PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/01289 B Zitting 5 april 2022 CONCLUSIE P.M. Frielink In de zaak [klager] , Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, hierna: de klager. 1Het cassatieberoep 1.1. De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 23 februari 2021 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave aan de klager van de onder hem op grond van art. 94a Sv conservatoir in beslag genomen geldbedragen van € 1.230,- en € 550,-, gegrond verklaard. 1.2. Tegen deze beschikking is door de officier van justitie cassatieberoep ingesteld. 1.3. De plaatsvervangend officier van justitie, mr. H.H.J. Knol, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dit middel is gericht tegen de gegrondverklaring van het klaagschrift. Namens de klager heeft mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, het cassatieberoep tegengesproken. 2De procedure 2.1. Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan. 2.2. Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 mei 2018 is de klager – voor zover hier relevant – veroordeeld voor drie gekwalificeerde diefstallen (art. 311 Sr) en voor opzetheling (art. 416 Sr). In de strafprocedure hebben zich geen slachtoffers als benadeelde partij gevoegd. Zowel de klager als de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. 2.3. Gelet op de verdenking heeft de rechter-commissaris op 19 april 2019 op vordering van de officier van justitie een machtiging verleend tot het leggen van conservatoir beslag tot een bedrag van € 119.713,87. Dit beslag dient, blijkens de verleende machtiging, tot bewaring van het recht op verhaal voor een door de rechter op te leggen ontnemingsmaatregel en schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 94a lid 2 en lid 3 Sv. 2.4. Op 19 juni 2019 heeft de officier van justitie de klager als veroordeelde opgeroepen in verband met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voor een bedrag van € 72.155,41. De behandeling van de ontnemingsvordering is aangehouden in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep in de strafzaak. 2.5. Op 3 augustus 2019 en 18 september 2019 is onder de klager conservatoir beslag gelegd op geldbedragen van respectievelijk € 1.230,- en € 550,-. 2.6. Namens de klager is op 30 oktober 2020 een op art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave van de onder de klager in beslag genomen geldbedragen. Het klaagschrift is op 9 februari 2021 in openbare raadkamer behandeld. De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank heeft daar op 23 februari 2021 op beslist. 3De beschikking 3.1. De rechtbank heeft in haar beschikking van 23 februari 2021 hetgeen door partijen is aangevoerd als volgt samengevat: “Het standpunt van klagerKlager heeft bij klaagschrift ingekomen op 30 oktober 2020 verzocht om opheffing van de conservatoire beslagen die - zo begrijpt de rechtbank - krachtens machtiging van de rechter-commissaris alhier d.d. 19 april 2019 op gelden van klager zijn gelegd op 3 augustus en 18 september 2019. Nu klager – onder andere – is veroordeeld wegens artikel 311 Sr kan geen conservatoir beslag worden gelegd omdat dit geen misdrijf is waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Klager is in hetzelfde vonnis veroordeeld voor opzetheling. Dit feit heeft geen enkele invloed op de aanhangige ontnemingszaak omdat met dit feit evident geen voordeel is verkregen. De ontnemingsrapportage is gebaseerd op de gekwalificeerde diefstallen en niet op de opzetheling. In eerste aanleg heeft zich geen benadeelde partij gesteld, reden waarom de rechtbank in het vonnis van 18 mei 2018 geen schadevergoedingsmaatregel aan klager heeft opgelegd. De machtiging conservatoir beslag kan daarom ook geen betrekking hebben op een schadevergoedingsmaatregel.Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave. De klager is veroordeeld voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd (opzetheling) en het wederrechtelijke verkregen voordeel is behaald naar aanleiding van dat misdrijf. “Naar aanleiding van dat misdrijf’ omvat mede andere misdrijven die voordeel hebben opgeleverd in de zin van artikel 36e Sr. Het beklag moet ongegrond worden verklaard.” 3.2. De rechtbank heeft het klaagschrift gegrond verklaard en daartoe overwogen: “Het oordeel van de rechtbankKlager is bij vonnis d.d. 18 mei 2018 veroordeeld voor een aantal gekwalificeerde diefstallen en opzetheling. In de procedure hebben zich geen slachtoffers als benadeelde partijen gevoegd. Zowel klager als de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld.Op 19 juni 2019 heeft de officier van justitie een ontnemingsdagvaarding uitgebracht ter hoogte van € 72.155,41. De ontnemingszaak is aangehouden in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. Krachtens machtiging van de rechter-commissaris d.d. 19 april 2019 om conservatoir beslag te leggen tot een bedrag van € 119.713, 87 (zijnde het bedrag van het te ontnemen wederrechtelijk voordeel (€ 72.155,41) plus de door de slachtoffers te verhalen schade (€ 47.558,46)) heeft de officier van justitie op 3 augustus 2019 en 18 september 2019 conservatoir beslag doen leggen op respectievelijk € 1.230,00 en € 550,00 aan gelden toebehorend aan klager. Gelet op de respectievelijke standpunten van de klager en de officier van justitie is de uitleg van artikel 94a Wetboek van Strafvordering (Sv) aan de orde. Artikel 94a Sv luidt als volgt 1 In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete. 2 In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. 