ECLI:NL:PHR:2022:354
sy PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 20/03461 Zitting 12 april 2022 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte.
Inleiding 1. De verdachte is bij arrest van 19 oktober 2020 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. en 3. telkens “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 4., 5. en 6. telkens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 8. subsidiair “medeplichtigheid aan/tot: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 9. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 10. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” 11. “witwassen, meermalen gepleegd, en medeplegen van: witwassen” en 12. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van voorarrest.
Eerste en tweede middel 4. Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte betrokken is geweest bij de oogst van hennepplanten in een pand aan de [a-straat 1] in [plaats] onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer volgt dat de verdachte op de twee momenten in de tenlastegelegde periode dat hij telkens ruim een uur bij het pand aan de [a-straat 1] aanwezig is geweest hennepplanten heeft geoogst. Daartoe wordt aangevoerd dat het om een grote hennepplantage ging, dat het hof ook bewezen heeft geacht dat de verdachte hennep heeft vervoerd en dat die hennep ook in het voertuig van de verdachte moet zijn geladen.
Het tweede middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de hennepteelt in een pand aan de [a-straat 1] te [plaats] onbegrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat het hof alleen heeft vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij de opbouw van de hennepplantage en de betaling van de huursom, terwijl het oordeel dat hij ook betrokken zou zijn bij een of meerdere oogsten, zoals onder het eerste middel uiteengezet is, niet begrijpelijk is. Van deze bijdrage van de verdachte kan niet worden gezegd dat deze van voldoende wezenlijk of significant gewicht is, aldus de stellers van het middel.
Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Het hof heeft deze bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt gemotiveerd: “De hennepplantage aan de [a-straat 1] te [plaats] Met betrekking tot deze plantage stelt het hof het volgende vast.
Op 16 april 2009 voert de Duitse justitie een doorzoeking uit op het adres [a-straat 1 - 4] te [plaats] . In de kelder van [a-straat 1] worden in twee ruimtes hennepplantages aangetroffen. In ruimte 1 staan 858 hennepplanten en in ruimte 2 staan 903 hennepplanten. In de toegang tot de twee hennepplantages wordt een bewakingscamera gevonden die via GSM bewakingsbeelden kan verzenden. In ruimte 1 worden naast de 858 hennepplanten onder andere 62 kweeklampen, 5 luchtfilters, 11 ventilatoren en twee warmtestralers aangetroffen.
In ruimte 2 worden naast de 903 hennepplanten onder andere 63 kweeklampen, 6 luchtfilters, 10 ventilatoren en twee warmtestralers aangetroffen Het hof stelt vast dat het dus gaat om een grote, professioneel ingerichte plantage. Gelet op de wijze van inrichting, de omvang van de plantage (1.761 planten) en de kosten die gemaakt moeten zijn voor de benodigde apparatuur en stekken, ligt het niet voor de hand dat het een plantage van beginners betreft. Integendeel, naar het oordeel van het hof vormt de inrichting en omvang van de plantage een sterke aanwijzing dat deze het werk is van een organisatie, die reeds ruime ervaring heeft opgedaan met het inrichten en exploiteren van plantages.
De huurder van [a-straat 1] , [plaats] , is [betrokkene 1] . Hij heeft een deel van de gehuurde ruimte in gebruik gegeven aan zijn zoon, [betrokkene 2] . Deze zoon wordt door de Duitse justitie – en later in het kader van een rogatoire commissie – uitvoerig verhoord. Hij verklaart zakelijk weergegeven onder andere:
Met getuige [betrokkene 2] wordt een fotoconfrontatie gehouden. Hij herkent van foto's de personen die hij heeft aangeduid als [verdachte] en [medeverdachte] . Bij [verdachte] gaat het om verdachte [verdachte] en bij [medeverdachte] om [medeverdachte] . […] Daarnaast heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij na de tweede oogst – die zoals hierna zal blijken voltooid werd op 6 juni 2009 (ik begrijp: 6 februari 2009, DP) – 's avonds bij [betrokkene 3] thuis moest komen en daar [verdachte] en [medeverdachte] heeft ontmoet. Er werd toen gesproken over de opbrengst en hij ontving toen € 20.000,00 van [medeverdachte] . Uit de peilbakengegevens van de auto van [medeverdachte] blijkt dat die auto op 6 februari 2009 rond 22:08 uur geparkeerd stond nabij de woning van [betrokkene 3] . Uit de zendmastgegevens van de telefoon van [verdachte] blijkt dat die rond 21:58 uur belt via een zendmast waaronder ook de woning van [betrokkene 3] valt. Nu [verdachte] en [medeverdachte] geen andere verklaring geven voor de aanwezigheid van hun auto of telefoon op die plaats en op dat tijdstip gaat het hof er van uit dat zij toen bij [betrokkene 3] waren, waar het gesprek over het geld voor [betrokkene 2] plaatsvond. […] […] Transport van de hennep van de [a-straat 1] te [plaats] naar de [b-straat 1] te [plaats] en de verwerking daarvan in de periode 27 januari tot en met 6 februari 2009 […] Hierna zal het hof per verdachte een opsomming geven van de informatie die het redengevend acht voor een bewezenverklaring.
