PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/03356 Zitting 16 december 2022 CONCLUSIE M.L.C.C. Lückers In de zaak [betrokkene] , verzoekster tot cassatie, advocaat: mr. G.E.M. Later, tegen 1. [de zorgaanbieder] 2. Raad voor de rechtspraak (als vertegenwoordiger van de Staat der Nederlanden) 3. Officier van Justitie arrondissementsparket Den Haag (openbaar ministerie), niet verschenen. Drie weken vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van een ten aanzien van haar verleende zorgmachtiging heeft de politie betrokkene na een waargenomen incident ’s avonds op straat aangehouden. De politie heeft geconstateerd dat ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging was verleend en heeft haar naar de psychiatrische eerste hulp gebracht. Daar is zij in een separeerruimte geplaatst. Kort na de opname is een beslissing op grond van art. 8:9 Wvggz gegeven. Anderhalve dag later is betrokkene overgeplaatst naar de high intensive care afdeling. Twee dagen vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de zorgmachtiging heeft de rechtbank het verzoek tot verlening van een aansluitende zorgmachtiging afgewezen. Betrokkene is toen uit de instelling ontslagen. In deze Wvggz-klachtprocedure heeft betrokkene verschillende klachten ingediend, zowel tegen de beslissing tot opnemen in een accommodatie als tegen het handelen van de zorgaanbieder gedurende de opname (met name de eerste dagen). De rechtbank heeft de klachten, op één na, ongegrond verklaard. Het cassatiemiddel komt op tegen de ongegrondverklaring van een aantal van die klachten. 1Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. 1.2 Bij beschikking van 20 november 2020, verbeterd bij herstelbeschikking van diezelfde datum, heeft de rechtbank Den Haag ten aanzien van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak van drie maanden en de beslissing voor het overige aangehouden. De rechtbank heeft bepaald dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen: ‘toedienen van medicatie’, ‘verrichten medische controles’ en ‘aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten (het meewerken aan ambulante behandeling)’. De rechtbank heeft bepaald dat daarnaast de volgende maatregelen kunnen worden getroffen “indien sprake is van decompensatie van het toestandsbeeld van betrokkene en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend”: ‘beperken van de bewegingsvrijheid’, ‘insluiten’, ‘uitoefenen van toezicht op betrokkene’ en ‘opnemen in een accommodatie’. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 20 februari 2021. 1.3 Op 20 januari 2021 heeft de officier van justitie bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend om ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van 12 maanden. 1.4 Op 30 januari 2021 is betrokkene in de avond aangehouden door de politie na een waargenomen incident op straat en is een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg genomen. In de beslissing staat dat is besloten om aan betrokkene op basis van de afgegeven zorgmachtiging de volgende vormen van verplichte zorg te gaan verlenen: ‘toedienen medicatie’, ‘beperken bewegingsvrijheid’, ‘insluiten in de vorm van separatie’, ‘uitoefenen van toezicht’, ‘onderzoek aan kleding en lichaam’, ‘beperken van communicatiemiddelen’ en ‘opnemen in een accommodatie’. Bij opname bij de psychiatrische eerste hulp (PEH) in een accommodatie van verweerster in cassatie onder 1 (hierna: de zorgaanbieder) is betrokkene na onderzoek aan kleding en lichaam en inname van haar spullen gesepareerd. Daarnaast is er intramusculaire medicatie toegediend. Op 1 februari 2021 is betrokkene overgeplaatst naar de high intensive care (HIC) afdeling van de zorgaanbieder. 1.5 Op 4 februari 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het op 20 november 2020 deels aangehouden verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging en het hiervoor in 1.3 vermelde verzoek tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging. De behandeling is ter zitting aangehouden tot een nader te bepalen zitting. De behandeling is voortgezet op 18 februari 2021. Bij beschikking van die datum, verbeterd bij herstelbeschikking van 12 april 2021, heeft de rechtbank het verzoek tot verlening van een aansluitende zorgmachtiging afgewezen. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen: “De rechtbank heeft heden ten aanzien van betrokkene het verzoek om een zorgmachtiging afgewezen, omdat de behandelaar heeft verklaard dat de gedwongen opname niet doelmatig was. Het inzetten van dwangmedicatie werd door hem niet overwogen, omdat het buitenproportioneel is. Dan is er ook geen grond voor toewijzing van het verzoek om een aansluitende machtiging tot het verlenen van verplichte zorg te verlenen, zodat ook dit verzoek zal worden afgewezen.” 1.6 Betrokkene is op 18 februari 2021 uit de instelling ontslagen. 1.7 Op 17 januari 2022 heeft betrokkene bij de regionale klachtencommissie een twaalftal klachten ingediend (art. 10:3 Wvggz). Voor zover in cassatie nog van belang zijn onder meer klachten ingediend over de nakoming van de verplichtingen op grond van art. 1:5 Wvggz (klacht 1), art. 8:7 lid 3 Wvggz (klacht 4), art. 8:9 lid 5 Wvggz (klacht 6) en art. 8:14 Wvggz (klacht 8). Betrokkene heeft de klachtencommissie voorts op de voet van art. 10:11 lid 1 Wvggz verzocht om aan haar ten laste van de zorgaanbieder een schadevergoeding toe te kennen van € 15.000,-, althans een zodanige vergoeding als de klachtencommissie juist acht. 1.8 De klachtencommissie heeft niet tijdig binnen de in art. 10:5 lid 3 Wvggz bepaalde termijn van vier weken op de klachten beslist. 