← Nederland

ECLI:NL:PHR:2022:166

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/02318 Zitting 22 februari 2022 CONCLUSIE T.N.B.M. Spronken en S.D. Lindenbergh In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, hierna: de verdachte. Inhoudsopgave 1. Inleiding 1.1. Feiten en procesverloop in het kort 1.2. Het cassatieberoep 1.3. Gezamenlijke conclusie 2. Bespreking van de cassatiemiddelen van de verdachte 2.1. Waarover het in deze zaak gaat 2.2. De volgorde van bespreking van de middelen 2.3. Het derde middel (afwijzing contra-expertise) 2.4. Het vierde middel (afwijzing verzoek horen getuige-deskundige) 2.5. Het eerste middel (bewezenverklaring ‘voorbedachte raad’) - Bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen (2.5.2 e.v.) - Juridisch kader (2.5.8 e.v.) 2.6. Het tweede middel (overschrijding redelijke termijn) 3. Inleiding op de bespreking van de middelen van de benadeelde partijen 4. ‘Shockschade’ 4.1. Verkenning en terminologie 4.2. De achtergrond: het wettelijk stelsel van vergoeding van schade van derden bij letsel en overlijden 4.3. Ontwikkeling van het civielrechtelijke leerstuk van ‘shockschade’ 4.4. Een indruk van de feitenrechtspraak - Inleiding (4.4.1 e.v.) - Toepassing van het ‘confrontatiecriterium’ in de feitenrechtspraak (4.4.3 e.v.) - Toepassing van het vereiste van ‘geestelijk letsel’ in de feitenrechtspraak (4.4.14 e.v.) - Vergoeding van vermogensschade (4.4.22 e.v.) - Omvang van de toegewezen smartengeldbedragen (4.4.25 e.v.) - Samenloop met vergoeding van ‘affectieschade’ (4.4.28 e.v.) - Samenvatting (4.4.31) 4.5. De vragen die voorliggen 4.6. Feitelijke en medische achtergrond 4.7. De Duitse aanpak 4.8. Naar herschikking van voorwaarden voor aansprakelijkheid en absorptie van ‘affectieschade’vergoedingen 4.9. Uitwerking - Vooropstellingen en aanpak (4.9.1 e.v.) - Confrontatiecriterium (4.9.4 e.v.) - Geestelijk letsel (4.9.11 e.v.) - Samenloop met de wettelijke derdenschaderegeling (4.9.14 e.v.) - Omvang van het smartengeld (4.9.20 e.v.) - Door de rechter te beantwoorden vragen (4.9.24) 4.10. Resultaat van deze uitwerking 5. Richting geven aan vaststelling van de omvang van smartengeldbedragen? 5.1. Inleiding 5.2. Maatstaf en rechtspraak 5.3. Toetsing in cassatie van oordeel over omvang van smartengeld is (zeer) beperkt 5.4. Aanleiding voor meer sturing? 6. Betekenis voor de ontvankelijkheid in het strafproces 6.1. Inleiding 6.2. De algemene uitgangspunten voor ontvankelijkheid van de benadeelde partijvordering in het strafgeding 6.3. De rechtspraak over ontvankelijkheid van ‘shockschade’vorderingen 6.4. Wat is nodig voor adequate behandeling? 6.5. Slotsom 7. Procesverloop en oordeel van het hof 8. Bespreking van de cassatiemiddelen van de benadeelde partijen 8.1. Het eerste middel (8.1 e.v.) 8.2. Het tweede en het derde middel (8.9 e.v.) 9. Conclusie 1Inleiding 1.1. Feiten en procesverloop in het kort 1.1.1. Het gaat in deze zaak om een veroordeling van de verdachte wegens stalking en de moord op zijn ex-vriendin op 11 juli 2018. De verdachte had sinds de zomer van 2016 een relatie met het latere slachtoffer. Deze relatie werd in 2018 beëindigd. In de periode kort na het verbreken van de relatie is door het slachtoffer melding gedaan van stalking door de verdachte en heeft de politie met de verdachte hierover gesprekken gevoerd. De verdachte is op 11 juli 2018 bij een evenement in Amsterdam geweest waar ook het slachtoffer met een vriendin was. Eenmaal thuis in haar woning in Utrecht is de verdachte onder valse voorwendselen via een balkon de woning van het slachtoffer binnengegaan. Daar is een ruzie ontstaan waarna de verdachte de vrouw met messteken om het leven heeft gebracht. 1.1.2. Het gerechtshof veroordeelde de verdachte wegens stalking en moord tot een gevangenisstraf van vijftien jaar en tbs met verpleging. De ouders van het meisje hebben in de strafrechtelijke procedure vergoeding gevraagd van enkele vermogensschadeposten (overlijdensschade) en vergoeding van schade die het gevolg is van de wijze waarop zij zijn geconfronteerd met de gevolgen van de gebeurtenis waardoor hun dochter is overleden (psychische schade in de vorm van shockschade). Het gerechtshof wees de vordering met betrekking tot de overlijdensschade toe; de vordering met betrekking tot de shockschade werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het oordeel of sprake was van een directe confrontatie met de gevolgen van het misdrijf alleen zou kunnen worden gegeven na verdere onderbouwing en/of bewijslevering, waarvoor volgens het hof in deze strafrechtelijke procedure geen plaats is. 1.2. Het cassatieberoep 1.2.1. Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem van 21 juli 2020 waarbij de verdachte wegens 1. ‘moord’ en 2. ‘belaging’, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar en daarnaast heeft het hof de ter beschikking stelling van overheidswege gelast. Ook heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals omschreven in het bestreden arrest. 1.2.2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.W.D. Roozemond, advocaat te Utrecht, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld die zich kort gezegd richten tegen de bewezenverklaring van ‘voorbedachten raad’, de overschrijding van de redelijke termijn, de afwijzing van het verzoek om contra-expertise en de afwijzing van het verzoek om De Boer als getuige-deskundige te horen. 1.2.3. Namens de benadeelde partijen heeft mr. M.J.J.F. van Raak, advocaat te Oosterhout, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld die zich richten tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen met betrekking tot de vorderingen wegens confrontatie met de schokkende gebeurtenis en de (impliciete) afwijzing van deze vorderingen. Mr. Roozemond heeft hierop bij verweerschrift gereageerd. 1.3. Gezamenlijke conclusie 1.3.1. In deze zaak wordt een gezamenlijke conclusie genomen door A-G Spronken (strafparket) en A-G Lindenbergh (civiel parket) met betrekking tot de middelen van de benadeelde partijen (onder 3-8 van deze conclusie). De aanleiding tot de samenwerking vormt de vordering van de ouders van het slachtoffer, die zich als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd hebben. Zij hebben daarbij onder andere vergoeding van zogenaamde ’shockschade’ gevorderd vanwege de ernstige gevolgen waarmee zij werden geconfronteerd na het gewelddadig overlijden van hun dochter en het zien van haar stoffelijk overschot. Het hof heeft hen in dit gedeelte van hun vordering niet-ontvankelijk verklaard en daartegen richten zich de cassatiemiddelen van de ouders. 1.3.2. Omdat het hier gaat om de toepassing van een complex civielrechtelijk leerstuk, waarover in de (strafrechtelijke) feitenrechtspraak veelvuldig en soms verschillend wordt geoordeeld, gaat aan de bespreking van de cassatiemiddelen van de benadeelde partijen een uitvoerige beschouwing vooraf over de vereisten voor aansprakelijkheid wegens confrontatie met een schokkende gebeurtenis, waarvan A-G Lindenbergh primair de penvoerder is geweest. De conclusies en aanbevelingen die daaruit voortvloeien worden door ons gezamenlijk gedragen en onderschreven. 2Bespreking van de cassatiemiddelen van de verdachte 2.1. Waarover het in deze zaak gaat 2.1.1. Alvorens de cassatiemiddelen te bespreken die namens de verdachte zijn ingediend zal eerst wat uitvoeriger worden weergegeven waar het in deze zaak over gaat. Uit de gedingstukken komen de volgende feiten en omstandigheden naar voren. 2.1.2. De verdachte had sinds de zomer van 2016 een relatie met [slachtoffer] , het latere slachtoffer. Deze relatie is door het slachtoffer op 2 juni 2018 beëindigd. Kort na het verbreken van de relatie heeft het slachtoffer een melding gemaakt bij de politie van stalking naar aanleiding van twee incidenten waarbij de verdachte zich de toegang tot de woning van het slachtoffer had verschaft. Door de politie is vervolgens een zogenaamd ‘STOP-gesprek’ met de verdachte gevoerd. In de periode van 22 juni 2018 tot en met 11 juli 2018 heeft het slachtoffer meerdere keren contact opgenomen met de politie vanwege het gedrag van de verdachte. Dit heeft ertoe geleid dat zij op 28 juni 2018 aangifte heeft gedaan van stalking en aan haar een ‘Aware-knop’ is uitgereikt, een alarmsysteem dat in rechtstreekse verbinding staat met de politie. De politie heeft in die periode in totaal drie STOP-gesprekken met de verdachte gevoerd waarbij aan hem is uitgelegd dat hij op geen enkele manier contact mocht zoeken met het slachtoffer. De verdachte heeft in de periode van 3 juli 2018 tot en met 6 juli 2018 ook in voorlopige hechtenis gezeten voor stalking van het slachtoffer. Voordat hij werd vrijgelaten heeft hij een gesprek gehad met de officier van justitie waarbij aan hem een gedragsaanwijzing is opgelegd. Deze gedragsaanwijzing hield in dat de verdachte geen contact meer mocht opnemen met het slachtoffer en dat hij niet bij haar woning of bij haar werkplek in de buurt mocht komen. De verdachte heeft erkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan stalking van het slachtoffer in de periode van 22 juni 2018 tot en met 11 juli 2018 (feit 2). 2.1.3. In de nacht van 10 op 11 juli 2018 was het slachtoffer met een vriendin bij een evenement in de Melkweg in Amsterdam. De verdachte was op dit evenement ook aanwezig. Om 4:12 uur heeft de verdachte het evenement verlaten en is hij rechtstreeks vertrokken naar de woning van het slachtoffer aan de [a-straat 1] in Utrecht. Het slachtoffer had in die woning een studentenkamer op de eerste verdieping. In de woning woonde zij met nog vier huisgenoten. Vanaf tenminste 5:59 uur heeft de verdachte zich opgehouden in de buurt van de woning van het slachtoffer. Het slachtoffer en haar vriendin [getuige 1] hebben de Melkweg rond 05:04 uur verlaten en zijn om 06:42 uur aangekomen bij de woning van het slachtoffer. Zij hebben samen achtereenvolgens op het balkon, dat grenst aan de kamer van het slachtoffer, en in de woonkamer van het slachtoffer gezeten. Door de verdachte is tussen 07:38 uur en 07:45 uur aangebeld bij getuige [getuige 2] die woonachtig is op de [a-straat 2] waarbij de verdachte zich heeft voorgedaan als de onderbuurman van het slachtoffer. Aan [getuige 2] heeft hij gevraagd of hij via het balkon naar ‘zijn’ woning mocht klimmen omdat hij de sleutel was vergeten. De verdachte is uiteindelijk via het balkon van [getuige 2] achter de woning van het slachtoffer gekomen. Via die weg was het mogelijk om het balkon van de woning van het slachtoffer te bereiken. [getuige 1] heeft de woning van het slachtoffer om 09:02 uur verlaten. Een huisgenoot van het slachtoffer was op dat moment nog thuis, de overige huisgenoten hadden de woning al verlaten en één huisgenoot bevond zich in het buitenland. Om 09:11 uur heeft het slachtoffer nog een Whats-App bericht verstuurd naar een vriendin. Uit camerabeelden is gebleken dat de verdachte de woning van het slachtoffer om 10:21 uur heeft verlaten. Om 10:54 uur kwam verbalisant [verbalisant] ter plaatse nadat hij rond 10:26 uur de opdracht had gekregen om een onderzoek in te stellen naar een melding van de Aware-knop van het slachtoffer. In de woning trof hij het slachtoffer aan in haar kamer, liggend op haar rug in een plas bloed. De sectie op het lichaam van het slachtoffer heeft uitgewezen dat zij is overleden door meerdere messteken. Het overlijden van het slachtoffer was het gevolg van ernstig bloedverlies door in het bijzonder twee steekletsels boven haar linkersleutelbeen waarbij de linkerokselader en de lichaamsslagader waren geperforeerd. Verder had zij steek- en snijletsels op haar hoofd, borstkas, nek, rug, armen en handen. 2.1.4. De verdachte heeft verklaard dat hij op 11 juli 2018 naar de woning van het slachtoffer is gegaan en daar geruime tijd met het slachtoffer heeft gepraat in haar kamer. Zij hebben onenigheid gekregen waarbij in de lezing van de verdachte het slachtoffer een mes tevoorschijn heeft gehaald en dit mes op de verdachte heeft gericht. Hierna is een worsteling ontstaan met het mes in het midden. In hoger beroep heeft de verdachte hieraan toegevoegd dat door het duwen en trekken om het mes het mes de slagader van het slachtoffer heeft geraakt en dat hij niet weet hoe het dodelijk letsel aan de slagader is ontstaan. Het hof heeft de verklaringen van de verdachte als niet geloofwaardig aangemerkt. De verweren gevoerd namens de verdachte dat er sprake was van noodweersituatie en dat niet is gebleken van een vooropgezet plan van de verdachte om het slachtoffer van het leven te beroven heeft het hof verworpen. Het hof is uiteindelijk tot een bewezenverklaring van moord gekomen (feit 1). 2.2. De volgorde van bespreking van de middelen 2.2.1. De in de drie middelen geformuleerde klachten geven aanleiding deze middelen in een andere volgorde te bespreken dan waarin zij zijn voorgesteld in die zin dat het derde middel (afwijzing contra-expertise) het eerst zal worden besproken, vervolgens het vierde middel (afwijzing verzoek horen getuigen) en daarna het eerste middel (bewezenverklaring ‘voorbedachte raad’). Als laatste komt het tweede middel dat zich richt tegen de overschrijding van de redelijke termijn aan de orde. 2.2.2. Aan het slot van de schriftuur zijn namens de verdachte nog ‘met klem’ enkele ‘overige middelen’ opgenomen. Deze ‘middelen’ houden onder meer in dat de verdachte geen eerlijk proces heeft gehad, de inhoud van het PBC-rapport niet klopt, hij beestachtig is behandeld op het moment dat hij in alle beperkingen zat en hij onvoldoende tijd heeft gehad om zich op zijn proces te kunnen voorbereiden omdat hij op dat moment een intensieve klinische behandeling onderging. De inhoud van deze door de verdachte aanvullend voorgestelde middelen voldoen niet aan de eisen die gesteld worden aan een middel zoals bedoeld in art. 437 Sv. Deze middelen worden dan ook niet in deze conclusie besproken. 2.3. Het derde middel (afwijzing contra-expertise) 2.3.1. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte de door de verdediging verzochte contra-expertise over de geestesgesteldheid van de verdachte heeft afgewezen, althans dat het die afwijzende beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd. 2.3.2. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 februari 2020 (een regiezitting) gehechte pleitnota houdt het volgende in (met weglating van voetnoten): “De verdediging verzoekt verwijzing van de zaak naar een raadsheer-commissaris teneinde: 1. Te benoemen twee deskundigen, zowel een psycholoog en een psychiater, teneinde een contra-expertise te verrichten naar de geestesgesteldheid van cliënt en de invloed die deze gesteldheid heeft gehad op het delict. Het Openbaar Ministerie meent dat het benoemen van twee deskundigen, teneinde een contra-expertise te verrichten niet noodzakelijk Is. De redenering daarachter is dat er reeds een uitgebreid PBC-rapport ligt. Dat er een uitgebreid PBC-rapport ligt, ontkent de verdediging niet. De verdediging plaatst echter wel vraagtekens bij de inhoud van dit rapport. In de visie van de verdediging is contra- expertise dan ook wel degelijk noodzakelijk. Noodzakelijk, niet enkel om te beoordelen of sprake was van voorbedachte raad of niet, maar ook in het licht van de toerekening, oftewel de derde vraag van artikel 350 Sv. Zo valt het de verdediging op dat in het PBC rapport diverse onwaarheden verteld door cliënt worden beschreven, maar dat desondanks wordt geconcludeerd dat bij cliënt geen aanwijzingen zijn gevonden voor het bestaan van een “pseudologia fantastica". Wel wordt geconcludeerd dat het gegeven dat cliënt niet de waarheid sprak of zaken verdraaide onderdeel uitmaakt van de psychopathologie van cliënt. Verwezen wordt naar een "fantasiewereld” waarin cliënt lijkt te zijn leven. Desondanks achten de onderzoekers cliënt verminderd toerekeningsvatbaar. Redengevend achten zij dat geen aanwijzingen aanwezig zijn voor een ernstige cognitieve stoornis, ernstige depressie of floride psychose. Daarom achten zij cliënt niet geheel ontoerekeningsvatbaar. Met deze redenering lijken de onderzoekers een gradatie over te slaan, namelijk de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. Een gradatie die in de visie van de verdediging wel een reële mogelijkheid vormt. Onder sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid wordt immers verstaan: “verregaande vermindering van de wilsvrijheid als gevolg van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een situatief bepaalde verslechtering van het psychiatrisch toestandsbeeld doordat bepaalde stimuli uit de delictsituatie specifiek inwerken op de geestesgesteldheid.” De verdediging acht het van belang dat uit het PBC-rapport volgt dat onder meer de agressieregulatie en impulscontrole weinig aanwijzingen bieden voor de aanwezigheid van een stoornis daaromtrent, maar dat een krenking binnen een intieme relatie hier wel toe zou kunnen leiden. In dat kader acht de verdediging voorts van belang dat de onderzoekers verderop in de rapportage concluderen dat cliënt vanuit zijn narcistische persoonlijkheidspathologie de negatieve gevoelens ongedaan wilde maken door contact te zoeken met [slachtoffer] en haar daarmee te dwingen het gevoel van miskenning en krenking op te heffen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat indien dergelijk zoeken naar contact op de tenlastegelegde datum 11 juli 2018 (opnieuw) niet tot het ongedaan maken van de negatieve gevoelens leidde, dit het delictgedrag ten gevolg kan hebben gehad. In dat geval kan worden vastgesteld dat bepaalde stimuli uit een delictsituatie specifiek hebben ingewerkt op de geestesgesteldheid. En juist dat impliceert dat sprake kan zijn van sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. Kortom: de verdediging plaatst gemotiveerd vraagtekens bij de conclusies van de onderzoekers zoals neergelegd in het PBC-rapport. Deze vraagtekens maken dat de relatie tussen de stoornis(sen) en het ten laste gelegde in het kader van het PBC-rapport niet zodanig wordt beschreven dat Uw Hof daaraan een waterdichte conclusie kan verbinden voor de juridische oorzakelijkheid. In de visie van de verdediging brengt de eis van eerlijke procesvoering dan ook met zich mee brengen dat het verzoek om contra expertise dient te worden toegewezen. Immers is het verzochte onderzoek ten aanzien van feit 1 noodzakelijk in het licht van de eerste vraag van artikel 350 Sv, maar ten aanzien van beide feiten ook ten aanzien van de derde vraag: de vraag naar de toerekening. Concluderend verzoek ik Uw Hof dan ook twee deskundigen, zowel een psycholoog als een psychiater, te benoemen, teneinde een contra-expertise te verrichten naar de geestesgesteldheid van cliënt en de invloed die deze gesteldheid heeft gehad op het delict.” 2.3.3. In aanvulling hierop is door de raadsvrouw ter terechtzitting van 3 februari 2020 het volgende aangevoerd: “U vraagt mij of de onderzoekswensen ook worden gehandhaafd met het oog op het onderzoek naar waarheidsvinding, te weten de invloed/doorwerking op de voorbedachte raad. Ik ben geen deskundige op dat gebied. Ik wil het onderzoek zo breed mogelijk houden. Ik ben er niet mee bekend dat het Pieter Baan Centrum niet meer adviseert in vijf gradaties van toerekeningsvatbaarheid, maar slechts in drie gradaties. Ik kan me echter voorstellen dat uw hof toch geïnteresseerd is in de mate van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Ook al kunnen de deskundigen niet in die termen spreken, er kunnen wel vragen over gesteld worden. Ik wil vragen stellen die zien op de doorwerking van de stoornis in het delict. Als zij niet het sticker van sterk verminderd toerekeningsvatbaar willen plakken, wil ik nog wel steeds weten wat de mate van doorwerking is. De verdediging is het wel eens met de tbs-behandeling. Wij gaan daar niet tegen vechten. Het juridische probleem van de verdediging met het vonnis is dat vastgesteld wordt dat mijn cliënt een stoornis heeft en behandeld moet worden, maar hij desondanks 15 jaar de gevangenis in moet voordat hij die behandeling kan ondergaan. De behandeling moet eerder aanvangen. Mijn cliënt is het eens met de tbs-behandeling.” 2.3.4. Bij tussenarrest van 17 februari 2020 heeft het hof op dit verzoek als volgt beslist: “Oordeel hof Verzoek contra-expertise De eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat aan een verzoek tot het doen verrichten van een tegenonderzoek gevolg behoort te worden gegeven. Of zich zo een geval voordoet, is afhankelijk van de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (

  1. a)de gronden waarop het verzoek steunt, (
  2. b)het belang van het gevraagde tegenonderzoek in het licht van -bijvoorbeeld- de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat, (
  3. c)de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk onderzoek nog mogelijk is, en (
  4. d)de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs (niet) eerder had kunnen worden gedaan, (vgl. HR 8 februari 2005, LJN AR7228, NJ 2005, 514). Het hof is van oordeel dat - hoewel de onder (b), (
  5. c)en (
  6. d)genoemde omstandigheden in enige mate toewijzing van het verzoek ondersteunen - in het onderhavige geval door de verdediging geen concrete omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan getwijfeld zou moet worden aan de juistheid van (de inhoud van) het PBC-rapport. De door de raadsvrouw opgeworpen vragen zien in essentie meer op een verzoek om verduidelijking van de inhoud van het rapport dan op kritiek daarop. Andere feiten of omstandigheden op grond waarvan twijfel aan de inhoud en conclusies van het PBC-rapport gerechtvaardigd is, zijn evenmin gebleken. Ook is geen nieuwe informatie naar voren gekomen die een nieuw onderzoek naar (de persoon van) verdachte noodzakelijk maakt. Voor zover het verzoek ziet op de vraag of - gelet op de doorwerking van de stoornis(sen) waarmee verdachte is gediagnosticeerd - sprake was van voorbedachte raad merkt het hof op dat dit oordeel volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voorbehouden aan de feitenrechter, die inmiddels al beschikt over een onderzoek naar de geestesgesteldheid van de verdachte. Het verzoek tot nader onderzoek komt (ook) op die grond niet voor toewijzing in aanmerking.” 2.3.5. Het verzoek zoals dat op de terechtzitting in hoger beroep is gedaan, is een verzoek als bedoeld in art. 328 in verbinding met de art. 315–317 Sv, welke bepalingen ingevolge art. 299 Sv van overeenkomstige toepassing zijn voor deskundigen. Ingevolge art. 415 Sv zijn deze bepalingen ook in hoger beroep van toepassing. Gelet op het bepaalde in art. 315, lid 3, tweede volzin Sv en art. 316 Sv moet het hof een dergelijk verzoek tot het doen van nader onderzoek toetsen aan het noodzakelijkheidscriterium. Een eventuele afwijzing moet op grond van art. 330 Sv worden gemotiveerd. In cassatie staat slechts de vraag centraal of de feitenrechter het juiste criterium heeft toegepast en of de feitenrechter de afwijzing van een dergelijk verzoek begrijpelijk dan wel voldoende heeft gemotiveerd. 2.3.6. Met betrekking tot de begrijpelijkheid van de motivering wordt in de toelichting op het middel in het algemeen aandacht besteed aan het nut en belang van een contra-expertise en de rechtspraak van de Hoge Raad – zoals deze ook is vooropgesteld door het hof – waarin is overwogen dat de eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat aan een verzoek tot het doen verrichten van tegenonderzoek door een deskundige gevolg moet worden gegeven. Of zich zo een geval voordoet is afhankelijk van de omstandigheden van de concrete zaak. Daarbij kan volgens de Hoge Raad worden gedacht aan (
  7. a)de gronden waarop het verzoek steunt, (
  8. b)het belang van het gevraagde tegenonderzoek in het licht van – bijvoorbeeld – de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat, (
  9. c)de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk onderzoek nog mogelijk is en (
  10. d)de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan. Daarnaast is door de steller van het middel een beroep gedaan op rechtspraak van het EHRM waaruit hij afleidt dat “onder artikel 6 EVRM het beginsel van equality of arms valt en dat dit beginsel vereist dat elke partij een redelijke mogelijkheid dient te krijgen om zijn zaak te presenteren onder voorwaarden die hem niet op een substantiële achterstand zetten”. 2.3.7. Door het hof is geoordeeld dat hoewel de onder (b), (
  11. c)en (
  12. d)genoemde omstandigheden in enige mate toewijzing van het verzoek ondersteunen, in het onderhavige geval door de verdediging geen concrete omstandigheden zijn aangevoerd waardoor getwijfeld zou kunnen worden aan de juistheid van (de inhoud) van het PBC-rapport. De stelling in de toelichting op het middel dat het hof hiermee ten onrechte heeft verondersteld dat het aanvoeren van concrete omstandigheden van doorslaggevende betekenis is, gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat er kennelijk onvoldoende gronden zijn aangevoerd voor het tegenonderzoek (a). Dan is er ook weinig aanleiding om bij de overige in aanmerking te nemen omstandigheden (
  13. b)tot en met (
  14. d)verder stil te staan. Dat het hof hiermee vooruitloopt op de uitkomsten van een nog te verrichten contra-expertise valt niet in te zien. Daarnaast staat het oordeel van het hof terecht in de sleutel van de al dan niet gebleken noodzaak van het verzoek. Daarbij is het ook van belang dat het hof het verzoek van de verdediging tot het horen van de aan het PBC verbonden psychiater J. van der Meer en psycholoog J. Heerschop, die over de verdachte hebben gerapporteerd, heeft ingewilligd en deze deskundigen op de zitting van het hof van 7 juli 2020 uitvoerig zijn gehoord. 2.3.8. Bovendien gaat het hier niet om een deskundigenonderzoek dat betrekking heeft op het bewijs van het tenlastegelegde feit of de strafbaarheid van het feit. Aan het verzoek is, kort gezegd, enkel ten grondslag gelegd dat door de onderzoekers de gradatie sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid ten onrechte is overgeslagen. Dat er enige vrees bestond dat de onderzoekers niet neutraal en onpartijdig waren, is niet naar voren gebracht. Evenmin is enige omstandigheid naar voren gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een dergelijke vrees objectief gerechtvaardigd zou zijn. 2.3.9. Met betrekking tot het oordeel van het hof dat het volgens vaste jurisprudentie aan de feitenrechter is voorbehouden om te oordelen of er sprake is van voorbedachte raad is door de steller van het middel aangevoerd dat het hof hiermee heeft miskend dat het verzoek niet ziet op de vraag of sprake is van voorbedachte raad. Het verzoek ziet volgens de steller van het middel op tegenonderzoek dat een ander licht zou kunnen werpen op de geestesgesteldheid van de verdachte, hetgeen de feitenrechter aanleiding zou kunnen geven tot een andere weging. Door op voorhand te oordelen dat het PBC-rapport kennelijk voldoende zal zijn en er geen nader onderzoek meer nodig is, heeft het hof volgens de steller van het middel een voorschot genomen op de einduitspraak. Die bewering treft geen doel. Nog afgezien van het feit dat de steller van het middel zich meerdere keren in de toelichting op het middel lijkt tegen de spreken, is de wet hierover duidelijk: de wet schrijft voor dat de rechter de TBS-maatregel slechts kan opleggen nadat hij zich een actueel, met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines die de verdachte hebben onderzocht. Daaraan is in onderhavige zaak voldaan. 2.3.10. De overige door de steller van het middel naar voren gebrachte argumenten bevatten voornamelijk feitelijkheden waarvoor in cassatie geen plaats is. 2.3.11. Overigens is het de vraag of de verdachte wel een in rechte te respecteren belang heeft bij dit middel. Nadat het hof bij tussenarrest van 17 februari 2020 beslissingen heeft genomen ten aanzien van de door de verdediging gedane verzoeken is de zaak inhoudelijk behandeld op 7 juli 2020. Uit het proces-verbaal van deze zitting blijkt niet dat door de verdediging de eerdere afwijzing van het verzoek opnieuw aan de orde is gesteld. Waarom door de verdediging niet is gepersisteerd bij het eerdere verzoek tijdens de inhoudelijke behandeling, is in de cassatieschriftuur niet toegelicht. Nu de verdediging het verzoek bij gelegenheid van de latere terechtzittingen, waaronder die waarop de zaak inhoudelijk is behandeld, niet meer naar voren heeft gebracht, is het – in cassatie niet nader toegelichte – belang van de verdachte bij dit middel niet evident. 2.3.12. Het middel faalt. 2.4. Het vierde middel (afwijzing verzoek horen getuige-deskundige) 2.4.1. Het vierde middel klaagt dat het hof het verzoek om deskundige De Boer als getuige-deskundige te horen ten onrechte heeft afgewezen, althans dat het hof die afwijzing onvoldoende heeft gemotiveerd. 