PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer21/01312 Zitting 19 april 2022 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak Stichting Hells Angels Haarlem, gevestigd te Haarlem, hierna: de verdachte. De verdachte is bij arrest van 10 maart 2021 door het Gerechtshof Amsterdam wegens ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ veroordeeld. Het hof heeft een groot aantal inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard, waaronder het ‘Clubhuis Hells Angels ( [a-straat 1] te Haarlem), eigendom van de Stichting Hells Angels Haarlem’. Daarbij heeft het hof bevolen dat de netto-opbrengst van het verbeurdverklaarde clubhuis na aftrek van een bedrag van € 80.000 aan de Stichting wordt uitbetaald. Het hof heeft voorts van een aantal voorwerpen de onttrekking aan het verkeer bevolen. Er bestaat samenhang met de zaken 21/01219, 21/01206, 21/01309, 21/01271, 21/01305 en 21/01272. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel bevat bewijsklachten. Het tweede middel bevat een klacht over de verbeurdverklaring van het clubhuis. Voordat ik het eerste middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring, een deel van de pleitnota, de bewijsoverwegingen en een deel van de in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen weer, en maak ik nog een aanvullende opmerking. Bewezenverklaring, pleitnota, bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen 5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: ‘zij in of omstreeks de periode van 01 mei 2014 tot en met 26 januari 2017 te Haarlem en elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit: -verdachte,en - Hells Angels, charter Haarlem (gevormd door: [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] ) en - [betrokkene 4] , welke organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, te weten één of meer misdrijven omschreven in:- artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen) en - artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (het opzettelijk brand stichten of een ontploffing te weeg brengen) en - artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht (een ander door geweld of enige andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of bedreiging met enige andere feitelijkheid, gericht tegen die ander of tegen een derde wederrechtelijk dwingen iets te doen of niet te doen of te dulden) en - artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen en/of bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling of brandstichting) en - artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (mishandeling) en - artikel 301 van het Wetboek van Strafrecht (mishandeling gepleegd met voorbedachte raad) en - artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht (zware mishandeling) en - artikel 303 van het Wetboek van Strafrecht (zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad) en - artikel 304 aanhef en onder sub 2 van het wetboek van strafrecht (mishandeling, mishandeling met voorbedachte raad en/of zware mishandeling van een of meer ambtenaren gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn / hun bediening) en - artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (afpersing) en - artikel 26 van de Wet Wapens en Munitie (voorhanden hebben van (een) wapen(
- s)en munitie van de categorie(ën) II en III van de Wet wapens en munitie).’ 6. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gehouden op 26 januari 2021 blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte en de raadslieden van de medeverdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] gezamenlijk het woord tot verdediging hebben gevoerd overeenkomstig overgelegde pleitnotities. Deze houden onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten en verwijzingen): ‘‘Feit 1: deelname aan een criminele organisatie met geweldsoogmerk door (…) de stichting Hells Angels Haarlem (…) 4. In tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank en het openbaar ministerie, handhaaft de verdediging in hoger beroep het standpunt dat cliënten dienen te worden vrijgesproken van de deelname van een criminele organisatie ex artikel 140 Sr wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. 5. De volgende omstandigheden van artikel 140 Sr zal de verdediging cumulatief afzonderlijk bespreken: a. Geen deelname criminele organisatie door cliënten wegens ontbreken van enig oogmerkb. Geen wetenschap van strafbare feiten en dus geen deelname aan een criminele organisatie Primair: geen deelname aan een criminele organisatie door cliënten, geen oogmerk 6. Dat cliënten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] lid zijn van het charter Hells Angels Haarlem en dat de stichting de beheerder is van hun clubhuis wordt niet betwist. Dat het charter een organisatie is met een bepaalde structuur, zal de verdediging ook niet betwisten. Wat wel wordt betwist is dat cliënten hebben deelgenomen aan een organisatie die het oogmerk heeft gehad strafbare feiten te plegen. Kortom betwist wordt dat cliënten deel hebben genomen aan een criminele organisatie. De verdediging stelt zich derhalve op het standpunt dat zij dienen te worden vrijgesproken. 7. De reden dat verdediging stelt dat geen sprake is van deelname aan een criminele organisatie is gelegen in het feit dat sprake is geweest van twee organisaties in het onderzoek Toren. Er kan namelijk worden gesproken over de Hells Angels Haarlem, een vereniging, een organisatie zonder een oogmerk tot het plegen van strafbare feiten. En een, kleinere, organisatie gevormd door drie leden van de Hells Angels Haarlem en een niet lid, die een dergelijk crimineel oogmerk wel hebben gehad en waartoe cliënten niet hebben behoord en waarvan zij geen lid zijn geweest. 8. Uit het onderzoek Toren volgt namelijk dat er vier hoofdverdachten zijn. [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . 9. De eerste signalen die aanleiding gaven voor het onderzoek kwamen in 2014 binnen; waarop het onderzoek gericht op de hoofdverdachten vervolgens in maart 2015 is gestart. De reden daarvoor is bekend, deze hoofdverdachten waren betrokken bij alle incidenten. Het gehele onderzoek richtte zich bijna twee jaar lang op hen. (…) 10. Van belang daarbij is allereerst dat de groep hoofdverdachten in alle zaaksdossiers individueel of met elkaar worden verdacht van het plegen van de strafbare feiten met uitzondering van het vermeende vuurwapen bezit van cliënt [medeverdachte 6] en de vermeende deelname aan openlijk geweld door cliënt [medeverdachte 4] . 11. Daarnaast zijn de omstandigheden dat medeverdachte [betrokkene 4] geen lid was van het charter en dat de overige medeverdachten enkel deelname aan een criminele organisatie wordt verweten. Die twee omstandigheden maken dat het charter en ook de stichting niet automatisch de organisatie is geweest die een oogmerk tot het plegen van misdrijven heeft gehad. De enige link tussen cliënten en drie van de vier hoofdverdachten is echter dat charter, meer niet. 12. Gelet op het voorgaande is – primair – sprake geweest van twee verschillende groepen, twee organisaties. De eerste wordt gevormd door het gehele charter Hells Angels Haarlem (en daar behoorde [betrokkene 4] niet toe) en de tweede bestond uit de vier hoofdverdachten (inclusief [betrokkene 4] ). Cliënten zijn alleen in verband te brengen met die eerste organisatie en bij die eerste organisatie kan de deelname aan criminele organisatie niet worden vastgesteld nu het criminele oogmerk bij een gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs daartoe niet kan worden aangenomen. Cliënten hebben slechts deelgenomen aan een organisatie, niet aan een criminele organisatie. Twee organisaties, twee verschillende oogmerken 13. De verdediging stelt zich allereerst op het standpunt dat het feit dat de vier hoofdverdachten al dan niet (gewelds)misdrijven hebben gepleegd en tegen bepaalde personen kenbaar hebben gemaakt dat zij dat uit naam van het gehele charter c.q. de medeverdachten deden, niet maakt dat cliënten daarmee ook onderdeel hebben uitgemaakt van diezelfde organisatie die deze misdrijven tot het oogmerk heeft gehad. 