← Nederland

ECLI:NL:PHR:2022:228

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/02087 Zitting 11 maart 2022 CONCLUSIE G. Snijders In de zaak De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid), eiser tot c

Article 27para.

2 (Art. 27-2) of the Convention.” Gelet op de ernst van het feit waarvan Raidl werd verdacht (‘the seriousness of the crime of which the applicant was suspected’) – het medeplegen van moord –, was de inbreuk op haar recht op familieleven dus evident (‘manifestly’) en zonder meer gerechtvaardigd. 3.19 In de zaak Launder had Hong Kong aan het Verenigde Koninkrijk om uitlevering van Launder gevraagd die de Britse nationaliteit had en op dat moment in het Verenigde Koninkrijk woonde, evenals zijn vrouw, drie meerderjarige kinderen en vijf kleinkinderen. Launder werd door Hong Kongse autoriteiten verdacht van het aannemen van steekpenningen (voor een bedrag van ongeveer £ 4,5 miljoen) in de periode tussen 1980 en 1982 toen hij directeur was van een particuliere handelsbank gevestigd in Hong Kong. Om die reden hadden de Hong Kongse autoriteiten aan Verenigde Koninkrijk verzocht om Launder aan Hong Kong uit te leveren om daar te worden vervolgd. Launder klaagde bij het EHRM onder meer dat de uitlevering een ontoelaatbare inbreuk op zijn privé- en gezinsleven vormde. De Europese Commissie verklaarde de klacht niet-ontvankelijk. Zij overwoog: “The Commission recalls that the Convention does not guarantee a right not to be extradited (Eur. Court HR, Soering judgment, loc. cit. p. 33, para. 85; cf. No. 10427/83, Dec. 12.5.86, D.R. 47, p. 85). Nevertheless, an extradition decision may constitute an interference with the right to respect for family life. Such an interference is in breach of Article 8 (Art. 8) unless it is justified under paragraph 2 of this provision as being "in accordance with the law" and "necessary in a democratic society" for one of the aims set out therein (No. 25342/94, Dec. 4.9.95, D.R. 82, pp. 134, 148). The Commission finds that the applicant's extradition would amount to an interference with his family life, it being common ground that his wife currently lives in the United Kingdom. However, it appears undisputed that the decision to extradite the applicant complied with the formal requirements of United Kingdom law. As regards the applicant's claim that his extradition some 19 years after the alleged offences would be contrary to legal certainty and that the courts' approach to the issue of the passage of time was not reasonably foreseeable the Commission has already found that when examining whether extradition should be allowed the decisions of the domestic courts were neither arbitrary nor unreasonable. Furthermore, the Commission finds that the decision to extradite the applicant has a legitimate aim, namely the prevention of disorder or crime. As regards the question whether the interference was necessary, the Commission recalls that the notion of necessity implies a pressing social need and requires that the interference at issue be proportionate to the legitimate aim pursued (Eur. Court HR, Beldjoudi v. France judgment of 26 March 1992, Series A no. 234-A, p. 27, para. 74). The Commission considers that it is only in exceptional circumstances that the extradition of a person to face trial on charges of serious offences committed in the requesting State would be held to be an unjustified or disproportionate interference with the right to respect for family life. The Commission finds that in the present case no such circumstances have been shown to exist. The Commission notes that the applicant and, apparently, his family lived in Hong Kong for about ten years. Also for several years prior to the applicant's arrest they were living outside the United Kingdom and were changing their domicile. Furthermore, the applicant has not shown that his wife or children would not be able to travel with him to the HKSAR or visit him there. The applicant's complaint under Article 8 (Art. 8) of the Convention is therefore manifestly ill-founded and must be rejected under Article 27 para. 2 (Art. 27-2) of the Convention.” In deze beslissing wordt voor het eerst gezegd dat “it is only in exceptional circumstances that the extradition of a person to face trial on charges of serious offences committed in the requesting State would be held to be an unjustified or disproportionate interference with the right to respect for family life”. In deze formulering wordt wel de eis gesteld dat het gaat om ‘serious offences’. Ging het in de zaak Raidl om een verdenking van het medeplegen van moord, in deze zaak gaat het om een verdenking van het aannemen van steekpenningen door een medewerker van particuliere bank. De Europese Commissie merkt overigens nog op dat niet blijkt dat de vrouw en kinderen van Launder niet naar Hong Kong kunnen reizen om hem op te zoeken, maar of dat echt dragend is voor de beslissing, blijkt niet. 3.20 De zaak Aronica ging over de uitlevering aan Italië van een Italiaanse man, Aronica, die ten tijde van het uitleveringsverzoek samen met zijn echtgenote en twee minderjarige kinderen bijna zeven jaar in Duitsland woonde. Het uitleveringsverzoek was bedoeld om het restant van een vrijheidsstraf die de Italiaanse rechter hem in 1999 had opgelegd, ten uitvoer te leggen. De straf was opgelegd wegens het leidinggeven in de periode van 1993 tot 1995 aan een criminele organisatie die gestolen auto’s verhandelde. Aronica klaagde bij het EHRM onder meer dat de uitlevering inbreuk zou maken op zijn recht op gezinsleven, gelet op het effect van de uitlevering op zijn gezinsleven. Het EHRM oordeelde de klacht over schending van art. 8 EVRM kennelijk ongegrond en daarmee niet-ontvankelijk. Het overwoog: “The Court has no doubt that the decision to extradite the applicant to Italy amounts to an interference with his right to respect for both his private and his family life. However, the Court considers that such interference may be regarded as complying with the requirements of the second paragraph of Article 8, namely as a measure “in accordance with the law”, pursuing the aims of the prevention of disorder and crime, as well as being “necessary in a democratic society” for those aims. Although the applicant’s removal from Germany would involve considerable hardship, the Court considers, taking into account the margin of appreciation left to the Contracting States in such circumstances (see the Boughanemi v. France judgment of 24 April 1996, Reports 1996 II, p. 610, § 41), that the decision to extradite the applicant was not disproportionate to the legitimate aims pursued. There is therefore no appearance of a violation of Article

  1. It follows that this part of the application must also be rejected as being manifestly ill-founded pursuant to article 35 §§ 3 and 4 of the Convention.” Het EHRM acht in deze uitspraak dus de evidente en zeer vergaande inbreuk op het recht op respect voor het privéleven en het gezinsleven zonder meer gerechtvaardigd door het belang van de tenuitvoerlegging van de restantstraf voor heling. De mate waarin het gezinsleven wordt aangetast – met nota bene twee minderjarige kinderen – wordt niet nader besproken door het EHRM, laat staan gewogen. Wel wordt uitdrukkelijk onderkend dat de uitlevering op dit punt van ‘considerable hardship’ is. Voorts valt op dat het EHRM verwijst naar de ‘margin of appreciation’ van de verdragstaten in het kader van art. 8 lid 2 EVRM. In andere uitspraken ontbreekt deze, mogelijk omdat die ‘margin’ bij aantasting van gezinsleven klein is. 3.21 De zaak King ging over een verzoek van Australië aan het Verenigd Koninkrijk om King, een Britste onderdaan, uit te leveren voor vervolging wegens deelneming aan een internationale criminele organisatie die betrokken was bij pogingen grote hoeveelheden ecstasy te smokkelen vanuit het Verenigde Koninkrijk naar Australië. Door de Australische autoriteiten was meer dan 31 kilogram ecstasypillen onderschept, met een straatwaarde van 11,4 miljoen Australische dollars. King klaagde bij het EHRM onder meer dat zijn uitlevering een inbreuk maakt op zijn recht op een privé- en gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM. Daarbij wees hij allereerst op het feit dat hij makkelijk ook in het Verenigde Koninkrijk zou kunnen worden vervolgd voor de betrokken feiten. Het EHRM oordeelde de klacht kennelijk ongegrond en daarmee niet-ontvankelijk. Het overwoog: “
  2. The applicant’s submissions
  3. The applicant considered it would impossible for his family to move to Australia if he were extradited. Given the ease with which he could be prosecuted in the United Kingdom, with no disruption to his private and family life, the extradition would be disproportionate to the need to prevent disorder or crime. He provided two statements to the Court. The first was from his mother in which she detailed the regular visits the family paid to the applicant in prison and stated that, because she suffered from scoliosis of the spine, osteoporosis, arthritis and celiac disease and was due to have a total knee replacement, she could not travel to Australia. If the applicant were extradited, she would never see him again. The second statement was from the applicant’s wife in which she stated that she would be unable to cope with the raising of their children if the applicant were extradited. The children had regularly visited their father in prison and bonded well with him. The eldest child would find it particularly hard to deal with her father’s extradition given her age.