1.9 Op 24 maart 2022 heeft betrokkene bij de rechtbank Den Haag een verzoekschrift ingediend als bedoeld in art. 10:7 lid 1 Wvggz, ter verkrijging van een beslissing op de klacht. Betrokkene heeft de rechtbank verzocht haar klachten geheel of gedeeltelijk gegrond te verklaren en aan haar ten laste van de zorgaanbieder en/of de Staat een schadevergoeding toe te kennen van € 20.000,-, waarvan € 10.000,- voor haar persoonlijk ervaren nadeel en schade, alsmede een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand van € 10.000,- (voor de uren tot aan het indienen van het verzoekschrift), althans een zodanige vergoeding naar billijkheid toe te kennen als de rechtbank juist acht. 1.10 De rechtbank heeft de zorgaanbieder en verweerders in cassatie onder 2 (hierna: de Raad voor de rechtspraak) en 3 (hierna: het openbaar ministerie) als belanghebbenden aangemerkt. De zorgaanbieder en de Raad voor de rechtspraak hebben een verweerschrift ingediend. 1.11 De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld ter zitting van 19 april 2022. Daarbij zijn gehoord: betrokkene en haar advocaat, de geneesheer-directeur van de zorgaanbieder en vertegenwoordigers namens de Raad voor de rechtspraak en het openbaar ministerie. 1.12 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de zorgaanbieder verzocht om ter onderbouwing van haar standpunten nadere stukken over te leggen. Op 22 april 2022 heeft de zorgaanbieder onder meer de verslagen van het verloop van de opname van betrokkene toegezonden. 1.13 Bij beschikking van 10 juni 2022 heeft de rechtbank alleen de klacht op grond van art. 8:9 lid 3 Wvggz gegrond verklaard. De rechtbank heeft de overige klachten ongegrond verklaard en de verzoeken tot schadevergoeding door de zorgaanbieder en het openbaar ministerie afgewezen. De rechtbank heeft de Staat veroordeeld tot betaling aan betrokkene van een bedrag van € 80,- en heeft het verzoek tot schadevergoeding door de Staat voor het overige afgewezen. 1.14 Van de beschikking van 10 juni 2022 is namens betrokkene op 12 september 2022 tijdig cassatieberoep ingesteld. Verweerders zijn niet verschenen. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het middel bevat vier klachten (genummerd I tot en met IV). Onderdeel I 2.2 Onderdeel I klaagt dat de rechtbank op blz. 8 en 9 onder de kopjes ‘Psychische stoornis en ernstig nadeel’ en ‘Proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid’ ten aanzien van betrokkene een beeld heeft geschetst dat uitgaat van onjuiste vooronderstellingen. Het onderdeel stelt dat de rechtbank daar verwijst naar de hiervoor in alinea 1.2 genoemde beschikking van 20 november 2020, maar dat voorbij wordt gegaan “aan alle problemen die er met die beschikking zijn, zoals in de procedure uitgebreid aan de orde gesteld”. Volgens het onderdeel mag de omstandigheid dat tegen de beschikking geen cassatieberoep is ingesteld geen reden zijn “om aan die problemen voorbij te gaan”, zeker niet omdat betrokkene “van een en ander” niet op de hoogte was en zij dus ook geen cassatieadvocaat heeft kunnen benaderen. Volgens het onderdeel is het onjuist dat de rechtbank uitgaat van informatie, bij de totstandkoming waarvan betrokkene niet betrokken is geweest, waartegen zij zich niet heeft kunnen verdedigen en die zij niet heeft ontvangen, waardoor er een beeld van haar wordt geschetst “op basis waarvan op 30 en 31 januari 2021 ten onrechte gereageerd is”, althans dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank “een dergelijke keuze uit de feitelijke informatie heeft gebruikt”, althans dat een en ander onvoldoende is gemotiveerd. 2.3 Het onderdeel gaat vervolgens in de toelichting onder 1.1 in op de beschikking van 20 november 2020 en in de toelichting onder 1.2 op het verzoek om een aansluitende zorgmachtiging en de afwijzing van dat verzoek. Met betrekking tot de beschikking van 20 november 2020 stelt het onderdeel, puntsgewijs weergegeven, het volgende: - betrokkene is niet onderzocht door de psychiater die de medische verklaring heeft afgegeven; - het zorgplan is afkomstig van een psychiater die betrokkene pas tijdens de mondelinge behandeling op 4 februari 2021 voor het eerst heeft gezien; - de destijds aan de rechtbank verstrekte informatie is gebaseerd op gedateerde informatie; - betrokkene heeft geen oproep ontvangen voor de behandeling van het verzoek tot afgifte van een zorgmachtiging; - betrokkene heeft met betrekking tot dat verzoek geen contact gehad met een advocaat; - betrokkene heeft de beschikking van 20 november 2020 niet ontvangen. 