PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer21/02168 Zitting 6 december 2022 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, hierna: de verdachte De verdachte is bij arrest van 6 mei 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens ‘belaging’ veroordeeld tot 210 uren taakstraf subsidiair 105 dagen hechtenis, waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [aangeefster] en [aangever] zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Daarnaast heeft het hof de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [aangeefster] en [aangever] gedeeltelijk toegewezen en twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. C.W. Noorduyn, advocaat te Den Haag, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Bespreking van het eerste middel 3. Het eerste middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde 'met het oogmerk die [aangeefster] en [aangever] (...) en/of vrees aan te jagen' niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, althans dat de bewezenverklaring op dit punt onvoldoende met redenen is omkleed. 4. Voordat ik het middel bespreek geef ik de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen weer. 5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: ‘hij op een of meer tijdstippen in de periode van 28 januari 2020 tot en met 27 april 2020 te 's-Gravenhage, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] en [aangever] , door meermalen, althans eenmaal, - die [aangeefster] en [aangever] berichten te sturen, - die [aangeefster] en [aangever] te bellen (via verschillende telefoonnummers), - familieleden van die [aangeefster] en/of [aangever] te benaderen, - pizza te laten bezorgen op het adres van die [aangeefster] met het oogmerk die [aangeefster] en [aangever] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.’ : 6. De bewezenverklaring van het feit berust op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen): ‘1. Het proces-verbaal van aangifte, d.d. 11 februari 2020, (…) opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie-eenheid Den Haag, (…) inhoudende: Als verklaring van aangeefster [aangeefster] : Op 28 januari heb ik [verdachte] een bericht verstuurd met het verzoek om op geen enkele wijze meer contact met mij op te nemen. Ik werd meteen gebeld door [verdachte] op [telefoonnummer 1] , ik heb de telefoon niet opgenomen. Ik zag vervolgens dat ik op 29 januari, 30 en 31 januari 2020 een groepchat uitnodiging ontving van [verdachte] vanaf andere telefoonnummers. Op 5 februari, 6 februari, 7 februari 2020 heeft [verdachte] weer berichten naar mij gestuurd via telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Op 7 februari om 18.45 uur ontving ik ook een bericht van [verdachte] via telefoonnummer [telefoonnummer 3] met het bericht: "Je bent met [aangever] , hij heeft je opgehaald ik weet dat je met hem bent". 7 februari en 8 februari stuurt [verdachte] een bericht met telefoonnummer [telefoonnummer 4] 23.31 uur met de tekst: "Klopt het dat je met [aangever] bent? Ik weet het hoor, waarom doe je dat?". 2. het proces-verbaal van aangifte, d.d. 7 april 2020, (…) opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie-eenheid Den Haag, (…) inhoudende: Als verklaring van aangever [aangever] : "Sinds december 2019 word ik dagelijks lastig gevallen door [verdachte] . [verdachte] heeft mij via what's app met 57 verschillende telefoonnummers benaderd. Hij belde mij via what's app en hij stuurde mij berichtjes. Tevens belde hij mij elke dag met onbekende nummers. De telefoontjes gingen dan 1 keer over en werden vervolgens opgehangen. Dit was soms 10 keer, soms 25 keer en soms wel 50 keer per dag tot diep in de nacht. Dit gebeurde ook bij mijn vriendin. Ik ben na 4 maart 2020 nog 48 keer anoniem gebeld en heb 12 verschillende what’s app gesprekken binnengekregen van telefoonnummers die ik niet ken. Ik ben tot en met vorige week, ik denk rond 1 april 2020, nog steeds dagelijks gebeld door anonieme telefoonnummers". 