2.4.2. Op 30 juni 2020 is, kennelijk op verzoek van de advocaat-generaal Vijlbrief, een aanvullend rapport opgemaakt door dr. H.H. de Boer, forensisch patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut, dat blijkens het proces-verbaal van de zitting van het hof van 7 juli 2020 aan het procesdossier is toegevoegd. Het aanvullende rapport houdt het volgende in (voetnoten zijn in het citaat weggelaten): “Op 29 juni 2020 ontving het NFI aanvullende vragen in bovengenoemde zaak. Met deze brief zend ik u de beantwoording daarvan. Deze vragen werden diezelfde dag telefonisch toegelicht door [betrokkene 1] van de Eenheid Midden-Nederland. Voor de beantwoording heb ik de sectiefoto's en het door mij opgemaakte definitieve sectieverslag herlezen. De beantwoording is verder gebaseerd op mijn kennis en ervaring als NRGD-geregistreerd forensisch patholoog. Vraag 1: 'Kan er een duiding gegeven worden over het verloop van de steekkanalen van de letsels D en E bij slachtoffer [slachtoffer] ?' Antwoord: Letsel D bevond zich voorwaarts op de linkerschouder, op ca. 154 cm van de voetzoolrand en ca. 12 cm van de lengteas van het lichaam. Bij dit letsel was er een voetwaarts, naar rechts en iets rugwaarts gericht wondkanaal met een diepte van ca. 7,7 cm, met onder andere klieving van de linkerokselader (v. axillaris). De borstholte werd niet bereikt. Het letsel is afgebeeld op de foto's in Appendix 1, waarbij de richting van het wondkanaal is aangegeven met een witte sonde. Letsel E bevond zich net onder letsel D, namelijk links hoog op de borst, op ca. 151 cm van de voetzoolrand en ca. 6 cm van de lengteas van het lichaam. Bij dit letsel was er een voetwaarts, naar rechts en iets rugwaarts gericht wondkanaal tot in de linkerborstholte, met onder andere beschadiging van het linkersleutelbeen, perforatie van de linkerluchtpijptak (linkerhoofdbronchus) en perforatie van de boog van de lichaamsslagader (arcus aortae). De diepte van het wondkanaal was tenminste ca. 6,5 cm. Het letsel is afgebeeld op de foto's in Appendix 2, waarbij de richting van het wondkanaal is aangegeven met een witte sonde. Bij de foto's wordt opgemerkt dat de aangegeven richting is vastgesteld in een gestrekt lichaam, terwijl een schermutseling een dynamisch proces is, waarbij de deelnemers doorgaans in korte tijd vaak van lichaamshouding veranderen. De aangegeven richting geeft dus de richting aan waarmee het oorzakelijk voorwerp het lichaam is in- en uitgegaan. De lichaamshouding van het slachtoffer en de positie/houding van de dader tijdens het ontstaan van het letsel kan hieruit niet per se worden afgeleid. Vraag 2: ‘Is het aannemelijk dat dit letsel door het slachtoffer zelf is toegebracht?' Antwoord: Voor beide letsels geldt dat deze zich op locaties bevinden die in principe bereikbaar zijn voor het slachtoffer. Het is derhalve anatomisch gezien mogelijk dat één of beide letsels door het slachtoffer zelf zijn toegebracht. Echter, zelf toegebrachte steekletsels bevinden zich doorgaans op andere locaties (zoals de hals, de armen of midden op de borst. Daarnaast zijn de richtingen van het steekkanalen zeer atypisch voor zelf toegebrachte letsels; dit laatste geldt voor beide letsels, maar nog iets meer voor letsel D dan voor letsel E. Derhalve stel ik ten aanzien van de volgende hypothesen: Hypothese 1 : Letsel D en E zijn door een ander toegebracht Hypothese 2: Letsel D en E zijn door het slachtoffer zelf toegebracht Dat het aantreffen van deze locaties en wondkanalen veel waarschijnlijker is onder Hypothese 1 dan onder Hypothese 2. Daarnaast wordt aanvullend opgemerkt dat suïcides, dodingen en pogingen daartoe zeer regelmatig worden gezien binnen de forensische pathologie. Uit de forensische literatuur en mijn eigen ervaring zijn mij echter geen casus bekend waarbij een suïcidepoging met steekletsels zich vervolgens ontwikkelt tot een situatie waarbij nog 38 andere steek- en snijletsels door een ander worden toegebracht.” 2.4.3. Als reactie hierop heeft mr. Frijns, de voormalig raadsman van de verdachte, per e-mail bericht van 3 juli 2020 verzocht om De Boer als getuige te horen. Dit e-mail bericht houdt het volgende in: “Dit gewijzigde standpunt is ten dele ingegeven door het aanvullende rapport van het NFI van 30 juni jl. dat ik gisteren heb ontvangen. Het is namelijk in het belang van de verdediging dat aan de deskundige nadere verduidelijkende vragen gesteld kunnen worden over de inhoud van dit rapport. Onder andere zien de vragen op het toetsen van de deskundigheid van De Boer, ten aanzien van vraag 1 hoe de richting precies is vastgesteld, in hoeverre het dynamische proces van invloed is op de vaststelling van het verloop van de steekkanalen en de betrouwbaarheid van die vaststelling. Als het gaat om vraag 2 wens ik nadere verduidelijkende vragen te stellen over de geformuleerde hypotheses, onder andere de vraag of daaronder ook valt het door cliënt geschetste scenario, te weten dat de verwondingen zijn toegebracht in een situatie waarbij beiden het mes vast hebben. Ik wens tevens vragen te stellen over de conclusie. Waarom veel waarschijnlijker? Ik acht dergelijke vragen in het belang van de verdediging en noodzakelijk als gekeken wordt naar artikel 6 EVRM. Het nader horen van De Boer heeft als doel het betwisten van het tenlastegelegde. Ik verzoek u de patholoog zo mogelijk op te roepen voor de zitting van 7 juli aanstaande. Mocht dit niet lukken, dan wens ik De Boer te horen, bij voorkeur bij een RHC.” 2.4.4. Het proces-verbaal van de inhoudelijke behandeling op 7 juli 2020, luidt met betrekking tot het verzoek tot het horen van De Boer als volgt: “De raadsman van verdachte deelt mede, zakelijk weergegeven: (…) Verder hebben we afgelopen week een aanvullend deskundigenrapport van het NFI ontvangen. In dit rapport is het letsel geïnterpreteerd aan de hand van twee hypotheses, hetgeen heeft geleid tot een waarschijnlijkheidsoordeel. Mijn cliënt heeft een verklaring afgelegd bij de rechtbank, waarin hij heeft gesproken over een dynamisch proces, waarbij zowel hij als [slachtoffer] op enig moment het mes vast hebben gehad en het mes niet door toedoen van mijn cliënt in het lichaam van [slachtoffer] is gekomen. Het is de vraag of het scenario dat mijn cliënt tegenover de rechtbank heeft genoemd valt onder één van de twee hypotheses van de deskundige. Los daarvan is het de vraag of het rapport belastend uitgelegd kan worden. Aan de deskundige zouden nadere vragen gesteld moeten worden in het belang van de verdediging teneinde de betrouwbaarheid van het waarschijnlijkheidsoordeel te kunnen toetsen. (…) Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat (…). De beslissing op het verzoek tot het horen van patholoog-anatoom dr. H.H. de Boer wordt aangehouden. Het hof wil de relevantie van het aanvullend rapport beoordelen aan de hand van de behandeling ter zitting. Vervolgens zal bij tussen- of eindarrest worden beslist op het verzoek tot het horen van de deskundige.” 2.4.5. Het hof heeft vervolgens in zijn arrest van 21 juli 2020 als volgt overwogen en beslist: “Verzoek horen forensisch patholoog dr. H.H. de Boer De raadsman van verdachte heeft naar aanleiding van een aanvullend bericht van 30 juni 2020 van dr. H.H.de Boer gericht aan de advocaat-generaal, in hoger beroep verzocht tot het horen van deze forensisch patholoog. Het hof wijst dit verzoek af nu het door dr. H.H. de Boer opgemaakte aanvullende rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 30 juni 2020 niet voor het bewijs is gebruikt. Gelet hierop is het horen van dr. De Boer niet noodzakelijk, ook niet als in die beoordeling de belangen van verdediging worden meegewogen.” 2.4.6. Door de steller van het middel is aangevoerd dat deze beslissing van het hof in feite twee beslissingen bevat waartegen in cassatie ook twee middelen zouden kunnen worden ingediend, te weten (
  15. i)het besluit dat het horen van deskundige De Boer van het NFI niet noodzakelijk is en (
  16. ii)omdat het rapport niet voor het bewijs is gebruikt. Tegen deze twee beslissingen is vanwege de onderlinge verbondenheid één middel geformuleerd. De steller van het middel realiseert zich dat de feitenrechter in beginsel vrij is om te beoordelen welke bewijsmiddelen hij voor het bewijs gebruikt en dat de feitenrechter niet op ieder detail van hetgeen naar voren is gebracht hoeft te reageren. Daar tegenover staat volgens de steller van het middel wel dat wanneer een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen waarin in het bijzonder is aangegeven dat de vragen van invloed zijn op de beoordeling van de ten laste gelegde feiten, niet kan worden volstaan met de enkele opmerking dat het rapport niet voor het bewijs kan worden gebruikt omdat het niet noodzakelijk is. Ter onderbouwing wordt daarbij verwezen naar HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/399, m. nt. Buruma: “3.8.1. Het nieuwe art. 359, tweede lid, Sv brengt geen wijziging in de vrijheid van de rechter die over de feiten oordeelt, ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal alsmede de keuze en weging van de factoren die van belang zijn voor de oplegging van de straf en/of de maatregel. Wel brengt die bepaling mee dat hij zijn beslissing dienaangaande in een aantal gevallen nader zal dienen te motiveren. Omtrent de gevallen en de mate waarin een beslissing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven. In dat verband zal betekenis toekomen aan onder meer de aard van het aan de orde gestelde onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.” 2.4.7. Volgens de steller van het middel doet een dergelijke motiveringsplicht zich in onderliggende zaak voor gelet op het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. Dat het hof hetgeen door de verdediging is gesteld kennelijk niet heeft verstaan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is echter niet onbegrijpelijk. Er is geen sprake van een standpunt dat ‘duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie’ ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. Door de verdediging is niets meer en niets minder aangevoerd dan dat het “de vraag [is] of het scenario dat mijn cliënt tegenover de rechtbank heeft genoemd valt onder één van de twee hypotheses van de deskundige” en het daarnaast de vraag is “of het rapport belastend uitgelegd kan worden”. Daarmee is nog geen sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarop het hof afzonderlijk diende in te gaan. Het middel faalt in zoverre. 2.4.8. Dan resteert de klacht die naar voren is gebracht met betrekking tot de noodzakelijkheid van het horen van getuige De Boer. Maatstaf bij de beslissing op een dergelijk verzoek is of de noodzaak tot het horen van de getuige is gebleken. Over de toepassing van deze maatstaf door het hof wordt niet geklaagd. Waar het middel wel over klaagt is dat volgens de steller van het middel uit de door hem aangehaalde uitspraken van het EHRM kan worden afgeleid dat “wanneer sprake is van een deskundige wiens schriftelijke verklaring gebruikt wordt voor de bewezenverklaring, de noodzaak tot het horen daarmee gegeven is, tenzij het horen van die deskundige ‘manifestly irrelevant or redundant’ is”. 2.4.9. Vooropgesteld moet worden dat het aanvullende rapport zoals opgemaakt door De Boer op 30 juni 2020 niet voor het bewijs is gebruikt, zodat de Straatsburgse rechtspraak waarop de steller van het middel zich beroept in de onderhavige zaak niet van toepassing is. 2.4.10. In de toelichting op het middel wordt beargumenteerd dat, doordat in het rapport van 30 juni 2020 aanvullende scenario’s zijn geschetst waar een waarschijnlijkheidsoordeel aan verbonden is, het rapport van 18 juli 2020 van De Boer dat wel voor het bewijs is gebruikt en “in feite de basis [vormt] voor de bewezenverklaring, omdat daarin de doodsoorzaak is vastgesteld”, in een ander daglicht komt te staan. Volgens de steller van het middel blijkt uit het rapport van 30 juni 2020 dat De Boer daarin kennelijk wel van de hypothese is uitgegaan dat het slachtoffer heeft geprobeerd om zichzelf van het leven te beroven. Gewezen wordt op de volgende passage: “Daarnaast wordt aanvullend opgemerkt dat suïcides, dodingen en pogingen daartoe zeer regelmatig worden gezien binnen de forensische pathologie. Uit de forensische literatuur en mijn eigen ervaring zijn mij echter geen casus bekend waarbij een suïcidepoging met steekletsels zich vervolgens ontwikkelt tot een situatie waarbij nog 38 andere steek- en snij letsels door een ander worden toegebracht.” De vragen die gesteld zouden kunnen worden naar aanleiding van het rapport van 30 juni 2020 zijn daarom, zo wordt betoogd, ook van belang voor het rapport van 18 juli 2018. 2.4.11. Die redenering is moeilijk te volgen. Uit de hiervoor aangehaalde weergave uit het aanvullende rapport van De Boer blijkt weliswaar dat hij de hypothese heeft getoetst dat het slachtoffer zichzelf om het leven zou hebben gebracht. Dat gebeurde echter niet op eigen initiatief maar naar aanleiding van de (kennelijk) door de advocaat-generaal Vijlbrief voorgelegde vraag of het aannemelijk is dat de letsels door het slachtoffer zelf zijn toegebracht. Daarop antwoordt De Boer dat het veel waarschijnlijker is dat de letsels door een ander zijn toegebracht dan door het slachtoffer zelf en merkt hij nog op dat een dergelijke casus waarbij nog eens 38 andere steek- en snij letsels door een ander worden toegebracht hem zowel vanuit de forensische literatuur als uit zijn eigen ervaring niet bekend zijn. 2.4.12. Dat er nauwe samenhang zou zijn tussen de rapporten valt niet in te zien. In het rapport van 18 juli 2018 wordt in feite slechts de doodsoorzaak vastgesteld. Bovendien vormt het rapport van 18 juli 2018, anders dan de steller van het middel meent, niet uitsluitend de basis voor de bewezenverklaring. Het hof heeft daarnaast als bewijsmiddel onder andere gebezigd het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] waaruit blijkt dat hij het levenloze lichaam van het slachtoffer in een plas met bloed heeft aangetroffen (bewijsmiddel 23), het bij het slachtoffer aangetroffen mes en de latexhandschoen met daarin DNA-sporen van de verdachte en welke door de verdachte naar de woning van het slachtoffer zijn meegebracht (bewijsmiddelen 25, 26, 29, 32, 33, 34, 35, 36 en 37) alsmede de eigen verklaring van de verdachte dat hij ‘door het lint is gegaan’ en ‘verwoestend’ heeft uitgehaald (bewijsmiddel 30). 2.4.13. Slotsom is dan ook dat het aanvullende rapport van De Boer van 30 juni ook niet indirect voor de bewijsvoering is gebezigd. Het oordeel van het hof dat gelet daarop het horen van De Boer niet noodzakelijk is, ook niet als in die beoordeling de belangen van verdediging worden meegewogen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft met deze overweging ook niet miskend dat het er bij de beoordeling van een getuigenverzoek in de kern om gaat of het horen van de getuige noodzakelijk was met het oog op de volledigheid van het onderzoek. 