27januari 2009 […] [verdachte] :
06:54 - 08:09 uur. Volgens het peilbaken op de Mercedes Vito van [verdachte] staat deze geparkeerd nabij de [a-straat] te [plaats] .
08:43 - 17:10 uur. Volgens het peilbaken op de Mercedes Vito van [verdachte] staat deze geparkeerd bij het perceel [b-straat 1] te [plaats] .
09:09 uur. [verdachte] verstuurt een sms. Diens telefoon maakt gebruik van een zendmast aan de [c-straat] waaronder ook de [b-straat] te [plaats] valt.
10:12 - 17:13 uur. [verdachte] ontvangt meerdere sms'en. De telefoon van [verdachte] maakt gebruik van dezelfde zendmast waaronder ook de [b-straat] te [plaats] valt. [verdachte] antwoordt naar aanleiding van deze sms'en en heeft zijn telefoon dus kennelijk bij zich.
6februari 2009 […] [verdachte] :
06:38 - 07:50 uur. Volgens het peilbaken op de auto van [verdachte] staat hij geparkeerd nabij de [a-straat 1 - 4] in [plaats] .
08:13 uur. Volgens het peilbaken op de auto van [verdachte] is hij gestopt nabij het Maalbroek te Roermond.
08:52 uur. Volgens het peilbaken op de auto van [verdachte] is hij gestopt bij de [b-straat] te [plaats] .
10:12 uur. [verdachte] telefoneert met zijn GSM. Zijn telefoon maakt gebruik van de zendmast, op de [c-straat] te [plaats] .
12:57 uur. [verdachte] bericht zijn ex-vriendin dat hij aan het werken is. Zijn telefoon gebruikt de zendmast op de [c-straat] te [plaats] .
18:05 uur. Een observatieteam ziet dat [verdachte] met zijn auto het terrein aan de [b-straat 1] verlaat. Hij zet twee dames af bij een auto in [plaats] . […] Om meer zicht te krijgen op wat zich afspeelt op de [b-straat 1] vindt een inkijkoperatie plaats in week 10 (2 t/m 8 maart) 2009. Onder een aangetroffen hooizolder bevindt zich een aparte ruimte van 4 bij 5 meter. Uit deze ruimte komt een flexibele buis die naar de hooizolder loopt. Aan deze flexibele buis is een groot filter bevestigd. De ruimte is voorzien van een koelkast, een magnetron en een gaskachel. Verder staan er stoelen en een tafel. Ook worden koffie- en thee benodigdheden gevonden. In de ruimte vindt de politie verder een doos met plastic handschoenen en vijf grote stukadoorskuipen met daarin kleine resten van planten. Deze resten zien er uit als resten van hennepplanten en ruiken ook zo.
Conclusies met betrekking tot de feiten Op grond van voornoemde bewijsmiddelen, in samenhang bezien, komt het hof tot navolgende vaststellingen. […] [verdachte] speelde een rol bij het inrichten van de hennepplantage. Met name heeft hij supervisie gehouden op het inrichten ervan, heeft hij voor de materialen gezorgd en werkte hij zelf ook mee bij het opbouwen ervan. Gelet op de omvang van de hennepplantage een aanzienlijke maar ook verantwoordelijke klus. Ook daarna is [verdachte] nog betrokken gebleven bij deze plantage. Zo is hij het die na de eerste oogst de eerste huurtermijn ad € 10.000,00 aan [betrokkene 2] heeft overhandigd. Het hof verwijst voor de rol van [verdachte] bij deze plantage wederom naar de verklaring van [betrokkene 2] .
Dat er in de periode van 27 januari tot en met 6 februari 2009 daadwerkelijk is geoogst door [medeverdachte] c.s. in de hennepplantage aan de [a-straat 1] te [plaats] staat voor het hof eveneens vast. Immers, [betrokkene 2] heeft op 6 februari 2009 € 20.000,00 ontvangen van [medeverdachte] als betaling voor de tweede oogst. Had de oogst niet plaatsgevonden, dan zou [betrokkene 2] ook niet zijn betaald.
