PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/00633 Zitting 22 februari 2022 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, hierna: de verdachte.
(1)Een bewaartemperatuur bij ongeveer -20°C heeft de voorkeur. […]” 15. De bepalingen uit het BADG zijn, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in de nota van toelichting bij het BADG als volgt toegelicht: “Artikel 13 Net als in artikel 14 van het oude Besluit alcoholonderzoeken was bepaald, moet volgens artikel 13, eerste lid, van dit besluit een opsporingsambtenaar bij de bloedafname aanwezig zijn. Hij dient op grond van onderdeel a van dat artikellid de gang van zaken van de bloedafname in een proces-verbaal van bevindingen vast te leggen. Voordat het bloed naar het laboratorium wordt verzonden waar het bloedonderzoek zal plaatsvinden, moet hij er voorts voor zorgen dat het afgenomen bloed administratief wordt gekoppeld aan de persoon van wie bloed is afgenomen en aan het proces-verbaal waarin de bloedafname wordt beschreven. In dat proces-verbaal moet hij daarom volgens artikel 13, eerste lid, onder a, de naam, het geslacht, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland en het burgerservicenummer (BSN) van de verdachte van wie bloed is afgenomen, noteren, alsmede het sporenidentificatienummer (verder: SIN) met bijbehorende barcode zetten. Wanneer het SIN op het proces-verbaal ontbreekt, hoeft dat niet te betekenen dat het onderzoek gebrekkig is geweest, mits maar op enigerlei wijze aannemelijk kan worden gemaakt dat vergissing over de herkomst van het bloed uitgesloten is. […] De opsporingsambtenaar zorgt er op grond van artikel 13, eerste lid, onder c, voor dat de buisjes met bloed worden verpakt in een speciale verpakking, het zogenaamde «bloedblok», en dat die buisjes naar een laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid, worden opgestuurd. Op of in deze verpakking brengt hij hetzelfde SIN aan dat hij op het proces-verbaal heeft geplaatst. Die handeling verricht hij ook ten aanzien van de twee buisjes met bloed dat de arts of verpleegkundige overeenkomstig artikel 12 van dit besluit heeft afgenomen. Op ieder buisje bloed brengt hij een SIN aan dat qua nummer opvolgend is aan het SIN op het proces-verbaal. […] Artikel 14 In artikel 14, tweede lid, van dit besluit is een omschrijving gegeven van de laboratoria die bloedonderzoeken mogen verrichten. Hierdoor is het niet langer nodig de laboratoria afzonderlijk aan te wijzen, zoals artikel 19, eerste lid, van het voormalige Besluit alcoholonderzoeken voorschreef. Ieder laboratorium dat aan de hierna vermelde kwaliteitseisen voldoet, kan een bloedonderzoek verrichten en vaststellen welke en hoeveel bewustzijnsbeïnvloedende stof of stoffen in het bloed van de verdachte voorkomen. Dat neemt niet weg dat, net zoals nu het geval is, het primaat van de bloedonderzoeken in de praktijk bij het NFI zal blijven liggen. Die stelling is gebaseerd op de pilot die in het najaar van 2009 tot eind 2011 op initiatief van het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft plaatsgevonden. Deze pilot had tot doel inzicht te verkrijgen in het effect van de inschakeling van particuliere instituten op de strafrechtsketen en op de kwaliteit, veiligheid en informatie en continuïteit van beschikbaarheid van forensisch onderzoek. Uit de pilot is gebleken dat slechts in een zeer klein aantal gevallen particuliere instituten toxicologisch onderzoek doen. Door in dit besluit de mogelijkheid te behouden dat een laboratorium van een ander instituut dan het laboratorium van het NFI voor een bloedonderzoek wordt ingeschakeld, wordt de nodige flexibiliteit tijdens het opsporingsonderzoek gewaarborgd. Redenen om naar een ander laboratorium uit te wijken kunnen de capaciteit van het NFI zijn of de snelheid waarmee het bloedonderzoek moet worden verricht. Mocht in de praktijk blijken dat het aantal bloedonderzoeken waartoe opdracht wordt gegeven, het aantal bloedonderzoeken overstijgt dat het NFI met het openbaar ministerie en de politie in het zogenaamde Service Level Agreement heeft afgesproken te zullen uitvoeren, dan biedt dit besluit de mogelijkheid om de bloedonderzoeken die het NFI niet kan verrichten, alsnog bij een ander laboratorium te laten uitvoeren. Een andere reden om een ander laboratorium dan het laboratorium van het NFI in te schakelen kan zijn dat