3. het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 27 april 2020, (…) opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie-eenheid Den Haag, (…) inhoudende: Als verklaring van de verbalisant: Op 27 april 2020 kreeg mijn collega een mail binnen van [aangeefster] . [aangeefster] heeft in januari 2020 aangifte gedaan van stalking. In de mail geeft zij aan dat de persoon tegen wie zij aangifte heeft gedaan, haar ex-vriend [verdachte] , niet is opgehouden. [verdachte] valt haar, haar familie, vrienden en familie van haar huidige vriend, [aangever] lastig. Op 28 april 2020 komt er wederom een mail binnen van [aangeefster] . Naar aanleiding van deze mails heb ik, verbalisant, telefonisch contact opgenomen met [aangeefster] . Zij waren op 27 april 2020 bij [aangever] zijn woning, op de [a-straat 1] in [plaats] , aangekomen. Ze kreeg een berichtje van [verdachte] , hij zei dat hij wist dat ze bij [aangever] was omdat hij hen had gezien. Er werd aangebeld bij de hoofdingang van het appartementencomplex, er stond een pizzabezorger aan de deur. Dit vonden [aangeefster] en [aangever] vreemd, want zij hadden niets besteld. 4. het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 12 mei 2020, (…) opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie-eenheid Den Haag, (…) inhoudende: Als verklaring van de verdachte: V:. Hebben jullie nog contact gehad met elkaar toen de relatie voorbij was? A: Ja. V: Op welke wijze hebben jullie contact gehad? A: Telefonisch. Dit was zowel bellen als berichten sturen naar elkaar. V: Heb jij contact gezocht met [aangeefster] ? A: Ja. V: Op welke zijde heb je dit gedaan? A: Telefonisch. V. Heeft zij aangegeven dat zij geen contact meer wilde met jou? A: Na een aantal maanden heeft zij dit aangegeven. V: Ben je gestopt met het zoeken van contact? A: Nee. V: Waarom bleef je dan contact met haar zoeken, terwijl zij dit niet wilde? A: Ze had gelogen en ik wilde de waarheid weten. V: Heb je [aangeefster] opgebeld? A: Ja. V. Stuurde je berichten naar [aangeefster] ? A. Ja. V: Heb je nog meerdere mensen gebeld of berichten verstuurd naar mensen in de omgeving van [aangeefster] ? A: Ja. V: Heb je berichten verstuurd of gebeld naar [aangever] , de huidige vriend van [aangeefster] ? A: Ja. V: Heb je berichten verstuurd naar de ouders van [aangever] ? A: Ja. 5. het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 13 mei 2020, (…) opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie-eenheid Den Haag, (…) inhoudende: Als verklaring van de verdachte: O. In februari 2020 heb je 526 berichten gestuurd. V: Wat vind je daarvan, dat aantal berichten in een maand? A: Er waren veel berichten waarin ik haar de situatie probeerde uit te leggen. O: Naast 204 gestuurde berichten in maart, heb je haar in die maand 185 keer proberen te bellen. V: Zou je dat gemiddeld noemen? A: Nee. O: Je hebt [aangeefster] en haar omgeving met veel verschillende telefoonnummers geprobeerd te bereiken. V: Hoe kom je aan al die verschillende nummers? A: Internet, ik heb alleen nummers gebeld via Whatsapp, je kan op internet gratis nummers activeren en die heb ik daarvoor gebruikt. Ik heb haar vrijwel alleen via Whatsapp en Linked-In geprobeerd te bereiken. En Facebook ook. V: Dat jij de waarheid weet, betekent dat ook dat je geen contact meer zoekt met [aangeefster] ? A: Gister vroegen jullie of ik pizzabezorger was, dat was de laatste keer. V: Was jij dat ook? A: Nee, ik heb wel die pizza laten sturen. Ik heb die pizza gestuurd om te zien of [aangever] daar woonde.’ 7. De steller van het middel meent dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte berichten heeft gestuurd, heeft gebeld, familieleden heeft benaderd en/of pizza heeft laten bezorgen om aangevers vrees aan te jagen. Uit de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte zou juist volgen dat hij werd gedreven door een andersoortig oogmerk, te weten de intentie om de waarheid te achterhalen en de situatie uit te leggen. Het bewezenverklaarde oogmerk om vrees aan te jagen zou dan ook niet uit de gebruikte bewijsmiddelen kunnen volgen. 8. Uit ’s hofs arrest volgt dat het bewezenverklaarde wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] en [aangever] in een aantal nader omschreven gedragingen heeft bestaan en heeft plaatsgevonden met het oogmerk die [aangeefster] en [aangever] ‘te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen’. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte heeft gehandeld specifiek met het oogmerk om vrees aan te jagen berust het derhalve op een verkeerde lezing van ’s hofs arrest. 