar beroep op de uitzonderingsbepaling onvoldoende heeft onderbouwd. Het onderdeel valt in zes subonderdelen uiteen. 3.27 Bij de behandeling van de klachten stel ik het volgende voorop. Op grond van art. 152 lid 2 Rv is de waardering van bewijs aan het oordeel van de rechter overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. Dit voorschrift houdt in dat de rechter vrij is om naar eigen inzicht te bepalen welke bewijskracht aan een bepaald bewijsmiddel moet worden toegekend en te beslissen wanneer het bewijs is geleverd. De bewijswaardering is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Hoewel in algemene zin geldt dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, behoeft de rechter niet te motiveren waarom hij meer waarde hecht aan het ene bewijsmiddel dan aan het andere bewijsmiddel. 3.28 Onderdeel 2.1 klaagt dat voor zover in de overwegingen van het hof het oordeel besloten ligt dat het (aangevulde) rapport van Van Ameyde en de verklaringen van de bemanningsleden niet onafhankelijk zijn en op deze grond niet als (afdoende) bewijs kunnen dienen om aan te tonen dat het schip ten tijde van het incident vrij was van residuen, dit (impliciete) oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 152 lid 1 Rv. 3.29 Deze klacht bouwt voort op onderdeel 1.2 en deelt het lot daarvan. Het hof heeft geoordeeld dat het (aangevulde) rapport van Van Ameyde en de verklaringen van de bemanningsleden niet op overtuigende wijze aantonen dat het schip ten tijde van het incident vrij was van residuen van voordien als lading in bulk vervoerde persistente oliën (rov. 7.3.1). Ten aanzien van het (aangevulde) rapport heeft het hof toegelicht dat dit gebrek aan overtuigingskracht samenhangt met het ontbreken van een bevestiging door een onafhankelijke deskundige, althans het gemis aan een tegensprekelijke expertise, maar bijvoorbeeld ook met de wisselende stellingname rond de substantie in ladingtank 14C (rov. 7.3.2). Over de verklaringen van de bemanningsleden heeft het hof opgemerkt dat zij weinig gedetailleerd en ook niet steeds in lijn met de (wisselende) stellingen van NCC zijn en niet op overtuigende wijze duidelijk maken wie precies op welk moment in tank 9C is neergedaald en toen – als enige tekortkoming – de beweerdelijke witte afzetting daarin heeft geconstateerd en vervolgens gerapporteerd (rov. 7.4.4). In deze overwegingen ligt niet het oordeel besloten dat het (aangevulde) rapport en de verklaringen van de bemanningsleden niet als (afdoende) bewijs kunnen dienen uitsluitend op de grond dat zij niet onafhankelijk zijn, zodat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist. Het stond het hof bovendien vrij om deze bewijsmiddelen te waarderen op grond van de genoemde omstandigheden en daarbij in aanmerking te nemen dat een bevestiging door een onafhankelijke deskundige ontbreekt. Dit geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 152 lid 1 Rv. De klacht faalt dus. 3.30 Onderdeel 2.2 is gericht tegen rov. 7.3.6, waarin het hof heeft overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat NCC voldoende heeft onderbouwd dat aan boord, althans in tank 14C, geen residu van persistente olie aanwezig was, of hooguit een verwaarloosbare hoeveelheid. Geklaagd wordt dat deze overweging onbegrijpelijk is gemotiveerd in het licht van de bedenkingen van de verweerders en de stellingen van NCC. Het hof heeft de stellingen van NCC niet (voldoende) kenbaar bij zijn oordeel betrokken, terwijl de door de verweerders opgeworpen bedenkingen niet zonder meer de conclusie dragen dat niet aan de uitzonderingsbepaling is voldaan. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat er meer dan een verwaarloosbare hoeveelheid persistente olie aan boord zou zijn geweest, aldus het onderdeel. 3.31 De (tussen)conclusie van het hof in rov. 7.3.6 is kennelijk (‘Tegen deze achtergrond’) niet alleen gebaseerd op de in rov. 7.3.5 weergegeven bedenkingen van de verweerders ten aanzien van de nieuwe lezing van NCC over het waswater in tank 14C, maar ook op het ontbreken van een bevestiging door een onafhankelijk deskundige, althans het gemis aan een tegensprekelijke expertise als bedoeld in rov. 7.1.3 (rov. 7.3.2), en de eigen waardering van het hof van de wisselende stellingname van NCC rond het waswater in tank 14C (rov. 7.3.2-7.3.4). Het oordeel van het hof in rov. 7.3.6 steunt dan ook op méér dan de – naar het oordeel van het hof niet voldoende gemotiveerd bestreden – bedenkingen van verweerders, zodat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist. 3.32 De door het hof in aanmerking genomen bedenkingen van verweerders luiden – beknopt weergegeven – als volgt (rov. 7.3.5): (
- i)het is plausibel dat het meeste, zo niet alle, spoelwater in tank 14C afkomstig was uit tank 9C; (