2.4 Onder het kopje ‘Psychische stoornis en ernstig nadeel’ (blz. 8 en 9 van de bestreden beschikking) heeft de rechtbank het volgende overwogen: “Voor het toepassen van verplichte zorg moet sprake zijn van ernstig nadeel dat wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis. Gelet op de beschikking van 20 november 2020 was daarvan sprake. Daarnaast stond in de op 30 januari 2021 geldige zorgmachtiging dat opname in een accommodatie en de vormen van zorg die daarbij horen mochten worden toegepast, indien er sprake was van decompensatie van het toestandsbeeld van betrokkene en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kon worden afgewend. Ondanks dat gedurende de opname geen diagnose vastgesteld heeft kunnen worden - voornamelijk door de afwerende houding van verzoekster -, acht de rechtbank voldoende onderbouwd dat er in de aanloop naar de opname sterke aanwijzingen zijn geweest voor een psychotische decompensatie en daaruit voortvloeiend ernstig nadeel. De rechtbank overweegt daartoe dat in de beschikking van 20 november 2020 waarbij een zorgmachtiging is verleend, op basis van de medische verklaring van 24 september 2020 door de rechtbank is vastgesteld dat bij verzoekster sprake was van een psychische stoornis, te weten een psychotische stoornis, hoogstwaarschijnlijk in het kader van schizofrenie. Voorts is in de medische verklaring van 16 januari 2021 opnieuw aangegeven dat er sprake was van een psychotische stoornis, in het zorgplan van 15 juli 2020 staat beschreven dat verzoekster al sinds november 2019 in beeld is bij de huisarts in verband met een verdenking van een psychotische stoornis. Uit de journaalregels van de huisarts van 15 juni 2020 blijkt dat de huisarts uit ging van een paranoïde psychose. Er was bovendien sprake van sterke achterdocht waarbij verzoekster veelvuldig bij de politie langs is geweest om aangifte te doen tegen haar buren en er waren meldingen dat zij bij de buren overlast veroorzaakte door haar wantrouwende houding. Hiermee liep zij het risico agressie van anderen over zichzelf af te roepen. Uit de mutaties van de politie kan worden opgemaakt dat sprake was van paranoïde waanideeën. Ook sloot verzoekster zich veel af en bleef zij binnen in haar woning of bij haar ouders, waardoor er sprake was van maatschappelijke teloorgang. Verzoekster heeft agressie laten zien tegen de politie en verbale agressie tegen de buurvrouw. Daarnaast kan een onbehandelde psychose psychische schade opleveren. Verder dreigde uitputting van het steunsysteem van verzoekster, omdat de ouders zich zorgen maakten, verzoekster langdurig bij haar ouders verbleef en zij dreigde met suïcide als haar moeder weg wilde gaan. Sinds zomer 2020 is door het Wijkteam Leiden Zuid geprobeerd contact te krijgen met verzoekster, maar zij heeft alles afgehouden en was onvindbaar. Op 30 januari 2021 wordt verzoekster door de politie aangetroffen op straat, waarbij zij in gevecht was met haar moeder. Zij is onder fors verzet door de politie naar de PEH gebracht. Daar was zij aan het schreeuwen, agressief en niet coöperatief. Er was volgens de zorgverleners een ernstig vermoeden van psychotische decompensatie. Verzoekster heeft een andere lezing van de feiten naar voren gebracht. De rechtbank ziet echter geen aanknopingspunten om de verslaglegging op basis van informatie van de politie en de hulpverleners voor onjuist te houden. Daarnaast overweegt de rechtbank dat ook vóór 30 januari 2021 de aanwijzingen voor psychotische decompensatie en ernstig nadeel voldoende zijn onderbouwd. Uit de groepsrapportage van 21 januari 2021 blijkt immers dat de zorgverleners op dat moment al aan het inzetten waren op een opname van verzoekster. Het ontbreken van persoonlijk contact en nieuwe overlastmeldingen is voor de opstellers van de medische verklaringen en de betrokken hulpverleners geen reden geweest om ervanuit te gaan dat de psychose was opgeklaard of dat het ernstig nadeel was geweken. Het vermijden van contact en “onderduiken” van verzoekster bij haar familie leek eerder een gevolg te zijn van haar wantrouwende houding tegenover de hulpverlening. De rechtbank volgt dit oordeel van de zorgverleners. Bovendien verwijst verzoekster ter onderbouwing van haar standpunt dat er geen sprake was van recente overlastmeldingen naar een passage in een groepsrapportage van 21 januari 2021. In deze rapportage staat echter ook opgenomen dat verzoekster op dat moment bij haar zus verbleef en er nog navraag moest worden gedaan of er overlastmeldingen over verzoekster op het adres van de zus waren gedaan. Gelet op de zorgwekkende signalen in de periode voor 30 januari 2021 en de toestand waarin verzoekster op 30 januari 2021 is aangetroffen op straat en op de PEH en de HIC is beland, oordeelt de rechtbank dat voldoende onderbouwd is dat er ten tijde van de inzet van verplichte zorg sprake was van sterke aanwijzingen dat verzoekster psychotisch gedecompenseerd was en dat er sprake was van daaruit voortvloeiend ernstig nadeel.” 2.5 En op blz. 9 heeft de rechtbank onder het kopje ‘Proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid’ het volgende overwogen: “Verzoekster is vanaf 30 januari 2021 opgenomen op een gesloten afdeling. In de eerste 24 uur is zij op de PEH aan kleding en lichaam onderzocht, gesepareerd, is haar noodmedicatie toegediend en is haar telefoon ingenomen. Gelet op het ernstig nadeel dat werd gezien door de politie en de zorgverleners, is het opnemen op de PEH, de overplaatsing naar de HIC en het separeren van verzoekster en het toedienen van medicatie naar het oordeel van de rechtbank proportioneel en noodzakelijk geweest en voldoet dit ook aan de beginselen van subsidiariteit en doelmatigheid. Ook is deze zorg evenredig en naar verwachting effectief gebleken. De rechtbank overweegt dat zij er ambtshalve van op de hoogte is dat bij separatie standaard, op grond van de huisregels, het gebruik van communicatiemiddelen beperkt wordt en dat ook een