Daarnaast staat de auto van [verdachte] op 27 januari van 06:54 uur tot 08:09 uur bij de [a-straat 1] en wederom op 6 februari 2009 van 06:38 uur tot 07:50 uur. Wat de reden is voor zijn aanwezigheid bij het pand op twee verschillende dagen op een vroeg tijdstip, waarop het in deze tijd van het jaar nog (nagenoeg) donker is, steeds gedurende ruim één uur, heeft verdachte niet willen verklaren, In het licht van het feit dat er vlak vóór en/of op 6 februari 2009 hennep geoogst is in het pand, gaat het hof er van uit dat [verdachte] op deze tijdstippen de hennepplanten heeft geoogst.
Geoogste hennep moet uiteraard verwerkt worden. Dat dat in de [a-straat 1] zelf zou zijn gebeurd is niet aannemelijk nu er in het geheel geen sporen zijn aangetroffen die op verwerking ter plaatse duiden. Daarom gaat het hof ervan uit dat [verdachte] de geoogste hennep in zijn auto heeft meegenomen.
Vaststaat dat [verdachte] met zijn auto zowel op 27 januari 2009 als op 6 februari 2009 vanuit de [a-straat] rechtstreeks naar de [b-straat 1] te [plaats] is gereden. Op 27 januari wordt er onderweg in het geheel niet gestopt, op 6 februari slechts ongeveer 1 minuut op het Maalbroek in Roermond. Van een mógelijkheid om de hennep onderweg ergens uit te laden en te verbergen is dus niet gebleken. Het hof gaat er dan ook van uit dat de hennep meegenomen is naar de [b-straat 1] .
Op 27 januari 2009 blijft [verdachte] vervolgens tot 17:10 uur aan de [b-straat] en op 6 februari 2009 tot 18:05 uur. Wat hij daar gedaan heeft, heeft hij wederom niet willen verklaren. In een bericht aan zijn ex-vriendin op 6 februari 2009 geeft hij echter aan dat hij aan het 'werken' is. […] Met betrekking tot de vraag tenslotte wat [medeverdachte] en [verdachte] in de [b-straat 1] hebben uitgevoerd is met name ook de inkijkoperatie aan de [b-straat 1] van belang. Bij deze inkijkoperatie wordt een verwerkingslocatie voor hennep aangetroffen. Gelet op de aangetroffen luchtinstallatie en de kuipen met daarin hennepresten – het hof twijfelt niet aan de constatering van de verbalisanten dat het om hennep ging gelet op de herkenbare geur en vorm van de plant – staat het voor het hof vast dat het inderdaad om éen verwerkingslocatie gaat. […] Tot welke juridische kwalificaties leiden voornoemde feitelijke vaststellingen? […] Met in achtneming van dit toetsingskader komt het hof tot navolgende vaststellingen.
Allereerst heeft [verdachte] een cruciale rol gespeeld bij het opbouwen van de hennepplantage aan de [a-straat 1] . Volgens de getuige [betrokkene 2] heeft [verdachte] de spullen voor de opbouw van de plantage gebracht, organiseerde hij de opbouw ervan, gaf hij aanwijzingen en werkte hij zelf ook mee. Gelet op de omvang en professionaliteit van de plantage is dit een bijdrage van betekenis: Ook daarna is hij nog bij de plantage betrokken geweest, bijvoorbeeld doordat hij bij de eerste oogst de huursom ad € 10.000,00 haar [betrokkene 2] heeft gebracht en doordat hij op 27 januari en 6 februari 2009 de hennepplanten heeft geoogst. Het hof acht zijn bijdrage aan het telen van de hennep dan ook van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken.
Verder heeft het hof hiervoor al vastgesteld dat het [verdachte] is geweest die de hennep op 27 januari en 6 februari 2009 vanuit de plantage aan de [a-straat 1] naar de [b-straat 1] heeft gebracht.
Over wat hij daar vervolgens doet op 27 januari en 6 februari beschikt het hof over een duidelijke aanwijzing. Op 6 februari 2009 rond 12:57 bericht hij zijn vriendin per telefoon dat hij aan het werken is. Naar het oordeel van het- hof kan dit in het licht van hetgeen hiervóór al is aangehaald niets anders betekenen dan dat hij hennep aan het verwerken is. En hoewel over 27 januari slechts bekend is dat [verdachte] nagenoeg de hele dag in de [b-straat 1] aanwezig is geweest gaat het hof ervan uit dat hij toen ook met verwerken van hennep bezig was. Het ging immers om een zeer aanzienlijke oogst (ongeveer 1.761 planten) die verwerkt moest worden, terwijl er slechts enkele mensen in de loods aanwezig waren om die arbeid te verrichten. […]”
Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. Vervolgens moet bij de beoordeling van het middel voorop worden gesteld dat de toetsing in cassatie sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering.