  4. The Court’s assessment
  5. The Court notes that the applicant does not argue that the extradition would not be in accordance with the law and thus the only matter which falls to be considered is the proportionality of the extradition to the legitimate aims set out in the second paragraph of Article
  6. At the outset, the Court observes that the Convention does not provide a right to be prosecuted in a particular jurisdiction but considerations as to whether prosecution exists as an alternative to extradition may have a bearing on whether the extradition would be in violation of the one of the rights guaranteed by the Convention (see, for example, Soering, cited above, § 111). Nonetheless, in the present case, the United Kingdom authorities have given convincing reasons as to why they regard it as appropriate for any prosecution to take place in Australia, not least that the applicant’s co‑accused have all been tried there. Therefore, in deciding to allow the extradition to proceed, the United Kingdom authorities were entitled to conclude that this pursued the legitimate aim of preventing disorder or crime provided for in Article 8 § 2 (Aronica v. Germany (dec.), no. 72032/01, 18 April 2002). In considering whether the applicant’s proposed surrender to Australia struck a fair balance between any interference with the applicant’s right to respect for his family life in the United Kingdom and that legitimate aim, they were also entitled to have regard to their international obligations to Australia. Mindful of the importance of extradition arrangements between States in the fight against crime (and in particular crime with an international or cross-border dimension), the Court considers that it will only be in exceptional circumstances that an applicant's private or family life in a Contracting State will outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition (see Launder v. the United Kingdom, no. 27279/95, Commission decision of 8 December 1997). In the applicant's case, the Court notes that he relies on the fact that he has a wife, two young children and a mother in the United Kingdom, whose ill-health would not allow her to travel to Australia. This, in the Court's view, is not an exceptional circumstance which would militate in favour of the applicant's non-extradition. Although the long distance between the United Kingdom and Australia would mean the family would enjoy only limited contact if the applicant were extradited, convicted and sentenced to a term of imprisonment there, the Court cannot overlook the very serious charges he faces (see Raidl v. Austria, no. 25342/94, Commission decision of 4 September 1995). Given those charges, and the interest the United Kingdom has in honouring its obligations to Australia, the Court is satisfied that the applicant's extradition cannot be said to be disproportionate to the legitimate aim served. It follows that this part of the application must be also rejected as manifestly ill-founded, pursuant to Article 35 §§ 3 and 4 of the Convention.” Het EHRM neemt in deze zaak allereerst het uitgangspunt van de Europese Commissie over, over verwijzing naar de hiervoor genoemde Launder-beslissing, “that it will only be in exceptional circumstances that an applicant's private or family life in a Contracting State will outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition”. Wat opvalt, is dat het EHRM in het geheel niet meegaat in het betoog van King dat hij ook in eigen land vervolgd kan worden, in welk geval de inbreuk op zijn recht op gezinsleven evident geringer zou zijn, en dat uitgaande van de noodzakelijkheidseis van art. 8 lid 2 EVRM en de daarvan deel uitmakende proportionaliteits- en subsidiariteitstoets zonder meer gevolgd had lijken te moeten worden. Het EHRM acht al voldoende in dit verband dat “the United Kingdom authorities have given convincing reasons as to why they regard it as appropriate for any prosecution to take place in Australia, not least that the applicant’s co‑accused have all been tried there”. Vervolgens acht het EHRM de onderhavige inbreuk op het recht op privé- en gezinsleven door de uitlevering, die in dit geval zeer ver gaat gelet op “the fact that he has a wife, two young children and a mother in the United Kingdom, whose ill-health would not allow her to travel to Australia” en “the long distance between the United Kingdom and Australia would mean the family would enjoy only limited contact if the applicant were extradited, convicted and sentenced to a term of imprisonment there”, geen ‘exceptional circumstance’. Daarbij neemt het de “very serious charges he faces” in aanmerking. Opnieuw betreft het een ontvankelijkheidsbeslissing en vindt het EHRM een en ander dus evident (‘manifestly’). 3.22 In de zaak Babar Ahmad e.a. ging het om een uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten aan het Verenigde Koninkrijk ter vervolging van zes verdachten die op enigerlei wijze betrokken zouden zijn geweest bij terroristische activiteiten in de Verenigde Staten. Zij klaagden bij het EHRM onder meer over inbreuk op hun recht op privé- en gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM. Die klacht oordeelde het EHRM kennelijk ongegrond en dus niet-ontvankelijk: “246 (…) Ninth, under Article 8 the applicants alleged that there would be a disproportionate interference with their private and family life in the United Kingdom if they were to be extradited. The first applicant relies on the fact that his extradition would result in permanent separation from his wife, children and grandchildren, who were all British residents. (…)
  7. For the ninth complaint, that extradition would be a disproportionate inference with their family and private life in the United Kingdom, the Court reiterates that it will only be in exceptional circumstances that an applicant’s private or family life in a Contracting State will outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition (see King v. the United Kingdom (dec.), no. 9742/07 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), 26 January 2010). There are no such exceptional circumstances in the fifth and sixth applicants’ case, particularly given the gravity of the offences with which they are charged. This complaint is therefore manifestly ill founded.” Hier herhaalt het EHRM dus slechts het uitgangspunt dat ‘exceptional circumstances’ zijn vereist en acht het die niet aanwezig, in het bijzonder gelet op de ernst van de beschuldigingen. 3.23 De zaak Shakurov gaat over een uitleveringsverzoek van Oezbekistan aan Rusland ter vervolging van Shakurov. Shakurov werd door de Oezbeekse autoriteiten verdacht van desertie (ongeoorloofd verlaten van het leger), waarvoor in Oezbekistan een gevangenisstraf van vijf jaar geldt. Hij was een officier van het Oezbeekse leger en heeft de Oezbeekse nationaliteit. In 2002 was Shakurov naar Rusland verhuisd. Twee jaar later zijn Shakurov’s echtgenote en twee kinderen, geboren in 1994 en 2000, ook naar Rusland gekomen. Zij hebben de Russisch nationaliteit gekregen. Shakurov heeft die nationaliteit niet aangevraagd. Tot 2007 heeft Shakurov, om onbekende redenen, apart van zijn vrouw en kinderen gewoond. In 2009 is de oudste dochter van Shakurov opgenomen in een hospitaal in Moskou waar ze door haar moeder diende te worden vergezeld. Shakurov klaagde onder meer bij het EHRM dat de uitlevering een ontoelaatbare inbreuk op art. 8 EVRM opleverde. Het EHRM overwoog: “