onderzoek aan kleding en lichaam wordt verricht om te voorkomen dat een betrokkene gevaarlijke voorwerpen bij zich heeft. Door de zorgen over de toestand van verzoekster gedurende een langere periode en de afwerende houding van verzoekster naar de hulpverlening is voldoende onderbouwd waarom uiteindelijk gekozen is voor een opname, nadat er geen alternatieven meer voorhanden waren. De zorg in het ambulante kader leverde immers onvoldoende resultaat op. Volgens de rapportage van [de zorgaanbieder] betreffende het verloop van de opname verzette verzoekster zich fors, was zij aan het schreeuwen, was zij niet in staat om een gesprek aan te gaan, en was zij bovendien agressief. (…)” 2.6 In de beschikking van 20 november 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten “een psychotische stoornis, langer bestaand, pervasief, hoogstwaarschijnlijk in het kader van schizofrenie”. De rechtbank heeft in die beschikking verder vastgesteld dat deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, dat betrokkene zorg nodig heeft, dat er geen mogelijkheden zijn voor passende zorg op vrijwillige basis, dat om die reden verplichte zorg nodig is, dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn die hetzelfde beoogde effect hebben en dat de voorgestelde verplichte zorg bovendien evenredig en naar verwachting effectief is. 2.7 Betrokkene heeft tegen de beschikking van 20 november 2020 geen cassatieberoep ingesteld. Voor zover het onderdeel betoogt dat betrokkene niet wist dat er op die datum ten aanzien van haar een zorgmachtiging was afgegeven, en dat zij daarom ook geen cassatieberoep heeft kunnen instellen, faalt dit betoog. Uit meerdere gedingstukken blijkt dat betrokkene, haar moeder en de opvolgend advocaat van betrokkene tijdig binnen de cassatietermijn op de hoogte zijn gesteld van de beschikking van 20 november 2020. Zo blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 4 februari 2021, waar onder meer het op 20 november 2020 deels aangehouden verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging mondeling is behandeld, dat de zorgmachtiging van 20 november 2020 meermaals ter sprake is gekomen. Sterker nog, de rechtbank heeft de behandeling van de verzoeken ter zitting aangehouden zodat de opvolgend advocaat de beschikking kon krijgen over het procesdossier dat ten grondslag heeft gelegen aan de uitspraak van 20 november 2020. De mondelinge behandeling is nadien voortgezet ter zitting van 18 februari 2021. Na 4 februari 2021 was er derhalve nog voldoende tijd om cassatieberoep in te stellen van de beschikking van 20 november 2020, indien betrokkene dit wenste. 2.8 Aangezien de beschikking van 20 november 2020 onherroepelijk was geworden stond het de rechtbank vrij om met betrekking tot de psychische stoornis en het ernstig nadeel mede af te gaan op hetgeen in die beschikking stond. Dat het de psychiater die op 24 september 2020 een medische verklaring heeft afgegeven niet is gelukt om betrokkene zelf te onderzoeken, kan in dit oordeel geen verandering brengen. Uit de medische verklaring blijkt dat de psychiater meermaals betrokkene schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de geplande bezoeken en dat betrokkene desalniettemin de deur niet opendeed. Aldus was de psychiater voor het opstellen van de medische verklaring afhankelijk van informatie van derden. De verkregen informatie is daarbij ook gebruikt. Dat het meermaals niet is gelukt om betrokkene voorafgaand aan de beschikking van 20 november 2020 te horen, brengt evenmin mee dat de rechtbank in de thans in cassatie bestreden beschikking niet mocht afgaan op de informatie uit de eerder afgegeven beschikking. Ook hier geldt dat de rechtbank bij de beslissing op het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging afhankelijk was van informatie van anderen dan betrokkene zelf. 2.9 Ik merk daarnaast het volgende op. Betrokkene keert zich in haar klachten met name tegen de opname op 30 januari 2021 en hetgeen zich in de dagen daarna heeft afgespeeld. In de zorgmachtiging van 20 november 2020 heeft de rechtbank bepaald dat betrokkene mag worden opgenomen in een accommodatie “indien sprake is van decompensatie van het toestandsbeeld (…) en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend”. Dit betekent dat aan hetgeen door de politie en hulpverleners is waargenomen vlak vóór en na de opname op 30 januari 2021 meer gewicht toekomt dan aan hetgeen in de beschikking van 20 november 2020 wordt vermeld over het toestandsbeeld van betrokkene op dat moment. De rechtbank overweegt in de door het onderdeel bestreden passage dat betrokkene op 30 januari 2021 door de politie is aangetroffen op straat, waarbij zij in gevecht was met haar moeder, dat zij onder fors verzet door de politie naar de PEH is gebracht, dat zij daar aan het schreeuwen was, agressief was en niet coöperatief, en dat er volgens de zorgverleners “een ernstig vermoeden van psychotische decompensatie” was. De rechtbank oordeelt dat zij geen aanknopingspunten ziet om de verslaglegging op basis van informatie van de politie en de hulpverleners voor onjuist te houden. De rechtbank overweegt daarnaast dat ook vóór 30 januari 2021 de aanwijzingen voor psychotische decompensatie en ernstig nadeel voldoende zijn onderbouwd. Het oordeel dat er bij betrokkene (in elk geval) op 30 januari 2021 een ernstig vermoeden van psychotische decompensatie was, berust op een aan de rechtbank voorbehouden waardering van de destijds opgemaakte verslagen en afgelegde verklaringen. Die waardering is feitelijk en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het oordeel is niet onbegrijpelijk. In de beslissing op grond van art. 8:9 Wvggz van 30 januari 2021 heeft [psychiater 1] in de toelichting bij alle vormen van verplichte zorg het volgende geschreven: “Voor bewaren van veiligheid van jezelf en derden en in het kader van observatie van uw huidige psychiatrisch toestandsbeeld”. Naar het ernstig vermoeden van psychotische decompensatie diende in de dagen na de opname (die op een zaterdagavond heeft plaatsgevonden) derhalve nader onderzoek te worden gedaan. 