9. Van der Velde heeft een artikel aan dit oogmerkbestanddeel gewijd. Daarin wijst zij op een arrest van Uw Raad van 31 januari 2006. In die zaak was bewezenverklaard dat de verdachte het slachtoffer in een periode van ruim drie jaren had lastiggevallen met het oogmerk haar te dwingen iets te dulden. Uw Raad was van oordeel dat uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid ‘dat de verdachte het slachtoffer geen keuze heeft gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met de verdachte en deze daarmee feitelijk heeft gedwongen te dulden dat de verdachte onder meer stelselmatig contact met haar zocht en aldus inbreuk werd gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer’. Van der Velde leidt uit (onder meer) dit arrest af dat ‘met de vaststelling van de delictsgedraging doorgaans ook aan het oogmerkbestanddeel zal zijn voldaan’ (p. 345). 10. Uit de bewijsmiddelen in de onderhavige zaak blijkt dat de verdachte de beide slachtoffers gedurende een langere periode (drie maanden) heeft gedwongen te dulden dat de verdachte onder meer stelselmatig contact met hen zocht. Het hof heeft daaruit het (alternatief) bewezenverklaarde oogmerk om hen te dwingen iets te dulden kunnen afleiden. Dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk [aangeefster] en [aangever] te dwingen iets te dulden wordt in cassatie ook niet bestreden. 10. In de gewijzigde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de strafbaarstelling van belaging leidde, wordt in verband met het begrip ‘vrees’ het volgende opgemerkt: ‘Vrees Met «vrees» in de delictsomschrijving wordt een emotie bedoeld, die ieder normaal mens onder vergelijkbare omstandigheden ook zou hebben. Daarom hebben wij aangesloten bij de klassieke terminologie van de artt. 284, 285 en 317 Sr en vermelden wij in de delictsomschrijving slechts «oogmerk een ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen». In de eerste plaats behoeft hierdoor niet bewezen te worden dat het slachtoffer tengevolge van de inbreuk iets heeft gedaan of nagelaten wat hij zonder die inbreuk niet zou hebben gedaan of niet zou hebben nagelaten. Het oogmerk van de dader is gericht op zo’n doen, niet-doen, dulden of het ontstaan van zo’n emotie. Of het beoogde slachtoffer daardoor tot iets is bewogen, is strafrechtelijk niet relevant. Al maakt dat de bewijsvoering wel eenvoudiger. Strafrechtelijk voldoende is, dat in het algemeen de inbreuk geschikt en geëigend zou zijn om een bepaalde opstelling teweeg te brengen. Wij geven het volgende voorbeeld ter verduidelijking. Een uitzonderlijke kordate vrouw, die zich door haar ex-man de kaas niet van het brood laat eten, moet niet ten achter staan bij een zwakkere vrouw, die wel eerder van de kaart is. Voorts: bedreiging staat inzoverre gelijk aan vreesaanjaging, dat bedreiging eveneens aanwezig is, ook al voelt deze concrete persoon zich niet daadwerkelijk bedreigd. Dat kan bijvoorbeeld zijn oorzaak vinden in het feit dat hij of zij meer kennis heeft over de bedreiger. Hij of zij kan weten dat de belager nog geen deuk in een pakje boter kan slaan. Ieder ander, die deze kennis over de belager niet heeft, zou zich echter wel bedreigd voelen. Stel, een man belt regelmatig midden in de nacht op verschillende uren, wekenlang in successie. Hij zegt niets, maar haalt duidelijk hoorbaar adem door de telefoon en hoest zo nu en dan luid. Mevrouw A herkent hem aan zijn hoest en weet dat dit de sullige, bedlegerige overbuurman is. Zij is daarom niet bang, maar wel zwaar geïrriteerd. Mevrouw B echter kent deze man niet en meent uit de ademhaling en hoest te kunnen afleiden dat een brute geweldenaar haar lastig valt. Mevrouw B is doodsbang. Dit onderscheid in wat de gedragingen van de belager bij het slachtoffer te weeg brengt, behoort strafrechtelijk geen verschil te maken. De voorkennis van mevrouw A heeft niet tot gevolg dat dit nachtelijk gebel bij haar geen belaging is. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is dezelfde, ook al is duidelijk dat bij mevrouw A géén en bij mevrouw B wel angst wordt ingeboezemd. Vergelijk hiervoor eveneens het arrest van de HR 17 januari 1984, NJ 1984, 479 ten aanzien van de interpretatie van bedreiging. Voor bedreiging is nodig dat de bedreiging onder zodanige omstandigheden heeft plaats gevonden dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan. De dader moet kennelijk gericht zijn op het teweegbrengen van die vrees. De bedreigde moet in elk geval kennis hebben gedragen van de inhoud van de bedreiging. Daarom is in de delictsomschrijving niet het objectieve effect van de gedraging centraal gesteld, maar de intentie van de dader.’ 