14. Simpeler gezegd: de vier hoofdverdachten kunnen met elkaar weliswaar een intensieve duurzame organisatie hebben gehad met het oogmerk tot het plegen van misdrijven en het opbouwen van een bepaalde gewelddadige reputatie van de Hells Angels in Haarlem et cetera, maar dat maakt niet dat dit dezelfde organisatie is geweest waartoe cliënten zouden behoren en dat cliënten derhalve ook onderdeel zijn geweest van de organisatie met zo’n oogmerk. 15. Van belang om dit te kunnen beoordelen is het feit dat de vier hoofdverdachten gedurende de ten laste gelegde periode intensief onderling met elkaar hebben overlegd en contact hebben over het eventueel plegen van misdrijven. Nergens uit blijkt dat zij daarbij hulp of ondersteuning hebben gekregen vanuit de overige leden van het charter. Dit bevestigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ook telkens tijdens de behandelingen van hun strafzaken in eerste aanleg en tijdens hun getuigenverhoren. Daarbij sprak geen van deze drie over een bijdrage van de andere leden aan de intensieve samenwerking die zij met zijn drieën hadden. Tekenend zijn de verklaringen van [betrokkene 3] : “Ik vergaderde in besloten kring met de twee andere verdachten. [...] Wij drieën hadden zonder overleg de vinger in de pap. Met de rest hadden we nauwelijks tot geen contact, niet over bepaalde dingen die besproken waren.” en “Als mensen niets weten, horen of zien kunnen ze daar ook geen vragen over stellen.” 16. Nergens blijkt uit dat cliënten op de hoogte zijn geweest van het plegen van strafbare feiten en dat deze feiten namens het charter werden gepleegd en derhalve ook op hen sloegen als lid van het charter. Sterker nog uit de verklaring van [betrokkene 3] blijkt juist dat het niet de bedoeling was dat andere members van de hoed en de rand wisten. 17. Dat sprake is van twee organisaties, of beter gezegd: een kleine organisatie binnen een grotere organisatie, blijkt ook uit de verklaring van ex Hells Angels lid [betrokkene 5] : “[betrokkene 1] was van de jonge lichting in de club en in 2014 was er een duidelijke splitsing ontstaan tussen de oude en de jongere lichting clubleden.” De rechtbank overweegt zelf: “In zijn verklaringen schetst [betrokkene 5] een beeld van de Hells Angels Haarlem, waarbij er vanaf 2014 met de komst van [betrokkene 1] , die vervolgens president werd, een groep binnen de groep is ontstaan; de ‘oude’ en de ‘nieuwe garde’”. Dit biedt beide ondersteuning voor het standpunt van de verdediging dat sprake is geweest van twee aparte organisaties met tevens verschillende oogmerken. 18. Kortom, het enkele feit dat vier hoofdverdachten bezig zouden zijn geweest met het plegen van (gewelds)misdrijven (onderdeel A in de vonnissen) en een reputatie van de Hells Angels Haarlem hebben laten ontstaan ten opzichte van de (Haarlemse) maatschappij (onderdeel C in de vonnissen), maakt niet dat de overkoepelende organisatie waartoe cliënten zouden behoren hetzelfde oogmerk zouden hebben gehad. Schematisch ziet dat er als volgt uit: (…) 19. De organisatie in de buitenste ring in het schema bestaat uit de groep personen die allemaal lid zijn van het charter. Deze groep heeft dezelfde organisatorische kenmerken die door de rechtbank zijn genoemd in haar vonnis, namelijk dat: a. alle personen lid zijn van de club Hells Angels Haarlem; b. de contributie wordt stort op de bankrekening van de Stichting Hells Angels Haarlem ten behoeve van de vaste lasten van het clubhuis; c. op donderdagavond een vergadering is van het charter, d. er eigen clubregels zijn e. beslissingen op een democratische wijze worden genomen waarbij alle leden een stem hebben in te nemen beslissingen. 20. Enkel op basis van deze kenmerken blijkt die groep personen, het charter zónder [betrokkene 4] , geen organisatie te hebben gevormd met als oogmerk het plegen van misdrijven. De voornoemde kenmerken kunnen immers kenmerken zijn van iedere voetbalclub in Amsterdam en zijn geen kenmerken van een criminele organisatie. 21. Dat een deel van de leden van een club (de hooligans) zich vervolgens schuldig maken aan allerlei strafbare feiten uit naam van die club maakt immers nog niet dat alle leden van die club daarvan wetenschap hebben, laat staan daarmee instemmen. 22. In tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen, stelt de verdediging zich overigens op het standpunt dat medeverdachte [betrokkene 4] geen onderdeel heeft uitgemaakt van het charter en [betrokkene 4] derhalve ook geen deelnemer is geweest van dezelfde organisatie waartoe cliënten behoren. Daarvoor is ook geen enkel bewijs voorhanden. [betrokkene 4] had geen contact met andere leden anders dan de drie hoofdverdachten: [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en was geen lid van het charter. Dat is ook een ondersteuning voor het feit dat sprake is geweest van twee aparte organisaties, met verschillende oogmerken. [betrokkene 4] wordt niet gezien in het clubhuis, niet bij vergaderingen en heeft – anders dan aan ‘de drie’ – geen enkele boodschap aan het charter doorgegeven. Zij speelt derhalve ten aanzien van het charter geen enkele rol, hooguit een rol binnen de kleine organisatie met de drie hoofdverdachten waarvan zij wel deel leek uit te maken. 23. Al de genoemde kenmerken maken weliswaar dat een samenwerkingsverband bestaat tussen cliënten en de hoofdverdachten (behalve [betrokkene 4] ), maar niet dat dát samenwerkingsverband, het charter, ook het oogmerk had tot het plegen van misdrijven. Het samenwerkingsverband met zo’n oogmerk zou op basis van het dossier eerder hebben bestaan bij de organisatie tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] én [betrokkene 4] , de kleinere zwarte cirkel in het schema. Cliënten behoren niet toe aan die organisatie. Dat er tussen de hoofdverdachten een intense relatie bestaat bevestigde [betrokkene 1] ook: “Voor mij is zij een fantastische vrouw en ik neem het mijzelf kwalijk dat zij door mij op een verkeerde manier in beeld is gebracht. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn onze privévrienden. Wij komen op elkaars verjaardagen. Wij zijn er voor elkaar, ook als er iets vervelends aan de hand is.” 24. En ook [betrokkene 3] wees ook op hun onderlinge verhoudingen: “Zij zijn mijn vrienden. Ik ging buiten de club met ze om. We hadden regelmatig contact, over schrijnende dingen maar ook over leuke dingen.” En: “Ik had alleen contact met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Zij zijn als familie voor mij.” OVC-gesprek Mercedes – “één lijn” 25. Kort zal ik in dit kader nog enkele opmerkingen plaatsen bij het OVC-gesprek van [betrokkene 1] op 19 januari 2016 waarin hij ‘zijn lijn’ benoemde. 26. Dat [betrokkene 1] tegen een niet-lid van de Hells Angels Haarlem opschept over ‘zijn lijn’, maakt niet dat die lijn er
- a)daadwerkelijk is geweest
- b)die lijn is besproken met alle leden van de Hells Angels Haarlem en
