PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/01249 Zitting 1 april 2022 CONCLUSIE B.J. Drijber In de zaak van De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst), eiser tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep, advocaat: mr. M.W. Scheltema, tegen De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid De Nederlandse Woonbond, verweerder in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep, advocaat: mr. P.A. Fruytier. INHOUDSOPGAVE 1Inleiding en samenvatting 2Feiten en vaststaande uitgangspunten 3Procesverloop 4Juridisch kader ontvankelijkheid A. Plan van behandeling B. Het procesrechtelijke beoordelingskader Taakverdeling civiele rechter en bestuursrechter bij toetsing algemeen verbindende voorschriften Taakverdeling civiele rechter en bestuursrechter in collectieve acties C. Het privacyrechtelijke stelsel van rechtsbescherming Gegevensbescherming op grond van de Wbp en de AVG De verwerkingsgronden (art. 8 Wbp en 6 lid 1 AVG) Bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen gegevensbescherming Het recht van verzet en bezwaar (art. 40 Wbp en art. 21 AVG) Het recht op gegevenswissing en vergetelheid (art. 36 Wbp en art. 17 AVG) 5Juridisch kader onrechtmatigheid A. Fiscaalrechtelijk beoordelingskader De fiscale geheimhoudingsplicht (art. 67 Awr) De Basisregistratie inkomen (art. 21 e.v. Awr) en het doorleveringsverbod (art. 21f Awr) Privacyrechtelijk beoordelingskader: doelbindingsbeginsel en verdere verwerking 6Juridisch kader gegevensverstrekking A. Wet inkomensafhankelijke huurverhoging en Reparatiewet B. Totstandkomingsgeschiedenis Wet inkomensafhankelijke huurverhoging Achtergrond en doelstelling: doorstroming op de huurmarkt Discussie over doelmatigheid, legaliteit en proportionaliteit/subsidiariteit Discussie in Eerste Kamer over privacy en geheimhoudingsplicht Doorbreking geheimhoudingsplicht nader beschouwd n.a.v. Cbp-advies C. Totstandkomingsgeschiedenis Reparatiewet D. De ABRvS-uitspraak en daaropvolgende rechtspraak De ABRvS-uitspraak Bestuursrechtelijk vervolg op ABRvS-uitspraak Civielrechtelijke rechtspraak over verstrekking inkomensverklaringen 7Bespreking van het principale cassatiemiddel Onderdeel 2.2: ontvankelijkheid (rov. 5.7-5.11) Onderdeel 2.4: onrechtmatigheid (rov. 5.12) 8Bespreking van het incidentele cassatiemiddel Onderdeel 1: maatstaf voor ontvankelijkheid (rov. 5.4) Onderdeel 2: doelbindingsbeginsel (rov. 5.16) 9Conclusie 1. Inleiding en samenvatting 1.1 Deze zaak ziet op het spanningsveld binnen de driehoek huurwoningmarktbeleid van de overheid, geheimhoudingsplicht van de Belastingdienst en privacybescherming van de huurders van sociale woonruimte. Aanleiding is een wettelijke regeling waarmee is beoogd het zogenoemde ‘scheefwonen’ tegen te gaan. Deze regeling bepaalt dat een inkomensafhankelijke huurverhoging mag worden toegepast indien een huurder een bepaald inkomensniveau heeft. De verhuurder dient daartoe over een inkomensverklaring van de Belastingdienst te beschikken. Verhuurders krijgen van de Belastingdienst dus inzicht in de inkomenssituatie van huurders. Verweerder in cassatie (hierna: de Woonbond) spreekt op zijn website daarom van ‘gluurverhogingen’. 1.2 De Woonbond behartigt in dit geding de gebundelde belangen van ‘scheefwoners’. In een collectieve actie als bedoeld in art. 3:305a BW worden verklaringen voor recht gevorderd die ertoe strekken dat de afgifte van inkomensverklaringen onrechtmatig is (geweest). Op grond van art. 67 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is de Belastingdienst verplicht tot geheimhouding van fiscale gegevens. Art. 67 lid 2, onder a, Awr bevat op die regel een uitzondering, indien een wettelijk voorschrift de Belastingdienst verplicht tot het verstrekken van informatie aan derden. Volgens de Woonbond was er in de periode van 16 maart 2013 tot 1 april 2016 geen sprake van een wettelijke verplichting voor de Belastingdienst om fiscale gegevens te verstrekken. De Woonbond beroept zich daartoe op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 februari 2016 (hierna: de ABRvS-uitspraak). Met ingang van 1 april 2016 is reparatiewetgeving in werking getreden. 1.3 Het hof heeft, zich aansluitend bij de ABRvS-uitspraak, voor recht verklaard dat de verstrekking van inkomensverklaringen in de periode vanaf 1 maart 2013 tot 1 april 2016 onrechtmatig is geweest jegens huurders in de sociale huursector. Het geschil in cassatie spitst zich met betrekking tot die periode toe op de juistheid van de ABRvS-uitspraak: ontbrak inderdaad een wettelijke grondslag voor de verplichting van de Belastingdienst om aan verhuurders van sociale huurwoningen op hun verzoek een verklaring omtrent het inkomen van huurders te verstrekken? Met betrekking tot de periode vanaf 1 april 2016 spitst het geschil zich toe op de vraag of genoemde gegevensverstrekking onrechtmatig is wegens strijd met het privacyrechtelijke doelbindingsbeginsel. Die vraag is op zichzelf evenzeer relevant voor de periode daarvóór, maar het hof is daar niet aan toegekomen in het licht van zijn oordeel dat een voldoende wettelijke grondslag voor de gegevensverstrekking ontbrak. 1.4 De ingestelde cassatieberoepen stellen behalve de onrechtmatigheidsvraag ook de ontvankelijkheid van de Woonbond aan de orde. De discussie spitst zich toe op de vraag of de mogelijkheid voor individuele huurders om langs bestuursrechtelijke weg de rechtmatigheid van de gegevensverstrekking ter discussie te stellen – in het kader van een verzoek om gegevenswissing dan wel een verzet of bezwaar tegen de gegevensverwerking door de Belastingdienst – in de weg staat aan ontvankelijkheid van een collectieve actie als de onderhavige. De Woonbond pleit voor een minder strikte ontvankelijkheidstoets voor belangenorganisaties. Voor ontvankelijkheid zou niet zijn vereist dat zij opkomen voor de gebundelde belangen van individuele personen voor wie geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat. 1.5 Op het punt van de ontvankelijkheid acht ik het bestreden arrest juist. De vorderingen strekken ertoe een oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van een zuiver feitelijk handelen van de Staat (de verstrekking van inkomensverklaringen). Dat feitelijk handelen berust op een wettelijke regeling waarvan huurders de gevolgen (kennisneming van hun inkomensgegevens door verhuurders) rechtstreeks ondervinden, zonder dat daaraan een besluit van een bestuursorgaan ten grondslag ligt. Bij die stand van zaken is de Woonbond ontvankelijk te achten in haar vorderingen. Bezwaarlijk kan worden geëist dat huurders zelf in actie komen, bijvoorbeeld de Belastingdienst verzoeken om hun gegevens af te schermen van verhuurders en aldus daaromtrent een besluit uit te lokken. Dat de Afdeling op verzoek van een individuele huurder over een zelfde kwestie heeft geoordeeld (in de ABRvS-uitspraak) lijkt mij niet aan te tonen dat er in zijn algemeenheid voor huurders een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat. 1.6 Ook ten gronde acht ik het bestreden arrest juist. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de gegevensverstrekking in de periode vóór 1 april 2016 onrechtmatig was omdat niet uitdrukkelijk was bepaald dat de Belastingdienst in afwijking van de hoofdregel van geheimhouding verplicht was om een inkomensverklaring te verstrekken. Vanaf 1 april 2016 is de gegevensverstrekking in beginsel wel rechtmatig te achten, ook in het licht van het doelbindingsbeginsel, nu de uitvoering van een inkomensafhankelijke huurprijsregeling niet onverenigbaar is met de doeleinden van de fiscale wetgeving. 1.7 Indien uw Raad het beroep van de Staat verwerpt, wil dat nog niet zeggen dat de Staat over de periode van 1 maart 2013 tot 1 april 2016 schadeplichtig is jegens de betrokken groep scheefwoners. Ook het hof heeft daar op gewezen. In deze procedure, die wordt beheerst door art. 3:305a (oud) BW, vordert de Woonbond geen schadevergoeding. 2Feiten en vaststaande uitgangspunten 2.1 In cassatie kan van de volgende feiten (en vaststaande juridische uitgangspunten) worden uitgegaan. (
- i)De Woonbond is een belangenorganisatie voor huurders die opkomt voor betaalbare huren en goede woningen in leefbare wijken. Hij behartigt de belangen van huurders en woningzoekenden in het algemeen en van zijn leden in het bijzonder. (
- ii)De maximaal toegestane huur voor gereguleerd verhuurde woningen (hierna: sociale huurwoningen) wordt op basis van het woningwaarderingsstelsel bepaald. De huurprijs van sociale huurwoningen mag jaarlijks met niet meer dan een vastgesteld percentage worden verhoogd. (iii) Op 16 maart 2013 is wetgeving tegen scheefwonen in werking getreden: de Wet huurverhoging op grond van inkomen en de Wet huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens (tezamen: Wet inkomensonafhankelijke huurverhoging). Deze wet heeft onder meer geleid tot de invoering van art. 7:252a BW en art. 19b Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Uhw). (
- iv)De Wet inkomensafhankelijke huurverhoging geeft verhuurders van sociale huurwoningen de mogelijkheid om de huurprijs jaarlijks extra te verhogen ten opzichte van het reguliere basishuurverhogingspercentage. Daarbij worden verschillende inkomenscategorieën gehanteerd. Per categorie geldt een maximaal huurverhogingspercentage. (
- v)In de periode van 16 maart 2013 tot 1 april 2016 bepaalde art. 7:252a lid 3 BW: “Indien een voorstel als bedoeld in lid 1 [een voorstel tot inkomensafhankelijke huurverhoging] wordt gedaan, wordt bij het voorstel een door de inspecteur op verzoek van die verhuurder aan deze afgegeven verklaring gevoegd.” De in art. 7:252a lid 3 (thans lid 4) BW bedoelde verklaring wordt inkomensverklaring genoemd. (
- vi)Een verhuurder kan via het ‘Portaal voor Inkomensafhankelijke Huurverhoging’ van de Belastingdienst een inkomensverklaring opvragen. De inkomensverklaring bevat geen exacte inkomensgegevens, maar vermeldt in welke inkomenscategorie het huishoudinkomen van de huurder valt. De verhuurder ontvangt een bestand met de door hem opgegeven adressen en (indien het huishoudinkomen bekend
- is)een vermelding van de categorie waarin het desbetreffende adres valt. (vii) De huurder ontvangt een kennisgeving van de Belastingdienst dat de inkomensverklaring aan zijn verhuurder is verstrekt. (viii) Op 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) van toepassing geworden en is de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp), die strekte ter implementatie van Richtlijn 95/46/EG (hierna: de Privacyrichtlijn), ingetrokken. Verwerkingen van inkomensverklaringen tot die datum dienen nog te worden getoetst aan de Wbp. (
- ix)Naar aanleiding van een door een huurder op de voet van art. 40 Wbp ingesteld verzet tegen de verstrekking van een inkomensverklaring, is op 3 februari 2016 in de ABRvS-uitspraak geoordeeld dat art. 7:252a BW en art. 19b Uhw, zoals ingevoerd bij de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging, geen (toereikende) wettelijke grondslag boden om de in art. 67 Awr neergelegde geheimhoudingsplicht te doorbreken, zodat de verstrekking van de inkomensgegevens had plaatsgevonden in strijd met art. 67 Awr. (
- x)Hangende de procedure die tot de ABRvS-uitspraak leidde, is het Wetsvoorstel gegevensverstrekking Belastingdienst ingediend. Dat heeft geleid tot de al in de inleiding genoemde wetswijziging (hierna: de Reparatiewet). Met ingang van 1 april 2016 kwam art. 7:252a lid 3 BW daardoor als volgt te luiden: “Indien een voorstel als bedoeld in lid 1 wordt gedaan, wordt bij het voorstel een verklaring gevoegd omtrent het huishoudinkomen. De inspecteur verstrekt op verzoek van een verhuurder een verklaring omtrent het huishoudinkomen aan de verhuurder.” (
- xi)Met ingang van 1 januari 2017 is de tweede volzin (‘De inspecteur verstrekt…’) in gewijzigd. Art. 7:252a lid 4, eerste volzin, BW luidt sindsdien: “De inspecteur verstrekt desgevraagd aan de verhuurder een huishoudverklaring.” 2.2 De tekst geldend vanaf 1 april 2016 bevat expliciet een verplichting voor de Inspecteur om op verzoek aan de verhuurder de genoemde verklaring te verstrekken. In de voordien geldende versie lag die verplichting niet expliciet vast. 3Procesverloop 3.1 Bij inleidende dagvaarding van 21 juli 2016 heeft de Woonbond de onderhavige procedure geëntameerd bij de rechtbank Den Haag. In eerste aanleg waren behalve de Staat ook een belangenbehartiger van woningcorporaties (vereniging Aedes), twee belangenbehartigers van vastgoedbeleggers (verenigingen IVBN en VB) en een woningcorporatie (stichting Lieven de Key) gedagvaard. 3.2 De Woonbond acht de verstrekking van inkomensverklaringen een verwerking van persoonsgegevens. De verwerking door de inspecteur en door de verhuurders is volgens hem onrechtmatig. In de procedure tegen de Staat heeft de Woonbond in eerste aanleg, voor zover in cassatie van belang, een drietal verklaringen voor recht gevorderd, die ertoe strekten dat de Staat sinds 1 maart 2013, althans vanaf 1 maart 2013 tot en met 31 maart 2016 (daags voor invoering van de Reparatiewet), onrechtmatig jegens huurders heeft gehandeld door de verstrekking van inkomensverklaringen aan verhuurders (vorderingen i en
- ii)en dat de dientengevolge door de huurders geleden schade bestaat uit het inkomensafhankelijke deel van de door hen in die periode betaalde huursommen (vordering iii). 3.3 Ten aanzien van de overige gedaagden (die niet in deze cassatieprocedure betrokken zijn) heeft de Woonbond verklaringen voor recht gevorderd die ertoe strekten dat de in voornoemde periode gedane huurverhogingsvoorstellen nietig of vernietigbaar zijn (vordering v), dat de verhuurders in die periode onrechtmatig jegens huurders hebben gehandeld door het gebruik van de inkomensverklaringen (vordering