2.10 Het onderdeel verwijst aan het slot van de toelichting onder 1.1 naar een passage uit de behandelingsrapportage van [psychiater 2] van 4 februari 2021. Het is mij niet duidelijk waarom deze passage, die een waarneming van de psychiater betreft van na de beschikking van 20 november 2020 en zelfs van na de opname op 30 januari 2021, daar is opgenomen. In de rapportage schrijft de psychiater dat hij betrokkene “nu niet direct als overduidelijk psychotisch” ervaart. De verklaring ziet niet op de periode daarvóór. 2.11 In de toelichting onder 1.2, die blijkens het kopje betrekking heeft op het verzoek tot verlening van een aansluitende zorgmachtiging en de beschikking van 18 februari 2021, staat puntsgewijs weergegeven het volgende: - Betrokkene is niet onderzocht door de psychiater die op 16 januari 2021 een medische verklaring heeft opgesteld. - In de beschikking van 18 februari 2021 heeft de rechtbank overwogen dat op diezelfde dag het verzoek om een zorgmachtiging (het overblijvende deel waarover op 20 november 2020 niet is beslist) is afgewezen, omdat de behandelaar heeft verklaard dat de gedwongen opname niet doelmatig was. Het verzoek tot verlening van een aansluitende zorgmachtiging is daarom eveneens afgewezen. - Hetgeen de rechtbank op blz. 9 van de bestreden beschikking overweegt met betrekking tot hetgeen aanleiding is geweest voor de aanhouding van betrokkene op 30 januari 2021, is gebaseerd op een onjuiste interpretatie van de politie, aangezien betrokkene en haar moeder “buiten aan het dollen waren om in alle haast voor de avondklok om 21.00 uur binnen te zijn”. Betrokkene en haar moeder zijn niet in de gelegenheid gesteld om hierover duidelijkheid te verschaffen. De gebeurtenis is onjuist geïnterpreteerd en is kennelijk gebruikt om een opname te rechtvaardigen, hoewel niet bleek dat er sprake was van decompensatie van het toestandsbeeld en/of een ernstig nadeel dat niet langer in ambulant kader kan worden afgewend. - De informatie waar de rechtbank naar verwijst, is niet gebaseerd op onderzoek naar de actuele gezondheidssituatie van betrokkene. - Er is niet gekozen voor een opname omdat er geen alternatieven meer voorhanden waren, maar omdat er sprake is geweest van een onjuiste inschatting van de feitelijke situatie door de politie. 2.12 Het is mij niet duidelijk in hoeverre de toelichting precies aansluit op de klacht van het onderdeel. Zoals hiervoor in 2.2 weergegeven komt die klacht er immers op neer dat de rechtbank niet mocht afgaan op informatie die staat in de beschikking van 20 november 2020, omdat er “problemen met die beschikking zijn”. In de toelichting onder 1.2 worden stellingen ingenomen die alle betrekking hebben op de periode van ná genoemde beschikking. Hetgeen in de toelichting naar voren wordt gebracht stuit af op de hiervóór weergegeven gronden. Betrokkene mocht blijkens de afgegeven zorgmachtiging worden opgenomen in een accommodatie, indien sprake is van decompensatie van haar toestandsbeeld en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend. De rechtbank heeft zich aangesloten bij het oordeel van de zorgverleners dat er bij betrokkene op zaterdagavond 30 januari 2021 een ernstig vermoeden van psychotische decompensatie was. Zoals gezegd is dit oordeel feitelijk en niet onbegrijpelijk. Dat op 18 februari 2022 het verzoek om een zorgmachtiging (het overblijvende deel waarover op 20 november 2020 niet is beslist) is afgewezen, alsmede het verzoek om een aansluitende zorgmachtiging, doet aan het bovenstaande niet af. Dit zegt niet zoveel over de periode daarvóór en met name niet over de periode rond de opname eind januari 2021. Voor deze opname en het opvolgend verblijf in een accommodatie bestond een titel. 2.13 Onderdeel I faalt derhalve. 2.14 Onderdeel II is gericht tegen het oordeel van de rechtbank op blz. 11 met betrekking tot de klacht op grond van art. 8:7 lid 3 Wvggz (klacht 4). De rechtbank heeft het volgende overwogen: “Ten aanzien van de klacht op grond van artikel 8:7, lid 3, Wvggz overweegt de rechtbank dat verzoekster op een zaterdagavond laat is opgenomen en dat er een afschrift van de zorgmachtiging op basis waarvan verplichte zorg is verleend op maandagmiddag aan verzoekster en de moeder is overgelegd. De rechtbank acht het afschrift van de zorgmachtiging voldoende spoedig overgelegd.” 2.15 Het onderdeel klaagt dat deze overwegingen onjuist zijn, gelet op art. 8:7 lid 3 Wvggz en art. 5 lid 2 EVRM, althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd. De klacht wordt toegelicht onder 2.1 tot en met 2.3. In de toelichting onder 2.1 staat, samengevat, dat “het overleggen van de zorgmachtiging op maandagmiddag nadat de zorgmachtiging al vanaf zaterdagavond ten uitvoer gelegd is”, in strijd is met de wet. Betrokkene had gelet op het bepaalde in art 8:7 lid 3 Wvggz “voordat er wat dan ook met haar gebeurde” een afschrift van de beschikking van 20 november 2020 moeten ontvangen, aldus de klacht. 