- c)dit een lijn is die door het hele charter, dus ook cliënten, wordt gesteund. 27. De stelling dat cliënten dit dus zouden weten, vindt geen enkele ondersteuning in het dossier. Sterker nog uit alle verhoren in hoger beroep is juist het tegendeel gebleken. [medeverdachte 1] antwoordt op de vraag of de club als ‘kei en kei hard’ bekend stond: “In mijn beleving niet, in hun beleving misschien. Waarom moet dat, daar gaat het helemaal niet om. Ik [betrokkene 10] voor de Oude-Jongens-Krentenbrood mentaliteit.” [medeverdachte 3] kan zich de specifieke uitspraak niet herinneren, maar noemt het eveneens ‘grote praat’. 28. Opmerkelijk in dit verband is ook dat dit niet blijkt uit enige feitelijke handeling of gesprek tussen de oudere garde binnen of buiten het clubhuis, hetgeen natuurlijk wel te verwachten zou zijn als dit clubbreed zou gelden. Kortom die lijn was er wellicht wel, maar niet binnen de Hells Angels Haarlem, maar slechts binnen de kleine op zichzelf staande organisatie van [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] . 29. Een dergelijke organisatie bestond hooguit enkel uit de vier hoofdverdachten en stond los van hun lidmaatschap van het charter. Dat getuigen en anderen aannamen of is verteld dat deze vier hoofdverdachten werden gesteund in hun doen en laten door de overige leden van het charter, maakt dit niet anders. Die personen konden immers niet van de hoed en de rand weten. Zulks is ook gebleken uit getuigenverklaringen waaruit naar voren kwam dat nimmer is gesteld dat dergelijk handelen vanuit de club werd gedaan, maar vaak ‘een persoonlijk dingetje’ was. [medeverdachte 6] heeft bijvoorbeeld verklaard dat [betrokkene 2] tegen hem heeft gezegd dat zijn aanvaring met [betrokkene 6] een persoonlijk ding was. En [medeverdachte 3] wees uw hof erop dat getuige [betrokkene 7] slechts enkele weken hang around is geweest en dus geen weet kon hebben of bepaalde handelingen van de hoofdverdachten namens de club werden verricht. 30. Het charter steunden de vier hoofdverdachten niet in hun criminele doen en laten en steunden hun ook niet in hun oogmerk strafbare feiten te plegen. Het verschil in strafbladen tussen de hoofdverdachten en de rest van de verdachten spreekt in dit kader voor zich. Ook is kenmerkend wat [betrokkene 1] hierover zegt: “Ikzelf heb losse handjes en [betrokkene 10] in het verleden gewelddadig geweest. Daar heb ik een straf voor gehad en daar heb ik van geleerd. Dat heeft niets met de club te maken. Veel leden hebben – naast de verdenking van deelname aan een criminele organisatie – geen andere feiten op hun tenlastelegging staan.” 31. Alle verdachten hebben ten overstaan van uw hof bevestigd dat zij niet hebben geweten van de vreselijke dingen waarvan de vier hoofdverdachten verantwoordelijk waren totdat zij het dossier in handen kregen. 32. Dat anderen uit naam van de club dergelijke strafbare handelingen zouden verrichten was ook alles behalve te verwachten. Immers, hebben alle verdachten ter zitting erkend dat ingrijpende beslissingen in de vergadering moesten worden besloten, of in elk geval werd gevraagd wat men er van vond. Niets in de dat verband is gebeurd. Het dossier bevat geen OVC-opnames die daar op wijzen. Daaruit blijkt ook dat zij op eigen houtje bezig waren. 33. Dat aangevers zelf menen dat dit gedragingen zijn met goedkeuring van de “oude garde”, is een veronderstelling van de aangevers. Zij hebben het gevoel, veronderstellen, dat cliënten en overige oude leden niet zouden hebben kunnen ingrijpen en niets hebben kunnen doen tegen strafbare gedragingen die door de hoofdverdachten namens het chapter zouden zijn gepleegd. Al deze aangevers, op basis van wiens verklaringen de rechtbank tot verstrekkende conclusies komt, hebben echter geen enkele onderbouwing voor dat gevoel, die veronderstelling die zij hebben. Zij hebben geen enkele concrete aanwijzing, anders dan hun gevoel, dat de oude garde op enige wijze zou hebben kunnen én moeten ingrijpen ten aanzien van de hoofdverdachten. Zij hebben immers ook geen enkele concrete aanwijzing, anders dan hun gevoel, dat de gedragingen jegens hen namens het chapter werden gepleegd. 34. Het is op basis van hun gevoel, hun veronderstelling, net zo goed mogelijk, al ware het een alternatief scenario, dat de hoofdverdachten de buitenwereld hebben laten veronderstellen dat zij handelden namens het chapter, terwijl dat eigenlijk helemaal niet het geval was, integendeel. In dit alternatief scenario, dat geenszins onaannemelijk is en niet haaks staat op bewijsmiddelen in het dossier, is het zeer wel mogelijk dat de hoofdverdachten ook tegenover cliënten slechts hebben doen blijken dat zij zelf persoonlijk bepaalde gedragingen hebben gepleegd, zoals ze ook zelf hebben verklaard en niet dat zij deze gedragingen namens het chapter hebben gepleegd. Uit geen enkel OVC-gesprek in het clubhuis blijkt dat er is gestemd over “boetes”, gestemd over motoren die moeten worden ingeleverd of is gestemd over bepaalde incidenten met andere motorclubs. Conclusie 35. Kortom, de onderdelen (A, B en C) beschreven in het vonnis van de rechtbank, die kenmerkend zouden zijn voor het oogmerk van de vermeende organisatie van cliënten (grote cirkel), gaan wat de verdediging betreft niet op. 36. Allereerst heeft de organisatie waartoe cliënten zouden toebehoren, enkel het charter zonder [betrokkene 4] , nimmer bijgedragen dan wel enige rol gehad bij een bedreigende en gewelddadige reputatie van het chapter (onderdeel A in het vonnis) dan wel bij enige strafbare feiten, gepleegd door de vier hoofdverdachten (onderdeel C in het vonnis). Die onderdelen hebben eerder betrekking op de organisatie bestaande uit [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Niet het charter waar cliënten lid van zijn. Dan blijft onderdeel B, het belonen van geweld door het charter, over. Ook dat kan niet aan cliënten worden gelieerd. Daartoe wijs ik op het volgende. Beloning geweld gelieerd aan organisatie cliënten, het charter ? 37. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de overwegingen van de rechtbank omtrent een beloningssysteem voor het plegen van geweld feitelijke onderbouwing mist en derhalve niet het oogmerk van enige organisatie waartoe cliënten zouden behoren kan vaststellen. 38. De rechtbank heeft het beloningssysteem – summier – vastgesteld op basis dat: a. bepaalde uiterlijke kenmerken van de Hells Angels (Haarlem) zichtbaar waren en verdachten daar niets over zouden willen zeggen, dat Dequiallo, Deathhead Purple Heart, Ball Peen Hammer etc. (deel B in het vonnis) hoe dan ook in direct verband zouden hebben gestaan met het belonen van geweld binnen het charter Hells Angels Haarlem (en derhalve bij kenmerken van de buitenste ring zouden behoren) en; b. cliënt [medeverdachte 6] zou hebben gefluisterd dat men moet zwijgen, cliënten dit ook doen en Omerta zou staan geschreven op de muur van het clubhuis. Uiterlijke kenmerken 39. De genoemde uiterlijke kenmerken en termen zouden een onderdeel vormen van het charter en onderbouwing bieden voor het oogmerk. De verdediging bestrijdt die onderbouwing, nog los van het feit dat het charter als geheel geen organisatie vormde die het oogmerk heeft gehad op het plegen van de verschillende strafbare feiten genoemd in de zaaksdossiers. 40. Allereerst hebben cliënten en de medeverdachten wel degelijk verklaard - en is dus geen sprake van omerta - over de genoemde uiterlijke kenmerken. In eerste aanleg verklaarden zij namelijk al dat het hun niet zoveel zegt en als het ze wat zegt, het vooral kenmerken zijn die van oudsher al bij de Hells Angels horen. 41. Ten overstaan van uw hof verklaarde [medeverdachte 3] : “Dequiallo betekent voor mij persoonlijk niks. Voor sommigen ziet het op een tegenslag die zij hebben overwonnen en dat zij nu weer vol in het leven staan. Daar heeft het mee te maken. Ik ken wel een paar die dat dragen [...] Ik ken niemand die geweld heeft gebruikt tegen de politie.” 42. Ter terechtzitting ten overstaan van uw hof zijn alle verdachten uitgebreider ingegaan op hetgeen dergelijke patches en symbolen volgens hen én voor hen betekenen. Cliënt [medeverdachte 4] heeft uw hof uitgelegd waarom hij eerder op de oppervlakte bleef met betrekking tot de betekenis van de patch Dequiallo. Cliënt [medeverdachte 4] heeft een groot wantrouwen tegen iedereen en heeft al meermaals zaken ook hun context zien worden gehaald. Nu heeft hij het uitgelegd, het gaat voor hem over het overwinnen van heftige levensgebeurtenissen. 