  8. The applicant argued that execution of the extradition order against him would entail “significant and irreparable” consequences to his relationship with his wife and children, especially his daughter who required health care in Russia. The extradition order and judicial review decisions had not properly taken into account various aspects relating to his family life. In particular, the appeal court provided no reasoning in response to his related arguments. His extradition would not pursue any of the aims set out in Article 8 § 2 of the Convention, the Government’s reference to their other international obligations being insufficient to outweigh their obligations under Article 8 of the Convention. B. The Court’s assessment
  9. Admissibility
  10. The Court considers, in the light of the parties’ submissions, that the complaint raises serious issues of fact and law under the Convention, the determination of which requires an examination of the merits. The Court concludes therefore that this complaint is not manifestly

Article 35§ 3 (a) of the Convention.

No other ground for declaring it inadmissible has been established. Thus, it must be declared admissible. 2. Merits (

  1. a)General principles 193. The Court has previously examined a number of cases raising issues of family or private life in the context of expulsion or exclusion of an alien, for instance following a criminal conviction. Article 8 issues were also raised in some cases in which, like in the present case, the applicants faced extradition from the respondent State to another State, in which they were wanted for an offence (see King v. the United Kingdom (dec.), no. 9742/07, 26 January 2010, and Aronica v. Germany (dec.), no. 72032/01, 18 April 2002; see also Launder v. the United Kingdom, no. 27279/95, Commission decision of 8 December 1997, and Raidl v. Austria, no. 25342/94, Commission decision of 4 September 1995). 194. The Court has held in cases concerning expulsion of settled migrants that as Article 8 protects the right to establish and develop relationships with other human beings and the outside world and can sometimes embrace aspects of an individual’s social identity, it must be accepted that the totality of social ties between a settled migrant and the community in which they are living constitutes part of the concept of “private life” within the meaning of Article 8 (see, as a recent authority, Üner v. the Netherlands [GC], no. 46410/99, § 59, ECHR 2006‑XII, and Boultif v. Switzerland, no. 54273/00, § 48, ECHR 2001‑IX). Regardless of the existence or otherwise of a “family life”, the expulsion of a settled migrant constitutes interference with his or her right to respect for private life. It will depend on the circumstances of the particular case whether it is appropriate for the Court to focus on the “family life” rather than the “private life” aspect. 195. Concerning justification of an interference with a person’s private or family life, it is the Court’s established case‑law that such interference will be in breach of Article 8 of the Convention unless it can be justified under paragraph 2 of that Article as being “in accordance with the law”, as pursuing one or more of the legitimate aims listed therein, and as being “necessary in a democratic society” in order to achieve the aim or aims concerned (see, in a variety of contexts, Maslov v. Austria [GC], no. 1638/03, § 65, ECHR 2008; Enea v. Italy [GC], no. 74912/01, § 140, ECHR 2009; and S.H. and Others v. Austria [GC], no. 57813/00, § 89, 3 November 2011). 196. As to the context of extradition, in the King case (cited above) the applicant was accused of being a member of an international gang engaged in a conspiracy to import large quantities of ecstasy into Australia. He tried to bar his own extradition from the United Kingdom to Australia, referring to the fact that he had a wife, two young children and a mother in the United Kingdom, whose ill-health would not allow her to travel to Australia. The long distance between the two countries would mean the family would enjoy only limited contact if the applicant were extradited, convicted and sentenced to a term of imprisonment. The Court dismissed this argument as manifestly ill-founded, noting the very serious charges the applicant faced and the interest the United Kingdom had in honouring its obligations to Australia. Mindful of the importance of extradition arrangements between States in the fight against crime, the Court held, in this case, that it would only be in exceptional circumstances that an applicant’s private or family life in a Contracting State would outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition. (
