ECLI:NL:PHR:2022:22
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer20/02921 B Zitting 11 januari 2022 CONCLUSIE F.W. Bleichrodt In de zaak [veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, hierna: de veroordeelde.
Het cassatieberoep 1. De penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de veroordeelde bij beslissing van 3 september 2020 niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. Het hoger beroep was gericht tegen de beslissing van 3 maart 2020 van de rechtbank Den Haag tot tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel). De ISD-maatregel was door dezelfde rechtbank bij uitspraak van 17 september 2019 voorwaardelijk opgelegd, waarbij onder meer als bijzondere voorwaarde was gesteld dat de veroordeelde zich in het kader van behandeling zou laten opnemen in een zorginstelling. De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 3 maart 2020 vastgesteld dat de genoemde bijzondere voorwaarde niet is nageleefd en heeft de tenuitvoerlegging bevolen.
De beslissing van het hof 3. Het hof heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep het volgende overwogen: “Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman Primair heeft de raadsman aangevoerd dat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in aanmerking dient te worden genomen dat het vonnis waarbij de maatregel voorwaardelijk is opgelegd, dateert van vóór 1 januari 2020. De bepalingen van de op 1 januari 2020 in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: Wet USB), waardoor na 1 januari 2020 geen rechtsmiddel meer openstaat tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel, zijn in strijd zijn met de fundamentele beginselen van het strafrecht, nu die evident ongunstiger zijn voor de veroordeelde.
Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de wetgever weliswaar ook vóór 1 januari 2020 het uitgangspunt had dat er geen beroep mogelijk was tegen beslissingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straffen en maatregelen, maar dat er op grond van artikel 509ff van het Wetboek van Strafvordering (Sv) (oud) een uitzondering voor de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke opgelegde plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders gold. Het laten vallen van deze uitzondering zou een onbedoeld (en ongewenst) effect zijn van de invoering van de Wet USB en verwacht wordt dat deze fout op korte termijn zal worden hersteld.
Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het wegvallen van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen de bestreden beslissing in strijd is met de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Het is immers goed denkbaar dat een veroordeelde zich kan neerleggen bij de voorwaardelijk opgelegde maatregel, maar het niet eens is met het oordeel dat hij de voorwaarden heeft geschonden dan wel dat die schending de tenuitvoerlegging rechtvaardigt. Nu de maatregel in beginsel strekt tot vrijheidsontneming gedurende twee jaren is de tenuitvoerlegging daarvan dusdanig ingrijpend dat het onthouden van de mogelijkheid van beroep tegen het besluit tot tenuitvoerlegging in strijd is met Europees recht.
Het standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de veroordeelde ontvankelijk is in zijn hoger beroep, nu het beroep tijdig is ingesteld en de maatregel voorwaardelijk is opgelegd bij een vóór 1 januari 2020 gewezen vonnis. De grondslag van de tenuitvoerlegging is immers de beslissing van de rechtbank Den Haag van 17 september 2019. De wetswijziging van 1 januari 2020 mag niet in het nadeel van de veroordeelde worden uitgelegd.
Het oordeel van het hof Het hof heeft op 19 maart 2020 een beslissing gegeven in een zaak waarin beroep was ingesteld tegen een beslissing van de rechtbank tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wegens overtreding van een bijzondere voorwaarde (ECLI:NL:GHARL:2020:2395). Het hof heeft in die zaak onder meer het volgende overwogen: “Met de inwerkingtreding van de Wet USB op 1 januari 2020 zijn artikel 38r van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 509ff van het Wetboek van Strafvordering (Sv) komen te vervallen. Ingevolge deze artikelen stond - in verbinding met artikel 67, eerste lid, van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (RO) - tegen een beslissing van de rechtbank ter zake van de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders hoger beroep open bij deze kamer van dit hof: de zogenoemde penitentiaire kamer. Dit gold zowel bij overtreding van de algemene voorwaarden, bedoeld artikel 38p, derde lid, Sr, als bij overtreding van de bijzondere voorwaarden, bedoeld in artikel 38p, vierde lid, Sr, Daarmee week deze regeling af van de regeling in artikel 14j, eerste lid, Sr, zoals die luidde tot 1 januari 2020, omdat in alle gevallen van tenuitvoerlegging hoger beroep mogelijk was en dit hoger beroep bovendien was geconcentreerd bij de penitentiaire kamer. In zoverre en omdat de behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging niet noodzakelijkerwijs gelijktijdig met een nieuwe strafzaak wordt behandeld, wijkt deze zaak af van de rechtsvraag die de Procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft besproken in zijn vordering tot cassatie in het belang der wet van 18 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:160, en waarop de Hoge Raad heeft beslist op 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:389.