- vi)en dat de huurders het inkomensafhankelijke deel van de in die periode voldane huursommen onverschuldigd hebben betaald (vordering vii). 3.4 Aan zijn vorderingen tegen de Staat heeft de Woonbond primair, onder verwijzing naar de ABRvS-uitspraak, ten grondslag gelegd dat de Staat door het verstrekken van de inkomensverklaringen in strijd heeft gehandeld met de geheimhoudingsplicht die is opgenomen in art. 67 Awr. In het verlengde hiervan heeft de Woonbond zich beroepen op schending van art. 21f Awr, het verbod op doorlevering van inkomensgegevens uit de basisregistratie inkomen (hierna: BRI). Verder heeft de Woonbond aangevoerd dat de verstrekking van inkomensverklaringen aan verhuurders onrechtmatig is wegens strijd met art. 8 Wbp (het grondslagvereiste voor de verwerking van persoonsgegevens) en art. 8 EVRM (meer in het bijzonder de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit). Ten slotte heeft de Woonbond zich beroepen op onverbindendheid van art. 7:252a BW – ook ná de Reparatiewet van 1 april 2016 – wegens strijd met het in art. 6 lid 1 onder b van de Privacyrichtlijn neergelegde doelbindingsbeginsel. 3.5 De Staat heeft zich primair verweerd met een beroep op niet-ontvankelijkheid van de Woonbond. Daartoe stelt hij dat voor de achterban van de Woonbond een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat of heeft gestaan. De Staat verwijst in dit verband naar de ABRvS-uitspraak, die volgde op een door een huurder op de voet van art. 40 Wbp ingesteld verzet tegen de verstrekking van een inkomensverklaring. Inhoudelijk heeft de Staat zich verweerd met het betoog dat de civiele rechter niet is gebonden aan de ABRvS-uitspraak en dat de verstrekking van de inkomensverklaringen, zowel vóór als ná 1 april 2016, rechtmatig is geweest, namelijk wettelijk is voorgeschreven op grond van art. 7:252a lid 3 (thans lid 4) BW. Die bepaling bevat volgens de Staat (en bevatte ook vóór 1 april 2016) een wettelijk voorschrift dat tot bekendmaking van inkomensgegevens verplicht, zodat op grond van art. 67 lid 2 onder a Awr de fiscale geheimhoudingsplicht niet geldt. 3.6 De Staat heeft niet betwist dát sinds de inwerkingtreding van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging (en tot op heden) inkomensverklaringen betreffende huurders van sociale woonruimte zijn verstrekt aan verhuurders (wat ook een feit van algemene bekendheid is). De frequentie, modaliteit en inhoud van de afzonderlijke gegevensverstrekkingen – inclusief bijvoorbeeld de vraag of de inspecteur in voorkomend geval de afgifte van een inkomensverklaring had moeten weigeren op de voet van art. 19b lid 5 Uhw – staan tussen partijen niet ter discussie. Het geschil spitst zich toe op de rechtmatigheid van het verstrekkingenregime van art. 7:252a BW. 3.7 Bij eindvonnis van 10 januari 2018 heeft de rechtbank Den Haag de Woonbond niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen tegen de Staat, echter alleen voor zover betrekking hebbend op de periode vóór 1 april 2016. In dat tijdvak stond volgens de rechtbank voor de huurders van wie de Woonbond de belangen behartigt, een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open waarmee een vergelijkbaar resultaat kon worden behaald als door de Woonbond voor die periode is beoogd met vorderingen i en ii. De rechtbank verwees in dit verband naar de ABRvS-uitspraak en het daarin gehonoreerde verzet op de voet van art. 40 Wbp. Ook ten aanzien van vordering iii (betreffende de door de huurders geleden schade) heeft de rechtbank de Woonbond niet-ontvankelijk verklaard, voor zover het de periode vóór 1 april 2016 betrof, omdat volgens de rechtbank in zoverre alleen een rol voor de burgerlijke rechter is weggelegd ten aanzien van personen die op de voet van art. 40 Wbp met succes verzet hebben aangetekend (wat ten aanzien van de achterban van de Woonbond niet gebleken was). Met betrekking tot de periode ná 1 april 2016 heeft de rechtbank de Woonbond wél ontvankelijk geacht, omdat sinds die datum tegen de verstrekking van inkomensgegevens niet langer verzet als bedoeld in art. 40 Wbp openstaat. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen, omdat art. 7:252a BW sinds die datum een toereikende grondslag biedt voor de gegevensverstrekking. 3.8 Bij hetzelfde vonnis heeft de rechtbank in de procedure tegen de overige gedaagden de Woonbond gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en de vorderingen voor het overige afgewezen. In dat kader oordeelde de rechtbank onder meer dat de onrechtmatigheid van de gegevensverstrekking in de periode tot 1 april 2016 niet in de weg staat aan rechtsgeldigheid van de inkomensafhankelijke huurprijsverhogingen in diezelfde periode. 3.9 De Woonbond is in hoger beroep gekomen van het vonnis, voor zover gewezen tussen hem en de Staat (zaaknummer 200.246.295/02) en tussen hem en woningcorporatie Lieven de Key (zaaknummer 200.239.036/01). 3.10 In de appelprocedure tegen de Staat waarop deze cassatieprocedure betrekking heeft, heeft de Woonbond zes grieven tegen het vonnis gericht en zijn eis gewijzigd. De Woonbond heeft in appel, voor zover in cassatie van belang, gevorderd: (I) een verklaring voor recht dat de Staat vanaf 1 maart 2013 tot 1 april 2016 (hierna ook: tijdvak I) onrechtmatig heeft gehandeld jegens huurders, door inkomensverklaringen over die huurders te verstrekken aan verhuurders; (II) een verklaring voor recht dat de Staat vanaf 1 april 2016 (hierna ook: tijdvak II) onrechtmatig heeft gehandeld jegens huurders, door inkomensverklaringen over die huurders te verstrekken aan verhuurders; en (III) een veroordeling van de Staat om aan (ieder van die) huurders de schade te vergoeden, op te maken bij staat. 3.11 De onder (III) vermelde vordering speelt in cassatie geen rol meer. Met deze vordering liep de Woonbond vooruit op de destijds nog toekomstige inwerkingtreding van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: Wamca). Die wet zou leiden tot schrapping van de regel in art. 3:305a lid 3 (oud) BW, dat een collectieve actie niet kan strekken tot schadevergoeding in geld. De Wamca is uiteindelijk per 1 januari 2020 in werking getreden, ná de pleidooizitting in appel van 26 september 2019. Tegen deze achtergrond heeft de Woonbond tijdens die pleidooizitting vordering III ingetrokken. Bij akte van 29 september 2020 heeft de Woonbond nog gepoogd daarvan terug te komen, maar het hof heeft geoordeeld dat het daarvoor te laat was en dat vordering III hoe dan ook niet toewijsbaar was geweest. Een en ander is in cassatie niet bestreden. 3.12 Bij arrest van 22 december 2020 heeft het hof in de appelprocedure tegen de Staat het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de Woonbond afgewezen. Het hof overwoog daartoe, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende. 3.13 Met betrekking tot de ontvankelijkheid overweegt het hof, samengevat, het volgende: - Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is de Woonbond alleen ontvankelijk bij de civiele rechter als wordt opgekomen voor de gebundelde belangen van personen voor wie geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat of heeft opengestaan. Daarbij is niet van belang of exact dezelfde vorderingen kunnen worden ingesteld in die andere procedure. Het gaat erom of in de andere procedure eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan of kon worden behaald (rov. 5.4). - Op grond van vaste bestuursrechtelijke rechtspraak zijn gegevensverstrekkingen feitelijke handelingen, waartegen als zodanig niet kan worden opgekomen in de bestuursrechtelijke kolom (rov. 5.6). Op zich is het juist dat op grond van art. 36 Wbp (thans art. 17/18 AVG) huurders de Belastingdienst (hadden) kunnen verzoeken om hun gegevens te verwijderen of af te schermen voor de verhuurders, en dat tegen een besluit op een dergelijk verzoek bezwaar en vervolgens beroep bij de bestuursrechter openstond. Een individuele huurder kan dan aanvoeren dat zijn persoonsgegevens in strijd met de wet worden verwerkt, zodat in zoverre langs de weg van art. 36 Wbp een oordeel van de bestuursrechter uitgelokt kan worden over de rechtmatigheid van de gegevensverwerking. De vordering van de Woonbond is echter niet gebaseerd op een onrechtmatig besluit op een verzoek tot verwijdering of afscherming, maar op onrechtmatig feitelijk handelen (rov. 5.7). - Hetzelfde geldt voor een beroep op het recht van verzet in de zin van art. 40 Wbp (thans art. 21 AVG). De vordering van de Woonbond is namelijk ook niet gebaseerd op een onrechtmatig besluit op een beroep op het recht van verzet. Bovendien is het recht van verzet alleen van toepassing als de gegevens het voorwerp zijn van een verwerking op grond van art. 8, aanhef en onder e of f, Wbp en de betrokkene een beroep doet op bijzondere persoonlijke omstandigheden. Die situatie doet zich niet voor in deze zaak (rov. 5.8). - Daar komt bij dat de huurder in de bestuursrechtelijke kolom geen schadevergoeding kan krijgen in een geval als het onderhavige. Dat het de Woonbond in deze zaak (uiteindelijk) te doen is om schadevergoeding voor huurders, blijkt afdoende uit de stukken (rov. 5.9). - Dat de huurders in de bestuursrechtelijke procedure geen schadevergoeding zouden (hebben) kunnen krijgen, volgt uit het recht zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: Wns). Op grond van dat recht kon tegen een beslissing van de minister op een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van het beweerdelijk onrechtmatig verstrekken door de inspecteur van inkomensverklaringen (na bezwaar) geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld (rov. 5.10). - De conclusie luidt dat de Woonbond ontvankelijk is in de vordering over het eerste tijdvak (vordering I), zodat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling (rov. 5.11, eerste volzin). De Staat heeft niet aangevoerd dat de Woonbond niet-ontvankelijk is in zijn vordering over het tweede tijdvak (vordering II). 3.14 Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling overweegt het hof, samengevat, het volgende: - Het hof sluit zich aan bij de in de ABRvS-uitspraak neergelegde overwegingen en conclusie over de strijdigheid met art. 67 Awr. Het hof is met de Afdeling van oordeel dat art. 7:252a lid 3 BW in tijdvak I geen duidelijke wettelijke verplichting voor de inspecteur bevatte tot verstrekking van de inkomensgegevens aan verhuurders, zodat de geheimhoudingsplicht van art. 67 Awr onverkort gold. Daarom is in dat tijdvak de gegevensverstrekking in strijd met art. 67 Awr en daarmee onrechtmatig jegens de huurders, ter bescherming van wie de geheimhoudingsplicht van art. 67 Awr strekt. (rov. 5.12, eerste tot en met zesde volzin). - Het voorgaande brengt niet zonder meer mee dat de huurders ook recht hebben op schadevergoeding over tijdvak I, nu niet is uitgesloten dat één van de overige verweren van de Staat (onder meer een causaliteits- en relativiteitsverweer, in verband met het bepaalde in art. 7:252a lid 5 BW) doel treft (rov. 5.12, zevende volzin). - Op grond van art. 67 lid 2 onder a Awr geldt de geheimhoudingsplicht van het eerste lid niet als de wet tot bekendmaking verplicht. Sinds de wetswijziging van 1 april 2016 bevat artikel 7:252a BW (wel) een duidelijke verplichting voor de inspecteur om de inkomensgegevens te verstrekken aan een verhuurder, als deze daarom verzoekt. Vanaf 1 april 2016 (tijdvak II) handelt de Staat daarom niet meer in strijd met de geheimhoudingsplicht van art. 67 Awr en wordt voldaan aan de in de Wbp (en sinds 25 mei 2018: de AVG) genoemde voorwaarden voor rechtmatige gegevensverstrekking (rov. 5.13). - De stelling van de Woonbond dat de gegevensverstrekking ook na 1 april 2016 in strijd met art. 67 Awr is gebleven, omdat het begrip ‘afnemers’ in art. 21 onder f Awr alleen ziet op bestuursorganen en niet op verhuurders, faalt. De regeling rond de Basisregistratie inkomen (BRI), waarop de artikelen 21a tot en met 21f Awr zien, is niet relevant voor deze zaak. Het feit dat die regeling het verstrekken van inkomensgegevens onder voorwaarden toestaat aan bepaalde bestuursorganen, sluit niet uit dat de wetgever de inspecteur ook kan toestaan en verplichten om inkomensverklaringen te verstrekken aan private partijen, zoals verhuurders (rov. 5.14, eerste tot en met achtste volzin). - Art. 21f Awr is evenmin van toepassing, nu in dit geval de inkomensgegevens door de inspecteur rechtstreeks aan de verhuurder worden verstrekt, zodat de bescherming van inkomensgegevens via (de systematiek van) art. 67 Awr verloopt (rov. 5.14, negende volzin). 3.15 Met betrekking tot de proportionaliteit en subsidiariteit van de gegevensverstrekking overweegt het hof dat eveneens faalt de stelling van de Woonbond dat de gegevensverstrekking in strijd is met art. 8 EVRM omdat niet is voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Met de Afdeling is het hof van oordeel dat de wetgever bij de weging van het belang van bescherming van het recht op privéleven van de huurders enerzijds en de belangen van de huurwoningmarkt anderzijds, in redelijkheid tot de gemaakte keuzes heeft kunnen komen (rov. 5.15). 3.16 Met betrekking het privacyrechtelijke doelbindingsbeginsel overweegt het hof: - Het beroep op strijd met het doelbindingsbeginsel in de zin van art. 6 lid 1 onder b Privacyrichtlijn kan niet slagen. Met de invoering van art. 7:252a BW staat vast dat inkomensgegevens mede worden verzameld om voor verhuurders inkomensverklaringen te kunnen opstellen. De gegevens die de inspecteur in dat kader verwerkt, worden dus niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verzameld. Daar komt bij dat die verstrekkingen ook niet onverenigbaar zijn met het in art. 21b Awr genoemde doeleinde van de BRI, te weten afnemers voorzien van inkomensgegevens. Dat doel is breed en verwant aan de hiervoor genoemde doeleinden van de verstrekking van inkomensverklaringen. Ook de aard van de gegevens en de te verwachten gevolgen voor de betrokkene wijzen niet op een schending van het doelbindingsbeginsel (rov. 5.16, derde tot en met tiende volzin). - De AVG brengt op dit punt geen significante wijziging. Voor zover de Woonbond heeft bedoeld te betogen dat de regeling met ingang van 25 mei 2018 in strijd is met de AVG, verwerpt het hof dat betoog dus op dezelfde gronden (rov. 5.16, elfde en twaalfde volzin). - De slotsom is dat sinds 1 april 2016 geen sprake meer is van onrechtmatige gegevensverwerking. De voor dat tijdvak gevraagde verklaring voor recht (vordering II) kan dus niet worden gegeven (rov. 5.17). 3.17 Het hof komt tot de volgende conclusie: - De grieven 1 tot en met 3 (betreffende de ontvankelijkheid in tijdvak I) slagen. De Woonbond is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en de onder I gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar (rov. 5.18, eerste en tweede volzin). - De grieven 4 tot en met 6 (betreffende de onrechtmatigheid in tijdvak II) falen. De onder II gevorderde verklaring voor recht voor het tijdvak ná 1 april 2016 komt niet voor toewijzing in aanmerking (rov. 5.19, derde en vierde volzin). - Omdat de Woonbond zijn vorderingen in appel (deels) heeft gewijzigd, heeft het hof omwille van de duidelijkheid het bestreden vonnis in de procedure tussen de Woonbond en de Staat vernietigd en, opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard dat de Staat vanaf 1 maart 2013 tot 1 april 2016 onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van huurders, door in het kader van inkomensafhankelijke huurverhogingen inkomensverklaringen over huurders af te geven aan verhuurders. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen (rov. 5.19, zevende en achtste volzin). 