  2. b)Application of the above principles to the present case 197. The Court considers, and it is not in dispute between the parties, that the applicant enjoyed “family life” both with his spouse and two children in Russia. It is also uncontested that the extradition order and its execution (would) amount to an interference with his family life in Russia. Thus, Article 8 is applicable in the present case. 198. Furthermore, the Court notes that the applicant does not argue that the extradition would not be in accordance with the law and thus the only matter which falls to be considered is the proportionality of the extradition to the legitimate aims set out in the second paragraph of Article 8. 199. The Court observes that, while the applicant has not complained that his family life was adversely affected by his arrest and detention in Russia in 2010 and after the extradition order was issued, it was his contention that his removal from Russia under this order and, by implication, his possible detention in Uzbekistan pending criminal proceedings against him, interfered or would interfere disproportionately with the family life he enjoyed in Russia. As an argument against extradition, the applicant argued that he had amassed a significant period of residence in Russia, his spouse and children held Russian nationality, lived in Russia, had property there and the elder daughter needed medical treatment in Russia. 200. Concluding that there were no legal obstacles to the extradition of the foreign national, the national courts observed on judicial review that, unlike his family members, the applicant had not acquired Russian nationality and had not regularised his residence in the country. It was also noted that for some two years his family had continued to reside in Uzbekistan after the applicant had left for Russia for employment-related purposes. For its part, the Court observes in that connection that it has not been substantiated that the applicant would have any significant difficulty in maintaining his family life after execution of the extradition order. In fact, it does not appear that the applicant’s family members made any supporting statements in the domestic proceedings. On balance, it is unclear how and whether the extradition would particularly affect their relationship with the applicant. 201. As regards medical care provided to the applicant’s daughter (who was sixteen at the time and has reached the age of majority now), the reviewing courts took this aspect into consideration, in so far as it was articulated by the applicant. It appears that the treatment could well be pursued without the applicant (see paragraph 33 above). It has not been convincingly shown that the best interests and well-being of the children should have weighed heavily, alone or in combination with other factors, against the extradition. 202. In view of the above, the Court considers that the present case does not disclose any “exceptional circumstances” (see the King decision, cited above), and that it has not been substantiated that execution of the extradition order would entail exceptionally grave consequences for the applicant’s family life. With due regard to the gravity of the charges against the applicant and the legitimate interest Russia has in honouring its extradition obligations, the Court is satisfied that the extradition decision in respect of the applicant was proportionate to the legitimate aim pursued. 203. The Court concludes that the applicant’s extradition would not constitute a violation of Article 8 of the Convention.” In deze uitspraak herhaalt het EHRM weer het uitgangspunt dat uitlevering alleen in ‘exceptional circumstances’ in strijd met art. 8 EVRM komt, ditmaal nog duidelijker als hét te hanteren uitgangspunt of criterium (§ 196 slot en 202). Voorts hecht het EVRM in deze uitspraak in de eerste plaats gewicht toe aan de mate van aantasting van het gezinsleven. Niet blijkt dat de verzoeker “would have any significant difficulty in maintaining his family life after execution of the extradition order”, welk oordeel kennelijk is gerelateerd aan de mate waarin in het verleden gezinsleven heeft bestaan tussen Shakurov en zijn gezin (§ 200). Ook acht het EHRM van belang dat de zorg voor en het welzijn van de kinderen niet in het gedrang zal komen door de uitlevering (§ 201). Naar een en ander verwijst het EHRM vervolgens voor zijn oordeel dat geen sprake is van ‘exceptional circumstances’. Voorts kent het EHRM gewicht toe aan ‘the gravity of the charges’ (§ 202), in dit geval dus desertie uit het leger in vredestijd. 3.24 In de zaak Trabelsi hadden de VS België verzocht om uitlevering van Trabelsi in verband met de verdenking van onder meer het deelnemen aan een terroristische organisatie, die voornemens was Amerikaanse onderdanen in het buitenland te vermoorden. Trabelsi klaagde bij het EHRM onder meer dat de uitlevering een inbreuk zou maken op zijn recht op een privé- en gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM. Het EHRM oordeelde die klacht kennelijk ongegrond en daarom niet-ontvankelijk. Het overwoog: “168. The Court notes that the applicant’s extradition raises no issues regarding the criterion that interference must be in accordance with the law and pursue a legitimate aim. 169. As to the necessity of the measure, the Court reiterates that it is only in exceptional circumstances that an applicant's private or family life in a Contracting State can outweigh the legitimate aim pursued by his or her extradition (see King v. the United Kingdom (dec.), no. 9742/07, § 29, 26 January 2010, and Babar Ahmad and Others, cited above, § 252). 170. In the present case the applicant submitted that he had been separated from his partner, who lived in Belgium and whom he wished to marry. In the Court's view, that does not constitute an exceptional circumstance preventing the applicant's extradition. Despite the great geographical distance between Belgium and the United States and the resultant limitation on contacts between the applicant and his partner should he be convicted and remain in prison, the Court must take into account the gravity of the offences for which the applicant is being prosecuted in the United States. It considers that the public interest in extraditing the applicant may be seen as weighing more heavily in terms of all the interests involved. For this reason, and in view of Belgium's interest in honouring its commitments to the United States — without prejudice to its obligation to comply with the other provisions of the Convention, particularly Articles 3 and 34 — the Court considers that the applicant's extradition was not in breach of Article 8 of the Convention. 171. Consequently, this part of the application is manifestly

Article 35

§ 3