Sinds 1 januari 2020 zijn de volgende bepalingen in hoofdstuk 6 van boek 6 van het Wetboek van Strafvordering ter zake van rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging van belang. Ingevolge artikel 6:6:21, eerste lid, onder a, Sv is de rechter bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden. Ingevolge artikel 6:6:7 Sv zijn rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen, voor zover in hoofdstuk 6 van boek 6 Sv niet anders is bepaald. Dit hoofdstuk, met name artikel 6:6:22, eerste lid, Sv, bevat geen bepaling die beroep mogelijk maakt tegen een rechterlijke beslissing ter zake de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel.
In de Memorie van Toelichting bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Tweede Kamer 2014-2015, 34086, nr. 3, blz. 107) wordt weliswaar ingegaan op de redenen om niet langer hoger beroep open te stellen tegen beslissingen die worden genomen na overtreding van een bij een voorwaardelijke veroordeling gestelde bijzondere voorwaarde, maar er wordt niet afzonderlijke aandacht besteed aan de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel en daarmee niet aan de van artikel 14j, eerste lid, Sr afwijkende regeling in de artikelen 38r Sr en 509ff Sv. Desalniettemin is het hof op grond van de tekst en de strekking van de Wet USB van oordeel dat de mogelijkheid van hoger beroep bij de penitentiaire kamer tegen een beslissing ter zake van de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke ISD – wegens overtreding van een algemene en/of een bijzondere voorwaarde – met de invoering van die wet is komen te vervallen. De wet bevat geen overgangsregeling. In beginsel hebben strafvorderlijke bepalingen onmiddellijke werking.”
In de genoemde zaak is de veroordeelde niettemin ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, waarbij het hof – kort samengevat – heeft overwogen dat het in strijd is met de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid om de ontvankelijkheid van een op zichzelf tijdig ingesteld hoger beroep af te laten hangen van de omstandigheid of de behandeling van dat beroep voor dan wel na de inwerkingtreding van de Wet USB plaatsvindt.
De onderhavige zaak wijkt, voor zover hier relevant, van bovengenoemde zaak af omdat het hoger beroep is ingesteld tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging die is gewezen na de invoering van de hiervoor besproken wetswijziging per 1 januari 2020. De strafvorderlijke bepalingen van de Wet USB gelden dus onverkort, met als gevolg dat geen beroep meer openstaat tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel wegens overtreding van een bijzondere voorwaarde. Dit is niet anders omdat, zoals door de raadsman en de advocaat-generaal is gesteld, die beslissing de tenuitvoerlegging betreft van een voorwaardelijk opgelegde maatregel die zijn grondslag vindt in een vonnis dat is gewezen vóór 1 januari 2020.
Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van de veroordeelde wijst het hof op de op 25 juli 2020 in werking getreden Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb, 2020, 225). In deze reparatiewet zijn enkele omissies en andere fouten in de Wet USB hersteld, zoals die na inwerkingtreding van die wet naar voren zijn gekomen en die mede aanleiding hebben gegeven tot de genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 6 maart 2020. De wetgever heeft daarbij onderkend dat de beroepsmogelijkheid tegen een beslissing over de tenuitvoerlegging is vervallen, maar dat niet geheel duidelijk uit de formulering van de Wet USB blijkt dat nog steeds beroep mogelijk is tegen beslissingen tenuitvoerlegging bij overtreding van een algemene voorwaarde, voor zover deze deel uitmaken van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit.
Artikel 6:6:22, eerste lid, onder b, Sv is in die zin aangepast. Dit betekent dat op grond van deze bepaling nu beroep mogelijk is bij een gerechtshof (niet de penitentiaire kamer) tegen een beslissing van de rechtbank over de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegd ISD-maatregel wegens een overtreding van de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen nieuw strafbaar feit pleegt (artikel 38p, derde lid, onder a, Sr). Daarvan is in deze zaak echter geen sprake. Hier gaat het niet om samenloop met een nieuw strafbaar feit, maar om een afzonderlijke vordering van de officier van justitie en afzonderlijke beslissing van de rechtbank wegens overtreding van een aan de voorwaardelijke maatregel verbonden bijzondere voorwaarde. Er zijn in de genoemde reparatiewet geen andere wijzigingen in de bepalingen van de beroepsmogelijkheid tegen beslissingen tenuitvoerlegging aangebracht en – zo blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de reparatiewet (TK 2019-2020, 35436, nr. 3, pagina 7) – evenmin overwogen. De wetgever heeft dus kennelijk geen noodzaak gezien om de vervallen beroepsmogelijkheid van artikel 509ff Sv (oud) geheel te herstellen.