het vanwege de met het transport gemoeide afstand en tijd onwenselijk is om het afgenomen bloed bij het NFI te laten onderzoeken. In dat geval biedt dit besluit de mogelijkheid om te kiezen voor het meest dichtbij zijnde laboratorium dat voldoet aan de in artikel 14, tweede lid, van dit besluit gestelde eisen. Slechts die laboratoria komen in aanmerking voor het verrichten van een bloedonderzoek die volgens de NEN-EN ISO/IEC 17 025 of een daarmee vergelijkbare norm geaccrediteerd zijn, bijvoorbeeld de ISO 15189 die geldt voor de accreditatie van medische laboratoria, en deskundig zijn op het gebied van bio-analyse. Indien laboratoria aan deze eisen voldoen, hebben zij onderzoekers in dienst die voor het verrichten van het bloedonderzoek met succes de benodigde opleidingen hebben afgerond en het bloedonderzoek op een betrouwbare en zorgvuldige manier kunnen doen. Vergelijkbare kwaliteitseisen gelden in artikel 14, tweede lid, ook voor buitenlandse laboratoria. […] Artikel 15 Artikel 15 legt, overeenkomstig de huidige praktijk, het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het bloedonderzoek verricht, de verplichting op om na ontvangst van de buisjes met het afgenomen bloed de in dat artikel voorgeschreven gegevens in een bestand vast te leggen. In vrijwel alle gevallen zal dat het laboratorium van het NFI zijn (zie ook de toelichting op artikel 14). Het vastleggen van die gegevens is onder meer van belang om te voorkomen dat onduidelijkheid over de verblijfplaats van het bloed kan ontstaan en te kunnen waarborgen dat het bloed en de daarbij behorende gegevens beschikbaar zijn op het moment dat zij nodig zijn voor een aanvullend bloedonderzoek of een tegenonderzoek. […] Artikel 16 Artikel 16 bevat verplichtingen voor de onderzoeker die het bloedonderzoek verricht. Deze voorschriften dienen mede ter uitwerking van artikel 51l van het Wetboek van Strafvordering waarin eisen aan het verslag van een deskundige zijn gesteld. In artikel 16, eerste en tweede lid, is bepaald dat de onderzoeker binnen twee weken het bloedonderzoek moet uitvoeren en dat hij van de resultaten van het onderzoek een met redenen omkleed schriftelijk verslag opmaakt en dat verslag ondertekent. Onder «ondertekenen» kan niet alleen een «natte handtekening», maar ook een elektronische handtekening worden begrepen. Een elektronische handtekening kan slechts worden gebruikt indien de authenticiteit en integriteit ervan voldoende is gewaarborgd. Het vierde lid bepaalt welke onderdelen het verslag in ieder geval dient te bevatten. De verplichting om deze informatie op te nemen, dient onder meer voor eenduidigheid te zorgen in de door de onderzoekers op te maken verslagen. Het verslag dient in ieder geval de methode met behulp waarvan het onderzoek is verricht (onder c), en de uitslag van het onderzoek (onder
- d)te bevatten. Aan de methode zullen naar analogie van de regeling in artikel 19, tweede lid, van het ingetrokken Besluit alcoholonderzoeken juncto artikel 8, eerste lid, van de ingetrokken Regeling bloed- en urineonderzoek eisen worden gesteld die bij ministeriële regeling zullen worden bepaald.” 3.2. Het Besluit van 15 februari 2022, houdende wijziging van het BADG 16. In verband met het hiervoor weergegeven juridisch kader merk ik op dat het (nog niet in werking getreden) Besluit van 15 februari 2022, houdende wijziging van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, het Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers en het Besluit rijden onder invloed BES in verband met onder meer het wijzigen van de onderzoekstermijn voor bloedonderzoeken voorziet in wijzigingen van onder meer art. 13, eerste lid, onder d, BADG en art. 16, eerste lid, BADG. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 17. Het Besluit van 15 februari 2022 houdt onder meer in dat in art. 13, eerste lid, onder d, BADG “zo spoedig mogelijk” wordt vervangen door “binnen vier weken” en dat aan art. 13 BADG een derde lid wordt toegevoegd, luidende “Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de omstandigheden waaronder de buisjes of het buisje met bloed worden bewaard en vervoerd.” Verder wordt in de eerste zin van art. 16, eerste lid, BADG “twee weken” vervangen door “vier weken” en wordt in art. 16, vijfde lid, BADG “zo spoedig mogelijk na het verrichten van het bloedonderzoek” vervangen door “binnen de op