PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer21/00348 Zitting 12 april 2022 CONCLUSIE D.J.M.W. Paridaens In de zaak [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, hierna: de verdachte. Inleiding
(2x)Edelgrootachtbaar College, ook ten aanzien van het onder feit 2. tenlastegelegde wordt u eerbiedig verzocht cliënt hiervan (integraal) te willen vrijspreken. Dit nu het aan (voldoende) wettig èn (ook) overtuigend bewijs hiervoor ontbreekt. Het betreft hier de twee (tenlastegelegde) ‘akten van geldlening’. Waarin is vastgelegd dat onderscheidenlijk [B] B.V. en [C] B.V. bedragen ten leen hebben verstrekt aan [D], [E] en [A] ([A] B.V.). In die akten zijn een aantal rechten en verplichtingen opgenomen en er is (telkens) op vermeld: ‘aldus overeengekomen en getekend te Helmond op 30 oktober 2009’. Curator mr. [betrokkene 2] heeft in de civiele procedure (vide het vonnis van 5 maart 2014, 4.12. en 4.12.1, p.13, gevoegd als bijlage bij de pleitnotities) het bestaan van de geldlenings-overeenkomsten erkent. In die zin dat hij erkent dat er bedragen aan [A] ter leen zijn verstrekt en dat daarover rente is verschuldigd. Ook overigens is gebleken dat de in de respectievelijke akten opgenomen geldbedragen (telkens) conform en op de daarbij vermelde data (telkens) daadwerkelijk ter leen zijn verstrekt. De getuige [betrokkene 3] heeft, in hoger beroep als getuige onder meer hierover bevraagd, verklaard dat deze geldleningen overeenkomstig de inhoud daarvan zijn uitgevoerd en er op dat moment (van betalen/ten leen verstrekken telkens) overeenstemming was over de voorwaarden waaronder dat gebeurde. Ook cliënt heeft ten overstaan van uw Hof verklaard, dat hoewel een lening op zichzelf beschouwd een zg. ‘vormvrije overeenkomst’ en ook (slechts) mondeling kan worden overeengekomen, de inhoud van de (schriftelijke) akten van geldlening voor wat betreft de daarin opgenomen voorwaarden, bedragen en data van verstrekking overeenkwamen met de feitelijke situatie en hetgeen daarover was afgesproken tussen partijen. Materieel beschouwd is de integrale inhoud van de akten van geldlening derhalve niets meer maar ook niets minder dan de formele bevestiging van die lening(
- en)en bestemd om tot bewijs van dat ‘feit’ te dienen. En kan die inhoud dan ook als echt en onvervalst worden aangemerkt. Daarmee kan al niet worden gekomen tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde: ‘zulks terwijl die overeenkomsten van geldlening telkens niet zijn overeengekomen en/of gesloten per datum van betaling als bedoeld onder 1 van de preambule van die overeenkomsten van geldlening’. Daarvan zou cliënt dan ook reeds partieel dienen te worden vrijgesproken. Maar het gaat er ook helemaal niet om of die akten qua inhoud en strekking van die geldlening(
- en)‘vals en/of valselijk’ zijn opgemaakt. Dat zijn ze ook niet. Het gaat (enkel) om de datum waarop de beide akten zouden zijn ondertekend door partijen. Cliënt heeft verklaard dat de akte van geldlening van zijn b.v. (‘[B]’) door hem op 30 oktober 2009, dat is op de datum van de laatste betaling (zie in de preambule) is opgemaakt èn ondertekend. De akte met betrekking tot de geldlening(