  1. a)of the Convention and must be dismissed in accordance with Article 35 § 4.” Ook in deze uitspraak herhaalt het EHRM dus weer het uitgangspunt dat uitlevering alleen in ‘exceptional circumstances’ in strijd met art. 8 EVRM komt. De inbreuk op het recht van gezinsleven is in dit geval manifest. Het EHRM wijst op de ernst van de feiten waarvoor de uitlevering plaatsvindt. Uit deze beslissingen en uitspraken te trekken conclusies 3.25 Het uitgangspunt dat uitlevering alleen in ‘exceptional circumstances’ is strijd met art. 8 EVRM komt, wordt in alle uitspraken vanaf King door het EHRM gehanteerd. Ook de uitspraak in Aronica lijkt al op dit uitgangspunt te berusten, gelet op het feit dat het EHRM daarin zeer weinig moeite lijkt te hebben met de inbreuk die de uitlevering maakt op het gezinsleven met twee minderjarige kinderen en vrouw met wie de klager in gezinsverband leeft (de klacht is ‘kennelijk ongegrond’). Er is in die zaak weliswaar sprake van een ernstig misdrijf (handel in gestolen auto’s), maar niet van een misdrijf van de ernstigste soort. In vrijwel alle zaken verwijzen de Europese Commissie en het EHRM naar de ernst van de strafbare feiten waarvoor de uitlevering plaatsvindt. In geen enkele beslissing of uitspraak worden de betrokken feiten echter niet ernstig genoeg geoordeeld. Uit geen enkele beslissing of uitspraak blijkt op enige wijze dat een (nadere) afweging zou (moeten) plaatsvinden van de ernst van de inbreuk op het recht op privé- en gezinsleven tegen de ernst van die feiten in het concrete geval. Geen beslissing of uitspraak bevat een overweging in die zin. Veeleer lijkt de verwijzing naar de ernst van de feiten steeds deze betekenis te hebben dat, mits sprake is van daadwerkelijk ernstige feiten – aan welke eis in alle beslissingen en uitspraken is voldaan –, uitlevering overeenkomstig art. 8 lid 2 EVRM gerechtvaardigd is (wat om de hiervoor in 3.16 genoemde redenen ook voor de hand ligt en strookt met het uitgangspunt dat het EHRM heeft geformuleerd; zie daarvoor eveneens hiervoor in 3.16). Dat verklaart ook waarom in de uitspraak in Aronica zonder meer wordt voorbijgegaan aan de bepaald ernstige inbreuk op het recht op gezinsleven. Als de betrokken feiten maar een bepaalde ernst hebben, is uitlevering toegestaan, behoudens uitzonderlijke omstandigheden. In de beslissing in Launder en de uitspraak in Shakurov wordt nader ingegaan op de in het concrete geval aan de orde zijnde mate van aantasting van het recht op gezinsleven. Niet blijkt echter dat die mate van aantasting wordt afgewogen tegen de ernst van de feiten. In zowel die beslissing als die uitspraak staat het onderzoek naar die aantasting immers geheel in de sleutel van het onderzoek of sprake is van uitzonderlijke omstandigheden in de zin van het door het EHRM gehanteerde uitgangspunt. In de zaken van Aronica en King, waarin die aantasting evident groot is, lijkt aan die aantasting zelfs geheel voorbij te worden gegaan. In de uitspraak in King valt bovendien bepaald op dat het EHRM geen enkele moeite ermee heeft dat het Verenigde Koninkrijk kiest voor uitlevering aan Australië, met alle gevolgen van dien voor het gezinsleven van King, ondanks de mogelijkheid van vervolging in eigen land. Overigens valt op dat alle beslissingen en uitspraken ontvankelijkheidsbeoordelingen betreffen, met uitzondering van de uitspraak in Shakurov, en dus berusten op de overweging dat de gegeven beslissing evident is (want de klacht is ‘manifestly ill-founded’, dus kennelijk ongegrond). 3.26 Mij lijkt dat het voorgaande de hiervoor in 3.16 genoemde, voor de hand liggende uitleg van het uitgangspunt dat het EHRM hanteert, bevestigt. Er dient dus geen afweging plaats te vinden tussen de mate van aantasting van het recht op privé- en gezinsleven door de uitlevering en de ernst van de feiten waarvoor de uitlevering plaatsvindt, in het concrete geval. Mits sprake is van ernstige feiten, is de aan een uitlevering inherente aantasting van het recht op privé- en gezinsleven in beginsel steeds overeenkomstig art. 8 lid 2 EVRM gerechtvaardigd. Dat is alleen anders als sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, zoals het EHRM met zoveel woorden zegt. Dit vormt, gelet op hetgeen hiervoor in 3.16 is opgemerkt, een logisch en begrijpelijk stelsel, omdat anders het recht op privé- en gezinsleven een mogelijkheid zou zijn om aan vervolging en strafexecutie te ontkomen. In het licht van een en ander ligt het voor de hand om ‘uitzonderlijke omstandigheden’ aldus op te vatten dat het moet gaan om een wanverhouding tussen de aan de orde zijnde aantasting van het recht op privé- en gezinsleven en het belang bij uitlevering (en het door het EHRM in sommige uitspraken in dit verband gebruikte begrip ‘disproportional’ in die zin op te vatten). Waar aantasting van het recht op privé- en gezinsleven als gezegd inherent is aan een uitlevering, valt die wanverhouding niet snel aan te nemen. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die niet meer zijn aan te merken als inherent aan een uitlevering en die bovendien een uitzondering rechtvaardigen op het uitgangspunt dat normaal gesproken een uitlevering niet kan worden tegengegaan met een beroep op het recht op privé- en gezinsleven. Daarbij gaat het lijkt me om gevallen van bijzondere hardheid. Ik denk dat de Staat gelijk heeft dat daarbij wat betreft gezinsleven valt te denken aan het geval dat de zorg of het welzijn van de kinderen van de opgeëiste persoon in de knel komt door de uitlevering, zoals in de zaak Shakurov aan de orde werd gesteld (en het EHRM in die zaak onderzocht, maar niet aanwezig achtte). 3.27 Ik zou menen dat de hiervoor in 3.6 genoemde regel van art. 5 lid 1 Uitleveringswet dat uitlevering alleen plaatsvindt indien op het betrokken feit een vrijheidsstrafstraf staat van een jaar c.q. een vrijheidsstrafstraf is opgelegd van meer dan vier maanden – welke regel om de hiervoor in 3.4 genoemde reden ook (minimaal) in ieder uitleveringsverdrag is opgenomen waarbij Nederland partij is – in beginsel voldoet aan de eis dat de feiten waarvoor uitlevering plaatsvindt, voldoende ernstig moeten zijn. De nationale wetgever heeft hier in feite dezelfde afweging gemaakt als het EHRM in zijn uitspraken (wanneer zijn strafbare feiten ernstig genoeg om een uitlevering – die als gezegd per definitie een zeer ernstige inbreuk maakt op de rechten van de opgeëiste persoon, onder meer door de aantasting van zijn privé- en gezinsleven – te rechtvaardigen?). Een uitlevering die aan deze regel voldoet, lijkt me dan ook in beginsel zonder meer toegestaan. Bespreking oordeel hof 3.28 Het lijkt me dat het hof het voorgaande heeft miskend. In rov. 3.5 vat het hof het oordeel van het EHRM met zoveel woorden op als een proportionaliteitstoets (rov. 3.5 tweede volzin en slotalinea). Het hof meent dat het EHRM de concrete inbreuk op het recht op gezinsleven in die zaak heeft afgewogen tegen de ernst van de betrokken feiten (rov. 3.5 slotalinea). Vervolgens heeft het hof in rov. 3.6-3.8 deze afweging gemaakt voor het geval van [verweerder] . Het hof oordeelt de inbreuk op het recht op gezinsleven in zijn geval zwaarder dan in het geval van King om de redenen die het noemt in rov. 3.6 (en herhaalt in rov. 3.7). In rov. 3.8 oordeelt het hof dat de feiten waarvoor de uitlevering moet plaatsvinden ernstig zijn, maar niet van zodanig gewicht dat de proportionaliteitstoets hierdoor alsnog in het nadeel van [verweerder] zou moeten uitvallen. Daarom oordeelt het hof de uitlevering ‘disproportioneel’, waarmee het kennelijk bedoelt: niet proportioneel in dit geval. Het oordeel van het hof lijkt dus geheel te berusten op de afweging die blijkens het voorgaande niet in dit verband dient plaats te vinden (omdat die in zijn algemeenheid al door het EHRM is gemaakt met genoemd uitgangspunt en als uitvloeisel daarvan in beginsel steeds in het voordeel van een rechtmatige uitlevering voor ernstige feiten uitvalt). 