2.4.14. Het middel faalt. 2.4.15. Tot slot bevat het middel nog een (voorwaardelijk) verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. In aanmerking genomen hetgeen hiervoor is opgemerkt dat en waarom het middel niet tot cassatie kan leiden, komt het in de schriftuur vervatte verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie niet voor toewijzing in aanmerking. 2.4.16. Het middel faalt in al zijn onderdelen. 2.5. Het eerste middel (bewezenverklaring ‘voorbedachte raad’) 2.5.1. Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 1 en klaagt dat de bewezenverklaarde voorbedachte raad niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dan wel ontoereikend is gemotiveerd. Bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen 2.5.2. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder meer bewezenverklaard dat: “Feit 1 primair hij op 11 juli 2018 te Utrecht, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een mes in het hoofd en de hals en de pols en de borst, te steken/snijden.” 2.5.3. Deze bewezenverklaring berust op 26 in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen. Van het aanhalen van de in die aanvulling opgenomen bewijsmiddelen, waarop het hof de bewezenverklaring van feit 1 heeft doen steunen, wordt gelet op de omvang hier afgezien. Waar nodig voor de bespreking van het middel zal verwezen worden naar het betreffende bewijsmiddel. 2.5.4. Voorts heeft het hof de volgende bewijsoverwegingen in het arrest opgenomen: “Overweging over het onder 1 primair tenlastegelegde (moord) Op 11 juli 2018 is het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen in haar studentenkamer in Utrecht. Zij is die ochtend door meerdere messteken om het leven gekomen. De verdediging heeft ter zitting een beroep gedaan op noodweer(exces) of putatief noodweer en heeft de door de rechtbank bewezenverklaarde voorbedachte rade betwist. Het hof overweegt als volgt. Verklaringen verdachte Verdachte zelf heeft zeer wisselend verklaard over wat er is gebeurd en heeft zijn verklaringen in de loop der tijd telkens aangepast. Nadat verdachte aanvankelijk iedere betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] ontkende, heeft hij op een gegeven moment verklaard dat [slachtoffer] was omgebracht door leden van een motorbende - als represaille voor een incident in 2016 - en dat hij van die bendeleden had moeten ‘kiezen’ tussen het ombrengen van zijn vriendin of zijn oma. Bij zijn politieverhoor en op de zittingen van de rechtbank en het hof heeft verdachte verklaard dat hij op 11 juli 2018 naar de woning van [slachtoffer] is gegaan en aldaar geruime tijd met [slachtoffer] heeft gepraat in haar kamer, waarna zij onenigheid kregen. [slachtoffer] zou daarbij een mes tevoorschijn hebben gehaald en dit mes op verdachte hebben gericht. Er ontstond een worsteling met het mes in het midden. Bij de rechtbank heeft verdachte verklaard dat hij op een gegeven moment de handen van [slachtoffer] heeft losgelaten en dat door de vrijkomende kracht [slachtoffer] het dodelijke letsel bij zichzelf heeft toegebracht en het mes twee keer dwars door de slagader ging. Daarna is verdachte door het lint gegaan en heeft hij verwoestend uitgehaald. Bij het hof heeft verdachte die verklaring aangepast en verklaard dat hij door het duwen en trekken om het mes, ‘het mes de slagader zag raken’ en dat hij niet weet hoe het dodelijke letsel aan de slagader is ontstaan. Dat verdachte zo wisselend, en op punten aantoonbaar onjuist, heeft verklaard, maakt dat het hof de verklaringen van verdachte in beginsel als niet geloofwaardig aanmerkt en deze niet voor het bewijs zal bezigen, tenzij deze worden onderbouwd door ander bewijsmateriaal. Bewijsmiddelen Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, leidt het hof het volgende af. In de nacht van 10 op 11 juli 2018 waren zowel verdachte als [slachtoffer] bij het evenement “Techno Tuesday” in de Melkweg in Amsterdam. [slachtoffer] was hier met een vriendin, getuige [getuige 1] . Verdachte is in de ochtend van 11 juli 2018, nadat hij rond 4.12 uur de Melkweg in Amsterdam had verlaten, rechtstreeks naar de woning aan de [a-straat 1] te Utrecht gegaan, waar [slachtoffer] - samen met vier huisgenoten - op de eerste etage een studentenkamer had. Hij heeft zich vervolgens ten minste vanaf 05.59 uur opgehouden in de buurt van deze woning. Om 06.42 uur zijn [slachtoffer] en [getuige 1] , die de Melkweg rond 05.04 uur hadden verlaten, aangekomen in de woning van [slachtoffer] . Zij hebben achtereenvolgens op het balkon/dakterras van de woning (welk balkon/dakterras grensde aan de kamer van [slachtoffer] ) en in de kamer van [slachtoffer] gezeten. Tussen 07.38 en 07.45 uur heeft verdachte aangebeld bij getuige [getuige 2] , die woont aan de [a-straat 2] . Verdachte heeft zich voorgedaan als de onderbuurman. Hij heeft aan [getuige 2] gevraagd of hij via het balkon ‘zijn’ woning binnen mocht klimmen omdat hij zijn sleutel was vergeten. Via het balkon van [getuige 2] is verdachte vervolgens achter de woning van [slachtoffer] gekomen. Het was mogelijk het balkon/dakterras van die woning te benaderen vanaf de achterzijde van de woning en/of naastgelegen percelen. Om 09.02 uur heeft [getuige 1] de woning verlaten. Eerder al hadden de huisgenoten [betrokkene 2] en [betrokkene 3] de woning verlaten. Huisgenoot [betrokkene 4] was in verband met verblijf in het buitenland afwezig. Huisgenoot [betrokkene 5] bevond zich op haar eigen kamer. [slachtoffer] heeft om 09.11 uur nog een WhatsApp-bericht verstuurd naar een vriendin, getuige [getuige 3] . Op of omstreeks 10.21 uur heeft verdachte de woning aan de [a-straat 1] verlaten. Om 10.54 uur kwam verbalisant [verbalisant] ter plaatse nadat hij rond 10.26 uur de opdracht had gekregen een onderzoek in te stellen naar een melding van de Aware-knop van [slachtoffer] . Hij werd binnengelaten door [betrokkene 5] en trof vervolgens [slachtoffer] in haar kamer aan, liggend op haar rug in een plas bloed. Zij had in totaal 26 steek- en veertien snijletsels. Het overlijden van [slachtoffer] was het gevolg van ernstig bloedverlies door in het bijzonder twee steekletsels boven haar linkersleutelbeen waarbij de linkerokselader en de lichaamsslagader werden geperforeerd. Zij-had verder steek- en snijletsels op haar hoofd, borstkas, nek, rug, armen en handen. Op de arm van [slachtoffer] werd een afgebroken lemmet van een mes aangetroffen. Op de overloop van de woning werd een opvallend zwart-wit gekleurd handvat van een mes aangetroffen, waarvan het lemmet niet meer aanwezig was. Voorts werd in de hal bij de voordeur een stukje bebloede latexhandschoen aangetroffen. Op de latexhandschoen is op twee plekken DNA-materiaal aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] . Aan de binnenzijde van de handschoen is verder een DNA- mengprofiel aangetroffen van [slachtoffer] en verdachte. Onder een aantal aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek tweehonderdduizend keer waarschijnlijker als het DNA van verdachte is dan wanneer het DNA niet van verdachte is. In de auto waarin verdachte reed toen hij op 11 juli 2018 om 11.26 uur werd aangehouden, is achter de bestuurdersstoel een lege verpakking van latexhandschoenen aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij de handschoen had meegenomen naar de woning van [slachtoffer] . Op de zitting van het hof heeft hij verklaard dat hij de handschoen aanhad toen hij zich op de kamer van [slachtoffer] bevond. Het lichaam van verdachte had bij zijn aanhouding geen beschadigingen. In de garage van de woning van verdachte is een messenset aangetroffen, waarvan één mes ontbrak. Bij vergelijkend messenonderzoek is gebleken dat het heft qua kleurstelling en vorm identiek was aan alle andere messen in de doos, dat het lemmet en het heft zeer waarschijnlijk ooit één geheel zijn geweest en dat dit mes paste in de doos met messen afkomstig uit de woning van verdachte. Aan de vier huisgenoten van [slachtoffer] is het mes getoond, maar zij herkenden het mes niet. Hieruit concludeert het hof dat het mes zich voorafgaand aan het misdrijf niet in de woning bevond, maar door verdachte naar de woning is meegenomen. Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof af dat verdachte; - zich met de latexhandschoen en het mes toegang heeft verschaft tot de woning en kamer van [slachtoffer] ; - dat hij om 10.21 uur de woning heeft verlaten en - dat [slachtoffer] tussen 9.10 uur en 10.21 uur in aanwezigheid van uitsluitend verdachte om het leven is gekomen door in totaal 26 steek- en veertien snij letsels. Beroep op noodweer/noodweerexces/putatief noodweer Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer] een mes tevoorschijn haalde en het mes op hem richtte en de fatale steekletsels in een gevecht hebben plaatsgevonden, en dat er dus sprake was “van een levensbedreigende situatie” en “een wervelwind”, juridisch vertaald als een noodweersituatie. Het hof behandelt deze verweren hier omdat de beoordeling samenhangt met de vaststelling van de feiten. Wat zich tussen 9.10 en 10.21 uur precies heeft afgespeeld in de kamer van [slachtoffer] kan het hof niet met zekerheid vaststellen. Huisgenote [betrokkene 5] (woonachtig op de tweede etage) heeft na 10.00 uur nog wel “iets van gestommel” gehoord, maar dacht in eerste instantie dat dit geluid van buiten kwam. De door verdachte beschreven gang van zaken tijdens de zittingen van de rechtbank en het hof, acht het hof in ieder geval niet geloofwaardig. Het is niet aannemelijk dat [slachtoffer] en verdachte nog geruime tijd met elkaar hebben gesproken als wordt gekeken naar de moeizame verhouding tussen [slachtoffer] en verdachte, de aangifte van stalking door [slachtoffer] , de politiecontacten, de gemoedstoestand van [slachtoffer] bij eerdere confrontaties met verdachte en het feit dat verdachte opnieuw via het balkon/dakterras [slachtoffer] ’s kamer was binnengedrongen. Ook acht het hof het niet aannemelijk dat vervolgens [slachtoffer] degene is geweest die het mes tevoorschijn heeft gehaald. Dit wordt namelijk weersproken door de hiervoor genoemde bewijsmiddelen op grond waarvan het hof al heeft geoordeeld dat verdachte zelf het mes had meegenomen. Om dezelfde reden acht het hof het niet aannemelijk dat [slachtoffer] zichzelf de dodelijke letsels heeft toegebracht in een worsteling om het mes. Daar komt bij dat het volslagen onaannemelijk is dat [slachtoffer] op de door verdachte beschreven wijze in een gevecht zichzelf niet minder dan twee dodelijke letsels toebrengt. Dit laatste is door verdachte in hoger beroep overigens ook niet (meer) aangevoerd. Het hof concludeert dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] alle steek- en snij letsel heeft toegebracht. Het hof verwerpt het beroep op noodweer. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aanvullend nog aangevoerd dat verdachte niet strafbaar is en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat: 1. de worsteling en met name het toebrengen van de verwonding door [slachtoffer] bij zichzelf, bij verdachte tot een hevige gemoedsbeweging leidde, waartegen hij geen weerstand kon bieden, zodat sprake was van noodweerexces; 2. verdachte abusievelijk in de veronderstelling verkeerde dat hij zich moest dan wel mocht verdedigen en hiermee sprake was van zogenoemd putatief noodweer. Het hof verwerpt dit verweer. Hiervoor is reeds overwogen dat er op geen enkel moment sprake was van een noodweersituatie en derhalve dient ook het beroep op noodweerexces te worden verworpen. Voorts is niet gebleken dat sprake was van een situatie waarin verdachte redelijkerwijs kon veronderstellen dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een dreigend gevaar daarvoor waartegen hij zich zou mogen verdedigen, zodat ook het verweer van putatief noodweer moet worden verworpen. Voorbedachten rade De vraag die dan nog voorligt, is of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Voorbedachte raad is een strafverzwarende vorm van opzet. De verdediging heeft aangevoerd dat uit het dossier niet een vooropgezet plan van verdachte volgt om [slachtoffer] van het leven te beroven. Voorts is aangevoerd dat er onvoldoende tijd en gelegenheid is geweest voor verdachte om na te denken, oftewel te weinig kans voor beraad, waardoor voorbedachte raad niet kan worden bewezen, aldus de raadsman. Verder heeft de raadsman gesteld dat de geestestoestand van verdachte een contra-indicatie oplevert voor voorbedachte raad. Het hof oordeelt als volgt. In het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, is overwogen dat “voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met Voorbedachte raad heeft gehandeld.” Met het oog hierop wijst het hof erop dat verdachte zich tussen 07.38 en 07.45 uur met medeneming van een mes en een latexhandschoen heimelijk toegang heeft verschaft tot de binnenplaats dan wel het balkon/dakterras achter de woning van [slachtoffer] en heeft gewacht totdat [slachtoffer] alleen in haar kamer was. Vervolgens heeft hij zich de toegang tot de kamer van [slachtoffer] verschaft en heeft hij haar tussen 09.10 een 10.21 uur met het door hem meegenomen mes en terwijl hij de door hem meegebrachte latexhandschoen aanhad, doodgestoken. Hoewel het hof niet met zekerheid kan vaststellen wat zich precies in de kamer van [slachtoffer] heeft afgespeeld, trekt het hof uit de genoemde omstandigheden de conclusie dat verdachte van plan was [slachtoffer] om het leven te brengen. Dat verdachte zowel een mes had meegenomen als een latexhandschoen, die daarna allebei zijn gebruikt om [slachtoffer] te doden, rechtvaardigt geen andere conclusie dan dat verdachte steeds van plan was [slachtoffer] met het mes neer te steken en met het aantrekken van de handschoen wilde voorkomen dat hij sporen zou achterlaten. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij de handschoen droeg in verband met een schade aan zijn auto of om zich te weren tegen splinters van de balustrade van het balkon van getuige [getuige 2] , acht het hof ongeloofwaardig. Uit het geschetste tijdsverloop blijkt dat verdachte zich gedurende langere tijd heeft opgehouden op de binnenplaats dan wel het balkon/dakterras van de woning van [slachtoffer] . Vaststaat dat hij het mes en de handschoen in ieder geval bij zich had nadat hij met een smoes de tuin achter de woning van [slachtoffer] was binnengedrongen en zich daar in ieder geval meer dan een uur heeft schuilgehouden. Verdachte heeft vóór de uitvoering van zijn daad dan ook ruimschoots de tijd en mogelijkheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap te geven. Behalve de verklaring van verdachte die door het hof ongeloofwaardig wordt geacht, is in het dossier geen aanwijzing te vinden voor een onverwachte uitlokkende gebeurtenis, in welke vorm dan ook, die heeft geleid tot zijn dodelijke handelen. Enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet aannemelijk geworden. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. Zo een contra-indicatie is naar het oordeel van het hof ook niet gelegen in de geestestoestand van verdachte. Alles overwegende acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.” 2.5.5. Uit de toelichting op het middel blijkt dat de steller van het middel verschillende pijlen (welke overigens moeilijk te volgen zijn) richt op de bewezenverklaarde voorbedachte raad. Een groot deel van het betoog bestaat echter uit een herhaald dan wel een nog niet eerder gevoerd feitelijk verweer tegen de bewijsmotivering van het hof. Daarvoor is in cassatie geen plaats. Het is immers de feitenrechter die over de feiten beslist en aan wie het is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene voor het bewijs te gebruiken wat deze uit oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De feitenrechter hoeft – uitzonderingen daargelaten – ook niet te motiveren waarom hij bepaald bewijs betrouwbaar acht. Daar komt bij dat sommige verweren (zoals het verweer met betrekking tot het indrukken van de Aware-knop, randnummers 19, 20 en 21 van de schriftuur) niet voor het eerst in cassatie kunnen worden gevoerd, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen. Tot slot is nog van belang dat in dergelijke gevallen voor de omvang van de motiveringsplicht betekenis toekomt aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten en het voorts niet zo is dat de rechter gehouden is om op ieder detail van de argumentatie in te gaan. 2.5.6. Een van de stellingen die in het middel wordt aangevoerd is, dat door het hof meerdere malen is herhaald dat “niet met zekerheid kan worden vastgesteld wat er zich tussen 9:10 uur en 10:21 uur precies in de kamer van het slachtoffer heeft afgespeeld”. Deze constatering is volgens de steller van het middel innerlijk tegenstrijdig met de bewezenverklaarde moord en roept de vraag op of het hof tot een bewezenverklaring van moord heeft kunnen komen gelet op het door de Hoge Raad in zijn arrest van 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518, m. nt. Keulen (en ook in HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, NJ 2014/156, m. nt. Keulen) geformuleerde beoordelingskader en dan in het bijzonder de laatste alinea van r.o. 2.7.3, te weten: “Mede met het oog op het hierboven aangeduide strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.” 2.5.7. Door de steller van het middel is daarnaast aangevoerd dat de bewezenverklaarde moord evenmin rechtstreeks uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid zoals deze zijn opgesomd door het hof, te weten de latexhandschoen, het mes en de tijd dat de verdachte in de woning is geweest. Juridisch kader 2.5.8. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Wil er sprake zijn van voorbedachte raad, dan dient de verdachte de tijd te hebben gehad om zich te beraden op het besluit het slachtoffer van het leven te beroven en niet te hebben gehandeld in een gemoedsopwelling. Er moet dus gelegenheid hebben bestaan dat de verdachte over de betekenis en de gevolgen van zijn voornemen heeft nagedacht en zich daarvan ook rekenschap heeft gegeven. Als vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, dan is het redelijk aan te nemen dat de verdachte daarvan ook gebruik heeft gemaakt in hiervoor vermelde zin. Een dergelijke situatie komt met name voor wanneer de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Om de vraag te kunnen beantwoorden of er sprake is van voorbedachte raad gaat het dan om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. Of voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt sterk af van de hiervoor eerder genoemde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals bijvoorbeeld de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en ook de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt daarbij een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar dat hoeft de rechter er niet van te weerhouden eventuele contra-indicaties zwaarder te laten wegen. Daarbij verdient tot slot nog opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te kunnen verbinden dat er sprake is van voorbedachte raad. 2.5.9. Opmerking verdient dat het middel niet opkomt tegen het oordeel van het hof dat de verdachte in de woning is geweest van het slachtoffer op 11 juli 2018 tussen uur 09:10 uur en 10:21 uur, zodat daarvan in cassatie kan worden uitgegaan. 2.5.10. Met betrekking tot het bestanddeel voorbedachte raad is door verdediging blijkens het proces-verbaal in hoger beroep van 7 juli 2020 en de daaraan gehechte pleitnota – kort gezegd – naar voren gebracht dat uit het dossier geen vooropgezet plan volgt om het slachtoffer om het leven te brengen, er onvoldoende tijd en gelegenheid is geweest voor de verdachte om na te denken waardoor voorbedachte raad niet kan worden bewezen, de verdachte handelde vanuit een hevige gemoedsbeweging die leidde tot een geweldsexplosie en de geestestoestand van de verdachte een contra-indicatie oplevert voor voorbedachte raad. 2.5.11. Deze verweren zijn door het hof verworpen. Bij het oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld zijn door het hof verschillende feiten en omstandigheden betrokken, die anders dan de steller van het middel meent, ook zijn terug te vinden in de door het hof in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen, te weten dat: (
  17. i)zowel de verdachte als het slachtoffer– los van elkaar – in de nacht van 10 op 11 juli 2018 bij het evenement ‘Techno Thuesday’ aanwezig zijn geweest in de Melkweg in Amsterdam (bewijsmiddel 11); (
  18. ii)de verdachte de Melkweg in de ochtend van 11 juli 2018 om 4.12 uur heeft verlaten, naar de woning van het slachtoffer in Utrecht is gegaan en zich vanaf tenminste 05:59 uur heeft opgehouden in de buurt van die woning (bewijsmiddel 11 en 12); (iii) om 06:42 uur het slachtoffer samen met haar vriendin [getuige 1] thuis is gekomen (bewijsmiddel 13); (
  19. iv)tussen 07:38 uur en 07:45 uur de verdachte heeft aangebeld bij getuige [getuige 2] en zich heeft voorgedaan als de onderbuurman van het slachtoffer en daarbij heeft gezegd dat hij zijn sleutel was vergeten en gevraagd of hij via het balkon naar ‘zijn’ woning mocht klimmen (bewijsmiddel 18 en 19); (
  20. v)de verdachte via het balkon van [getuige 2] vervolgens achter de woning van het slachtoffer terecht is gekomen (bewijsmiddel 30); (
  21. vi)[getuige 1] de woning van het slachtoffer om 09:02 uur heeft verlaten (bewijsmiddel 13) en het slachtoffer om 09:11 uur nog een Whatsappbericht heeft gestuurd naar een andere vriendin (bewijsmiddel 21); (vii) de verdachte de woning van het slachtoffer om 10:21 uur heeft verlaten (bewijsmiddel 22); (viii) verbalisant [verbalisant] het slachtoffer om 10:54 uur heeft aangetroffen nadat hij rond 10:26 uur de opdracht kreeg om naar de woning van het slachtoffer te gaan naar aanleiding van een melding van de Aware-knop van het slachtoffer (bewijsmiddel 23); (
  22. ix)hij het slachtoffer in de woning levenloos in een plas bloed heeft aangetroffen (bewijsmiddel 23 en 24); (
  23. x)het aangetroffen afgebroken lemmet van een mes op de arm van het slachtoffer zich niet bevond in de woning voordat het slachtoffer om het leven is gebracht en dit mes door de verdachte is meegenomen (bewijsmiddel 25, 32, 33, 34, 35, 36 en 37); (
  24. xi)daarnaast een bebloede latexhandschoen is aangetroffen waarvan aan de binnenzijde van de handschoen een DNA-mengprofiel is aangetroffen van het slachtoffer en de verdachte (bewijsmiddel 26 en 29) en (xii) de verdachte heeft verklaard dat hij de handschoen heeft meegenomen naar de woning van het slachtoffer en dat hij de handschoen aan had toen hij zich op de kamer van het slachtoffer bevond (bewijsmiddel 30 en 31). 2.5.12. Op grond van deze omstandigheden heeft het hof geoordeeld dat de verdachte zich tussen 07:38 uur en 07:45 uur met medeneming van een mes en latexhandschoen heimelijk de toegang heeft verschaft tot de binnenplaats dan wel het balkon/dakterras achter de woning van het slachtoffer en heeft gewacht totdat zij alleen in haar kamer was. Hierna is hij de kamer van het slachtoffer binnen gegaan en heeft hij tussen 09:10 uur en 10:21 uur met het door hem meegebrachte mes en terwijl hij de eveneens door hem meegebrachte latex handschoen droeg, het slachtoffer om het leven gebracht. Volgens het hof rechtvaardigen deze omstandigheden geen andere conclusie dan dat de verdachte steeds het plan heeft gehad om het slachtoffer met het mes neer te steken en hij met het aantrekken van de handschoen wilde voorkomen dat hij sporen zou achterlaten. Daarbij is door het hof in overweging genomen dat de verdachte zich gedurende lange tijd heeft opgehouden op de binnenplaats dan wel het balkon/dakterras van de woning van het slachtoffer, dat hij het mes en de handschoen in ieder geval bij zich droeg op het moment dat hij met een smoes de tuin achter de woning van het slachtoffer was binnengedrongen en hij zich daar in ieder geval voor een uur heeft schuilgehouden. Concluderend komt het hof tot het oordeel dat de verdachte hiermee vóór de uitvoering van zijn daad ruimschoots de tijd en mogelijkheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. 2.5.13. Anders dan de steller van het middel betoogt, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel evenmin onbegrijpelijk gemotiveerd. Door de steller van het middel wordt miskend dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ niet is vereist dat alternatief aangedragen scenario’s (bijvoorbeeld de mogelijkheid dat de verdachte met het meegebrachte mes enkel wilde dreigen dan wel dat de verdachte en [slachtoffer] eerst hebben gepraat) worden uitgesloten. Het gaat erom dat buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld of de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. In onderliggende zaak heeft het hof dit op niet onbegrijpelijke wijze gedaan. 2.5.14. Dat het hof heeft overwogen niet precies te kunnen vaststellen wat zich in de kamer heeft afgespeeld tussen 09:10 uur en 10:21 uur, doet daar niets aan af. Het hof heeft hiermee kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat niet precies kan worden vastgesteld op welk tijdstip het slachtoffer tussen 09:10 uur en 10:21 uur door de verdachte om het leven is gebracht. Door het hof is daartoe immers (evenmin onbegrijpelijk) overwogen dat het de door verdachte verklaarde gang van zaken, te weten dat hij en het slachtoffer eerst nog geruime tijd met elkaar hebben gepraat, niet geloofwaardig acht gelet op onder andere de moeizame relatie tussen de verdachte en het slachtoffer, de aangifte van stalking door het slachtoffer en het feit dat de verdachte (opnieuw) via het balkon/terras de kamer van het slachtoffer was binnengedrongen. Het door de steller van het middel aangevoerde dat het hof niet zou zijn ingegaan op het scenario dat de verdachte en het slachtoffer eerst in de woning hebben gepraat en pas hierna bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging is ontstaan, berust dan ook op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Dat het slachtoffer door de verdachte om het leven is gebracht tussen 09:10 uur en 10:21 uur staat volgens het hof wel vast. Het hof heeft immers kunnen vaststellen dat het de verdachte is geweest die met een mes naar het slachtoffer toe is gegaan, hij vervolgens heeft gewacht totdat zij alleen thuis was, hij tussen 09:10 uur en 10:21 uur op de kamer van het slachtoffer is geweest, dat er op dat moment geen andere personen in de kamer aanwezig waren dan de verdachte en het slachtoffer en dat de verdachte het slachtoffer in dat tijdsbestek met meerdere meststeken om het leven heeft gebracht. 2.5.15. Dat het oordeel van het hof dat de verdachte met het aantrekken van de latexhandschoen wilde voorkomen dat hij sporen zou achterlaten, tegenstrijdig is met het feit dat de verdachte ‘open en bloot’ naar de woning van het slachtoffer is gegaan, dat hij daarmee al zijn identiteit heeft prijsgegeven aan getuige [getuige 2] en dat dit zich “niet laat aanzien als een verdachte die van plan is een moord te plegen”, snijdt evenmin hout. Het ‘prijsgeven’ van zijn identiteit aan getuige [getuige 2] doet geenszins af aan de aannemelijkheid van de omstandigheid dat de verdachte al die tijd van plan is geweest om het slachtoffer met het door hem meegebrachte mes om het leven te brengen. Daar komt bij dat getuige [getuige 2] wel iets heeft kunnen verklaren over de identiteit van de verdachte, maar niet over hetgeen zich in de woning heeft afgespeeld en het plan waarmee de verdachte naar het slachtoffer is gegaan. 2.5.16. Dan nog de klacht dat het hof de afwijzing van het bestaan van een contra-indicatie onvoldoende heeft gemotiveerd. Ook deze klacht heeft geen kans van slagen. Door de verdediging is onder meer aangevoerd dat de geestestoestand van de verdachte een contra-indicatie oplevert voor voorbedachte raad gelet op de vaststellingen in het rapport van het Pieter Baan Centrum, te weten het beneden gemiddelde intelligentie niveau van de verdachte, het middelengebruik van de verdachte die bewuste dag en dat “de onderzoekers van mening [zijn] dat het agressieve gedrag, indien bewezen, naar alle waarschijnlijkheid gezien moet worden als een escalatie van het reeds langer bestaande stalking-gedrag”. Het hof heeft geoordeeld dat het dossier geen aanwijzing bevat voor een onverwachte uitlokkende gebeurtenis, in welke vorm dan ook, die heeft geleid tot het dodelijke handelen door de verdachte, dat enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld niet aannemelijk is geworden en dat evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg zouden staan. Een dergelijke contra-indicatie is volgens het hof ook niet gelegen in de geestestoestand van de verdachte. Gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden is het niet onbegrijpelijk dat het hof hierin geen contra-indicatie heeft gezien. Het hof heeft bij dat oordeel de juiste maatstaf gehanteerd en hoefde dat oordeel ook niet nader te motiveren. 2.5.17. Het middel faalt in al zijn onderdelen. 2.6. Het tweede middel (overschrijding redelijke termijn) 2.6.1. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn (als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM) in cassatie is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 2.6.2. Het cassatieberoep is ingesteld op 29 juli 2020. De stukken van het geding zijn op 5 maart 2021 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden met afgerond twee maanden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden en de Hoge Raad zal niet binnen zestien maanden na het instellen van het beroep uitspraak doen. Het middel is daarom terecht voorgesteld. Een en ander dient te leiden tot strafvermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf. 2.6.3. Het middel slaagt. 3Inleiding op de bespreking van de middelen van de benadeelde partijen 3.1. In deze strafzaak hebben de ouders van het slachtoffer zich gevoegd als benadeelde partij. Zij vorderen van de verdachte, kort gezegd,