Derde middel 13. Het middel klaagt dat het hof bij de bewezenverklaring van feit 2 niet heeft beraadslaagd op de grondslag van de tenlastelegging, aangezien bewezenverklaard is dat de verdachte als medepleger hennep heeft laten vervoeren, terwijl tenlastegelegd is dat de verdachte deze hennep (als medepleger) heeft vervoerd.
Geoogste hennep moet uiteraard verwerkt worden. Dat dat in de [a-straat 1] zelf zou zijn gebeurd is niet aannemelijk nu er in het geheel geen sporen zijn aangetroffen die op verwerking ter plaatse duiden. Daarom gaat het hof ervan uit dat [verdachte] de geoogste hennep in zijn auto heeft meegenomen.
Vaststaat dat [verdachte] met zijn auto zowel op 27 januari 2009 als op 6 februari 2009 vanuit de [a-straat] rechtstreeks naar de [b-straat 1] te [plaats] is gereden. Op 27 januari wordt er onderweg in het geheel niet gestopt, op 6 februari slechts ongeveer 1 minuut op het Maalbroek in Roermond. Van een mogelijkheid om de hennep onderweg ergens uit te laden en te verbergen is dus niet gebleken. Het hof gaat er dan ook van uit dat de hennep meegenomen is naar de [b-straat 1] . […] Verder heeft het hof hiervoor al vastgesteld dat het [verdachte] is geweest die de hennep op 27 januari en 6 februari 2009 vanuit de plantage aan de [a-straat 1] naar de [b-straat 1] heeft gebracht.”
Ik meen daarom dat de klacht betrekking heeft op een kennelijke misslag in de bewezenverklaring, in die zin dat het hof in de weergave van de bewezenverklaring abusievelijk de woorden “heeft laten vervoeren” heeft opgenomen in plaats van “heeft vervoerd”. Ten overvloede merk ik op dat een verklaring voor deze misslag wellicht gevonden kan worden in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (20/03510), waarin ik vandaag eveneens concludeer. In die zaak is aan de medeverdachte onder 2 namelijk onder meer tenlastegelegd dat “hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, (telkens) (grote) hoeveelheden hennep en/of delen daarvan, afkomstig van de hennepkwekerij aan de [a-straat 1] te [plaats] (Bondsrepubliek Duitsland), met een auto en/of een bestelbus, vanuit Duitsland heeft vervoerd en/althans heeft laten vervoeren naar Nederland, te weten naar de locatie [b-straat 1] te [plaats] ” (onderstreping door mij, DP).
Vierde middel 20. Het middel klaagt dat het hof bij de bewezenverklaring van feit 3 ten onrechte geen keuze heeft gemaakt tussen het opzettelijk (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) verwerken van hennep, dan wel het opzettelijk aanwezig hebben daarvan. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk verwerken van hennep is bedreigd met een hogere straf dan het opzettelijk aanwezig hebben van hennep, zodat een keuze tussen de verschillende varianten van belang is voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezenverklaarde.
Over wat hij daar vervolgens doet op 27 januari en 6 februari beschikt het hof over een duidelijke aanwijzing. Op 6 februari 2009 rond 12:57 bericht hij zijn vriendin per telefoon dat hij aan het werken is. Naar het oordeel van het hof kan dit in het licht van hetgeen hiervóór al is aangehaald niets anders betekenen dan dat hij hennep aan het verwerken is. En hoewel over 27 januari slechts bekend is dat [verdachte] nagenoeg de hele dag in de [b-straat 1] aanwezig is geweest gaat het hof ervan uit dat hij toen ook met verwerken van hennep bezig was. Het ging immers om een zeer aanzienlijke oogst (ongeveer 1.761 planten) die verwerkt moest worden, terwijl er slechts enkele mensen in de loods aanwezig waren om die arbeid te verrichten. […] Evenzeer is het hof ervan overtuigd dat een en ander zodanig grootschalig en professioneel is gedaan dat sprake is van in de uitoefening van een beroep of bedrijf, gelet op de omvang van de plantage (het aantal planten), de professionele inrichting ervan, het bedrijfsmatige karakter en de apart gelegen en goed geoutilleerde verwerkingslocatie. Dit is duidelijk niet het werk geweest van personen die 'het er bij deden', maar van professionals die daar beroepshalve mee bezig waren. Het hof merkt daarbij op dat met de woorden 'beroep of bedrijf’ geen begrippen zijn aangeduid waaruit de strafrechter een keuze moet maken (vgl. HR 1 juli 2008. ECLI.:HR:2008:BC8654, rov. 3.8.).”