3.29 Naar het hof echter uitdrukkelijk aan het slot van rov. 3.6 vaststelt, is in dit geval sprake van ‘exceptional circumstances’, wat kan worden opgevat als een zelfstandig oordeel. Volgens het hof is sprake van ‘exceptional circumstances’ omdat ervan moet ervan worden uitgegaan dat [verweerder] na uitlevering in het geheel geen bezoek van [de dochter] of haar moeder zal kunnen ontvangen en dat telefonisch contact of beeldbellen met [verweerder] vanuit een Amerikaanse gevangenis onmogelijk zal zijn, beide in verband met de gespannen verhouding tussen de VS en Iran. Dat betekent dat, mogelijk gedurende meerdere jaren, alleen correspondentie (gecensureerd en met vertraging) mogelijk zal zijn. Dat acht het hof onvoldoende om nog te kunnen spreken van een enigszins betekenisvol gezinsleven tussen [verweerder] en [de dochter] . Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [de dochter] thans drie jaar oud is en dat briefcontact met een kind van die leeftijd niet meer dan een uiterst beperkte betekenis kan hebben. In rov. 3.7 wijst het hof nog erop dat in verband met de gespannen verhouding tussen de VS en Iran het bij deze aantasting van het recht op het gezinsleven niet gaat om een aantasting die inherent is aan een uitlevering. 3.30 Volgens mij is een en ander onmiskenbaar onvoldoende om van uitzonderlijke omstandigheden te kunnen spreken in de hiervoor in 3.26 genoemde zin. Als gezegd tast detentie in het buitenland per definitie de mogelijkheid van gezinsleven zeer vergaand aan, maar wordt deze in beginsel steeds zonder meer gerechtvaardigd door de verdenking c.q. het gepleegd hebben van een ernstig delict. Familieleden zijn, om verschillende redenen (medisch, financieel of anderszins), wel vaker niet of maar slechts zeer incidenteel in staat om naar het buitenland af te reizen om degene die in het buitenland is gedetineerd, te bezoeken. De mogelijkheid van telefoneren bestaat wel vaker niet of nauwelijks bij een buitenlandse detentie (dat is ook afhankelijk van penitentiaire regime waaraan betrokkene wordt onderworpen). Beeldbellen is iets dat pas de afgelopen vijftien jaar bestaat. Het gaat dus om factoren die niet zonder meer bijzonder zijn. Een opgeëiste persoon heeft ook wel vaker kleine kinderen met wie na een uitlevering nog maar slechts in zeer geringe mate gezinsleven mogelijk is. Ook dat is dus een factor die niet zonder meer bijzonder is. De door het hof genoemde verschillen tussen dit geval en andere gevallen van detentie in het buitenland zijn ook – op het geheel van de aan een detentie in het buitenland inherente beperkte mogelijkheden tot contact, dus: verhoudingsgewijs – maar klein en slechts gradueel. Bij detentie in het buitenland is ook zeer vaak geen sprake van het ‘enigszins betekenisvol gezinsleven’ waarvan het hof rept. Het gaat bij de feiten die het hof noemt, (dan ook) nog steeds om gevolgen van een uitlevering die daaraan inherent zijn te noemen, ook al zullen zij zich niet bij iedere uitlevering voordoen en zijn zij op zichzelf bepaald hard te noemen. Moeilijk kan dan ook worden gezegd dat het gaat om uitzonderlijke omstandigheden, die kunnen rechtvaardigen dat een uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt dat een uitlevering normaal gesproken niet wordt verhinderd door een inbreuk op het recht op gezinsleven. Ware het anders dan zou immers iedere vader van een driejarige zich met succes op het standpunt kunnen stellen dat hij niet kan worden uitgeleverd (naar een ver buitenland) – en dus niet vervolgd en berecht kan worden –, althans zou dat gelden voor iedere vader van jonge kinderen uit Iran waarvan de VS uitlevering vraagt. Dat zou als stelsel niet aanvaardbaar zijn, lijkt me, gelet op de hiervoor in 3.3 genoemde doelen die met het uitleveringsrecht worden gediend. Dat de zorg voor of het welzijn van de dochter van [verweerder] in het gedrang zou komen in de hiervoor in 3.26 genoemde zin, stelt het hof niet vast ( [verweerder] heeft dat wel aangevoerd, maar die stelling is door de voorzieningenrechter aan het slot van rov. 4.10 verworpen). Het oordeel van het hof dat sprake is ‘exceptional circumstances’, lijkt me dan ook niet houdbaar. 3.31 In rov. 3.8 overweegt het hof als gezegd dat de feiten waarvoor de uitlevering van [verweerder] moet plaatsvinden, ernstig zijn, maar niet van zodanig gewicht dat de proportionaliteitstoets hierdoor alsnog in het nadeel van [verweerder] zou moeten uitvallen. Dit zou mogelijk gelezen kunnen worden als dat het hof van oordeel is dat die feiten onvoldoende gewicht toekomt. Zonder nadere motivering valt dat denk ik echter niet in zien. Op de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard (zie hiervoor in 3.12), staan naar Nederlands recht gevangenisstraffen van maximaal zes jaar respectievelijk een jaar (zie de in 3.12 genoemde strafbepalingen). Het gaat dus in beginsel om zeer ernstige strafbare feiten. [verweerder] heeft aangevoerd dat de ernst van die feiten in zijn geval gering zou zijn. Volgens hem zou hij in Nederland waarschijnlijk een vergunning hebben gekregen voor de export van de onderhavige apparatuur en zou hij, als hij in Nederland zou zijn vervolgd voor illegale export naar Iran, niet meer dan een geldboete hebben gekregen. Deze stellingen zien echter eraan voorbij dat genoemde feiten mede deelneming aan een criminele organisatie en valsheid in geschrifte omvatten – wat als gezegd in beginsel ernstige strafbare feiten zijn –, terwijl niet blijkt dat het in weerwil van de sanctieregeling uitvoeren van de onderhavige ‘dual use-goederen’ naar Iran in dit geval geen ernstige inbreuk op de sanctieregeling heeft gevormd. Overigens gaat het hof ervan uit – in cassatie onbestreden – dat [verweerder] in de VS mogelijk een straf van meerdere jaren krijgt. Ook dat wijst er niet op dat het niet om ernstige feiten zou gaan. Gelet op het hiervoor in 3.26 opgemerkte, kan dus ook rov. 3.8 het oordeel van het hof niet dragen. Bespreking klachten 3.32 Uit het voorgaande volgt dat de klachten onder 2.2-2.4 van het middel – die aanvoeren dat het uitgangspunt van het EHRM geen ruimte laat voor een (belangen)afweging (in concreto) als door het hof uitgevoerd – gegrond zijn. Hetzelfde geldt voor de onderdelen 2.7.2-2.7.5 voor zover die aan de orde stellen dat het hof in dit geval, gelet op het voorgaande, geen ‘exceptional circumstances’ heeft kunnen aannemen. 