- en)door [C] B.V. van [betrokkene 3], is tezelfder datum door of in opdracht van cliënt geconcipieerd. Zij het deze laatstbedoelde akte noodgedwongen ‘in concept’, zij het dan enkel voor wat betreft de gegevens die moesten worden opgenomen in de ‘preambule’ in die akte: te weten de onder I. genoemde bedragen, uit te splitsen onder de onderscheidenlijke bedragen en data van verstrekking, een en ander zoals op te nemen onder I. a. tot en met c.. Cliënt beschikte immers niet over die gegevens en was daarvoor afhankelijk van de input van [betrokkene 3] (en [betrokkene 1]). Laatstgenoemde akte ([C] BV) betreft ook geen akte die door cliënt diende te worden ondertekend; hij was immers geen partij bij die geldlening(en). Cliënt heeft vervolgens deze beide akten diezelfde dag (30 oktober 2009) afgeleverd bij [betrokkene 3] (op diens kantoor in Stiphout). En daar achtergelaten, voor wat betreft de akte van de B.V. van cliënt, ten behoeve van een mede-ondertekening door die [betrokkene 3] (namens [D] BV, [E] BV en [A] BV). Of [betrokkene 3] die akte (van cliënts BV) dezelfde dag buiten aanwezigheid van cliënt heeft ondertekend, is bij cliënt niet bekend. Het ‘probleem’ was in de akte van [C] gelegen. [betrokkene 3] wilde hierover, zo begreep cliënt, kennelijk een nadere toelichting van cliënt. [betrokkene 3] bleef vervolgens in gebreke de akte te completeren met de gegevens die in de preambule moesten worden opgenomen. Die omstandigheid heeft ertoe geleid dat cliënt in zijn e-mail van 20 december 2009 (D-106) aan [betrokkene 1] rappelleerde dat ‘omwille van de volledigheid van de administratie’ de overeenkomsten van geldlening schriftelijk dienden te worden vastgelegd en aan hem (cliënt) diende te worden retour gezonden. Voor welke schriftelijke vastlegging cliënt al op 30 oktober 2009 zorg had gedragen. Compleet c.q volledig voorzien van alle gegevens. En door cliënt ondertekend, voor wat betreft de akte van geldlening van de BV van cliënt. Cliënt had alleen die akte nog niet van [betrokkene 3], door die [betrokkene 3] mee ondertekend, retour mogen ontvangen. De andere akte, die van [C] BV van [betrokkene 3], kon uiteindelijk worden gecompleteerd met de gegevens die zijn opgenomen in de preambule (D-008). Deze gegevens werden, naar cliënt zich meent te kunnen herinneren, van [betrokkene 3] en/of (waarschijnlijk) door tussenkomst van [betrokkene 1], bij cliënt op kantoor ontvangen. Waarna de secretaresse van cliënt, [betrokkene 4], de akte van geldlening van [C]-beheer (enkel) heeft aangevuld met eerder bedoelde gegevens bestemd voor de preambule in die akte. Zie ook rechts bovenaan de akte de vermelding ‘[…]/[…]’. Die […] is dus de eerdergenoemde secretaresse van cliënt. Cliënt heeft uiteindelijk van [betrokkene 3] de beide akten retour ontvangen. Waarbij de beide akten (ook) waren ondertekend door die [betrokkene 3]. Als getuige bij de raadsheer-commissaris verklaart [betrokkene 3] nog dat hij de door cliënt oorspronkelijk getekende en door deze laatste op [betrokkene 3]’s kantoor achtergelaten versie heeft ondertekend. Dat de andere akte (lees: de akte van geldlening van [C] BV, WT) op een later datum door [betrokkene 3] (NB enig ondertekenaar) zal moeten zijn ondertekend, realiseert cliënt zich inmiddels ook. Maar hij heeft zo u wilt ‘nagelaten’ te verifiëren of de datum op die overeenkomst van [C] BV nog wel (ook) de datum was waarop [betrokkene 3] ‘zijn akte’ had ondertekend. Dat was voor cliënt ook niet relevant; het ging immers om een schriftelijke bevestiging van een feitelijke ‘geldleensituatie’. Waarbij alle verstrekkingen ten leen (telkens) al ‘conform mondelinge afspraak’ hadden plaatsgevonden. Het was voor de volledigheid van de administratie en ten behoeve van de verwerking en presentatie ervan in de afzonderlijke jaarrekeningen 2009. Naar het oordeel van de verdediging kan een bewezenverklaring van dit feit niet volgen. Cliënt heeft een eventueel ‘aanmerkelijke kans op de pretense valsheid (datum van ondertekening door [betrokkene 3]) niet (ook) bewust aanvaard. Naar het oordeel van de verdedi-ging kan ten aanzien van de datum van ondertekening door [betrokkene 3] niet gezegd er in casu sprake van is dat cliënt ‘zwaar verwijtbaar’ dat ‘datumaspect’ van de akte niet (andermaal) heeft geverifieerd. Noch dat, voor zover bewezen moet worden verklaard dat de akten voor ‘gebruik’ bestemd waren, bij cliënt hierbij sprake was van een ‘oogmerk tot misleiding’. Redenen waarom om een (integrale) vrijspraak wordt verzocht.” 20. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat: “hij in de periode van de maand januari 2010 tot en met 23 april 2012 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander * een overeenkomst van geldlening tussen [B] B.V. als de schuldeiser en [D] B.V., [E] B.V. en [A] B.V. als de schuldenaar en * een overeenkomst van geldlening tussen [C] B.V. als de schuldeiser en [D] B.V., [E] B.V. en [A] B.V. als de schuldenaar, zijnde die overeenkomsten van geldlening voornoemd telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn medeverdachte toen en daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid zakelijk weergegeven in die overeenkomsten van geldlening voornoemd vermeld dat die overeenkomsten van geldlening, welke telkens zijn voorzien van de handtekeningen van de overeenkomstsluitende partijen voornoemd, zijn getekend te Helmond op 30 oktober 2009, zulks terwijl die overeenkomsten van geldlening telkens in werkelijkheid niet op 30 oktober 2009, maar op een datum in de periode van de maand januari 2010 tot en met 23 april 2012 zijn getekend, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.” 21. Het hof heeft in zijn arrest het verweer als volgt samengevat en verworpen: “Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – op gronden als verwoord in de overgelegde pleitnota – bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen onder 2 aan hem ten laste is gelegd. Daartoe is – kort gezegd – het navolgende naar voren gebracht. De in de overeenkomsten van geldlening opgenomen geldbedragen zijn (telkens) conform en op de vermelde data (telkens) ter leen verstrekt. Getuige [betrokkene 3] heeft ook verklaard dat de geldleningen overeenkomstig de inhoud daarvan zijn uitgevoerd. De inhoud van de overeenkomsten van geldlening zijn niets meer maar ook niets minder dan de formele bevestiging van die lening(
- en)en van hetgeen daarover tussen partijen was afgesproken. Daarmee kan al niet worden gekomen tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde 'zulks terwijl die overeenkomsten van geldlening telkens niet zijn overeengekomen en/of gesloten per datum van betaling als bedoeld onder 1 van de preambule van die overeenkomsten van geldlening’. De akten van geldlening zijn qua inhoud en strekking niet vals en/of valselijk opgemaakt. Het gaat (slechts) om de datum waarop de overeenkomsten door de partijen zouden zijn ondertekend. Bovendien geldt ten aanzien van de geldlening(
- en)door [C] B.V. dat de verdachte de akte ter invulling van de bedragen en de data bij [betrokkene 3] heeft achtergelaten en die overeenkomst van geldlening ook niet door de verdachte diende te worden ondertekend, nu hij geen partij was bij die geldlening(en). De verdachte heeft een eventueel ‘aanmerkelijke kans op de pretense valsheid (de datum van ondertekening door [betrokkene 3])’ ook niet bewust aanvaard. Evenmin kan worden vastgesteld dat de overeenkomsten van geldlening voor ‘gebruik’ bestemd waren en dat bij de verdachte sprake was van een ‘oogmerk van misleiding’, aldus de verdediging. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Op basis van de inhoud van het dossier kan naar het oordeel van het hof met een voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de in de tenlastelegging genoemde overeenkomsten van geldlening op 30 oktober 2009 door de desbetreffende partijen zijn ondertekend. Bij dit oordeel heeft het hof de navolgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen. Op 20 december 2009 schrijft de verdachte een e-mailbericht aan [betrokkene 1] met cc naar [betrokkene 3]. Het onderwerp van het bericht luidt: ‘overeenkomsten van geldlening'. Het emailbericht heeft de volgende inhoud: “Omwille van de volledigheid van de administratie dienen de overeenkomsten van geldlening die [C] BV en [B] BV hebben met [A] c.s. schriftelijk te worden vastgelegd. Ik zal daar zorg voor dragen. De overeenkomsten zijn nagenoeg klaar. (…) Om de rente per 31 december aanstaande goed te kunnen berekenen zou ik van jou graag een opgave hebben van de data waarop de bedragen ter leen (of ter volstorting van de aandelen) door genoemde schuldeisers aan [A] c.s. ter beschikking zijn gesteld. Kun jij mij een lijstje sturen, dan handel ik de overeenkomsten af. Een deel van de betalingen wordt aangemerkt als een volstorting van de aandelen en een deel als geldlening. Ik zal in mijn berekening het onderscheid wel maken.” Dit zijn overigens de geldleningen die de verdachte aanhaalt in zijn hierboven op pagina 7 geciteerde mail van 4 januari 2010 (D-119) aan [betrokkene 3] waarin ook de aangekondigde berekening is opgenomen. Op 30 december 2009, 5:00 AM, stuurt de verdachte een e-mailbericht aan [betrokkene 3] met als titel ‘geldleningen en…'. De verdachte schrijft: “[betrokkene 3], Bijgaande geldleningen (…) Ter toelichting: [C] heeft een bedrag van € 115.000,00 -/- € 18.000,00 = € 97.000,00 ter leen verstrekt. [verdachte] heeft een bedrag van € 115.000,00 -/- € 0,00 ter leen verstrekt. (…) Ik heb ook de rente per 31 december voor elk van de partijen berekend, zodat die rente in rekening kan worden gebracht.” Bij voornoemd e-mailbericht van 30 december 2009 zijn als bijlage twee overeenkomsten van geldlening gevoegd (respectievelijk met de naam ‘Overeenkomst van geldlening [C].pdf' en ‘Overeenkomst van geldlening [verdachte].pdf'). Deze overeenkomsten zijn in het dossier terug te vinden onder documentnummer D-116 en D-117 en betreffen beiden een “OVEREENKOMST VAN GELDLENING (met verwijzing naar de pandakte de dato 13 mei 2009, geregistreerd op 14 mei daarna)”. D-116 betreft een overeenkomst tussen [C] als schuldeiser en [D] B.V., [E] B.V. en [A] B.V. als schuldenaar, waarbij in de “Preambule” is bepaald dat de schuldeiser de schuldenaar ter leen heeft verstrekt een geldbedrag van in totaal € 97.000 (€ 32.000 op 13 maart 2009, € 50.000 op 21 mei 2009 en € 15.000 op 25 oktober 2009), wordt rente overeengekomen als ook dat pandrechten zijn/worden gevestigd tot zekerheid voor de nakoming. De overeenkomst wordt als volgt afgesloten: “Aldus overeengekomen en getekend te Helmond op 30 oktober 2009”. D-117 betreft een overeenkomst tussen [B] B.V. als schuldeiser en [D] B.V., [E] B.V. en [A] B.V. als schuldenaar. Blijkens deze overeenkomst is aan de schuldenaar een geldbedrag van in totaal € 115.000 (€ 50.000 op 26 juni 2009, € 25.000 op 3 augustus 2009, € 25.000 op 28 september 2009 en € 15.000 op 30 oktober 2009) ter leen verstrekt, wordt rente overeengekomen alsmede zijn/worden pandrechten gevestigd tot zekerheid voor de nakoming. Ook deze overeenkomst wordt afgesloten met de tekst: “Aldus overeengekomen en getekend te Helmond op 30 oktober 2009”. Vanzelfsprekend zijn de bij het e-mailbericht van 30 december 2009 door de verdachte aan [betrokkene 3] als bijlage, gezonden overeenkomsten van geldlening (op dat moment) nog niet door de vertegenwoordiger(