grond van het eerste lid geldende termijn”. Over deze wijzigingen wordt in de nota van toelichting – voor zover hier van belang – het volgende opgemerkt: “Onderdeel D In artikel 13, eerste lid, onder d, is de zinsnede vervallen dat de buisjes met bloed «zo spoedig mogelijk» worden verstuurd naar een laboratorium. In plaats daarvan is – indachtig het advies van de Rvdr – een termijn van vier weken opgenomen. Met een snelle verzending van de bloedmonsters werd oorspronkelijk een minimale afbraak van de bloedwaarden nagestreefd. Als gevolg van een nieuwe wijze van bewaren en transporteren is dit voorschrift inmiddels achterhaald geraakt, terwijl er in de rechtspraak nog steeds vergaande conclusies worden getrokken als een verzending naar het oordeel van de rechter niet spoedig heeft plaatsgevonden. Ten tijde van de introductie van het besluit werden de buisjes met bloed ongekoeld per post of per dienstvoertuig verstuurd naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Vanaf eind 2017 worden ook andere laboratoria in binnen- en buitenland betrokken bij de uitvoering van bloedonderzoeken. Tot 1 januari 2019 werden de buisjes met bloed altijd eerst ongekoeld naar het NFI gestuurd en vervolgens door het NFI onder geconditioneerde omstandigheden (diepgevroren) doorgestuurd naar een ander laboratorium. Sinds 1 januari 2019 stuurt de politie de buisjes met bloed rechtstreeks naar een laboratorium, altijd onder geconditioneerde omstandigheden. Ook verzendingen naar het NFI vinden sinds die datum onder geconditioneerde omstandigheden plaats. De politie maakt bij de verzendingen gebruik van een gecontracteerde transporteur en vaste ophaalmomenten in de week. Ook tot het moment van transport worden de buisjes met bloed tegenwoordig onder geconditioneerde omstandigheden bewaard. Het NFI heeft aangegeven dat indien het bloed onder deze condities wordt bewaard en getransporteerd, er tot zes maanden nagenoeg geen verlaging van de bloedwaarden wordt vastgesteld. Het afbraakrisico van de bloedwaarden is daardoor na de bloedafname zo goed als afwezig. Toch worden er in de rechtspraak nog met enige regelmaat vergaande conclusies getrokken als een verzending naar het oordeel van de rechter niet spoedig heeft plaatsgevonden. In die gevallen oordeelt de rechter dat een (
- te)lange verzendtijd maakt dat er geen sprake is van een onderzoek in de zin van artikel 8, vijfde lid, WVW en volgt vrijspraak. Inmiddels heeft het loutere tijdsverloop als gezegd geen significante invloed op de betrouwbaarheid van de bloedmonsters en (dus) op de juistheid van het bloedonderzoek. Mede tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om in plaats van het voorschrift om het bloed zo spoedig mogelijk te verzenden een verzendtermijn van vier weken te hanteren, hetgeen een voor de uitvoeringspraktijk meer realistische en niettemin tot enige voortvarendheid aanzettende termijn is. Op advies van het OM is een nieuw derde lid toegevoegd, dat voorziet in een grondslag om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen over de in acht te nemen condities bij het bewaren en vervoeren van het onderzoeksmateriaal. De bestaande ministeriële regelingen bevatten reeds dergelijke regels voor de verwerking in het laboratorium, als onderdeel van de methode van onderzoek. De nieuwe delegatiegrondslag dekt ook de «voorfase». Met het vastleggen van de staande praktijk van bewaren en verzenden onder geconditioneerde omstandigheden kan uniformiteit in het volledige werkproces worden bereikt en wordt de betrouwbaarheid van het onderzoeksmateriaal blijvend geborgd. Een wijziging van de ministeriële regelingen op dit punt zal worden voorbereid, en de inwerkingtreding daarvan zal worden afgestemd op de inwerkingtreding van dit besluit. Onderdelen E en F Deze onderdelen voorzien in een verruiming van de termijnen waarbinnen het bloedonderzoek en het aanvullend bloedonderzoek dienen te geschieden. Bij de introductie van het besluit is de termijn waarbinnen het bloedonderzoek dient te geschieden, op twee weken gesteld (artikel 16, eerste lid). Voor het aanvullend bloedonderzoek geldt een termijn van vier dan wel zes weken (artikel 18, tweede lid). Deze termijnen zijn in het leven geroepen omdat de concentratie van de werkzame stoffen in het bloed na verloop van tijd kan afnemen. Het is derhalve van belang dat de laboratoria de onderzoeken