3.33 Onder 2.5 voert het middel aan dat het uitgangspunt van het EHRM alleen zou gelden indien het gaat om gezinsleven in een staat die is aangesloten bij het EVRM, en dat het hof heeft miskend dat in dit geval niet aan deze eis is voldaan, nu het gezinsleven van [verweerder] zich in Iran afspeelt. Blijkens de schriftelijke toelichting van de Staat berust deze klacht daarop dat het EHRM zijn uitgangspunt aldus heeft geformuleerd dat daarin wordt gesproken van ‘an applicant's private or family life in a Contracting State’ (onderstreping toegevoegd). 3.34 Deze klacht lijkt me ongegrond. Op grond van art. 1 EVRM moeten de verdragstaten een ieder die ressorteert onder hun rechtsmacht de rechten en vrijheden van het EVRM verzekeren. De rechtsmacht van de staten strekt zich in de eerste plaats uit over een ieder die zich op hun territoir bevindt. Het is niet aannemelijk dat het EHRM hierop een beperking heeft willen aanbrengen voor het geval dat betrokkene zich weliswaar in de rechtsmacht van een verdragsstaat bevindt, zoals [verweerder] in die van Nederland, maar zijn te beschermen gezinsleven zich daarbuiten afspeelt. Naar ik veronderstel, is genoemde formulering van het EHRM daardoor ingegeven dat het bij de uitleveringen waarmee het EHRM heeft te maken, tot nu toe steeds gaat om het gezinsleven dat de opgeëiste persoon heeft in het land aan wie de uitlevering wordt verzocht en dat partij is bij het EVRM. Enige aanwijzing dat een beperking zoals door het middel wordt bepleit, zou zijn bedoeld kan ik in de uitspraken van het EHRM niet lezen. 3.35 Voor zover de klacht zou bedoelen erop te wijzen dat het gezin of de dochter van [verweerder] in dit geval geen beroep op art. 8 EVRM kan doen, nu dat of zij zich buiten de rechtsmacht van Nederland bevindt, is de klacht ongegrond omdat in het arrest van het hof niet valt te lezen dat het dit heeft miskend. 3.36 Onder 2.6 klaagt het middel dat het hof heeft miskend dat een bepaalde leeftijd van een kind niet valt te kwalificeren als een exceptionele omstandigheid. 3.37 Deze klacht is ongegrond omdat in het arrest van het hof niet valt te lezen dat het in deze zin heeft geoordeeld. Zijn oordeel berust onmiskenbaar op het beperkte contact dat met een driejarige vanuit de gevangenis mogelijk is, zeker als dit slechts per brief kan plaatsvinden. 4Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Vgl. 2.1-2.5 van het arrest van het hof. Zie meer uitvoerig het vonnis van de voorzieningenrechter in eerste aanleg, rov. 2.1-2.5. Zie voor dat feit p. 1 van de inleidende dagvaarding van dit kort geding, waar wordt vermeld dat [verweerder] in [plaats 1] woont. Zie voor het feit dat de aanhouding plaatsvond op Schiphol, en voor het doel van het bezoek van [verweerder] aan Nederland, de inleidende dagvaarding van dit kort geding, onder 6. Het gaat, voor zover in cassatie van belang, om handelen in strijd met de sanctieregeling van de VS tegen Iran, in een criminele organisatie en met valsheid in geschrifte om de bestemming van de goederen te verhullen. De sanctieregeling van de VS tegen Iran is terug te voeren op VN-resoluties. In de Europese Unie worden deze resoluties uitgevoerd met verordeningen. Nederland heeft deze verordeningen geïmplementeerd in eigen sanctieregelingen, laatstelijk de Sanctieregeling 2012. Zie hierover nader hierna in 3.9-3.12. HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:623. Vgl. de vaststelling van de vordering en de grondslag daarvan in rov. 2.6 van het arrest van het hof. Rechtbank Den Haag 22 september, ECLI:NL:RBDHA:2020:14017. Gerechtshof Den Haag 23 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:481. De procesinleiding is op 14 april 2021 bij de Hoge Raad ingediend. De cassatietermijn bedroeg op grond van art. 339 lid 2 jo 402 lid 2 Rv acht weken en verstreek dus op 18 mei 2021. Uit het verweerschrift van [verweerder] in cassatie – waarin staat vermeld dat hij in [plaats 2] woont – maak ik op dat hij na het arrest van het hof is ontslagen uit de uitleveringsdetentie waarin hij blijkens de voorbladen van het vonnis en het arrest in deze zaak in feitelijke instanties zat. Dit omvat dus mede de vervolging (en dus de berechting). Veelal wordt bij uitlevering om deze reden gesproken van een ‘vervolgingsuitlevering’. Zie bijvoorbeeld T&C Internationaal Strafrecht, commentaar op art. 1 Uitleveringswet, aantek. 1a (Lestrade). Uitlevering aan een land waarmee Nederland geen uitleveringsverdrag heeft of aan een land waarmee Nederland een uitleveringsverdrag heeft dat niet in die uitlevering voorziet, is dan ook niet mogelijk, uitlevering door zo’n land aan Nederland wel. Zie hiervoor V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, p. 14-16, met verwijzing naar en een beschrijving van de (grond)wetsgeschiedenis. Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, 's-Gravenhage, 24 juni 1980, Trb. 1980/111 en 1983/133. Dit verdrag is de grond van het uitleveringsverzoek in deze zaak. Dit is geregeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europese aanhoudingsbevel en de procedure van overlevering tussen de lidstaten. Dit kaderbesluit berust op het Verdrag betreffende de Europese Unie en is in Nederland geïmplementeerd in de Overleveringswet (Stb. 2004/195). Overlevering op grond van dit kaderbesluit wordt uitsluitend beheerst door de Overleveringswet (en dus niet door de Uitleveringswet). Zie uitvoering over de eis van dubbele strafbaarheid en de ratio daarvan V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, p. 291 e.v., met verdere verwijzingen naar rechtspraak en literatuur. Zie V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, p. 296-297, eveneens met verdere verwijzingen naar rechtspraak en literatuur. Sluitstuk van de regeling is dat bij een uitlevering steeds wordt bedongen dat na uitlevering alleen vervolging kan plaatsvinden voor de feiten waarvoor de uitlevering door Nederland is toegestaan (het zogeheten specialiteitsbeginsel). Zie art. 12 Uitleveringswet. In het uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS is dit geregeld in art. 15. De ‘opgeëiste persoon’ is de omschrijving van de Uitleveringswet. Zie art. 1 lid 1 Uitleveringswet. De uitleveringsrechter gaat daar dus in beginsel niet over. Zie onder meer HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997/533 (strafkamer), rov. 5.3.1, en HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, NJ 2016/14, m.nt. A.H. Klip (burgerlijke kamer), rov. 3.4.3. In beide arresten is hierop een uitzondering gemaakt voor het geval waarin de uitleveringsrechter vaststelt dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd, of dat zij zijn foltering hebben uitgelokt of bewerkstelligd. Dan zal de uitlevering door hem ontoelaatbaar moeten worden verklaard (zie respectievelijk rov. 5.5.3 en rov. 3.4.4 van genoemde arresten). Voorts bestaat een uitzondering als (