3.18 In de appelprocedure tegen woningcorporatie Lieven de Key heeft het hof het afwijzende vonnis van de rechtbank bekrachtigd. In dat kader oordeelde het hof onder meer dat de onrechtmatigheid van de gegevensverstrekking in de periode tot 1 april 2016 niet in de weg staat aan rechtsgeldigheid van de inkomensafhankelijke huurprijsverhogingen in diezelfde periode (rov. 5.24-5.25). Het hof overweegt dat ‘niet in geschil is dat de huurverhogingen op zichzelf juist zijn berekend en dat (…) uit de wetsgeschiedenis en de snelle reparatiewetgeving per 1 april 2016 blijkt dat het van meet af aan de bedoeling van de wetgever is geweest om inkomensafhankelijke huurverhogingen mogelijk te maken met gebruikmaking van door de Inspecteur af te geven inkomensverklaringen’ (rov. 5.26, voorlaatste volzin). In de procedure tegen Lieven de Key is geen cassatieberoep ingesteld. 3.19 De Staat heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest, voor zover gewezen in de appelprocedure tegen de Staat (zaaknummer 200.246.295/02). De Woonbond heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Partijen hebben over en weer tot verwerping van elkaars cassatieberoepen geconcludeerd en hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, voor de Staat mede door mr. M.E.A. Möhring. Van de zijde van de Staat is gerepliceerd. De Woonbond heeft van dupliek afgezien. 4Juridisch kader ontvankelijkheid A. Plan van behandeling 4.1 Het principale cassatiemiddel namens de Staat is gericht tegen rov. 5.7 tot en met 5.11 (het ontvankelijkheidsoordeel over tijdvak I) en tegen rov. 5.12 (het onrechtmatigheidsoordeel over tijdvak I). Het incidentele cassatiemiddel namens de Woonbond is gericht tegen rov. 5.4 (de maatstaf voor het ontvankelijkheidsoordeel) en rov. 5.16 (de verwerping van het beroep op strijd met het doelbindingsbeginsel in tijdvak II). 4.2 Ik bespreek hierna eerst het procesrechtelijke beoordelingskader dat de ontvankelijkheidsvraag beheerst (onder B), gevolgd door het privacyrechtelijke stelsel van rechtsbescherming dat bij de beantwoording van die vraag in acht moet worden genomen (onder C). Onder 5 behandel ik het beoordelingskader voor de onrechtmatigheidstoetsing (voor zover in cassatie van belang): de fiscale geheimhoudingsplicht van art. 67 Awr en het doelbindingsbeginsel van art. 6 lid 1 onder b Privacyrichtlijn. Onder 6 behandel ik het juridisch kader voor de verstrekking van inkomensverklaringen op de voet van art. 7:252a BW: de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging en de Reparatiewet, hun totstandkomingsgeschiedenis, de ABRvS-uitspraak en andere relevante rechtspraak. 4.3 Alle onderstrepingen in de hierna opgenomen citaten zijn door mij toegevoegd. B. Het procesrechtelijke beoordelingskader Taakverdeling civiele rechter en bestuursrechter bij toetsing algemeen verbindende voorschriften 4.4 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is de civiele rechter ingevolge art. 112 lid 1 Gw bevoegd om van alle schuldvorderingen kennis te nemen, ook indien deze publiekrechtelijk van aard zijn. Wel dient de eiser of verzoeker door de civiele rechter niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering of verzoek, indien de rechtsgang bij een andere rechter – bijvoorbeeld de strafrechter of de bestuursrechter – ter zake van het geschil ‘voldoende rechtsbescherming’ biedt. In oudere rechtspraak wordt gesproken van een ‘met voldoende waarborgen omklede rechtsgang’. Deze rechtspraak houdt in dat de civiele rechter ‘aanvullende rechtsbescherming’ biedt, voor zover de rechtsgang bij andere rechters tekortschiet. De civiele rechter wordt in dit verband ook wel aangeduid als ‘restrechter’. 4.5 De taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter is onder meer aan de orde in geschillen die betrekking hebben op de rechtmatigheid of verbindendheid van algemeen verbindende voorschriften, zoals in dit geval art. 7:252a (oud) BW. De wetgevende macht wordt ingevolge art. 1:1 lid 2, aanhef en onder a, Awb niet als bestuursorgaan aangemerkt. Voorts kan ingevolge art. 8:3 lid 1, aanhef en onder a, Awb geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift. Een en ander betekent dat de rechtmatigheid en verbindendheid van wet- en regelgeving als zodanig niet ter toetsing aan de bestuursrechter kunnen worden voorgelegd. Wel kan de bestuursrechter bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een besluit in de zin van art. 1:3 Awb de rechtmatigheid van het daaraan ten grondslag liggende algemeen verbindende voorschrift toetsen. Dit wordt exceptieve toetsing genoemd, omdat de onrechtmatigheid meestal bij wijze van verweer (‘exceptie’) door de belanghebbende wordt aangevoerd. 4.6 Als de rechtmatigheid van een algemeen verbindend voorschrift bij wege van exceptieve toetsing door de bestuursrechter kan worden beoordeeld, in het kader van een bestuursrechtelijke procedure over de rechtmatigheid van een besluit, moet de eiser volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in een vordering wegens onrechtmatige wet- of regelgeving bij de civiele rechter niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze rechtspraak berust op de gedachte dat het uit een oogpunt van een ‘behoorlijke taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter’ niet wenselijk is dat tegelijkertijd (of achtereenvolgens) voor beide rechters procedures over de rechtmatigheid en verbindendheid van (dezelfde) algemeen verbindende voorschriften worden gevoerd, met het risico van een verschillende uitkomst. Men spreekt in dat verband ook wel van de specialisatiegedachte. 4.7 De consequentie van deze rechtspraak is dat de belanghebbende in voorkomende gevallen exceptieve toetsing van een algemeen verbindend voorschrift zal moeten uitlokken, door het aanvragen en/of aanvechten van een appellabel besluit, op straffe van niet-ontvankelijkheid van zijn vordering bij de civiele rechter. Op deze grond werd niet-ontvankelijkheid aangenomen in de arresten Staat/Vreemdelingenorganisaties uit 2010 (over de rechtmatigheid van een legesregeling voor de aanvraag van een verblijfsvergunning),Staat/Privacy First uit 2015 (over de rechtmatigheid van een wettelijke verplichting tot het afstaan van vingerafdrukken bij de aanvraag van een paspoort) en SCAU/Universiteiten uit 2016 (over de rechtmatigheid van regelgeving inzake de hoogte van het collegegeld bij inschrijving voor een tweede masterstudie). 4.8 In het arrest SCAU/Universiteiten heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat het zojuist bedoelde ‘uitlok-vereiste’ alleen geldt indien het betrokken voorschrift eerst tot toepassing komt door een besluit dat voor bezwaar en beroep vatbaar is en de belanghebbende derhalve de werking van dat voorschrift uitsluitend ondervindt langs de weg van een daarop gebaseerd besluit. Indien de belanghebbende de werking van het betrokken voorschrift rechtstreeks ondervindt, dus zonder tussenkomst van besluitvorming door een bestuursorgaan, is de belanghebbende in beginsel wél ontvankelijk in een vordering bij de burgerlijke rechter die erop is gericht een oordeel over de verbindendheid of de rechtmatigheid van het voorschrift te verkrijgen, ook indien de mogelijkheid bestaat om ter zake een beslissing van de bestuursrechter te verkrijgen door een voor beroep vatbaar besluit uit te lokken. 4.9 Deze uitzonderingssituatie was aan de orde in het arrest Leenders/Ubbergen uit 1996, betreffende een levensmiddelenhandelaar die de rechtmatigheid van een gemeentelijk ventverbod bestreed. Volgens de Hoge Raad kon, met het oog op ‘een doeltreffende, waarborgen tegen misverstanden biedende regeling van rechtsbescherming tegen de overheid’, niet van deze handelaar worden gevergd dat hij de ‘weinig voor de hand liggende weg’ van het bestuursrecht zou bewandelen, oftewel dat hij zich door doelbewuste schending van het gewraakte verbod zou blootstellen aan het risico van bestuursdwang (of zelfs strafvervolging). Denkbaar is verder dat een bij de civiele voorzieningenrechter ingestelde vordering tot buitenwerkingstelling van een ministeriële regeling of ander algemeen verbindend voorschrift ontvankelijk wordt geacht als die vordering is gebaseerd op generieke gronden (zoals het ontbreken van een deugdelijke wettelijke grondslag). 4.10 De taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter bij de toetsing van algemeen verbindende voorschriften komt er dus op neer dat de bestuursrechtelijke rechtsingang, indien beschikbaar (eventueel na uitlokking van een appellabel besluit), voorrang geniet boven een civiele actie uit onrechtmatige overheidsdaad (de hoofdregel), tenzij de belanghebbende de werking van het desbetreffende voorschrift rechtstreeks ondervindt, in welk geval ook de civiele rechter kan worden geadieerd (de uitzondering). In dat laatste geval wordt dus het risico van tegenstrijdige uitspraken voor lief genomen, omwille van een doeltreffende en waarborgen tegen misverstanden biedende rechtsbescherming als bedoeld in het arrest Leenders/Ubbergen. Overigens wordt in de literatuur gepleit voor inhoudelijke afstemming tussen de bestuursrechtspraak en de civiele rechtspraak over toetsing van algemeen verbindende voorschriften, teneinde mét behoud van een doeltreffende rechtsbescherming toch zoveel mogelijk uitvoering te geven aan de specialisatiegedachte, die aan de hoofdregel ten grondslag ligt. Taakverdeling civiele rechter en bestuursrechter in collectieve acties 4.11 De hiervoor besproken taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter geldt ook in collectieve acties als bedoeld in art. 3:305a BW (waarop de meeste besproken rechtspraak betrekking heeft). Vaste rechtspraak van de Hoge Raad leert namelijk dat, in gevallen waarin de rechtsbescherming van individuele belanghebbenden is opgedragen aan de bestuursrechter, de enkele bundeling van hun belangen door een rechtspersoon niet ertoe kan leiden dat voor die rechtspersoon de weg naar de burgerlijke rechter komt open te staan. Hetzelfde geldt indien een belangenorganisatie behalve voor de gebundelde belangen van een ‘bepaald of bepaalbaar aantal individuele personen’, tevens opkomt voor het algemeen belang van de bescherming van de rechten van een ‘veel grotere groep van personen, die diffuus en onbepaald is’. Een collectief belang dat uitsluitend is afgeleid van individuele belangen die in een bestuursrechtelijke procedure kunnen worden behartigd, komt dus niet voor behartiging op de voet van art. 3:305a BW in aanmerking. 4.12 Een belangenorganisatie is daarentegen onder meer wél ontvankelijk in een collectieve actie bij de burgerlijke rechter, zo overwoog de Hoge Raad in het arrest Staat/Privacy First, indien zij (
- i)opkomt voor belangen van personen die terzake geen rechtsingang hebben bij de bestuursrechter (inclusief de uitzonderingsgevallen waarin het bewandelen van de bestuursrechtelijke weg niet van belanghebbenden kan worden gevergd) of voor zover zij (
- ii)opkomt voor een eigen belang waarvoor zij geen rechtsingang heeft bij de bestuursrechter. De onder (
- i)bedoelde situatie deed zich voor in het arrest Staat/VAJN en NJCM uit 2004. Daarin is geoordeeld dat de Vereniging voor Asieladvocaten en -Juristen Nederland (VAJN) en het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) in een civiele procedure konden opkomen tegen vreemdelingenrechtelijke regelgeving en dat de bestuursrechtelijke rechtsingang voor individuele asielzoekers daaraan niet in de weg stond, omdat (zo verduidelijkte de Hoge Raad in Staat/Privacy First) VAJN en NJCM mede opkwamen voor de gebundelde belangen van advocaten die vreemdelingen bijstaan, voor welke belangen geen bestuursrechtelijke rechtsingang bestond. 4.13 De rechtspraak over de taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter bij de toetsing van algemeen verbindende voorschriften in collectieve acties is in de literatuur bekritiseerd. De kern van de kritiek is dat, waar de civiele rechter slechts beperkt toegang biedt aan belangenorganisaties, de bestuursrechter algemeen verbindende voorschriften slechts marginaal toetst. In verband hiermee wordt gepleit voor versterking van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen algemeen verbindende voorschriften. Afgezien van deze bestuursrechtelijk georiënteerde kritiek is er ook kritiek op de manier waarop de Hoge Raad in civiele zaken de ‘uitlok-eis’ heeft toepast. Met name het arrest SCAU/Universiteiten is bekritiseerd. Volgens sommige auteurs heeft de Hoge Raad daarin teveel van studenten gevergd, door de eis te stellen dat zij zich inschrijven voor een tweede studie met verschuldigdheid van het gewraakte collegegeld tot gevolg, op straffe van niet-ontvankelijkheid van een collectieve actie bij de civiele rechter over de rechtmatigheid van die regeling. C. Het privacyrechtelijke stelsel van rechtsbescherming Gegevensbescherming op grond van de Wbp en de AVG 4.14 Het gaat in deze zaak om de vraag of voor de achterban van de Woonbond een bestuursrechtelijke rechtsingang open heeft gestaan die voldoende rechtsbescherming biedt tegen de beweerdelijk onrechtmatige verstrekking van inkomensverklaringen door de Belastingdienst op de voet van art. 7:252a BW. Niet ter discussie staat dat deze inkomensverklaringen persoonsgegevens in de zin van de Wbp en de AVG bevatten (namelijk inkomens- en adresgegevens van huurders). Tegen deze achtergrond zal ik nu het stelsel van rechtsbescherming op grond van de Wbp en de AVG bespreken. 4.15 De privacyrechtelijke discussie heeft in de feitelijke instanties vooral in de sleutel van de Wbp gestaan, aangezien deze procedure vóór het van toepassing worden van de AVG op 25 mei 2018 is aangevangen. Zoals het hof in rov. 1.8 met juistheid (en onbestreden in cassatie) heeft vastgesteld, dienen verwerkingen van persoonsgegevens tot die datum te worden getoetst aan de bepalingen van de Wbp. Dit betekent dat tijdvak I (vóór de Reparatiewet) door de Wbp wordt beheerst en tijdvak II (ná de Reparatiewet) gedeeltelijk door de Wbp (voor verstrekkingen vanaf 1 april 2016 tot en met 24 mei 2018) en gedeeltelijk door de AVG (voor verstrekkingen vanaf 25 mei 2018). 4.16 Het onderscheid tussen de Wbp en de AVG is overigens van geringe betekenis voor deze zaak, omdat de materiële normen voor de verwerking van persoonsgegevens in grote lijnen gelijk zijn gebleven. Wel is de rechtspositie van rechthebbenden op verschillende punten versterkt, onder meer in het kader van het nog te bespreken recht op vergetelheid (art. 17 AVG). In navolging van het hof zal ik de Wbp voorop stellen (met vermelding van de corresponderende AVG-bepalingen tussen haakjes), en waar nodig aandacht besteden aan relevante verschillen tussen het oude en het nieuwe recht. De Privacyrichtlijn zal ik alleen aanstippen voor zover van belang voor een goed begrip van de Wbp-bepalingen (en voor zover onderdeel 2 van het incidentele cassatiemiddel daar een beroep op doet). De verwerkingsgronden (art. 8 Wbp en 6 lid 1 AVG) 4.17 In art. 8 Wbp was limitatief omschreven op welke gronden persoonsgegevens kunnen worden verwerkt. Deze verwerkingsgronden (afkomstig uit art. 7 Privacyrichtlijn) zijn vrijwel ongewijzigd overgenomen in art. 6 lid 1 AVG. Voor deze zaak zijn met name de c-grond (wettelijke verplichting), de e-grond (publiekrechtelijke taak) en de f-grond (behartiging van gerechtvaardigde belangen) van belang. Ik citeer art. 8 Wbp in zijn geheel, met onderstreping van de relevante verwerkingsgronden: “Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien: a. de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend; b. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of voor het nemen van precontractuele maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene en die noodzakelijk zijn voor het sluiten van een overeenkomst; c. de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is; d. de gegevensverwerking noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene; e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.” 4.18 Een wettelijke verplichting in de zin van de c-grond behoefde (en behoeft) geen expliciete opdracht tot de gegevensververwerking te bevatten. Wel werd de eis gesteld dat de wettelijke verplichting voldoende duidelijk is wat de voorgeschreven verwerking van persoonsgegevens betreft, zo blijkt uit de ‘Legitimate interest opinion’ van de zogeheten Artikel 29-Groep van vertegenwoordigers van de nationale privacyautoriteiten, ingesteld op grond van art. 29 van de Privacyrichtlijn. Thans is dit duidelijkheidsvereiste – dat zijn oorsprong vindt in de rechtspraak van het EHRM over art. 8 lid 2 EVRM – uitgewerkt in punt 41 van de considerans van de AVG, dat luidt: “
