PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/03180 Zitting 20 december 2022 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, hierna: de verdachte I. Inleiding De verdachte is bij arrest van 13 juli 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel” veroordeeld tot een taakstraf van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft het hof de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Midden-Nederland van 7 juni 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 maart 2018 (parketnummer 16-661059-15) voorwaardelijk opgelegde vier maanden gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaren, afgewezen. Er bestaat samenhang met de zaak 21/03182. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen. Namens de verdachte heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld. II. Bewezenverklaring en bewijsvoering 4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “hij op 5 juni 2018 te Utrecht, zijn levensgezel, [aangeefster] , heeft mishandeld door die [aangeefster] in het gezicht te slaan.” 5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte, proces-verbaalnummer PL0900-2018159514-1, afgesloten d.d. 7 juni 2018, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, (p. 3-5 van het politiedossier), voor zover als verklaring van aangeefster inhoudende, zakelijk weergegeven: […] “Ik doe aangifte van mishandeling dan wel huiselijk geweld welke gepleegd is door mijn vriend/verloofde. Dit alles heeft op dinsdag 5 juni 2018 afgespeeld in onze woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Ik ben nu ongeveer 4 jaar samen met mijn vriend/verloofde [verdachte] . Tijdens het duwen viel de eerste klap. Hierna heb ik meerdere klappen gekregen. (…). Ik zag en voelde dat hij mij met kracht sloeg.” Verbalisant ziet zowel aan de linker als aan de rechterkant van haar gezicht een verdikking ter hoogte van haar jukbeenderen. 2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL0900-2018159514-2, afgesloten d.d. 5 juni 2018, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] , brigadier van Politie Eenheid Midden-Nederland, (p. 7-8 van het politiedossier), voor zover als relaas van verbalisant inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 5 juni 2016 (het hof begrijpt 5 juni 2018) omstreeks 15:45 hoorde ik de melding van een mogelijke ruzie in een woning op de [a-straat 1] . Ik hoorde dat de collega’s ter plaatse mij verzochten om een zogenaamde deurbonk te komen brengen. Ik ben direct ter plaatse gegaan en nadat de collega’s nogmaals dreigden de deur te forceren deed de bewoner, nader te noemen verdachte [verdachte] , de deur open. We hoorden [aangeefster] zeggen: “(…) hij heeft me meerdere keren op mijn hoofd geslagen (…).” Ik zag een lichte verdikking onder het linkeroog van [aangeefster] . […] 3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL0900-2018159514-5, afgesloten d.d. 5 juni 2018, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, en [verbalisant 4] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland, (p. 15-16 van het politiedossier), voor zover als relaas van verbalisanten inhoudende, zakelijk weergegeven: We hoorden dat in de woning een vrouw tegen een man aan het schreeuwen was in een buitenlandse taal. We hoorden dat de vrouw aan het huilen was. (…). Wij hoorden de vrouw tegen de man huilend roepen dat hij de deur open moest maken.” 6. Met betrekking tot het bewijs heeft het hof het volgende overwogen: “Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.” 7. Kennelijk is het hof van oordeel dat het bewijs voor de bewezenverklaarde mishandeling rechtstreeks uit de bewijsmiddelen valt af te leiden en dus dat naast de aangifte daarvoor voldoende steunbewijs voorhanden is. III. Het eerste middel en de bespreking daarvan Het middel 8. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich tegen de bewezenverklaring en klaagt met verwijzing naar het door de raadsman ter ’s hofs terechtzitting gevoerde verweer dat daarbij niet is voldaan aan de bewijsminimumregel als bedoeld in art. 342, tweede lid, Sv, nu de verklaring van de aangeefster onvoldoende steun vindt in de overige door het hof tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen. Verweer verdediging ter terechtzitting 9. De raadsman heeft blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig bewijs dat de verdachte de aangeefster in het gezicht heeft geslagen. Daartoe is het volgende aangevoerd: “Het bewijs is door de politierechter aangenomen op basis van twee bewijsmiddelen, te weten een aangifte en een proces-verbaal van bevindingen. Stel we volgen het verhaal van mijn cliënt. Ik kan begrijpen dat er spanningen waren. De enige constatering in het proces-verbaal van bevindingen is dat er een verdikking te zien is. Dat zouden ook uitgekrapte puistjes kunnen zijn. Ik krijg op grond van de verklaring van aangeefster de indruk dat mijn cliënt van alles zou hebben gedaan en dan zien we zulke kleine verwondingen. Dat past niet bij het letsel van iemand die zo hard is geschopt en geslagen. Het letsel past wel bij de verklaring van mijn cliënt. [aangeefster] heeft mijn cliënt gisteravond het volgende WhatsApp-bericht gestuurd: “Ik wil niet met jou praten. Ik ben er morgen bij. Het enige wat ik wil doen is verklaren en daarna ben ik weg. Ik wil niet dat je voor mij vastzit.” Mijn cliënt heeft daar het volgende op geantwoord: “Ik wil niet dat je komt als je het niet voor mij doet”. Op pagina 18 van het politiedossier is te zien dat mijn cliënt de moeder van [aangeefster] heeft opgebeld. Waarom zou hij tijdens het mishandelen haar moeder opbellen? Het past bij zijn verklaring dat het wel vaker gebeurde. Hij wilde zich indekken. Hij wilde dat de moeder kon horen hoe [aangeefster] tegen hem tekeer ging. Ik verzoek uw hof om mijn cliënt vrij te spreken wegen onvoldoende wettig bewijs.” Juridisch kader 10. De vaste rechtspraak van de Hoge Raad ter zake houdt het volgende in. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige ('unus testis nullus testis'). Deze bepaling beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat de bewijsminimumregel het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen indien de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden en vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. In het handboek van Corstens, bewerkt door Borgers en Kooijmans, wordt er op gewezen dat het ontbreken van zo een motivering het oordeel van de feitenrechter dat het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard nog niet onbegrijpelijk maakt. Uit de gebruikte bewijsmiddelen kan immers de begrijpelijkheid volgen van het kennelijke oordeel van de feitenrechter dat van voldoende steunbewijs sprake is. Bespreking van het middel 11. Dat in het onderhavige arrest niet een nadere bewijsmotivering aangaande het bewijsminimum is opgenomen, is volgens de steller van het middel problematisch in het licht van het verweer dat de raadsman in hoger beroep ter terechtzitting heeft gevoerd en de aldaar afgelegde verklaring van de verdachte dat hij door de aangeefster werd aangevallen en ter afwending van die aanval haar heeft weggeduwd, waarna zij beiden op de vloer terecht kwamen. “Tegen de achtergrond van een en ander wordt een motivering waaruit volgt waarom het Hof van oordeel is dat hier (desondanks) wél wordt voldaan aan het bewijsminimum, in het arrest ten node gemist”, aldus de steller van het middel. 12. Inderdaad heeft het hof in het bestreden arrest geen nadere bewijsoverweging gewijd aan zijn impliciete oordeel dat in de onderhavige zaak voldaan is aan het bewijsminimum. Kennelijk heeft het hof in de concrete omstandigheden van de onderhavige zaak geen ‘unus-testis twijfelgeval’ gezien. Dat acht ik gelet op de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting door de verdediging is aangevoerd niet onbegrijpelijk. De respectieve processen-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] (bewijsmiddel 1), [verbalisant 2] (bewijsmiddel 2) en [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (bewijsmiddel 3) bevatten, zeker in onderlinge samenhang bezien, voldoende steunbewijs. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat in elk van die processen-verbaal eigen waarnemingen van deze verbalisanten door hen zijn gerelateerd. Zo heeft [verbalisant 1] zowel aan de linker- als aan de rechterkant van het gezicht van de aangeefster een verdikking ter hoogte van haar jukbeenderen gezien. [verbalisant 2] heeft een lichte verdikking onder het linkeroog van de aangeefster waargenomen. [verbalisant 3] en [verbalisant 4] melden in hun relaas dat zij een vrouw in de bedoelde woning hoorden schreeuwen en huilen. Dit zijn eigen waarnemingen van de verbalisanten over zowel de fysieke gesteldheid (verdikking(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.