voortvarend uitvoeren. Bijkomend voordeel is dat de opsporing en de verdachte niet te lang hoeven te wachten op de uitslag van het onderzoek. De termijnen behoeven echter om twee redenen verruiming. Allereerst blijkt sinds de inwerkingtreding van het besluit dat de termijnen in de praktijk niet haalbaar zijn voor de laboratoria. Het NFI heeft in 2018 gemonitord hoe lang een bloedonderzoek gemiddeld duurt. Daaruit kwam naar voren dat een bloedonderzoek gemiddeld drie tot vier weken in beslag neemt. Een aanvullend bloedonderzoek duurt nog langer, vanwege de grote hoeveelheid stoffen waarop moet worden getest en de toxicologische interpretatie die daarbij plaatsvindt. Een tweede reden voor de verruiming is dat er bij de totstandkoming van het besluit geen rekening werd gehouden met de reeds eerder besproken omstandigheid (zie de toelichting bij artikel I, onderdeel D) dat de bloedmonsters zouden worden ingevroren, ook tijdens het transport. Daardoor kunnen zij in principe een ruime(
- re)tijd worden bewaard zonder dat de concentratie van de in het bloed aanwezige werkzame stoffen noemenswaardig achteruit loopt. Deze redenen maken dat de termijnen voor het verrichten van het bloedonderzoek en het aanvullend bloedonderzoek zijn verruimd naar vier respectievelijk acht weken. De wijzigingen maken dat de laboratoria nog steeds worden aangespoord het bloedonderzoek met gezwinde spoed te verrichten, zij het binnen een meer realistische termijn, terwijl het openbaar ministerie en de verdachte nog steeds binnen afzienbare tijd een uitslag zullen ontvangen. […] Tot slot is op advies van het OM en in afstemming met het NFI en de laboratoria bepaald dat het verslag, houdende het resultaat van het bloedonderzoek, wordt uitgebracht binnen de geldende onderzoekstermijn (artikel 16, vijfde lid). Daardoor vormen het onderzoek en de verslaglegging meer een geheel en kan eenvoudiger aan de hand van het verslag worden nagegaan of het bloedonderzoek binnen de gestelde termijnen heeft plaatsgevonden.” 3.3. Onderzoek door een buitenlands laboratorium 18. Blijkens zijn hiervoor weergegeven overwegingen heeft het hof bij zijn oordeel dat het onderzoek aan het op 12 april 2019 afgenomen bloed dient te worden uitgesloten van het bewijs uitdrukkelijk in aanmerking genomen dat de buisjes met bloed buiten de Nederlandse rechtssfeer zijn gebracht. Meer in het bijzonder overwoog het hof in verband met art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, art. 15, aanhef en onder a, en art. 16, eerste lid, BADG dat “[m]inst genomen geldt dat wanneer buisjes bloed buiten de rechtssfeer van de Nederlandse staat worden gebracht, de hiervoor besproken voorschriften behoren tot het stelsel van strikte waarborgen waarvan de niet naleving meebrengt dat het bestanddeel 'onderzoek' in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 niet is nageleefd”. Het voorgaande roept de vraag of de omstandigheid dat de buisjes met bloed naar een buitenlands laboratorium zijn verzonden en/of de omstandigheid dat het bloedonderzoek is verricht door een deskundige verbonden aan een buitenlands laboratorium van betekenis is/zijn voor de beantwoording van de vraag of de onderhavige voorschriften behoren tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee de wetgever het onderzoek zoals bedoeld in art. 8, vijfde lid, WVW 1994 heeft omringd. 19. In dat kader stel ik voorop dat de onderzoeker die het bloedonderzoek verricht op grond van de eerste volzin van art. 14, tweede lid, BADG verbonden dient te zijn aan een laboratorium. Dat kan een laboratorium zijn dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd en deskundig is op het terrein van de bio-analyse, maar ook een in het buitenland gevestigd laboratorium dat door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie is geaccrediteerd en dat deskundig is op het terrein van de bio-analyse. In het BADG is aldus uitdrukkelijk de mogelijkheid gecreëerd om het bloedonderzoek te laten verrichten door een deskundige die verbonden is aan een in het buitenland gevestigd laboratorium. 