Vijfde middel 28. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de hennepteelt in een pand aan de [d-straat 1] te [plaats] onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
De bewoner van het pand, [betrokkene 4] , heeft onder meer verklaard dat hij door iemand is geholpen. Die persoon heeft alles geregeld, inclusief de elektricien. Toen de plantage in bedrijf was heeft hij wel zelf de planten verzorgd. Daarvoor had hij van die ander een verzorgingsschema gekregen. Vlak vóór de eerste oogst bleek er iets mis te zijn. Die ander heeft toen de plantage, die 'tuin' genoemd werd, opgeruimd. Daarna is weer opnieuw geplant. In het dossier heeft het hof een tapgesprek aangetroffen van 12 januari 2009, waarin [verdachte] aan [betrokkene 4] vraagt wanneer die morgen thuis is, dan 'doen we de tuin opruimen' aldus [verdachte] .
Ook is een elektricien genaamd [betrokkene 5] gehoord. Nadat hij geconfronteerd werd met meerdere opsporingsgegevens verklaarde hij onder andere dat [verdachte] hem had verteld dat het de bedoeling was dat op de [d-straat 1] een hennepplantage zou komen. Met [verdachte] is hij naar het pand gegaan en daar hebben ze samen gemeten en opgeschreven wat er allemaal nodig was. [verdachte] heeft de materialen bezorgd en hij heeft [betrokkene 5] geholpen met het ophangen van de filters. Voor het werk dat hij daar heeft verricht heeft [verdachte] hem een paar honderd euro betaald.
Uit een observatie op 27 november 2008 blijkt dat de getuige [betrokkene 5] en [verdachte] bij de [d-straat 1] te [plaats] arriveren en naar binnen gaan. Dit is in de ogen van het hof een bevestiging voor de verklaring van [betrokkene 5] .
Uit een tapgesprek op 13 maart 2009 om 09:32 blijkt dat [betrokkene 4] , nadat de politie bij hem is binnengevallen, nagenoeg direct [verdachte] belt. [verdachte] heeft niets willen verklaren met betrekking tot deze hennepplantage. Zijn raadsman heeft er op gewezen dat [verdachte] hooguit de plantage heeft opgebouwd, maar dat er geen bewijs is voor betrokkenheid bij de hennepkweek of de verwerking van de hennep.
Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen staat naar het oordeel van het hof vast dat [verdachte] de hennepplantage heeft opgebouwd door daarvoor de benodigde materialen, kennis en deskundigen te leveren. Maar de betrokkenheid van [verdachte] bij de hennepplantage gaat in de ogen van hef hof verder dan het enkele opbouwen ervan. Zo betaalt hij bijvoorbeeld de elektricien, wat niet voor de hand ligt als [verdachte] slechts bemiddeld zou hebben in het contact tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] . En ook komt hij 'de tuin' opruimen als de oogst blijkt te mislukken. Ook dat wijst niet op enkel bemiddelen, maar op vergaande belangen bij deze hennepplantage, Tenslotte is het opvallend dat [betrokkene 4] na het ontdekken van de plantage meteen [verdachte] belt. Dat is niet logisch als er verder geen betrokkenheid van [verdachte] met de hennepplantage meer zou zijn.
Nu [verdachte] niet alleen de plantage heeft opgebouwd, maar er daarna ook bij betrokken is gebleven, acht het hof het aandeel van [verdachte] van zo'n zwaarwegend belang dat van medeplegen bij de teelt sprake is. Dit feit acht het hof dan ook bewezen.”
Zesde en zevende middel 35. Het zesde middel klaagt dat het hof met zijn oordeel dat de verdachte negen keer in de tenlastegelegde periode aanwezig is geweest bij de [e-straat] te [plaats] is afgeweken van het door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting ingenomen standpunt dat de bestelbus op naam van de verdachte ook door anderen werd gebruikt, terwijl dat andersluidende oordeel niet begrijpelijk is. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat het hof ook acht heeft geslagen op een observatie waaruit volgt dat de bestelbus door een ander dan de verdachte werd gebruikt.
