PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/03393 Zitting 23 december 2022 CONCLUSIE S.D. Lindenbergh In de zaak De Officier van Justitie van het arrondissementsparket Rotterdam tegen [betrokkene] 1Inleiding en samenvatting 1.1 Deze zaak gaat over de vaststelling van schadevergoeding ten laste van de Staat op de voet van art. 10:12 lid 3 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) wegens overschrijding van de in art. 5:16 lid 1 Wvggz neergelegde termijn waarbinnen de officier van justitie de schriftelijke en gemotiveerde beslissing of voldaan is aan de criteria voor verplichte zorg moet mededelen. De vragen die aan de orde worden gesteld zijn onder welke omstandigheden op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz een aanspraak op schadevergoeding bestaat jegens de Staat vanwege termijnoverschrijding en of in dat verband relevant is dat de betrokkene gedurende enige tijd vrijwillig zorg heeft geaccepteerd. 2Feiten en procesverloop 2.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: (
(0)De verplichting om binnen 24 uur na het nemen van de crisismaatregel ervoor te zorgen dat de betrokkene rechtsbijstand heeft, is daarvan een voorbeeld. Bij de beoordeling van een verzoek tot schadevergoeding gelden de uitgangspunten genoemd in de uitspraken van de Hoge Raad met betrekking tot art. 35 Wet Bopz (oud). Daaruit volgt onder meer dat bij de toekenning ‘naar billijkheid’ van schadevergoeding op de voet van art. 10:12 Wvggz, evenals onder art. 35 Wet Bopz (oud) het geval was, de rechter niet gebonden is aan de grenzen voor de toekenning van vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, vervat in art. 6:106 BW. Daaruit volgt voorts dat, indien bij het nemen van een crisismaatregel de wet niet in acht is genomen, en de betrokkene stelt dat hij daarvan nadeel heeft ondervonden, hij recht heeft op een schadevergoeding naar billijkheid. In zodanig geval is immers aannemelijk dat de betrokkene daarvan nadeel heeft ondervonden, in de vorm van spanning en frustratie. Dat geldt dus ook voor een geval als dit, waarin de betrokkene langer dan de wetgever gerechtvaardigd heeft geacht, van rechtsbijstand verstoken is gebleven.’ [voetnoten overgenomen en doorgenummerd, A-G] 4.16 HR 5 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:349, NJ 2021/105 had betrekking op overschrijding van de in art. 5:16 lid 1 Wvggz neergelegde termijn, die ook in de onderhavige zaak aan de orde is. Uw Raad overwoog: ‘3.2 Art. 5:16 lid 1, eerste volzin, Wvggz bepaalt dat na de schriftelijke mededeling bedoeld in art. 5:4 lid 2, onder a, Wvggz – inhoudende dat een verzoek voor een zorgmachtiging wordt voorbereid – de officier van justitie zijn schriftelijke en gemotiveerde beslissing of voldaan is aan de criteria voor verplichte zorg zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken, meedeelt aan de betrokkene, de vertegenwoordiger, de advocaat, de geneesheer-directeur, de zorgaanbieder en de zorgverantwoordelijke, alsmede in voorkomend geval aan de aanvrager, bedoeld in art. 5:3 Wvggz. Hiermee wordt beoogd dat de officier van justitie binnen een redelijke termijn aan de in art. 5:16 lid 1, eerste volzin, Wvggz genoemde belanghebbenden duidelijkheid verschaft of hij de rechter om een zorgmachtiging ten aanzien van de betrokkene zal verzoeken. 3.3 In de Wvggz wordt aan de niet-naleving van de in art. 5:16 lid 1 Wvggz genoemde termijn van vier weken niet het rechtsgevolg verbonden van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in het verzoek voor een zorgmachtiging, dan wel van afwijzing van dat verzoek. Hoewel het onderdeel terecht aanvoert dat van de officier van justitie mag worden verwacht dat hij zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen vier weken zijn beslissing meedeelt of is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, strookt het niet met de bij het verkrijgen van een zorgmachtiging betrokken belangen om op de grond dat sprake is van overschrijding van deze termijn, de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek voor een zorgmachtiging, dan wel dat verzoek af te wijzen. In geval van een termijnoverschrijding waardoor de betrokkene nadeel heeft ondervonden, kan op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz schadevergoeding worden toegekend.’ Uitgangspunten voor de verdere bespreking 4.17 Tegen de achtergrond van deze korte bloemlezing uit wetsgeschiedenis en rechtspraak kom ik tot de volgende inzichten: (
- i)De termijnen in art. 5:16 lid 1 Wvggz waarbinnen de officier van justitie zijn beslissing moet mededelen of is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, vormen het sluitstuk op de voorbereidingsfase van een zorgmachtiging. Indien de betrokkene in de gelegenheid is gesteld zelf een plan van aanpak op te stellen en de voorbereiding van de zorgmachtiging daarvoor volgens art. 5:5 lid 4 en 5 Wvggz is geschorst, geldt de langere termijn van twee weken. Op deze wijze is bij deze termijnstelling rekening gehouden met het uitgangspunt van vrijwillige zorgverlening. (
- ii)Art. 10:12 lid 3 Wvggz biedt een aanspraak op schadevergoeding op de grond dat de Wvggz niet in acht is genomen. Daarvoor is niet vereist dat niet-inachtneming van de wet ertoe heeft geleid dat de daarop volgende vrijheidsontneming onrechtmatig was. Ook een procedureel verzuim, zoals schending van de termijn van art. 5:16 lid 1 Wvggz, vormt grond voor schadevergoeding en ook daarmee beoogt de bepaling mede recht te doen aan art. 5 lid 5 EVRM (‘in accordance with a procedure prescribed by law’). (iii) In art. 10:12 lid 3 Wvggz ligt, net als in art. 35 Wet Bopz, besloten dat voor toekenning van schadevergoeding is vereist dat de benadeelde schade heeft geleden (nadeel heeft ondervonden) en dat de schade het gevolg is van schending van de wet door de officier van justitie of de rechter. (
