PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer20/03200 Zitting 5 april 2022 CONCLUSIE D.J.C. Aben In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, hierna: de verdachte. Het cassatieberoep 1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 5 oktober 2020 het jegens de verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 april 2018 bevestigd met uitzondering van de strafoplegging. Bij dat vonnis is de verdachte veroordeeld wegens: (
(2x)), - Op een harde schijf, in beslag genomen op het adres [a-straat 1] te [plaats] staat onder andere een bestand met de naam ‘‘Cocaïne maken”. Op de schijf staat ook een document met berekeningen, benodigde stoffen, kosten, hoeveelheden en de opbrengst met daarbij een aantal namen van personen die ook elders in het dossier voorkomen; - Na de aanhouding van verdachte belde zijn vriendin naar verdachte. Er vond geen telefoongesprek plaats, maar haar telefoon bleef in verbinding. Kennelijk kreeg zij bezoek van een verder onbekend gebleven man. Het gesprek tussen hen werd gedeeltelijk doorgegeven via haar telefoon. Tijdens dit gesprek zei de vriendin: ‘(...) tuurlijk weet ik dat ie in die kankerzooi zit’. Ook de aanwezigheid van verschillende wapens en grote hoeveelheid munitie die bij verdachte zijn aangetroffen, sterken de overtuiging van de rechtbank dat verdachte zich bezig hield met ernstige en risicovolle strafbare feiten. De rechtbank acht tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit ‘tezamen en in vereniging’ heeft gepleegd, in ieder geval met de medeverdachte [betrokkene 2]. Dit volgt onder meer uit de omstandigheid dat verdachte en de medeverdachte [betrokkene 2] beiden toegang hebben tot de woning te [plaats] waar een (groot) deel van de drugs, drugs gerelateerde grondstoffen en versnijdingsmiddelen en drugs gerelateerde goederen aanwezig waren. Ook blijkt dit uit het veelvuldige contact dat verdachte en de medeverdachte [betrokkene 2] hadden over deze spullen. De medeverdachte [betrokkene 2] is op de hoogte van de namen van verschillende grondstoffen en versnijdingsmiddelen, gaat actief op zoek naar deze grondstoffen en goederen en bestelt deze voor verdachte. Zij wendt daarbij voor dat ze deze grondstoffen nodig heeft voor het produceren van vitaminetabletten en haarlak omdat zij een eigen cosmeticalijn zou hebben. Van dit laatste is niets gebleken. Ook houdt de medeverdachte [betrokkene 2] zich bezig met de stickers, met het meenemen van een weegschaal, het meenemen van flessen met grondstoffen, houdt zij administratie bij, heeft zij overleg met de man in Schijndel waar de machines staan, gaat zij mee met verdachte naar Schijndel en doet zij mee aan versluierd taalgebruik zoals dat zij een doos koffie (of spul voor katten) naar beneden moet sjouwen. Hieruit volgt dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte [betrokkene 2]. Verweer van de verdediging Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad om een feit bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen. Dit verweer wordt reeds weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen en de overige omstandigheden zoals hierboven geschetst (zoals het briefje met formules en het woord ‘cocaïne’ erop wat bij hem is aangetroffen). Dat verdachte de grondstoffen voorhanden had ten behoeve van legale doeleinden is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. De uiterlijke omstandigheden duiden ontegenzeggelijk op opzettelijk gepleegde voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie en vervolgens het verhandelen van harddrugs. Verdachte heeft verder aangevoerd dat hij een legale variant van Captagon wilde maken, zodat in ieder geval ten aanzien van Captagon de opzet ontbrak. Ook dit verweer wordt door de rechtbank verworpen. Het kan zo zijn dat de verboden stof fenetylline niet in de tabletten zat die hij maakte, de verboden stof amfetamine zat daar wel in. Amfetamine is een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Dat verdachte beweert dat er legale varianten van amfetamine bestaan - hetgeen overigens uit niets blijkt - doet hier niet aan af. Verdachte heeft voorts aangevoerd dat hij drugstesters maakte. Uit onderzoek door het NFI blijkt dat in geen van de onderzochte drugstesters voormelde (grond)stoffen (coffeïne, fenethylline, captagon, natriumcarbonaat of kaliumpermanganaat) aanwezig waren. De rechtbank ziet dan ook niet in dat deze omstandigheid een verklaring biedt voor het in voorraad hebben van die drugs gerelateerde grondstoffen. Daarbij komt dat de mate waarin verdachte drugstesters maakt(e) in geen enkele verhouding staat tot de enorme hoeveelheden aangetroffen grondstoffen.”
- Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 september 2020 blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota. De pleitnota houdt onder meer het volgende in: “
- Cliënt ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan het verrichten van voorbereidingshandelingen die betrekking hebben op de Opiumwet. De verdediging heeft haar standpunt hieromtrent bij de rechtbank uitvoerig gemotiveerd; zij handhaaft dit onverkort. Om onnodige herhaling te voorkomen verzoek ik uw hof pagina 1 van de pleitnota in eerste aanleg onder 'Voorbereidingshandelingen art. 10a Opiumwet, onder 6 ten laste gelegd' t/m pagina 16 van de pleitnota in eerste aanleg als hier herhaald, ingelast en ter zitting van uw hof voorgedragen te beschouwen en uw toestemming in het proces-verbaal van deze zitting aan te tekenen (art. 326, vierde lid, Sv). Bij afwijzing van dit verzoek zal ik de genoemde alinea’s alsnog integraal voordragen.”
- Voorts heeft de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van feit 6 nog een aantal punten uitdrukkelijk besproken en benadrukt. Het door de raadsvrouw in hoger beroep gevoerde verweer (p. 21-32 van de pleitnota) komt er kort samengevat op neer dat de verdachte zich bezighield met onderzoek naar, handel in en (proef)productie van verschillende legale middelen voor onder meer de smartshophandel, zoals het produceren van een nieuwe Captagon-pil. Ook produceerde de verdachte in verband met zijn werkzaamheden voor de legale smartshophandel drugstesten. De stoffen die bij de verdachte thuis en op andere verblijf- en werkplaatsen zijn aangetroffen, kennen ook legale toepassingen en werden ook (uitsluitend) daarvoor door de verdachte gebruikt. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de opmerking van de vriendin van de verdachte dat de verdachte “in de kankerzooi zit” doelt op het feit dat de verdachte zich een hoeveelheid diazepamtabletten had toegeëigend en een partij MDMA-tabletten voor een ander onder zich hield en destijds verslaafd was aan diazepam. Ook heeft de raadsvrouw betwist dat sprake is van versluierd taalgebruik. Tot slot heeft zij aangevoerd dat het bij de verdachte aangetroffen briefje waarnaar de rechtbank in zijn bewijsoverwegingen verwijst, niet ziet op de productie van verdovende middelen maar op drugstests.
- Het hof heeft het vonnis van de rechtbank in zoverre bevestigd en geen aanvullende overweging opgenomen ten aanzien van feit
- De steller van het middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof ‘dat de uiterlijke omstandigheden ontegenzeggelijk op gepleegde voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie en vervolgens het verhandelen van harddrugs duiden’. Bezien in het licht van het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer, is dat oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
- Bij de bespreking van het middel stel ik voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geen rechtsregel de rechter verplicht te beslissen omtrent enig namens de verdachte gevoerd verweer dat niet door of namens de verdachte ter terechtzitting uitdrukkelijk is voorgedragen. Evenmin is de rechter gehouden te responderen op verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die in eerste aanleg zijn gevoerd maar in hoger beroep niet zijn herhaald. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de pleitnota in eerste aanleg als herhaald, ingelast en ter zitting als voorgedragen te beschouwen. Tevens heeft zij het hof verzocht zijn toestemming in het proces-verbaal van de zitting aan te tekenen. Uit het proces-verbaal van de zitting kan echter niet worden opgemaakt dat het hof met dit verzoek heeft ingestemd zodat niet gezegd kan worden dat de in eerste aanleg gevoerde verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in dezelfde vorm op de terechtzitting in hoger beroep zijn herhaald. Bij de bespreking van het middel laat ik de verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten zoals in eerste aanleg voorgedragen dan ook buiten beschouwing.