2.16 Art. 8:7 lid 1 Wvggz bepaalt dat de zorgaanbieder verplicht is de zorg, genoemd in (onder meer) de zorgmachtiging, te verlenen. In het derde lid staat dat een zorgaanbieder aan betrokkene slechts verplichte zorg als bedoeld in (onder meer) de zorgmachtiging verleent tegen overlegging van een afschrift van de zorgmachtiging. Anders dan klacht 4, en in navolging daarvan de rechtbank, veronderstelt, gaat het in lid 3 niet om een verplichting van de zorgaanbieder tot afgifte van de zorgmachtiging aan de betrokken patiënt. Het is de zorgaanbieder die een afschrift van de zorgmachtiging dient te ontvangen voordat zij mag overgaan tot tenuitvoerlegging van de daarin bepaalde vormen van verplichte zorg. Met betrekking tot dit aspect is in de klachtprocedure (terecht) geen klacht naar voren gebracht. Vaststaat dat aan betrokkene en haar moeder twee dagen na de opname een afschrift van de zorgmachtiging is verstrekt. Hieruit kan worden afgeleid dat de zorgaanbieder reeds een afschrift van de zorgmachtiging in haar bezit had. Zie in dat verband ook de beschikking van 20 november 2020, waarin de rechtbank aan het slot de griffier gelast om de zorgaanbieder tegen de nader te bepalen vervolgzitting op te roepen, alsmede de beslissing op grond van art. 8:9 Wvggz die is opgesteld door een psychiater die werkzaam is bij de zorgaanbieder. 2.17 In de toelichting onder 2.2 staat dat op grond van art. 5 lid 2 EVRM niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd voordat hij op de hoogte is gebracht van de tegen hem liggende beschuldigingen, en dat dit artikel ook van toepassing is in geval van een psychiatrische opname. Vervolgens wordt herhaald dat betrokkene er niet van op de hoogte was dat er een procedure is geweest tot verlening van een zorgmachtiging, dat zij niet is gehoord en dat zij de beslissing van 20 november 2020 niet heeft ontvangen. De toelichting vermeldt verder dat een agent bij wie betrokkene een keer aangifte had gedaan, betrokkene herkende op het moment dat zij werd aangehouden, dat deze agent op de hoogte was van het bestaan van de zorgmachtiging en dat toen “een en ander in gang is gezet”. In de toelichting staat dat er direct bij aankomst in de accommodatie van de zorgaanbieder allerlei dwangmaatregelen zijn getroffen zonder dat er geluisterd werd naar betrokkene en haar moeder, en dat betrokkene op dat moment ondanks herhaald verzoek niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te bellen. Aan het slot van de toelichting is de volgende passage opgenomen: “Als men op 30 januari 2021 niet de beschikking had over de beschikking van 20 november 2020 kan gevoeglijk aangenomen worden dat men ook niet heeft geweten bij [de zorgaanbieder] in Leiden wat de problemen in relatie tot die beschikking waren en dus gehandeld op basis van onvoldoende informatie”. 2.18 In de door het onderdeel bestreden passage heeft de rechtbank uitsluitend een beslissing gegeven op de klacht dat art. 8:7 lid 3 Wvggz is geschonden. In de overweging heeft de rechtbank geen beslissing gegeven op de klachten tegen het toepassen van dwangmiddelen bij aankomst in de PEH en het (al dan niet) de gelegenheid hebben geboden aan betrokkene om contact op te nemen met een advocaat. Hiervóór is uiteengezet dat art. 8:7 lid 3 Wvggz niet is geschonden, omdat in dit artikel uitsluitend is bepaald dat aan de zorgaanbieder een afschrift van de afgegeven zorgmachtiging moet zijn verstrekt voordat kan worden overgegaan tot toepassing van de in die machtiging bepaalde vormen van verplichte zorg. Aangenomen moet worden dat dit is gebeurd. 2.19 Van de opname op 30 januari 2021 is een rapportage opgemaakt. Daarin wordt onder meer het volgende vermeld: “Moeder vertelt dat er inderdaad een lopende zorgmachtiging is en dat zij daar geen inzage in krijgt omdat patiënte daar gezien haar toestand niet mee kan instemmen”. Uit deze passage blijkt in elk geval dat betrokkene en haar moeder op het moment van opname in de PEH bekend waren met het bestaan van de zorgmachtiging. Het onderdeel verwijst niet naar een passage in de gedingstukken waarin staat dat betrokkene zelf om een afschrift van de zorgmachtiging heeft gevraagd. De zorgaanbieder mocht er op het moment van opname van betrokkene (dan ook) vanuit gaan dat zij ook bekend was met de inhoud van de ten aanzien van haar verleende zorgmachtiging. De rechtbank heeft overwogen dat de zorgmachtiging op basis waarvan verplichte zorg is verleend op maandagmiddag aan betrokkene en haar moeder is overgelegd, en dat dit “voldoende spoedig” is. Ik meen (in het licht van het voorgaande: ten overvloede) dat dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk is. In dat verband zij opgemerkt dat betrokkene op een zaterdagavond is aangehouden en is overgebracht naar de psychiatrische eerste hulp. Op maandag 1 februari 2021, der eerste reguliere werkdag, is zij overgebracht naar de high intensive care afdeling van de zorgaanbieder. Op die dag is een afschrift van de zorgmachtiging verstrekt aan betrokkene en haar moeder. Ik meen met de rechtbank dat dit in het licht van de gebeurtenissen van de anderhalve dag daarvóór voldoende spoedig is. In dat verband is ook van belang dat de geneesheer-directeur van de zorgaanbieder ter zitting van 19 april 2022 heeft verklaard dat het buiten kantoortijden niet altijd mogelijk is direct stukken te verstrekken. Aldus is van schending van het bepaalde in art. 5 lid 2 EVRM geen sprake. 