- iv)De rechter is bij de toekenning van schadevergoeding ‘naar billijkheid’ in de zin van art. 10:12 Wvggz niet gebonden aan de grenzen van art. 6:106 BW. Op grond van art. 10:12 Wvggz kan de rechter een vergoeding toekennen ter zake van het nadeel, bestaande in het gedurende een bepaalde periode in onzekerheid verkeren, waardoor in die periode spanning en frustratie hebben bestaan. Dat kan hij in ieder geval bij overschrijding van wettelijke beslistermijnen, wegens schending van de hoorplicht en in het geval van het ontbreken van tijdige bijstand door een advocaat. Ik merk op dat dit (tegenwoordig) ook zou kunnen worden gevat onder ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW in de variant van (niet geestelijk letsel, maar) de ‘aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan’. Het zou dan gaan om het type geval waarin de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De overweging dat van een aantasting in de persoon niet reeds sprake is bij de ‘enkele schending van een fundamenteel recht’ staat er immers niet aan in de weg dat bij schending van bepaalde fundamentele rechten in beginsel genoegen wordt genomen met de stelling dat daardoor schade is geleden. Maar inpassing in art. 6:106 BW is (dus) niet nodig. Art. 10:12 Wvggz kan m.i. zo worden gelezen dat, voor zover het gaat om een aanspraak op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, het een eigensoortige wettelijke grondslag biedt. Deze lezing heeft het voordeel dat de vraag of schending van een procedurevoorschrift grond is voor vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade in beginsel aan de wetgever wordt overgelaten (en niet steeds door interpretatie van art. 6:106 BW hoeft te worden bereikt). (
- v)Wanneer de betrokkene op grond van art. 10:12 Wvggz een verzoek tot schadevergoeding doet, vaststaat dat een wettelijke beslistermijn is overschreden of een andersoortige relevante procedureregel is overschreden en de betrokkene stelt dat hij als gevolg daarvan nadeel heeft geleden (in de vorm van onzekerheid, spanning en/of frustratie), is in beginsel aannemelijk dat de betrokkene door die overschrijding nadeel heeft geleden in de vorm van spanning of frustratie en onzekerheid over zijn situatie. De rechter zal dan in beginsel een schadevergoeding moeten toewijzen. Art. 10:12 Wvggz vermeldt immers telkens: ‘De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.’ Het is in zoverre geen ‘kan-bepaling’. Mij dunkt dat de rechter hier niettemin enige vrijheid heeft en onder omstandigheden kan oordelen dat ondanks de wetsschending geen schade is geleden, dat de schade voor rekening van betrokkene dient te blijven, of dat hij de schending en hetgeen daarover door de betrokkene naar voren is gebracht te gering acht om een schadevergoeding toe te wijzen. Het lijkt mij de vraag of het criterium van de billijkheid toelaat dat de rechter, wanneer schade aannemelijk is, deze alsnog begroot op nihil. Verdedigbaar lijkt mij niettemin dat de rechter een wetsschending onder omstandigheden naar aard en ernst van zo geringe betekenis acht dat kan worden volstaan met de vaststelling dat een schending heeft plaatsgevonden. (
- vi)Volgens art. 10:12 Wvggz stelt de rechter de omvang van de vergoeding naar billijkheid vast. Mij dunkt dat wanneer de betrokkene door de wetsschending vermogensschade heeft geleden, deze met inachtneming van art. 6:97 BW op de gebruikelijke wijze dient te worden begroot en eventueel geschat. Voor ander nadeel dan vermogensschade, waar het bij ‘spanning en frustratie’ doorgaans slechts om zal gaan, brengt vaststelling ‘naar billijkheid’ mee dat het per definitie zal gaan om een intuïtieve schatting. Die behoeft in beginsel geen nadere motivering en laat zich in cassatie slechts zeer beperkt, namelijk alleen op begrijpelijkheid, toetsen. (vii) In het kader van art. 6:106 BW geldt dat vaststelling naar billijkheid betekent dat de rechter rekening houdt met alle omstandigheden van het geval. Uw Raad overwoog in dat verband onder meer: ‘De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in het geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel, (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.’ In gevallen als het onderhavige (genoegdoening wegens niet inachtneming van wettelijke procedurevoorschriften) is aan het billijkheidsoordeel nog moeilijker reliëf te geven aan de hand van het in kaart brengen van feitelijke gevolgen: het gaat om ‘spanning en frustratie’ waarvan het bestaan uit de aard en ernst van de wetsschending en de stellingen van betrokkene worden afgeleid en het ligt in de rede dat in dergelijke gevallen vooral de aard en ernst (waaronder begrepen: de duur) van de normschending richtinggevend zullen zijn voor de omvang van de vergoeding. In die zin is er enige gelijkenis met de ‘billijke vergoeding’ in bijvoorbeeld art. 7:681 BW. ( viii) Waar Uw Raad in HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229, NJ 1997/682, m.nt. J. de Boer nog overwoog dat in het kader van art. 6:97 BW niet de gewone regels inzake stelplicht en bewijslast gelden, is dat sinds HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:BH5410, NJ 2009/257 (X/Axa) niet langer vaste rechtspraak. Eerder is het zo dat de rechter met inachtneming van de aard van de beslissing (begroting mede aan de hand van een hypothetische situatie, soms schatting) een zeer grote mate van vrijheid heeft bij de waardering van bewijs. 4.18 Omdat de procesinleiding aanstuurt op een richtinggevende uitspraak, veroorloof ik me nog een enkele opmerking over de begroting van de schade in de vorm van spanning en frustratie. 4.19 In gevallen zoals het onderhavige, waarin een relevante wetsregel is geschonden en waarin is gesteld en aannemelijk is dat dit bij de betrokkene heeft geleid tot spanning en frustratie, zonder dat aan dit nadeel (verder) feitelijk handen en voeten is gegeven (bijvoorbeeld met onderbouwing, al dan niet met verklaringen van behandelend artsen, van nadelige gevolgen, zoals slapeloosheid etc., of zelfs een ziektebeeld), ligt het in de rede om te komen tot een vorm van tarifering. Dat biedt de beslisser houvast, zorgt bij de betrokkenen voor rechtszekerheid en komt de eenheid van beslissingen ten goede. Bij de vaststelling van dergelijke ‘tarieven’ (bepaalde bedragen bij bepaalde typen schendingen) kan, zoals Uw Raad heeft geoordeeld, uiteraard niet worden aangehaakt bij de (hoogte van