43. Dat anderen daaraan mogelijk een andere betekenis geven, doet daar dan ook niks aan af. 44. Daarnaast bestaan er ook objectieve contra-indicaties voor de betekenis van de genoemde termen zoals Dequiallo. Zo blijkt uit de strafbladen van de verdachten in het onderzoek Toren namelijk geen enkel verband tussen het plegen van een geweldshandeling en het dragen van een patch zoals Dequiallo of Deathhead Purple Heart. Sterker nog het openbaar ministerie heeft op geen enkele wijze onderbouwd noch aangetoond dat überhaupt door één of meer leden van Hells Angels verzet tegen gezagsdragers is gepleegd waarvoor een dergelijke patch zou zijn verstrekt. Datzelfde geldt voor de Deathhead Purple Heart. Wegens het ontbreken van dat verband kunnen die termen dan ook geen ondersteuning vormen voor een beloningssysteem binnen enig oogmerk van een organisatie waartoe cliënten behoorden. 45. In dit kader merkt de verdediging op dat het openbaar ministerie ter onderbouwing van de betekenissen en de stelling dat de patches aantonen dat geweld beloond wordt, heeft gewezen op het arrest in de civiele zaak. Ter onderbouwing in die zaak is gewezen op een tap gesprek uit nota bene onderhavige strafzaak. Het laat zich overigens inmiddels wel raden uit welke groep de persoon komt die deze uitlating heeft gedaan. Het is echter aan uw hof om in deze strafzaak onder meer te oordelen over de vraag of in de organisatie van cliënten sprake is van beloning van geweld. Het oordeel van een ander hof in een civiele zaak over een aannemelijke betekenis is daarbij mijns inziens geenszins redengevend. 1% 46. Het openbaar ministerie ziet ook in het 1%-teken een criminogene factor. Het staat op het clubhuis, op de colours en diverse leden hebben het ook op hun lichaam getatoeëerd. 47. Ten overstaan van uw hof hebben de verschillende getuigen daarover echter een verklaring afgelegd. De herkomst van de ‘1%’ is bekend en stamt van een uitspraak van meer dan 60 jaren geleden. 48. Getuige [medeverdachte 3] verklaarde hierover dat hij het zag als geuzennaam, hetgeen het openbaar ministerie overigens onderschreef. En bovenal dat hij zich er niet mee associeerde. Getuige [medeverdachte 6] verklaarde het gezien te hebben als een onderscheid tussen Harleyrijders (de ‘echte’ motorrijders) en de motorrijders op bijvoorbeeld Japanse merken. Hij verklaarde: “In de loop der jaren wordt dat een ding, iedereen hecht er een andere betekenis aan’’. Getuige [medeverdachte 2] verklaarde voorts er niet zoveel mee te hebben. 49. Kortom, iedereen heeft zijn eigen interpretatie van dergelijke patches, tatoeages of muurschilderingen. Uit de inhoud van de verschillende verklaringen volgt dat deze uitingen geen eenduidige betekenis hebben waarmee cliënten zich associeerden. Als zij al wetenschap hadden van een van de mogelijke betekenissen, betekent dat nog geenszins dat zij hiermee in zijn algemeenheid hebben geweten van een oogmerk tot het plegen van misdrijven. Een vergelijking zou kunnen worden getrokken met het hijsen van een piratenvlag op een boot. Dragen die booteigenaren daarmee een oogmerk tot geweld uit? Of kan het voeren van deze vlag ook anders worden geïnterpreteerd zoals het idee dat het gewoon stoer staat.Tussenconclusie 50. Conclusie, de betekenis die de rechtbank heeft toegekend enkel aan bepaalde uiterlijke kenmerken en termen, is niet objectief vast te stellen in de onderhavige zaak. Niet is immers vast te stellen dat daaruit het belonen van geweld kan worden aangenomen als zijnde een kenmerk van een organisatie waartoe cliënten behoorden. Het feit dat uit een onderzoek de betekenis zou volgen van verschillende termen, doet daar niets aan af. Het moet in de concrete casus worden vastgesteld dat één van de verdachten met een patch zoals dequiallo deze patch dan zou hebben “verdiend” door het plegen enig strafbaar feit. En dat blijkt uit geen enkel bewijsmiddel. 51. Vooralsnog moet het er dus voor worden gehouden dat patches niet meer zijn dan een versiering zonder dat daaraan een bepaalde betekenis werd gehecht. Omerta 52. Ten aanzien van het tweede onderdeel, namelijk de bewoordingen van cliënt [medeverdachte 6] in de arrestantenbus en het woord Omerta, maakt ook dit niet dat kan worden geconcludeerd dat binnen het charter een beloningssysteem voor geweld/strafbare feiten zou bestaan. Uit het enkele feit dat er: a. een woord op de muur zou staan, niet gerelateerd aan enige geweldshandeling, en; b. dat cliënt voorts medeverdachten zou hebben geadviseerd over de proceshouding; blijkt niet dat daaruit zou volgen dat geweld zou worden beloond binnen het charter en daaruit het cnminele oogmerk zou kunnen worden afgeleid. Dat is te kort door de bocht en in het dossier bevindt zich geen enkele onderbouwing voor die conclusie. 53. Bovendien is het niet zo dat alle verdachten zich integraal hebben beroepen op hun zwijgrecht tijdens het proces. Eigenlijk hebben alleen de verdachten [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] niets over de club willen verklaren, maar de overige leden van het charter juist wel. Over verschillende termen hebben bijna alle leden van het charter een verklaring afgelegd. In hoger beroep zijn in elk geval alle vragen van uw hof onder ede én als verdachte beantwoord. 54. Dat zij eerder niet op alle vragen antwoord hebben gegeven maakt niet dat daarmee omerta een essentieel onderdeel is van een beloningssysteem voor geweld in het charter. Ja het klopt, dat leden van de Hells Angels een soort erecode hebben en niet praten over wat er precies speelt binnen club, hoe de regels zijn, wie er wel en geen lid zijn. In dat verband moet ook de inmiddels achterhaalde opmerking van cliënt [medeverdachte 6] worden gezien. Maar geldt dat niet voor iedere vereniging? Sommige zaken zijn privé en gaan niemand verder wat aan, dat wil niet direct zeggen dat er dus strafbare feiten worden gepleegd. 55. Cliënt [medeverdachte 4] - en overigens meerdere van de medeverdachten – heeft zoals eerder al opgemerkt ook aangegeven waarom hij in beginsel slechts weinig kwijt wilde over de club. Telkens worden zaken in een verkeerde context geplaatst en verdraaid. Exemplarisch is het opgenomen gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dat het openbaar ministerie voorhield aan [medeverdachte 6] waarin werd gesproken over een ‘kuttijd om een motor te kopen’ ‘motor in de brand’, ‘het snel regelen door […]’ en ‘betalingen’. Cliënt [medeverdachte 6] heeft uw hof uitgelegd waar dit over ging. Hieruit zou volgens het openbaar ministerie moeten blijken dat de motor van voormalig member [betrokkene 8] zou zijn afgepakt. Uit de uitleg van cliënt [medeverdachte 6] bleek evident dat dit niet aan de orde was. 56. Het is kenmerkend dat juist de drie hoofdverdachten niets over de club hebben willen verklaren en de overige leden van het charter meer openheid van zaken hebben gegeven. Kenmerkend ook voor het bestaan twee verschillende lijnen, twee verschillende organisaties. 57. Daarmee loopt tot slot ook onderdeel B, het belonen van geweld, genoemd in het vonnis ter onderbouwing van het oogmerk van de organisatie waartoe cliënten zouden behoren (samen met het charter), spaak en zijn de overwegingen van de rechtbank te kort door de bocht. Geen enkele verdachte heeft in zijn verklaring bevestigd dat een dergelijke cultuur van het belonen voor het gebruik van geweld door leden, bestond binnen het charter. De rechtbank heeft de ontkenning over het bestaan van een dergelijke cultuur zonder enige onderbouwing ter zijde geschoven. 58. Het feit dat de drie/vier hoofdverdachten wellicht een beloning voor geweld passend zouden vinden, betekent niet dat die zienswijze op het plegen van geweld toebehoort aan het chapter Hells Angels Haarlem. De overige leden van het charter hebben dat bovendien expliciet ontkend. Conclusie 59. Concluderend, de drie onderdelen waaruit volgens de rechtbank het oogmerk zou blijken van de vastgestelde organisatie waartoe cliënten zouden behoren, lopen ten aanzien van cliënten spaak. Zij hebben allereerst geen betrekking op het gehele charter, maar alleen op de vier hoofdverdachten (onderdelen A en C). Daarnaast mist onderdeel B feitelijke onderbouwing in het dossier, in ieder geval ten aanzien van cliënten. Dit leidt tot de conclusie dat de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het deelnemen aan een criminele organisatie met het oogmerk het plegen van strafbare feiten niet houdbaar zijn. 60. De organisatie waartoe cliënten behoorden had geen crimineel oogmerk, louter het oogmerk tot het behouden van de motorclub met hun eigen club gerelateerde activiteiten zoals de Harley-dag, motorrijden, BBQ-en en bierdrinken. Dat dit oogmerk - en geen crimineel oogmerk - bestond blijkt ook wel uit de banden die de club had met de gemeente op het moment dat cliënt [medeverdachte 6] de president van de Hells Angels Haarlem is geweest. 