(1)vergoeding van enkele vermogensschadeposten die het gevolg zijn van het overlijden van hun dochter en
(2)vergoeding van hun eigen personenschade die het gevolg is van de wijze waarop zij zijn geconfronteerd met de gevolgen van de gebeurtenis waardoor hun dochter is overleden. De laatstgenoemde vorderingen
(2)behelzen vergoeding van zowel vermogensschade (‘diverse medische kosten’ en verlies aan arbeidsvermogen) als ander nadeel (‘immateriële schade’). 3.2. Deze vorderingen zijn door de rechtbank toegewezen, het smartengeld voor iedere ouder tot een lager bedrag dan het gevorderde (€ 30.000 per persoon, in plaats van de gevorderde € 40.000). Het hof heeft de vorderingen met betrekking tot de overlijdensschade
(1)toegewezen. Ter zake van de vorderingen die betrekking hebben op de gevolgen van de confrontatie met de schokkende gebeurtenis
(2)heeft het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard. Kort gezegd, omdat het oordeel of sprake was van een directe confrontatie met de gevolgen van het misdrijf slechts zou kunnen worden gegeven na nadere onderbouwing en/of bewijslevering, waarvoor volgens het hof in deze procedure geen plaats is. 3.3. De cassatiemiddelen richten zich tegen het oordeel van het hof over de ontvankelijkheid van de vorderingen van de benadeelde partijen, de motivering van dat oordeel en de toepassing van het zogenaamde ‘confrontatiecriterium’ in verband met aansprakelijkheid voor schade door confrontatie met een schokkende gebeurtenis, ook wel aangeduid als aansprakelijkheid voor ‘shockschade’. 3.4. Aanspraken op vergoeding van schade door confrontatie met een schokkende gebeurtenis worden inmiddels veelvuldig aan de strafrechter voorgelegd. De feitenrechtspraak laat een uiteenlopende toepassing van de confrontatie-eis zien en er liggen over die toepassing thans in verschillende zaken bij de Hoge Raad vragen voor. Het confrontatiecriterium kan niet los worden gezien van de overige vereisten voor aansprakelijkheid wegens confrontatie met een schokkende gebeurtenis en de rechtspraak van de Hoge Raad biedt volgens ons ruimte voor verduidelijking van al deze vereisten en hun onderlinge samenhang. Hoewel die rechtspraak inmiddels als ‘vaste rechtspraak’ is aangeduid, is er aanleiding om te onderzoeken of de daarin uitgezette lijnen heroverweging behoeven. In de afgelopen twintig jaren is immers veel gebeurd: er is ervaring opgedaan met de gehanteerde criteria, per 1 januari 2019 heeft uitbreiding plaatsgevonden van het wettelijk stelsel inzake vergoeding van derdenschade met een aanspraak op smartengeld voor naasten en nabestaanden, en inzichten ten aanzien van de vergoeding van personenschade in het algemeen en van psychische schade in het bijzonder zijn veranderd. Ten slotte zijn op dit punt ook de ontwikkelingen in het schadeverhaal in het strafproces van belang, omdat deze het belang van slachtoffers bij behandeling van hun vordering in dat proces onderstrepen en dit vraagt om een zo helder mogelijk toetsingskader voor vorderingen die frequent aan de strafrechter worden voorgelegd. Daarom grijpen wij de gelegenheid van deze conclusie aan om uitvoerig in te gaan op de aansprakelijkheid voor schade wegens confrontatie met een schokkende gebeurtenis. Daarbij wordt nadrukkelijk ook een voorzet gegeven aan uw Raad voor verduidelijking en verdere ontwikkeling van het toetsingskader, waarmee ook een adequate behandeling van vorderingen als de onderhavige in het strafproces gediend zou kunnen zijn. 3.5. Hoewel het hof aan een oordeel daarover in de onderhavige zaak niet is toegekomen, gaan wij in deze conclusie tevens afzonderlijk in op de vraag hoe het beste richting kan worden gegeven aan de vaststelling van de omvang van smartengeld. Deze vaststelling is in andere gevallen waarin smartengeld in verband met confrontatie met een schokkende gebeurtenis wordt toegewezen wel aan de orde en speelt ook in andere – steeds vaker ook door de strafrechter behandelde – zaken een rol. De verschillende aspecten van de behandeling van vorderingen tot vergoeding van schade vanwege confrontatie met een schokkende gebeurtenis worden zo in één conclusie besproken. 3.6. Deze conclusie strekt ertoe bij te dragen aan een helder inzicht in het juridische kader van de aansprakelijkheid wegens confrontatie met een schokkende gebeurtenis en waar nodig beslissingen van de Hoge Raad aan te bevelen. Wij geven hier alvast een voorschot op onze bevindingen en aanbevelingen. (
  1. i)Het confrontatiecriterium geldt niet als afzonderlijk vereiste voor aansprakelijkheid, maar de wijze van confrontatie met een schokkende gebeurtenis vormt een omstandigheid die van belang is voor de aannemelijkheid van schade en van causaal verband met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid wordt gebaseerd. Met de aansprakelijkheid voor de schadeveroorzakende gebeurtenis is de grondslag voor aansprakelijkheid wegens confrontatie met een schokkende gebeurtenis naar onze mening al gegeven. (
  2. ii)Voor de aanspraak op vergoeding van vermogensschade is niet nodig dat sprake is van geestelijk letsel; voldoende is dat de aard en omvang van de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd en het causaal verband met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust aannemelijk zijn. Gaat het om gemaakte of te maken kosten, dan dienen het maken en de omvang ervan redelijk te zijn. (iii) Voor vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade is nodig dat sprake is van geestelijk letsel van een zekere ernst, te objectiveren aan de hand van door een ter zake gekwalificeerde deskundige uit te voeren diagnose en classificatie (‘een in de psychiatrie erkend ziektebeeld’). (
  3. iv)De omvang van de vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade dient in de kern te worden vastgesteld (en gemotiveerd) aan de hand van de aard, ernst en duur van het geestelijk letsel en van de beperkingen die dat meebrengt. (
  4. v)Wordt aansprakelijkheid volgens de hiervoor genoemde regels aanvaard, dan komt de volledige aldus concreet vastgestelde schade (vermogensschade en ander nadeel) voor vergoeding in aanmerking. Er is dan geen plaats meer voor een onderscheid tussen schade door confrontatie en schade door verwonding of verlies van een naaste en het wettelijk stelsel inzake schade van derden (art. 6:107, 107a en 108 BW) werpt dan geen beperkingen meer op. (
  5. vi)Naast vergoeding van deze concreet vast te stellen schade (vermogensschade en ander nadeel wegens geestelijk letsel) is er geen plaats voor afzonderlijke vergoeding van ander nadeel wegens kwetsing of verlies van een naaste (‘affectieschade’): het smartengeld wegens confrontatie met de schokkende gebeurtenis cumuleert dus niet met het smartengeld voor naasten en nabestaanden, maar ‘absorbeert’ dat. (vii) Ten aanzien van de vaststelling van de omvang van smartengeld – in het algemeen, dus niet beperkt tot gevallen van ‘shockschade’ – verdient het aanbeveling dat door samenwerking van feitenrechters wordt gekomen tot stroomlijning. Dat heeft voorlopig de voorkeur boven ingrijpen door cassatietoetsing. (viii) Afhankelijk van de inhoud van de vordering, de ten tijde van de behandeling ervan beschikbare informatie en het procesverloop, zijn vorderingen als hierboven beschreven af te doen, of gedeeltelijk af te doen, binnen het bestek van het strafgeding. 3.7. Om deze aanbevelingen fundament te geven is dit deel van de conclusie als volgt opgebouwd. Eerst volgt een korte nadere duiding van de problematiek van ‘shockschade’ (4.1). Voor een goed inzicht in de noodzaak van de volgens ons te nemen stappen schetsen we vervolgens de achtergrond van het wettelijk stelsel (4.2), de wijze waarop het leerstuk ‘shockschade’ tegen die achtergrond door de Hoge Raad is ontwikkeld (4.3) en hoe de feitenrechter thans invulling geeft aan de door de Hoge Raad gegeven criteria (4.4). Daaruit leiden wij af welke (civiel)materieelrechtelijke vragen thans voorliggen (4.5). Om te komen tot opties voor beantwoording van die vragen gaan wij vervolgens nader in op de feitelijke en medische achtergrond van de problematiek (4.6) en putten wij inspiratie uit het Duitse recht (4.7). Dan komen we tot denkrichtingen (4.8) en werken wij de door ons voorgestelde keuzes uit (4.9). Het resultaat daarvan vatten wij samen in 4.10. Daarna gaan wij nog afzonderlijk in op de vraag hoe richting kan worden gegeven aan de (vaststelling van
  6. de)omvang van smartengeld
(5). Vervolgens bespreken wij het ontvankelijkheidscriterium voor vorderingen van benadeelde partijen in het strafproces en de betekenis daarvan voor vorderingen inzake ‘shockschade’
(6). Het procesverloop en het oordeel van het hof in de onderhavige zaak worden besproken onder 7; de daartegen gerichte cassatiemiddelen onder 8. 4‘Shockschade’ 4.1. Verkenning en terminologie 4.1.1. De term ‘shockschade’ is inmiddels onder juristen ingeburgerd ter aanduiding van gevallen waarin personenschade wordt geleden, niet omdat de benadeelde in kwestie zelf fysiek letsel heeft opgelopen, maar doordat hij is geconfronteerd met een schokkende gebeurtenis. Dat kan een gebeurtenis zijn waarbij de benadeelde zelf in gevaar heeft verkeerd (denk aan bedreiging), maar ook – en dat is in de praktijk meestal aan de orde – een gebeurtenis waarbij een ander ernstig letsel heeft opgelopen of is komen te overlijden, waarmee de benadeelde op enig moment is geconfronteerd. Veelal is die primair gekwetste bovendien een naaste van degene die met de schokkende gebeurtenis is geconfronteerd. Maar het hoeft niet een naaste te zijn, want schokkende gebeurtenissen kunnen ook zonder dat daar affectieve relaties bij betrokken zijn – men denke aan het Koninginnedagdrama in Apeldoorn en aan het vuurwapendrama in Alphen aan den Rijn – geestelijk letsel veroorzaken. Door die gebeurtenis kan de geschrokkene kampen met psychische klachten, waardoor hij vermogensschade en ander nadeel kan lijden. Het is vooral deze wijze van ontstaan van de schade die vragen oproept van fundering en afbakening van aanspraken (wie heeft onder welke omstandigheden een aanspraak op vergoeding van welke schade?). Daarbij is van betekenis dat de artikelen 6:107, 107a en 108 BW voorzien in een limitatieve en exclusieve wettelijke regeling voor vergoeding van schade die het gevolg is van letsel of overlijden van een ander. Die regeling is van belang, omdat in geval van confrontatie met een schokkende gebeurtenis waarbij tevens een naaste is verwond of is komen te overlijden, de schade ook een gevolg zal zijn van die verwonding of dat overlijden. Het aanvaarden van een eigen aanspraak van de geschrokkene uit onrechtmatige daad roept de vraag op naar afbakening: hoe moet dan worden omgegaan met mogelijkheden en beperkingen van de wettelijke regeling? In dat verband is van belang dat de wettelijke regeling tot 1 januari 2019 niet voorzag in een aanspraak op smartengeld voor naasten van een ernstig gewonde of voor nabestaanden van een overledene (vergoeding van ‘affectieschade’) en sinds die datum (wel) voorziet in een beperkte wettelijke aanspraak op smartengeld voor bepaalde naasten/nabestaanden. 4.1.2. Schade door confrontatie met een schokkende gebeurtenis is veelal het gevolg van psychische klachten. Dat betekent niet dat die schade is beperkt tot immateriële schade. Wie als gevolg van confrontatie met een schokkende gebeurtenis lijdt aan ernstige psychische klachten – ‘geestelijk letsel’ –, kan zowel vermogensschade lijden (bijvoorbeeld kosten van behandeling, al dan niet in de vorm van eigen risico onder een zorgverzekering, verlies aan arbeidsvermogen, studievertraging, buitengerechtelijke kosten) als ander nadeel (pijn, verdriet, gederfde levensvreugde). Het gaat dus ook bij geestelijk letsel, ook als dat het gevolg is van confrontatie met een schokkende gebeurtenis, om een ‘volwaardige personenschade’. Dat is een belangrijke reden om aansprakelijkheid voor dergelijke schade te aanvaarden (nader onder 4.9) en veronderstelt tegelijkertijd bepaalde eisen aan de (objectivering van
