PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 22/02560 Zitting 16 december 2022 CONCLUSIE E.M. Wesseling-van Gent In de zaak [de moeder] tegen de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Amsterdam Als belanghebbenden zijn in hoger beroep aangemerkt:
(2019), terwijl de moeder onbetwist heeft gesteld dat sindsdien geen hulpverlening is ingeschakeld om te werken naar terugplaatsing en dat zij daar bovendien niet goed aan kan werken wanneer zij het kind slechts eens per vier weken circa één uur ziet onder begeleiding. Indien de bevoegde autoriteiten zich onvoldoende inspannen, ontstaat vanzelf een situatie dat een jong kind gehecht en geworteld raakt in het pleeggezin, zodat terugplaatsing al snel niet meer aan de orde is. Dat doet tekort aan het recht van een kind en/of een ouder op gezinshereniging. Uit het arrest Strand Lobben/Noorwegen volgt immers dat effectieve bescherming van “family life” met zich mee brengt dat de toekomstige betrekkingen tussen ouder en kind uitsluitend worden bepaald in het licht van alle relevante overwegingen, en niet door louter tijdsverloop, aldus het subonderdeel. 3.28 Tot slot bevat de aanvullende procesinleiding (par. 2) nog de klacht dat de stelling van de raad op p. 4 van het proces-verbaal, dat uitgebreid is onderzocht of de moeder in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind te dragen, feitelijk onjuist is. Los daarvan kunnen de gegeven voorbeelden een gezagsbeëindiging niet dragen. Het voorbeeld van de high five is een futiliteit, en dat de moeder niet in staat zou zijn om gezagsbeslissingen te nemen, gelet op de beperkte informatie die zij heeft, kan haar moeilijk worden verweten, gelet op de uithuisplaatsing en de beperkte omgang. Het had op de weg van de raad of de GI gelegen om de moeder beter te informeren of te helpen. Juist de stelling van de raad dat de rol van de moeder in het leven van het kind goed moet worden onderzocht en de mogelijkheden die daar zijn moeten worden benut, had aanleiding gegeven tot nader onderzoek in plaats van gezagsbeëindiging. In elk geval blijkt hieruit dat nog niet alle mogelijkheden zijn uitgeput, zodat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit/subsidiariteit van art. 8 EVRM, aldus de klacht. 3.29 De subonderdelen klagen in de kern dat het hof (
- i)de belangen van het kind en zijn biologische familie moet afwegen, (
- ii)de door het EHRM vereiste verplichting om gezinshereniging (serieus) na te streven heeft miskend en (iii) zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd. Zij lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. 3.30 Zowel de rechtbank als het hof heeft zich bij de oordeelsvorming gebaseerd op de stukken en het verhandelde ter zitting. Daarnaast heeft het hof, dat in rov. 5.7 een aantal hierna te noemen feiten en omstandigheden heeft opgesomd, zich in de eerste volzin van rov. 5.8 aangesloten bij het oordeel van de rechtbank en aldus tevens de door de rechtbank gegeven motivering van haar beslissing, tot de zijne gemaakt. 3.31 De rechtbank heeft in de beschikking van 26 mei 2021 geoordeeld dat aan het criterium van art. 1:266 lid 1 onder a BW is voldaan (rov. 5.6), omdat, samengevat, is gebleken dat de moeder (en de vader) niet in staat zijn om het kind de noodzakelijke rust en stabiliteit te bieden die hij nodig heeft, de aanvaardbare termijn voor het kind inmiddels is verstreken en het in het belang van het kind is dat er duidelijkheid komt over zijn toekomstperspectief (rov. 5.5). Daarbij heeft de rechtbank in rov. 5.5, onder meer en samengevat, overwogen dat: - het kind met de moeder in het Babyhuis is geplaatst; - tijdens de plaatsing in het Babyhuis zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden naar de mogelijkheden van een terugplaatsing van het kind bij de