61. Vele getuigen waaronder [betrokkene 5] verklaarden over de club: “De gezelligheid uitte zich in clubavonden met andere clubs en leuke evenementen als motorshows, de Harleydag, en de tattooconventie. Die evenementen gingen altijd in overleg met de gemeente Haarlem. Dat ging altijd goed. De verhouding tussen de Hells Angels en de gemeente was uitstekend toen.” Ook benoemden verschillende getuigen het feit dat de burgemeester en wijkagent wel eens in het clubhuis kwamen en dat de burgemeester heeft opgetreden op de Harleydag. 62. Dat cliënten onderdeel zijn geweest van het charter, maakt niet zij daarmee lid zijn geweest van een organisatie die het oogmerk had tot het plegen van misdrijven. Daarvoor moet ten aanzien van het charter voldoende bewijs bestaan en niet louter ten aanzien van de drie hoofdverdachten die lid waren van het charter. Dat bewijs is echter niet voorhanden. Uit niets blijkt dat het charter in z’n geheel het criminele oogmerk had. Daarnaast is er een veelheid aan aanwijzingen voorhanden waaruit volgt dat de vier hoofdverdachten, niet allen lid van het charter, zelf een (criminele) organisatie hebben gevormd. Het openbaar ministerie noemde het ‘de donkere schaduwzijde’, wat de verdediging betreft een compleet afzonderlijke criminele tak. 63. Dat leden van het charter, cliënten, daar eventueel achteraf wetenschap van hebben gehad, maakt niet dat het charter in z’n geheel daarmee een oogmerk heeft gehad tot het plegen van die misdrijven. Dat oogmerk had het charter namelijk niet. 64. Gelet daarop verzoek ik uw hof cliënten vrij te spreken wegens het ontbreken van de deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk tot het plegen van misdrijven. Cliënten hebben immers geen deelgenomen aan de criminele organisatie van de vier hoofdverdachten noch hebben zij het oogmerk gehad strafbare feiten te plegen. Subsidiair: geen wetenschap, geen duurzaam en gestructureerde samenwerking en dus geen deelname aan een criminele organisatie 65. Mocht uw hof van oordeel zijn dat sprake is van een organisatie waartoe cliënten behoren én dat deze organisatie tevens het oogmerk had tot het plegen van misdrijven, dan stelt de verdediging zich subsidiair op het standpunt dat onvoldoende bewijs voorhanden is om te kunnen bewijzen dat cliënten daar bewust aan hebben deelgenomen. Laat staan dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband op dit punt. Om die reden dienen cliënten dan ook subsidiair te worden vrijgesproken. 66. Volgens vaste rechtspraak is van deelneming aan een criminele organisatie sprake indien zij behoort tot een organisatie en een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. De verdediging betwist dat voor voornoemde kenmerken voldoende bewijs voorhanden is. 67. Ten aanzien van de deelname van cliënten spelen wat dat betreft twee aspecten een rol. Allereerst hebben zij geen wetenschap (achteraf) gehad over enige gepleegde strafbare feiten gelieerd aan het charter en ten tweede hebben zij ook geen wezenlijk aandeel gehad bij het laten voortbestaan van die criminele organisatie. Het is hierom dat de verdediging zich subsidiair op het standpunt stelt dat cliënten dienen te worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigd bewijs. Ik zal de twee aspecten afzonderlijk bespreken. Wetenschap (achteraf) (…) 69. Om te beginnen heeft te gelden dat géén van de leden van het charter tijdens de ten laste gelegde periode is veroordeeld voor strafbare feiten die gerelateerd waren aan het charter, de Hells Angels Haarlem. (…) 70. Op basis van de bewijsmiddelen is daarnaast zeer aannemelijk en kan niet worden uitgesloten van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] strafbare feiten hebben gepleegd uit naam van het charter zonder dat de andere leden, cliënten, daar enig aandeel in of enige wetenschap van zouden hebben gehad voorafgaand daaraan of tijdens de strafbare feiten. De eventuele wetenschap achteraf maakt voorts niet dat de handelingen “die het daglicht niet kunnen verdragen” daarmee in het kader van het charter zijn gepleegd, maar juist in het kader van de organisatie van de vier hoofdverdachten. Dat raakt direct de relevantie van die eventuele wetenschap achteraf bij cliënten. 71. Dat cliënten in die situatie hun afkeuring niet kenbaar zouden hebben gemaakt, maakt niet dat zij daarmee de eventuele strafbare gedragingen van de vier hoofdverdachten hebben ondersteund. Dit, los van het feit dat op basis van het dossier en de getuigenverklaringen aannemelijk is dat cliënten naar aanleiding van krantenberichten over het incident bij Van der Valk wel degelijk met elkaar en [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] hebben gesproken over hun activiteiten en dat zij dus wel zeker zijn aangesproken op dit mogelijk strafrechtelijk verwijtbare gedrag toen dat bekend werd. [betrokkene 1] heeft als getuige bovendien bevestigd tot de orde geroepen te zijn met betrekking tot het Van der Valk hotel. 72. Bovendien zijn er ook andere aanwijzingen voor het feit dat [betrokkene 1] wel degelijk is aangesproken door andere leden op zijn gedragingen. Dat blijkt uit de mond van hem zelf tijdens een opname in een voertuig. Daarop is te horen dat portieren worden ontgrendeld en [betrokkene 1] instapt. Hij zegt 'stelletje flikkers, vieze flikkers, bangepoepers, bleh'. Vervolgens zegt hij nog 'kankerflikkers', 'je moet dit niet, je moet dat niet, kankerhomo's bleh..', 'Kankerflikkers allemaal, bah', 'helemaal misselijk van die kankerclub’. Hieruit blijkt duidelijk dat hij is aangesproken op zijn gedrag en daarmee op z’n zachtst gezegd niet blij is. Dat maakt het ook aannemelijk dat hij dingen uit rancune eventueel op eigen houtje is gaan doen, binnen zijn eigen kleine organisatie. 73. Dat laatste blijkt ook uit het feit dat zodra cliënten en de rest van de leden van het charter uit het dossier wetenschap krijgen van de stevige verdenkingen aan het adres van de drie heren [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , zij direct een zogenaamde patch in the box hebben gekregen op 1 april 2017 en daarna de status out op 7 juni 2017. Dit betekent dat zij alle drie dus uit het charter zijn gezet door cliënten en de overige leden. Hieruit blijkt dat direct zelfregulerend is opgetreden door het charter en tevens de afkeuring van het criminele oogmerk dat de drie hoofdverdachten samen met [betrokkene 4] hadden. 74. Geconcludeerd moet worden dat cliënten geen wetenschap hebben gehad van het eventuele criminele oogmerk van de organisatie van [betrokkene 1] en als die wetenschap er al was, is deze pas achteraf gekomen, waarna onverwijld is gehandeld door cliënten en de andere leden van het charter. Zo heeft het charter de drie leden, hoofdverdachten, uit het charter gezet. Dat zijn geen lichtzinnige beslissingen en staan hoe dan ook haaks op de veronderstelling van het openbaar ministerie dat de Hells Angels een criminele organisatie zou zijn. Dat is simpelweg niet het geval. 75. De rechtbank heeft geoordeeld dat alle clubleden, ook cliënten, duidelijk is geweest dat met regelmaat (ernstige) strafbare feiten werden gepleegd en zij dus in zijn algemeenheid hebben geweten dat Hells Angels Haarlem tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat zij ook wetenschap hadden van concreet aantal gepleegde strafbare feiten. De verdediging betwist het causale verband tussen de (wetenschap van) gepleegde strafbare feiten door leden van de Hells Angels Haarlem en daarmee wetenschap van strafbare gedragingen door de club Hells Angels Haarlem. In dat verband acht de verdediging het van belang hier te vermelden dat ook vanuit de overheidsinstanties waarmee de Hells Angels Haarlem veelvuldig contact onderhielden geen enkele mededeling is gedaan over de strafbare feiten gepleegd door [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] . Hierdoor is - bij gebrek aan wetenschap - cliënten de kans ontnomen om in te kunnen grijpen en dat terwijl justitie die wetenschap wel had maar de strafbare feiten bewust onder haar toeziend doorgang heeft laten vinden. 