2.20 In de toelichting onder 2.3 staat dat de behandeling die betrokkene onderging een behandeling was in strijd met art. 3 EVRM. Voor zover deze klacht al voldoet aan de eisen die aan een cassatiemiddel mogen worden gesteld stuit zij af op de gronden zoals hiervoor uiteengezet. De rechtbank heeft in de door het onderdeel bestreden passage geen oordeel gegeven over de behandeling van betrokkene. 2.21 Onderdeel III is gericht tegen de volgende passage op blz. 10 van de bestreden beschikking: “Ten aanzien van de klacht op grond van artikel 1:5 Wvggz overweegt de rechtbank dat door [de zorgaanbieder] voldoende is onderbouwd dat op 30 januari 2021 op basis van het gedrag van verzoekster er een ernstig vermoeden van een psychotische decompensatie was en dat verzoekster onvoldoende in staat leek op te kunnen komen voor haar belangen. De rechtbank volgt hierin het medisch oordeel van [de zorgaanbieder] . Dat verzoekster van mening is dat zij wilsbekwaam zou zijn geweest omdat zij vroeg om een advocaat te kunnen spreken, maakt dit voor de rechtbank niet anders. Ook heeft [de zorgaanbieder] aangegeven dat de wilsonbekwaamheidsverklaring ziet op een momentopname. De rechtbank constateert dat in de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg de zorgverantwoordelijke heeft aangekruist dat verzoekster wilsonbekwaam werd geacht. De rechtbank acht het niet onbegrijpelijk dat de moeder op dat moment door [de zorgaanbieder] niet werd gezien als een geschikte vertegenwoordiger om de belangen van verzoekster waar te nemen, gelet op de wijze waarop de moeder en verzoekster op straat door de politie waren aangetroffen en dat [de zorgaanbieder] daarom heeft besloten overleg te voeren met de vader van verzoekster. Verzoekster is laat op de avond van 30 januari 2021 opgenomen op de PEH en het overleg met de vader heeft volgens het verslag van het verloop van de opname op 31 januari 2021 plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat [de zorgaanbieder] onder de gegeven omstandigheden correct heeft gehandeld.” 2.22 Het onderdeel klaagt dat deze “overwegingen met betrekking tot wilsonbekwaamheid” onjuist zijn, althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. De klacht wordt toegelicht onder 3.1 tot en met 3.3. 2.23 In de toelichting onder 3.1 (met als kopje ‘Feiten met betrekking tot de zorgmachtiging, beschikking van 20 november 2020’) wordt hetgeen eerder is weergegeven in de toelichting onder 1.1 op onderdeel I, herhaald. De klacht maakt niet duidelijk waarom het bestreden oordeel in het licht van de stellingen in de toelichting onjuist dan wel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. In de bestreden passage gaat de rechtbank in op de wilsbekwaamheid van betrokkene ten tijde van de opname op 30 januari 2021. Dat tijdstip was bepalend, mede gelet op hetgeen in de beschikking van 20 november 2020 is overwogen. De toelichting sluit derhalve niet aan op de bestreden overwegingen. 2.24 De toelichting onder 3.2 heeft als kopje: ‘Aanhouding door politie, strijd met artikel 5 lid 2 EVRM’. In de toelichting wordt deels herhaald wat ook al staat in de toelichting onder 2.2 bij onderdeel II: na de aanhouding in de avond op 30 januari 2021 zijn betrokkene en haar moeder naar de PEH zijn gebracht, waar betrokkene “in de isoleercel belandde zonder dat haar een kopie van de beschikking inzake de zorgmachtiging werd verstrekt”. Geklaagd wordt dat dit in strijd is met art. 5 lid 2 EVRM. 2.25 Ook hier valt niet in te zien hoe de toelichting zich precies verhoudt tot de bestreden passage, die blijkens het onderdeel zelf overwegingen bevat “met betrekking tot wilsonbekwaamheid”. Overigens stuit de klacht af op hetgeen hiervoor is overwogen. 2.26 De toelichting onder 3.3 (dat als kopje heeft: ‘Wils(on)bekwaamheid, criteria?’) bevat stellingen die zich niet eenvoudig laten samenvatten. Daarom geef ik de passage hieronder volledig weer: “Verzoekster heeft terecht gevraagd om haar advocaat te mogen bellen. Dat is haar onthouden. Daar heeft zij tegen geprotesteerd. Iemand wordt door de politie tegen haar wil samen met haar moeder naar een GGZ instelling gebracht onder het mom dat haar de beschikking met betrekking tot de zorgmachtiging zou worden verstrekt. Daar wordt zij gesepareerd, ondergaat zij onderzoek aan lichaam en kleding, krijgt zij noodmedicatie zonder dat er werkelijk een onderzoek plaats vindt naar de actuele gezondheidstoestand. Er wordt uitgegaan van wat men op basis van geen onderzoek heeft. Moet iemand wilsonbekwaam worden geacht als hij kontakt wil opnemen met een advocaat als er zulke dingen gebeuren op basis van een beschikking waar zij geen weet van heeft op basis van niet plaatsgevonden hebbend onderzoek? Voor het eerst is er kontakt met een advocaat geweest op 1 februari 2021. Zij blijkt kort daarna volledig wilsbekwaam te zijn. Hoe moet dan tegen die situatie op 30 januari 2021 aangekeken worden? Als iemand onheus en agressief wordt behandeld door iedereen, leidt de reactie dan tot wilsonbekwaamheid? Wilsonbekwaam