moeder, waarbij de moeder een reële kans geboden heeft gekregen om het kind weer bij haar te laten wonen; - daarna door Levvel (ook aangeduid als Levvel Hecht, Spirit of Spirit Hecht) onderzoek is gedaan naar een passende bezoekfrequentie; - uit de bevindingen van voorgaande onderzoeken is gebleken dat de moeder onvoldoende responsief en sensitief is richting het kind en veel directe sturing nodig heeft in het omgaan met het kind; - ook uit de (huidige) bevindingen en observaties van de bezoekmomenten door onder meer de gedragsdeskundigen van Levvel blijkt dat de moeder nog steeds veel moeite heeft met het “lezen” van het kind in zijn behoeftes en zij de aan haar aangereikte ondersteuning onvoldoende oppakt; - het kind nog jong is en hij al meerdere hechtingsbreuken heeft doorlopen, en - het kind nu anderhalf jaar in zijn pleeggezin verblijft, hij zich daar aan het hechten is en een goede ontwikkeling doormaakt. 3.32 Het hof heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat het, net als de rechtbank, van oordeel is dat de moeder niet, althans onvoldoende is staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind te dragen en dat niet te verwachten valt dat zij daartoe in staat is binnen een voor het kind aanvaardbaar te achten termijn (rov. 5.8, eerste zin). Dit oordeel heeft het hof in rov. 5.7 en 5.8 gemotiveerd aan de hand van de volgende omstandigheden: - het kind is een kwetsbaar kind, dat veel voorspelbaarheid, routine en structuur nodig heeft. Onverwachte gebeurtenissen zorgen bij hem voor angstig gedrag; - het kind ontwikkelt zich goed in het pleeggezin en is gehecht aan zijn pleegouders, bij wie hij kan opgroeien; - de pleegouders sluiten goed aan op de behoeften van het kind, die een bovengemiddelde sensitiviteit en responsiviteit vragen omdat het kind moeite heeft met veranderingen; - het kind ervaart veiligheid en voorspelbaarheid in het pleeggezin; - de pleegouders geven de moeder een plaats in het leven van het kind, waardoor hij zich niet in een loyaliteitsconflict bevindt; - op advies van Levvel is het contact met de moeder afgebouwd naar één uur per vier weken om een basisveiligheid voor het kind te creëren; - de omgangsmomenten met de moeder verlopen over het algemeen goed; - de moeder is in het verleden niet in staat gebleken voldoende bij het kind aan te sluiten en zij heeft onvoldoende kunnen profiteren van de hulpverlening van het Babyhuis en Levvel; - de aanvaardbare termijn is, gelet op de jonge leeftijd van het kind, ruimschoots verstreken, aangezien hij nu al bijna drie jaar verzorgd wordt door pleegouders; en - de doelstelling van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, te weten het tijdelijk voorzien in een opvoedsituatie met het uiteindelijke doel thuisplaatsing, is niet langer passend. 3.33 In dit oordeel van het hof ligt m.i. besloten dat het hof een afweging heeft gemaakt en daarbij heeft geoordeeld dat de belangen van het kind (bij onder meer voorspelbaarheid en structuur) in dit geval zwaarder wegen dan het belang van de moeder. Het hof heeft derhalve niet miskend dat uit art. 8 EVRM en de jurisprudentie van het EHRM (o.a. Strand Lobben/Noorwegen) volgt dat een echte afweging moet worden gemaakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s). Daarbij mocht het hof de belangen van het kind vooropstellen. Zoals hiervoor onder 3.17 vermeld zijn de factoren waarmee volgens de jurisprudentie van het EHRM rekening moet worden gehouden o.a. de veilige en gezonde leefomgeving van de oorspronkelijke gezinssituatie, de behoefte van het kind aan stabiliteit, de mogelijkheid van het kind zich positief te ontwikkelen, de duur van het verblijf in het pleeggezin en de hechting en de band met de pleegouders. Deze omstandigheden heeft het hof in zijn motivering betrokken. Het hof heeft zijn oordeel niet uitsluitend gegrond op het tijdsverloop sinds het kind zich bij de pleegouders bevindt. 