76. Dat enkele leden op eigen houtje, niet in het clubhuis, strafbare feiten plegen en dat over die feiten wetenschap achteraf zou bestaan, maakt namelijk niet dat deze feiten enkel vanwege hun lidmaatschap zijn gepleegd in het kader van de club en het aan cliënten is om daarvan iets te vinden en te zeggen. De rechtbank heeft zich ten aanzien van dit causale verband laten [plaats] door overtuiging, maar niet door wettig bewijs. In dat verband bespreek ik graag het volgende met uw hof. Specifieke zaaksdossiers 77. In haar vonnis oordeelde de rechtbank dat (individuele) leden van de Hells Angels Haarlem zich in de ten laste gelegde periode schuldig hebben gemaakt aan verschillende misdrijven, die naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks verband houden met de club Hells Angels Haarlem en waaruit het oogmerk van die organisatie kan worden afgeleid. (…) 85. Hoe het kan dat slachtoffers verklaarden dat zij bang waren voor de Hells Angels heb ik uw hof al eerder voorgehouden. Eén of meer leden van “de jonge garde” hield een slachtoffer voor dat zij een probleem hadden met de club Hells Angels, terwijl dit feitelijk volstrekt onjuist was. De overige zes leden van de oude garde wisten hier in werkelijkheid helemaal niets van af. 86. Uit het dossier blijkt dat de slachtoffers allen in het geniep, zonder medeweten van de overige members van de Hells Angels Haarlem zijn benaderd en buiten het clubhuis werden afgeperst, bedreigd en/of mishandeld. Dit is niet enkel verklaard door de leden van “de oude garde”. Ter terechtzitting hebben [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bevestigd dat zij strafbare feiten pleegden zonder medeweten, laat staan instemming van de overige leden. In dat verband volgen hieronder enkele citaten. [betrokkene 1] : “Ik denk niet dat alle leden op de hoogte waren van alles wat er speelde. Ik ga er vanuit dat als mensen wisten dat er dingen zijn waarvan wij allemaal verdacht werden, we dat wel gehoord zouden hebben.” 87. En ook [betrokkene 3] verklaarde: “U vraagt mij of er sprake was van een vergaderstructuur. Ik besprak veel met de andere twee verdachten ( [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ). De andere leden zag ik op de clubavonden. De clubavond was op donderdag. Ik vergaderde in besloten kring met de twee andere verdachten. Je praat dan met elkaar onder het genot van een drankje of BBQ, dat heeft niets met echt vergaderen te maken. Je kunt het niet als werkoverleg kwalificeren. Wij drieën hadden zonder overleg de vinger in de pap. Met de rest hadden we nauwelijks tot geen contact, niet over bepaalde dingen die er besproken waren.” 88. En: “Zij ( [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ) zijn mijn vrienden. Ik ging buiten de club ook dagelijks met ze om. We hadden regelmatig contact, over schrijnende dingen, maar ook over leuke dingen. Dat niet alle leden op de hoogte waren van alles wat er gebeurde is een terechte conclusie.” 89. In al hiervoor door het openbaar ministerie aangehaalde zaaksdossiers hadden de slachtoffers enkel en alleen contact met de leden van de “jonge garde.” Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de “jonge garde” daarbij steeds volgens twee vaste methodes te werk gingen. Bij de eerste methode werden slachtoffers buiten het clubhuis, bij voorkeur in hun eigen woning of onderneming opgezocht, bedreigd en/of mishandeld. Daarbij werd de suggestie gewekt dat dit een actie was die door de gehele club Hells Angels werd gesteund, terwijl de overige leden hier in werkelijkheid geen weet van hadden. 90. Bij de tweede methode, de zogenoemde “Holleeder” methode, onder meer toepast op olliebollenbakker [betrokkene 9] , deed [betrokkene 1] zich voor als tussenpersoon en bemiddelaar tussen de Hells Angels Haarlem en het slachtoffer, waarbij hij het slachtoffer deed geloven dat hij hem juist probeerde te helpen. Een geraffineerde en valse truc, waarmee tevens direct werd voorkomen dat er rechtstreeks contact door het slachtoffer zou worden gezocht met een van de members van “de oude garde”. 91. Indien uw hof de verklaringen van alle voornoemde slachtoffers nauwkeurig ontleed en tegen het licht houdt, blijkt dat in geen van die zaken direct of indirect contact is geweest met een van de leden van de “oude garde”. Hoe geraffineerd de “jonge garde” daarbij te werk ging blijkt onder meer uit het verhoor van getuige [betrokkene 9] , die in de veronderstelling verkeerde te worden afgeperst door de Hells Angels Haarlem, terwijl zijn “jeugdvriend” [betrokkene 1] daarbij als bemiddelaar optrad: “Ik heb er met niemand van de Hells Angels overgesproken. Dat ging via iemand die ik ken. Ik heb daar geen boodschap aan. Als iemand geld van mij wil of ik word afgeperst, verwacht ik dat ze persoonlijk naar mij toekomen. Er is niemand naar mij toegekomen. U houdt mij voor dat [betrokkene 1] ook bij de Hells Angel zat en ik met hem over het geld heb gesproken. Nee, hij is vrijgekomen. Ik heb hem geld gegeven. U vraagt mij hoe ik het zo zeker weet dat [betrokkene 1] er niets mee te maken heeft dat ik hem geld heb betaald. (...) Van hem zou ik nooit verwachten dat hij dat zou doen.” 92. Nadat de verdediging de getuige het tapgesprek van 12 december 2015 tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voorhield, waaruit evident bleek dat [betrokkene 1] niet zijn vriend was, verklaarde deze: ‘Dat is niet de [betrokkene 1] die ik ken. Nu u mij dit voorhoudt kun je erover gaan twijfelen of [betrokkene 1] er niet mee te maken heeft. Mensen kunnen in korte tijd veranderen. Ik was heel goed met hem. Als wat ik nu hoor zo is, dan sta ik ervan te kijken.” 93. De verklaring van [betrokkene 9] , dat hij met niemand anders van de Hells Angels Haarlem dan [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] contact had over de afpersingen en aan wie was wijsgemaakt dat zij handelden namens de Hells Angels Haarlem, stond niet op zichzelf. 94. In al voornoemde zaaksdossiers werden slachtoffers op vergelijkbare wijze, buiten medeweten van de overige leden van de Hells Angels Haarlem, benaderd, afgeperst en/of mishandeld. 95. Geen van hen heeft verklaard dat de overige leden van de Hells Angels Haarlem daarvan op de hoogte waren, dan wel konden zijn. (…) 98. De rechtbank heeft drie c.q. vier zaaksdossier genoemd waarvan cliënten achteraf wetenschap zouden hebben gehad: C14-Uitkijk (dit geldt alleen voor cliënt [medeverdachte 6] en de stichting), C15-Martini, C17-Millenium, en C22-Spits. En daarnaast is de bespreking van het incident in het Van der Valk Hotel, dossier C20-Slechtvalk, aangehaald. De verdediging betwist die wetenschap en zal dit kort doorlopen. 