12. De Nota naar aanleiding van het verslag houdt voorts in: ‘’Vrees De VVD-fractie vindt dat het bestanddeel «vrees aanjagen» tot bewijsproblemen kan leiden. Deze leden achten het strafrechtelijk juist wel relevant dat het slachtoffer onder invloed van die vrees tot iets bewogen is. De leden van de D66-fractie vragen of het Openbaar Ministerie het bestanddeel «vrees aanjagen» juridisch technisch goed kan invullen. De leden van de SGP-fractie vragen of het voor een rechter moeilijk zal zijn de subjectieve bedoeling van de belager te achterhalen. Bij «vrees aanjagen» veronderstelt het werkwoord «aanjagen» een verrichting, waarbij de dader met een kwalijke opzet handelt, net zoals bijvoorbeeld bij vervalsen. De belager heeft daadwerkelijk het oogmerk om het slachtoffer bang te maken. Van iemand, die een ander onbewust of onopzettelijk doet schrikken of hindert in diens privacy-genot kan niet gezegd worden, dat hij vrees aanjaagt. De indieners achten het niet doorslaggevend dat de vrees ook daadwerkelijk bij het slachtoffer is opgewekt. Vrees is hier als het ware geobjectiveerd. Het gaat immers om het stelselmatig lastig vallen van het slachtoffer, bij dit bestanddeel om het slachtoffer vrees aan te jagen. Zou het eindresultaat – of de vrees ook daadwerkelijk bij het slachtoffer gewekt is – tot criterium worden verheven, dan zou de bewijslast van het Openbaar Ministerie bemoeilijkt worden. Een belager zou dan kunnen aanvoeren dat zijn gedragingen weliswaar het oogmerk hadden om vrees aan te jagen, maar dat het slachtoffer niet bang is geworden. Het slachtoffer zou dan weer moeten aangeven dat er wel degelijk angst is opgewekt. Een dergelijke discussie vertroebelt het strafwaardige gedrag van de belager.’ 13. De passage uit de gewijzigde memorie van toelichting wordt ook door A-G Vellinga geciteerd, in zijn conclusie voor HR 13 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8052. Daarin was ten laste van de verdachte bewezenverklaard – kort gezegd – dat hij in een periode van meer dan een jaar wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk had gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van twee personen met het oogmerk om hen vrees aan te jagen, door ‘een groot aantal malen in die periode en ook op nachtelijke tijdstippen het telefoonnummer’ van hen te bellen en nadat de telefoon was opgenomen niets te zeggen. Uit de bewijsmiddelen bleek dat via onderzoek van KPN het abonneenummer waarmee was gebeld was achterhaald. In cassatie werd geklaagd dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd was omdat uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte het oogmerk had vrees aan te jagen. A-G Vellinga meende dat het hof zonder meer uit de bewijsmiddelen had kunnen afleiden dat de stelselmatige inbreuk kennelijk gericht was op het teweegbrengen van vrees en dat die inbreuk daartoe ook geschikt was, nu bleek dat de verdachte ‘gedurende een langere periode zeer regelmatig met name ook in de nachtelijke uren het nummer van de slachtoffers belde en niets zei als er werd opgenomen’. Uw Raad deed de zaak af met art. 81 RO. 13. Een verschil tussen de zaak van 13 september 2005 en de onderhavige zaak is dat voor [aangeefster] en [aangever] duidelijk was dat de verdachte berichten stuurde en telefoontjes pleegde. En uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat het ook voor de verdachte duidelijk was dat [aangeefster] en [aangever] wisten dat hij degene was die belde. Daarin verschilt de onderhavige zaak van het voorbeeld uit de gewijzigde memorie van toelichting: de indieners lijken gedacht te hebben aan de situatie waarin de ‘sullige, bedlegerige overbuurman’ verborgen wilde houden dat hij belde maar aan zijn hoest herkend werd. Een verschil is ook dat uit de bewijsvoering duidelijk wordt dat de telefoontjes van de verdachte (in veel gevallen) niet tot contact hebben geleid: ‘De telefoontjes gingen dan 1 keer over en werden vervolgens opgehangen’ (bewijsmiddel 2). Uit de enkele omstandigheid dat zeer veelvuldig telefoontjes zijn gepleegd, kan naar het mij voorkomt nog niet worden afgeleid dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om vrees aan te jagen. Daarvoor zijn bijkomende vaststellingen vereist, zoals bedreigende mededelingen die via de telefoon gedaan worden of een onbekende beller die blijft zwijgen als de telefoon wordt opgenomen. 