Het zevende middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de hennepteelt in een pand aan de [e-straat 1] te [plaats] onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat, indachtig het zesde middel, uit de vaststellingen van het hof niet meer kan worden afgeleid dan dat de verdachte betrokken is bij de opbouw van de hennepplantage, bemiddeld heeft tussen de eigenaar van de hennepplantage en de elektricien en de elektricien heeft betaald. Deze vaststellingen zijn volgens de stellers van het middel onvoldoende om van medeplegen van hennepteelt te kunnen spreken.
Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Ook in deze zaak is de elektricien [betrokkene 5] gehoord. Hij verklaarde nog een hennepplantage te hebben 'gedaan' voor [verdachte] . Het betrof een hennepplantage voor een man die [betrokkene 6] heette. De plantage moest op zolder komen. Van foto's herkent hij zowel het huis als de persoon [betrokkene 6] . [betrokkene 5] heeft hiervoor € 300,00 à € 400,00 gekregen van [verdachte] .
Verder heeft het hof in het dossier peilbakengegevens aangetroffen met betrekking tot de Mercedes Vito, [kenteken] , die toentertijd in gebruik was bij [verdachte] . Uit deze gegevens blijkt dat [verdachte] in de periode 5 februari 2009 tot en met 14 april 2009 negen keer voor korte of langere tijd heeft geparkeerd in de [e-straat] te [plaats] . Een verklaring voor zijn aanwezigheid daar heeft hij niet willen geven. Naar het oordeel van het hof onderbouwen deze gegevens de verklaring van [betrokkene 5] , inhoudende dat hij voor [verdachte] een hennepplantage heeft opgezet in het pand [e-straat 1] . Ook neemt het hof aan dat [verdachte] daadwerkelijk in de [e-straat 1] aanwezig was toen zijn auto daar in de buurt werd gelokaliseerd. Daarnaast zijn er tapgesprekken geregistreerd tussen [betrokkene 6] en [verdachte] d.d. 10 februari 2008 (ik begrijp: 10 februari 2009, DP). Tijdens een observatie op 13 maart 2008 (ik begrijp: 13 maart 2009, DP) worden [verdachte] en [betrokkene 6] in de bestelbus van [verdachte] gezien bij de [e-straat] . Tijdens een andere observatie wordt gezien dat [betrokkene 6] de bestelbus van [verdachte] gebruikt en dat er goederen de woning aan de [e-straat 1] in worden gedragen. [verdachte] heeft niets willen verklaren met betrekking tot deze hennepplantage. Zijn raadsman heeft er op gewezen dat [verdachte] hooguit de plantage heeft opgebouwd maar dat er geen bewijs is voor betrokkenheid bij de hennepkweek of de verwerking van de hennep.
Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen staat naar het oordeel van het hof vast dat [verdachte] de hennepplantage heeft opgebouwd. De betrokkenheid van [verdachte] bij deze hennepplantage gaat in de ogen van het hof verder dan het enkele opbouwen ervan. Zo betaalt hij wederom de elektricien, wat niet voor de hand ligt als [verdachte] slechts bemiddeld zou hebben in het contact tussen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] . Verder valt het op hoe vaak hij bij [betrokkene 6] komt. Negen keer in de tenlastegelegde periode waaronder op 1, 8, 9, 10 en 14 april 2009. Op 16 april 2009 vindt de inval plaats waarbij de 329 hennepplanten werden ontdekt. Daaruit leidt het hof af dat [verdachte] ook bij, de plantage kwam toen er niet meer aan werd gebouwd maar al met de kweek was begonnen.
Nu [verdachte] niet alleen de plantage heeft opgebouwd, maar daar ook bij betrokken is gebleven, acht het hof het aandeel van [verdachte] van zo'n zwaarwegend belang dat van medeplegen bij de teelt sprake is. Dit feit acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen.”
In dat verband is relevant dat cliënt zijn bus regelmatig uitleende. Dat wordt gerelateerd in het dossier, maar dat blijkt ook uit het feit dat de peilbaken onder de bus zich vaak op een andere locatie bevindt dan waar de telefoon van cliënt zich bevindt.
Ik wijs op enkele voorbeelden uit de tenlastegelegde periode.
Ook vindt het steun in observatiegegevens. Tijdens de observatie van 10 februari 2009 wordt waargenomen dat [betrokkene 6] en [betrokkene 7] de bestelbus van cliënt gebruiken voor het vervoer van goederen naar de [e-straat] . Waargenomen wordt dat zij goederen, waaronder houtwerk, vanuit de bus de woning in dragen. Voor alle helderheid: cliënt is hier niet bij en wordt dus ook niet gezien (p. 3756-3757). Dat de auto van cliënt een aantal keer op de [e-straat] heeft gestaan, betekent niet dat cliënt daar eenzelfde aantal keer bij [betrokkene 6] op bezoek is geweest. Ik zie dan ook geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [betrokkene 6] en geef u in overweging cliënt vrij te spreken van het onder 5 ten laste gelegde.”