- de)bedragen die worden toegewezen bij onrechtmatige vrijheidsontneming. De wetsschendingen waar het hier om gaat hebben doorgaans niet geleid tot achteraf gebleken onrechtmatige ontneming van vrijheid, maar ‘slechts’ tot (spanning en frustratie door) onzekerheid over de rechtmatigheid. Volgens mij kan overigens evenmin aansluiting worden gezocht bij de omvang van de bedragen die worden toegewezen wegens schending van art. 6 EVRM in geval een rechterlijke uitspraak te lang op zich heeft laten wachten. De ratio van de bijzondere schadevergoedingsregeling in de Wvggz is blijkens de toelichting gelegen in aard van de beslissing in combinatie met de (psychische) kwetsbaarheid van de betrokkenen. Alleszins verdedigbaar lijkt het mij om aan te nemen dat de aard van de beslissing (tot gedwongen zorg) in combinatie met die kwetsbaarheid leidt tot meer spanning en frustratie tijdens bijvoorbeeld het wachten op uitsluitsel – en dus een hogere vergoeding rechtvaardigt – dan wanneer het gaat om de ‘gemiddelde’ rechtzoekende die wacht op een rechterlijke uitspraak. 4.20 Voor wat betreft (verdere) rechtsvorming ten aanzien van de vaststelling van de omvang van op grond van art. 10:12 Wvggz te verstrekken vergoedingen zie ik weinig ruimte weggelegd voor Uw Raad. Gelet op de uiteenlopende typen gevallen van wetsschendingen en hun gevolgen, maar ook op de betrokken beslisinstanties (de rechter en klachtencommissies), ligt het m.i. meer voor de hand om eventueel door samenspraak tussen feitenrechters en/of overleg in de sector te komen tot nadere normering van toe te wijzen bedragen. Ik wijs erop dat voor de toekenning van schadevergoeding in klachtzaken op initiatief van de stichting Patiëntenvertrouwenspersoon Geestelijke Gezondheidszorg door de UvA een forfaitair stelsel is ontwikkeld. Daarop is echter kritiek geuit en het wordt in de praktijk nog niet standaard toegepast. 5Bespreking van het cassatiemiddel 5.1 Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen, A t/m D, met elk enkele subonderdelen. 5.2 De middelonderdelen A, B en C stellen in essentie dezelfde vraag aan de orde, namelijk of het hof heeft kunnen oordelen dat aan de betrokkene wegens schending van de in art. 5:16 lid 1 Wvggz neergelegde termijn een schadevergoeding van € 10,-- per dag toekwam over de gehele periode van termijnoverschrijding, nu hij gedurende enige tijd vrijwillig zorg heeft geaccepteerd, en of het dat oordeel voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Ik behandel die vraag hierna kort en zal daarbij niet op alle subonderdelen ingaan. 5.3 In onderdeel A wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof in r.o. 5.10 en 5.11 van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat de vraag of sprake is van schade op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, zodat niet, althans niet steeds, op basis van de enkele stelling van de betrokkene dat hij door de termijnoverschrijding lange tijd in onzekerheid heeft verkeerd en stress heeft ervaren, voldoende aannemelijk kan worden geacht dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden als gevolg van de termijnoverschrijding. Het gaat hierbij om een weerlegbaar vermoeden. De officier van justitie kan dus omstandigheden aanvoeren die in een concreet geval tot een ander oordeel leiden. Volgens het onderdeel heeft het hof zijn oordeel in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu het hof de door de officier van justitie in dit geval aangevoerde omstandigheden, zoals dat de betrokkene in ieder geval in de periode waarin hij vrijwillig zorg heeft ontvangen niet in onzekerheid heeft verkeerd en dus geen nadeel heeft ondervonden, niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. 5.4 Onderdeel B bevat in de kern een herhaling van hetgeen onderdeel A aan de orde beoogt te stellen. Het stelt dat het hof in r.o. 5.10 en 5.11 heeft miskend dat, als sprake is van een overschrijding van een termijn uit de Wvggz en betrokkene daardoor schade heeft geleden, op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz niet steeds schadevergoeding moet worden toegekend. De rechter kan in zo’n geval schadevergoeding toekennen, namelijk indien (en voor zover) hij zulks billijk acht, maar is daartoe niet gehouden. De vraag of in een dergelijk geval op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz daadwerkelijk recht bestaat op schadevergoeding, hangt af van alle omstandigheden van het concrete geval, zoals de vraag in wiens risicosfeer de ontstane termijnoverschrijding ligt.Tevens stelt onderdeel B (onder 3.3) dat het rechtens onjuist is dat het – categorisch – in alle gevallen die onder het toepassingsbereik van art. 10:12 lid 3 Wvggz vallen, lastig, zo niet onmogelijk, is om vast te stellen of, en zo ja, in hoeverre betrokkene enig (relevant) aandeel in de termijnoverschrijding heeft gehad. Of dat zo is, zal immers afhangen van de omstandigheden van het geval, zoals de vraag om wat voor psychiatrische aandoening het gaat en op welke grond betrokkene een aandeel in de termijnoverschrijding wordt verweten. 