PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/04528 U Zitting 8 maart 2022 CONCLUSIE E.J. Hofstee In de zaak [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, h
Article 6of the European Convention on Human Rights.
Right to a fair trial (criminal limb)”, die op de website van het EHRM is gepubliceerd, zijn de in de uitspraak in de zaak Othman/V.K. vermelde gevallen nog immer illustratief. In de ‘
Article 6’ (p.
104) worden naast de vier onder a-d beschreven voorbeelden van een flagrant denial of justice – onder verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM – nog twee gevallen aangewezen:
- e)het gebruik in een strafprocedure van verklaringen die van een ander dan de verdachte zijn verkregen door middel van handelen in strijd met art. 3 EVRM en
- f)een proces voor een militaire commissie zonder dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de commissie is gegarandeerd terwijl een hoge waarschijnlijkheid bestond dat bewijs tijdens het proces voor de commissie werd toegelaten dat was verkregen door marteling. In navolging van de overwegingen van het EHRM wordt de ‘flagrant denial of justice’-toets in de ‘
Article 6’ als stringent gekwalificeerd.
Daar wordt voorts – uiteraard wederom met verwijzingen naar de rechtspraak van het EHRM – aan deze kwalificatie het volgende toegevoegd: “A flagrant denial of justice goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial proceedings such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State itself. What is required is a breach of the principles of a fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article […].” 11. Uit het voorafgaande volgt dat de rechtbank terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel een blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM wordt aangenomen, die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt immers, zo blijkt uit de uitspraak in de zaak Othman/V.K en de analyse van de (overige) rechtspraak in de ‘
Article 6
’, dat zich pas een flagrant denial of justice voordoet indien de inbreuk op de door art. 6 EVRM gegarandeerde beginselen van een eerlijk proces zo fundamenteel is dat deze resulteert in het tenietdoen, of de destructie, van de essentie van het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. 12. Tegen de achtergrond van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. Rozemond en de hiervoor aangehaalde rechtspraak van het EHRM, is de rechtbank van het juiste rechtskader uitgegaan bij haar oordeel dat niet is komen vast te staan dat ten aanzien van de opgeëiste persoon al sprake is van dreiging van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM respectievelijk art. 14, eerste lid, IVBPR. Dit oordeel acht ik ook niet onbegrijpelijk en, bezien in het licht van wat door de verdediging ter zitting is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat
- i)de rechtbank er op basis van het vertrouwensbeginsel van uit is gegaan dat Israël het recht op een berechting binnen een redelijke termijn ex art. 14, derde lid aanhef en onder c, IVBPR zal waarborgen,
- ii)een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn in de rechtspraak van het EHRM en de rechtspraak van de Hoge Raad niet als een flagrant denial of justice wordt aangeduid, iii) de schending van dat recht ook niet verwant is aan de in die rechtspraak wel als zodanig aangeduide gevallen en
- iv)niet zonder meer valt in te zien hoe een geïsoleerde schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn een zo fundamentele inbreuk op de beginselen van een eerlijk proces oplevert dat deze resulteert in het tenietdoen, of de destructie, van de essentie van het in art. 6 EVRM respectievelijk art. 14 IVBPR neergelegde recht op een eerlijk proces. In het licht van deze constateringen was, naar mijn inzicht, een nadere onderbouwing vereist van het verweer dát de gestelde schending van het recht van de opgeëiste persoon op berechting binnen een redelijke termijn erin resulteert dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. 13. Een nadere onderbouwing zoals hiervoor bedoeld, ontbreekt evenwel in het verweer. Blijkens de (in randnummer 6 weergegeven) pleitnota heeft de verdediging met haar verweer vooral gewezen op het verloop van enkele jaren tussen het eerste verhoor van de opgeëiste persoon en het aan de rechtbank voorgelegde uitleveringsverzoek. Door de verdediging is immers aangevoerd – en ook de rechtbank is daarvan uitgegaan – dat de opgeëiste persoon sinds 15 of 16 november 2016 in afwachting is geweest van de voortzetting van de strafvervolging door de Israëlische justitiële autoriteiten. Het gestelde verloop van enkele jaren tussen het eerste verhoor van de opgeëiste persoon en het voorgelegde uitleveringsverzoek volstaat echter niet ter onderbouwing van het verweer dat sprake zal zijn van een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn, en al helemaal niet van de daarop gebaseerde blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. 14. De blijkens de pleitnota ook door de verdediging ingenomen stelling, die erop neerkomt dat de Israëlische autoriteiten sinds het op 15 en 16 november 2016 uitgevoerde verhoor wat betreft de vervolging van de opgeëiste persoon zonder voldoende rechtvaardiging hebben stilgezeten, maakt het vorenstaande niet wezenlijk anders. De omstandigheden die kennelijk ter onderbouwing van deze stelling zijn aangevoerd houden in dat