(41)Wanneer in deze verordening naar een rechtsgrond of een wetgevingsmaatregel wordt verwezen, vereist dit niet noodzakelijkerwijs dat een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling nodig is, onverminderd de vereisten overeenkomstig de grondwettelijke orde van de lidstaat in kwestie. Deze rechtsgrond of wetgevingsmaatregel moet evenwel duidelijk en nauwkeurig zijn, en de toepassing daarvan moet voorspelbaar zijn voor degenen op wie deze van toepassing is, zoals vereist door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie („Hof van Justitie”) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.” 4.19 Voor toepassing van de e-grond was (en
- is)géén vereiste dat de gegevensverwerking plaatsvindt krachtens een wettelijke verplichting. Wel was (en
- is)vereist dat de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een publiekrechtelijke taak én dat die taakvervulling berust op een wettelijke grondslag. Deze wettelijke grondslag moet voldoen aan dezelfde vereisten als een wettelijke verplichting in de zin van de c-grond (duidelijkheid, nauwkeurigheid en voorspelbaarheid). Evenals de c-grond biedt de e-grond geen zelfstandige grondslag voor de gegevensverwerking: de e-grond omschrijft alleen waaraan een elders gevonden grondslag (een wettelijk verankerde publiekrechtelijke taak) moet voldoen. Kenmerkend voor de e-grond is dat deze een zekere beoordelingsruimte aan de verwerkingsverantwoordelijke overlaat: hij is niet verplicht, maar uit hoofde van zijn publieke taak wel bevoegd tot de gegevensverwerking. De e-grond fungeert, in elk geval naar huidig recht, als een soort vangnet voor de overheid: voor zover de c-grond toepassing mist, zal in de regel de e-grond toepasselijk zijn op gegevensverwerkingen door de overheid. De e-grond vertoont in dit opzicht gelijkenissen met de f-grond. 4.20 De ruim omschreven f-grond (behartiging van gerechtvaardigde belangen) wordt van oudsher als ‘restgrond’ betiteld. De f-grond geldt echter naar huidig recht (ingevolge art. 6 lid 1 onder f, tweede volzin, AVG) níet voor de verwerking van persoonsgegevens door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken (zoals in dit geval de verstrekking van inkomensverklaringen door de Belastingdienst). Hoewel onder het regime van de Privacyrichtlijn en de Wbp overheidsinstanties níet met zoveel woorden waren uitgesloten van de f-grond, werd ook toen al aangenomen dat de f-grond vooral voor gegevensverwerkingen in de private sector is bedoeld, aangezien overheidsinstanties in beginsel alleen persoonsgegevens mogen verwerken in het kader van de uitoefening van hun wettelijk omschreven taken en bevoegdheden. 4.21 Voor een gegevensverwerking die noodzakelijk is ter voldoening van een wettelijke verplichting van een derde (zoals in dit geval de verplichting van verhuurders in de sociale huursector om een inkomensverklaring te voegen bij een voorstel voor inkomensafhankelijke huurverhoging), biedt de c-grond geen grondslag, omdat die vereist dat de verwerkingsverantwoordelijke (in dit geval de inspecteur) zélf is onderworpen aan een wettelijke verplichting die tot de gegevensverwerking noodzaakt. De f-grond kan in beginsel wél een grondslag bieden voor een zodanige gegevensverwerking, maar is als gezegd naar huidig recht niet toepasselijk op (en naar oud recht minder geschikt voor) gegevensverwerking door de overheid. De e-grond lijkt voor overheden de aangewezen grondslag voor een gegevensverwerking die noodzakelijk is ter voldoening van een wettelijke verplichting van een derde. 4.22 Onder het oude recht was niet geheel duidelijk of de e-grond voor overheden een grondslag kon bieden voor gegevensverstrekking aan derden ter uitvoering van een publiekrechtelijke taak. Art. 8 onder e Wbp suggereerde op het eerste gezicht van niet, nu daarin werd gesproken over een gegevensverwerking die noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt. Art. 7 onder e van de Privacyrichtlijn sprak (ogenschijnlijk ruimer) over ‘de vervulling van een taak van algemeen belang of (…) de uitoefening van het openbaar gezag die aan de voor de verwerking verantwoordelijke of de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, (…) is opgedragen’. Tegen deze achtergrond heeft Overkleeft-Verburg in haar annotatie bij de ABRvS-uitspraak betoogd ‘dat bij de implementatie van de e-grond in de Wbp de aan de derde-ontvanger gestelde eisen zijn opgehoogd via het vereiste van het zijn van bestuursorgaan’. 4.23 Of dat werkelijk zo is vraag ik me af. Art. 8 onder e Wbp bood een grondslag voor iedere ‘gegevensverwerking’ – dus ook een verstrekking, aan wie dan ook – die noodzakelijk is ter uitvoering van een publiekrechtelijke taak. De toevoeging ‘door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt’, stelde buiten twijfel dat de publiekrechtelijke taak ook kon dienen als grondslag voor de ontvangst van persoonsgegevens dóór een bestuursorgaan ván een voor de verwerking verantwoordelijke derde. Met deze toevoeging werden dus geen extra eisen gesteld aan de derde-ontvanger, maar werd de derde-verstrekker onder het bereik van de e-grond gebracht, in lijn met de tekst van art. 7 onder e van de Privacyrichtlijn. Art. 6 lid 1 onder e AVG spreekt thans van een verwerking die noodzakelijk is voor ‘de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen’. Deze formulering bevestigt dat aan de verwerkingsverantwoordelijke de eis wordt gesteld dat hij een publieke taak uitoefent. Bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen gegevensverwerking 4.24 Het onderscheid tussen de zojuist besproken verwerkingsgronden is in deze zaak mede van belang voor de vraag welke rechtsmiddelen de rechthebbende ten dienste staan (en daarmee indirect voor de ontvankelijkheidsvraag die in deze cassatieprocedure voorligt). Voor deze zaak zijn met name twee rechtsmiddelen van belang. Ten eerste het recht op (onder meer) verwijdering en afscherming van persoonsgegevens (art. 36 Wbp), thans ook ‘gegevenswissing’ of ‘vergetelheid’ genoemd (art. 17 AVG), hierna: recht op gegevenswissing. Ten tweede het recht van verzet (art. 40 Wbp), thans ‘bezwaar’ geheten (art. 21 AVG), hierna: recht van verzet. 4.25 De procesrechtelijke inbedding van voornoemde rechtsmiddelen was geregeld in hoofdstuk 8 van de Wbp (art. 45 e.v.). Thans bepaalt art. 79 lid 1 AVG dat rechthebbenden het recht hebben een ‘doeltreffende voorziening in rechte’ in te stellen ter zake van een vermeende schending van de AVG. Ter uitwerking hiervan zijn in de Uitvoeringswet AVG (UAVG) procesrechtelijke voorzieningen getroffen, die grotendeels aansluiten bij het stelsel van rechtsbescherming onder de Wbp. 4.26 Art. 45 Wbp bepaalde dat een beslissing op een verzoek als bedoeld in art. 36 Wbp en een beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in art. 40 Wbp, voor zover genomen door een bestuursorgaan, golden als appellabele besluiten in de zin van de Awb. Art. 34 UAVG bepaalt thans hetzelfde voor de beslissing op een verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 AVG, waaronder een beslissing op een verzoek om gegevenswissing (art. 17 AVG) of een bezwaar (art. 21 AVG). 4.27 De rechtsbescherming op grond van de Wbp en de AVG tegen gegevensverwerkingen door bestuursorganen (in dit geval de inspecteur) was en is dus gesitueerd in de bestuursrechtelijke kolom. Ik ga nu nader in op het niveau van rechtsbescherming dat de twee genoemde bestuursrechtelijke rechtsmiddelen de rechthebbende bieden. Het recht van verzet en bezwaar (art. 40 Wbp en 21 AVG) 4.28 Het recht van verzet (thans bezwaar geheten) is voor de praktijk het meest laagdrempelige rechtsmiddel. Dit rechtsmiddel stond en staat de rechthebbende alleen ten dienste indien de gegevensverwerking berust op de e-grond (een publieke taak) of de f-grond (behartiging van gerechtvaardigde belangen). Ik citeer de desbetreffende bepalingen met de bijbehorende overwegingen uit de considerans: Punt 45 considerans Privacyrichtlijn: “
(45)Overwegende dat wanneer gegevens het voorwerp kunnen uitmaken van een rechtmatige verwerking op grond van een algemeen belang, de uitoefening van het openbaar gezag of het rechtmatig belang van een persoon, iedere betrokkene evenwel het recht dient te hebben om zich op grond van zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die met zijn specifieke situatie verband houden tegen verwerking van hem betreffende gegevens te verzetten; dat de lidstaten evenwel de mogelijkheid hebben andersluidende nationale bepalingen vast te stellen.” Art. 14 Privacyrichtlijn: “De lidstaten kennen de betrokkene het recht toe:
- a)zich ten minste in de gevallen, bedoeld in artikel 7, onder
- e)en f), te allen tijde om zwaarwegende en gerechtvaardigde redenen die verband houden met zijn bijzondere situatie ertegen te verzetten dat hem betreffende gegevens het voorwerp van een verwerking vormen, behoudens andersluidende bepalingen in de nationale wetgeving. In geval van gerechtvaardigd verzet mag de door de voor de verwerking verantwoordelijke persoon verrichte verwerking niet langer op deze gegevens betrekking hebben; Art. 40 lid 1 Wbp: “Indien gegevens het voorwerp zijn van verwerking op grond van artikel 8, onder e en f, kan de betrokkene daartegen bij de verantwoordelijke te allen tijde verzet aantekenen in verband met zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden.” Punt 69 considerans AVG: “
(69)Wanneer persoonsgegevens rechtmatig mogen worden verwerkt omdat de verwerking nodig is ter vervulling van een taak van algemeen belang of in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend, dan wel op grond van de gerechtvaardigde belangen van een verwerkingsverantwoordelijke of een derde, dient een betrokkene niettemin bezwaar te kunnen maken tegen de verwerking van gegevens die op zijn specifieke situatie betrekking hebben. De verwerkingsverantwoordelijke moet aantonen dat zijn dwingende gerechtvaardigde belangen wellicht zwaarder wegen dan de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene.” Art. 21 lid 1 AVG: “De betrokkene heeft te allen tijde het recht om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6, lid 1, onder
- e)of f), van artikel 6, lid 1, met inbegrip van profilering op basis van die bepalingen. De verwerkingsverantwoordelijke staakt de verwerking van de persoonsgegevens tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.” 4.29 Uit deze bepalingen blijkt van een aantal kenmerken van het recht van verzet. (
- i)Het verzet is, om te beginnen, hoogstpersoonlijk van aard. Verzet kan alleen worden ingesteld in verband met ‘bijzondere persoonlijke omstandigheden’ aan de zijde van de rechthebbende (art. 40 lid 1 Wbp), respectievelijk vanwege ‘met zijn specifieke situatie verband houdende redenen’ (art. 21 lid 1 AVG). (
- ii)Het verzet heeft (om diezelfde reden) een zuiver casuïstisch karakter. Het rechtsmiddel noopt de verwerkingsverantwoordelijke tot een belangenafweging (zoals art. 21 lid 1 AVG expliciteert), op grond van de actuele persoonlijke situatie van de rechthebbende. (iii) Het verzet staat (naar zijn aard) alleen open tegen een rechtmatige gegevensverwerking, immers een gegevensverwerking die berust op de e-grond (een publieke taak) of de f-grond (behartiging van een gerechtvaardigd belang). (
- iv)Het verzet heeft (bijgevolg) een louter toekomstgericht karakter. Honorering van het verzet betekent niet dat de aangevochten gegevensverwerking in het verleden onrechtmatig is geweest, maar uitsluitend dat zij in de toekomst moet worden gestaakt (zoals art. 14 onder a van de Privacyrichtlijn expliciteert met de woorden ‘niet langer’). De memorie van toelichting bij art. 40 Wbp vermeldde dienovereenkomstig dat het artikel zich richt op ‘een rechtmatige gegevensverwerking, die pas onrechtmatig wordt nadat de betrokkene op grond van een bijzondere situatie verzet aantekent en dit verzet gerechtvaardigd wordt geacht’. In verband hiermee wordt het recht van verzet in de literatuur ook wel ‘blokkeringsrecht’ genoemd. (
- v)Gegrondbevinding van het verzet leidt (dus) niet tot schadeplichtigheid van de verwerkingsverantwoordelijke. Het verzet noopt enkel tot een heroverweging van de gegevensverwerking voor de toekomst. De te beantwoorden vraag is of de verwerking wegens bijzondere, bijkomende omstandigheden moet worden beëindigd. 4.30 Samengevat kan het recht van verzet worden getypeerd als een hoogstpersoonlijk recht op een casuïstische heroverweging van een in beginsel rechtmatige gegevensverwerking, zonder terugwerkende kracht. Voor een dergelijke heroverweging is alleen plaats indien en voor zover de verwerkingsverantwoordelijke over beoordelingsruimte beschikt. Vandaar dat tegen een gegevensverwerking op de c-grond (een wettelijke verplichting) geen verzet openstaat. Het recht op gegevenswissing en vergetelheid (art. 36 Wbp en 17 AVG) 4.31 Het recht op gegevenswissing (thans ook ‘vergetelheid’ genoemd) is in de AVG gedeeltelijk anders geregeld dan in de Wbp. Ik citeer de desbetreffende bepalingen: Art. 36 lid 1 Wbp: “Degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.” Art. 17 lid 1 AVG: “De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is: (…);
- c)de betrokkene maakt overeenkomstig artikel 21, lid 1, bezwaar tegen de verwerking, en er zijn geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, of de betrokkene maakt bezwaar tegen de verwerking overeenkomstig artikel 21, lid 2;
- d)de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt; (…)” Art. 17 lid 3 AVG: “De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is: (…)