3.34 Het hof heeft evenmin miskend dat art. 8 EVRM vereist dat de nationale autoriteiten voldoende inspanningen moeten leveren om, als een kind uit huis is geplaatst, een hereniging van ouders en kind mogelijk te maken. Het hof, en de rechtbank, hebben meegewogen dat de moeder in het verleden niet in staat is gebleken voldoende bij het kind aan te sluiten, en onvoldoende heeft kunnen profiteren van de hulpverlening van het Babyhuis en Levvel, dat in het Babyhuis een zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden naar de mogelijkheden van een terugplaatsing van het kind bij de moeder, dat haar een reële kans is geboden om hem weer bij haar te laten wonen, dat daarna door Levvel onderzoek is gedaan, en dat uit deze onderzoeken is gebleken dat de moeder onvoldoende responsief en sensitief is richting het kind. Daarmee heeft het hof geoordeeld dat in die periode voldoende inspanningen zijn geleverd om gezinshereniging mogelijk te maken, maar dat deze inspanningen toen niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Vervolgens heeft het hof in rov. 5.9 geoordeeld dat en waarom de GI vanaf januari 2020 niet meer heeft gewerkt aan terugkeer naar huis, te weten omdat de voor het kind, gelet op zijn leeftijd, aanvaardbare termijn op dat moment reeds was verstreken. 3.35 Dit oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Na de eerste uithuisplaatsing is de moeder tijdens de plaatsing in het Babyhuis uitgebreid begeleid, met het doel om te onderzoeken of het kind weer bij haar zou kunnen gaan wonen. Deze plaatsing was derhalve uitdrukkelijk gericht op gezinshereniging. Aldaar is geconstateerd dat de moeder onvoldoende sensitief en responsief was richting het kind, en dat zij bovendien ook onvoldoende leerbaar was. Er bestond dus niet de verwachting dat de moeder met een langere plaatsing in het Babyhuis wel in staat zou zijn om voldoende sensitief en responsief richting het kind te zijn. 3.36 Het is bovendien niet zo dat na de tweede uithuisplaatsing van het kind eind juli 2019 geen enkele hulp meer is verleend aan de moeder. Levvel is immers gedurende anderhalf jaar betrokken geweest bij de bezoekmomenten tussen de moeder en het kind en heeft de moeder begeleid, onder meer door het maken van video-opnames van de bezoeken en deze met de moeder te bespreken. Ook daarbij is gebleken dat de moeder het moeilijk vindt om zich in het kind te kunnen verplaatsen. De vastgestelde bezoekregeling van één keer per vier weken is volgens de raad voldoende en volgens Levvel het maximaal haalbare. 3.37 Het hof heeft bovendien meegewogen dat het kind een kwetsbaar kind is, dat veel voorspelbaarheid en structuur nodig heeft, en dat hij zich goed ontwikkelt in het pleeggezin en aan zijn pleegouders is gehecht. 3.38 Uit het voorgaande kan m.i. de gevolgtrekking worden gemaakt dat het oordeel van het hof dat aan de wettelijke gronden voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en dat dit oordeel ook voldoende begrijpelijk is gemotiveerd. De subonderdelen 1.4 t/m 1.7 en 1.10 falen daarom. Hetzelfde geldt voor de klacht uit de aanvullende procesinleiding. 3.39 Met betrekking tot subonderdeel 1.8, dat klaagt dat het hof niet over de gezagsbeëindiging had mogen beslissen zonder recent onderzoek, merk ik op dat de moeder geen grieven heeft aangevoerd tegen de afwijzing van haar verzoek om een deskundige te benoemen en dit verzoek in hoger beroep dus niet meer heeft gehandhaafd. Bovendien volgt uit het voorgaande dat in het oordeel van het hof ligt besloten dat is voldaan aan de verplichting om (in de periode na de uithuisplaatsing) voldoende inspanningen te leveren om gezinshereniging mogelijk te maken, en dus ook dat voldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden van thuisplaatsing. 