Achtste middel 45. Het middel klaagt dat het hof bij de bewezenverklaring van feit 11 niet heeft beraadslaagd op de grondslag van de tenlastelegging, aangezien bewezenverklaard is dat de verdachte het aankoopbedrag van een Yamaha crossmotor en Mercedes Vito heeft witgewassen, terwijl het witwassen van deze voorwerpen is tenlastegelegd.
Gedachtestreepje 1 en 2: de koop van een Mercedes Vito en twee Yamaha crossmotoren. […] Bij de beoordeling van feit 11 zal het hof per verfeitelijkte handeling een overzicht geven van de feiten en omstandigheden die zich hierover in het dossier bevinden en aangeven of de betreffende feiten/omstandigheden van dien aard zijn dat gesproken kan worden van witwassen. […] […] Ad 1 en 2) de aankoop van een (bedrijfs)auto en twee crossmotoren Feiten en omstandigheden Uit onderzoek door de politie is gebleken dat de verdachte op 3 december 2008 bij de firma [B] een Mercedes Vito, voorzien van het kenteken [kenteken] , heeft gekocht. De verdachte had bij de aankoop van deze bestelbus zijn eigen bestelbus ingeruild voor € 2.550,00. Het restant van het aankoopbedrag ad € 10.250,00 had de verdachte contant voldaan.
Uit het dossier blijkt voorts dat de politie op 19 januari 2010, tijdens een doorzoeking in de garage van de woning aan de [f-straat 1] te [plaats] , een crossmotor van het merk Yamaha, type YZ250F (voorzien van het framenummer [001] ) in beslag heeft genomen. Uit nader onderzoek is gebleken dat verdachte deze crossmotor op 11 november 2007 in Duitsland heeft gekocht bij het bedrijf [C] , voor een bedrag van € 6.600,00. De verdachte had dit bedrag contant voldaan.
Uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat van de verdachte geen inkomens bekend zijn over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december met 2007. In het jaar 2008 en 2009 heelt de verdachte blijkens de gegevens van de Belastingdienst wel inkomen gehad, namelijk salaris ontvangen van het bedrijf [A] B.V. Zoals het hof hierboven heeft overwogen betrof dit echter salaris uit een gefingeerd dienstverband, zodat dit inkomen niet als legaal inkomen kan worden beschouwd.
Is hier sprake van witwassen?
Voornoemde feiten en omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden van witwassen. Nu de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geld waarmee hij de auto en de crossmotor heeft gekocht, is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat dit geld – middellijk of onmiddellijk – afkomstig is uit enig misdrijf dan wel uit een van de door verdachte zelf gepleegde misdrijven. Nu verdachte geen verklaring hierover heeft gegeven acht het hof bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de aankoopbedragen van een Yamaha crossmotor en een Mercedes Vito. Dat de vader van verdachte de goederen zou hebben bekostigd is door verdachte niet gesteld en is ook anderszins niet gebleken.”
Negende middel 52. Het middel klaagt primair dat het hof niet heeft doen blijken op de voet van art. 63 Sr rekening te hebben gehouden met eerdere veroordelingen en subsidiair dat het hof heeft verzuimd art. 63 Sr te vermelden als toepasselijk wettelijk voorschrift. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat blijkens het zich bij de stukken bevindende Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 december 2018 aan de verdachte op 18 mei 2016 een strafbeschikking is opgelegd, die op 17 mei 2016 onherroepelijk is geworden.
Het hof overweegt verder, grotendeels overeenkomstig de rechtbank, het volgende.
Verdachte heeft in de eerste plaats geruime tijd een belangrijke rol gespeeld in een organisatie die zich bezighield met de grootschalige hennepteelt. Daarmee is hij een drijvende kracht achter de teelt van hennep.
De teelt van dit product zorgt regelmatig voor overlast en voor gevaarlijke situaties. Vaak vindt de teelt immers in gewone woonhuizen plaats waarna de omgeving daarvan overlast ondervindt. Ook zijn de voorzieningen vaak niet adequaat zodat bijvoorbeeld brandgevaar ontstaat voor de thuisteler en/of zijn buren. Daarnaast zijn met name de zwakkeren in de samenleving makkelijk te verleiden tot het plaatsen van een hennepplantage onder het mom van makkelijk geld en lage straffen als men gepakt wordt. Gemakshalve wordt vergeten dat, als men gepakt wordt, de gevolgen toch heel erg groot zullen zijn. Sluiting van de woning voor lange tijd en ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zijn zeer reële opties. De kwekers blijven dan vaak een stuk berooider achter dan zij al waren en zitten dus nog dieper in de problemen.