5.5 Beide onderdelen stellen dat een en ander in ieder geval geldt voor overschrijding van de termijn van art. 5:16 lid 1 Wvggz, nu die termijn een procedurevoorschrift behelst dat betrekking heeft op de voorbereiding van het verzoekschrift tot een zorgmachtiging. In de toelichting op onderdeel A is opgemerkt dat de rechtsregel dat wanneer de wet niet in acht is genomen en betrokkene stelt daar nadeel van te hebben ondervonden, aannemelijk is dat de betrokkene daarvan nadeel heeft ondervonden in de vorm van spanning en frustratie, niet moet worden toegepast op een geval als hier aan de orde, waar het gaat om een overschrijding van een termijn bij de voorbereiding van een verzoekschrift tot verstrekking van een voorlopige machtiging. In de toelichting op het onderdeel is daartoe – samengevat – betoogd dat genoemde rechtsregel aansluit bij de rechtspraak van het EHRM over overschrijding van de redelijke termijn bij rechterlijke beslissingen en art. 6 EVRM en dat de Hoge Raad in het bestuursrecht heeft verduidelijkt dat een te lange behandelingsduur in de aanvraagfase of bezwaarfase buiten het toepassingsbereik van art. 6 EVRM valt. Volgens de toelichting geldt hetzelfde voor overschrijding van een termijn in de voorbereidingsfase van een zorgmachtiging. 5.6 Het hof heeft in r.o. 5.8 vooropgesteld dat de vraag voorligt of een overschrijding met 57 dagen van de termijn van art. 5:16 lid 1 Wvggz ‘zonder meer’ een recht op schadevergoeding als bedoeld in art. 10:12 lid 3 Wvggz meebrengt. Het daarop volgende oordeel in r.o. 5.10 en 5.11 van het hof ziet dus op de vraag of de betrokkene een schadevergoeding toekomt. Daartoe is in beginsel voldoende dat sprake is van een schending van de Wvggz door – in dit geval – de officier van justitie, alsmede van een verzoek om schadevergoeding gebaseerd op de stelling dat de betrokkene van die wetsschending nadeel heeft ondervonden. In dat geval is aannemelijk dat de betrokkene door de wetsschending schade in de vorm van spanning en frustratie heeft geleden en zal de rechter in beginsel een schadevergoeding moeten toewijzen. Het uitgangspunt is dus niet, zoals onderdelen A en B aanvoeren, dat de rechter bij zijn oordeel over de vraag of in een concreet geval schadevergoeding op grond van art. 10:12 lid 3 BW passend is, ‘alle omstandigheden van het geval’ in aanmerking neemt: hij moet beoordelen of in het licht van de normschending en de stellingen van de betrokkene aannemelijk is dat door de normschending in kwestie schade is geleden. Deze beoordeling in het concrete geval impliceert dat de rechter onder omstandigheden tot het oordeel kan komen dat ondanks de wetsschending geen schade is geleden, of dat hij de schending en hetgeen daarover door de betrokkene naar voren is gebracht te gering acht om een schadevergoeding toe te wijzen. Wanneer de officier van justitie zich beroept op omstandigheden die erop wijzen dat betrokkene (in een bepaalde periode) geen schade heeft geleden of die rechtvaardigen dat, ondanks dat sprake is van een wetsschending en betrokkene wel schade heeft geleden, geen schadevergoeding moet worden toegekend, zal de rechter op die stelling moeten reageren en beoordelen of, en zo ja op welke wijze, hij die omstandigheden relevant acht. 5.7 Het vorenstaande geldt ook bij overschrijding van de termijn van art. 5:16 lid 1 Wvggz. Ook schending van deze procedurele norm voor de voorbereidingsfase kan grond vormen voor schadevergoeding als bedoeld in art. 10:12 lid 3 Wvggz. De wet bevat op dit punt geen beperking en aansluiting bij het toepassingsbereik van art. 6 EVRM op dit punt ligt niet in de rede, omdat het om verschillende aanspraken op schadevergoeding gaat, met ieder hun eigen ratio. 5.8 Het hof heeft getoetst of de wet is geschonden en of in het licht van de normschending en de stellingen van de betrokkene aannemelijk is dat door de normschending in kwestie schade is geleden (zie r.o. 5.7 en r.o. 5.11). Het heeft geen ‘automatisch recht op schadevergoeding’ aangenomen. Uit het voorgaande volgt evenwel dat de overweging ‘dat bij de beantwoording van de vraag of een termijnoverschrijding een recht op schadevergoeding als bedoeld in art. 10:12 lid 3 Wvggz met zich brengt de (overige) omstandigheden van het geval, waaronder in wiens risicosfeer de ontstane termijnoverschrijding ligt, niet behoren te worden betrokken’ in zijn algemeenheid niet juist is. Evenmin kan in het algemeen worden aangenomen dat het lastig, zo niet onmogelijk, is om vast te stellen of, en zo ja, in hoeverre betrokkenen zelf enig aandeel in een termijnoverschrijding hebben gehad, zodat de termijnoverschrijding in de eigen risicosfeer zou moeten blijven. Onder omstandigheden kan dat wel een rol spelen. Een en ander betekent tevens dat het hof onvoldoende toegespitst op het concrete geval heeft gemotiveerd wat de (ir)relevantie is van de door de officier van justitie gestelde omstandigheid dat de betrokkene gedurende enige tijd vrijwillig zorg heeft ontvangen. In zoverre zijn de onderdelen A en B (onder 2.1, 3.1 en 3.3) gegrond. 5.9 Daarbij merk ik op dat er mijns inziens geen regel bestaat dat de omstandigheid dat de betrokkene gedurende enige tijd vrijwillig zorg heeft ontvangen in de weg staat aan het aannemen van een aanspraak op schadevergoeding (voor de periode waarin betrokkene vrijwillig zorg ontving). Wel volgt uit art. 5:16 lid 1, laatste zin, Wvggz dat de termijn van vier weken waarbinnen de officier van justitie zijn schriftelijke en gemotiveerde beslissing of is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg moet mededelen met twee weken wordt verlengd indien de voorbereiding van de aanvraag van de zorgmachtiging met toepassing van art. 5:5 lid 5 Wvggz is geschorst, omdat betrokkene in de gelegenheid is gesteld een eigen plan van aanpak op te stellen. In de onderhavige zaak heeft het hof niet vastgesteld dat de betrokkene en andere in art. 5:5 lid 4 en 5 Wvggz genoemde personen schriftelijk van de schorsing op de hoogte zijn gesteld en heeft het hof (kennelijk) gerekend met de termijn van vier weken. Inhoudelijk heeft het hof dus, zeker in de gegeven omstandigheden, waarin de termijnoverschrijding volgens het hof 57 dagen bedroeg, zonder schending van enige rechtsregel kunnen oordelen dat de omstandigheid dat de betrokkene gedurende enige tijd vrijwillig zorg heeft geaccepteerd niet relevant is voor de vraag of in dit geval een aanspraak op schadevergoeding bestaat. 