PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/03296 Zitting 11 februari 2022 CONCLUSIE R.H. de Bock In de zaak [Werknemer] (hierna: Werknemer)advocaat: J.C. Zevenberg tegen ESD-SIC B.V.(hierna: ESD)advocaat: N.T. Dempsey 1Inleiding en samenvatting 1.1 Deze zaak gaat over een slapend dienstverband, zoals bedoeld in de Xella-uitspraak van de Hoge Raad van 8 november
(2019)4,5 keer zo hoog zijn als in een normaal jaar.” 7.16 Daarnaast bleek uit de uitvoeringstoets van het UWV dat het niet mogelijk was de compensatieregeling reeds per 1 januari 2018 in werking te laten treden. Gelet op de terugwerkende kracht is dat geen probleem, aldus de memorie van toelichting: “Op zichzelf is dat geen probleem nu de compensatie ook kan worden toegekend voor vergoedingen die voor de inwerkingtreding van de onderhavige wetswijziging zijn verstrekt. UWV acht op dit moment een inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2019 haalbaar.” 7.17 Tot slot wordt ook op de terugwerkende kracht ingegaan in de artikelsgewijze toelichting op het voorgestelde art. VI: “In het tweede lid wordt geregeld dat de compensatieregeling ook geldt, als het een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op of na 1 juli 2015 bij langdurige arbeidsongeschiktheid betreft, uit hoofde waarvan een transitievergoeding verschuldigd was (en betaald is), of zou zijn geweest indien de arbeidsovereenkomst in plaats van met wederzijds goedvinden, door opzegging of ontbinding zou zijn beëindigd.” 7.18 De Raad van State heeft zich in zijn advies kritisch uitgelaten over het wetsvoorstel, met name omdat niet is gekozen voor het wegnemen van de oorzaak van het probleem (namelijk de cumulatie van financiële verplichtingen bij ziekte). De Raad van State besteedt geen afzonderlijke aandacht aan de terugwerkende kracht van de compensatieregeling, die zij als volgt heeft opgevat: “De gevolgen van het invoeren van de transitievergoeding voor langdurig arbeidsongeschikte werknemers worden door het voorstel en de terugwerkende kracht die daaraan wordt verleend in zoverre teruggedraaid dat werkgevers niet individueel de kosten van een dergelijke vergoeding behoeven te dragen.” 7.19 Naar aanleiding van vragen van de vaste commissie voor SZW wordt de terugwerkende kracht in de nota naar aanleiding van het verslag als volgt nader toegelicht: “Het onderhavige wetsvoorstel maakt het mogelijk om de compensatie ook aan te vragen als de transitievergoeding voor de inwerkingtreding van de compensatieregeling is verstrekt. De compensatieregeling is ook van toepassing als de arbeidsovereenkomst is beëindigd of niet is voortgezet op of na 1 juli 2015. Aldus wordt de werkgever, die na dat tijdstip maar voor de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel langdurig arbeidsongeschikte werknemers heeft ontslagen en een transitievergoeding heeft betaald, niet benadeeld. Daarnaast zorgt deze compensatiemogelijkheid voor oude gevallen ervoor dat er geen prikkel ontstaat om langdurig arbeidsongeschikte werknemers in dienst te houden in slapende arbeidsovereenkomsten.” 7.20 In een brief van de Minister van SZW van 15 december 2017 in het kader van het arbeidsmarktbeleid schrijft de minister dat er aanleiding is om het wetsvoorstel voor de compensatieregeling sneller op te pakken. Daarbij wordt opgemerkt: “Deze compensatie geldt voor transitievergoedingen die vanaf 1 juli 2015 (de datum waarop de transitievergoeding is geïntroduceerd) zijn betaald. Ik vind het van belang om zo snel mogelijk een einde te maken aan de onzekerheid over deze maatregel voor werkgevers én werknemers, en daarmee aan de praktijk van slapende dienstverbanden.” 7.21 In de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer is de terugwerkende kracht niet aan bod gekomen. De vaste commissie voor SZW heeft geen opmerkingen over de WCT gemaakt, zodat het wetsvoorstel op 10 juli 2018 als hamerstuk behandeld kon worden. 7.22 Op 20 juli 2018 is de compensatieregeling in het Staatsblad gepubliceerd, inclusief de terugwerkende kracht (conform het voorgestelde art. VI lid 2). 7.23 Op 26 februari 2019 is het inwerkingtredingsbesluit van de WCT in het Staatsblad gepubliceerd, met inwerkingtredingsdatum 1 april 2020. 7.24 De Regeling compensatie transitievergoeding is eveneens op 26 februari 2019 gepubliceerd, in de Staatscourant. Art. 3 van deze ministeriële regeling is gewijd aan de terugwerkende kracht van de regeling: Artikel 3. Afwijkende termijnen oude gevallen 1. Artikel 2, onderdeel b, is niet van toepassing, indien de aanvraag voor 1 oktober 2020 is ingediend en de volledige vergoeding in verband met het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst voor 1 april 2020 aan de werknemer is verstrekt. 2. Het UWV beslist binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. 3. Dit artikel vervalt met ingang van 1 april 2022. 7.25 In de toelichting op deze regeling is hierover opgenomen: “De aanvraag voor compensatie kan zien op vergoedingen die door de werkgever worden verstrekt op of na 1 april 2020 (hierna: structurele situatie), maar ook op vergoedingen die daarvoor (tussen 1 juli 2015 en 1 april 2020) zijn verstrekt (hierna: oude gevallen). (…) Er is voor gekozen om voor oude gevallen te regelen dat een aanvraag uiterlijk binnen zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding moet worden ingediend. Daarmee wordt voorkomen dat er verschil ontstaat tussen werkgevers die vlak voor en werkgevers die vlak na het tijdstip van inwerkingtreding een (transitie)vergoeding betalen bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst om voornoemde reden.” En in een volgende passage in de toelichting: “Voor aanvragen die oude gevallen betreffen, is het niet haalbaar om binnen de hiervoor genoemde termijn te beslissen aangezien er naar verwachting gedurende de eerste zes maanden na inwerkingtreding van deze regeling een groot aantal aanvragen wordt ingediend. Daarom is bepaald dat UWV voor deze oude gevallen binnen zes maanden na ontvangst op de aanvraag moet beslissen.” En, in de artikelsgewijze toelichting: “Artikel 3 Eerste lid Ook werkgevers die een vergoeding wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan een langdurig zieke werknemer hebben betaald voor het tijdstip van inwerkingtreding kunnen in aanmerking komen voor compensatie. Deze werkgevers krijgen vanaf de inwerkingtreding van artikel 7:673e BW zes maanden de tijd om de compensatie aan te vragen. De aanvraag dient voor 1 oktober 2020 te worden ingediend. Aanvragen die te laat worden gedaan, worden afgewezen. Tweede lid De aanvragen voor compensatie voor vergoedingen, die voor inwerkingtreding van de compensatieregeling zijn verstrekt (de oude gevallen), komen allemaal in de eerste zes maanden na inwerkingtreding van de regeling binnen bij het UWV. Daarom is voor deze gevallen een langere beslistermijn opgenomen. Het UWV beslist binnen zes maanden op deze aanvragen. Derde lid Dit artikel kan na twee jaar vervallen, omdat alle oude gevallen dan afgehandeld zijn.” 7.26 Het komt er dus op neer dat werkgevers onder de compensatieregeling de mogelijkheid hebben gekregen om tot 1 oktober 2020 een verzoek in te dienen voor compensatie van beëindigingsvergoedingen die vanaf het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wwz, 1 juli 2015, aan langdurig arbeidsongeschikte werknemers zijn betaald. 7.27 Tot slot is nog op te merken dat de compensatieregeling is gewijzigd met art. VIIIa van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB). Na deze wijziging luidt het tweede lid van de overgangsbepaling, art. VII van Wet compensatie transitievergoeding, op dit moment als volgt (de WAB-toevoeging heb ik gecursiveerd): 2. Artikel 673e van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is ook van toepassing, indien de arbeidsovereenkomst is beëindigd of niet is voortgezet op of na 1 juli 2015 vanwege een omstandigheid als bedoeld in artikel 673e, eerste lid, onderdeel a, onder 1 of 2, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. 7.28 Deze toevoeging is in de WAB opgenomen bij nota van wijziging. Daaruit blijkt dat de reden voor de wijziging erin is gelegen dat met de WAB ook een compensatieregeling bij betaling van de transitievergoeding in geval van bedrijfsbeëindiging wegens ziekte of pensionering van de werkgever wordt geïntroduceerd, en dat niet beoogd is om ook aan díe regeling terugwerkende kracht te verlenen. De terugwerkende kracht van de compensatieregeling bij langdurige arbeidsongeschiktheid is tijdens de parlementaire behandeling van de WAB voor het overige niet ter sprake gekomen. 7.29 Uit het feit dat aan de compensatieregeling bij langdurige arbeidsongeschiktheid terugwerkende kracht is toegekend tot 1 juli 2015, blijkt dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat de door hem gewenste norm, beëindiging van slapende dienstverbanden onder toekenning van de transitievergoeding, terugwerkt tot aan het moment van de invoering van het Wwz-ontslagrecht. De compensatieregeling is immers in het leven geroepen om dat mogelijk te maken zonder te veel ‘pijn’ voor de individuele werkgever. Dat uit de passage in de memorie van toelichting dat de terugwerkende kracht nodig is ‘om verschillen tussen werkgevers die voor en na inwerkintreding van de maatregel tot ontslag overgaan, te voorkomen’ (zie onder 7.13), niet kan worden afgeleid dat beoogd is ‘met terugwerkende kracht op werkgevers een beëindigingsverplichting te leggen, als gevolg waarvan zij tegenover werknemers met een slapend gehouden dienstverband schadeplichtig zouden zijn’ (zoals het hof overweegt in rov. 7.8 van de in cassatie voorliggende uitspraak), kan ik dan ook niet volgen. 