13. Het hof heeft het oogmerk om [aangeefster] en [aangever] vrees aan te jagen, meen ik, echter wel uit het geheel van de gedragingen van de verdachte kunnen afleiden. Uit de aangifte van [aangeefster] blijkt dat zij op 28 januari 2020 meteen nadat zij de verdachte heeft verzocht op geen enkele wijze meer contact met haar op te nemen door hem gebeld wordt. En dat hij de dagen daarop ettelijke groepchat uitnodigingen en berichten naar haar stuurt, waaronder een bericht inhoudend ‘Je bent met [aangever] , hij heeft je opgehaald ik weet dat je met hem bent’ en een bericht inhoudend ‘Klopt het dat je met [aangever] bent? Ik weet het hoor, waarom doe je dat?’ (bewijsmiddel 1). Daarbij valt de verdachte ook familie van [aangeefster] en [aangever] lastig en vrienden, en stuurt verdachte [aangeefster] op 27 april 2020 een bericht inhoudend dat hij ‘wist dat ze bij [aangever] was omdat hij hen had gezien’. Vooral uit dit ongemerkt in de gaten houden van [aangeefster] en [aangever] , in combinatie met het grote aantal berichten en telefoontjes, heeft het hof het vreesaanjagend effect van de belaging kunnen afleiden. En de verdachte moet dat vreesaanjagend effect ook hebben beseft. Daaraan doet niet af dat de verdachte als motief voor zijn gedragingen opgeeft dat [aangeefster] had gelogen en dat hij de waarheid wilde weten. Mede in aanmerking genomen dat in hoger beroep niet specifiek is aangevoerd dat het oogmerk om vrees aan te jagen niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid (dat wordt in cassatie ook niet gesteld) meen ik voorts dat het hof niet gehouden was de bewezenverklaring op dit punt nader te motiveren. 13. Voor het geval Uw Raad van oordeel zou zijn dat het oogmerk om vrees aan te jagen niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid merk ik nog het volgende op. Uw Raad heeft eerder overwogen dat in gevallen waarin de bewezenverklaring onderscheiden alternatieven openlaat, elk van die alternatieven door bewijsmiddelen zal dienen te worden geschraagd. Uw Raad heeft nadien in het overzichtsarrest betreffende art. 80a RO evenwel overwogen dat cassatie achterwege kan blijven indien niet-wezenlijke onderdelen van de bewezenverklaring niet worden geschraagd door de bewijsvoering. Nu het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om [aangeefster] en [aangever] te dwingen iets te dulden kan cassatie in dat licht ook als het oogmerk om vrees aan te jagen niet uit de bewijsvoering zou volgen achterwege blijven. 17. Het middel faalt. Bespreking van het tweede middel 18. Het tweede middel bevat de klacht dat de beslissing van het hof tot (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen voor wat betreft immateriële schade, de onderbouwde betwisting van die vorderingen namens de verdachte mede in aanmerking genomen, ontoereikend is gemotiveerd. 18. Voordat ik het middel bespreek, geef ik enkele passages uit het ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van [aangeefster] , passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg die op het verzoek tot schadevergoeding van [aangever] zien, een passage uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, passages uit de in hoger beroep door de verdediging overlegde pleitnota alsmede ’s hofs overwegingen inzake de strafoplegging en het (gedeeltelijk) toewijzen van vergoeding wegens geleden immateriële schade weer. 18. Bij de stukken van het geding bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ dat op 15 juli 2020 is ondertekend en als slachtoffer [aangeefster] vermeldt, geboortedatum [geboortedatum] 1999. Onder het kopje ‘Strafbaar feit’ staat ‘belaging’, met als pleegperiode 01 december 2019 t/m 12 mei 2020 en als plaats strafbaar feit ’s-Gravenhage. Onder het kopje ‘Immateriële schade (smartengeld)’ is als bedrag € 1.175,00 vermeld; voor ‘een uitgebreide omschrijving van de gevolgen’ wordt verwezen naar het schade-onderbouwingsformulier dat als bijlage 1 is bijgevoegd. Dit formulier houdt onder meer het volgende in: ‘Korte situatieschets Over een periode van 6 maanden is benadeelde belaagd door verdachte, haar ex-vriend. (…) Psychische gevolgen Benadeelde heeft de periode waarin ze door verdachte belaagd werd als zeer zwaar ervaren. Omdat verdachte liet blijken dat hij wist waar benadeelde was of waar ze naartoe was geweest, was ze altijd en overal heel alert en op haar hoede. Ze durfde niet naar buiten en als ze ergens naartoe ging zorgde ze dat er altijd iemand met haar mee ging. Ook heeft ze de plekken vermeden waarvan ze weet dat verdachte daar ook komt. Ze is ruim drie maanden lang niet in [plaats] geweest uit angst om verdachte ergens tegen het lijf te lopen. Niet alleen buitenshuis, ook als ze thuis was