Juist verdachte treft hier een groot verwijt. Hij was immers de persoon die bij de mensen thuis kwam om de plannen voor een hennepplantage te bespreken. Het hof beschouwt hem dan ook als de man die de 'thuistelers' over de streep trok. Bij het veroorzaken van de hiervoor geschetste overlast, het gevaar en de gevolgen speelde hij een centrale rol. Verdachte bleef echter op de achtergrond en bleef buiten schot als de klap kwam. Gelet op het vorenstaande heeft het hof er dan ook zeker geen moeite mee de rekening een keer daar neer te leggen waar deze thuis hoort, bij verdachte.
Bovendien gaat het hier om deelname aan een criminele organisatie. Hoe verdachte hierbij betrokken is geraakt weet het hof niet, Het hof weet echter wel dat hij er nadrukkelijk voor gekozen heeft om op criminele wijze zijn geld te verdienen en de geldende regels aan zijn laars te lappen en dat hij die keuze steeds – bij iedere volgende plantage – weer heeft herhaald. Wie kiest voor criminaliteit en dat feitelijk keer op keer herhaald verdient geen clementie.
Hoewel de rechtbank (ik begrijp: het hof, DP) het hele complex van handelingen van verdachte dus zeker als zeer verwerpelijk beschouwt is anderzijds ook wel enige relativering op zijn plaats. De criminele organisatie richt zich op de hennepteelt, van betrokkenheid bij de productie en/of handel van de veel schadelijkere harddrugs is bijvoorbeeld niet gebleken. Daarbij komt dat in dit land het consumeren van hennep gedoogd wordt, wat de vraag naar dit product ook bevorderd. Een vraag waarin enkel via illegale teelt kan worden voorzien. Verder is het voor de rechtbank (ik begrijp: het hof, DP) van belang dat zij in dit dossier geen sporen heeft aangetroffen van geweld of andere vormen van intimidatie.
Verder heeft verdachte zich ook buiten de criminele organisatie beziggehouden met verschillende Opiumwetdelicten en witwassen.
Het hof heeft zich echter ook rekenschap gegeven van de redelijke termijn. […] […] Het hof zal daarom aan de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep consequenties verbinden. Zonder schending van de redelijke termijn zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maandén, met aftrek van voorarrest, zoals door de rechtbank is opgelegd, passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van voorarrest.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor deze duur met zich brengt. De persoonlijke omstandigheden van verdachte maken dit oordeel niet anders.
Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47, 48, 57, 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.”
Ambtshalve beoordeling van de zaak 57. Aan de verdachte is onder 10 tenlastegelegd dat: “hij op of omstreeks 19 januari 2010 te [plaats] , in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een woning aan de [f-straat 2] ) 5 hennepstekjes en/of(in totaal) ongeveer 48 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II”.
Conclusie 61. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Blijkens een akte partiële intrekking cassatie d.d. 12 augustus 2021 is het cassatieberoep partieel ingetrokken wat betreft “de vrijspraak van feit 7, de vrijspraak van feit 8 primair en de partiële vrijspraak van feit 11 (welke vrijspraak ziet op een crossmotor van het merk Yamaha, een geldbedrag van € 65.655,41, en het van het plegen van witwassen en gewoonte heeft gemaakt)”.
Met weglating van voetnoten.
Zie o.a. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413 m.nt. Rozemond onder NJ 2016/420, r.o. 3.
Met weglating van voetnoten.
Met weglating van voetnoten.
Met weglating van voetnoten.
Vgl. HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6787, rov. 3.2. Zie ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:660, onder 23) voor HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1759 (HR: art. 81 RO).
Het uittreksel Justitiële Documentatie van 20 december 2018 betreft het meest recente uittreksel Justitiële Documentatie dat zich bij de door het hof ingezonden stukken bevindt. Gelet op de datum van dit uittreksel heb ik een nieuw uittreksel opgevraagd. Naar aanleiding daarvan heb ik een uittreksel Justitiële Documentatie van 5 april 2022 ontvangen. De inhoud daarvan komt overeen met die van het uittreksel Justitiële Documentatie van 20 december 2018.
Vgl. HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, NJ 2018/475 m.nt. Vellinga, rov. 3.4.
Vgl. HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:666, rov. 6.4, en HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1817, rov. 2.5.