7.30 De door de wetgever wenselijk geachte norm is dat, indien de werknemer dat wenst, slapende dienstverbanden worden beëindigd onder betaling van de transitievergoeding; de realisatie van die norm is mogelijk gemaakt door de invoering van de compensatieregeling. Om rechtsongelijkheid te voorkomen is het bovendien mogelijk gemaakt dat ook reeds vóór de invoering van de compensatieregeling betaalde beëindigingsvergoedingen worden gecompenseerd, waarmee óók wordt voorkomen wordt dat er rechtsongelijkheid ontstaat tussen werknemers die voor of na de invoering van de compensatieregeling om beëindiging van hun slapende dienstverband hebben verzocht. 7.31 Het voorgaande laat zich als volgt kort samenvatten. Met de invoering van de compensatieregeling heeft de wetgever beoogd om een einde te maken aan slapende dienstverbanden. De compensatieregeling neemt de financiële drempel voor werkgevers weg om de transitievergoeding te betalen en tot beëindiging van het slapende dienstverband over te gaan. Beoogd is om dit ook mogelijk te maken voor reeds slapende dienstverbanden, vandaar de terugwerkende kracht tot aan de invoering van de transitievergoeding per 1 juli 2015. 8De temporele werking van rechterlijke uitspraken 8.1 De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is vanaf welk moment de specifieke norm van goed werkgeverschap geldt die de Hoge Raad in de Xella-uitspraak heeft geformuleerd. 8.2 Deze vraag is een afgeleide van de algemene vraag naar de temporele werking van rechterlijke uitspraken. Dit is een tamelijk complexe vraag, die ik hier beknopt zal behandelen. 8.3 In de literatuur bestaat overeenstemming dat de temporele werking van rechterlijke uitspraken niet steeds de aandacht krijgt die zij verdient. Slechts bij uitzondering besteedt de Hoge Raad in zijn uitspraken aandacht aan de vraag wat de temporele werking van de daarin gegeven jurisprudentiële rechtsregel is. In de woorden van Vranken: “Eveneens passend bij deze openheid zou zijn indien hij [de Hoge Raad, A-G] van iedere verandering van rechtspraak meteen ook de overgangsrechtelijke gevolgen zou bepalen. Dat gebeurt echter niet, althans niet consequent. Ook in andere gevallen van rechterlijke rechtsvorming [dan ‘omgaan’, A-G] wordt het overgangsrecht vaak stiefmoederlijk bedeeld. Ik noem als voorbeeld de tamelijk geruisloze aanscherping van aansprakelijkheden die zich het laatste decennium in de rechtspraak heeft voltrokken. De meeste verzekeringsovereenkomsten zijn hierop niet afgesteld. Moet de verzekeraar dan toch uitkeren of draagt de verzekerde het nadeel? Er is grote behoefte aan duidelijkheid op dit terrein, liefst in de vorm van een algemeen deel van rechterlijk overgangsrecht.” 8.4 Volgens Polak heeft de rechter de verplichting om in elke zaak waarin tot een ingrijpende wijziging van de jurisprudentie komt, in haar uitspraak een overweging te wijden aan de temporele werking daarvan. 8.5 Verstraelen, die in 2015 in Antwerpen op het onderwerp promoveerde, is van mening dat het beoordelen van de temporele werking inherent is aan de rechtsprekende taak. Telkens wanneer de rechter haar rechtspraak wijzigt (door een nieuwe norm te formuleren, of door ‘om te gaan’), dient zij zich bewust te zijn van de gevolgen van deze ommekeer. Wanneer de rechter een uitspraak doet waarin een nieuwe jurisprudentiële norm wordt gesteld, zal zij dan ook steeds twee stappen moeten zetten. De eerste stap is het beantwoorden van de inhoudelijke rechtsvraag. De tweede stap is het nemen van een beslissing over de temporele werking van de uitspraak. Deze tweeledige redenering leidt ertoe, zo stelt Verstraelen, dat de rechter meer open en vrij is in de eerste stap. Bij de tweede stap kan de rechter, met oog voor de consequenties voor de rechtspraktijk, de temporele werking ‘moduleren’, dat wil zeggen een beslissing nemen over de werking in de tijd van de nieuwe jurisprudentiële norm die het beste past in de voorliggende kwestie. 8.6 Er zijn drie manieren waarop een rechterlijke uitspraak temporele werking kan hebben. Onderscheid valt te maken tussen (
- i)terugwerkende kracht, al dan niet tot op zekere hoogte, (
- ii)onmiddellijke werking, en (iii) uitgestelde werking. 8.7 In de eerste plaats kan een rechterlijke uitspraak dus terugwerkende kracht hebben. Dat is het geval wanneer de uitspraak toegepast wordt op, en dus rechtsgevolgen verbindt aan, rechtsfeiten en rechtshandelingen die ontstaan zijn vóór de datum waarop de rechterlijke uitspraak gezag van gewijsde krijgt (anterieure feiten). De terugwerkende kracht kan onbeperkt zijn, of zijn beperkt tot een specifiek bepaald moment in het verleden. 8.8 Hoewel terugwerkende kracht bij wetgeving met argusogen wordt bekeken, zo schrijft Verstraelen, lijkt dit bij rechterlijke uitspraken anders te zijn. Daar is de terugwerkende kracht vaak uitgangspunt, in die zin dat de hoofdregel lijkt te zijn dat de inhoud van de rechterlijke uitspraak ‘altijd al gold’ en dus ook werking heeft ten aanzien van anterieure feiten. Bovendien geldt de terugwerkende kracht sowieso voor de concrete zaak die bij de rechter voorligt, en waarvan de feiten zich bijna per definitie al (veel) eerder hebben voorgedaan. Vergelijk voor dat laatste bijvoorbeeld wat Hartlief schreef in een beschouwing over rechtsvorming door de Hoge Raad op het gebied van werkgeversaansprakelijkheid: “De Hoge Raad heeft 'goed werkgeverschap' aangegrepen voor een uiterst belangrijke rechtsontwikkeling. Hoewel deze notie op dit vlak ook een functie heeft, zij is immers, net als haar grondnorm (redelijkheid en billijkheid), nadrukkelijk ook bedoeld als bron voor rechtsvorming, doet de jongste rechtspraak ook vragen rijzen over de rechtsvormende taak van de Hoge Raad en zijn verhouding tot de wetgever. Uiteindelijk is natuurlijk spectaculair dat de Hoge Raad een verzekeringsplicht invoert. Hij rept daar voor het eerst over in zijn arresten van 1 februari 2008 en zijn bewoordingen ('in het verlengde' van eerdere arresten) suggereren ook dat hij op dat moment (zij het voortbouwend op eerdere rechtspraak) met iets nieuws komt, maar we weten dat de impact veel groter is. Gelet op de ongevalsdata in de diverse procedures moeten we aannemen dat (enige) verzekeringsplicht al in de jaren '90 van de vorige eeuw realiteit was, zij het voor werkgevers een papieren werkelijkheid. Zij wisten het destijds niet, horen het nu pas van de Hoge Raad. Deze consequenties voor het verleden dienen serieus te worden genomen.” 8.9 In het uitgangspunt van terugwerkende kracht is de zogenoemde declaratoire visie op rechtspraak te zien, namelijk de gedachte dat de rechter niet méér doet dan verklaren hoe het recht altijd al was en begrepen had moeten worden. De uitspraak van de rechter brengt dus geen verandering in het recht teweeg. 8.10 Volgens Ancery is terugwerkende kracht van rechterlijke uitspraken de hoofdregel. Als de rechter dus geen bijzondere temporele beperking aanbrengt, strekt de werking van een uitspraak zich ook uit tot rechtsfeiten die zich hebben voorgedaan voorafgaand aan het moment van het wijzen van de uitspraak, al wordt de uitspraak pas toegepast vanaf het moment van het wijzen. 8.11 Ook Haazen schrijft in zijn proefschrift over rechterlijk overgangsrecht dat terugwerkende kracht in de rechtspraak van de Hoge Raad de hoofdregel is (al is die rechtspraak volgens hem niet consistent). Haazen noemt dit de default-positie van de terugwerkende kracht. Als de Hoge Raad nalaat de terugwerkende kracht van een uitspraak te beperken, betekent dat volgens Haazen echter niet per se dat terugwerkende kracht wordt verordonneerd. Het is ook mogelijk dat de mogelijkheid wordt opengehouden om op basis van de reacties in de literatuur, de inmiddels in het rechtsleven ervaren consequenties en specifieke, op de temporele werking en de stand van de maatschappelijke opvattingen gerichte betogen van advocaten in latere procedures, een onderbouwd oordeel te geven over de temporele werking van de uitspraak. 8.12 In de tweede plaats kan een rechterlijke uitspraak onmiddellijke werking hebben. Een rechterlijke uitspraak heeft onmiddellijke werking wanneer de uitspraak toegepast wordt op, en dus rechtsgevolgen verbindt aan, rechtsfeiten en rechtshandelingen die ontstaan ná de datum waarop de rechterlijke uitspraak gezag van gewijsde krijgt (zogenoemde posterieure feiten). 8.13 Volgens Vranken zou in beginsel van de onmiddellijke werking van rechterlijke uitspraken moeten worden uitgegaan. Daarmee zou worden aangesloten bij het wettelijk overgangsrecht en dat heeft volgens hem de voorkeur. De opvatting dat rechterlijke uitspraken altijd terugwerkende kracht hebben omdat ze het recht weergeven zoals het 'since time immemorial' gegolden heeft, is met de erkenning van de rechtsvormende taak van de rechterlijke macht onhoudbaar geworden, zo stelt Vranken. 8.14 In de derde plaats kan een rechterlijke uitspraak uitgestelde werking hebben, namelijk wanneer de uitspraak toegepast wordt op, en dus rechtsgevolgen verbindt, aan rechtsfeiten en rechtshandelingen die zich voordoen na verloop van een termijn die door de rechter wordt bepaald. 8.15 Tegen deze achtergrond is het van belang dat de rechter beoordeelt welke temporele werking aan haar uitspraak moet worden gegeven. Als de rechter daarover een beslissing moet nemen – zoals zij dus steeds zou moeten doen als sprake is van een nieuwe jurisprudentiële beslissing, in de opvatting van Verstraelen –, doet zich een spanningsveld voor tussen enerzijds de rechtszekerheid en anderzijds het legaliteitsbeginsel. Bij het verlenen van terugwerkende kracht krijgt het legaliteitsbeginsel voorrang; het ‘beste’ recht wordt toegepast op een eerder ontstane situatie, een oudere (onwettige) norm wordt uit de rechtsorde verwijderd, alsof deze nooit heeft bestaan. Bij onmiddellijke of uitgestelde werking krijgt daarentegen het rechtszekerheidsbeginsel voorrang: de burger kon geen rekening houden met de nieuwe norm en hoeft dus niet geconfronteerd te worden met de gevolgen van de nieuwe rechtsnorm. De nieuwe norm heeft dus geen gevolg voor oude rechtsfeiten. Als voorbeeld van een situatie waarin toepassing van een nieuwe norm op oude rechtsfeiten niet op zijn plaats is, noemt Verstraelen de wijziging van maatschappelijke opvattingen, die ertoe leidt dat een bepaalde situatie als strijdig met de grondwet wordt bevonden. In dergelijke situatie kan het opportuun zijn om de terugwerkende kracht te beperken tot een tijdstip tussen de inwerkingtreding van de norm en de datum van de uitspraak. 