Wat betreft het meer subsidiaire standpunt van de veroordeelde heeft het hof in de aangehaalde beslissing van 19 maart 2020 overwogen dat de beoordeling van een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel moet worden aangemerkt als een procedure in de zin van artikel 5, vierde lid, van het EVRM. Deze bepaling is van toepassing als zich na een veroordeling nieuwe vragen over de rechtmatigheid van detentie voordoen (zie o.a. Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) 30 januari 2018, nr. 18233/16, Etute tegen Luxemburg, ro. 25). Deze bepaling verplicht echter niet tot een rechterlijke beoordeling in twee instanties (zie o.a. EHRM 17 juli 2007, nr. 48666/99, Kučera tegen Slovakije, ro. 107). De afschaffing van de appelmogelijkheid is dan ook niet in strijd met het EVRM, nog daargelaten welke consequentie aan een schending van dit verdrag had moeten worden verbonden.
Het hof is dan ook van oordeel dat de veroordeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep.”
De ontvankelijkheid van het cassatieberoep 4. De beslissing van de rechtbank tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel is aan te merken als een beslissing als bedoeld in art. 6:6:21, eerste lid, Sv. In de voorliggende zaak heeft het hof de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde beroep tegen de beslissing van de rechtbank. Ingevolge artikel 6:6:7 Sv zijn rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen, voor zover in hoofdstuk 6 van boek 6 Sv niet anders is bepaald. Een bepaling waarin cassatieberoep tegen de beslissing van de penitentiaire kamer van het hof wordt opengesteld, ontbreekt. Daarbij merk ik nog op dat sprake is van een op zichzelf staande beslissing van de penitentiaire kamer van het hof. Hier doet zich dus niet de situatie voor waarbij de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit als bedoeld in art. 6:6:22a Sv. De veroordeelde kan daarom niet worden ontvangen in het ingestelde cassatieberoep.
Het wettelijk kader 6. Tot de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: Wet USB) op 1 januari 2020 luidden de in cassatie relevante wettelijke bepalingen als volgt:
Artikel 14j Sr: “1. Rechterlijke beslissingen omtrent vorderingen van het openbaar ministerie of verzoeken van de veroordeelde zijn met redenen omkleed en worden in het openbaar uitgesproken. Zij zijn, voor zover zij geen deel uitmaken van uitspraken terzake van andere strafbare feiten, niet aan enig rechtsmiddel onderworpen. (…)”
Artikel 38m Sr: “1. De rechter kan op vordering van het openbaar ministerie de maatregel opleggen tot plaatsing van een verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders, indien:
1°. het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
2°. de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan, en 3°. de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.
Artikel 38p Sr: “1. De rechter kan bepalen dat de maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd.
Artikel 38q Sr: “De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van de veroordeelde of diens raadsman dan wel ambtshalve met inachtneming van de artikelen 38m tot en met 38p:
1°. de voorwaarden aanvullen, wijzigen of opheffen;
2°. aan een andere reclasseringsinstelling dan die welke daarmee tevoren was belast het verlenen van hulp en steun bij de naleving van de voorwaarden opdragen.”
Artikel 38r Sr: “De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, indien een voorwaarde niet wordt nageleefd, bevelen dat de maatregel alsnog zal worden tenuitvoergelegd.”
Artikel 38s Sr: “1. De rechter kan, op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van de verdachte of diens raadsman dan wel ambtshalve, bij of na het opleggen van de maatregel beslissen tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Het openbaar ministerie bericht hem daarover binnen een door hem te bepalen termijn. Bij het bericht is gevoegd een verklaring van de directeur van de inrichting omtrent de stand van de uitvoering van het verblijfsplan van de veroordeelde.