- s)van de betrokken partijen getekend. Dat blijkt ook uit de laatste pagina’s van de overeenkomsten van geldlening, waarop (nog) geen handtekening door de betrokken partijen is geplaatst. Blijkens de zich in het dossier bevindende overeenkomsten van geldlening te weten de documenten D-008 en D-009 zijn de overeenkomsten (nadien) wel ondertekend. Document D-008 betreft een overeenkomst van geldlening, die voor wat betreft de inhoud gelijkluidend is aan het hierboven genoemde document D-116 en welke (inmiddels) is ondertekend door [betrokkene 3] als vertegenwoordiger van de betrokken partijen. Document D-009 betreft dezelfde overeenkomst van geldlening als document D-117 en is (ondertussen) ondertekend door de verdachte en door [betrokkene 3] als vertegenwoordigers van de betrokken partijen. De ondertekening van de twee overeenkomsten van geldlening heeft klaarblijkelijk plaatsgevonden naar aanleiding van en dus nà (nadere) e-mailcorrespondentie tussen de verdachte en [betrokkene 3]. In dit verband blijkt uit de inhoud van het dossier dat [betrokkene 3] op 4 januari 2010, 17:54 uur, per e-mailbericht heeft gereageerd op het hierboven genoemde e-mailbericht van de verdachte van 30 december 2009. [betrokkene 3] schrijft aan de verdachte: “Hoi Marcel, Wat mij betreft oké, een detail/vraag. Ik heb 115.000 geleend vanuit privé, waarvan 18.000 ter volstorting op de aandelen [C] bv, maakt de door jouw opgenomen 97.000. Feitelijk betekent dat dat ik ook totaal 115.000 van [A] moet terugkrijgen toch, of vergis ik me? Hoor het wel van je zodat deze stukken getekend kunnen worden en in de admin verwerkt.” De verdachte heeft per e-mailbericht van 4 januari 2010, 18:12 uur, gereageerd. De inhoud van dit e-mailbericht luidt als volgt: “[betrokkene 3], Het bedrag ter volstoring van de aandelen (18K) is tevens ter leen verstrekt aan [A] c.s. De balans van [C] laat zien: - Aan de activa zijde een vordering op [A] cs - Aan de passiva zijde aandelenkapitaal (18K) en het restantschuld aan privé. Per saldo heb jij € 106.000,00 tegoed van [A] cs (97K + de helft AK) en ik ook.” Op 4 januari 2010, 18:20 uur, antwoordt [betrokkene 3]: "Klopt, goede toelichting, nu heb ik weer een beeld, dankjewel! Zal ik de stukken uitdraaien en getekend aan jou zenden in tweevoud?” Hierop antwoordt de verdachte weer op 4 januari 2010 om 6:23 PM: “Prima, is ook belangrijk dat je beeld hebt. (…) Laten we de overeenkomst deze of volgens (het hof begrijpt: volgende) week even tekenen als we bij elkaar zitten.” [betrokkene 1] heeft naar aanleiding van de documenten D-106 en D-120 het navolgende verklaard: “[verdachte] is degene die de geldleningsovereenkomsten heeft opgemaakt. Ik heb bij het verzorgen van de jaarrekening de beschikking gekregen over deze geldleningsovereenkomsten alsmede heb ik de beschikking gekregen zoals staat vermeld in de mail over de renteopstelling aangaande deze geldleningsovereenkomsten. Na bovengenoemde email de dato 20 december 2009 (het hof begrijpt: document D-106) heb ik de beschikking gekregen over deze geldovereenkomsten en renteberekeningen.” “Vraag verbalisanten: Wij tonen u D-120. Hierin staat het volgende: (…) Laten we de overeenkomst deze of volgens week even tekenen als we bij elkaar zitten. Wat wordt bedoeld met ‘de overeenkomst’ zoals vermeld staat in de e-mail? Antwoord gehoorde: Hiermee worden de geldleningsovereenkomsten bedoeld aangaande de lening verstrekt door [betrokkene 3] alsmede [verdachte] aan de [A] vennootschappen.” Op basis van de inhoud van de hierboven weergegeven e-mailcorrespondentie in december 2009 en januari 2010 blijkt dat op dat moment (nog) wordt gesproken over het nog moeten vastleggen van de overeenkomsten, het uitdraaien van de overeenkomsten en het door [betrokkene 3] en [verdachte] (als vertegenwoordigers van de bij de overeenkomsten betrokken partijen) ondertekenen daarvan. Gelet hierop acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de