99. Ten aanzien van de wetenschap van specifieke zaaksdossiers heeft de rechtbank op geen enkele manier een nadere uitwerking in het vonnis gegeven waaruit die wetenschap bij cliënten zou blijken. Dat is ook logisch, want die onderbouwing daarvoor blijkt ook nergens uit. De afpersing en mishandeling van hang around [betrokkene 7] (zaaksdossier – C14) 100. Om te beginnen wil ik met uw hof het zaaksdossier rondom [betrokkene 7] bespreken. Het incident met [betrokkene 7] , die verklaarde door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] te zijn afgeperst, is door de rechtbank en het openbaar ministerie eveneens beoordeeld als een clubaangelegenheid van de Hells Angels Haarlem. Dit wordt door cliënten en alle medeverdachten in hoger beroep uitdrukkelijk betwist. Geen van hen heeft ingestemd met, noch vooraf (concrete) wetenschap gehad van de afpersing en de mishandeling van [betrokkene 7] . Dat zij allen wèl wilden dat hij de club zou verlaten doet daaraan niets af. 101. [betrokkene 7] is anderhalf jaar lid geweest van de Redliners en is daar president geweest. Hierna is [betrokkene 7] tweeëneenhalve maand hang around geweest bij de Hells Angels Haarlem, waarna hij de club heeft moeten verlaten. Niet bad standing, zoals in het dossier wordt gesuggereerd. Dat zou ook niet logisch zijn. [betrokkene 7] was namelijk slechts hang around. De gedachte achter de positie van een hang around is dat diegene geheel vrijblijvend kan ervaren hoe het is om lid te zijn van de Hells Angels. Omgekeerd biedt dit de bestaande members een kans om de hang around beter te leren kennen en op hun beurt een oordeel te vellen of de hang around, prospect mag worden. 102. In het geval van [betrokkene 7] is na tweeëneenhalve maand democratisch besloten dat hij de club diende te verlaten. [betrokkene 7] had maling aan verschillende clubregels, verkeerde structureel onder invloed van drank en drugs en maakte een psychisch labiele indruk. Daarmee was de kwestie voor de full members van de Hells Angels Haarlem afgedaan. Althans dat dachten zij. Wat zij niet wisten en waarvan zij pas veel later kennis van hebben genomen, zijn de criminele activiteiten die [betrokkene 3] en [betrokkene 2] hierna op eigen initiatief hebben ondernomen met [betrokkene 7] als slachtoffer. Uit geen bewijsmiddel in het dossier blijkt dat cliënten hiervan op de hoogte waren, dan wel konden of moesten zijn. Ook [betrokkene 7] zelf weet eigenlijk niet of zijn afpersing een clubaangelegenheid betrof of niet. 103. [betrokkene 7] verklaarde als getuige wat hem was overkomen nadat hij niet meer welkom was als hang around. “Ik heb contact opgenomen met de politie vanwege de bedreigingen van [betrokkene 2] . U vraagt mij of dat vanuit hem kwam of vanuit de club de Hells Angels Haarlem. Dingen die worden opgelegd gaan volgens mij altijd via de club.” (...) “Ik weet niet of [betrokkene 2] en [betrokkene 3] dat op eigen initiatief hebben gedaan. Daar kan ik geen oordeel over vellen, maar ik kan wel vertellen dat het negen van de tien keer clubbesluiten zijn.” En: “Van man tot man is er weinig druk op mij uitgeoefend. Het is een beetje in het geniep gegaan.” 104. Dat de afpersing van [betrokkene 7] een clubbesluit was, wordt door cliënten uitdrukkelijk betwist en ontkend. Overigens verklaarde [betrokkene 7] als getuige uitdrukkelijk dat hij nooit door [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] is afgeperst of aangesproken om zijn motor in te leveren. Daartoe bestond immers ook geen enkele reden. [betrokkene 7] was hang around en op enig moment is besloten dat hij niet meer welkom was bij de Hells Angels Haarlem. Op welke wijze de beslissing dat [betrokkene 7] niet langer hang around mocht zijn tot stand is gekomen en met hoeveel stemmen dit besluit al dan niet is genomen, is wat de verdediging betreft niet relevant. Relevant is dat de meerderheid het niet met [betrokkene 7] zag zitten en om die reden besloot niet met hem verder te willen gaan. Daarmee was voor de “oude garde” de kous af. 105. Van belang in dat verband, om het voorgaande beter te kunnen duiden, is dat de kleding die [betrokkene 7] moest overdragen aan [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , waarbij hij door hen werd mishandeld en afgeperst, kleding betrof van de Redline. Niet van de Hells Angels Haarlem – dat kan ook niet anders was hij was geen member en had dus geen Hells Angels kleding. [betrokkene 2] verklaarde hierover als getuige: “Ik was bij die ontmoeting bij de Mac Donalds en er zijn kleren ingeleverd, maar dat waren Redline-kleren.” 106. In dat verband wijst de verdediging u tevens op het navolgde citaat uit een telefoongesprek tussen [betrokkene 7] en een NN persoon: “Toen zat die gozer er met zijn klauwen tussen. Dus ik pak die zak van die Redline troep.” 107. Het inleveren van die Redline kleding, laat staan het opleggen van een boete of afpakken van een motor, betrof dan ook geen club aangelegenheid waarover diende te worden gestemd, zoals [betrokkene 7] veronderstelde. De Hells Angels Haarlem stonden hier volledig buiten en werden om die reden hier ook niet over geïnformeerd door “de jonge garde”. 108. Het was voor [betrokkene 2] en [betrokkene 3] dus relatief eenvoudig om de voormalig president van de door hun opgerichte supportclub het leven zuur te maken, buiten medeweten om van de overige leden van de Hells Angels Haarlem, die immers geen contact meer hadden met de voormalig hang around. 109. In zijn verklaring als getuige bevestigt [betrokkene 7] dat cliënten, noch één van de medeverdachten in hoger beroep op enige wijze betrokken zijn geweest bij de afpersing door [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Wat hij de “oude garde” vooral verwijt is dat zij niet zouden hebben ingegrepen. Dit verwijt kan cliënten enkel worden gemaakt, indien zij daadwerkelijk op de hoogte waren geweest van de afpersing van [betrokkene 7] , hetgeen zij uitdrukkelijk betwisten. Voor de verklaring van [betrokkene 7] , dat hierover mogelijk zou gestemd binnen de Hells Angels Haarlem, ontbreekt ieder ondersteunend bewijs. Dat [betrokkene 7] hierover, nadat hij bij de Mac Donalds was afgeperst, kort telefonisch contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 2] , waarbij de verbinding werd verbroken, maakt dit niet anders. 110. Het enkele feit dat [betrokkene 7] naar [medeverdachte 2] heeft gebeld en zou hebben gezegd dat hij is afgeperst en geslagen, is volstrekt onvoldoende om aan te nemen dat daarom niet alleen [medeverdachte 2] , maar ook alle andere leden van de Hells Angels Haarlem, waaronder cliënten, (vooraf) kennis hebben gehad van een strafbaar feit. Volledigheidshalve merk ik op dat uit de bewijsmiddelen overigens niet blijkt dat [betrokkene 7] , na dit gesprek met [medeverdachte 2] , op enig moment nogmaals is benaderd door [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , terwijl de poging tot poging tot afpersing had op dat moment al plaatsgevonden en [medeverdachte 2] dus ook niet meer had kunnen ingrijpen. 111. Tot slot stelt de verdediging bovendien dat het handelen door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] jegens [betrokkene 7] geen rechtstreeks verband hield met de club Hells Angels Haarlem. Dat zou slechts anders zijn indien zij vooraf zouden hebben ingestemd met de afpersing en mishandeling van [betrokkene 7] . Dat is expliciet niet het geval geweest. De “oude garde” heeft hiermee niet ingestemd. Cliënten wisten niets van de afpersing van [betrokkene 7] af, totdat zaaksdossier C-14 Uitkijk hen onder ogen kwam. 112. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, hield de afpersing van [betrokkene 7] geen rechtstreeks verband met de club Hells Angels Haarlem. Daaruit kan het oogmerk van die vermeende organisatie waaraan cliënten zouden hebben deelgenomen, dan ook niet worden afgeleid, noch kan worden bewezen dat cliënten – voorafgaand daaraan – wetenschap hadden van de afpersing van [betrokkene 7] . Mishandeling van een lid van motorclub No Surrender (zaaksdossier Martini - C-15) 113. Ditzelfde heeft te gelden voor zaaksdossier C15, het incident met een lid van de motorclub No Surrender. Uit geen enkel bewijsmiddel blijkt dat [betrokkene 2] , cliënten van dit incident of ruzie op voorhand op de hoogte heeft gebracht, noch dat dit achteraf uitgebreid als clubaangelegenheid is besproken, noch dat cliënten konden weten of dit al dan niet namens het chapter zou zijn gepleegd. 114. Verschillende getuigen/verdachten verklaren dat [betrokkene 2] heeft aangegeven dat het een persoonlijke ruzie was en zij dit achteraf hebben vernomen. Op geen enkele wijze draagt dit echter bij aan het oordeel dat het hiermee voor cliënten duidelijk was dat regelmatig strafbare feiten werden gepleegd en zij daarmee wisten dat het chapter het oogmerk had om strafbare feiten te plegen. 