- b)voor het nakomen van een in het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend; (…).” 4.32 Uit deze bepalingen blijkt dat het recht op vergetelheid naar huidig recht deels in het verlengde ligt van het recht van bezwaar: een succesvol bezwaar leidt in beginsel tevens tot een aanspraak op gegevenswissing (art. 17 lid 1 onder c AVG). Het recht op vergetelheid is naar huidig recht echter níet van toepassing als de verwerking op de c-grond of op de e-grond berust (art. 17 lid 3 AVG). De achterliggende gedachte is dat het rechtmatig moet zijn om persoonsgegevens langer te bewaren wanneer dat noodzakelijk is voor de nakoming van een wettelijke verplichting of de uitoefening van een publieke taak. 4.33 Onder het oude recht stond het recht op gegevenswissing de rechthebbende ten dienste in alle gevallen waarin de te verwijderen of af te schermen gegevens feitelijk onjuist of onvolledig waren, dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift waren verwerkt (art. 36 lid 1 Wbp). Hieruit blijkt dat dit rechtsmiddel een andere functie vervulde dan het recht van verzet. Een verzoek om gegevenswissing strekte niet (zoals verzet) tot een casuïstische heroverweging van een in beginsel rechtmatige gegevensverwerking, maar tot een categorische beëindiging van een onrechtmatige gegevensverwerking. Die functie vervult het rechtsmiddel vandaag de dag nog steeds, nu art. 17 lid 1 onder d AVG wissing van persoonsgegevens mogelijk maakt op de grond dat die ‘onrechtmatig verwerkt’ zijn. 4.34 Gelet op het voorgaande lijkt naar oud recht een verzoek om gegevenswissing op de voet van art. 36 Wbp de meest voor de hand liggende bestuursrechtelijke route voor het aanvechten van een beweerdelijk onrechtmatige verstrekking van inkomensverklaringen. Ook de rechtspraak van de Afdeling gaat (inmiddels) hiervan uit (zie hierna, 6.42). Onder het regime van de AVG lijkt het corresponderende art. 17 AVG op het eerste gezicht niet voor toepassing op deze situatie in aanmerking te komen, althans indien men aanneemt dat de verstrekking van inkomensverklaringen op de e-grond berust (zoals hiervoor bepleit in 4.20 en 4.21). Gegevensverwerkingen op de c-grond en de e-grond zijn immers uitgesloten van het recht op vergetelheid (art. 17 lid 3 AVG). Men bedenke echter dat die uitsluiting pas aan de orde komt nadat is vastgesteld dat de betreffende verwerkingsgrond zich voordoet. Als de belanghebbende het standpunt inneemt dat van meet af aan een wettelijke grondslag voor de verwerking heeft ontbroken (zodat noch de c-grond, noch de e-grond voor toepassing in aanmerking komt), kan hij aanspraak maken op gegevenswissing op de grond dat de persoonsgegevens ‘onrechtmatig verwerkt’ zijn in de zin van art. 17 lid 1 onder d AVG. 5Juridisch kader onrechtmatigheid A. Fiscaalrechtelijk beoordelingskader De fiscale geheimhoudingsplicht (art. 67 Awr) 5.1 Art. 67 Awr bevat (sinds 1 januari 2008) de volgende regeling van de fiscale geheimhoudingsplicht: “1. Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht). 2. De geheimhoudingsplicht geldt niet indien: a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht; b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan; c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. 3. In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid kan Onze Minister ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht. 5.2 Vóór 1 januari 2008 was het eerste lid (de geheimhoudingsplicht) materieel gelijkluidend, maar voorzag het tweede lid (het uitzonderingsregime) uitsluitend in de mogelijkheid van ministeriële ontheffingen. Over dat ontheffingenstelsel was kritisch gerapporteerd door de Registratiekamer – de voorganger van het College bescherming persoonsgegevens, thans de Autoriteit Persoonsgegevens. Deze concludeerde dat het ontheffingenstelsel ‘geen adequate wettelijke grondslag is voor de verstrekking van persoonsgegevens door de Belastingdienst’. Met de invoering van art. 67 Awr in zijn huidige vorm heeft de wetgever deze kritiek willen adresseren. De memorie van toelichting vermeldt: “Met de nu voorgestelde wijziging van de geheimhoudingsplicht, waarin de reikwijdte van het ontheffingenstelsel wordt beperkt, zal sprake zijn van een duidelijke en meer transparante wettelijke regeling inzake gegevensverstrekking door de Belastingdienst die beantwoordt aan de nationale en internationale normen van privacybescherming. De regeling zal hiermee voldoen aan de door de Registratiekamer verwoorde vereisten, te weten: a. de wet is voldoende specifiek; b. de wetgever gaat in op de noodzaak van gegevensverstrekking in verband met bepaalde maatschappelijke belangen; c. de rol van de Belastingdienst is duidelijk in het kader van de verwantschap in taken en verantwoordelijkheden; d. op hoofdlijnen wordt invulling gegeven aan het gegevensverkeer; e. ten aanzien van de verstrekkingen wordt zo veel mogelijk openheid betracht. Hierna wordt op deze vereisten ingegaan.” 5.3 De betekenis en de doelstelling van de geheimhoudingsplicht (het eerste lid) zijn in de memorie van toelichting als volgt omschreven: “Gelet op de ruime wettelijke bevoegdheden die de Belastingdienst heeft om, soms privacy-gevoelige, informatie over belastingplichtigen te verzamelen, is de betekenis van de geheimhoudingsplicht groot. Naast het algemene belang van bescherming van persoonsgegevens gaat het om het belang dat personen niet van het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst moeten worden weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwet.” Deze doelstelling is ontleend aan een beschikking van de Hoge Raad uit 1991. 5.4 Met betrekking tot de uitzonderingsgronden (het tweede lid) vermeldt de memorie van toelichting: “In de voorgestelde regeling is duidelijk aangegeven in welke gevallen de fiscale geheimhoudingsplicht niet geldt. Daardoor is sprake van een veel beperkter ontheffingenstelsel dan onder de huidige regeling van toepassing is. Naast bekendmaking van gegevens over de belastingplichtige zelf die door of namens de belastingplichtige al eerder zijn verstrekt, zal gegevensverstrekking in het merendeel van de gevallen gebaseerd zijn op een wettelijk voorschrift of op een ministeriële regeling en slechts in een relatief beperkt aantal gevallen op een ontheffing van de Minister van Financiën. Dit alles maakt de wettelijke regeling voldoende specifiek.” 5.5 Toegespitst op de uitzonderingsgrond van art. 67 lid 2 onder a Awr wees de wetgever op de groeiende betekenis van de rol van de Belastingdienst bij de verstrekking van inkomensgegevens uit de (destijds nog in ontwikkeling zijnde) Basisregistratie inkomen (BRI). In dat kader wees de wetgever ook op de mogelijkheid van doorlevering van inkomensgegevens aan derden, niet-bestuursorganen: “Bestuursorganen kunnen de van de Belastingdienst ontvangen informatie gebruiken ter verificatie van de door hen zelf verkregen gegevens maar ook voor direct gebruik. De heersende gedachte wordt steeds sterker dat burgers dezelfde gegevens niet vaker dan eenmaal aan de overheid hoeven te verstrekken. Die gedachte is ook een belangrijk uitgangspunt bij de invoering van basisregistraties. De bestuursorganen mogen de van de Belastingdienst afkomstige gegevens doorleveren aan andere bestuursorganen indien een wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Voor doorlevering aan derden, niet-bestuursorganen, is tevens vereist dat een wettelijke bepaling de mogelijkheid van doorlevering aan de desbetreffende derden biedt.” 5.6 De formulering ‘dat een wettelijke bepaling de mogelijkheid van doorlevering aan de desbetreffende derden biedt’, suggereert dat voor doorlevering aan derden minder strenge eisen gelden dan voor doorlevering aan bestuursorganen, waarvoor volgens het citaat slechts plaats is indien een wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Aan te nemen valt (mede gelet op het woord ‘tevens’) dat in beide situaties moet zijn voldaan aan het vereiste van een wettelijk voorschrift als bedoeld in art. 67 lid 2 onder a Awr (of één van de andere in die bepaling genoemde uitzonderingen). Het stelsel van doorlevering van inkomensgegevens uit de BRI (art. 21 e.v. Awr) maakt wél doorlevering krachtens een bij wet verleende bevoegdheid mogelijk, maar is alleen van toepassing op doorlevering aan bestuursorganen. 5.7 Met het oog op de in deze zaak voorliggende problematiek van een aanvankelijk impliciete wettelijke verplichting tot gegevensverstrekking wijs ik nog op de volgende passage uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 67 Awr, waar de minister suggereerde dat een wettelijk recht op gegevensverstrekking (zoals – mogelijkerwijs – het recht van verhuurders op verstrekking van inkomensverklaringen door de Belastingdienst) gelijkgesteld kan worden met een wettelijke plicht tot gegevensverstrekking als bedoeld in art. 67 lid 2 onder a Awr: “Ingeval een belanghebbende een wettelijk recht heeft om gegevens van de Belastingdienst te ontvangen, en de Belastingdienst daarmee een plicht heeft om deze gegevens te verstrekken, geldt de geheimhoudingsplicht niet. Dit is verwoord in het voorgestelde tweede lid, onderdeel a, van de geheimhoudingsbepalingen.” De Basisregistratie inkomen (art. 21 e.v. Awr) en het doorleveringsverbod (art. 21f Awr) 5.8 Hoofdstuk IVA van de Awr bevat (sinds 1 januari 2009) een regeling van de BRI. Dit betreft een door de Belastingdienst beheerde basisregistratie die andere overheidsorganisaties – momenteel: het CAK, de Raad voor de rechtsbijstand, Belastingdienst/Toeslagen en DUO – kunnen gebruiken om inkomensgegevens van cliënten te raadplegen. De in de BRI opgenomen inkomensgegevens zijn gegevens over het verzamelinkomen en het belastbare loon van belastingplichtigen (art. 21a lid 1 jo. 21 sub e Awr). Ook de in art. 7:252a lid 3 BW bedoelde inkomensverklaring wordt gebaseerd op gegevens uit de BRI, zo blijkt ook uit art. 7:252a lid 4 BW, waarvan de derde volzin als volgt luidt: “Indien geen inkomensgegeven in de basisregistratie inkomen beschikbaar is, vermeldt de verklaring dat dat het geval is.” 5.9 Art. 21b Awr bepaalt dat de basisregistratie tot doel heeft ‘de afnemers te voorzien van inkomensgegevens’. Art. 21 onder f Awr definieert het begrip ‘afnemer’ als een ‘bestuursorgaan dat op grond van een wettelijk voorschrift bevoegd is tot gebruik van een inkomensgegeven’. Deze beperking tot bestuursorganen houdt – uiteraard – verband met de privacygevoeligheid van de inkomensgegevens uit de BRI. De wetgever heeft in dit verband ook gewezen op de geheimhoudingsplicht van art. 67 Awr en opgemerkt dat de meeste afnemers de gegevens uit de BRI zullen gebruiken voor de uitvoering van een inkomensafhankelijke regeling: “De BRI is gezien de privacygevoeligheid van het authentieke inkomensgegeven en de geheimhoudingsplicht die er op grond van artikel 67 op rust een gesloten registratie en alleen beschikbaar voor daartoe bevoegde bestuursorganen. In verband hiermee is het begrip «afnemer» gedefinieerd als: een bestuursorgaan dat op grond van een wettelijk voorschrift bevoegd is tot gebruik van een inkomensgegeven. Het gebruik en de verstrekking van het privacygevoelige inkomensgegeven vergt een wettelijke basis omdat in dat geval tenminste bij de totstandkoming van de wettelijke regeling de voor- en nadelen en mogelijke risico’s voor de privacy onder ogen zijn gezien. Bij de besluitvorming over de toepassing van het authentieke inkomensgegeven zijn de verschillende belangen dan afgewogen. De meeste afnemers zullen het authentieke inkomensgegeven gebruiken voor de uitvoering van een inkomensafhankelijke regeling. Het CBS is daarentegen een afnemer die de gegevens voor statistische doeleinden gebruikt.” 5.10 Art. 21f Awr bevat, als verlengstuk van de fiscale geheimhoudingsplicht, een doorleveringsverbod, dat ertoe strekt te waarborgen dat de door de Belastingdienst verstrekte inkomensgegevens uit de BRI alleen worden gebruikt door daartoe bevoegde bestuursorganen en dat er geen informatie ‘weglekt’. Het artikel luidt: “1. Een afnemer gebruikt een inkomensgegeven uitsluitend bij de uitoefening van een op grond van een wettelijk voorschrift verleende bevoegdheid tot gebruik van dit gegeven. 2. Een afnemer is niet bevoegd een inkomensgegeven verder bekend te maken dan noodzakelijk voor de uitoefening van de hem verleende bevoegdheid. 5.11 Het wettelijk stelsel van de verstrekking van inkomensgegevens uit de BRI kan worden beschouwd als een uitzondering op de geheimhoudingsplicht van art. 67 lid 1 Awr. Deze uitzondering vindt haar grondslag in een wettelijk voorschrift als bedoeld in art. 67 lid 2 onder a Awr, namelijk art. 21g Awr, dat de afnemers verplicht tot het gebruik van inkomensgegevens uit de BRI, voor zover zij een op grond van een wettelijk voorschrift verleende ‘bevoegdheid tot gebruik’ van het inkomensgegeven uitoefenen (als bedoeld in art. 21 onder f en 21f lid 1 Awr). Het verstrekkingenregime van de BRI verruimt dus de fiscale gegevensverstrekking, en snoert die niet verder in dan art. 67 Awr doet. B. Privacyrechtelijk beoordelingskader: doelbindingsbeginsel en verdere verwerking 5.12 De privacyrechtelijke discussie spitst zich in dit geding, voor zover in cassatie nog van belang, toe op het doelbindingsbeginsel en op de daarmee samenhangende regels inzake verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden dan die waarvoor zij oorspronkelijk zijn verkregen (hierna ook: verdere verwerking). Het doelbindingsbeginsel en de regels inzake verdere verwerking waren verankerd in art. 6 lid 1 Privacyrichtlijn en art. 9 Wbp. Thans zijn zij te vinden in art. 5 lid 1 en 6 lid 4 AVG. Ik citeer weer de voor dit geding relevante bepalingen: Art. 6 lid 1 Privacyrichtlijn: “De lidstaten bepalen dat de persoonsgegevens:
- a)(…);
- b)voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden moeten worden verkregen en vervolgens niet worden verwerkt op een wijze de onverenigbaar is met die doeleinden. Verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden wordt niet als onverenigbaar beschouwd, mits de lidstaten passende garanties bieden; (…)” Art. 9 Wbp: “1. Persoonsgegevens worden niet verder verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen. 2. Bij de beoordeling of een verwerking onverenigbaar is als bedoeld in het eerste lid, houdt de verantwoordelijke in elk geval rekening met: a. de verwantschap tussen het doel van de beoogde verwerking en het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen; b. de aard van de betreffende gegevens; c. de gevolgen van de beoogde verwerking voor de betrokkene; d. de wijze waarop de gegevens zijn verkregen en e. de mate waarin jegens de betrokkene wordt voorzien in passende waarborgen. (…) 4. De verwerking van persoonsgegevens blijft achterwege voor zover een geheimhoudingsplicht uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift daaraan in de weg staat.” Art. 5 lid 1 AVG: “1. “1. Persoonsgegevens moeten: “1.