Artikel 509y Sv: “In deze titel wordt verstaan onder: (…) maatregel: plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders; (…)”
Artikel 509z Sv: “1. Wanneer het openbaar ministerie van oordeel is dat toepassing behoort te worden gegeven aan een der bepalingen van de artikelen 38q of 38r van het Wetboek van Strafrecht, dient het een daartoe strekkende, met redenen omklede, vordering in. Wanneer degene aan wie de maatregel voorwaardelijk is opgelegd een verzoek als bedoeld in artikel 38q van het Wetboek van Strafrecht heeft gedaan, wordt het verzoek door de griffier ter kennis gebracht van het openbaar ministerie, dat daarop zo spoedig mogelijk een conclusie neemt.
Artikel 509ee Sv: “1. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 38r van het Wetboek van Strafrecht, geeft de beslissing de bijzondere redenen aan die hiertoe hebben geleid.
Artikel 509ff Sv: “1. Tegen de beslissing van de rechtbank inzake de toepassing van de artikelen 38r en 38s kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening en de veroordeelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Artikel 6:6:1 Sv: “1. Indien een rechter overeenkomstig de bepalingen van dit boek een beslissing kan nemen inzake de tenuitvoerlegging, is – tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald – tot het nemen van deze beslissing bevoegd het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop de beslissing ziet. Tenzij anders is bepaald kan de rechter deze beslissing ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, dan wel op verzoek van de veroordeelde nemen.
Artikel 6:6:7 Sv: “Een rechterlijke beslissing als bedoeld in deze titel is niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen, voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald.”
Artikel 6:6:15 Sv: “1. Het openbaar ministerie, de ter beschikking gestelde en degene die is geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders kunnen binnen veertien dagen na de beslissing van de rechter beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen: (…) e. de beslissing ter zake van voortzetting of beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders. (…)”
Artikel 6:6:21 Sv: “1. De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van: a. de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden; b. het alsnog geheel of gedeeltelijk moeten ondergaan van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd. (…) 3. Een vordering als bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend indien het openbaar ministerie oordeelt dat de veroordeelde een gestelde voorwaarde of opgelegde maatregel niet naleeft of niet heeft nageleefd, en er niet met een waarschuwing kan worden volstaan. (…)”
Artikel 6:6:22 Sv: “1. Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen binnen veertien dagen na de beslissing van de rechter bedoeld in artikel 6:6:20, eerste lid, onder c en d, en in artikel 6:6:21, eerste lid, onder b, tegen die beslissingen beroep instellen. (…)”
Artikel 6:6:14 Sv: “1. Indien de rechter bij het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders niet beslist tot een tussentijdse beoordeling dan wel beslist tot een beoordeling na een jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel, kan de veroordeelde na zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel verzoeken om een tussentijdse beoordeling. In de overige gevallen kan een verzoek worden gedaan na zes maanden na het onherroepelijk worden van de beslissing om niet tussentijds te beoordelen of van de beslissing dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel is vereist.
Artikel 6:6:15 Sv: “1. Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen: (…) e. de beslissing ter zake van voortzetting of beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.
Artikel 6:6:21 Sv: “1. De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden. (…)”
Artikel 6:6:22 Sv: “1. Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen beroep instellen tegen: a. de beslissingen, bedoeld in artikel 6:6:20, eerste lid, onder b en c; b. de beslissingen, bedoeld in artikel 6:6:21, eerste lid, voor zover deze deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit. (…)”
Artikel 6:22a Sv: “1. Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen beroep in cassatie instellen tegen de beslissing van het gerechtshof, genomen op grond van artikel 6:6:22, eerste lid, onder b, voor zover deze deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit. (…)”
Deze wijziging wordt voorgesteld in reactie op uitspraken in eerste aanleg waarin wordt beschreven dat deze beroepsmogelijkheid per 1 januari 2020 is komen te vervallen met de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen zonder voldoende de gevolgen te onderkennen van de mogelijkheid dat er in hoger beroep een vrijspraak volgt. Omdat dan de in eerste aanleg toegewezen vordering tenuitvoerlegging door het ontbreken van een beroepsmogelijkheid al onherroepelijk zou zijn, zou zich de situatie voordoen dat de verdachte de eerdere voorwaardelijke straf zal (hebben) ondergaan, niet omdat hij voor een nieuw strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld, maar alleen omdat hij verdachte is geweest in een nieuwe strafzaak.(1) Inmiddels heeft de Hoge Raad bevestigd dat de beroepsmogelijkheid nog steeds bestaat, omdat de eerdergenoemde artikelen 361a en 407 Sv niet zijn gewijzigd door de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen.(2) Het is wenselijk artikel 6:6:22 Sv hiermee in overeenstemming te brengen door te expliciteren dat hoger beroep openstaat tegen de beslissing op een vordering tenuitvoerlegging wegens schending van de algemene voorwaarde. De behandeling van dat beroep loopt dan tegelijk op met het eventuele hoger beroep in de connexe strafzaak.