  1. de)ernst van dergelijke schade. 4.1.3. Kennisneming van de feitenrechtspraak op dit gebied leert dat vorderingen vanwege confrontatie met een schokkende gebeurtenis, anders dan aanvankelijk werd voorzien, bepaald niet (meer) uitzonderlijk zijn. Zij worden in veruit de meeste gevallen aan de strafrechter voorgelegd naar aanleiding van ernstige gewelds- en veelal levensdelicten. Gelet op het hiervoor opgemerkte, zou men verwachten dat het daarbij zou gaan om vorderingen die zijn onderbouwd met uitvoerige psychiatrische of psychologische rapportage om aan te tonen hoe de schokkende gebeurtenis voor de ‘geschrokkene’ heeft geleid tot beperkingen op het gebied van de geestelijke gezondheid en in welke mate dat heeft geleid tot vermogensschade (bijvoorbeeld in de vorm van kosten van behandeling en verlies aan arbeidsvermogen) en tot ander nadeel, waarvan de omvang zou kunnen worden onderbouwd met gegevens over de aard, de ernst en de duur van de geleden pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde. Dat is evenwel niet het beeld dat die rechtspraak oproept. Dat zal vermoedelijk samenhangen met de beperkingen die de context van het strafproces stelt aan de volledige behandeling van personenschadevorderingen, maar mogelijk ook met een gebrek aan helderheid over hetgeen nodig is voor een adequate – volledige of gedeeltelijke – behandeling van dergelijke vorderingen. In de feitenrechtspraak van de strafrechter wordt de post ‘shockschade’ doorgaans slechts behandeld als immateriële schade, lijkt de betekenis van rapportage van deskundigen vaak beperkt tot beantwoording van de vraag of er sprake is van ‘PTSS’ en worden er veelal enkele duizenden of enkele tienduizenden euro’s smartengeld toegewezen. Als wij de feitenrechtspraak van de strafrechter goed overzien, gaat het daarin dus vooral om een smartengeldpost. Dat is relevant, omdat de wet sinds 1 januari 2019 (ook) voorziet in smartengeld voor naasten en nabestaanden en vorderingen ter zake van confrontatie met een schokkende gebeurtenis juist plegen te worden ingesteld door naasten en nabestaanden. Juist daardoor dringen zich vragen van samenloop en afbakening op. De ‘shockschade’vordering mag door beperkte toetsing niet leiden tot een verkapte (tweede) vordering wegens kwetsing of verlies van een naaste. En in gevallen waarin zij op goede gronden wordt toegewezen, dient helderheid te bestaan over haar verhouding tot de wettelijke aanspraken op grond van art. 6:107 en 108 BW. Daarbij moet worden bedacht dat er op het niveau van de schade, in de zin van feitelijke gevolgen van een gebeurtenis (kosten van behandeling, verlies aan arbeidsvermogen, verdriet) die zich vertalen in juridische schadeposten (vermogensschade en ander nadeel), geen onderscheid valt te maken tussen gevolgen van confrontatie met een schokkende gebeurtenis (‘shockschade’) en gevolgen van verwonding of verlies van een naaste (‘affectieschade’) (zie nader onder 4.6), terwijl de rechtspraak daarover dat wel vereist). 4.1.4. Hoewel de term ‘shockschade’ behulpzaam is om een bepaald type gevallen aan te duiden, gaat het niet om een wettelijk begrip en kan het gebruik ervan tot verwarring leiden. Het gaat bijvoorbeeld niet om het al dan niet doormaken van een lichamelijke shock in intern geneeskundige zin en de rechtsvragen hebben ook niet zozeer betrekking op de aard van de schade (het gaat weliswaar om schade als gevolg van geestelijk letsel, maar de (juridische) schade is ‘gewoon’ vermogensschade en ander nadeel). De term ‘shockschade’ duidt een groep van gevallen aan waarin de schade op een bijzondere wijze is ontstaan, namelijk in verband met kennisneming van een schokkende gebeurtenis. Deze wijze van ontstaan roept de vragen op aan wie onder welke omstandigheden een aanspraak toekomt en tot vergoeding van welke schade die strekt. En deze vragen moeten worden beantwoord tegen de achtergrond van het wettelijk stelsel inzake aanspraken van derden bij letsel en overlijden. 4.1.5. Hierna schetsen we daarom eerst dat wettelijke stelsel inzake vergoeding van schade van derden (4.2) en vervolgens de ontwikkeling van de aanspraak op vergoeding van schade door confrontatie met een schokkende gebeurtenis, zoals die tegen de achtergrond van dat wettelijke stelsel heeft plaatsgevonden (4.3). 4.1.6. Over aansprakelijkheid voor schade door confrontatie met een schokkende gebeurtenis wordt inmiddels veel, vooral in strafzaken, geprocedeerd en er is – heel – veel over geschreven. Wij beperken ons daarom tot de hoofdlijnen. Vanwege de overvloed aan bronnen wordt niet steeds naar alle literatuur verwezen. Ook uit de rechtspraak zijn noodgedwongen selecties gemaakt. Gebruik van terminologie in deze conclusie 4.1.7. Dan nog iets over de hierna te gebruiken terminologie. In de feitenrechtspraak wordt de term ‘shockschade’ in verschillende betekenissen gebruikt: ter aanduiding van het type gevallen (‘schade door confrontatie met een schokkende gebeurtenis’), als uitkomst van de beoordeling van de vraag naar aansprakelijkheid (‘als er is voldaan aan de confrontatie-eis, is er sprake van shockschade’), als synoniem voor ‘immateriële schade’ die in dergelijke gevallen wordt geleden, ter aanduiding van alle schade die in dergelijke gevallen wordt geleden (vermogensschade en ander nadeel), of ter onderscheiding van schade die wordt geleden door verwonding of overlijden van een naaste. Die laatste wordt dan vaak aangeduid als ‘affectieschade’, maar vaak wordt die term dan weer alleen gehanteerd voor de immateriële schade. 4.1.8. In deze conclusie duiden wij het type gevallen aan als ‘schade door confrontatie met een schokkende gebeurtenis’ en hanteren wij verder zoveel mogelijk (uiteraard afgezien van citaten) slechts de wettelijke terminologie (‘vermogensschade’ en ‘ander nadeel dan vermogensschade’) en duiden wij de vergoeding voor ander nadeel dan vermogensschade aan met ‘smartengeld’. Is bij die gebeurtenis tevens een ander verwond of komen te overlijden, duiden wij die aan met ‘primair gekwetste’ en degene die schade lijdt door confrontatie met die gebeurtenis als ‘geschrokkene’. 4.2. De achtergrond: het wettelijk stelsel van vergoeding van schade van derden bij letsel en overlijden 4.2.1. Voor een aanspraak op vergoeding van personenschade is in het algemeen nodig dat een grondslag voor aansprakelijkheid bestaat (kortweg een onrechtmatige daad of een tekortkoming) en dat daardoor schade is geleden. Voor een aanspraak op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade (‘immateriële schade’) geldt volgens art. 6:95 lid 1 BW als nader vereiste dat sprake is van één van de in de wet genoemde typen gevallen. Deze algemene vereisten gelden wanneer iemand zelf lichamelijk letsel heeft opgelopen of in gevaar heeft verkeerd zonder letsel op te lopen, bijvoorbeeld omdat hij zelf is bedreigd. 4.2.2. De artikelen 6:107, 107a en 108 BW voorzien daarnaast in aanspraken van derden die schade lijden door de verwonding of het overlijden van een ander. Art. 6:107 lid 1, aanhef en onder a, BW biedt derden een aanspraak op vergoeding van kosten die zij ten behoeve van de primair gekwetste hebben gemaakt (schade van de gekwetste die zich naar hen heeft ‘verplaatst’). Art. 6:107a lid 2 BW biedt de werkgever een aanspraak op vergoeding van door hem tijdens ziekte van de primair gekwetste doorbetaald loon. Art. 6:108 BW biedt aan nabestaanden een aanspraak op vergoeding van schade door derving van levensonderhoud (lid 1) en van kosten van lijkbezorging (lid 2). Daarnaast bieden art. 6:107 lid 1, aanhef en onder b, en 6:108 lid 3 BW sinds 1 januari 2019 aan een in beginsel in de wet limitatief omschreven kring van naasten en nabestaanden een aanspraak op een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld bedrag aan smartengeld, veelal aangeduid als vergoeding van ‘affectieschade’ (zie nader onder 4.2.11 e.v.). 4.2.3. Het gaat in de artikelen 6:107, 107a en 108 BW om een van aansprakelijkheid jegens de primair gekwetste afgeleide aansprakelijkheid jegens degene die als gevolg van die primaire kwetsing schade lijdt. Daarvoor is dus niet nodig dat komt vast te staan dat met de normschending die het primaire letsel of overlijden veroorzaakte tevens onrechtmatig is gehandeld jegens de derde die daardoor (ook) schade lijdt. Dat afgeleide karakter van de vordering van de derde klinkt door in de verweermiddelenregel die in de artikelen 6:107 en 108 lid 5 BW is neergelegd en die ook in art. 6:107a BW besloten ligt. Die regel houdt in dat tegen de derde hetzelfde verweer kan worden gevoerd als jegens de primair gekwetste of overledene had kunnen worden gevoerd, bijvoorbeeld dat deze eigen schuld had aan het ontstaan van de schade, art. 6:101 BW. 4.2.4. Deze wettelijke regeling heeft het voordeel dat naasten en nabestaanden eenvoudig kunnen voortbouwen op de aansprakelijkheid jegens de primair gekwetste. Zij heeft ook het voordeel van duidelijkheid en begrenzing. Dat laatste heeft – bezien vanuit het perspectief van naasten en nabestaanden – ook nadelen. De wetgever heeft er niettemin voor gekozen en er ook bij de invoering van de aanspraak op vergoeding van ‘affectieschade’ in 2019 aan vastgehouden. Er is daarom, ook omdat het ‘sleutelen’ aan dit stelsel opnieuw allerlei afbakeningsvragen zou oproepen (dat leert, zoals we hierna zullen zien, het aanvaarden van de aanspraak op vergoeding van schade wegens confrontatie met een schokkende gebeurtenis al), weinig ruimte voor fundamentele rechterlijke rechtsvorming ten aanzien van de contouren van dit stelsel. 4.2.5. Het stelsel van art. 6:107, 107a en 108 BW is limitatief, omdat enkel de daar genoemde personen aanspraak hebben op vergoeding van enkel de daar vermelde schadeposten. Het stelsel werkt exclusief, in die zin dat buiten die artikelen geen aanspraak bestaat op vergoeding van schade die het gevolg is van de verwonding of het overlijden van een ander, ook niet wanneer jegens de ‘derde’ onrechtmatig is gehandeld (of is tekortgeschoten in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst). Het is dit aspect van de wettelijke regeling dat tot 1 januari 2019 in de weg stond aan een aanspraak op smartengeld van naasten en nabestaanden. Het betekent bijvoorbeeld ook dat een naaste of nabestaande geen aanspraak heeft op vergoeding van kosten van behandeling door een psycholoog of psychiater of van derving van inkomen voor zover dit het gevolg is van letsel of overlijden van een ander, nu de artikelen 6:107 en 6:108 BW daarin niet voorzien en het wettelijk stelsel dan niet kan worden omzeild met een eigen vordering op grond van art. 6:162 BW. Het wettelijk stelsel staat volgens de rechtspraak van de Hoge Raad slechts toe dat op grond van art. 6:162 BW, als aan de daartoe gestelde vereisten is voldaan, vergoeding wordt gevorderd van schade die het gevolg is van waarneming van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust of directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. (Zie nader hierna onder 4.2.7 e.v.) 4.2.6. Dit wettelijke stelsel brengt mee dat terughoudendheid is geboden met het aanvaarden van (verdere) aanspraken buiten de art. 6:107 en 6:108 BW die niettemin samenhangen met de verwonding of het overlijden van een naaste. Dat verklaart en rechtvaardigt de behoedzaamheid van de Hoge Raad ten aanzien van dit type vorderingen die spreekt uit de formulering van het Taxibus-arrest en het Vilt-arrest. (Zie uitvoerig hierna onder 4.3.) Het brengt ook mee dat wanneer dergelijke aanspraken niettemin worden aanvaard, zoals bij vergoeding van schade door confrontatie met een schokkende gebeurtenis waardoor een naaste wordt verwond of gedood, onmiskenbaar een spanning bestaat met de strekking van die artikelen, omdat in die gevallen de schade telkens ten minste ook mede een gevolg zal zijn van die kwetsing of dat overlijden, terwijl de wet aanspraken op vergoeding daarvan limitatief en exclusief regelt. 4.2.7. Niet alleen voor het aanvaarden van een aanspraak op schadevergoeding wegens confrontatie met een schokkende gebeurtenis is het bestaan van de derdenschaderegeling van belang, ook in de uitwerking van de schadevergoeding blijkt het wettelijk stelsel inzake schade van derden bij letsel en overlijden relevant. De Hoge Raad formuleerde het voor gevallen van confrontatie met een schokkende gebeurtenis in 2002 als volgt: “Bij het naar billijkheid schatten van de immateriële schadevergoeding zal de rechter ermee rekening moeten houden dat in een geval als het onderhavige een onderscheid moet worden gemaakt tussen het verdriet van de getroffene dat een gevolg is van de dood van haar kind, ter zake waarvan haar geen vergoeding kan worden toegekend, en haar leed dat veroorzaakt wordt door het geestelijk letsel als gevolg van de confrontatie met het ongeval ter zake waarvan haar wel een schadevergoeding toekomt. […] Degene die door de confrontatie met de gevolgen van het ongeval geestelijk letsel heeft opgelopen, een en ander zoals hiervoor nader omschreven, heeft te dier zake recht op schadevergoeding, ook voor zover van een samenloop sprake is. De rechter zal aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs een afweging moeten maken in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding met deze samenloop rekening wordt gehouden.” 4.2.8. Deze overwegingen illustreren dat de Hoge Raad met de erkenning van een aanspraak op schadevergoeding voor ‘geschrokkenen’ enerzijds ruimte heeft gezocht die het stelsel van de artikelen 6:107, 6:107a en 6:108 BW laat voor een eigen vordering van de ‘geschrokkene’ uit onrechtmatige daad, maar anderzijds tegelijkertijd het karakter van dat stelsel heeft beoogd te respecteren. Ook (zelfs) als jegens de ‘geschrokkene’ onrechtmatig is gehandeld, blokkeren de artikelen 6:107, 6:107a en 6:108 BW immers een recht op vergoeding van schade die het gevolg is van de verwonding of het overlijden van de naaste. 4.2.9. De geciteerde overwegingen hebben tevens een instructief karakter: bij het “naar billijkheid schatten van de immateriële schadevergoeding” moet de rechter “rekening houden” met het onderscheid en moet hij “aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid schattenderwijs een afweging (…) maken in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding met deze samenloop rekening wordt gehouden”. Heel precies is deze instructie niet. Zij lijkt beperkt tot de vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade. Dat is begrijpelijk omdat in het arrest daarop de nadruk lag, maar vanuit wetssystematisch oogpunt zou zij evenzeer moeten gelden voor vermogensschade. 4.2.10. Tegelijkertijd biedt de hiervoor geciteerde overweging een aanknopingspunt voor de wijze waarop sinds de invoering van de wettelijke aanspraak op smartengeld voor naasten en nabestaanden kan worden omgegaan met de samenloop van vorderingen tot vergoeding van schade door confrontatie met een schokkende gebeurtenis en vorderingen tot vergoeding van ‘affectieschade’. In de praktijk zal immers juist in gevallen waarin een aanspraak bestaat op vergoeding wegens confrontatie met een schokkende gebeurtenis tevens kunnen zijn voldaan aan de vereisten voor een recht op smartengeld van naasten of nabestaanden. Op deze samenloop komen wij terug onder 4.2.14 e.v. 4.2.11. Met de invoering per 1 januari 2019 van art. 6:107 lid 1, aanhef en onder b, BW en art. 6:108 lid 3 BW is het wettelijke stelsel inzake aanspraken van derden bij letsel en overlijden van een naaste uitgebreid met een aanspraak op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade voor een in beginsel limitatief omschreven groep naasten (art. 6:107 lid 2 BW) en nabestaanden (6:108 lid 4 BW) tot bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde bedragen. Het doel van de regeling is primair om erkenning te verschaffen aan naasten van het door hen ondervonden leed. De bedragen variëren (met telkens € 2.500) van € 12.500 tot € 20.000 naar gelang de aard van de relatie, het onderscheid tussen ernstig en blijvend letsel enerzijds en overlijden anderzijds, en de aard van de gebeurtenis (een misdrijf of anderszins). In geval een naaste als gevolg van eenzelfde gebeurtenis eerst ernstig en blijvend letsel oploopt en vervolgens komt te overlijden, komt op grond van art. 6:108 lid 6 BW aan de nabestaanden slechts eenmaal de (hoogste) vergoeding toe. Het gaat (ook) hier om een zelfstandige aanspraak van de naasten en nabestaanden op grond van art. 6:107 en 6:108 BW, die is afgeleid van de aansprakelijkheid jegens de primair gekwetste, hetgeen tot uitdrukking komt in de in art. 6:107 lid 5, respectievelijk art. 6:108 lid 5 BW neergelegde verweermiddelenregels. Zo wordt bijvoorbeeld wanneer de primair gekwetste of overledene 25% eigen schuld te verwijten viel (art. 6:101 BW) hetzelfde percentage in mindering gebracht op de vordering van de naaste/nabestaande. 