dan was benadeelde constant op haar hoede. Als er iemand aanbelde dan keek ze altijd eerst goed wie er voor de deur stond voordat ze open deed. Als ze degene die aangebeld had niet kende of als ze het niet vertrouwde dan deed ze niet open. De belaging heeft benadeelde ruim een half jaar dag en nacht bezig gehouden. Dat kwam niet alleen doordat verdachte haar vrijwel dagelijks lastig viel, ook ’s avonds laat en ’s nachts, maar ook omdat ze niet wist wanneer het zou stoppen. Vooral als ze in bed lag dan piekerde ze veel over hoe het verder moest. Als ze eenmaal sliep dan was het heel licht. Bij ieder geluidje dat ze hoorde schrok ze wakker en dacht ze dat verdachte voor de deur stond. Benadeelde heeft geprobeerd door met het nemen van een nieuw telefoonnummer te ontsnappen aan verdachte, maar tot tweemaal toe wist hij achter het nieuwe nummer te komen. Ook wist hij snel achter het nieuwe adres te komen waar benadeelde naartoe verhuisd was. Het was voor benadeelde een eng idee dat verdachte haar keer op keer weer wist te vinden. De constante dreiging zorgde bij benadeelde voor veel stress. Ze huilde veel en ze had last van paniekaanvallen. Ze voelde zich nergens veilig voor verdachte. Benadeelde is speciaal voor verdachte naar Nederland gekomen. Als ze had geweten dat hij hun relatie zo zou eindigen dan was ze nooit met hem mee gegaan. Ze heeft er geen spijt van want ze heeft nu een leuke vriend die ze anders nooit had leren kennen, maar soms wil ze alles gewoon opgeven en terug gaan naar Venezuela. Ze weet nog niet of ze mag blijven en hier kan gaan werken en leren. De stress die ze ervaart doordat verdachte haar belaagt kan ze er niet bij hebben. Ze heeft al genoeg andere problemen aan haar hoofd. Sinds ze aangifte heeft gedaan gaat het iets beter met benadeelde. Ze is opgelucht dat verdachte haar niet meer direct lastig valt. Ze maakt zich wel zorgen voor na de rechtszitting. Ze vreest dat hij zich nu tijdelijk rustig houdt en dat hij na 24 juli weer gewoon verder gaat. Omdat ze bang is dat verdachte na de rechtszitting haar en haar nieuwe vriend weer lastig gaat vallen, wil ze graag dat de rechter een contact- en locatieverbod oplegt. Misschien dat een dergelijk verbod hem eindelijk doet beseffen dat hij benadeelde en haar vriend met rust moet laten. Benadeelde is verder gegaan met haar leven en dat zou verdachte ook moeten doen. (…) Wettelijke grondslag immateriële schadevergoeding Benadeelde maakt aanspraak op vergoeding van de geleden immateriële schade, omdat in artikel 6:106 sub a BW wordt gesproken over ‘het oogmerk zodanig nadeel toebrengen’. Hieraan wordt voldaan, omdat (zoals omschreven staat in artikel 285b Sr.) verdachte het oogmerk om benadeelde te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen.’ 21. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg op 24 juli 2020 houdt inzake de vordering tot schadevergoeding van [aangever] het volgende in: ‘Voorts is ter terechtzitting verschenen een persoon genaamd [aangever] . Hij verklaart dat hij zich in dit geding ook te hebben gevoegd als benadeelde partij. De politierechter deelt mede dat hij niet een vordering van benadeelde partij [aangever] hebben ontvangen. De officier van justitie en de raadsman delen desgevraagd mede dat zij ook niet een vordering van de benadeelde partij [aangever] hebben ontvangen. De officier van justitie draagt de zaak voor. (…) Nu de politierechter de vordering van de benadeelde partij [aangever] niet heeft ontvangen, stelt hij de benadeelde partij in de gelegenheid zijn vordering mondeling ter zitting in te dienen. De benadeelde partij [aangever] verklaart daartoe: ik heb de afgelopen maanden veel stress gehad. Ik ben door 100 verschillende telefoonnummers gebeld, ook anoniem ‘s nachts. Ik heb slecht geslapen en was te laat op mijn werk hierdoor, waardoor ik ook op mijn werk weer in moeilijkheden kwam. Als iemand nu aanbelt krijg ik gelijk stress omdat ik niet weet wie dat is. U vraagt mij of ik met [aangeefster] samenwoonde. Nee, maar ze was veel bij mij. Zelfs als wij op [plaats] waren wist [verdachte] dat, en dat breekt je echt op.’ 22. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 22 april 2021 houdt onder meer het volgende in: ‘Als benadeelde partij is [aangever] verschenen. (…) De benadeelde partij [aangever] geeft te kennen dat hij de vordering benadeelde partij in hoger beroep wenst te handhaven en merkt op: De benadeelde partij [aangeefster] heeft in eerste aanleg tevens een slachtofferverklaring afgelegd. Daar sluit ik me bij aan. De vorderingen worden in hoger beroep gehandhaafd. [aangeefster] was van plan vandaag ook ter terechtzitting te verschijnen. Zij is echter vertraagd. (…) De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities.’ 