- a)(…); “1.
- b)voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd („doelbinding”); (…). “1. Art. 6 lid 4 AVG: “1. “Wanneer de verwerking voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld niet berust op toestemming van de betrokkene of op een Unierechtelijke bepaling of een lidstaatrechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23, lid 1, bedoelde doelstellingen houdt de verwerkingsverantwoordelijke bij de beoordeling van de vraag of de verwerking voor een ander doel verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld onder meer rekening met: “1.
- a)ieder verband tussen de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, en de doeleinden van de voorgenomen verdere verwerking; “1.
- b)het kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameld, met name wat de verhouding tussen de betrokkenen en de verwerkingsverantwoordelijke betreft; “1.
- c)de aard van de persoonsgegevens, met name of bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt, overeenkomstig artikel 9, en of persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten worden verwerkt, overeenkomstig artikel 10; “1.
- d)de mogelijke gevolgen van de voorgenomen verdere verwerking voor de betrokkenen; “1.
- e)het bestaan van passende waarborgen, waaronder eventueel versleuteling of pseudonimisering.” 5.13 De hoofdregel is, zowel onder het oude als onder het nieuwe recht, dat verdere verwerking is toegestaan, dus dat persoonsgegevens voor andere doeleinden mogen worden gebruikt dan die waarvoor zij oorspronkelijk zijn verkregen, mits de verdere verwerking niet onverenigbaar is met die oorspronkelijke doeleinden (hierna ook: de verenigbaarheidseis). Op grond van deze hoofdregel is verdere verwerking voor verenigbare doeleinden dus zonder meer geoorloofd, ook als voor die verdere verwerking geen wettelijke grondslag bestaat. De achterliggende gedachte is dat het gebruik van persoonsgegevens voor een doel dat nauw samenhangt met het doel waarvoor de gegevens oorspronkelijk zijn verzameld, meestal niet op bezwaren stuit, immers doorgaans zal overeenkomen met het verwachtingspatroon van degene om wiens persoonsgegevens het gaat. Verwerking voor onverenigbare doeleinden is daarentegen (om diezelfde reden) slechts onder strikte voorwaarden toegestaan, namelijk alleen met toestemming van de rechthebbende of op basis van een wettelijke regeling waarmee belangrijke doelstellingen van algemeen belang worden nagestreefd (art. 6 lid 4 AVG en punt 50 van de considerans). 5.14 De verenigbaarheidseis moet worden toegepast met inachtneming van een aantal niet-limitatief omschreven gezichtspunten. Deze gezichtspunten waren eertijds verankerd in art. 9 lid 2 Wbp (een bepaling van zuiver nationale origine, zonder equivalent in de Privacyrichtlijn) en zijn thans (geïnspireerd door het ‘Nederlandse model’) in deels herziene bewoordingen opgenomen in art. 6 lid 4 AVG. In de literatuur wordt aangenomen dat, gelet op de zojuist besproken ratio van de verenigbaarheidseis (het verwachtingspatroon van rechthebbenden), de mate van verwantschap tussen de doeleinden (art. 9 lid 2 onder a Wbp en 6 lid 4 onder a AVG) het voornaamste en in de praktijk veelal doorslaggevende gezichtspunt is. 5.15 Waar het gaat om gegevensverwerking voor publieke doeleinden (zoals in dit geval voor de belastingheffing enerzijds en de uitvoering van een inkomensafhankelijke regeling anderzijds) zal doorgaans sprake zijn van een zodanige mate van verwantschap tussen de doeleinden, dat reeds daarom aan de verenigbaarheidseis is voldaan. Steun voor deze gedachtegang is te vinden in de hiervoor in 5.9 geciteerde opmerking in de memorie van toelichting bij art. 21 onder f Awr, inhoudend dat de meeste afnemers gegevens uit de BRI zullen gebruiken voor de uitvoering van een inkomensafhankelijke regeling. Diezelfde gedachtegang komt ook tot uitdrukking in de volgende passage uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 67 Awr (die in de sleutel van de e-grond van art. 8 Wbp stond): “De richtlijn en in navolging daarvan artikel 8, onderdeel e, Wbp laten uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat gegevens gebruikt worden ten behoeve van de publiekrechtelijke taak die door een ander bestuursorgaan wordt verricht. In dat opzicht bestaat er dan ook geen reden de gegevensuitwisseling te beperken tot bestuursorganen die tot taak hebben de uitvoering van inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen. Artikel 9, eerste lid, Wbp bepaalt dat persoonsgegevens niet verder verwerkt mogen worden op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor de gegevens zijn verkregen. Indien persoonsgegevens voor meerdere publiekrechtelijke taken van belang zijn, zal er vaak verwantschap zijn tussen het doel waarvoor de gegevens oorspronkelijk zijn verkregen en het doel van de beoogde verwerking. In dat geval is sprake van verenigbaar gebruik. Ingeval geen sprake is van verwantschap en verenigbaar gebruik, is gegevensverstrekking ten behoeve van de uitvoering van overheidsregelingen meestal toch mogelijk op grond van een of meer van de in artikel 43 Wbp genoemde uitzonderingen op artikel 9.” 6Juridisch kader gegevensverstrekking A. Wet inkomensafhankelijke huurverhoging en Reparatiewet 6.1 De achtergronden, doelstellingen en relevante bepalingen van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging en de Wet gegevensverstrekking Belastingdienst (Reparatiewet) zijn hiervoor al uiteengezet bij de feitenvaststelling (zie 2.1 onder iii e.v., met bijbehorende voetnoten). Ik concentreer mij hierna op de voor dit geding cruciale vraag of deze wetgeving voorziet c.q. voorzag in een toereikende wettelijke grondslag voor de verstrekking van inkomensverklaringen door de Belastingdienst aan verhuurders in de sociale huursector. 6.2 De Staat stelt dat de vereiste wettelijke grondslag is gelegen in art. 7:252a BW en art. 19b Uhw, zoals ingevoerd bij de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging en verduidelijkt in de Reparatiewet. Volgens de Staat was en is op grond van art. 7:252a BW ‘duidelijk’ dat de Belastingdienst desgevraagd inkomensverklaringen moet verstrekken aan verhuurders. Deze verplichting is volgens de Staat ‘nader uitgewerkt’ in art. 19b Uhw. In dat artikel zijn waarborgen getroffen ter bescherming van de privacy van huurders, in de vorm van een viertal op verhuurders rustende verplichtingen (leden 1-4), en is geregeld onder welke voorwaarden de Belastingdienst kan weigeren de inkomensverklaring te verstrekken, namelijk bij schending van die verplichtingen (lid 5). Met deze regeling is volgens de Staat een uitzondering gemaakt op de fiscale geheimhoudingsplicht, nu de regeling een wettelijk voorschrift inhoudt dat de Belastingdienst verplicht tot het verstrekken van informatie aan derden (in de zin van art. 67 lid 2 onder a Awr). Volgens de Staat ligt die verplichting besloten in art. 7.252a lid 3 BW, althans volgt die uit het samenstel van art. 7:252a BW en art. 19 b Uhw. 6.3 Ter inleiding citeer ik nog even de opeenvolgende versies van art. 7:252a lid 3 (thans lid 4) BW en de actuele versie van art. 19b (voorheen 19a) Uhw: Art. 7:252 lid 3 BW (van 16 maart 2013 tot 1 april 2016): “Indien een voorstel als bedoeld in lid 1 wordt gedaan, wordt bij het voorstel een door de inspecteur op verzoek van die verhuurder aan deze afgegeven verklaring gevoegd.” Art. 7:252 lid 3 BW (van 1 april 2016 tot 1 januari 2017): “Indien een voorstel als bedoeld in lid 1 wordt gedaan, wordt bij het voorstel een verklaring gevoegd omtrent het huishoudinkomen. De inspecteur verstrekt op verzoek van een verhuurder een verklaring omtrent het huishoudinkomen aan de verhuurder.” Art. 7:252a lid 4 BW (sinds 1 januari 2017): “De inspecteur verstrekt desgevraagd aan de verhuurder een huishoudverklaring. (…)” Art. 19b Uhw (sinds 1 juli 2017): “1. De verhuurder vraagt en gebruikt de gegevens, die overeenkomstig artikel 7:252a, vierde tot en met zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek worden verstrekt, uitsluitend voor het doen van een voorstel tot verhoging van de huurprijs als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. 2. De betrokken gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden bewaard totdat op het betrokken voorstel, bedoeld in artikel 7:252a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, onherroepelijk is beslist of de voorgestelde verhoging van de huurprijs geacht wordt te zijn overeengekomen. 3. De verhuurder voert ten behoeve van een getrouwe weergave van de uitvoering en een effectief uitvoeringsproces een zodanige administratie dat de juiste, volledige en tijdige vastlegging is gewaarborgd van de gegevens met betrekking tot het huishoudinkomen die verband houden met de toepassing van artikel 7: 252a, vierde tot en met zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek. 4. Een ieder die kennis neemt van de gegevens, die overeenkomstig artikel 7: 252a, vierde tot en met zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek worden verstrekt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. 5. Indien de verhuurder in strijd handelt met het eerste, tweede, derde of vierde lid [het doelbindingsbeginsel, de bewaarduur, de administratieplicht en de geheimhoudingsplicht] kan de inspecteur, bedoeld in artikel 7:252a, tweede lid, onderdeel e, van het Burgerlijk Wetboek, het afgeven van de huishoudverklaring, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, van dat artikel, weigeren.” 6.4 De hierna onder (
- i)en (
- ii)vermelde wetten vormen samen de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging. De wet onder (iii) is de Reparatiewet: (
- i)Wet van 14 maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van inkomen), Stb. 2013/89; wetsvoorstel 33 129; inwerkingtreding 16 maart 2013 (Stb. 2013/91); (
- ii)Wet van 14 maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens), Stb. 2013/90; wetsvoorstel 33 330; inwerkingtreding 16 maart 2013 (Stb. 2013/91); (iii) Wet van 30 maart 2016 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (gegevensverstrekking Belastingdienst), Stb. 2016/124; wetsvoorstel 34 374; inwerkingtreding 1 april 2016 (Stb. 2016/125). B. Totstandkomingsgeschiedenis Wet inkomensafhankelijke huurverhoging Achtergrond en doelstelling: doorstroming op de huurmarkt 6.5 De Wet inkomensafhankelijke huurverhoging vond haar oorsprong in het regeerakkoord van het kabinet-Rutte I (VVD-CDA). In dat regeerakkoord was overeengekomen dat ‘ter bevordering van de doorstroming op de huurmarkt’ voor huurders in de gereguleerde sector met een huishoudinkomen van meer dan € 43.000,- een extra huurverhoging van ‘inflatie plus maximaal 5 procentpunt’ zou worden toegestaan. Het eind 2011 ingediende Wetsvoorstel huurverhoging op grond van inkomen (de eerste tranche van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging, ook wel ‘Wetsvoorstel 5%’ genoemd) strekte ter uitvoering van deze afspraak. 6.6 Medio 2012 – het gedoogkabinet Rutte I was inmiddels gevallen – volgde een tweede wetsvoorstel, het Wetsvoorstel huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens (ook wel ‘Wetsvoorstel 1%’ genoemd). Dit wetsvoorstel strekte ertoe een extra huurverhoging mogelijk te maken van het inflatiepercentage plus maximaal 1 procentpunt voor huurders met een inkomen tussen de € 33.000,- en € 43.000,- per jaar. Hiermee werd uitvoering gegeven aan een afspraak uit het Begrotingsakkoord 2013 (ook wel aangeduid als het Kunduz-akkoord), dat tussen de twee regeringspartijen VVD en CDA enerzijds en de oppositiepartijen D66, GroenLinks en ChristenUnie anderzijds was overeengekomen. 6.7 Het tweede wetsvoorstel was qua systematiek gelijk aan het eerste en de beide wetsvoorstellen zijn in nagenoeg gelijke bewoordingen (en deels tezamen) toegelicht. Vandaar dat ik de wetsvoorstellen gezamenlijk bespreek onder de noemer Wet inkomensafhankelijke huurverhoging. Discussie over doelmatigheid, legaliteit en proportionaliteit/subsidiariteit 6.8 Bij de totstandkoming van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging is, mede naar aanleiding van kritische adviezen van de Raad van State en het College bescherming persoonsgegevens (Cbp), uitvoerig stilgestaan bij de doelmatigheid en de privacy-aspecten van het wetsvoorstel. De Raad van State toonde zich met name kritisch vanuit doelmatigheidsoogpunt. Hij betoogde dat een inkomensafhankelijke huurverhoging de problematiek van ‘scheefwonen’ in de sociale huursector niet zou oplossen, zolang niet tevens de onderliggende problematiek van een gebrekkig functionerende woningmarkt (onvoldoende doorstroommogelijkheden voor middeninkomens) werd aangepakt. Vanuit privacy-oogpunt deed de Raad van State een tweetal technische aanbevelingen met betrekking tot de in art. 19a (thans 19b) leden 1 en 2 Uhw neergelegde verplichtingen voor verhuurders. 6.9 De voornaamste kritiek vanuit privacy-oogpunt was afkomstig van het Cbp. In een advies van 14 juni 2011 (voordat het eerste wetsvoorstel werd ingediend) had het Cbp kritische kanttekeningen geplaatst bij de onderbouwing van het wetsvoorstel in het licht van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in de zin van art. 8 lid 2 EVRM. In antwoord hierop is in de memorie van toelichting van 22 december 2011 onder meer gewezen op de fiscale geheimhoudingsplicht. Aansluitend is uiteengezet dat de verstrekking van inkomensverklaringen (desondanks) gerechtvaardigd werd geacht (in de zin van art. 8 lid 2 EVRM) met het oog op – samengevat – (
- i)bevordering van de doorstroming in de woningmarkt, (