8.16 Om te bepalen hoe de balans tussen enerzijds het belang van rechtszekerheid en anderzijds het belang van het legaliteitsbeginsel in een concreet geval moet uitvallen, moet de rechter een afweging maken aan de hand van alle relevante aspecten van het geval. De enkele verwijzing naar ‘de rechtszekerheid’ vormt daarbij geen afdoende motivering, omdat aspecten van rechtszekerheid altíjd in het geding zijn. De rechter zal een inhoudelijke motivering moeten geven voor de gemaakte keuze, aan de hand van een afweging van de relevante omstandigheden van het geval. Als gezichtspunten die daarbij mogelijk relevant kunnen zijn noemt Verstraelen: de bescherming van legitieme verwachtingen, de voorzienbaarheid van de beslissing, de goede trouw, de (buitensporige) administratieve, financiële en budgettaire gevolgen, de gevolgen voor derden en de maatschappelijke impact, de doelstelling van de jurisprudentiële norm, de continuïteit van het beleid, het vermijden van lacunes in de rechtsorde, de vraag of wetgevend optreden is vereist, het voorkomen van de noodzaak tot later ingrijpen door de wetgever, de aard van het rechtsgebied, de betrokkenheid van fundamentele rechten en vrijheden. 8.17 Enkele van deze gezichtspunten licht ik kort nader toe. 8.18 Met betrekking tot het aspect van ‘legitieme verwachtingen’ wijst Verstraelen erop dat niet elke rechterlijke uitspraak een zelfde niveau van vertrouwen rechtvaardigt. Een vaste lijn in de rechtspraak, die reeds vele jaren door het hoogste rechtscollege toegepast wordt, kan niet vergeleken worden met de eenmalige uitspraak van een feitenrechter. Gerechtvaardigd vertrouwen kan ook ontbreken als er tegenstrijdige uitspraken zijn, zeker wanneer deze afkomstig zijn van verschillende kamers van het hoogste rechtscollege. Ook wanneer het recht op een bepaald punt sterk in beweging is, zodat er van duidelijkheid en zekerheid geen sprake kan zijn, weegt het aspect van ‘legitieme verwachtingen’ minder zwaar. Verder kan worden meegewogen of de oude norm ook van dien aard is geweest, dat zij van significante invloed was op het handelen van de betrokken partij, aldus Verstraelen. 8.19 Met betrekking tot het aspect ‘voorzienbaarheid’ is van belang of de nieuwe jurisprudentiële norm al dan niet een abrupte en ingrijpende verandering vormt. Een aanscherping of nadere detaillering van een reeds bestaande norm is niet hetzelfde als een wezenlijke koerswijziging in de rechtspraak. Zo kan zich voordoen dat lagere rechters en de rechtspraktijk al lang de oudere jurisprudentie links lieten liggen. Ook kan er een nieuwe wettelijke regeling in de maak zijn, waarin gebroken wordt met de oudere jurisprudentie. De uitspraak van het hoogste rechtscollege bevestigt dan louter de heersende opvatting en heeft zo bezien enkel symbolische betekenis. 8.20 Voor het aspect ‘doelstelling van de norm’ kan gekeken worden naar het belang van bescherming van de nieuwe rechtsnorm en kan aan de hand daarvan beoordeeld worden of dat belang gediend is met terugwerkende kracht van de nieuwe norm. Tussenconclusie 8.21 Uit het bovenstaande laten zich de volgende conclusies trekken. In de literatuur wordt algemeen aangenomen dat er te weinig aandacht wordt besteed aan de temporele werking van – met name – nieuwe jurisprudentiële opvattingen. Idealiter zou in elke uitspraak van de Hoge Raad waarin een nieuwe koers wordt uitgezet, ook een overweging moeten worden gewijd aan de temporele werking van die nieuwe koers: terugwerkende kracht (onbeperkt of tot een bepaald moment), onmiddellijke werking, of uitgestelde werking (vanaf een te bepalen moment in de toekomst). De rechter die een oordeel geeft over de temporele werking van een nieuwe koers, zal daartoe een belangenafweging moeten maken aan de hand van een veelheid aan gezichtspunten. Een verwijzing naar de rechtszekerheid is onvoldoende, omdat dat begrip te onbepaald is. 8.22 Als de rechter niets heeft beslist over de temporele werking van haar beslissing, is terugwerkende kracht in beginsel het uitgangspunt. Dat betekent niet dat er helemaal geen ruimte meer is om toch een andere temporele werking aan te nemen: onder omstandigheden kan de rechter ook in een volgende uitspraak een beslissing nemen over de temporele werking van de nieuwe jurisprudentiële regel, mede aan de hand van de reacties die er op de nieuwe regel zijn gekomen. Daarbij dient alsnog de hiervoor bedoelde afweging te worden gemaakt. 9. De temporele werking van de Xella-norm: als uitgangspunt terugwerkende kracht tot 1 juli 2015 9.1 In de Xella-uitspraak heeft de Hoge Raad een specifieke norm van goed werkgeverschap geformuleerd, die zoals gezegd, inhoudt dat als is voldaan aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en lid 3, aanhef en onder b, BW, als uitgangspunt geldt dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap gehouden is om in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. 9.2 In het arrest is niets overwogen over de temporele werking van deze nieuwe rechtsnorm. De tweede stap van Verstraelen (zie onder 8.5) is dus niet gezet. 9.3 Mijns inziens is de consequentie daarvan dat in beginsel moet worden aangenomen dat de uitspraak terugwerkende kracht heeft, dus dat de Xella-norm terugwerkt tot aan het moment van invoering van het ontslagrecht uit de Wwz, 1 juli 2015. Als de rechter niets heeft beslist over de temporele werking van een nieuwe jurisprudentiële regel, is de hoofdregel immers dat moet worden aangenomen dat deze nieuwe regel terugwerkende kracht heeft (zie onder 8.22). 9.4 Volledigheidshalve: terugwerkende kracht tot een eerder moment dan 1 juli 2015 ligt niet in de rede, omdat pas per 1 juli 2015 de transitievergoeding is ingevoerd, als onderdeel van de Wwz. 9.5 Terugwerkende kracht van de Xella-norm tot 1 juli 2015 strookt met het feit dat de compensatieregeling terugwerkende kracht heeft gekregen tot die datum. Dat was een bewuste keuze van de wetgever (zie onder 7.7-7.31). De terugwerkende kracht van de compensatieregeling leidt ertoe dat werkgevers in alle gevallen dat zij slapende dienstverbanden hebben beëindigd en de werknemer een beëindigingsvergoeding hebben betaald – conform de Xella-norm – in beginsel aanspraak hebben kunnen maken op compensatie, óók als het ging om dienstverbanden die al vóór de Xella-uitspraak slapend waren geworden (terugwerkend tot 1 juli 2015). Een speciale categorie wordt hier gevormd door werknemers die al vóór 1 juli 2015 in een slapend dienstverband zijn geraakt, de zogenoemde diepslapers. Op deze gevallen wordt nader ingegaan in de conclusie van 11 februari 2022 in de parallelle zaak over slapende dienstverbanden. 9.6 Uit rov. 2.7.4 van de Xella-beschikking, die gewijd is aan het mogelijk moeten voorfinancieren van de transitievergoeding door de werkgever, leid ik af dat ook de Hoge Raad een koppeling met de terugwerkende kracht van de compensatieregeling maakt. Bij de bespreking van die kwestie legt de Hoge Raad namelijk uitdrukkelijk een verband tussen de in rov. 2.7.3 geformuleerde Xella-norm, en de datum van 1 juli 2015, als startpunt voor de toepasselijkheid van de compensatieregeling. 9.7 Deze opvatting – dus: de Xella-norm geldt sinds 1 juli 2015 – heeft als consequentie dat werkgevers die sindsdien gedurende een slapend dienstverband niet met een Xella-voorstel hebben ingestemd, hun verplichtingen uit het goed werkgeverschap hebben geschonden. Die tekortkoming kan leiden tot schadeplichtigheid, ook indien het betreffende dienstverband inmiddels reeds is geëindigd zonder betaling van een vergoeding. Daarbij valt, net als in de zaak die nu voorligt, te denken aan werknemers die inmiddels de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt (vgl. art. 7:673 lid 7 sub b BW). Datzelfde geldt indien de werknemer tijdens het dienstverband is overleden. 9.8 De opvatting dat de werking van de Xella-norm niet verder terugwerkt dan tot het moment waarop de compensatieregeling in het Staatsblad is gepubliceerd (20 juli 2018) – zoals aangenomen door het hof in de bestreden uitspraak –, lijkt mij niet juist. Op zichzelf kan worden onderschreven dat ‘het bestaan’ van de compensatieregeling van essentieel belang is geweest voor het formuleren van de Xella-norm. Ook auteurs als Pennings, Houweling en Frikkee gaan daarvan uit. Daarmee is echter niet gezegd dat de Xella-norm niet zou kunnen terugwerken tot een moment dat gelegen is vóórdat de compensatieregeling in het leven werd geroepen. 9.9 Een belangrijke contra-indicatie voor de gedachte dat de Xella-norm niet verder terugwerkt dan 20 juli 2018 is in de eerste plaats dat de Hoge Raad de temporele werking van de norm niet heeft beperkt, zodat in beginsel moet worden aangenomen dat de norm terugwerkende kracht heeft (zie onder 8.22). 9.10 In de tweede plaats is van wezenlijk belang dat aan de compensatieregeling wél terugwerkende kracht is toegekend tot 1 juli 2015 (zie onder 7.7-7.31). Om te bewerkstelligen dat de wenselijk geachte norm – beëindiging van slapende dienstverbanden onder betaling van de transitievergoeding – zou worden gerealiseerd én om te voorkomen dat rechtsongelijkheid zou ontstaan tussen vergoedingen die zijn betaald vóór dan wel ná de inwerkingtreding van de compensatieregeling, is ervoor gekozen de regeling terugwerkende kracht te geven. Daarom is het mogelijk gemaakt dat werkgever met terugwerkende kracht om compensatie konden verzoeken (zie onder 7.31). 9.11 Hiermee is moeilijk te rijmen dat de op de compensatieregeling en de daarvoor ‘in de wetsgeschiedenis gegeven redenen’ gebaseerde Xella-norm, in tijd zou worden beperkt tot situaties ná 20 juli 2018. 