twee betreffende overeenkomsten van geldlening in de periode van de maand januari 2010 tot en met 23 april 2012 door [betrokkene 3] en [verdachte] (als vertegenwoordigers van de bij de overeenkomsten betrokken partijen) zijn getekend en niet op 30 oktober 2009. De overeenkomsten van geldlening zijn voor wat betreft de datum waarop die door [betrokkene 3] en/of de verdachte zijn getekend dan ook valselijk opgemaakt. Op basis van de inhoud van het dossier en ook overigens is het hof niet gebleken dat de hierboven genoemde e-mailberichten betrekking zouden hebben op een andere overeenkomst van geldlening dan de in de tenlastelegging genoemde geldleningsovereenkomsten. Het verweer van de verdediging vindt zijn weerlegging in de gebruikte bewijsmiddelen, zodat het geen verdere bespreking behoeft.” 22. Met het middel wordt ten eerste geklaagd dat het hof delen van een verweer over het ontbreken van opzet niet goed zou hebben weerlegd, te weten dat de inhoud van de overeenkomst juist is, dat de verdachte daadwerkelijk geldbedragen aan de in de overeenkomst genoemde wederpartij heeft verstrekt en dat de curator dit ook heeft erkend. Het hof zou zelfs hebben vastgesteld dat de verdachte conform de overeenkomst eerder geldbedragen heeft verstrekt. 23. De klacht gaat kennelijk over het volgende deel van het verweer: “Curator mr. [betrokkene 2] heeft in de civiele procedure (vide het vonnis van 5 maart 2014, 4.12. en 4.12.1, p.13, gevoegd als bijlage bij de pleitnotities) het bestaan van de geldlenings-overeenkomsten erkent. In die zin dat hij erkent dat er bedragen aan [A] ter leen zijn verstrekt en dat daarover rente is verschuldigd. Ook overigens is gebleken dat de in de respectievelijke akten opgenomen geldbedragen (telkens) conform en op de daarbij vermelde data (telkens) daadwerkelijk ter leen zijn verstrekt. De getuige [betrokkene 3] heeft, in hoger beroep als getuige onder meer hierover bevraagd, verklaard dat deze geldleningen overeenkomstig de inhoud daarvan zijn uitgevoerd en er op dat moment (van betalen/ten leen verstrekken telkens) overeenstemming was over de voorwaarden waaronder dat gebeurde. Ook cliënt heeft ten overstaan van uw Hof verklaard, dat hoewel een lening op zichzelf beschouwd een zg. ‘vormvrije overeenkomst’ en ook (slechts) mondeling kan worden overeengekomen, de inhoud van de (schriftelijke) akten van geldlening voor wat betreft de daarin opgenomen voorwaarden, bedragen en data van verstrekking overeenkwamen met de feitelijke situatie en hetgeen daarover was afgesproken tussen partijen. Materieel beschouwd is de integrale inhoud van de akten van geldlening derhalve niets meer maar ook niets minder dan de formele bevestiging van die lening(
- en)en bestemd om tot bewijs van dat ‘feit’ te dienen. En kan die inhoud dan ook als echt en onvervalst worden aangemerkt. Daarmee kan al niet worden gekomen tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde: ‘zulks terwijl die overeenkomsten van geldlening telkens niet zijn overeengekomen en/of gesloten per datum van betaling als bedoeld onder 1 van de preambule van die overeenkomsten van geldlening’. Daarvan zou cliënt dan ook reeds partieel dienen te worden vrijgesproken.” 24. Nu dit deel van het verweer strekt tot vrijspraak van het deel van de tenlastelegging “zulks terwijl die overeenkomsten van geldlening telkens niet zijn overeengekomen en/of gesloten per datum van betaling als bedoeld onder 1 van de preambule van die overeenkomsten van geldlening”, faalt de klacht, omdat het hof dit niet bewezen heeft verklaard. 