- i)de procedures tegen de medeverdachten van de opgeëiste persoon ([betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]) reeds in 2016 en 2017 waren afgerond,
- ii)een begrijpelijke verklaring ontbreekt voor het feit dat de uitlevering van de opgeëiste persoon niet is verzocht tijdens de zoektocht naar de zich mogelijk in Nederland bevindende medeverdachte [betrokkene 4], iii) zelfs toen de Israëlische autoriteiten tot de conclusie waren gekomen dat [betrokkene 4] onvindbaar was, zou zijn nagelaten om uitlevering van de opgeëiste persoon te verzoeken, en
- iv)het geenszins aan cliënt heeft gelegen dat het allemaal zo lang heeft geduurd, omdat hij zich nooit op ook maar enig moment aan naspeuringen van justitie zou hebben onttrokken. Deze (gestelde) omstandigheden leiden echter niet tot het oordeel dat sprake is van een schending van het recht op berechting binnen een redelijk termijn, laat staan dus tot het oordeel dat sprake is van het risico van een flagrante inbreuk op dat in art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR neergelegde recht (waaraan de opgeëiste persoon zou zijn blootgesteld). Ik wijs hierbij op de vaste rechtspraak van het EHRM over het recht op berechting binnen een redelijke termijn waaruit onder meer volgt dat de complexiteit van de zaak, de proceshouding van de verdachte/opgeëiste persoon en het optreden van de relevante administratieve en rechterlijke instanties, als beoordelingsfactoren worden betrokken bij de vraag of de redelijke termijn is overschreden. Met uitzondering van het gedrag van de opgeëiste persoon – waarover door de verdediging is gesteld dat de opgeëiste persoon zich nooit op ook maar enig moment aan naspeuringen van justitie heeft onttrokken –, is door de verdediging niet voldoende op basis van de relevante beoordelingsfactoren aangevoerd waarom het gestelde tijdsverloop tussen het eerste verhoor en de behandeling van het voorliggende uitleveringsverzoek leidt tot de slotsom dat de strafvervolging van de opgeëiste persoon onredelijk lang duurt en/of zal duren. En waarom de gestelde (en dreigende) schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn het risico met zich brengt van een inbreuk op art. 6 EVRM en/of art. 14 IVBPR die als flagrant zal moeten worden aangemerkt, wordt (nogmaals) in het geheel niet onderbouwd in het verweer. 15. Voor zover het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon al sprake is van dreiging van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM respectievelijk art. 14, eerste lid, IVBPR, faalt het dus. Dat brengt – in het licht van HR 1 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. Rozemond – mee dat het middel geen bespreking meer behoeft voor zover het berust op de stelling dat door de verdediging voldoende onderbouwd is aangevoerd dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ter zake van een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat omdat in Israël geen ‘adequate compensatie’ mogelijk zou zijn voor een schending van dat recht. VI. Slotsom 16. Het middel faalt. 17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. 18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Ik merk op dat de rechtbank in haar weergave van het standpunt van de verdediging tot uitdrukking heeft gebracht dat de raadsvrouw in haar pleitnota heeft verwezen naar HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276, m.nt. Rozemond. Te raadplegen via https://www.echr.coe.int/Documents/Guide_Art_6_criminal_ENG.pdf. Ik heb geen rechtspraak van het EHRM na 1 januari 2022 gevonden, waarin andere gevallen zijn aangeduid. Vgl. ook HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2019, NJ 2019/228, m.nt. Rozemond. Zie ‘
Article 6’, p.
- Dit zijn ook de bewoordingen die het Straatsburgse Hof gebruikt in par. 260 van EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09 (Othman/V.K.), NJ 2013/360, m.nt. Keijzer. Ik lees de door de rechtbank gebruikte woorden ‘dreiging van’ als een verwijzing naar de door de Hoge Raad in zijn arrest van 21 maart 2017 gebruikte term ‘blootstelling aan’. Zie over deze criteria – met een verwijzing naar zijn vaste rechtspraak – EHRM 28 mei 2019, nr. 173/15 (Liblik e.a. t. Estland), par.
- Door de Hoge Raad in zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI:NK:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis (rov. 3.13.1) zijn vergelijkbare beoordelingsfactoren aangeduid met de termen ‘de ingewikkeldheid van de zaak’, ‘de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop’, ‘de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld’. In HR 4 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1426, NJ 2018/371 (rov. 2.5) wees de Hoge Raad eveneens naar het in algemene termen gevoerde verweer dat sprake was van een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM om te komen tot een verwerping van het middel dat tegen de verwerping van dat verweer was gericht. HR 16 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5361, NJ 2007/566 biedt een (ouder) voorbeeld van een geval waarin sprake is van een middel dat gericht was tegen de verwerping van het verweer dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn, maar faalde (rov. 4.3.2). Zie voor een geval waarin naar het oordeel van de Hoge Raad niet was gebleken dat voldoende onderbouwd was aangevoerd dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ingeval van een flagrante inbreuk op art. 6 EVRM niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat: HR 23 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:955.