9.12 Toch wordt zowel in de literatuur als in de feitenrechtspraak hierover vaak anders gedacht, zodat ik in het navolgende een overzicht zal geven van de verschillende opvattingen. Literatuur 9.13 De arbeidsrechtelijke literatuur is verdeeld over de vraag vanaf wanneer de Xella-norm geldt. 9.14 Een aantal auteurs gaat ervan uit dat dit het geval is vanaf het moment van publicatie van de compensatieregeling in het Staatsblad, 20 juli 2018. Houweling c.s. schrijft hierover in Arbeidsrechtelijke Themata (mijn onderstrepingen): “Een hieraan gelieerde vraag is hoever de Xella-uitspraak terugwerkende kracht heeft. Dit lijkt een onzinnig vraag, omdat het uitgangspunt is dat als de Hoge Raad vaststelt dat sprake is van een schending van art. 7:611 BW indien niet wordt meegewerkt aan beëindiging, dit ook voor het verleden geldt (tenzij de Hoge Raad uitdrukkelijk anders oordeelt, hetgeen hij niet heeft gedaan). Toch zijn er argumenten te vinden om aan Xella geen onbeperkte terugwerkende kracht toe te kennen. De Hoge Raad koppelt de 611-plicht immers uitdrukkelijk aan de Wet compensatie transitievergoeding. Kunnen we werkgevers verwijten zich niet als goed werkgever te hebben gedragen, indien zij in 2016 – toen alle rechtspraak duidelijk wees op ‘geen ontslagplicht’ – niet hebben meegewerkt aan een beëindigingsverzoek van een ‘slaper’ wiens dienstverband op 1 juli 2017 is geëindigd wegens het bereiken van de AOW-leeftijd (of wegens overlijden)? Zou deze slaper (of diens erfgenamen) met succes een Xella-vergoeding kunnen afdwingen? Ons inziens kan dit niet, omdat in 2016 de werkgever nog geen verwijt viel te maken van het niet beëindigen omdat er nog geen compensatieregeling was. Maar vanaf wanneer ontstond de 611-plicht dan wel? Vanaf 11 juli 2018 toen de wet is aangenomen? Of pas op 20 februari 2019 toen het inwerkingtredingsbesluit werd genomen? Hof Den Bosch en Hof Den Haag kiezen voor 11 juli 2018 respectievelijk 20 juli 2018 (dag na publicatie besluit in Staatsblad). Daar valt ook veel voor te zeggen omdat op dat moment de wet een feit was. Omdat de Hoge Raad deze wet vervolgens gebruikt voor de inkleuring van art. 7:611 BW ligt die datum voor de hand (zie Hof Den Bosch 9 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:31 en Hof Den Haag 4 februari 2020, ECLI:NL:HDHA:2020:146).” 9.15 De Groot huldigt vergelijkbare opvattingen, waar zij schrijft dat de verplichting om inmiddels gepensioneerde werknemers een schadevergoeding te betalen in elk geval niet verder kan teruggaan dan tot het moment waarop de Wet compensatie transitievergoeding is gepubliceerd en bekend werd dat deze terugwerkende kracht zou hebben tot 1 juli 2015. 9.16 Er zijn echter ook auteurs die zich op het standpunt stellen dat de Xella-norm geldt sinds 1 juli 2015. Dop schrijft daarover het volgende: “Vanaf welke datum kan de weigering om de transitievergoeding te betalen een schending zijn van de plicht tot goed werkgeverschap? In r.o. 3.17 geeft het hof aan dat dit in ieder geval zo is sinds 11 juli 2018, toen de compensatieregeling werd gepubliceerd. Dit zou betekenen dat alleen werknemers die na 11 juli 2018 (nogmaals) hebben ‘gepiept’ schadevergoeding kunnen vorderen. Er valt echter ook wel iets te zeggen voor de stelling dat werknemers ook nog schadevergoeding kunnen claimen als zij voor 11 juli 2018 tijdens hun dienstverband een verzoek om beëindiging met transitievergoeding hebben gedaan, zelfs als voor die datum de arbeidsovereenkomst wegens pensionering is beëindigd. Werkgevers die tussen 1 juli 2015 en 11 juli 2018 het dienstverband van hun langdurige zieke werknemers hebben beëindigd en de transitievergoeding hebben betaald kunnen immers een beroep doen op de compensatieregeling. Het lijkt mij te verdedigen dat dit dan ook zou moeten gelden voor werkgevers die alsnog het bedrag van de transitievergoeding betalen.” Overigens lijkt Dop kort nadien (deels?) van deze opvatting te zijn teruggekomen, waar hij schrijft dat uit de Xella-uitspraak volgt dat een werknemer enkel recht heeft op schadevergoeding op de voet van art. 7:611 BW indien hij zijn verzoek om beëindiging heeft gedaan ‘na de publicatie van de compensatiewet’ en de werkgever dat verzoek vervolgens heeft geweigerd (al dan niet door er in het geheel niet op te reageren). 9.17 Vermulst houdt de mogelijkheid open dat werkgevers al vóór de publicatie in het Staatsblad de Xella-norm kunnen hebben geschonden. Zij lijkt zich op het standpunt te stellen dat het erom gaat of het slapende dienstverband na 1 juli 2015 is beëindigd en dat daaraan niet kan afdoen of voor of na 10 juli 2018 beëindiging plaatsvond vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. 9.18 Ook Otto ziet aanknopingspunten voor de gedachte dat de Xella-norm reeds geldt vanaf 1 juli 2015. Voor hem is van belang dat de toepasselijkheid van de norm niet afhankelijk is van de vraag of de werkgever aanspraak op compensatie kan maken. Op dit laatste punt zal ik hierna nog ingaan (zie hoofdstuk 10). Dat strookt ook met zijn pleidooi voor het introduceren van een verplichting op de grond van goed werkgeverschap. Feitenrechtspraak 9.19 In de feitenrechtspraak is met enige regelmaat geoordeeld dat de werkgever “in elk geval” (zo is vaak te lezen) vanaf 20 juli 2018 (de dag van publicatie van de Wet compensatie transitievergoeding in het Staatsblad) bekend kon zijn met de Xella-norm. Vanaf dat moment had de werkgever namelijk kunnen weten dat hij op verzoek van de werknemer in beginsel moest instemmen met een verzoek tot beëindiging van een slapend dienstverband onder toekenning van de transitievergoeding, zo is dan de gedachtegang. 9.20 Een weigering ná 20 juli 2018 wordt dan ook – in beginsel – als een normschending aangemerkt, tenzij de werknemer reeds voorafgaand aan die datum uit dienst is getreden, bijvoorbeeld vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. De Xella-norm moet immers geschonden zijn tijdens het dienstverband. Een weigering vóór 20 juli 2018 wordt daarentegen níet als een normschending aangemerkt, omdat de werkgever toen nog niet bekend kon zijn met de Xella-norm. 9.21 Overigens richtte de discussie zich in bijna al deze procedures op de vraag of steekhoudend was het verweer van de werkgever, dat pas vanaf de Xella-uitspraak bekendheid kon bestaan met de Xella-norm (8 november 2019). Dat betoog is in de hier bedoelde uitspraken dus steeds verworpen. 9.22 De argumentatie om uit te gaan van 20 juli 2018 is de volgende. Uit de Xella-uitspraak kan worden afgeleid dat bij het formuleren van de nieuwe rechtsnorm voor de Hoge Raad twee argumenten van wezenlijk belang zijn geacht: (
- i)de invoering van de compensatieregeling en (
- ii)de daarvoor in de wetsgeschiedenis gegeven redenen. Dat volgt met name uit rov. 2.7.2 van de Xella-uitspraak, waarin de Hoge Raad het volgende overweegt: “2.7.2 De wetgever beoogt met de Wet compensatieregeling transitievergoeding een einde te maken aan het verschijnsel ‘slapende dienstverbanden’. De compensatieregeling en de voor invoering daarvan in de wetsgeschiedenis gegeven redenen brengen mee dat als norm van goed werkgeverschap in de zin van art. 7:611 BW geldt (…)” Ook in rov. 2.5 van de Xella-uitspraak (geciteerd onder 6.1) komen deze twee argumenten al aan bod. 9.23 Hieruit wordt in de bedoelde feitenrechtspraak afgeleid dat zonder de compensatieregeling de Xella-norm niet zou zijn geformuleerd door de Hoge Raad. Dat leidt dan vervolgens tot de conclusie dat de Xella-norm niet bestond voordat de compensatieregeling in het leven werd geroepen. Cruciaal in deze gedachtegang lijkt te zijn dat pas met de publicatie van de compensatieregeling voor werkgevers voorzienbaar was dat de Xella-norm zou gaan gelden. Ik zeg ‘lijkt’, omdat de redenering in de verschillende uitspraken niet steeds precies hetzelfde is, en ook niet altijd even helder. 9.24 Zo wordt in de in deze cassatieprocedure bestreden beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden in feite op twee gedachten gehinkt. 9.25 Enerzijds wordt geoordeeld dat er geen verplichting was voor de werkgever om het slapende dienstverband te beëindigen volgens de Xella-norm omdat die nog niet gold ten tijde van het verzoek van de werknemer in februari 2017; deze norm is volgens het hof pas gaan gelden na ‘de totstandkoming van de compensatieregeling’. Dat moment wordt bepaald op de datum van publicatie van de compensatieregeling in het Staatsblad (20 juli 2018). Eerder was er, in de woorden van het hof, nog geen ‘zekerheid’ over de gehoudenheid ‘om het door de Werknemer gestelde risico te nemen’ (rov. 7.6). Met ‘het risico’ doelt het hof op het risico dat de werkgever een uitbetaalde transitievergoeding niet gecompenseerd krijgt (rov. 7.6, laatste zin). 9.26 Anderzijds overweegt het hof echter óók het volgende: “7.5. Anders dan [verzoeker] betoogt, volgt daarmee uit de Xella-uitspraak niet dat ongeacht de compensatieregeling iedere weigering van een werkgever na 1 juli 2015 van een dergelijk beëindigingsverzoek als strijdig met het goed werkgeverschap heeft te gelden. Dit is slechts het geval indien de werkgever aanspraak heeft op een (gedeeltelijke) compensatie van een transitievergoeding. Over zo’n aanspraak is pas op 20 juli 2018 zekerheid verkregen door publicatie van het daartoe aangenomen wetsvoorstel.” 9.27 Uit de tweede volzin in deze overweging lijkt te volgen dat in de gedachtegang van het hof beslissend is of de werkgever feitelijk aanspraak kan maken op compensatie. Maar dat is een andere vraag dan wanneer voor de werkgever redelijkerwijs voorzienbaar was (zekerheid hebben lijkt mij sowieso een brug te ver) dat de Xella-norm zou gaan gelden. En in de derde volzin lijkt het hof ervan uit te gaan dat het erom gaat op welk moment de werkgever zekerheid heeft verkregen over het verkrijgen van compensatie. Dat is weer een andere vraag, die evenmin samenvalt met de vraag naar voorzienbaarheid van de norm. 9.28 Omdat bij het antwoord op de vraag vanaf wanneer de Xella-norm geldt door het hof in de bestreden beschikking – en ook door andere feitenrechters – ook wordt aangeknoopt bij de vraag of de werkgever in het concrete geval aanspraak heeft op compensatie, zal ik hierna ingaan op de vraag of het recht van de werkgever op compensatie van invloed is op de toepasselijkheid van de Xella-norm. 9.29 Naar mijn mening is de toepassing van de Xella-norm echter niet afhankelijk van het recht op compensatie van de werkgever. Dit wordt toegelicht in het volgende hoofdstuk. 