20. De inzet van een onderzoeker verbonden aan een in het buitenland gevestigd laboratorium wordt ook gefaciliteerd door art. 16, derde lid, BADG, dat inhoudt dat het verslag van het resultaat van het bloedonderzoek in de Engelse taal mag zijn gesteld indien de onderzoeker die het verslag opstelt, verbonden is aan een laboratorium als bedoeld in art. 14, tweede lid, onder b BADG. Voor het overige bevat het BADG noch de RADG afwijkende voorschriften voor het geval het bloedonderzoek wordt verricht door een deskundige verbonden aan een in het buitenland gevestigd laboratorium. Het BADG en de RADG en de daarbij behorende nota’s van toelichting bevatten geen enkele aanwijzing dat voorschriften uit het BADG en de RADG op een andere of strengere wijze dienen te worden toegepast indien het bloedonderzoek door een onderzoeker verbonden aan een in het buitenland gevestigd laboratorium wordt verricht. De omstandigheid dat het bloedonderzoek is verricht door een onderzoeker verbonden aan een in het buitenland gevestigd laboratorium dat voldoet aan de kwaliteitseisen gesteld in art. 14, tweede lid, aanhef en onder b, BADG is mijns inziens dan ook niet relevant voor de beoordeling of voorschriften hebben te gelden als strikte waarborgen. 21. In deze zaak staat niet ter discussie dat Labor Mönchengladbach, het laboratorium dat de buisjes met bloed van de politie heeft ontvangen, en Labor Dessau, het laboratorium dat blijkens het zich bij de stukken van het geding bevindende Rapport drugs in het verkeer feitelijk het bloedonderzoek heeft uitgevoerd, voldoen aan de kwaliteitseisen van art. 14, tweede lid, aanhef en onder b, BADG, zodat onderzoekers verbonden aan deze laboratoria het bloedonderzoek hebben kunnen verrichten. In het licht van het voorgaande meen ik – in lijn met het standpunt van de steller van het middel – dat de omstandigheid dat het hier gaat om in het buitenland gevestigde laboratoria voor de beantwoording van de vraag of de voorschriften van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG, art. 15, aanhef en onder a, BADG en art. 16, eerste lid, BADG behoren tot het stelsel van strikte waarborgen, geen enkele rol speelt. 3.4. Zo spoedig mogelijk bezorgen (art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG) 22. De steller van het middel klaagt allereerst dat het oordeel van het hof dat het voorschrift van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG behoort tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in art. 8, vijfde lid, WVW 1994 is omringd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. 23. Op grond van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG dient de bij de bloedafname aanwezige opsporingsambtenaar er voor te zorgen dat de bij de verdachte afgenomen buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk worden of wordt bezorgd bij het laboratorium. In zijn conclusie voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684, heeft mijn ambtgenoot Harteveld uitgebreid stilgestaan bij de strekking van dit voorschrift. Hij haalt onder meer de nota van toelichting bij het BADG aan en bespreekt de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad dat tot de strikte waarborgen onder meer behoort dat het afgenomen bloedmonster zonder uitstel wordt toegezonden aan het laboratorium dat met het onderzoek daarvan is belast. Vervolgens schrijft Harteveld: “Uit het voorgaande is gebleken dat de achterliggende strekking van het vereiste dat het bloedmonster door de opsporingsambtenaar “zo spoedig mogelijk” moet worden bezorgd bij het onderzoekslaboratorium als bedoeld in art. 14, tweede lid, Besluit, is gelegen in het voorkomen van bederf en verwisseling van het bloedmonster. Immers, bij het laboratorium kan (en moet) het bloedmonster volgens de geldende richtlijnen worden bewaard. Ook is gebleken dat bij de verzending van het bloedmonster door de opsporingsambtenaar verzending aan het NFI centraal staat, omdat het primaat van het onderzoek bij het NFI ligt. Wel biedt het Besluit de mogelijkheid voor het NFI om een ander geaccrediteerd laboratorium in te schakelen voor het onderzoek, zodat de nodige flexibiliteit tijdens het opsporingsonderzoek wordt gewaarborgd. In de toelichting op art. 14 Besluit wordt een drietal redenen genoemd om naar een ander laboratorium uit te wijken: (
- i)de capaciteit van het NFI, (