- ii)voor tank 9C is gekozen voor een uitgebreide wasbeurt, in tegenstelling tot tank 1DS, terwijl in beide tanks witte aanslag zou zijn waargenomen; (iii) voor het (opnieuw) schoonmaken van tank 9C is een kool-teer-reiniger gebruikt; en (
- iv)van het waswater in tank 14C – een melkachtige substantie volgens een bootsman – is een monster getrokken, waarover verder geen informatie is verstrekt. 3.33 In dit verband heeft het hof overwogen dat NCC over de verhoudingen van de hoeveelheden waswater geen mededelingen heeft gedaan en over het gebruik van Envirocare 370 slechts heeft opgemerkt dat dit biologisch afbreekbaar is. In zoverre heeft het hof de stellingen van NCC expliciet onder ogen gezien. De overige door NCC in het onderdeel aangehaalde stellingen zijn erop gericht aannemelijk te maken dat zich in het waswater van tank 14C geen residuen van persistente olie meer zouden bevinden, maar zij hebben niet direct betrekking op de bovenstaande bedenkingen, met uitzondering van de stelling dat tank 9C niet handmatig is gewassen vanwege de grootte van de tank. Kennelijk is dit argument door het hof te licht bevonden. Het oordeel van het hof dat NCC niet gemotiveerd heeft gereageerd op de bedenkingen van verweerders is hierom niet onbegrijpelijk. 3.34 In het licht hiervan kan niet worden gezegd dat het hof de stellingen van NCC niet voldoende (kenbaar) bij zijn oordeel heeft betrokken, dan wel zijn (tussen)conclusie in rov. 7.3.6 niet toereikend heeft gemotiveerd. De klacht faalt. 3.35 Onderdeel 2.3 voert aan dat voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat de witte aanslag in tank 9C als residu van persistente olie moet worden gekwalificeerd, dat oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. 3.36 Deze klacht stuit af op een gebrek aan feitelijke grondslag, aangezien uit niets blijkt dat een dergelijke kwalificatie in de overwegingen van het hof besloten zou liggen. 3.37 Onderdeel 2.4 klaagt dat voor zover het hof in rov. 7.4.2 de omstandigheid dat de ‘prewashes’ korter hebben geduurd dan Odfjell zelf in haar richtlijnen voorschrijft ten grondslag heeft gelegd aan zijn conclusie dat niet is aangetoond dat aan boord geen residuen van persistente olie aanwezig waren, dat oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Uit dat feit kan, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat de tanks nog een relevante hoeveelheid (residuen) persistente oliën bevatten, aldus het onderdeel. 3.38 De – tevergeefs bestreden – (tussen)conclusie van het hof in rov. 7.3.6 dat NCC onvoldoende heeft onderbouwd dat aan boord van het schip geen residuen van persistente olie aanwezig waren, berust niet op de overweging van het hof in rov. 7.4.2 dat NCC niet heeft onderbouwd dat een 15 minuten durende ‘prewash’ volstaat voor het bereiken van een staat dat een tank, waarin persistente olie is vervoerd, vrij van residuen is. In zoverre ontbreekt het NCC aan belang bij deze klacht. 3.39 Ten overvloede merk ik op dat het oordeel van het hof in rov. 7.4.2 ook voldoende begrijpelijk is gemotiveerd. NCC heeft het standpunt ingenomen dat de ‘prewashes’ voldoende waren om de tanks ‘vrij van olie’ en daarmee ook ‘vrij van residuen’ te doen zijn. Verweerders hebben dit – kennelijk naar het oordeel van het hof voldoende gemotiveerd – betwist door erop te wijzen dat de ‘prewashes’ 5-15 minuten korter hebben geduurd dan voorgeschreven in de richtlijnen van Odfjell. NCC heeft zich vervolgens beroepen op het uitblijven van bemerkingen van Port State Control. Het hof heeft deze reactie niet overtuigend bevonden, aangezien: (
- i)NCC niet met een verklaring van een onafhankelijke deskundige/instantie heeft onderbouwd dat een ‘prewash’ van 15 minuten ertoe leidt dat een tank, waarin persistente olie is vervoerd, vrij van residuen is; (
- ii)ook uit het overgelegde rapport van Port State Control van 23 juni 2018 niet volgt dat een controle hierop is uitgevoerd en dat van die zijde is/wordt onderschreven dat de tanks na de door NCC gestelde ‘prewashes’ vrij van persistente oliën en residuen waren en dat er daarna, zonder officiële registratie, urenlange wasprogramma’s met Envirocare 370 met lozing op de Noordzee konden worden uitgevoerd; en (iii) een bevestiging hiervan door onafhankelijke instanties als een klassebureau en ISM-rapporteurs NCC evenmin heeft overgelegd. 3.40 De overwegingen van het hof op dit punt zijn van een voldoende motivering voorzien. Anders dan het onderdeel lijkt te suggereren, strekt de motiveringsplicht van het hof niet zover dat het had moeten toelichten dat uit de omstandigheid dat de ‘prewashes’ korter hebben geduurd, kan worden afgeleid dat de tanks nog een relevante hoeveelheid persistente olie bevatten. 3.41 Onderdeel 2.5 betoogt dat het oordeel van het hof in rov. 7.4.3 dat niet op overtuigende wijze is aangetoond dat ten aanzien van alle