4.2.12. Deze regeling inzake smartengeld voor naasten en nabestaanden heeft volgens art. 68 en 69 Overgangswet NBW eerst werking voor gevallen waarin het letsel of het overlijden intreedt na 31 december 2018. In de feitenrechtspraak wordt dit consequent gevolgd, al krijgt men soms de indruk dat de strafrechter, door niet of nauwelijks te toetsen of is voldaan aan de krachtens de rechtspraak geldende vereisten voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade wegens confrontatie met een schokkende gebeurtenis (in het bijzonder het hierna te bespreken confrontatiecriterium) en ook gelet op de omvang van de dan toegewezen bedragen, vergoedingen voor ‘affectieschade’ toewijst onder de noemer van schade wegens confrontatie (‘shockschade’). 4.2.13. De wet voorziet thans dus in een aanspraak op smartengeld voor naasten van iemand met ernstig en blijvend letsel en voor nabestaanden in geval van overlijden, maar niet in een aanspraak op vergoeding van vermogensschade, bijvoorbeeld bestaande in kosten van behandeling of verlies aan arbeidsvermogen. Het smartengeld is bovendien beperkt tot vaste bedragen ter erkenning van het verdriet om het letsel of overlijden van de naaste. 4.2.14. Voldoet een naaste of nabestaande zowel aan de vereisten voor een aanspraak op smartengeld op grond van art. 6:107 lid 1 BW of 6:108 lid 3 BW (‘affectieschade’) als aan de (hierna onder 4.3 te beschrijven) vereisten voor een aanspraak op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade wegens geestelijk letsel door confrontatie met een schokkende gebeurtenis (‘shockschade’), dan rijst de vraag hoe de vergoeding ter zake van confrontatie zich verhoudt tot het smartengeld voor naasten en nabestaanden. 4.2.15. Bij de behandeling van het wetsvoorstel Affectieschade is nauwelijks aandacht besteed aan deze mogelijke samenloop van ‘affectieschade’ en ‘shockschade’. De minister erkende, naar aanleiding van een vraag van de leden van de SP-fractie naar de verhouding tussen ‘affectieschade’ en ‘shockschade’, wel dat er sprake kan zijn van samenloop, maar volstond vervolgens met een herhaling van hetgeen de Hoge Raad daarover in het Taxibus-arrest heeft overwogen: de rechter moet aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs een afweging maken in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding bij ‘shockschade’ met deze samenloop rekening moet worden gehouden. 4.2.16. Bij de behandeling van het eerdere – verworpen – wetsvoorstel affectieschade was er meer aandacht voor deze samenloop. Ook destijds wees de minister in de Memorie van Toelichting op de hiervoor geciteerde overweging uit Taxibus, maar merkte daarbij wel op dat het in gevallen waarin sprake is van samenloop “buitengewoon lastig zal zijn de typische affectieschade daarbij van de shockschade te onderscheiden en voorts dat het maken van een onderscheid ten aanzien van de vergoedbaarheid daarvan in het bijzonder in deze gevallen door slachtoffers in het algemeen als weinig begrijpelijk zal worden ervaren.” Daarnaast verwachtte de minister destijds dat het mogelijk maken van vergoeding van ‘affectieschade’ in bepaalde gevallen er mede toe zou kunnen bijdragen dat de rechtspraak inzake vergoeding van schade wegens confrontatie met een schikkende gebeurtenis, ‘overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, beperkt blijft tot sprekende gevallen.’ Mede daardoor zou het wetsvoorstel “slechts tot een beperkte en beheersbare stijging van de aansprakelijkheidslast aanleiding geven, waarmee het in overeenstemming is met het streven naar een gematigde ontwikkeling van de claimcultuur.” 4.2.17. Volgens de Afdeling advisering van de Raad van State zette de Memorie van Toelichting (bij – nog steeds – het eerdere, verworpen, wetsvoorstel Affectieschade) het verband tussen de mogelijke vergoeding van ‘affectieschade’ en het beperken van de vergoeding van schade wegens confrontatie met een schokkende gebeurtenis tot ‘sprekende gevallen’ te sterk aan. De Afdeling meende: “dat cumulatie van vergoeding van affectieschade en vergoeding van shockschade een additionele reden is voor toepassing van de rechterlijke matigingsbevoegdheid.” De Afdeling beval aan “de toelichting aan te vullen met de meest recente jurisprudentie op het gebied van ‘shockschade’ en de wenselijkheid van rechterlijke toetsing en matiging van de vergoeding van ‘affectieschade’ ook in het licht daarvan opnieuw te bezien.” In het Nader Rapport sprak de minister daarop de verwachting uit dat de behoefte aan vergoeding van ‘shockschade’ vermoedelijk zal afnemen na inwerkintreding van het wetsvoorstel, omdat met de vergoeding van ‘affectieschade’ tegemoet wordt gekomen aan de wens van naasten om erkenning en genoegdoening te verkrijgen. Dit zou volgens de minister meebrengen: “dat de rechter minder in de verleiding komt om de grenzen van de wet te verleggen en derhalve de vergoeding van shockschade ook daadwerkelijk kan beperken tot sprekende gevallen”, in welk verband volgens de minister ook “vermelding [verdient] dat de Hoge Raad in Taxibus heeft uitgemaakt dat vergoeding van immateriële schade wegens shock in het algemeen slechts mogelijk is indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.” De minister achtte het, gezien de omvang van de vergoeding voor ‘affectieschade’, onaannemelijk dat er zich omstandigheden kunnen voordoen waarbij de voldoening van deze verplichting kennelijk onaanvaardbaar zou zijn, zodat toepassing van art. 6:109 BW (rechterlijke matiging van de verplichting tot schadevergoeding) niet aangewezen zal zijn. 4.2.18. In de Memorie van Antwoord (bij het eerdere wetsvoorstel) benadrukte de minister naar aanleiding van vragen van leden van de fracties van D66, SGP en de ChristenUnie dat ‘shockschade’ en ‘affectieschade’ twee te onderscheiden schadeposten zijn, waarvoor mogelijk naast elkaar een aanspraak op vergoeding bestaat. Van een verslechtering van de positie van naasten die ‘shockschade’ hebben geleden, is volgens de minister dan ook geen sprake. Evenmin verdampt volgens de minister met invoering van het wetsvoorstel het onderscheid tussen ‘shockschade’ en ‘affectieschade’. 4.2.19. Uit de parlementaire behandeling van het oudere wetsvoorstel blijkt derhalve dat de minister enerzijds – onder verwijzing naar de Hoge Raad – uitging van cumulatie van vergoeding en voor ‘shockschade’ en ‘affectieschade’ en daarmee van het in stand blijven van het onderscheid tussen ‘shockschade’ en ‘affectieschade’, maar dat anderzijds zowel de minister als de Afdeling advisering van de Raad van State ieder op eigen gronden aannam dat van de mogelijkheid van vergoeding van ‘affectieschade’ een ‘dempend’ effect op de vorderingen ter zake van ‘shockschade’ zou uitgaan. 4.2.20. In de literatuur pleegt te worden aangenomen dat de hiervoor onder 4.2.7 geciteerde overweging uit het Taxibus-arrest meebrengt dat, als de rechter bij de vaststelling van het smartengeld voor schade wegens confrontatie met de schokkende gebeurtenis ermee rekening houdt dat hij geen vergoeding toewijst voor schade wegens de verwonding of het verlies van de naaste, ter zake van beide schadeposten afzonderlijke vergoedingen kunnen worden toegewezen. 4.2.21. Tegen de achtergrond van dit wettelijke stelsel gaan wij nu nader in op de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de Hoge Raad een aanspraak op vergoeding van schade door confrontatie met een schokkende gebeurtenis heeft aanvaard (4.3) en vervolgens op de wijze waarop de feitenrechtspraak invulling geeft aan die voorwaarden (4.4). 4.3. Ontwikkeling van het civielrechtelijke leerstuk van ‘shockschade’ 4.3.1. Bij de totstandkoming van het Burgerlijk Wetboek is er slechts in het kader van art. 6:106 BW enige aandacht besteed aan de vraag of in geval van schade door confrontatie met een schokkende gebeurtenis een aanspraak op schadevergoeding bestaat. Volgens het Eindverslag is verdriet om het overlijden van een naaste niet aangemerkt als een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ in de zin van art. 6:106 onder b BW, maar valt ‘het toebrengen van psychische storingen, mits deze ernstig genoeg zijn om van “aantasting” van de persoon te kunnen spreken’ wel onder die bepaling. In de Memorie van Antwoord bij de Invoeringswet is opgemerkt: “Daarbij verdient duidelijkheidshalve nog aantekening dat het bovengenoemde geval van verdriet om anderen moet worden onderscheiden van dat van schade door een “shock” die het gevolg is van het waarnemen of geconfronteerd worden met een dodelijk ongeval. De vraag rijst of een dergelijke “shock” aanleiding kan zijn voor letsel of een andere aantasting van de persoon, ter zake waarvan artikel 6.1.9.11 [thans art. 6:106 BW, A-G’s] aanspraak geeft op vergoeding van een ander nadeel dan vermogensschade. Dit artikel sluit niet uit om dit, naar gelang van de omstandigheden, aan te nemen, evenmin als dit wordt uitgesloten door het door de Commissie in dit verband aangehaalde HR 8 april 1983, NJ 1984, 717 (zie rechtsoverweging 4.1, slot).” Daaraan is in het Verslag van een Mondeling Overleg, tevens Eindverslag van de Bijzondere Commissie voor herziening van het Burgerlijk Wetboek nog toegevoegd: “De commissie stelt de vraag aan de orde of zij de memorie van antwoord (
  2. c)zo mag begrijpen dat naar nieuw recht in een geval als aan de orde was in HR 8 april 1983, NJ 1984, 717 (overleden dochter) een vergoeding van ‘shock’-schade mogelijk is. Na het bevestigend antwoord van de Minister – inhoudende dat het geciteerde arrest de mogelijkheid van schadevergoeding in zo’n geval open laat, nu uitdrukkelijk wordt aangestipt dat het betreffende geval zich niet voordeed. In het nieuw BW laat het zich zonder bezwaar onder art. 6.1.9.11 onder b brengen (aantasting van de persoon ‘op andere wijze’) –, ontstaat een discussie over de voorwaarden en de kring van gerechtigden tot deze vorm van schadevergoeding. Duidelijk wordt van de zijde van de Minister benadrukt dat de bepaling terughoudend moet worden toegepast en dat aan zware eisen moet zijn voldaan. Het woord ‘shock’ geeft z.i. ook al aan dat alleen in zeer ernstige gevallen schadevergoeding toegekend kan worden, terwijl de kring van gerechtigden niet al te ruim mag worden getrokken.” 4.3.2. De eerste zaak waarin de kwestie bij de Hoge Raad aan de orde is gesteld, en die in de hiervoor geciteerde parlementaire stukken wordt aangehaald, betrof een aanrijding van een auto, bestuurd door een moeder, wier kind als passagier door het ongeval kwam te overlijden. Hoewel in dat geval onmiskenbaar ook onrechtmatig was gehandeld jegens de moeder (aan haar was als bestuurder van een personenauto ten onrechte geen voorrang verleend), begreep het hof de psychosomatische verschijnselen, die de moeder aan haar vordering ten grondslag had gelegd, als buitenproportionele reacties op het overlijden van haar kind als gevolg van de bij de aanrijding opgelopen verwondingen. Zo bezien stond het stelsel van art. 1406 BW (oud) inzake overlijdensschade, thans art. 6:108 BW, volgens de Hoge Raad (r.o. 4.2) aan vergoeding in de weg: “Uitgaande van de boven weergegeven stellingen heeft het Hof terecht geoordeeld dat art. 1406 BW meebrengt dat aansprakelijkheid voor de onderhavige schade van psychosomatische aard, als veroorzaakt door de dood van het kind, is uitgesloten. Een andere opvatting, als door het middel in al zijn onderdelen verdedigd en erop neerkomende dat de onderhavige vordering op grondslag van art. 1407 moet worden beoordeeld, zou tot gevolg hebben dat eiseres als moeder van het overleden kind aanspraak zou hebben op vergoeding van andere schade dan waarvoor art. 1406 aan de daar bedoelde nabestaanden vergoeding toekent, met name vergoeding van de door de dood van het kind geleden immateriële schade. Dit is met de strekking van art. 1406 niet verenigbaar. Daarbij verdient opmerking dat voor het nieuw BW door de wetgever een artikel van overeenkomstige strekking is vastgesteld (art. 6.1.9.12 [thans art. 6:108 BW, A-G’s]), zulks nadat het desbetreffend probleem bij de parlementaire behandeling (mede van art. 6.1.9.11 [thans art. 6:106 BW, A-G’s]), zoals weergegeven in de conclusie van het OM onder nrs. 6 en 7, uitvoerig aan de orde was gekomen.” Deze uitspraak illustreert aldus vooral het hiervoor beschreven limitatieve en exclusieve karakter van art. 1406 BW (oud) en art. 6:108 BW. 4.3.3. Dat karakter van die bepalingen staat niet in de weg aan een aanspraak op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade indien de aansprakelijke het oogmerk had om de naaste te kwetsen, zo leert de zaak waarin een man, met de bedoeling om zijn partner te treffen, hun beider kind ombracht. De Hoge Raad: “Anders dan het onderdeel betoogt, staat het stelsel van de wet, en met name art. 6:108, niet in de weg aan vergoeding van immateriële schade indien de dader iemand heeft gedood met het oogmerk aan een ander, de benadeelde, zodanige schade toe te brengen. Voor de toepassing van art. 6:108 doet niet terzake of het doden van het slachtoffer alleen jegens deze of mede jegens anderen onrechtmatig is. In beide gevallen kunnen alleen de in deze bepaling genoemden aanspraak maken op vergoeding van schade, en wel enkel de materiële schade die bestaat in het derven van levensonderhoud. Art. 6:95 staat eraan in de weg [althans tot 1 januari 2019, toevoeging A-G’s] dat op grond van art. 6:108 immateriële schadevergoeding wordt gevorderd. Dit neemt evenwel niet weg dat een aanspraak op ve

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.