3 Ingeval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.De memorie van toelichting t.a.v. het tweede lid omvat het volgende: “In combinatie met de voorgestelde verhoging van de maximumduur van de vervangende hechtenis, acht de ondergetekende het voldoende de mogelijkheid van conservatoir beslag tot zekerheid voor de tenuitvoerlegging van geldboeten te beperken tot gevallen waarin sprake is van een verdenking wegens feiten, waarop geldboeten van de hoogste, de vijfde, categorie zijn gesteld. Ditzelfde criterium is aangelegd voor het kunnen leggen van conservatoir beslag tot zekerheid van de tenuitvoerlegging van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.” In artikel 94a Sv heeft de wetgever kennelijk grenzen willen stellen aan de gevallen waarin conservatoir beslag kan worden gelegd, te weten verdenking van of veroordeling voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd voor verhaal van de geldboete of ontneming van het wederrechtelijke verkregen voordeel, en een geldboete van de vierde categorie voor verhaal ter zake van schadevergoeding. Het voorgaande brengt mee dat in geval van een verdenking van of veroordeling voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, geen conservatoir beslag kan worden gelegd ter zake ontneming van “naar aanleiding van dat misdrijf” verkregen wederrechtelijk voordeel. Terecht heeft klager erop gewezen dat eventuele vorderingen die door slachtoffers van de diefstallen zullen worden ingesteld in het hoger beroep niet ontvankelijk zullen zijn, nu zij zich in eerste aanleg niet hebben gevoegd als benadeelde partijen. Voor zover het beslag is gelegd ter zake de veroordeling voor de diefstallen is het naar oordeel van de rechtbank daarom hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter de schadevergoeding zal toewijzen in een strafprocedure. Voor zover het beslag is gelegd op grond van de opzetheling is het hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel naar aanleiding van die heling zal toewijzen nu de ontnemingsvordering uitsluitend is gebaseerd op de diefstallen, en niet (mede) de opzetheling - de diefstallen zijnde misdrijven waarvoor conservatoir beslag in verband met een ontnemingsvordering niet is toegestaan. De door de officier van justitie voorgestelde lezing van “naar aanleiding van dat misdrijf” zou deze beperking teniet doen. Immers brengt die lezing mee dat in alle gevallen van verdenking van een feit waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, conservatoir beslag zou kunnen worden gelegd voor ontneming van voordeel voorvloeiend uit om het even welk ander feit (in de zin van artikel 36e Sr). De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het beklag gegrond moet worden verklaard en dat de op grond van de machtiging d.d. 19 april 2019 in beslag genomen goederen moeten worden teruggegeven aan klager.” 4Het middel 4.1. In het middel wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat conservatoir beslag in verband met een ontnemingsvordering die (louter) is gebaseerd op wederrechtelijk verkregen voordeel uit de door de rechtbank bewezenverklaarde diefstallen, niet is toegestaan. Volgens de steller van het middel is dit oordeel onjuist en gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting en heeft de rechtbank hierdoor ten onrechte het beklag gegrond verklaard en een last tot teruggave gegeven van de onder de klager in beslag genomen geldbedragen. In het middel wordt aangegeven dat het in de onderhavige zaak weliswaar gaat om relatief geringe bedragen, maar dat in de rechtspraktijk behoefte bestaat aan duidelijkheid (en dat – zo begrijp ik – mede om die reden de cassatie is doorgezet). 4.2. De rechtbank heeft vastgesteld dat in de onderhavige zaak onder klager zowel op grond van art. 94a lid 2 Sv als op grond van art. 94a lid 3 Sv conservatoir beslag is gelegd op twee geldbedragen wegens de verdenking van gekwalificeerde diefstallen (art. 311 Sr) en opzetheling (art. 416 Sr). Het middel ziet alleen op het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het beklag over het beslag ex art. 94a lid 2 Sv. 4.3. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wetsartikelen van belang.Art 94a Sv: “1. In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete. 2. In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. 3. Ingeval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. (…)” Art. 36e Sr: “1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. 2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. 3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat: a. uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten, of; b. voorwerpen die in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren voordeel belichamen als bedoeld in het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt. (…)” Art. 311 Sr: “Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft: (…) 4° diefstal door twee of meer verenigde personen; 5° diefstal waarbij de schuldige (…) het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak (…) van valse sleutels (…).” Art. 416 Sr: “Als schuldig aan opzetheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie: a. hij die een goed (…) voorhanden heeft (…) terwijl hij ten tijde van (…) het voorhanden krijgen van het goed (…) wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof (…).” 4.4. Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Daaraan ligt ten grondslag dat de beklagrechter niet ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren ontnemingsprocedure dient te treden of daarop vooruit dient te lopen. 4.5. Bij de beoordeling van een klaagschrift gericht tegen een op de voet van art. 94a lid 1 en lid 2 Sv gelegd (conservatoir) beslag dient de rechter te onderzoeken
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.