23. De pleitnota die ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman is overgelegd, houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten): ‘VORDERING BENADEELDE PARTIJ [aangeefster] (…) 28. Ook de gevorderde immateriële schade behoeft betoog. Namens benadeelde is gesteld dat zij op grond van artikel 6:106 sub a BW aanspraak zou maken op vergoeding van immateriële schade. De verdediging betwist dit. De lat van de Hoge Raad ligt aanzienlijk hoger dan wordt gesteld door Slachtofferhulp Nederland. Toewijzing van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub a BW is slechts aan de orde wanneer sprake is van een oogmerk, specifiek gericht op het toebrengen van emotionele schade. Een enkele bewezenverklaring is hiervoor onvoldoende, zeker met een intentie zoals in deze zaak aannemelijk. Uit het dossier zou expliciet moeten volgen dat er sprake was van voornoemd oogmerk. In de wetsgeschiedenis is deze grond voor schadevergoeding tevens een beperkt bereik toegedacht, namelijk die gevallen waarin het oogmerk was gericht op het emotioneel schokken van de benadeelde. Dit laatste blijkt allerminst uit dit dossier. Dat een belaging angst en stress met zich meebrengt vormt geen aanleiding voor het aannemen van een oogmerk gericht op het toebrengen van immaterieel nadeel. De verdediging verwijst in dit verband ook naar de bijdrage van mr. Felix en mr. Schild in het Nederlands Juristenblad van 24 maart 2020. Zij betogen op goede gronden dat het niet voor de hand ligt dat de Hoge Raad zich bevestigend zal uitlaten over de vraag of de enkele bewezenverklaring van belaging voldoende is om zulk oogmerk aan te nemen. 29. Voorts merkt de verdediging op dat benadeelde evenmin in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b, nu namens benadeelde onvoldoende is onderbouwd dat benadeelde in eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. 30. Primair verzoekt de verdediging derhalve de vordering in zoverre af te wijzen. 31. Subsidiair verzoek ik u de schadevergoeding te matigen. In de namens benadeelde aangehaalde uitspraak is tevens sprake van berichten van dreigende aard en heeft de verdachte ook aan de deur gestaan bij benadeelde. Daarvan is in dit geval geen sprake. Voorts kan in beperkte mate van een eigen rol van aangeefster bij de feiten worden gesproken. VORDERING BENADEELDE PARTIJ [aangever] 32. Door [aangever] is blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg mondeling ter terechtzitting ingediend. De verdediging beschikt ook nu nog niet over een schriftelijke vordering met onderbouwing van de gestelde schade. Navraag bij het Gerechtshof leerde dat het Hof ook niet over een schriftelijke vordering zou beschikken. 33. Mocht de vordering van [aangever] aan de orde zijn, dan verzoekt de verdediging u primair deze vordering af te wijzen op dezelfde gronden als de vordering van [aangeefster] (bovendien: feiten jegens [aangever] aanzienlijk minder ingrijpend, geen bewijs van emotionele schade). Subsidiair: meer matigen dan vordering [aangeefster] .’ 24. Het hof heeft in het bestreden arrest inzake de strafoplegging en de vorderingen van de benadeelde partijen het volgende overwogen: ‘Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer vier maanden zijn ex-partner en haar nieuwe vriend stelselmatig lastiggevallen door hen op verschillende manieren en veelvuldig te benaderen. Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring van de aangeefster is komen vast te staan dat de aangeefster dit handelen als zeer bedreigend en beangstigend heeft ervaren en dat het gedrag van de verdachte een grote impact op haar leven heeft gehad. Ook haar nieuwe vriend verklaart in zijn aangifte dat zij zich hierdoor niet meer veilig voelden en temeer doordat zij niet weten waartoe de verdachte in staat is. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 april 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Vordering tot schadevergoeding [aangeefster] In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële (€ 388,--) en immateriële schade (€ 1.175,--) als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een totaalbedrag van € 1.563,--. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 1.563,--. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 388,-- aan materiële schade en een bedrag van € 700,-- aan immateriële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. (…) Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 500, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 525,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] . Vordering tot schadevergoeding [aangever] In het onderhavige strafproces heeft [aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.000,--. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 1.000,--. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van 700,-- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte betwist. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 500,-- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 500,-- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever] .’ 25. De steller van het middel voert aan dat ondanks dat de vorderingen van de benadeelde partijen met betrekking tot de beweerdelijk geleden immateriële schade namens de verdachte gemotiveerd zijn betwist, het hof zijn beslissing dat beide vorderingen (deels) voor toewijzing vatbaar zijn – ten onrechte – niet heeft voorzien van enige onderbouwing. Ook de kennelijke beslissing dat voor de benadeelde partij [aangeefster] en voor de benadeelde partij [aangever] exact hetzelfde heeft te gelden zou niet van enige uitleg zijn voorzien. Het hof zou evenmin hebben overwogen of het recht op immateriële schade is gestoeld op het bepaalde in art. 6:106 sub a BW of art. 6:106 sub b BW. Reeds om deze redenen zou de beslissing van het hof om de vorderingen benadeelde partij op dit punt voor toewijzing vatbaar te achten ontoereikend zijn gemotiveerd. Voor zover het hof in art. 6:106 sub a BW de basis voor toewijzing heeft gezien, zou gelden dat de bewezenverklaring en bewijsvoering de gevolgtrekking dat de verdachte het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen niet kunnen dragen 25. Art. 6:106 BW luidt, voor zover van belang, als volgt: ‘Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen; b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;’ 27. Anders dan de steller van het middel meen ik dat de enkele omstandigheid dat het hof niet expliciet heeft aangegeven op welke in art. 6:106 BW vermelde grond het de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd niet tot cassatie noopt. Waar het om gaat, is of uit ’s hofs vaststellingen en overwegingen in toereikende mate volgt dat het de toewijzing op één van de in art. 6:106 BW genoemde gronden heeft kunnen baseren. 28. In het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij verwijst Uw Raad bij het in art. 6:106 onder a BW genoemde oogmerk naar een arrest van 26 oktober 2001, waarin ‘de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen’. In dat arrest overwoog de civiele kamer van Uw Raad dat deze bepaling er blijkens de geschiedenis van haar totstandkoming in het bijzonder toe strekt ‘het geschokte rechtsgevoel te bevredigen. Daarbij is bijvoorbeeld gedacht aan het beschadigen of vernielen van een zaak met het oogmerk daarmee immateriële schade toe te brengen’. 29. De begrenzingen van deze grond voor schadevergoeding waren aan de orde in een zaak die aan de strafkamer van Uw Raad werd voorgelegd. Daarin waren twee pogingen tot zware mishandeling bewezenverklaard, die daarin bestonden dat de verdachte (onder 1) had getracht de dienstauto van twee verbalisanten aan te rijden en (onder 2) met een personenauto met aanmerkelijke snelheid tegen de dienstauto waarin twee verbalisanten zaten was gereden of gebotst. Het hof was van oordeel dat de verdachte ‘door opzettelijk een situatie te scheppen waarin de benadeelde partijen ernstig dienden te vrezen voor hun gezondheid (…) met het vereiste oogmerk, als bedoeld in art. 6:106 lid 1 aanhef en sub a BW’ had gehandeld. Uw Raad overwoog dat de enkele door het hof in aanmerking genomen omstandigheid ‘dat de verdachte opzettelijk een situatie heeft geschapen waardoor ander nadeel dan vermogensschade is toegebracht’ de gevolgtrekking dat de verdachte het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen niet kon dragen. En de vaststelling dat de verdachte opzettelijk een dienstauto had aangereden en op een andere dienstauto was ingereden volstond evenmin om dit oogmerk aan te nemen. 30. Uit (de wetsgeschiedenis
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.