- ii)beperking van de administratieve lasten voor verhuurders en huurders en (iii) bescherming van huurders tegen onredelijke huurverhogingsvoorstellen. 6.10 In het kader van de hierop volgende parlementaire behandeling zijn opnieuw bezwaren geuit vanuit privacy-oogpunt, mede naar aanleiding van een onderzoek dat de Woonbond begin maart 2012 had verricht en een daarbij behorend advies van advocatenkantoor Kennedy Van der Laan. Deze bezwaren stonden wederom in het teken van de eisen die art. 8 lid 2 EVRM stelt aan een beperking van de privacy, waaronder ook het legaliteitsvereiste. Daarop heeft de regering in de nota naar aanleiding van het verslag van 26 maart 2012 het volgende opgemerkt over de wettelijke grondslag van de gegevensverwerking: “De beperkende maatregel moet «voorzien bij wet» zijn. Dit wetsvoorstel beoogt de benodigde wettelijke basis te verschaffen. Daarbij zijn enige wezenlijke waarborgen ingebouwd, waarvan de belangrijkste zijn: ▪de administratieplicht; ▪de geheimhoudingsplicht; ▪de beperkte duur waarvoor de gegevens mogen worden bewaard; en ▪de geboden rechtsbescherming. (…)” 6.11 Bij de behandeling van het wetsvoorstel op 4 april 2012 is de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nader ingegaan op de wettelijke grondslag van de gegevensverwerking. Zij verwees naar art. 19a Uhw en de daarin neergelegde verplichtingen voor verhuurders om de privacy van huurders te respecteren (lid 1-4): “Een aantal woordvoerders heeft gevraagd of ik specifiek wil ingaan op de bezwaren van het College bescherming persoonsgegevens en het rapport van Kennedy Van der Laan. Het College bescherming persoonsgegevens hebben wij geraadpleegd voordat de definitieve tekst en de definitieve memorie van toelichting voor advies naar de Raad van State zijn gegaan. Het College bescherming persoonsgegevens heeft een aantal punten expliciet onder onze aandacht gebracht, in de eerste plaats dat het voorschrift heel precies moet zijn. Mede op advies van het College bescherming persoonsgegevens, maar zeker ook op advies van de Raad van State, zijn in artikel 19a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte die grondslagen heel nadrukkelijk aangegeven. Het college heeft ook aangegeven dat er effectieve waarborgen moeten zijn. Die hebben wij ook in artikel 19a opgenomen, door bijvoorbeeld te bepalen dat verhuurders inkomensverklaringen uitsluitend voor het doel van de voorgestelde huurverhoging mogen gebruiken en dat zij de gegevens slechts mogen bewaren totdat die huurverhoging is overeengekomen of onherroepelijk is geworden.” 6.12 In de nota naar aanleiding van het verslag heeft de regering aangekondigd dat zij voornemens was om, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wet, ontheffing van de geheimhoudingsplicht te verlenen (in de zin van art. 67 lid 3 Awr), opdat de verstrekking van inkomensverklaringen en inkomensafhankelijke huurverhogingen die daarop gebaseerd zouden worden nog datzelfde jaar konden plaatsvinden. Daarbij werd ook gewezen op art. III van het wetsvoorstel, waarin terugwerkende kracht werd verleend aan de voorgestelde wetsbepalingen over (onder meer) de verstrekking van inkomensverklaringen. 6.13 Nadat de Tweede Kamer het wetsvoorstel op 12 april 2012 had aangenomen, deed zich een buitenparlementaire ontwikkeling voor die de plannen van de regering dreigde te doorkruisen: bij vonnis van 13 april 2012 verbood de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, op vordering van vier individuele huurders, de verstrekking van inkomensverklaringen vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wet, wegens strijd met art. 8 Wbp. De voorzieningenrechter overwoog onder meer: “3.4 (…) De Staat kan zich (…) niet beroepen op artikel 8 aanhef en onder c Wbp, waarin is bepaald dat persoonsgegevens mogen worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is. Het wetsvoorstel waarmee een zodanige wettelijke verplichting voor de Belastingdienst in het leven wordt geroepen, is immers (nog) niet tot wet verheven. Daarom kan in het midden blijven of de beoogde wettelijke verplichting in overeenstemming is met artikel 8 EVRM en andere, een ieder verbindende bepalingen van verdragen.” 6.14 Bij brief van 19 april 2012 berichtte de minister aan de Tweede Kamer dat de Staat geen hoger beroep zou instellen tegen het kortgedingvonnis. De minister wilde de aandacht richten op de verdere behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer, opdat de beoogde inkomensafhankelijke huurverhogingen per 1 juli 2013 (een jaar later dan aanvankelijk was beoogd) alsnog doorgang zouden kunnen vinden. Discussie in Eerste Kamer over privacy en geheimhoudingsplicht 6.15 Op 15 mei 2012, hangende de behandeling van het wetsvoorstel bij de Eerste Kamer, stuurde het Cbp een brief aan de staatssecretaris van Financiën naar aanleiding van het kortgedingvonnis. In deze brief nam het Cbp het standpunt in dat de verstrekking van inkomensgegevens vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wet hoe dan ook onrechtmatig was (geweest), namelijk in strijd met de fiscale geheimhoudingsplicht van art. 67 Awr en bijgevolg in strijd met art. 9 lid 4 Wbp (dus niet alleen wegens het ontbreken van een wettelijke verplichting in de zin van art. 8 onder c Wbp). Art. 67 lid 3 Awr bood volgens het Cbp geen grondslag voor het verlenen van een ontheffing. 6.16 Mede naar aanleiding van deze brief is bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer opnieuw gediscussieerd over de privacy-aspecten. Voor de senatoren stond buiten kijf dat het wetsvoorstel een uitzondering op de fiscale geheimhoudingsplicht bewerkstelligde, maar zij vroegen zich af of die uitzondering verdragsrechtelijk en fiscaalrechtelijk wel door de beugel kon, mede in het licht van de ratio van de geheimhoudingsplicht en het doelbindingsbeginsel. “(PvdA): (…) Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) had in de eerste fase bezwaar tegen het wetsvoorstel, en heeft geadviseerd om het voorstel niet in te dienen. Naast het gebrek aan toelichting op proportionaliteit en subsidiariteit was de reactie van het CBP zo scherp, omdat het wetsvoorstel indruist tegen het uitgangspunt dat "personen niet van het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst moeten worden weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de Belastingwet". Dat is precies wat hier gebeurt: het gebruiken van aan de Belastingdienst opgegeven gegevens voor een ander doel dan waarvoor ze waren bestemd. Ook na aanpassing van het wetsvoorstel is het oordeel van het CBP negatief. Wat moet de PvdA-fractie hieruit concluderen als het gaat om het privacybeleid van dit kabinet?” “(D66): (…) Hoewel wij, zoals gezegd, de richting van het wetsvoorstel in algemene zin onderschrijven, hebben wij vanaf het begin zorgen gehad over de uitvoering van de regeling aangaande de privacy. Wij begrijpen dat het wanneer een huurverhoging gekoppeld wordt aan een inkomensafhankelijke regeling, onvermijdelijk is dat er inkomensgegevens verstrekt worden, in dit geval door de Belastingdienst. Het maakt daarbij een wezenlijk verschil of er concrete inkomensgegevens worden verstrekt, dan wel slechts een verklaring over de relatie tussen het inkomen en de grens van € 43.000. Met deze specifieke grondslag in het wetsvoorstel wordt naar ons oordeel althans formeel recht gedaan aan de fiscale geheimhoudingsplicht. Toch kunnen wij er niet omheen dat de voorgestelde gegevensverstrekking heel direct raakt aan het recht op de persoonlijke levenssfeer, zoals vastgelegd in artikel 8 van het EVRM. De regering is van oordeel dat het verstrekken van inkomensgegevens op grond van het verdragsrechtelijke criterium social pressing need gerechtvaardigd is. (…) Het is voor mijn fractie een belangrijke vraag of deze redenering uit verdragsrechtelijk oogpunt valide is.” 6.17 De minister pareerde deze kritiek (onder meer) met verwijzing naar het kortgedingvonnis, waaruit zij afleidde dat het wetsvoorstel – indien eenmaal tot wet verheven – een toereikende wettelijke grondslag zou bevatten voor de beoogde gegevensverwerking: “In de uitspraak van de rechter in kort geding maar ook in de brief van het College bescherming persoonsgegevens, zien wij wel bevestigd dat met een wettelijke grondslag de Belastingdienst op deze manier mag handelen. Met dit voorstel wordt dus de wettelijke grondslag gegeven voor het verstrekken van die inkomensverklaringen. Daarmee is naar onze stellige overtuiging geen grond meer voor de kritiek van het College bescherming persoonsgegevens, van de rechter in kort geding en van Kennedy Van der Laan. Immers, op het moment dat die wettelijke grondslag er is, mogen die gegevens wel worden verstrekt.” Doorbreking geheimhoudingsplicht nader onderbouwd n.a.v. Cbp-advies 6.18 Op 6 juli 2012 – terwijl het ‘Wetsvoorstel 5%’ (de eerste tranche) nog bij de Eerste Kamer lag – werd het ‘Wetsvoorstel 1%’ (de tweede tranche) bij de Tweede Kamer ingediend. Vanwege de gelijkenis tussen de beide wetsvoorstellen had de Raad van State afgezien van nadere advisering. Op verzoek van een aantal fracties in de Tweede Kamer werd advies van het Cbp gevraagd. 6.19 Op 24 juli 2012 bracht het Cbp zijn advies uit, waarin (evenals in de brief van 15 mei 2012) de fiscale geheimhoudingsplicht centraal stond. Het Cbp achtte de doorbreking van de geheimhoudingsplicht onvoldoende gemotiveerd in het licht van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ik citeer de kernoverweging van het Cbp-advies, waarin viermaal de woorden ‘doorbreking van de geheimhoudingsplicht’ voorkomen: “ “De doorbreking van de geheimhoudingsplicht van de Belastingdienst maakt dit wetsvoorstel in het kader van de beginselen van proportionaliteit en de subsidiariteit voor burgers extra ingrijpend. In dit geval zullen immers de gegevens van de Belastingdienst voor andere doeleinden dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwet worden gebruikt. Daarbij gaat de Belastingdienst ter zake van de uitvoering van het voorstel inkomensgegevens verstrekken aan verhuurders van woningen, zijnde private partijen. Het CBP wijst erop dat de doorbreking van de geheimhoudingsplicht van de Belastingdienst, gelet op de inhoud ervan, slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zou moeten kunnen plaatsvinden. De redeneringen en daarbij naar voren gebrachte argumenten zijn er slechts op gericht de doorbreking van de geheimhoudingsplicht te rechtvaardigen en houden geen belangafweging ten principale in. “ Naar het oordeel van het CBP is in het kader van de beginselen van proportionaliteit en “ subsidiariteit met name de doorbreking van de geheimhoudingsplicht van de Belastingdienst onvoldoende gemotiveerd, zodat het voorstel (reeds hierom) niet in overeenstemming is met deze beginselen.” 6.20 Naar aanleiding van dit advies heeft de minister (voor beide wetsvoorstellen in identieke bewoordingen) de doorbreking van de geheimhoudingsplicht nader onderbouwd: “In het advies wordt gevraagd om: (…) c.de doorbreking van de geheimhoudingsplicht van de Belastingdienst verder te motiveren in het kader van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit; (…) Ad c. Er is gekozen voor een methode die de minste administratieve lasten oplevert en waarbij de doorbreking van de geheimhoudingsplicht zo is ingericht dat de privacy van huurders maximaal wordt gewaarborgd. De verhuurders krijgen alleen die informatie die strikt noodzakelijk is om te beoordelen of ze een boveninflatoire huurverhoging mogen opleggen. Daarom bevat de verklaring alleen het gegeven of het totale huishoudinkomen op het aangegeven adres tot een bepaalde categorie behoort of dat het niet bekend is. De verhuurder krijgt dus geen gegevens over het exacte huishoudinkomen en evenmin heeft de verklaring betrekking op het inkomen van individuele personen. Enkel indien er sprake is van één inkomen op het aangegeven adres, zou de verklaring te herleiden kunnen zijn tot de persoon die de woning huurt, maar nog steeds niet tot het inkomen van die persoon. Gezien het grote maatschappelijke belang van de maatregel en het feit dat er geen andere minder ingrijpende mogelijkheid is om een inkomensafhankelijke huurverhoging mogelijk te maken, is het gerechtvaardigd om voor de verstrekking van beperkte gegevens over het huishoudinkomen de geheimhoudingsplicht van de Belastingdienst te doorbreken. Andere methoden zouden ofwel de invoering van een inkomensafhankelijke huurverhoging frustreren, ofwel een grotere inbreuk opleveren op de privacy van de huurders, ofwel disproportionele administratieve en bestuurlijke lasten met zich meebrengen.” 6.21 Het ‘Wetsvoorstel 1%’ is op 14 februari 2013 aangenomen door de Tweede Kamer. De beide voorstellen zijn gezamenlijk behandeld door de Eerste Kamer en op 12 maart 2013 met een nipte meerderheid (37 stemmen voor en 36 stemmen tegen) aangenomen. De Wet inkomensafhankelijke huurverhoging is op 15 maart 2013 in het Staatsblad geplaatst en al op 16 maart 2013 in werking getreden, opdat de beoogde huurverhogingen per 1 juli 2013 konden worden gerealiseerd. 6.22 Met de invoering van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging op 16 maart 2013 ging ook de verstrekking van inkomensverklaringen door de Belastingdienst van start. De parlementaire discussie over de privacyaspecten werd voortgezet in de rechtszaal, want begin 2014 werd de Staat gedagvaard in een bodemprocedure voor de rechtbank Den Haag, waarin Huurdersvereniging Amsterdam een verklaring voor recht vorderde dat de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging onrechtmatig en onverbindend was wegens een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De vorderingen werden afgewezen in een uitvoerig gemotiveerd (maar niet gepubliceerd) vonnis, waarin zowel aan art. 8 EVRM als aan art. 6 e.v. van de Privacyrichtlijn werd getoetst. Voor de onderhavige zaak is van belang dat in die zaak uit 2014 de wettelijke grondslag van de gegevensverstrekking (als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM) niet ter discussie was gesteld. C. Totstandkomingsgeschiedenis Reparatiewet 6.23 Op 22 juli 2015 deed de sector bestuursrechtspraak van de rechtbank Amsterdam een uitspraak die voor de wetgever als een onaangename verrassing moet zijn gekomen. De uitspraak betrof een huurder van een sociale huurwoning die op 16 april 2013 een huurverhoging van 4% aangezegd had gekregen, op basis van een inkomensverklaring die de Belastingdienst op 27 maart 2013 (vlak na invoering van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging) aan de verhuurder had verstrekt. De huurder had tegen die verstrekking verzet aangetekend op de voet van art. 40 Wbp, daartoe stellende dat de gegevensverwerking had plaatsgevonden op grond van art. 8 onder c Wbp, echter zonder dat sprake was van een wettelijke verplichting van de inspecteur om de inkomensverklaring te verstrekken. De rechtbank honoreerde dit betoog en vernietigde het besluit van de Belastingdienst waarbij eisers verzet niet-ontvankelijk was verklaard. De rechtbank overwoog onder meer: “3.3. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval artikel 8, aanhef en onder c, van de Wbp niet van toepassing. Uit de tekst van het hiervoor geciteerde artikel 7:252a van het BW volgt, dat een verhuurder bij een inkomensafhankelijk voorstel tot huurverhoging een op zijn verzoek door de inspecteur van de Belastingdienst afgegeven verklaring dient te voegen. Deze wettelijke bepaling bevat naar het oordeel van de rechtbank niet uitdrukkelijk de door verweerder gestelde verplichting van de inspecteur van de Belastingdienst tot het aan de verhuurder verstrekken van een indicatieve verklaring over het huishoudinkomen op het betrokken adres. Dit artikel bevat slechts een verplichting voor de verhuurder om bij zijn voorstel een dergelijke verklaring te voegen. Verweerder heeft nog gewezen op artikel 19a, vijfde lid van de Uitvoeringswet huurprijzen. Uit dit artikel volgt echter niet meer dan dat de inspecteur van de Belastingdienst bevoegd is het afgeven van de verklaring te weigeren indien de verhuurder handelt in strijd met de in het tweede, derde en vierde lid van dat artikel neergelegde plicht tot bewaring, administratie en geheimhouding van de betrokken gegevens. De omstandigheid dat de inspecteur van de Belastingdienst afgifte van een verklaring kan weigeren, impliceert naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij een wettelijke verplichting heeft om een verklaring te verstrekken. (…)” 6.24 Hangende het hoger beroep van deze uitspraak zond de regering op 21 december 2015 het wetsvoorstel ‘Gegevensverstrekking Belastingdienst’ naar de Tweede Kamer (de Reparatiewet). Daarin werd voorgesteld de volgende, al meermaals geciteerde volzin toe te voegen aan art. 7:252a lid 3 BW: “De inspecteur verstrekt op verzoek van een verhuurder een verklaring omtrent het huishoudinkomen aan de verhuurder.” 6.25 In de memorie van toelichting werd de aanleiding voor het wetsvoorstel niet onthuld. De regering benadrukte dat het slechts een ‘redactionele wijziging’ betrof, bedoeld om ‘buiten twijfel’ te stellen dat de inspecteur op grond van art. 7:252a lid 3 BW op verzoek van een verhuurder een inkomensverklaring ‘moet verstrekken’: “Zoals in de parlementaire geschiedenis van de inkomensafhankelijke (hogere) huurverhoging meerdere malen is aangegeven (Kamerstukken II 2011/12, 33 129, nr. 3, pagina’s 4 en 7; Kamerstukken II 2011/12, 33 330, nr. 3, pagina’s 4 en 8; Kamerstukken I 2012/13, 33 330, E, pag. 32), verstrekt de Belastingdienst op verzoek aan de verhuurder een inkomensverklaring, inhoudende in welke inkomenscategorie het huishoudinkomen valt. Teneinde eventuele misverstanden over de huidige tekst te voorkomen, wordt met de voorliggende redactionele wijziging – die geen inhoudelijke wijziging inhoudt – buiten twijfel gesteld dat de (inspecteur van
- de)Belastingdienst op verzoek van een verhuurder een dergelijke inkomensverklaring moet verstrekken. Het betreft hier dus alleen een verduidelijking van de reeds bestaande tekst van artikel 7:252a, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (het voorgestelde artikel I, onderde[e]l 1). De voorgestelde wijziging in artikel I, onderdeel 2, loopt hierbij mee.” 6.26 De Raad van State had geen inhoudelijk commentaar op het wetsvoorstel, maar vroeg zich wel af waarom de spoedprocedure werd gevolgd voor het aanbrengen van een redactionele wijziging zonder inhoudelijke betekenis. Hierop antwoordde de regering dat het van belang was dat de beoogde wijzigingen, ‘hoewel technisch van aard’, in werking zouden treden vóór 1 februari 2016, de datum waarop de Belastingdienst een ‘portal’ voor het verkrijgen van de inkomensverklaring zou openen. 6.27 Nadat het wetsvoorstel op 3 maart 2016 was aangenomen door de Tweede Kamer, rees bij de Eerste Kamer de vraag of het wetsvoorstel niet was achterhaald door de ABRvS-uitspraak die intussen was gewezen (op 3 februari 2016). De regering antwoordde hierop dat het wetsvoorstel ‘juist anticiperend op die uitspraak’ was ingediend om ‘explicieter in de wet op te nemen dat de Belastingdienst de verplichting heeft om op verzoek van verhuurders inkomensindicaties voor de huurverhoging op grond van dat artikel te verstrekken’. Nochtans herhaalde de regering dat met het voorstel ‘geen enkele inhoudelijke wijziging’ werd aangebracht: “(…) Met de huidige wetgeving is beoogd om buiten twijfel te stellen dat de Belastingdienst verplicht is om op verzoek van verhuurders inkomensindicaties voor de huurverhoging op grond van artikel 7: 252a van het BW te verstrekken. In de adviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State en het College bescherming persoonsgegevens (nu: Autoriteit persoonsgegevens) bij de wetsvoorstellen inzake de inkomensafhankelijke huurverhoging in 2011 en 2012 is geen opmerking gemaakt over de wettelijke formulering van de (thans meer impliciete) verplichting voor de Belastingdienst om op verzoek van verhuurders inkomensindicaties te verstrekken. Ook in de parlementaire behandeling is algemeen aangenomen dat de Belastingdienst de verplichting heeft om op verzoek van verhuurders inkomensindicaties te verstrekken en dat er geen sprake is van een discretionaire bevoegdheid voor de Belastingdienst. Naar aanleiding van de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, is van een onvoldoende expliciete formulering in de wetgeving gebleken. Dat wordt met dit wetsvoorstel rechtgezet. Met het voorliggende wetsvoorstel wordt de redactie van artikel 7:252a van het BW in die zin gewijzigd dat daarin expliciet wordt vastgelegd dat de Belastingdienst de verplichting heeft om op verzoek inkomensindicaties te verstrekken en dat hij daarin geen discretionaire bevoegdheid heeft. Met voorliggend wetsvoorstel wordt geen enkele inhoudelijke wijziging ten opzichte van de verstrekking van inkomensindicaties geregeld.” 6.28 Het wetsvoorstel is op 29 maart 2016 zonder stemming aangenomen door de Eerste Kamer en op 1 april 2016 in werking getreden. Dit markeert voor deze zaak de overgang van tijdvak I naar tijdvak II. D. De ABRvS-uitspraak en daaropvolgende rechtspraak De ABRvS-uitspraak 6.29 Op 3 februari 2016, hangende de behandeling van het reparatievoorstel bij de Eerste Kamer, deed de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak in het hoger beroep tegen de Amsterdamse uitspraak die de aanleiding voor dat voorstel had gevormd. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het verzet gegrond en bepaalde dat de Belastingdienst ‘geen gegevens betreffende het inkomen van [appellant] verstrekt aan de verhuurder van diens woning zolang daarvoor geen grondslag bestaat, als bedoeld in artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen’. Dit is de reeds in de inleiding genoemde ABRvS-uitspraak. 6.30 De Afdeling stelde vast dat in art. 7:252a BW en 19b Uhw niet met zoveel woorden was bepaald dat de Belastingdienst verplicht is tot verstrekking van inkomensverklaringen (rov. 3.2). Hierop voortbouwend overwoog de Afdeling, in reactie op het betoog van de Staat dat de wettelijke regeling ‘betekenisloos’ zou zijn zonder zo’n wettelijke verplichting, het volgende: “3.3. Het betoog dat bedoeld is een wettelijke verplichting voor de Belastingdienst tot gegevensverstrekking in te voeren en dat zonder wettelijke verplichting de in 2013 aangenomen wetten tegen scheefwonen betekenisloos zouden zijn, biedt geen grond om een wettelijke verplichting in artikel 252a van Boek 7 van het BW en in artikel 19b van de Uhw te lezen, omdat de tekst van de bepalingen, bezien in het licht van artikel 67 van de Awr, daarvoor geen aanknopingspunten biedt. Ingevolge het eerste lid van artikel 67 van de Awr geldt als hoofdregel dat de Belastingdienst gegevens die hij bij zijn taakuitoefening heeft verkregen, niet aan derden mag verstrekken. Achtergrond hiervan is dat de Belastingdienst ruime wettelijke bevoegdheden heeft om privacygevoelige informatie over belastingplichtigen te verzamelen en dat belastingplichtigen gehouden zijn die bij hen opgevraagde gegevens te verschaffen. Hierop is gewezen in de memorie van toelichting bij de wet van 27 september 2007, Stb. 2007, 376, waarbij artikel 67 van de Awr is gewijzigd (Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, blz. 12). Daarnaast is het in het algemeen belang dat personen niet van het verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst worden weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwet, zoals in laatstgenoemde memorie van toelichting is opgemerkt en ook door de Hoge Raad is overwogen (arrest van 8 november 1991, NJ 1992, 277). Artikel 67, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awr voorziet in een uitzondering op de in het eerste lid van dat artikel neergelegde geheimhoudingsplicht ingeval een wettelijk voorschrift tot verstrekking van informatie verplicht. In het licht van de achtergrond van de geheimhoudingsplicht is de Afdeling van oordeel dat een zodanige verplichting uitdrukkelijk en duidelijk in een wettelijk voorschrift moet zijn neergelegd en dat niet toelaatbaar is dat een dergelijke verplichting uitsluitend wordt afgeleid uit de totstandkomingsgeschiedenis van of de samenhang tussen wettelijke bepalingen of wordt verondersteld omwille van de effectiviteit van een wettelijke regeling. Zie bijvoorbeeld artikel 87 van de Comptabiliteitswet 2001, artikel 64, eerste lid, van de Participatiewet (voorheen Wet werk en bijstand), artikel 39, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en artikel 54, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Die bepalingen worden in laatstgenoemde memorie van toelichting (blz. 18) genoemd als voorbeelden van wettelijke voorschriften als bedoeld in artikel 67, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awr.” 6.31 Het voorgaande bracht de Afdeling tot de conclusie dat de c-grond van art. 8 Wbp (een wettelijke verplichting) toepassing miste en dat het ‘derhalve’ ging om een verwerking van persoonsgegevens op de f-grond (de behartiging van gerechtvaardigde belangen). Bijgevolg stond daartegen ingevolge art. 40 Wbp verzet open (rov. 3.4). Wat de merites betreft oordeelde de Afdeling dat de verstrekking van de inkomensgegevens van de appellant, bij gebreke van een wettelijke verplichting in de zin van art. 67 lid 2 onder a Awr, in strijd met de fiscale geheimhoudingsplicht was geweest. De staatssecretaris had het verzet van de appellant daarom gegrond moeten verklaren en de verstrekking van de inkomensgegevens moeten beëindigen (rov. 4.1). Het verzoek tot schadevergoeding kwam volgens de Afdeling niet voor toewijzing in aanmerking, bij gebreke van immateriële schade aan de zijde van de appellant (rov. 5). 6.32 Deze uitspraak is, wat de invulling van de geheimhoudingsplicht betreft, overwegend instemmend ontvangen. In de annotaties van Overkleeft-Verburg, Groenhart en Gardenbroek (de eerste twee vanuit privacy-perspectief, de derde vanuit huurrechtelijk perspectief) wordt de redenering van de Afdeling in rov. 3.3 uitdrukkelijk onderschreven. De uitspraak is in talloze (hand)boeken en artikelen over fiscaal recht, privacyrecht en huurrecht in beschrijvende zin weergegeven en – voor zover ik heb kunnen nagaan – nergens ter discussie gesteld. De kernoverweging van de Afdeling – het vereiste dat een wettelijke verplichting als bedoeld in art. 67 lid 2 Awr ‘uitdrukkelijk en duidelijk’ in de wet moet zijn neergelegd (rov. 3.3) – is zelfs door de wetgever overgenomen in de memorie van toelichting bij de UAVG, in de context van de e-grond (de publieke taak): “ “De publieke taak en de gegevensverwerking moeten hun grondslag vinden in het in Nederland geldende recht. Dit hoeft echter niet uitputtend te zijn geregeld, en de publieke taak behoeft ook niet altijd in een wet in formele zin te zijn vastgelegd. (…) In de kern gaat het erom dat het voor het individu kenbaar moet zijn dat zijn persoonsgegevens met betrekking tot een specifieke publieke taak worden verwerkt. Dit kan ook, zoals nu in sommige gevallen wordt aangenomen, volgen uit een samenstel van wettelijke regels die tezamen een publieke taak aanduiden. (…) “ Vereist is dus een voldoende precieze wettelijke grondslag. Dat betekent (…) dat een verplichting voor een overheidsinstantie tot gegevensverstrekking terwijl die overheidsinstantie een wettelijk geregelde geheimhoudingsplicht heeft, uitdrukkelijk en duidelijk in een wettelijk voorschrift moet zijn neergelegd, en dat het niet toelaatbaar is dat een dergelijke verplichting uitsluitend wordt afgeleid uit de totstandkomingsgeschiedenis van of de samenhang tussen wettelijke bepalingen of wordt verondersteld omwille van de effectiviteit van een wettelijke regeling. 6.33 Overkleeft-Verburg toonde zich in haar al genoemde annotatie wel kritisch over de praktische gevolgen van een strikte invulling van de fiscale geheimhoudingsplicht. Zij meende dat de uitspraak van een ‘toch wel enigszins gedateerde opvatting’ over de betekenis van de fiscale geheimhoudingsplicht getuigde en niet spo