10. Recht op compensatie als voorwaarde voor toepassing van de Xella-norm? 10.1 In rov. 2.7.2 van de Xella-uitspraak overweegt de Hoge Raad het volgende: “2.7.2 De wetgever beoogt met de Wet compensatieregeling transitievergoeding een einde te maken aan het verschijnsel ‘slapende dienstverbanden’. De compensatieregeling en de voor invoering daarvan in de wetsgeschiedenis gegeven redenen brengen mee dat als norm van goed werkgeverschap in de zin van art. 7:611 BW geldt (…)” 10.2 De Xella-verplichting is dus gebaseerd op ‘de compensatieregeling en de voor invoering daarvan in de wetsgeschiedenis gegeven redenen’. Ook in rov. 2.5, waarin een aantal inleidende opmerkingen wordt gemaakt over de prejudiciële vragen, gaat de Hoge Raad al in op de compensatieregeling en de daarvoor in de wetsgeschiedenis gegeven redenen. 10.3 Kortom, het bestaan van de compensatieregeling is essentieel geweest voor de formulering van de Xella-norm. Dat betekent echter niet dat de Xella-norm alleen geldt indien de werkgever in een concreet geval daadwerkelijk recht op compensatie heeft. De Hoge Raad heeft dit niet zo beslist en die voorwaarde geldt naar mijn mening niet. 10.4 Hierbij is ook van belang dat de Xella-uitspraak niet een ‘speciaal soort vergoeding’ in het leven heeft geroepen. Weliswaar heeft de Hoge Raad de aanspraak gekoppeld aan het goed werkgeverschap (art. 7:611 BW), maar dat betekent niet dat het gaat om een eigensoortige vergoeding. Uiteindelijk gaat het gewoon om de verplichting van de werkgever om de transitie-vergoeding te betalen. Dat neemt overigens niet weg dat die vergoeding juridisch wel ‘van kleur verschiet’ indien een werkgever ten onrechte niet met een beëindigingsvoorstel heeft ingestemd en vervolgens tot betaling van schadevergoeding wordt veroordeeld. 10.5 De Xella-vergoeding betreft in de kern dus de transitievergoeding. Tegen die achtergrond is het mijns inziens in strijd met het wettelijke systeem om aan de verschuldigdheid een extra voorwaarde te stellen, namelijk het recht op compensatie van de werkgever. De regeling van de transitievergoeding bevat die voorwaarde niet. 10.6 Zoals hiervoor is besproken (zie onder 7.6), is dat recht op compensatie een aanspraak van de werkgever jegens het UWV. De werknemer staat daar buiten. Het is bovendien een bestuursrechtelijk vraagstuk, wat binnen de beoordelingsbevoegdheid van de bestuursrechter valt, en niet van de civiele rechter. 10.7 Verder heeft Hoge Raad in de Xella-uitspraak onderkend dat er een verschil kan bestaan tussen de door de werkgever te betalen vergoeding en de door de werkgever te ontvangen compensatie (rov. 3.7.2). Ook hieruit volgt dat de vraag naar de aanspraak van de werknemer op de (transitie)vergoeding en de vraag naar compensatie twee losstaande kwesties zijn. 10.8 Dat sprake kan zijn van een discrepantie tussen de hoogte van het door de werkgever aan de werknemer te betalen bedrag, en de door de werkgever te ontvangen compensatie, is een gevolg van het feit dat voor de berekening van de hoogte van de transitievergoeding een peildatum geldt die kan afwijken van (want: later kan zijn gelegen dan) het moment waarop de door het UWV te verstrekken compensatie is gemaximeerd (zie onder 6.4-6.9). De Hoge Raad heeft, in de woorden van Houweling, gekozen voor ‘de fictie van een werkelijke beëindiging’ en niet voor aansluiting bij de formulering van art. 7:673e BW. 10.9 Ook kan zich de situatie voordoen dat de aanspraak op de aan de werknemer te betalen vergoeding niet samenvalt met het recht van de werkgever op compensatie. Zo staat niet vast dat art. 7:673e BW ook betrekking heeft op door de werkgever aan de werknemer betaalde schadevergoeding (zie direct hierna). Mogelijk ontbreekt ook een recht op compensatie bij de gevallen waarin de reguliere wachttijd is verstreken vóór 1 juli 2015, maar de arbeidsovereenkomst pas daarna wordt opgezegd. 10.10 Kortom, het is geen voorwaarde is voor de toepasselijkheid van de Xella-norm dat de werkgever recht heeft op compensatie. 11Aanspraak op compensatie bij een op art. 7:611 BW gebaseerde vergoeding? 11.1 Omdat het recht op compensatie geen voorwaarde is voor toepassing van de Xella-norm, is in feite niet relevant of de werkgever aanspraak op compensatie kan maken in een geval als hier aan de orde is, waarin de werknemer verzoekt om betaling van een schadevergoeding ter hoogte van de transitievergoeding (gebaseerd op schending van art. 7:611 BW). Volledigheidshalve zal ik daarover toch enkele opmerkingen maken. 11.2 In de literatuur wordt vrij algemeen aangenomen dat een op art. 7:611 BW gebaseerde schadevergoeding niet voor compensatie in aanmerking komt. Zo schrijven Barentsen & Sagel hierover in hun NJB-kroniek het volgende: “De schadevergoeding die op grond van die wanprestatie verschuldigd raakt, staat dan gelijk aan de transitievergoeding die de werknemer zou hebben ontvangen als de werkgever wel met zijn redelijke voorstel zou hebben ingestemd en die schadevergoeding komt op basis van de compensatieregeling dan weer niet voor vergoeding in aanmerking.” 11.3 Daarbij constateren Barentsen & Sagel dat het niet gecompenseerd krijgen van zo’n schadevergoeding, ‘zelfs voor de meest principiële werkgever die zich voorheen met hand en tand verzetten tegen beëindiging van slapende dienstverbanden’, een tamelijk overtuigend argument zal zijn om toch akkoord te gaan met een Xella-voorstel. In mijn woorden: het vooruitzicht om ‘met de kosten te blijven zitten’ is een prikkel voor werkgevers om de op hen rustende verplichting uit het goed werkgeverschap (alsnog) na te komen. 11.4 Ook volgens Houweling c.s. komt schadevergoeding niet voor compensatie op de voet van art. 7:673e BW in aanmerking. Verhulp en verschillende andere auteurs hebben zich, reeds voorafgaand aan de beantwoording van de prejudiciële vragen, in vergelijkbare zin uitgelaten. 11.5 Bouwens drukt zich iets voorzichtiger uit in zijn NJ-noot bij de Xella-uitspraak. Onder verwijzing naar twee hofuitspraken schrijft hij dat de consequentie dat een werkgever (mijn onderstreping) ‘mogelijk niet meer in aanmerking komt voor compensatie op grond van art. 7:673e BW’, voor rekening en risico van de werkgever behoort te komen die wegens niet-instemmen een schadevergoeding moet betalen. 11.6 Alleen Dop heeft een andere opvatting. Volgens hem valt de schadevergoeding wel degelijk onder de compensatieregeling. Dop baseert zich hierbij mede op een kamerbrief van toenmalig minister Koolmees van 13 december 2019. Ook in de onderhavige cassatieprocedure beroept Werknemer zich op die brief. In de bewuste brief is naar aanleiding van de Xella-uitspraak het volgende te lezen: “Deze uitspraak roept vragen op in de praktijk. De eerste vraag is of de vergoeding die door de werkgever betaald wordt op grond van deze door de Hoge Raad vastgestelde verplichting gecompenseerd zal worden door het UWV. Ik ga ervan uit dat de wet redelijkerwijs de ruimte biedt om ook in deze gevallen van beëindiging met wederzijds goedvinden compensatie te verstrekken. Dit mede gelet op het feit dat de Hoge Raad ervan uitgaat dat ook in dergelijke gevallen compensatie zal worden verstrekt, en dat dit in lijn is met de bedoeling van de wetgever bij de compensatieregeling. Ik heb met UWV afgesproken dienovereenkomstig te handelen en dus ook in deze situaties tot compensatie over te gaan.” 11.7 Uit deze passage kan naar mijn mening niet worden afgeleid dat de minister van mening is dat ook vergoedingen die betaald zijn uit hoofde van een schadevergoedingsverplichting door het UWV gecompenseerd moeten worden. De minister doelt hier namelijk op vergoedingen (ter hoogte van de transitievergoeding) die betaald worden op basis van een beëindigingsovereenkomst. Die situatie laat zich niet direct doortrekken naar vergoedingen uit hoofde van een schadevergoedingsplicht. Zo verklaart art. 7:673e lid 3 BW de compensatieregeling uitdrukkelijk van toepassing indien sprake is van een beëindiging met wederzijds goedvinden. Daarnaast is voor vergoedingen die worden betaald bij beëindiging met wederzijds goedvinden in de parlementaire geschiedenis bij de Wwz al opgemerkt dat de transitievergoeding daarop ‘reflexwerking’ heeft. Dat geldt niet voor vergoedingen uit hoofde van een schadevergoedingsplicht. 11.8 Er is nog geen gepubliceerde rechtspraak beschikbaar waarin bestuursrechters hebben geoordeeld over de vraag of schadevergoeding ook in aanmerking komt voor compensatie op de voet van art. 7:673e BW. Daar kunnen meerdere redenen voor zijn. Zo valt niet uit te sluiten dat het UWV bij dergelijke schadevergoedingen wel compensatie verstrekt, zodat er geen reden is geweest om hierover te procederen. Dat laat zich door mij echter niet goed vaststellen, nu geen sprake is van openbaar gemaakte beleidsregels van het UWV ten aanzien van de uitvoering van de compensatieregeling. Dat betekent overigens niet dat het UWV niet zou beschikken over interne handleidingen, visiedocumenten en/of memo’s. In elk geval wordt op de UWV-website niet afzonderlijk beschreven wat heeft te gelden indien een werkgever naar aanleiding van een 611-vergoeding een compensatieverzoek wil indienen. 