3.40 Verder hoefde het hof niet gemotiveerd in te gaan op de in subonderdeel 1.9 genoemde stellingen van de moeder. Het hof heeft deze stellingen namelijk in rov. 5.2 expliciet genoemd, waaruit volgt dat het hof deze stellingen wel degelijk in zijn belangenafweging heeft meegenomen. Voor stelling iv, dat de moeder haar leven op de rit heeft, in een studio met kamer voor het kind woont, en een betaalde baan heeft voor twee dagen per week, geldt bovendien dat het oordeel van het hof dat de moeder niet of onvoldoende in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind te dragen, niet is gebaseerd op de leefomstandigheden van de moeder, maar op de omstandigheid dat zij niet voldoende in staat is om voldoende sensitief en responsief te reageren op wat het kind nodig heeft, en zij onvoldoende leerbaar is. 3.41 Dit betekent dat alle klachten van het onderdeel falen. 3.42 Tot slot wijs ik nog op rov. 5.10. Daarin heeft het hof (net als de rechtbank in rov. 5.9) “benoemd dat gezagsbeëindiging niet betekent dat de moeder een onbelangrijke rol in het leven van [het kind] speelt” en dat zij “altijd de moeder van [het kind] zal blijven.” In tegenstelling tot de situatie die aan de orde was in de uitspraken M.L./Noorwegen en Strand Lobben/Noorwegen, waarin de betreffende kinderen (zonder instemming van de moeder) werden geadopteerd door de pleegouders, met als gevolg dat de juridische band tussen het kind en de moeder geheel werd verbroken, blijft na een gezagsbeëindiging de juridische band tussen de ouder en het kind bestaan. Het hof heeft in dit verband ook (terecht) benadrukt dat de GI de moeder en het kind ruimte en ondersteuning dient te geven om hun band te onderhouden en verder te ontwikkelen. 4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G In de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2021, niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, (hierna: de beschikking van de rechtbank) is ook Levvel als belanghebbende aangemerkt. Ontleend aan de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 12 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1104 (hierna: de bestreden beschikking), rov. 3.1 t/m 3.5, en de beschikking van de rechtbank, rov. 2.1 t/m 2.14. [belanghebbende 2] is niet de biologische vader van het kind. Zie o.a. het inleidend verzoek, p. 2-3, waar is opgenomen dat de moeder zwanger is geworden van het kind door een donor (tevens partner van de moeder) in Rusland en dat deze donor begin 2018 is overleden. Voor zover thans van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de beschikking van de rechtbank, rov. 1.1 t/m 1.5. Zie voor het procesverloop in hoger beroep de bestreden beschikking, rov. 2.1 t/m 2.4. Zie de bestreden beschikking, rov. 4.1, en de beschikking van de rechtbank, rov. 3.1. Zie de beschikking van de rechtbank, rov. 3.2.2 (laatste paragraaf) en rov. 5.1 t/m 5.2. Dit proces-verbaal ontbreekt in het procesdossier, maar is op mijn verzoek door de griffie van de Hoge Raad opgevraagd bij de griffie van de rechtbank Amsterdam (en ontvangen). Zie de bestreden beschikking, rov. 4.2. Zie ook het verzoekschrift partieel hoger beroep, p. 2. Zie de bestreden beschikking, rov. 5.7, eerste zin. Zie ook het verzoekschrift partieel hoger beroep, waaruit volgt dat alle grieven van de moeder betrekking hebben op haar gezagsbeëindiging. Zie de bestreden beschikking, rov. 2.2 en 4.3. De procesinleiding is op 12 juli 2022 ingediend in het portaal van de Hoge Raad. De aanvullende procesinleiding dient met bekwame spoed te worden ingediend, waarbij een termijn van veertien dagen - of zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn - na de dag van verstrekking of verzending van het proces-verbaal heeft te gelden. Zie HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005,AU3720, NJ 2006/31, rov. 3.2. In de aanvullende procesinleiding is niet opgenomen op welke datum het proces-verbaal is verstrekt. De griffie van de Hoge Raad heeft op 8 augustus 2022 een afschrift van het proces-verbaal van het hof ontvangen. Uitgaande van deze datum is de aanvullende procesinleiding tijdig ingediend. Vgl. par. 3.2.6.1. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden. Het procesdossier in cassatie is niet compleet. In de eerste plaats ontbreekt het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 15 april 2021 (zie daarover voetnoot 7). Voorts ontbreken de bijlagen bij het inleidend verzoekschrift van de raad, de brief van de GI aan de moeder met bijlage van 2 april 2021 en de e-mail van de GI met bijlagen aan het hof van 28 april 2021. Bij deze schets heb ik onder meer gebruik gemaakt van de recente conclusies van A-G Lückers van 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:897, onder 2.3 t/m 2.8; van 9 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:812, onder 3.2 t/m 3.16, en van 18 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1071, onder 2.1 t/m 2.9. M.R. Bruning, T&C Burgerlijk Wetboek, art. 1:266 BW, aant. 1 (actueel t/m 1 augustus 2022). Wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming, Stb. 2014, 130. Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 2. Zie ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/439.? Bruning e.a., Eindevaluatie Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen: nieuwe rechtsgronden in een haperend jeugdbeschermingsstelsel, 2022. Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 8 en 10. Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 9. Kamerstukken II 2009/09, 32 015, nr. 3, p. 10-11; zie ook p. 23 en p. 34. De aanvaardbare termijn is nader uitgewerkt in de Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming van de NIP, NVO en BPSW, beschikbaar via www.richtlijnenjeugdhulp.nl. Deze richtlijn wordt momenteel herzien, waarbij de passages waarin de aanvaardbare termijn werd geconcretiseerd (een half jaar voor jeugdigen jonger dan 5 jaar en een jaar voor jeugdigen ouder dan 5 jaar), worden geschrapt en nieuwe inzichten over de verschillende factoren die van invloed zijn op de aanvaardbare termijn prioriteit krijgen. Zie de Toelichting bij de aanvaardbare termijnen in de richtlijn Uithuisplaatsing. Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 34. Zie Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 12, met verwijzing naar HR 4 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5726, NJ 2008/506 m.nt. J. de Boer. Zie daarover Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/440, met verwijzing naar M.R. Bruning, ‘Gezagsbeëindiging, soms een brug te ver?’, in: M.T. Beumers e.a. (red.), Vijftig weeffouten in het BW, 2017, p. 3 e.v. en J.I. Huijer & I. Weijers, ‘De aanvaardbare termijn in jeugdbeschermingszaken’, FJR 2016/40. M.R. Bruning, ‘Gezagsbeëindiging, soms een brug te ver?’, in: M.T. Beumers e.a. (red.), Vijftig weeffouten in het BW, 2017, p. 6-7. Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 11-12 en 35. Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 34-35. Zie Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/440, onder verwijzing naar hof Den Haag 25 november 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3991. De Hoge Raad heeft het daartegen gerichte cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO verworpen, zie HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2046, RvdW 2016/939. EHRM 10 september 2019, ECLI:CE:ECHR:2019:0910JUD003728313, EHRC 2019/235 m.nt. M.R. Bruning (Strand Lobben/Noorwegen). Zie over deze zaak ook HR 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:108, JPF 