5.10 Onderdeel B stelt onder 3.2 voorts dat het hof met zijn overweging in r.o. 5.10 dat het doel van de strakke termijnen in de Wvggz, waaronder de termijn in art. 5:16 lid 1 Wvggz, ‘is dat mensen met een psychiatrische aandoening, die een kwetsbare groep vormen, zo kort mogelijk in onzekerheid verkeren over de vraag of de officier van justitie daadwerkelijk zal overgaan tot de indiening van een verzoek tot een zorgmachtiging’, heeft miskend dat met de termijnen uit de Wvggz wordt beoogd dat binnen een redelijke termijn wordt gehandeld c.q. beslist, althans dat in ieder geval met de termijn van art. 5:16 lid 1 Wvggz wordt beoogd dat de officier van justitie binnen een redelijke termijn aan (onder meer) betrokkene duidelijkheid verschaft over de vraag of hij de rechter om een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene zal verzoeken. 5.11 In de beschikking van 5 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:349, NJ 2021/105, r.o. 3.2 overwoog Uw Raad overeenkomstig de door het onderdeel voorgestane ratio. De door het hof genoemde ratio van termijnen in de Wvggz sluit daarop aan. Totdat aan de betrokkene duidelijkheid is verschaft, kan hij in onzekerheid verkeren. Van een onjuiste rechtsopvatting getuigt het oordeel van het hof dus niet. Dit subonderdeel is ongegrond. 5.12 Onderdeel C richt zich tegen r.o. 5.12, waarin het hof heeft overwogen dat het ‘met in achtneming van het vorenoverwogene’ van oordeel is dat, alhoewel in de rechtspraak niet één lijn wordt getrokken of vaste uitgangspunten gelden wat betreft de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding per dag, in dit geval onvoldoende gesteld of gebleken is dat de door de rechtbank vastgestelde schadevergoeding van € 10,-- per dag niet billijk is. Het subonderdeel 4.1 stelt ten eerste dat voor zover het hof met de verwijzing in r.o. 5.12 naar ‘het vorenoverwogene’ heeft bedoeld dat de omstandigheden van het geval ook bij het vaststellen van (de hoogte van) de billijke vergoeding niet van belang zijn, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het onderdeel gaat het bij art. 10:12 lid 3 Wvggz om een schadevergoeding die naar redelijkheid en billijkheid kan worden toegekend, waarbij het subonderdeel verwijst naar art. 3:12 BW. Subonderdeel 4.1 en 4.2 stelt tevens dat het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat het hof ten onrechte onder meer de volgende stellingen van de officier van justitie niet (kenbaar) bij de beoordeling heeft betrokken, namelijk dat: (
- i)de periode waarin de betrokkene vrijwillig zorg heeft ontvangen in mindering moet worden gebracht op de termijnoverschrijding, omdat de voorbereiding van het verzoek hierdoor langer heeft geduurd terwijl er geen mogelijkheden zijn om de voorbereidingen voor verplichte zorg voort te zetten als vrijwillige zorg wordt ondergaan; (
- ii)de betrokkene gedurende de periode waarin hij vrijwillig zorg ontving niet in onzekerheid heeft verkeerd, omdat hem bekend was dat de voorbereiding van de zorgmachtiging werd aangehouden; (iii) er reeds een zekere genoegdoening gelegen is in het enkele feit dat is vastgesteld dat sprake is van een termijnoverschrijding; (
- iv)het hier gaat om schending van een procedurevoorschrift, wat een wezenlijk andere situatie is dan een schending die de grondslag van verplichte zorg raakt en dat de aard en ernst van de schending moet worden meegenomen in het bepalen van de billijke vergoeding; (
- v)aansluiting moet worden gezocht bij het kader dat geldt bij overschrijding van de redelijke termijn van art. 6 EVRM, waarbij een forfaitaire vergoeding van € 500,-- per half jaar (€ 2,80 per dag) redelijk wordt geacht. 5.13 Ik lees in de verwijzing naar ‘het vorenoverwogene’ in r.o. 5.12 niet dat het hof van oordeel is dat in het kader van de vaststelling van de omvang van de vergoeding niet alle omstandigheden van het geval relevant zijn. De rechtsklacht in subonderdeel 4.1 is daarom ongegrond. Anders dan dat subonderdeel veronderstelt gaat het overigens bij het in art. 10:12 lid 3 Wvggz bedoelde billijkheidsoordeel niet om de ‘redelijkheid en billijkheid’. Ik verwijs naar hetgeen ik hiervoor onder 4.17, (
- v)en (
- vi)heb opgemerkt. 5.14 Dat het gaat om een billijkheidsoordeel betekent verder dat het in beginsel geen nadere motivering behoeft. Hoewel de motivering van het oordeel van het hof in r.o. 5.12 summier is, volstaat die mijns inziens. Ik versta het oordeel van het hof zo dat het de rechtbank volgt in het oordeel ten aanzien van de omvang van de vergoeding. Uit de motivering van de omvang van het bedrag door de rechtbank blijkt dat de rechtbank daarin heeft meegewogen dat betrokkene gedurende de termijnoverschrijding een periode vrijwillig zorg heeft geaccepteerd en dat betrokkene al sinds 2017 bekend was met verplichte zorg. Ten aanzien van de stelling onder (v), dat moet worden aangesloten bij het kader dat geldt bij overschrijding van de redelijke termijn van art. 6 EVRM, verwijs ik naar hetgeen ik daarover onder 4.19 en 5.7 heb opgemerkt. De schadevergoeding op grond van art. 10:12 Wvggz ziet op een andere situatie. 5.15 Uit het voorgaande volgt dat onderdeel C ongegrond is. 5.16 Onderdeel D is ingesteld onder de voorwaarde dat geen van de klachten van de onderdelen A t/m C tot cassatie leidt. Nu onderdelen A en B gedeeltelijk gegrond zijn, behoeft onderdeel D geen behandeling. Dit onderdeel is ook niet van zaakoverstijgend belang. 6Conclusie De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar cassatieberoep, althans tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Vergelijk de beschikking van hof Den Haag van 15 juni 2022, zaaknummer 200.297.602/01 (niet gepubliceerd via rechtspraak.nl), onder 3. Rb. Rotterdam 15 april 2021, zaak-/rekestnummer C/10/615194 / FA RK 21-2178 (niet gepubliceerd via rechtspraak.