11.9 De vraag of een door de werkgever betaalde schadevergoeding op grond van art. 7:673e BW voor compensatie in aanmerking komt, is een bestuursrechtelijke vraag. Die zal uiteindelijk beantwoord moeten worden door de Centrale Raad van Beroep (zie onder 7.6). Ik zal hier verder niet op ingegaan, ook omdat het antwoord op die vraag niet van belang is voor de temporele werking van de Xella-norm. Tussenconclusie 11.10 Op dit moment staat niet vast of de werkgever die schadevergoeding betaalt ter hoogte van de transitievergoeding wegens schending van de Xella-norm, daarvoor al dan niet compensatie van het UWV verkrijgt. Het hof lijkt daarvan uit te gaan in de bestreden uitspraak, maar daarover is in ieder geval nog geen uitsluitsel gegeven door de Centrale Raad van Beroep. Ook is onbekend wat de uitvoeringspraktijk van het UWV op dit punt is. 11.11 Hoe dan ook is het al dan niet bestaan van een recht op compensatie van de werkgever niet bepalend voor de temporele werking van de Xella-norm. 12Voorzienbaarheid van de Xella-norm 12.1 Mocht de Hoge Raad de zaak toch willen beslissen langs de lijn van Houweling c.s. (zie onder 9.14) en uitspraken van feitenrechters (zie onder 9.19), en de Xella-norm dus niet reeds vanaf 1 juli 2015 aanwezig achten, dan is het volgende op te merken over de voorzienbaarheid van de Xella-norm. 12.2 Al snel na de invoering van de Wwz is er zowel in de media als in de juridische literatuur aandacht besteed aan het fenomeen dat werkgevers dienstverbanden ‘slapend’ hielden, om betaling van de transitievergoeding te ontlopen. Hierover zijn Kamervragen gesteld op 31 juli 2015. In antwoord hierop deed toenmalig minister Asscher op 7 september 2015 zijn bekende uitspraak dat het onbetaald in dienst houden van een werknemer met als enige reden het niet willen betalen van een transitievergoeding, niet getuigt van ‘fatsoenlijk werkgeverschap’. 12.3 Verschillende werknemers met een slapend dienstverband zijn hierna naar de rechter gestapt met het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, onder toekenning van de transitievergoeding. Deze verzoeken zijn echter nooit gehonoreerd. Tegen de achtergrond van één van die rechterlijke uitspraken werden op 11 december 2015 wederom Kamervragen gesteld, waarna toenmalig minister Asscher op 13 juni 2016 schreef dat het uiteindelijk aan de rechter is om, met inachtneming van alle feiten en omstandigheden van het geval, te beoordelen of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Ook daarna zijn er echter geen rechters geweest die hebben geoordeeld dat ernstig verwijtbaar is gehandeld vanwege het slapend houden van een dienstverband. 12.4 Ook is getracht via de norm van het goed werkgeverschap toekenning van de transitievergoeding te verkrijgen. Ook dit heeft aanvankelijk (in de periode 2015-2018) zelden tot succes geleid. De inhoud van die uitspraken van feitenrechters heb ik in mijn conclusie voor de Xella-uitspraak als volgt samengevat: - er is geen regel, noch geschreven noch ongeschreven, die een werkgever dwingt tot het beëindigen van een dienstverband bij langdurige arbeidsongeschiktheid; - een werkgever kan gerechtvaardigde belangen hebben bij het ‘slapend’ houden van de arbeidsovereenkomst, zoals de verwachting dat een werknemer nog zal kunnen re-integreren; - ook het belang dat een werkgever heeft bij het niet hoeven betalen van de transitievergoeding, is een gerechtvaardigd belang; - daarmee is het ‘slapend’ houden van de arbeidsovereenkomst niet in strijd met de norm van goed werkgeverschap in de zin van art. 7:611 BW; en - dat de minister deze handelwijze niet vindt getuigen van fatsoenlijk werkgeverschap, maakt dat niet anders. 12.5 De lijn in de feitenrechtspraak was in grote lijnen dezelfde als die in de literatuur werd verdedigd: werknemers met een slapend dienstverband kunnen bij hun werkgever niet afdwingen dat hun dienstverband wordt beëindigd onder toekenning van de transitievergoeding. Het slapend houden van een dienstverband is geen schending van het goedwerkgeverschap. 12.6 De komst van de compensatieregeling was in zoverre een game changer, dat er vanaf december 2018 enkele rechterlijke uitspraken verschenen waarin geoordeeld werd dat een werkgever op grond van de norm van goed werkgeverschap gehouden is om mee te werken aan beëindiging van een slapend dienstverband op verzoek van de werknemer en onder toekenning van de transitievergoeding. In de meerderheid van de rechterlijke uitspraken werd, ook (ruim) na 20 juli 2018, echter nog steeds uitgegaan van een tegengestelde opvatting. In feite was er tot aan de Xella-uitspraak zeker geen bestendige lijn in de rechtspraak dat werkgevers grond van de norm van goed werkgeverschap gehouden zouden zijn om op verzoek van de werknemer mee te werken aan beëindiging van een slapend dienstverband en onder toekenning van de transitievergoeding. Verzoeken tot ontbinding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever bleven sowieso een doodlopende weg (deze kwestie is uiteindelijk nooit voorgelegd aan de Hoge Raad). 12.7 In deze periode van tegenstrijdige feitenrechtspraak stelde de kantonrechter Roermond bij uitspraak van 10 april 2019 prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Mijn conclusie in die zaak dateert van 18 september 2019. Bij uitspraak van 8 november 2019 beantwoordde de Hoge Raad de prejudiciële vragen en werd de Xella-norm geformuleerd. 12.8 De tijdlijn kan hiermee als volgt worden weergegeven: - 1 juli 2015: de wettelijke regeling van de transitievergoeding wordt ingevoerd als onderdeel van het met de Wwz gewijzigde ontslagrecht. - 30 juli 2015: de Volkskrant bericht over slapende dienstverbanden. - 31 juli 2015: Kamervragen over slapende dienstverbanden. - 7 september 2015: Minister Asscher beantwoordt de vragen en vindt het niet van fatsoenlijk werkgeverschap getuigen als de enige reden voor het onbetaald in dienst houden van een werknemer het niet willen betalen van een transitievergoeding is. - 11 december 2015: Kamervragen over slapende dienstverbanden naar aanleiding van een uitspraak van de kantonrechter Almere, die het slapend houden van een dienstverband mogelijk onfatsoenlijk maar niet ernstig verwijtbaar oordeelt. - 13 januari 2016: Minister Asscher beantwoordt de vragen en schrijft dat het uiteindelijk aan de rechter is om, met inachtneming van alle feiten en omstandigheden van het geval, te beoordelen of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. - 21 april 2016: Minister Asscher constateert in het kader van de evaluatie van de Wwz dat sprake is van knelpunten bij werkgevers, onder meer met betrekking tot ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Volgens de minister kan er sprake zijn van een cumulatie van financiële verplichtingen voor een werkgever bij langdurige ziekte van een werknemer, omdat de werkgever ook de tijdens ziekte doorgelopen loonkosten heeft moeten voldoen alsmede kosten voor re-integratie van de zieke werknemer. Om deze reden is in de brief aangekondigd dat het kabinet toch voornemens is om tot een regeling te komen op grond waarvan werkgevers worden gecompenseerd voor de kosten van een bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid verschuldigde transitievergoeding. Als gevolg van dit voorstel, zo staat in de brief, ‘zal er voor werkgevers geen aanleiding meer zijn om een arbeidsovereenkomst van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer uitsluitend in stand te laten om de transitievergoeding niet te hoeven betalen (de zogenaamde slapende dienstverband problematiek) zodat er ook geen maatregelen hoeven te worden getroffen om dit tegen te gaan.’ - 20 maart 2017: indiening Voorstel van wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid. Dit voorstel voorziet onder meer in de mogelijkheid van compensatie voor betaalde transitievergoedingen bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Uit de memorie van toelichting blijkt onder meer het voornemen om de compensatiemaatregel ook van toepassing te laten zijn in situaties waarin de arbeidsovereenkomst op of na 1 juli 2015 is geëindigd, om verschillen te voorkomen tussen werkgevers die voor en na inwerkingtreding van de maatregel tot ontslag overgaan. De Raad van State is kritisch over de keuze voor een compensatieregeling, omdat niet is gekozen voor het wegnemen van de oorzaak van het probleem (nl. de cumulatie van financiële verplichtingen bij ziekte). De regering heeft deze bezwaren terzijde geschoven. - 15 maart 2017: het kabinet wordt demissionair in verband met de verkiezingen voor de Tweede Kamer. - 7 april 2017: Minister Asscher schrijft aan de Tweede Kamer wat de gevolgen zouden zijn als het wetsvoorstel controversieel wordt verklaard. - 18 april 2017: op voorstel van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid verklaart de Tweede Kamer het wetsvoorstel controversieel. - 10 oktober 2017: in het regeerakkoord is vermeld dat het wetsvoorstel zal worden doorgezet, waarna de parlementaire behandeling wordt hervat. - 5 juli 2018: de Tweede Kamer neemt het wetsvoorstel aan (als hamerstuk). - 10 juli 2018: de Eerste Kamer neemt het wetsvoorstel aan (als hamerstuk). - 20 juli 2018. De Wet compensatie transitievergoeding wordt gepubliceerd in het Staatsblad. - 20 februari 2019: het inwerkingtredingsbesluit wordt gepubliceerd in het Staatsblad, met beoogde datum van inwerkingtreding van 1 april 2020. - 26 februari 2019: de Regeling compensatie transitievergoeding wordt gepubliceerd in de Staatscourant, met beoogde datum van inwerkingtreding van 1 april 2020. - 10 april 2019: de kantonrechter Roermond stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. - 18 september 2019: conclusie A-G De Bock naar aanleiding van de prejudiciële vragen. - 8 november 2019: de Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen in de Xella-uitspraak. - 13 december 2019: de nadere beperking van de hoogte van de vergoeding uit art. 7:673e lid 2 BW zal vooralsnog niet in werking treden. - 1 april 2020: de compensatieregeling treedt in werking. - 4 december 2020: de nimmer ingevoerde nadere beperking van de hoogte van de compensatievergoeding wordt per 1 januari 2021 definitief geschrapt. 