Een vergelijkbare situatie doet zich voor als er beroep in cassatie wordt ingesteld. Om deze reden wordt een artikel 6:6:22a Sv voorgesteld, waarmee wordt verduidelijkt dat beroep in cassatie mogelijk is tegen de in hoger beroep genomen beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging, voor zover die beslissing onderdeel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit. (…)
Opmerkingen naar aanleiding van de schriftuur 11. In de schriftuur wordt onder meer aangevoerd dat het hof in de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in het hoger beroep heeft miskend dat het laten vervallen van de mogelijkheid tot het instellen van beroep tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders een onbedoeld en ongewenst effect is van de Wet USB.
Het wettelijk kader tot de inwerkingtreding van de Wet USB 12. Uit het wettelijk kader zoals dat gold tot de inwerkingtreding van de Wet USB valt het volgende af te leiden. De rechtbank die in eerste aanleg de ISD-maatregel had opgelegd, was bevoegd te beslissen op een vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel (art. 509z, tweede lid, (oud) Sv). Voor de bevoegdheid deed niet ter zake of de tenuitvoerlegging werd gevorderd wegens schending van de algemene voorwaarde of op grond van overtreding van een bijzondere voorwaarde. Ingevolge art. 509ff (oud) Sv konden de veroordeelde en het openbaar ministerie tegen de beslissing van de rechtbank op de vordering beroep instellen bij de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Beroep tegen de beslissing van de rechtbank stond op grond van art. 509ff (oud) Sv ook open als de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging geen deel uitmaakte van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit. Daarin verschilde de wettelijke regeling ten opzichte van die van de in art. 14j, eerste lid, (oud) Sr vervatte regeling van rechtsmiddelen tegen beslissingen inzake de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen. Die regeling hield immers in dat rechterlijke beslissingen omtrent vorderingen van het openbaar ministerie niet aan enig rechtsmiddel waren onderworpen voor zover zij geen deel uitmaakten van uitspraken ter zake van andere strafbare feiten. De in art. 509ff (oud) Sv neergelegde regeling sloot wel aan bij de wettelijke regeling inzake beroep tegen beslissingen tot – kort gezegd – verlenging van de TBS, omzetting van de TBS met voorwaarden in TBS met dwangverpleging en hervatting en (voorwaardelijke) beëindiging van de dwangverpleging in het kader van de opgelegde TBS-maatregel.
Die regeling was destijds – tot de inwerkingtreding van de Wet USB – neergelegd in art. 509v (oud) Sv.
Het wettelijk kader sinds de inwerkingtreding van de Wet USB 13. Het wettelijk kader houdt sinds de inwerkingtreding van de Wet USB het volgende in. In art. 6:6:15, eerste lid, Sv is – als uitzondering op de in art. 6:6:7 Sv vastgelegde hoofdregel dat een rechterlijke beslissing inzake de tenuitvoerlegging niet aan enig rechtsmiddel is onderworpen – voorzien in beroepsmogelijkheden tegen onder meer de beslissingen tot verlenging van de TBS, het alsnog bevelen van dwangverpleging en tot hervatting en (voorwaardelijke) beëindiging van de dwangverpleging in het kader van de opgelegde TBS-maatregel, alsmede tegen de beslissing ter zake van “voortzetting of beëindiging” van de ISD-maatregel. Met de in art. 6:6:15, eerste lid aanhef en onder e, Sv gebruikte termen ‘voortzetting of beëindiging’ is gedoeld op het bepaalde in art. 6:6:14 Sv. Ingevolge deze bepaling kan de rechter in het kader van een tussentijdse beoordeling beslissen de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel voort te zetten of, in geval de voortzetting van de tenuitvoerlegging niet langer is vereist, te beëindigen. In deze bepaling is niet opgenomen dat beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing waarbij de rechter beveelt dat de ISD-maatregel “alsnog zal worden tenuitvoergelegd”, zoals wel het geval was in art. 509ff, eerste lid, (oud) Sv in verbinding met art. 38r (oud) Sr.