25. Met het middel wordt ten tweede geklaagd dat uit de bewijsmiddelen en bewijsmotivering niet zou blijken dat het geschrift een andere bestemming had dan intern gebruik, terwijl er bij intern gebruik geen derden betrokken zijn, zodat er geen oogmerk van misleiding kan zijn. 26. Het hof heeft in zijn arrest vastgesteld dat de verdachte op 20 december 2009 in een e-mailbericht aan [betrokkene 1] met cc naar [betrokkene 3] heeft geschreven dat de overeenkomsten van geldlening “Omwille van de volledigheid van de administratie” schriftelijk dienen te worden vastgelegd. Daaruit blijkt dat de overeenkomsten bedoeld waren om als onderdeel van de administratie te overleggen. De stellers van het middel gaan er kennelijk vanuit dat de verdachte een administratie met ondertekende geldleningsovereenkomsten uitsluitend voor eigen gebruik nodig heeft gehad. Wat mij betreft, is dat niet waarschijnlijk en was het hof daarmee niet gehouden tot een nadere motivering. 27. Met het middel wordt ten derde en tot slot geklaagd dat uit het arrest en de bewijsmiddelen niet zou blijken dat de verdachte opzet heeft gehad op het vervalsen van de overeenkomsten. 28. Het hof heeft vastgesteld dat het verweer van de verdediging zijn weerlegging vindt in de gebruikte bewijsmiddelen, zodat het geen verdere bespreking behoeft. Uit die bewijsmiddelen blijkt volgens het hof: (
- i)dat de verdachte op 20 december 2009 aan [betrokkene 1] met cc naar [betrokkene 3] heeft geschreven dat de overeenkomsten nagenoeg klaar zijn en dat hij de overeenkomsten zou afhandelen; (
- ii)dat de verdachte op 30 december 2009 de overeenkomsten heeft gestuurd aan [betrokkene 3]; (iii) dat in deze overeenkomsten staat vermeld: “Aldus overeengekomen en getekend te Helmond op 30 oktober 2009”; (
- iv)dat deze overeenkomsten op dat moment nog niet door de vertegenwoordiger(
- s)van de betrokken partijen waren getekend; (
- v)dat deze overeenkomsten (nadien) wel zijn ondertekend: één overeenkomst door [betrokkene 3] als vertegenwoordiger van de betrokken partijen en de andere overeenkomst door de verdachte en door [betrokkene 3] als vertegenwoordigers van de betrokken partijen; (
- vi)dat de ondertekening van de twee overeenkomsten van geldlening klaarblijkelijk heeft plaatsgevonden na (nadere) e-mailcorrespondentie tussen de verdachte en [betrokkene 3] op 4 januari 2010; (vii) dat de verdachte in die correspondentie heeft aangegeven: “Laten we de overeenkomst deze of volgens (het hof begrijpt: volgende) week even tekenen als we bij elkaar zitten”; (viii) dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte de geldleningsovereenkomsten heeft opgemaakt. 29. Uit het voorgaande heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte bij het opstellen van de overeenkomsten wist dat de datering ervan niet juist was en dat de verdachte dus opzet heeft gehad op het vervalsen van de overeenkomsten. Het oordeel van het hof is daarom niet onbegrijpelijk en hoefde niet nader te worden gemotiveerd. 30. Het middel faalt in al zijn onderdelen. Slotsom 31. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. 32. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. 33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Bijv. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7908, r.o. 2. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 179. HR 2 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AB7950, NJ 1999/739 m.nt. J. de Hullu, r.o. 5. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 m.nt. J.M. Reijntjes (Post-Keskin). Met weglating van voetnoten. Conclusie van 25 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:60 (HR: art. 81 RO, zie HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:371, r.o. 2). HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, NJ 2017/441 m.nt. T. Kooijmans. Met weglating van voetnoten.