ten aanzien van wat? Van de wijze waarop zij in strijd met artikel 3 EVRM behandeld wordt? Het kan in huisregels staan, maar dat betekent niet dat het mag. Huisregels die zelfs niet zijn overgelegd. Iedereen die van zijn vrijheid beroofd wordt heeft recht op een eerlijk proces en gelijkwaardigheid van wapens. Opgesloten wordt zonder dat zij een advocaat mag bellen, zonder dat zij op de hoogte wordt gesteld van de tegen haar gerichte beschuldigingen is in strijd met artikel 5 lid 1 aanhef en onder e jo. artikel 5 lid 2 EVRM. Waarom verzoekster dan als wilsonbekwaam werd beschouwd, terwijl zij dat een paar dagen later niet meer was, is de vraag. Volgens artikel 8:9 lid 1 moet de zorgverantwoordelijke ter uitvoering van een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg zich op de hoogte stellen van de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene, met de betrokkene over de voorgenomen beslissing overleg voeren en voorzover geen psychiater hierover overeenstemming hebben bereikt met de geneesheer-directeur. Maar dat aan de voorwaarden van artikel 8:9 lid 1 Wvggz is voldaan blijkt uit de stukken niet.” 2.27 Ook hier stel ik voorop dat het bestreden oordeel blijkens zowel de klacht van het onderdeel als het kopje waaronder de hiervoor weergegeven passage is opgenomen, alleen overwegingen bevat “met betrekking tot wilsonbekwaamheid”. Ik lees de passage niet aldus dat daarnaast wordt opgekomen tegen het oordeel dat de klacht op grond van art. 8:9 lid 5 Wvggz (geen beperkingen in het contact met advocaat) ongegrond is of het oordeel dat de klacht op grond van art. 8:14 Wvggz (onderzoek aan kleding of lichaam in het kader van veiligheidsonderzoek) ongegrond is. 2.28 In de door het onderdeel bestreden overwegingen geeft de rechtbank blijkens de eerste volzin uitsluitend een oordeel op de klacht op grond van art. 1:5 Wvggz (klacht 1). Deze klacht luidde als volgt: “Art. 1:5 Wvggz is geschonden doordat betrokkene ten onrechte als wilsonbekwaam is beoordeeld in de gehéle periode 30 januari 2021 tot en met 18 februari 2021, maar met name op 30/31 januari 2021. [Betrokkene] was uiteraard erg verbolgen op moment van het inzetten van dwang. Maar wilsonbekwaam was zij niet. Zij vroeg herhaaldelijk om een advocaat te mogen bellen: een rationeel verzoek, waarmee ook bewezen is dat zij in redelijkheid haar belangen overzag.” 2.29 Art. 1:5 lid 1 Wvggz bepaalt het volgende: “Voor zover de zorgverantwoordelijke betrokkene niet in staat acht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van zorg of de uitoefening van rechten en plichten op grond van deze wet, legt hij dat schriftelijk vast en vermeldt daarbij de datum, het tijdstip en ter zake van welke beslissingen betrokkene niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen.” 2.30 Wilsbekwaamheid is gerelateerd aan specifiek te nemen beslissingen. Het gaat daarbij om het besluitvormingsproces en niet om de uitkomst. Het enkele feit dat de betrokken patiënt geen ziekte-inzicht of ziektebesef heeft, betekent niet automatisch dat hij wilsonbekwaam is in zijn specifieke bezwaar. 2.31 A-G Snijders merkt in zijn conclusie vóór HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:123 het volgende op over het begrip ‘wilsonbekwaam’: “3.27 Het begrip ‘wilsonbekwaam’ heeft blijkens de wettelijke omschrijving in art. 2:1 lid 6 Wvggz, luidende ‘niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is’, en de (…) parlementaire toelichting daarop, betrekking op, zeer kort gezegd, ‘kennen en kunnen’: betrokkene zal voldoende moeten begrijpen wat er in zijn geval aan de hand is (zijn toestand kennen) én voldoende in staat moeten zijn om daarover tot behoorlijke (‘redelijke’) afwegingen te komen (kunnen). Het tweede is natuurlijk niet goed mogelijk zonder het eerste; daarom is beide nodig. Een psychische stoornis staat niet zonder meer aan dit ‘kennen en kunnen’ in de weg. Betrokkene kan zijn stoornis immers ‘kennen’ en in staat zijn tot behoorlijke afwegingen over de aanpak of behandeling daarvan. Het zelfbeschikkingsrecht dat ieder mens toekomt en dat art. 2:1 lid 6 Wvggz beoogt te beschermen, dient dan te worden gerespecteerd, mits geen schade dreigt voor anderen of acuut levensgevaar voor betrokkene zelf. Dat is de gedachte die aan die bepaling ten grondslag ligt, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is aangehaald uit de totstandkomingsgeschiedenis ervan. De stoornis kan echter ook het ‘kennen’ of ‘kunnen’ aantasten. Dan is betrokkene wilsonbekwaam.” 2.32 In de beschikking van 20 november 2020 heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van drie maanden. De reden dat de rechtbank het verzoek heeft toegewezen voor deze relatief korte periode (en het verzoek voor het overige heeft aangehouden) is dat het zowel de rechtbank, de advocaat van betrokkene als de psychiater die de medische verklaring had opgesteld niet was gelukt om betrokkene te horen op het verzoek, omdat zij niet bereikbaar is (blz. 3). De rechtbank overwoog vervolgens: “Als betrokkene in de komende drie maanden opgenomen wordt, kan er binnen de instelling opnieuw een poging gedaan worden om betrokkene te horen”. Zoals gezegd heeft de rechtbank bepaald dat ten aanzien van betrokkene de verplichte vorm van zorg ‘opnemen in een accommodatie’ mag worden toegepast, indien sprake is van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.