Betekenis van de (gewijzigde) Wet USB voor de beroepsmogelijkheid tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel 15. De beslissing van het hof Arnhem-Leeuwarden van 3 september 2020 betreft de bij uitspraak van 3 maart 2020 gegeven beslissing van de rechtbank Den Haag tot tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet USB is uitdrukkelijk overwogen dat de onmiddellijke werking van de nieuwe regeling het uitgangspunt is. De gewijzigde regeling heeft, voor zover hier relevant, betrekking op rechtsmiddelen inzake beslissingen tot de executie van een opgelegde straf. De invoering van deze regeling kan dus niet worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging en brengt geen wijziging in de aard en de maximale duur van de mogelijk ten uitvoer te leggen straf. Daarom kan niet worden gezegd dat een onmiddellijke toepassing van deze bepaling in strijd is met het legaliteitsbeginsel dat is vervat in art. 1 Sr en in art. 7 EVRM. In de beslissing waartegen het cassatieberoep is gericht, is het hof dus terecht uitgegaan van de toepasselijkheid van de artikelen 6:6:15, eerste lid aanhef en onder e, en 6:6:22, eerste lid, Sv in plaats van de regeling die was neergelegd in het per 1 januari 2020 vervallen art. 509ff, eerste lid, (oud) Sv.
Art. 14j, eerste lid, (oud) Sr sloot beroep ook uit in situaties waarin beslissingen tot tenuitvoerlegging geen deel uitmaakten van “uitspraken ter zake van andere strafbare feiten”. Die differentiatie is na de inwerkingtreding van de genoemde Spoedreparatiewet in art. 6:6:22, eerste lid, onder b, Sv neergelegd. Daarbij gaat het, anders dan in art. 14j, eerste lid, (oud) Sr, niet slechts om bevelen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straffen, maar ook om gevallen waarin het bevel tot tenuitvoerlegging een voorwaardelijk opgelegde maatregel betreft. Tegen deze achtergrond kan niet gezegd worden dat de uitsluiting van beroep in geval van tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel wegens schending van een bijzondere voorwaarde indruist tegen het systeem van de wet. Waar de beroepsmogelijkheid in het kader van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel vóór de inwerkingtreding van de Wet USB was afgestemd op de regeling van de TBS, is die nu ondergebracht in de algemene regeling van de voorwaardelijke modaliteiten. Dat is een keuze van de wetgever, die past in het systeem van de wet en die zal moeten worden geëerbiedigd.
Een toewijzing van de vordering kon slechts plaatsvinden in geval van een veroordeling ter zake van dat feit (art. 14g, derde lid, (oud) Sr). Ingevolge art. 361a Sv houdt het vonnis in geval van gelijktijdige behandeling van de tenlastelegging en de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf ook de beslissing van de rechtbank over de vordering in. De ratio van een gezamenlijke behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging en de berechting van het ten laste gelegde feit noopte volgens de wetgever ertoe slechts hoger beroep tegen het vonnis in zijn geheel toe te laten. Het eerste lid van art. 407, eerste lid, Sv bepaalt in deze lijn dat het hoger beroep slechts tegen het vonnis in zijn geheel kan worden ingesteld.
De Hoge Raad heeft terecht beklemtoond dat in dit stelsel van accessoire behandeling met de inwerkingtreding van de Wet USB geen verandering is gekomen. De Hoge Raad verwijst in dit verband naar art. 6:6:1, tweede lid, Sv en naar de omstandigheid dat art. 361a Sv inhoudelijk ongewijzigd is gebleven.
Art. 6:6:1, tweede lid, Sv bepaalt dat in de gevallen waarin de veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit en de behandeling van een beslissing inzake de tenuitvoerlegging op vordering van het openbaar ministerie gelijktijdig geschiedt met de behandeling van het feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd, het gerecht bevoegd is dat kennisneemt van dat feit.
Art. 361a Sv, de andere bepaling waarnaar de Hoge Raad verwijst, is evenwel naar de letter beperkt tot voorwaardelijke straffen. Daarmee bestaat onduidelijkheid of het stelsel van accessoire behandeling van nieuwe vervolging en de behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging op grond van een schending van de algemene voorwaarde onverkort geldt ten aanzien van de behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel.