2021/53 m.nt. J.H. de Graaf, rov. 3.2. EHRM 22 december 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:1222JUD006463916, EHRC Updates 2021/13 m.nt. M.R. Bruning (M.L./Noorwegen). M.R. Bruning, annotatie bij EHRM 22 december 2020, vindplaats vorige voetnoot. Zie de conclusie van A-G Lückers bij HR 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:108, onder 2.7 met verwijzing naar M. Angius, ‘Family life in spagaat’, FJR 2015/14, p. 59. Het artikel van Angius betreft een overzicht van rechtspraak van het EHRM uit 2015. M.R. Bruning en K.A.M. van der Zon, ‘Uithuisplaatsing van kinderen. Europese controverse en de rol van het EHRM’, NTM/NJCM-Bulletin 2022/1. Het hof heeft in rov. 5.2 het standpunt van de moeder vermeld en in rov. 5.3 dat van [belanghebbende 2] . In rov. 5.4 t/m 5.6 is weergegeven wat de raad, GI en de pleegzorgwerker achtereenvolgens tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht. Al deze rov. zijn in cassatie niet bestreden. In par. 4 van de procesinleiding wordt verwezen naar rov. 5.7 t/m 5.13 van de bestreden beschikking. Aangezien de bestreden beschikking geen rov. 5.12 en 5.13 bevat, zal bedoeld zijn rov. 5.7 t/m 5.11. In de procesinleiding wordt hierbij verwezen naar HR 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:108. In die zaak waren gelijkluidende klachten geformuleerd. In de procesinleiding wordt hierbij tevens verwezen naar EHRM 3 oktober 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0310JUD003971015, NJB 2020/1722 (Pedersen/Noorwegen) en naar de annotatie van M.R. Bruning bij M.L./Noorwegen. Dit betreft de in voetnoot 32 genoemde annotatie in EHRC Updates 2021/13. In de aanvullende procesinleiding wordt in dit verband ook nog verwezen naar de stellingen van mr. Donze en de moeder in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 2 maart 2022, p. 4-5. In de procesinleiding wordt hierbij verwezen naar het verweerschrift van de moeder in eerste aanleg, nr. 50. De procesinleiding verwijst hierbij naar par. 208 van het EHRM-arrest Strand Lobben/Noorwegen. In de procesinleiding wordt hierbij verwezen naar par. 100 van het EHRM-arrest M.L./Noorwegen. In voetnoot 10 van de procesinleiding wordt daarbij verwezen naar het verweerschrift van de moeder in eerste aanleg, nrs. 48 en 50. In de procesinleiding wordt hierbij verwezen naar het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank op 15 april 2022 (bedoeld zal zijn 2021), p. 5. In de procesinleiding wordt hierbij verwezen naar de annotatie van Bruning bij het EHRM-arrest M.L./Noorwegen. In de aanvullende procesinleiding wordt hierbij verwezen naar de verklaring van [de medewerkster van Levvel] op p. 3 van het proces-verbaal, waarin zij heeft verklaard dat het kind van slag was omdat hij de moeder een high five wilde geven als afscheid en de moeder hem in plaats daarvan heeft geknuffeld. Volgens de aanvullende procesinleiding (voetnoot 1) is onvoorstelbaar dat een dergelijk misverstand door de raad wordt genoemd als voorbeeld dat de moeder niet in staat zou zijn om aan te sluiten bij de behoefte van het kind en dus niet in staat zou zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. Zie rov. 5.7 van de bestreden beschikking en rov. 5.5 van de beschikking van de rechtbank. Vgl. HR 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:108, rov. 3.3.3. Zie het standpunt van Levvel in rov. 3.2.3 van de beschikking van de rechtbank en rov. 5.6 van de bestreden beschikking. Zie in dit verband ook de bij het inleidend verzoek gevoegde rapportage van de raad, die de rechtbank in rov. 5.5 van haar beschikking van 26 mei 2021 mede aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd. Zie rov. 3.2.1 en rov. 3.2.3 van de beschikking van de rechtbank. Zie rov. 5.3 van de beschikking van de rechtbank.