- ii)de snelheid waarmee het bloedonderzoek moet worden verricht en (iii) de met het transport gemoeide afstand en tijd. In het laatste geval biedt het Besluit de mogelijkheid om te kiezen voor het meest dichtbij zijnde laboratorium dat voldoet aan de in art. 14, tweede lid, Besluit gestelde eisen. Hieruit kan mijns inziens niet worden afgeleid dat in het geval het NFI besluit om het onderzoek uit te besteden aan een buitenlands geaccrediteerd laboratorium het niet zou zijn toegestaan om - zoals in het onderhavige geval - de bezorging van bloedmonsters aan een buitenlands laboratorium wekelijks te doen laten plaatsvinden. De in art. 13, eerste lid onder d, Besluit opgenomen “bezorgplicht” rust immers uitsluitend op de opsporingsambtenaar. Op een politiebureau is een bloedmonster sneller vatbaar voor verwisseling of bederf. Als het bloedmonster bij het NFI wordt bewaard (en bij uitwijking naar een ander laboratorium: wordt getransporteerd) op de wijze als bedoeld in Bijlage 1 van de Regeling wordt aan de strekking van art. 13, eerste lid onder d, Besluit geen geweld gedaan.” 24. In zijn arrest van 27 oktober 2020 heeft de Hoge Raad de vraag of het voorschrift van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG als strikte waarborg heeft te gelden, bevestigend beantwoord. De Hoge Raad overwoog: “Van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (vgl. HR 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AD6952). Tot die waarborgen behoren onder meer het voorschrift van artikel 13 lid 1, aanhef en onder d, Besluit, dat ertoe strekt dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14 lid 2 Besluit wordt of worden gezonden, en de voorschriften die betrekking hebben op het bewaren en het vervoeren van het afgenomen bloedmonster in verband met het uitvoeren van het bloedonderzoek.” 25. In de schriftuur grijpt de steller van het middel het onderhavige cassatieberoep aan om de Hoge Raad in de gelegenheid te stellen zich opnieuw uit te laten over (het karakter van) het voorschrift van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG. Aanleiding daarvoor is dat met ingang van 1 januari 2019 de werkwijze bij de politie is veranderd, aangezien sindsdien het bloedblok tot aan het moment van transport naar het laboratorium wordt opgeslagen in een vriezer bij -20ºC. Verder vindt met ingang van 1 maart 2019 ook het transport van de politie naar het laboratorium plaats in een vriezer bij -20ºC. Dit roept volgens de steller van het middel de vraag op of ook met de nieuwe werkwijze nog steeds geldt dat niet-naleving van het voorschrift van art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, BADG moet worden gekwalificeerd als de schending van een strikte waarborg. In de toelichting op het middel wijst de steller van het middel erop dat het hof feitelijk heeft vastgesteld dat de buisjes met bloed ten tijde van de tenlastegelegde gedraging op een vaste temperatuur van -20ºC werden ingevroren en bewaard tot aan het vervoer, dat het vervoer naar Mönchengladbach eens per week via een koerier plaatsvond, terwijl de buisjes bloed tijdens het vervoer met koudijs waren omgeven. Dit betekent volgens de steller van het middel dat zowel de opslag van het bloedblok door de politie als het transport naar het laboratorium heeft plaatsgehad conform dezelfde eisen als die in de bijlage 1 bij de RADG worden gesteld aan de opslag van bloedmonsters door een laboratorium en aan het transport in geval van tegenonderzoek, zodat een eventueel vertraagde aflevering bij het laboratorium geen invloed op de juistheid en betrouwbaarheid van de resultaten van het bloedonderzoek. 26. In dat kader wijs ik op een zich bij de stukken van het geding bevindende brief van het NFI d.d. 12 november 2019, afkomstig van dr. C.M. Boone, forensisch onderzoeker toxicologie NFI, welke brief, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende inhoudt: “In het kader van de Wegenverkeerswet 1994 artikel 8 (WVW) en de Wet Middelenonderzoek bij Geweldplegers (WMG) wordt onderzoek verricht naar alcohol, drugs en medicijnen in het bloed van verdachten Het bloed moet zo spoedig mogelijk […] na afname worden bezorgd bij het laboratorium vanwege beperkte stabiliteit van alcohol, drugs en medicijnen bij niet-gekoelde opslag of transport. Dit betekent dat alcohol, drugs en medicijnen in de bloedbuis (gedeeltelijk) afgebroken kunnen worden. Ontleding kan bijvoorbeeld al binnen 24 uur optreden bij kamertemperatuur voor onder andere cocaïne en THC, dat resulteert in het meten van lagere concentraties in het bloed dan bij afname aanwezig waren. Om afbraak tegen te gaan worden de bloedbuizen in de vriezer (bij circa -20°C) opgeslagen en getransporteerd.