Art. 6:6:1 Sv en de artikelen 6:6:21 en 6:6:22 Sv hebben zowel op straffen als op maatregelen betrekking. Bovendien is in de hiervoor onder 10 geciteerde passage uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Spoedreparatiewet in algemene zin opgemerkt dat met de wijziging van art. 6:6:22 wordt verduidelijkt dat hoger beroep openstaat tegen de beslissing van de rechter tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke “straf of maatregel” in geval van schending van de algemene voorwaarde. Daaraan doet niet af dat in de memorie van toelichting vervolgens wordt ingegaan op uitspraken die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. In meer algemene zin wordt immers geconcludeerd dat het wenselijk is in art. 6:6:22 Sv te expliciteren dat hoger beroep openstaat tegen de beslissing op een vordering tenuitvoerlegging wegens schending van de algemene voorwaarde en dat de behandeling van dat beroep dan tegelijk oploopt met het “eventuele” hoger beroep in de connexe strafzaak.
Een andere opvatting zou bovendien het onwenselijke gevolg hebben dat – in afwijking van de situatie bij voorwaardelijke straffen en in afwijking van het oude recht ten aanzien van de voorwaardelijke ISD-maatregel – geen rechtsmiddel zou openstaan ingeval na een afzonderlijke behandeling een bevel tot tenuitvoerlegging wordt gegrond op een schending van de algemene voorwaarde, terwijl enige toelichting die die drastische koerswijziging zou kunnen rechtvaardigen, ontbreekt. Indien de door mij voorgestane benadering wordt gevolgd, is het vervolgens raadzaam dat de wetgever - ter verduidelijking - art. 361a Sv wijzigt. Daarbij zal in de tekst van art. 361a Sv tot uitdrukking kunnen worden gebracht dat het artikel mede ziet op situaties waarin een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke maatregel aan de orde is.
Slotsom 23. De gemaakte opmerkingen doen er niet aan af dat het hof de veroordeelde op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in het ingestelde (hoger) beroep tegen de beslissing van de rechtbank tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel vanwege de niet-naleving door de veroordeelde van de gestelde bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich in het kader van behandeling laat opnemen in een zorginstelling. Aangezien cassatieberoep tegen de beslissing van de penitentiaire kamer van het hof niet openstaat, kan de veroordeelde niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden In het sinds 1 januari 2020 vervallen art. 509gg, tweede lid, (oud) Sv werd uitdrukkelijk bepaald dat geen gewoon rechtsmiddel openstond tegen de door de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in beroep gegeven beslissing over de beslissing van de rechtbank inzake – onder meer – de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel (zie art. 38r (oud) Sr). Vgl. HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8800.
Stb. 2017, 82.
De bepalingen zijn nadien deels gewijzigd. Zie daarover onderdeel 9 van deze conclusie.
Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 2, 7, 10-11, 54, 101-102, 104.
Opmerking verdient dat art. 6:6:21, eerste lid, Sv is komen te luiden zoals hierna in de hoofdtekst is weergegeven als gevolg van de inwerkingtreding op 1 juli 2020 van de Wet van 24 juni 2020 tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met de wijziging van de regeling inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling (Wet straffen en beschermen), Stb. 2020, 224.
Hier zal het tweede lid zijn bedoeld, PG.
Kamerstukken II 2019/20, 35 436, nr. 3, p. 7.
Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 137.
HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX503, NJ 2013/190, m.nt. Keulen.
Zie art. 6:6:15, eerste lid aanhef en onder e, Sv. Vóór de inwerkingtreding van de Wet USB was beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen de beslissing tot voortzetting of beëindiging van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel voor de veroordeelde overigens ook al opengesteld ingevolge art. 509ff, eerste lid, (oud) Sv in verbinding met art. 38s (oud) Sr.
Vgl. J.P. Balkema, ‘Blinde vlek’, Sancties 2020/28, p. 158-159.
Vgl. HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1596, NJ 2009/292, m.nt. Mevis.
Zie hierover nader mijn vordering tot cassatie in het belang der wet voorafgaand aan HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:389, NJ 2020/263, m.nt. Reijntjes.
HR 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:389, NJ 2020/263, m.nt. Reijntjes, rov. 6.2.1.
Kamerstukken II 2019/20, 35 436, nr. 3, p. 6-7. Het woord “eventuele” lijkt in de context van gelijktijdige berechting minder gelukkig gekozen.