  2. a)blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (
  3. b)voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Zie daarvoor HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004/42 (strafkamer), rov. 3.4. Zie onder meer genoemd HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, NJ 2016/14, m.nt. A.H. Klip, rov. 3.4.2. Op grond van art. 8:5 lid 1 Awb staat geen beroep open bij de bestuursrechter. Zie over de bevoegdheidsverdeling tussen de minister en de rechter nader V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, p. 44-45. En dat de mededelingen die zij elkaar doen, juist zijn en dat toezeggingen worden nagekomen. Over deze laatste aspecten gaat deze zaak echter niet. De gelding van het vertrouwensbeginsel is wat betreft de VS dan ook al uitdrukkelijk uitgesproken in HR 1 juli 1985, NJ 1986/162. Ook de uitleveringsrechter in deze zaak is daarvan uitdrukkelijk uitgegaan. Zie de hiervoor in 2.1 onder (iii) genoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2019, overgelegd als productie 4 bij de inleidende dagvaarding, rov. 9.2. Hetzelfde geldt voor de voorzieningenrechter in deze procedure. Zie rov. 4.5 van haar vonnis. Zie daarvoor o.m. de hiervoor in voetnoot 20 genoemde uitspraken. Zie nader over het vertrouwensbeginsel V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, p. 19-20, en H.D. Sanders, Handboek uitleverings-overleveringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 19-20. Zie voorts uitvoerig Thomas Kraniotis, Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken, Proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen, 2016. Na deze resolutie zijn nog drie resoluties gevolgd: Resolutie 1747

(2007), Resolutie 1803
(2008)en Resolutie 1929
(2010). Deze goederen worden in art. 2 van de ‘Dual use-Verordening’, EU-Verordening 428/2009 gedefinieerd als: “producten, met inbegrip van programmatuur en technologie, die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben, met inbegrip van alle goederen die voor niet-explosieve doeleinden gebruikt kunnen worden en op enige manier bijdragen in de vervaardiging van nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen.” Het ‘Joint Comprehensive Plan of Action’ van 14 juli 2015 met als partijen Iran, China, Duitsland, Frankrijk, Rusland, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten en de hoge vertegenwoordiger van de EU voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. Vgl. voor een en ander Handboek Iran, Praktische handleiding zakendoen Iran Mogelijkheden en beperkingen na ingaan sanctieverlichting, Ministerie van Buitenlandse zaken, juni 2018, p. 11-
  1. In de uitleveringsprocedure is uitvoerig op de onderhavige regelgeving ingegaan. Zie voor een en ander de uitspraak van de uitleveringsrechter (productie 4 bij de inleidende dagvaarding), rov. 6.
  2. Zie voorts de uitspraak van de Hoge Raad in de uitleveringsprocedure, hiervoor in 2.1 onder (iii) genoemd, en het besluit van de minister van 26 mei 2020, hiervoor in 2.1 onder (iv) genoemd (productie 2 bij de inleidende dagvaarding). Zie aldus onder meer de King-uitspraak waarnaar het hof in de bestreden uitspraak verwijst, en EHRM 18 april 2002, nr. 72032/01 (Aronica t. Duitsland), onder
  3. Zie de samenvatting van de rechtspraak van het EHRM op dit punt onder 28-30 in de Guide on Article 8 of of the European Convention on Human Rights, die te vinden is op de website van het EHRM. Zie onder meer uitdrukkelijk de Beslissing van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens van 8 december 1997, nr. 27279/95 (Launder t. Verenigde Koninkrijk), onder 3, en EHRM 26 januari 2010, nr. 9742/07, NJ 2010/449 m.nt. A.H. Klip (King t. Verenigde Koninkrijk), § 29, waarin het EHRM naar deze beslissing verwijst. Zie EHRM 7 juli 1989, NJ 1990/158 m.nt. E.A. Alkema (Soering/Verenigd Koninkrijk), §
  4. Daar verwijst het EHRM ook naar in, bijvoorbeeld, EHRM 8 december 1997, nr. 27279/95 (Launder t. Verenigde Koninkrijk), onder
  5. Zie EHRM 26 januari 2010, nr. 9742/07, NJ 2010/449 m.nt. A.H. Klip (King t. Verenigde Koninkrijk), §
  6. Zie naast de King-uitspraak die het hof citeert, de uitspraken die hierna zullen worden genoemd. Zie bijvoorbeeld het lemma ‘exceptional’ in het Engels-Nederlandse woordenboek van Van Dale (online raadpleegbaar). Zie in deze zin ook, naar ik begrijp, Klip in zijn noot onder de King-uitspraak in NJ 2010/449, onder 6, die de uitzondering die het EHRM maakt voor uitzonderlijke omstandigheden, aanmerkt als ‘redmiddel’ dat het EHRM ‘achter de hand houdt’. Tot 1998 – toen het elfde Protocol bij het EVRM in werking trad, waarbij de Europese Commissie werd afgeschaft – werd de ontvankelijkheid van klachten bij het EHRM beoordeeld door deze commissie. Sindsdien kunnen klagers zich rechtstreeks tot het EHRM wenden. Beslissing van de Europese Commissie van 4 september 1995, nr. 25342/94 (Raidl t. Oostenrijk), onder d. Beslissing van de Europese Commissie van 8 december 1997, nr. 27279/95 (Launder t. Verenigde Koninkrijk), onder
  7. EHRM 18 april 2002, nr. 72032/01 (Aronica t. Duitsland). EHRM 26 januari 2010, nr. 9742/07, NJ 2010/449 m.nt. A.H. Klip (King t. Verenigde Koninkrijk). EHRM 26 januari 2010, nr. 9742/07, NJ 2010/449 m.nt. A.H. Klip (King t. Verenigde Koninkrijk). EHRM 10 april 2012, nr. 24027/07, 11949/08, 66911/09, 67354/09 (Babar Ahmad e.a. t. Verenigde Koninkrijk). EHRM 5 juni 2012, nr. 55822/10 (Shakurov t. Rusland). EHRM 14 september 2014, nr. 140/10 (Trabelsi t. België). Zoals volgt uit hetgeen het hof in rov. 3.4 overweegt, is dit niet helemaal zeker. Wellicht zal er meer contact mogelijk zijn, maar het hof meent – begrijpelijkerwijs – dat daarop niet kan worden vooruitgelopen. Zie de inleidende dagvaarding onder 3.6.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.