12.9 Als het gaat om het kiezen van een peildatum voor het moment dat voor werkgevers in voldoende mate voorzienbaar was dat de Xella-norm geldt, wordt in de feitenrechtspraak, als gezegd, vaak gekozen voor de datum van 20 juli 2018, de dag waarop de Wet compensatie transitievergoeding in het Staatsblad is gepubliceerd. Hier zou tegenin kunnen worden gebracht dat het moment van publicatie van een wet in het Staatsblad niet steeds betekent dat die wet ook inderdaad wordt ingevoerd. De KEI-wetgeving biedt daarvan een treurig voorbeeld. Zolang er geen inwerkingtredingsbesluit is gepubliceerd, is onzeker of en wanneer een wet wordt ingevoerd. Dat zou er voor pleiten om uit te gaan van de datum van het inwerkingtredingsbesluit van de Wet compensatie transitievergoeding, dat is 20 februari 2019. 12.10 Als echter letterlijk wordt aangeknoopt bij de hiervoor onder 6.1 geciteerde overweging van de Hoge Raad in de Xella-uitspraak (rov. 2.7.2), zou het moeten gaan om het moment van de invoering van de compensatieregeling. Dat was op 1 april 2020, dus ruimschoots ná de Xella-uitspraak. Het is echter vreemd om van díe datum uit te gaan, omdat de Hoge Raad de norm al eerder heeft geformuleerd, dus vóórdat de compensatieregeling was ingevoerd. Dat was in een zaak waarin de relevante rechtsfeiten al op een eerder moment waren gelegen, zo had de betreffende werknemer sinds januari 2018 al een aantal keer voorgesteld de arbeidsovereenkomst te beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding. Ook strookt het niet met de overwegingen uit rov. 2.7.4 van de Xella-uitspraak over voorfinanciering door werkgevers, om uit te gaan van 1 april 2020 als ingangsdatum voor de Xella-norm. 12.11 In deze redenering zou het dan meer voor de hand liggen om uit te gaan van het tijdstip waarop de Xella-uitspraak is gedaan, namelijk 8 november 2019. Toen is er pas echt duidelijkheid gekomen; tot dan toe bleef sterk omstreden dat de werkgever moest meewerken aan beëindiging van een slapend dienstverband op verzoek van de werknemer en onder betaling van de transitievergoeding. Anders gezegd: de publicatie van de compensatieregeling heeft nog niet voor een werkelijke ommezwaai in de feitenrechtspraak gezorgd, dat is pas gebeurd ná de Xella-uitspraak. In een enkele uitspraak lijkt inderdaad dit tijdstip te zijn aangehouden als ingangsdatum voor de Xella-verplichting. 12.12 Anderzijds zou ook kunnen worden verdedigd dat al met de publicatie van het wetsvoorstel op 20 maart 2017 de Xella-norm een behoorlijke stap dichterbij was gebracht. Toen was immers duidelijk dat er concrete stappen werden genomen om werkgevers te compenseren. 12.13 Daarmee is al met al nog niet zo duidelijk welke peildatum het meest in aanmerking komt als uiterste datum voor de terugwerkende kracht van de Xella-norm, aangenomen dat beslissend zou moeten zijn op welk moment voor werkgevers redelijkerwijs voorzienbaar was dat zij slapende dienstverbanden dienden te beëindigen onder toekenning van de transitievergoeding (wat dus volgens mij geen juiste aanname is). 12.14 Van belang is bovendien, zoals uiteengezet in hoofdstuk 8 van deze conclusie, dat bij het bepalen van de temporele werking van een rechterlijke beslissing een brede belangenafweging moet plaatsvinden. Dat geldt ook indien in een latere uitspraak, volgend op de uitspraak waarin de nieuwe jurisprudentiële norm is geformuleerd, alsnog de temporele werking wordt beperkt. ‘Voorzienbaarheid’ van de nieuwe norm is daarbij zeker niet het enige belang dat gewicht in de schaal legt. 12.15 Bij deze belangenafweging zou dan ook moeten worden betrokken dat vanuit het belang van rechtsgelijkheid er veel voor te zeggen is om alle werknemers die in de periode na 1 juli 2015 hebben verzocht om beëindiging van hun slapende dienstverband onder toekenning van de transitievergoeding, gelijk te behandelen. Dat stemt volgens mij ook overeen met wat de wetgever voor ogen heeft gestaan (zie onder 7.30). 12.16 Dit alles pleit er temeer voor om, in lijn met het uitgangspunt voor temporele werking van rechterlijke uitspraken, uit te gaan van 1 juli 2015 als ingangsdatum voor de Xella-norm. 13Verzoekschrift- of dagvaardingsprocedure? 13.1 Tot slot sta ik nog stil bij de vraag of in deze procedure, die met een verzoekschrift is ingeleid, de juiste rechtsingang is gekozen. Dat moet de rechter immers ambtshalve beoordelen, ook in cassatie. Indien de vorderingen van Werknemer bij dagvaarding hadden moeten worden ingesteld, dient (alsnog) toepassing te worden gegeven aan art. 69 Rv. 13.2 Werknemer heeft de procedure ingeleid bij verzoekschrift, waarin het volgende is opgenomen: “Daar de vordering verband houdt met andere vorderingen van boek 7, titel 10, afdeling 9 van het BW is de vordering ingeleid met een verzoekschrift conform artikel 7:686a lid 3 BW.” 13.3 Voor het overige hebben Werknemer en ESD zich niet uitgelaten over de rechtsingang. De feitenrechters hebben dit punt niet aan de orde gesteld tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg en in hoger beroep, althans dat blijkt niet uit de processen-verbaal. Zowel de kantonrechter als het hof hebben uitspraak gedaan bij beschikking. In cassatie heeft Werknemer zich niet uitgelaten over de juistheid van de rechtsingang. ESD refereert zich op dit punt aan het oordeel van de Hoge Raad. 13.4 Tot uitgangspunt is te nemen dat de vordering van Werknemer is gebaseerd op een schending van art. 7:611 BW. Aangevoerd is dat ESD als goed werkgever gehouden was om in te stemmen met het beëindigingsvoorstel van Werknemer, onder toekenning van een (transitie)vergoeding. 13.5 Verder is voorop te stellen dat alleen gebruik kan worden gemaakt van de verzoekschriftprocedure wanneer uit de wet blijkt (uit het gebruik van het woord ‘verzoek’, ‘verzoekschrift’ of ‘verzoeker’) dat een procedure met een verzoekschrift moet worden ingeleid (art. 261 lid 2 Rv). Blijkt de rechtsingang niet uit de wet, dan wordt de procedure ingeleid bij dagvaarding (art. 78 jo. 261 Rv). 13.6 Art. 7:611 BW is opgenomen in afdeling 7.10.1 BW (‘Algemene bepalingen’) en luidt als volgt: De werkgever en de werknemer zijn verplicht zich als een goed werkgever en een goed werknemer te gedragen. 13.7 Deze bepaling regelt dus niet dat procedures die (op schending van) van art. 7:611 BW zijn gebaseerd bij verzoekschrift zouden dienen te worden ingeleid, zodat zou kunnen worden aangenomen dat dergelijke vorderingen bij dagvaarding moeten worden ingesteld. 13.8 Dat zou echter anders zijn als dergelijke vorderingen vallen binnen het bereik van art. 7:686a lid 2 BW. Die bepaling luidt als volgt: Artikel 686a 1. (…) 2. De gedingen die op het in, bij of krachtens deze afdeling bepaalde zijn gebaseerd, worden ingeleid met een verzoekschrift. 3. In gedingen die op het in, bij of krachtens deze afdeling bepaalde zijn gebaseerd, kunnen daarmee verband houdende andere vorderingen worden ingediend met een verzoekschrift. 4. (…) Met ‘deze afdeling’ wordt verwezen naar afdeling 7.10.9 BW, met als opschrift ‘Einde van de arbeidsovereenkomst’. 13.9 Art. 7:686a lid 2 BW heeft tot doel dat in ontslagprocedures bij verzoekschrift wordt geprocedeerd, in plaats van een dagvaardingsprocedure. De reden hiervoor is, zo vermeldt de memorie van toelichting bij de Wwz: “om de toegang tot de kantonrechter zo eenvoudig, laagdrempelig en goedkoop mogelijk in te kleden, waarbij de snelheid van de procedure ook een factor van belang is. Een verzoekschriftprocedure leent zich hier beter voor dan een dagvaardingsprocedure.” 13.10 In het oorspronkelijke wetsvoorstel Werk en zekerheid had art. 7:686a lid 2 BW een meer beperkte inhoud. De voorgestelde bepaling luidde aanvankelijk: “De op de artikelen 672, lid 9, 673, 673a en 677 gebaseerde gedingen of gedingen gebaseerd op het bepaalde bij of krachtens de artikelen 673b en 673c worden ingeleid met een verzoekschrift.” 13.11 De regering heeft echter een aanbeveling van Van Slooten overgenomen. In een uitgave van de Vereniging voor Arbeidsrecht (VvA) deed hij in zijn bijdrage ‘Procesregeling’ de volgende aanbeveling: “Artikel 686a lid 2 komt als volgt te luiden: “De gedingen die op het in, bij of krachtens deze afdeling bepaalde zijn gebaseerd, worden ingeleid door een verzoekschrift.” Toelichting: deze aanbeveling regelt dat alle rechtszaken in verband met ontslag met een verzoekschrift worden gestart. Anders blijft er twijfel en gedoe over bestaan en dat is niet in het belang van een laagdrempelig en goedkoop arbeidsprocesrecht.” Ter nadere onderbouwing wees Van Slooten erop dat het opvallend is dat het voorgestelde art. 7:686a lid 2 BW zich beperkt tot enkele artikelen uit afdeling 7.10.9 BW, omdat er ook andere artikelen in het nieuwe ontslagrecht zijn op grond waarvan men een vordering kan indienen. Hij noemt daarbij de ketenregeling, de inachtneming van opzegtermijnen of de dood van de werkgever en dat geschillen over die artikelen kunnen bestaan in een vordering tot nakoming of een verklaring voor recht. Volgens Van Slooten verdient het aanbeveling om duidelijk te maken dat lid 2 voor het gehele ontslagrecht geldt: “Het is in lijn met het doel van de bepaling, de vereenvoudiging van het procesrecht en het voorkomen van dubbele procedures, om nog beter te voorkomen dat er dagvaardings- en verzoekschriftprocedures naast elkaar blijven bestaan in het ontslagrecht. Twijfel over dit onderwerp dient vermeden te worden. Het verdient dan ook aanbeveling om lid 2 aldus te verwoorden dat alle geschillen inzake Afdeling 7.10.9 worden ingeleid door een verzoekschrift.” 