- Uit de door het hof bevestigde bewijsvoering van de rechtbank zoals hiervoor onder 10 weergegeven, kan onder meer worden afgeleid dat in de woningen waarin de verdachte verbleef en op zijn ‘werkplekken’ grote hoeveelheden grondstoffen zijn aangetroffen die plegen te worden gebruikt als versnijdingsmiddel voor onder meer amfetamine, cocaïne en Captagon. Daarnaast zijn diverse drugsgerelateerde goederen aangetroffen zoals tabletteermachines, stempels en administratie. Ook is op de harde schijf van een laptop die is aangetroffen op een van de verblijfplaatsen van de verdachte een bestand aangetroffen met de naam ‘cocaïne maken’. Het onder de verdachte aangetroffen briefje verwijst eveneens naar het bewerken en/of verwerken van cocaïne. Verder zijn tabletten aangetroffen voorzien van het Captagon-logo. Deze tabletten bevatten onder meer amfetamine. Het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank dat de uiterlijke omstandigheden ontegenzeggelijk op gepleegde voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie en vervolgens het verhandelen van harddrugs duiden, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
- Bovendien heeft de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis op niet onbegrijpelijke wijze uitvoerig uiteengezet waarom zij het verweer van de verdachte inhoudende dat hij de in de bewezenverklaring omschreven stoffen voorhanden had ten behoeve van legale doeleinden en derhalve geen opzet had om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen niet aannemelijk heeft geacht. Het hof heeft door de bevestiging van het vonnis van de rechtbank de motivering van de rechtbank tot de zijne gemaakt en kon daarmee volstaan, aangezien hetgeen in hoger beroep is aangevoerd in essentie geen nieuwe argumenten bevatte die niet door de overwegingen van de rechtbank worden bestreken.
- Het tweede middel faalt. Het derde middel
- Het derde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
- Namens de verdachte is op 6 oktober 2020 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 21 april 2021 bij de Hoge Raad binnengekomen. Blijkens de cassatieakte bevond de verdachte zich op het moment dat cassatie werd ingesteld niet in voorlopige hechtenis. Dat betekent dat een inzendtermijn van acht maanden geldt en de stukken tijdig door het hof zijn ingezonden. Het derde mist derhalve feitelijke grondslag. Slotsom
- De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. Kooijmans; HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1279, NJ 2021/369 m.nt. Jörg. HR 18 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZD1087, NJ 1995/101; HR 3 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0952, NJ 1999/59; HR 30 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC8329, NJ 1999/60, m.nt. Knigge; HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD1870, NJ 2001/619; HR 7 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8914, NJ 2002/428, m.nt. De Hullu; HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7844, NJ 2012/473, m.nt. Borgers, en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ
- Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p.
- Zie HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2307; HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN8383, NJ 2011/415 m.nt. Schalken. HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP
- Uit de cassatieakte kan niet worden opgemaakt dat de verdachte zich ten tijde van het instellen van het beroep in cassatie in voorlopige hechtenis bevond. Ook het voor de zekerheid opgevraagde detentieoverzicht d.d. 4 oktober 2021 vermeldt met betrekking tot de periode van 31 augustus 2020 tot 19 oktober 2020: ‘Rotterdam De Schie EMD, Pen Prog. met Elektronisch Toezicht’. Hieruit leid ik af dat de verdachte zich ten tijde van het instellen van beroep in cassatie bevond in de fase van Extramurale Detentie (EMD) en in dat kader onder elektronisch toezicht was gesteld. Hij bevond zich derhalve niet meer in voorlopige hechtenis op het moment van het instellen van het cassatieberoep.