- nl)(hierna: rb. Rotterdam 15 april 2021), r.o. 2.1. Rb. Rotterdam 15 april 2021, r.o. 2.2. Rb. Rotterdam 15 april 2021. Hof Den Haag 15 juni 2022, zaaknummer 200.297.602/01 (niet gepubliceerd via rechtspraak.nl). Pleitnota mr. Engels 24 maart 2022, p. 4; procesinleiding, par. 1.4.11. Verweerschrift in cassatie, p. 2, onder verwijzing naar procesinleiding par. 1.3.3, 1.4.5 en 1.4.11. P.i. onder 1.4.4-1.4.5. Vgl. de p.i. onder 1.4.8, 1.4.10 en 1.4.11 (slot). Zie bijv. HR 14 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0959, NJ 1993/445. Zie ook B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, in: Van der Wiel (red.), Cassatie (BPP nr. 20) 2019/198; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/48; Vermeulen 2013, p. 406. P.i. onder 1.4.11. Met betrekking tot het gezag van gewijsde is ter vergelijking naar HR 13 mei 2022 ECLI:NL:HR:2022:683, NJ 2022/183 verwezen. P.i. onder 8. Vgl. HR 11 juli 1984, NJ 1985/212, m.nt. J.M.M. Maeijer (Howson Algraphy); Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/182; concl. A-G Wesseling-van Gent vóór HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9705, onder 2.10; F.E. Vermeulen, ‘Kwesties van belang: artikel 3:303 BW in cassatie’, in: P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, F.E. Vermeulen & B.T.M. van der Wiel (red.), Middelen voor Meijer, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 406-408. Vgl. B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, in: Van der Wiel (red.), Cassatie (BPP nr. 20) 2019/198; Vermeulen, ‘Kwesties van belang: artikel 3:303 in cassatie’, a.w. 2013, p. 412; HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1782, NJ 2019/130, r.o. 3.3.2 en de annotatie van A.I.M. van Mierlo bij die uitspraak, par. 3. Korthals Altes & Groen merken op dat in zaken die met een verzoekschrift worden ingeleid en waarin geen verplichte kostenveroordeling wordt uitgesproken, de kostenveroordeling als aanknopingspunt voor het processuele belang ontbreekt. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/50. Hetgeen overigens niet ongebruikelijk is voor procedures over verplichte zorg. Art. 289 Rv bepaalt voor verzoekschriftprocedures dat de eindbeschikking een veroordeling in de kosten kan inhouden. Volgens Dijkers is gelet op de aard van de procedure inzake verplichte zorg, waarbij de ziekte van de betrokkene tot overheidsingrijpen noopt, veroordeling van de betrokkene in de kosten niet aan de orde en zal voor kostenveroordeling van het openbaar ministerie welhaast nimmer reden zijn, mede gelet op het gegeven dat ambtshalve een raadsman wordt toegevoegd. W.J.A.M. Dijkers, Sdu commentaar Gedwongen zorg, art. 6:4 Wvggz, aant. 4.2 (online, bijgewerkt tot 1 september 2022). Vgl. HR 17 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2254, NJ 1997/221, r.o. 3.8.3. Zoals wel het geval was in HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:728, NJ 2019/127, m.nt. A.I.M. van Mierlo. Vgl. HR 17 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2254, NJ 1997/221, r.o. 3.8.3 en de conclusie van A-G Strikwerda voor die beschikking, onder 20 en 22. Zie anders Winters/Kingma, T&C Rv, art. 424 Rv, aant. 3c (online, bijgewerkt tot 1 januari 2022), die schrijven dat de Hoge Raad met de uitspraak van 18 mei 2018 lijkt te zijn teruggekomen op eerdere rechtspraak op dit punt, waarbij zij onder andere HR 17 januari 2017, ECLI:NL:HR:1997:ZC2254, NJ 1997/221 noemen. Vgl. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/49. Waarover nader C. Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg, (Praktijkwijzer Strafrecht nr. 12), Deventer: Wolters Kluwer 2020, par. 2.5. Art. 5:5 lid 2 somt op in welke gevallen de geneesheer-directeur afwijzend kan besluiten. Zie ook art. 5:9 lid 3 Wvggz; Kamerstukken II 2013/14, 32399, nr. 10, p. 84, 88, 89. Zie nader over het plan van aanpak R.B.M. Keurentjes, De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Handleiding voor de praktijk, Den Haag: Sdu 2021, par. 5.8 en 5.11.1; Kamerstukken II 2013/14, 32399, nr. 10, p. 45-46, 84-85. HR 5 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:349, NJ 2021/105, r.o. 3.2. A-G Langemeijer wijst in zijn conclusie (onder 2.5 en 2.8) in deze zaak ook op het publieke belang dat is gediend met een spoedige voorbereiding van een verzoek en brengt deze termijn ook in verband met de mogelijkheid dat het college van B en W na een melding een verkennend onderzoek kan laten verrichten en een aanvraag tot het voorbereiden van een zorgmachtiging kan indienen bij de officier van justitie (art. 5:1-5:3 Wvggz). J. Legemaate e.a., Eerste evaluatie Wvggz, deel 1, Den Haag: ZonMw, december 2021, p. 66, 104-106, 190. C. Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg (PWS nr. 12), par. 2.5.11. Zie nader de conclusie van A-G Langemeijer vóór HR 5 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:349, NJ 2021/105, onder 2.5-2.11. In de toelichting op de bepaling (toen nog genummerd 5:17) wordt verwezen naar de beschrijving van de procedure rondom het plan van aanpak. Zie Kamerstukken II 2013/14, 32399, nr. 10, p. 94. Kamerstukken II 2009/10, 32399, nr. 3, p. 28. Kamerstukken II 2009/10, 32399, nr. 3, p. 102-103. Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 45. Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 197. Kamerstukken II 2013/14, 32399, nr. 14, p. 37. Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 24, p. 43. Art. 35 Wet Bopz voorzag in schadevergoeding wegens niet-inachtneming van de bepalingen uit Hoofdstuk II van de Wet Bopz (inzake machtiging tot verblijf of ontslag) en art. 49 Wet Bopz (ontslag). Ook art. 28 (onrechtmatige last tot inbewaringstelling) en 41b Wet Bopz (onrechtmatige beslissing) voorzagen in schadevergoeding. MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21239, nr. 3, p. 9-10. Vgl. Kamerstukken II 1991/92, 21239, nr. 3, p. 8 met betrekking tot art. 35 Wet Bopz (oud). Vgl. Kamerstukken II 2009/10, 32399, nr. 3, p. 102. Vgl. HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229, rov. 3.3 en HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:926, rov. 3.4.2. Zie nadien ook HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1143, NJ 2021/344, m.nt. J. Legemaate, r.o. 3.4. Zie voor een bespreking van enkele andere voorbeelden uit de feitenrechtspraak dan de onderhavige zaak J.F. Groen, ‘Tussenstand: schadevergoedingen op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg’, JGGZR 2021/2, p. 88-89. MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21239, nr. 3, p. 9-10; Kamerstukken II 2009/10, 32399, nr. 3, p. 102-103. In Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 197 worden zonder beperking ‘de voor hem geldende bepalingen’ genoemd. Zie voor art. 10:12 Wvggz Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 197 en voor art. 35 Wet Bopz MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21239, nr. 3, p. 9-10. HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:926, NJ 2015/345, m.nt. J. Legemaate; HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806, NJ 2021/73, m.nt. J. Legemaate en HR 5 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:349, NJ 2021/105. HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:926, NJ 2015/345, m.nt. J. Legemaate en HR 5 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:349, NJ 2021/105. MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21239, nr. 3, p. 9-10. HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806, NJ 2021/73, m.nt. J. Legemaate. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162, m.nt. S.D. Lindenbergh (EBI). Ik wijs erop dat art. 10:11 Wvggz ook de mogelijkheid kent van (zowel door de rechter als door de klachtencommissie) ambtshalve toekenning van schadevergoeding. HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:926, NJ 2015/345, m.nt. J. Legemaate, r.o. 3.4.2; HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806, NJ 2021/73, m.nt. J. Legemaate, r.o. 4.4. Volgens Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg (PWS nr. 12), p. 156-157, is sprake van een voorshands vermoeden van (aannemelijkheid van) geleden schade. Vgl. ook de p.i., p. 10 en onder 7.2.10. Blijkens deze tekst heeft ‘billijkheid’, net als bij art. 6:106 BW, slechts betrekking op de omvang van de vergoeding. Vgl. de toelichting op art. 35 Bopz (MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21239, nr. 3, p. 9-10): ‘Uiteraard zal niet elke onregelmatigheid in de procedure nadeel toebrengen aan de betrokkene. Dit staat van geval tot geval ter beoordeling van de rechter.’ Vgl. ook HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229, NJ 1997/682, m.nt. J. de Boer: ‘Aangezien de kwalificatie slachtoffer in artikel 5, vijfde lid, van het Verdrag, slechts van toepassing kan zijn, indien enig nadeel is geleden, moet worden aangenomen dat deze verdragsrechtelijke aanspraak op schadevergoeding slechts ontstaat in de gevallen dat enig nadeel, daaronder begrepen immateriële schade, voor de betrokkene uit het niet in acht nemen van een nationaal voorschrift is voortgevloeid.’ Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer van 4 november 2022 (ECLI:NL:PHR:2022:1180) in de zaak 22/03092, onder 2.18. Vgl. HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:413, JGz 2019/27, m.nt. R.B.M. Keurentjes, r.o. 3.2.1-3.2.2, 3.3.2. Volgens A-G Langemeijer, conclusie vóór HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:926, NJ 2015/345, m.nt. J. Legemaate, onder 2.15, valt dit binnen de beoordelingsvrijheid die de feitenrechter toekomt. Vgl. ook HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1337, NJ 2002/91, m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 3.6 (‘Volgens art. 6:106 BW heeft de benadeelde in geval van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen of indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Uit de zinsnede: 'een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding' en uit het in de conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp onder 6 geciteerde gedeelte van de memorie van antwoord bij genoemde bepaling volgt dat de rechter die op de voet van deze bepaling schadevergoeding toekent, een discretionaire bevoegdheid heeft met betrekking tot het bepalen van de omvang van die schadevergoeding. De rechter mag met alle omstandigheden van het geval rekening houden bij de begroting van de schade en hij heeft de bevoegdheid om, indien hij daartoe gronden aanwezig oordeelt, geen schadevergoeding toe te kennen.’) Dat arrest heeft in het kader van art. 6:106 BW in het licht van de wetsgeschiedenis kritiek geoogst (onder meer in de noot van Brunner). Hoewel deze passage uit HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229, NJ 1997/682, m.nt. J. de Boer later niet is herhaald, suggereert r.o. 4.4 uit HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806, NJ 2021/73, m.nt. J. Legemaate, derde alinea (‘de uitgangspunten genoemd in …’), dat dit onverkort geldt. Ik wijs erop dat de rechter volgens art. 6:103 BW slechts op vordering van de benadeelde een schadevergoeding anders dan in geld kan toewijzen. Zie over aan schatting te stellen eisen HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7215, NJ 2007/407 (De Oorsprong/Gemeente Utrecht), r.o. 4.1. In zoverre wordt in de Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 24, p. 43, m.i. ten onrechte gesproken van ‘naar redelijkheid en billijkheid’. De keuze voor een bepaald bedrag dat strekt ter vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade berust immers in essentie niet op rationele argumenten. HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229, NJ 1997/682, m.nt. J. de Boer. Vgl. ten aanzien van de vaststelling naar billijkheid van vergoedingen op grond van art. 6:106 BW HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958 (shockschade 2.0), r.o. 3:10: ‘In cassatie kunnen de oordelen over de omvang van de hiervoor besproken verplichting tot vergoeding van schade in beginsel slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht. Bij dit onderzoek kan van belang zijn in hoeverre blijkt dat de feitenrechter bij zijn oordeel acht heeft geslagen op beslissingen van (Nederlandse) rechters in vergelijkbare gevallen.’ Vgl. ook de gezamenlijke conclusie van A-G Spronken en ondergetekende van 22 februari 2022 (ECLI:NL:PHR:2022:166), onder 5.2. Dat de rechter bij schadevergoedingen wegens schending van de Wvggz niet is gebonden aan de grenzen van art. 6:106 BW betekent niet dat inzichten over vaststelling van de omvang van ander nadeel dan vermogensschade niet aan art. 6:106 BW kunnen worden ontleend. TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 377 en Eindverslag I, Parl. Gesch. Boek 6, p. 388. Vgl. ook nog MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 380: ‘Wel is aan deze [de rechter, A-G] een nog grotere vrijheid toegekend dan bij de begroting van schade in het algemeen.’ Zie over de aard van de vaststelling van smartengeld uitvoerig G.J.M. Verburg, Vaststelling van smartengeld (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2009, p. 95 e.v. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga (Overzichtsarrest). Vgl. daarover onder meer HR 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4472, NJ 2010/494, m.nt. G.J.J. Heerma van Voss (R./B.): ‘3.5.5 De in art. 7:681 lid 1 bedoelde schadevergoeding heeft in zoverre een bijzonder karakter dat deze vooral ertoe dient aan de benadeelde een zekere mate van genoegdoening (of, zoals het door de wetgever ook wel is genoemd: "pleister op de wonde", Kamerstukken II 1951/52, 881, nr. 6, p. 30) te verschaffen die in overeenstemming is met de aard en de ernst van de tekortkoming van de wederpartij. Daarmee strookt dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft op grond van alle omstandigheden de hoogte van de vergoeding te bepalen, zoals ook duidelijk wordt uit de wetsgeschiedenis. De voorganger van deze bepaling, art. 1639s (oud) BW, bevatte als maatstaf "naar billijkheid". Met die maatstaf werd tot uitdrukking gebracht dat de rechter bij de begroting van de schadevergoeding niet gebonden was aan de regels van stelplicht en bewijslast. Deze woorden zijn in 1997 bij de invoering van art. 7:681 BW komen te vervallen, enerzijds omdat aan schadevergoeding naar billijkheid in het nieuwe Burgerlijk Wetboek een andere betekenis toekomt dan naar oud recht het geval was, en anderzijds omdat de wetgever van oordeel was dat deze woorden overbodig waren, nu de algemene regels van Boek 6 BW voor de begroting van schadevergoeding van toepassing zijn. Art. 6:97 BW geeft als algemene regel dat de rechter de schade begroot op de wijze die het meest in overeenstemming daarmee is, en laat de rechter de vrijheid de omvang van de schade te schatten als deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. In het licht hiervan moet worden aangenomen dat de wetgever van opvatting was en ook beoogde dat in de praktijk toepassing van deze maatstaf tot een gelijksoortig resultaat zou leiden als de toepassing van de oude maatstaf. 3.5.6 Hoewel de rechter dus een grote mate van vrijheid heeft bij de begroting van de schade, brengen hetgeen hiervoor is overwogen in 3.5.2 en de daaruit voortvloeiende aard van de aansprakelijkheid van de werkgever mee dat de rechter, zoals in het hiervoor genoemde arrest van 27 november 2009 is overwogen, zich in een geval als dit steeds nauwkeurig rekenschap dient te geven van de concrete omstandigheden en factoren die de hoogte van de vergoeding bepalen, en dat hij daarvan in zijn beslissing ook verantwoording dient af te leggen op zodanige wijze dat voldoende inzicht wordt gegeven in de afweging die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding heeft geleid. Hij moet de vergoeding dan ook relateren aan de aard en de ernst van het tekortschieten van de werkgever in zijn verplichting als goed werkgever te handelen en aan de daaruit voor de werknemer voortvloeiende (materiële en immateriële) nadelen. Dit laat overigens onverlet dat art. 6:97 BW de rechter vrij laat de hoogte van de vergoeding uiteindelijk naar billijkheid op een bedrag te begroten.’ Vgl. ook HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron (WorldOnline) en HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:1483, NJ 2017/262, m.nt. S.D. Lindenbergh & J.S. Kortmann (TenneT/ABB). Zie daarover uitvoerig G. de Groot & A.J. Akkermans, ‘Schadevaststelling, bewijslastverdeling en deskundigenbericht’, NTBR 2007/72, p. 501-509. HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229, NJ 1997/682, m.nt. J. de Boer. Zie voor gevallen waarin wel werd aangesloten bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (de LOVS-oriëntatiepunten) Groen, JGGZR 2021/2, par. 3 en p. 91. Zie daarover onder (veel) meer HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, NJ 2014/525, m.nt. P.C.E. van Wijmen & W.D.H. Asser (Eisers/De Bilt), waarover meer uitvoerig de conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer van 4 november 2022 (ECLI:NL:PHR:2022:1180), onder 2.24 e.v. Zie voor de Bopz MvT, Kamerstukken II 1988/89, 21239, nr. 3, p. 9-10 en HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229, NJ 1997/682, m.nt. J. de Boer. Ik merk op dat Uw Raad op dit punt wisselende formuleringen heeft gehanteerd (in HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229: ‘spanningen en frustraties’; in HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:926: ‘spanning of frustratie’; in HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806: ‘spanning en frustratie’), waaraan volgens mij geen betekenis toekomt. Zie over rechtsvorming ten aanzien van de vaststelling van de omvang van bedragen in het kader van art. 6:106 BW nader de conclusie van A-G Spronken en ondergetekende van 22 februari 2022 (ECLI:PHR:2022:166), onder 5.4 R.P. Wijne, Schadevergoeding vragen aan een klachtencommissie als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; wat is billijk?, UvA oktober 2019. Zie over schadevergoeding in klachtzaken J. Legemaate e.a., Eerste evaluatie Wvggz, deel 1, Den Haag: ZonMw, december 2021, p. 82-83; R.P Wijne, ‘Een billijke schadevergoeding als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg: volledig en deels forfaitair’, TvGR 2019/6, p. 433-449; T.P. Widdershoven, ‘Naar een ‘soepele’ Wvggz-klachtenbehandeling en schadevergoeding, JGGZR 2020/64; Stichting PvP, ‘Schadevergoeding en de Wvggz-klachtenprocedure: over de inzet van de Stichting PVP en de ontwikkelingen aangaande forfaitair stelsel 2.0, juli 2021, www.pvp.nl; T.P. Widdershoven, ‘Schadevergoeding en Wvggz-klachtrecht: van forfaitair naar leidraad?’, JGGZR 2021, p. 160-164. Zie kritisch L.A.P. Arends e.a., Wvggz-klachtenprocedure; een handreiking voor zorgaanbieders met betrekking tot de klachtenprocedure en eventuele rechterlijke procedure van de Wvggz, met bijzondere aandacht voor de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen, GGZ-Nederland/Dirkzwager 2020, par. 5.6; R.H. Zuijderhoudt, annotatie bij: Rb. Zeeland-West-Brabant 5 juni 2020, JGZ 2020/72, p. 371, 373; R.B.M. Keurentjes, annotatie bij rb. Zeeland-West-Brabant 2 juli 2020, JGZ 2020/73, p. 385. P.i., onder 2.1. Vgl. de toelichting op de onderdelen, p.i. onder 7.1.2. P.i. onder 3.1. P.i. onder 2.1, 3.1 en 7.2.8-7.2.14 onder verwijzing naar o.a. EHRM 29 maart 2006, zaaknr. 36813/97, ECLI:NL:XX:2006:AW8901, AB 2006/294, m.nt. T. Barkhuysen, M.L. van Emmerik ([…] /Italië), r.o. 204; EHRM 29 maart 2006, zaaknr. 62361/00, JB 2006/134, m.nt. A.M.L. Jansen, r.o. 94; HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX8360, AB 2013/149, m.nt. M.L. van Emmerik. Vgl. hiervoor onder 4.17. Het billijkheidsoordeel over de omvang van de vergoeding wordt wel gegeven in het licht van ‘alle omstandigheden van het geval’ (zie hiervoor onder 4.17 en hierna onder 5.13). Zie hiervoor onder 4.17 (
- ii)en 4.19. Het hof heeft dus niet, zoals subonderdeel A 2.2 stelt, zijn beslissing gebaseerd op de enkele stelling van de betrokkene dat hij lange tijd in onzekerheid heeft verkeerd en stress heeft ervaren. Ik laat verder in het midden of er in cassatie van moet worden uitgegaan dat de voorbereiding van de zorgmachtiging is geschorst. Zie daarover de p.i. onder 7.2.18 en de daar vermelde vindplaatsen. Vanwege het zaakoverstijgend belang van het cassatieberoep klaagt de officier van justitie bewust niet dat het hof heeft miskend dat ingevolge art. 5:5 lid 4 en 5 Wvggz de termijn van art. 5:16 Wvggz met twee weken is verlengd. Zie de p.i., voetnoot 25. Dat volgt uit de in r.o. 5.7 genoemde data. Vgl. ook de conclusie van A-G Langemeijer vóór HR 5 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:349, NJ 2021/105, onder 2.8. P.i. onder 4.1. Dat zijn zij wel (zie hiervoor onder 4.17): een billijkheidsoordeel wordt gegeven met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Zie hiervoor onder 4.17. Zie de beschikking van de rechtbank van 15 april 2021, r.o. 3.8. P.i. voetnoot 25 bij 1.4.10.