13.12 Bij het overnemen van de aanbeveling van Van Slooten is door de regering opgemerkt dat het gaat om ‘een redactionele verbetering’. Vervolgens is de bepaling in zijn huidige vorm opgenomen in art. 7:686a lid 2 BW. 13.13 Art. 7:686a lid 2 BW bepaalt niet dat alle arbeidsrechtelijke procedures met een verzoekschrift worden ingeleid. Zo moeten bijvoorbeeld schadevergoedingsprocedures wegens werkgeversaansprakelijkheid bij dagvaarding aanhangig worden gemaakt. Dat geldt ook voor geschillen over de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst, net als geschillen over een concurrentiebeding, loondoorbetaling of de eindafrekening. Dit is alleen anders als een partij ervoor kiest deze vorderingen op grond van art. 7:686a lid 3 BW als nevenverzoek te combineren met een verzoek op grond van afdeling 7.10.9 BW of deze vorderingen in een dergelijke procedure als tegenverzoek in te dienen. 13.14 Uit de feitenrechtspraak blijkt dat rechters verschillend oordelen over wat de juiste rechtsingang is als een werknemer een schadevergoedings- of instemmingsprocedure start vanwege schending van de Xella-verplichting door de werkgever. Op die vorderingen c.q. verzoeken wordt zowel bij vonnis/arrest als bij beschikking beslist, naast de (vele) uitspraken bij kortgedingvonnis. Ook geven sommige rechters toepassing aan de ‘spoorwissel’-bepaling van art. 69 Rv, waarbij de procedure in tegengestelde richtingen wordt geleid. Dit is een duidelijke illustratie van de observatie van Quist dat geen eenduidigheid bestaat over de reikwijdte van art. 7:686a lid 2 BW. 13.15 In maart 2021 heeft de Hoge Raad twee 81 RO-beschikkingen gewezen waarin het ging om vorderingen tot schadevergoeding die waren ingesteld door werknemers. In die procedures was de vordering in de kern gebaseerd op de stelling dat de arbeidsovereenkomst was beëindigd terwijl er geen toereikende (ontslag)grond voor de werkgever was. Daarom ging ik ervan uit dat die vordering onder het toepassingsbereik van art. 7:686 lid 2 BW valt: die schadevordering was immers onlosmakelijk verbonden met de bepalingen over het einde van de arbeidsovereenkomst in afdeling 7.10.9 BW. De Hoge Raad deed uitspraak bij beschikking. Hieruit zou ik willen afleiden dat schadevorderingen inderdaad onder het bereik van art. 7:686a lid 2 BW vallen indien zij onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen uit afdeling 7.10.9 BW. 13.16 De vraag is dan of een schadevergoedingsvordering wegens schending van de op art. 7:611 BW gebaseerde Xella-verplichting onlosmakelijk is verbonden met de bepalingen uit afdeling 7.10.9 BW. 13.17 Ik zou die vraag bevestigend willen beantwoorden. De Xella-verplichting hangt zodanig samen met het ontslagrecht – meer in het bijzonder met de wettelijke regeling van de transitievergoeding in art. 7:673 BW e.v. – dat schending van die verplichting als onlosmakelijk verbonden met de bepalingen uit afdeling 7.10.9 BW moet worden beschouwd. Dat geldt temeer nu het enkel van het tijdsverloop afhangt of het gaat om een verzoek tot betaling van de transitievergoeding (omdat er nog een arbeidsovereenkomst
- is)of als een 611-verzoek (omdat de arbeidsovereenkomst inmiddels is beëindigd wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van werknemer). 13.18 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de procedure die tot het cassatieberoep van Werknemer heeft geleid, terecht bij verzoekschrift is ingesteld. 14Bespreking van het cassatiemiddel 14.1 Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen, waarvan het laatste onderdeel alleen een voortbouwklacht bevat. 14.2 Onderdeel I bevat een rechtsklacht, gericht tegen rov. 7.3-7.6 van de bestreden beschikking. Dit deel van de bestreden beschikking is voorzien van het tussenkopje ‘Geen gehoudenheid tot beëindiging van een slapend dienstverband vóór 20 juli 2018’. 14.3 Volgens de klacht uit dit onderdeel heeft het hof miskend dat reeds na 1 juli 2015, maar zeker in een geval als hier aan de orde, op basis van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) op de werkgever de verplichting rust om in te gaan op een verzoek van een werknemer om, nadat de loondoorbetalingsverplichting van 104 weken is geëindigd, tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder het betalen van de transitievergoeding over te gaan, tenzij de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. De vraag of aanspraak bestaat op (gedeeltelijke) compensatie van de te betalen transitievergoeding staat hier los van. Indien een werkgever niet op een zodanig verzoek van de werknemer ingaat, handelt de werkgever in strijd met art. 7:611 BW en kan een werknemer op basis van art. 6:74 BW aanspraak maken op schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de misgelopen transitievergoeding, aldus nog steeds de steller van het middel. 14.4 De klachten uit onderdeel I slagen. Aangenomen moet worden dat de norm van goed werkgeverschap die de Hoge Raad heeft geformuleerd in de Xella-uitspraak, geldt vanaf 1 juli 2015 (zie onder 9.3-9.11 en onder 12.16). 14.5 Onderdeel II bevat een motiveringsklacht. 14.6 Deze klacht wordt opgeworpen ‘voor zover het verkrijgen van compensatie onder de WCT wel als voorwaarde heeft te gelden voordat sprake is van strijd met goed werkgeverschap en daarmee aansprakelijkheid op basis van schending van art. 7:611 BW’. Geklaagd wordt dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof onbesproken heeft gelaten dat het niet valt uit te sluiten dat ESD alsnog aanspraak kan maken op compensatie van de door haar te betalen schadevergoeding indien zij tot betaling daarvan wordt veroordeeld. Daarmee zou, aldus de steller van het middel, zijn voldaan aan de door het hof gestelde voorwaarde uit rov. 7.5. 14.7 Aan de voorwaarde van deze klacht niet voldaan, want het in een concreet geval kunnen krijgen van compensatie is geen voorwaarde voor toepassing van de Xella-norm (zie onder 10.10). Onderdeel II is dus tevergeefs voorgedragen. 14.8 Onderdeel III bevat een voortbouwklacht en slaagt daarmee ook. 14.9 De slotsom is dat het middel slaagt en dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd. 15Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734, NJ 2020/135, m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens (Xella). Zie mijn conclusie van 11 februari 2022, zaaknr. 21/01230 (Ammeraal). Hof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4698, JAR 2021/155, m.nt. M.L.G. Otto. Ktr. Groningen 30 september 2020, zaak-/rolnr. 8642708 AR VERZ 20-71 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), rov. 1.1. Het verzoekschrift is gedagtekend op 9 juli 2020. Ktr. Groningen 30 september 2020, zaak-/rolnr. 8642708 AR VERZ 20-71 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Hof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4698, JAR 2021/155, m.nt. M.L.G. Otto. De procesinleiding is op 2 augustus 2021 in het portaal van de Hoge Raad geplaatst. Het verweerschrift is op 4 oktober 2021 in het portaal van de Hoge Raad geplaatst. Zie verweerschrift in cassatie, p. 27. Deze alinea is gedeeltelijk ontleend aan mijn conclusie voor de Xella-uitspraak. Zie ook mijn conclusie voor HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:63 (Secretaresse/Advocatenkantoor). Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 38-42, p. 110 (MvT Wwz). Zie ook Kamerstukken I 2013/14, 33 818, nr. C, p. 96 (MvA Wwz). HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1845, NJ 2018/401 (Katholieke Scholengroep), Zie hierover ook mijn conclusie voor de Xella-uitspraak, onder 4.13-4.14. Zie ook mijn conclusie voor de Xella-uitspraak, onder 6.13-6.20. Een voorbeeld is te vinden in zaaknr. 21/00522, waarin A-G Hartlief op 4 februari 2022 heeft geconcludeerd (op moment van schrijven is deze conclusie nog niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Wet van 11 juli 2018, Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid, Stb. 2018, 234. Besluit van 20 februari 2019 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 11 juli 2018, houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid, Stb. 2019, 76. Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 februari 2019, nr. 2019-0000023811, houdende regels met betrekking tot de compensatie van de transitievergoeding bij een einde van de arbeidsovereenkomst na langdurige arbeidsongeschiktheid, Stcrt. 2019, 10547. Zie bijv. A.R. Houweling (red.) c.s., Loonstra & Zondag/Arbeidsrechtelijke Themata II, Den Haag: Boom juridisch 2020, par. 12.7.5.1, p. 130. De tekst uit deze paragraaf is gedeeltelijk ontleend aan mijn conclusie voor HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:63 (Secretaresse/Advocatenkantoor), onder 2.32-2.43. HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734, NJ 2020/135 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, TRA 2020/5 m.nt. D.J. Buijs, JAR 2019/312 m.nt. M.L.G. Otto, AR-Updates 2019/1182 m.nt. A.R. Houweling (Xella). Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2016/17, 34699, nr. 3, p. 2-3. Voetnoot in origineel: Wet van 11 juli 2018, houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid, Stb. 2018, 234. Bij besluit van 20 februari 2019 is als tijdstip van inwerkingtreding – voor zover hier relevant – vastgesteld 1 april 2020, zie Stb. 2019, 76. Voetnoot in origineel: De tekst van deze bepaling wordt gewijzigd door de Wet arbeidsmarkt in balans (Stb. 2019, 219). Voetnoot in origineel: Zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 15.1 en de verwijzingen naar de wetsgeschiedenis op de aldaar genoemde vindplaatsen. Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2016/17, 34699, nr. 3, p. 4-5. W.H.A.C.M. Bouwens in zijn noot in NJ 2020/135 bij de Xella-uitspraak, onder 8. Zie hierover ook A.R. Houweling in zijn noot in AR-Updates 2019/1182 bij de Xella-uitspraak, onder 5.4. Kamerstukken II 2016/17, 34 699, nr. 3, p. 4 (MvT WCT). Dit onderscheid wordt niet altijd scherp gemaakt. Zo schrijft D.J. Buijs in zijn noot bij de Xella-uitspraak in TRA 2020/5 onder 2, m.i. dus ten onrechte, ‘De Hoge Raad bepaalt in lijn met de WCT dat de werkgever niet meer hoeft te betalen dan het bedrag dat de werkgever had moeten betalen, wanneer hij na 104 weken de arbeidsovereenkomst had beëindigd.’ P. Kr