115. Cliënt [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [betrokkene 2] niet met hem erover heeft gesproken, maar dat hij er op een later moment wel iets van heeft opgevangen. Cliënt [medeverdachte 6] heeft verklaard dat [betrokkene 2] aan hem heeft uitgelegd dat het een privé kwestie betrof waarbij hij zelf als eerste was aangevallen. Alsnog heeft cliënt [medeverdachte 6] het gedrag van [betrokkene 2] afgekeurd. Hij verklaarde hierover tegenover uw hof: ‘Ook persoonlijk mag het niet gebeuren, dat doe je toch niet op straat, maar het had niks met de club te maken’. Cliënt [medeverdachte 6] en ook medeverdachte [medeverdachte 3] gaven aan dat [betrokkene 2] aangaf dat hij ‘zijn eigen zou gedragen’. Voor cliënt [medeverdachte 6] ‘was daarmee de kous af’. 116. Het slachtoffer van dit incident [betrokkene 6] , verklaarde nota bene zelf als getuige hierover: “Ik zei [..] tegen u dat een paar rotte appels de boel verpesten voor anderen. [...] U vraagt mij wat ik weet van rotte appels uit eigen waarneming. Ik heb één akkefietje meegemaakt en dat slaat natuurlijk nergens op. [...] Ik hoorde binnen de club dat de jonge garde zich wilde bewijzen en die kunnen het verpesten voor de goeie, voor de oudere garde.” En “Pak ze gewoon op voor wat individueel doen, maar zet niet de hele club stop.” 117. Voor cliënten is achteraf niet meer bekend geworden dat [betrokkene 2] individueel een mishandeling had gepleegd. Daarop hebben zij hem aangesproken en daarmee was dergelijk gedrag wat hen betreft afgedaan en beëindigd. 118. Kortom de vermeende wetenschap van mishandelingen uit naam van de club en een oogmerk tot het plegen van misdrijven bij cliënten blijkt wederom nergens uit. De vechtpartij bi| Van der Valk en OVC 16 september 2016 119. Met betrekking tot het openlijk geweld dat zou hebben plaatsgevonden bij het Van der Valk heeft de verdediging al uitgebreid gesproken. Ik verzoek uw hof dat als herhaald en ingelast te beschouwen. 120. Cliënt [medeverdachte 4] dient van dit voorval ook in hoger beroep te worden vrijgesproken. In dat verband benoem ik nogmaals, dat indien uw hof wederom tot een vrijspraak komt van dit feit, wederom alle personen die lid zijn (geweest) van de Hells Angels Haarlem daarmee vrijgesproken zijn en dit feit dus daarom überhaupt al niet kan bijdragen aan de bewezenverklaring van een criminele organisatie. 121. In weerwil van het voorgaande merk ik echter nog het volgende op over het OVC-gesprek op 16 september 2016 in het clubhuis. Niet is gebleken dat anderen dan de mogelijke plegers van dit feit voorafgaand wetenschap hadden van deze ontmoeting, laat staan van enig geweld dat daar mogelijk zou gaan plaatsvinden. 122. Wat wel gebleken is, is dat over het incident bij Van der Valk achteraf is gesproken binnen het chapter. De vraag is echter of die enkele wetenschap achteraf maakt dat daaruit de conclusie kan worden getrokken dat dergelijk gedrag blijkbaar wordt goedgekeurd door het charter inclusief cliënten en zij daarmee een aandeel hebben in een criminele organisatie. Ik meen van niet. 123. De verdachten hebben ter terechtzitting aangegeven dat tegen hen is verteld dat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] waren afgereisd naar het Van der Valk voor een gesprek en dat zij verklaarden verder niet betrokken te zijn geweest bij hetgeen daar heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van cliënt [medeverdachte 4] heeft te gelden dat hij louter meegereisd is en daadwerkelijk geen aandeel heeft gehad in het geweld dat daar heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de andere drie geldt dus dat zij hebben aangegeven niet betrokken te zijn. Het enkele feit dat enkele leden van de club achteraf op de hoogte zijn van de ‘knokpartij’ – er van uitgaande dat hun chapter dus geen geweld had gepleegd – maakt niet dat cliënten daarmee wetenschap hadden van gedragingen die andere leden pleegden ‘die het daglicht niet konden verdragen’. 124. Mocht uw hof van oordeel zijn dat u kunt vaststellen dat cliënten aanwezig waren bij deze bespreking in het clubhuis, dan nog betekent de inhoud van dit gesprek niet dat daarmee de confrontatie bij Van der Valk door het hele chapter wordt ondersteund en dat deze confrontatie voortkomt en is ontstaan vanuit het charter. 125. Voornoemd en OVC-gesprek is derhalve niet ondersteunend voor het feit dat cliënten met eventuele wetenschap achteraf de gedragingen van [betrokkene 1] en de overige hoofdverdachten zouden hebben ondersteund of enig aandeel daarin hebben gehad. In het clubhuis zelf is er – kort – alleen over gesproken. Meer niet. Het bespreken van dit soort confrontaties, maakt niet dat cliënten daarmee als lid van het chapter een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Afpersing van [betrokkene 9] (C-17) 126. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 9] een akkefietje had met [betrokkene 8] . Nadat [betrokkene 8] geen lid meer was van de Hells Angels Haarlem hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , [betrokkene 9] gedwongen tot betaling van 10.000 euro. [betrokkene 9] verklaarde ten overstaan van uw hof dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] tegen hem hadden gezegd dat door hem diende te worden betaald aan de Hells Angels Haarlem. Ook verklaarde hij hierover geen enkel contact te hebben gehad met één of meer van de andere members van de Hells Angels Haarlem. Hij verkeerde in de veronderstelling dat de van hem verlangde betaling een besluit van de club betrof, omdat dit door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zo aan hem was medegedeeld. Pas nadat hem een OVC-gesprek tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] werd voorgehouden, verklaarde [betrokkene 9] : ‘Dat is niet de [betrokkene 1] die ik ken. Nu u mij dit voorhoudt kun je erover gaan twijfelen of [betrokkene 1] er niet mee te maken heeft. 127. Eerder in deze pleitnota stond de verdediging al uitvoerig stil bij dit zaaksdossier nu deze exemplarisch is voor de wijze waarop [betrokkene 2] en [betrokkene 1] bij hun slachtoffer eerst een probleem creëerden en angst zaaiden, waarna zij zich opwierpen als vriend en bemiddelaar, zonder dat iemand van de Hells Angels Haarlem daar enige wetenschap van had of kon hebben. 128. Onverlet het voorgaande zou de beslissing dat [betrokkene 9] aan [betrokkene 2] en [betrokkene 3] moest te betalen, zo rekwireerde het openbaar ministerie, zijn genomen door alle members van de club Hells Angels Haarlem gezamenlijk, waarna dit besluit door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] feitelijk werd uitgevoerd. Ook voor deze stelling ontbreekt echter ondersteunend bewijs. In aanvulling op hetgeen eerder over dit zaaksdossier is aangevoerd, zal ik uw hof toelichten waarom ook dit standpunt van het openbaar ministerie, te weten dat de afpersing van [betrokkene 9] een clubaangelegenheid betrof, waarvan een ieder wetenschap had, geen stand kan houden. 129. In het onderzoek Toren is op 5 december 2015 in de auto die in gebruik is bij [betrokkene 2] de vertrouwelijke communicatie opgenomen. Er vindt dan een gesprek plaats tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] : “Ik ga hem heel simpel zeggen,, ik zeg luister, dat zijn beslissingen genomen, ik zeg [betrokkene 10] , daar ken ik niks aan veranderen simpel zat. Ik zeg ik vind het heel vervelend en heel klote allemaal voor je maar dit is een beslissing die ligt er, en ik zeg ja om het goed af te handelen ik ken er niks aan veranderen. (...) “(...) ik ga me er wel in mengen dan uhhh. Ik ga hem wel effetjes opzoeken. Volgens mij is hij er zondag, zondag is hij er he?[betrokkene 2] : “Hij zei, hij weet dat hij moet betalen, dat heb ik ook gezegd, dat weet ie, maar wel regelen met [betrokkene 1].” 130. Anders dan de rechtbank oordeelde en het openbaar ministerie rekwireerde, blijkt uit het voorgaande wellicht dat er kennelijk een beslissing is genomen dat [betrokkene 9] diende te betalen, maar niet blijkt door wie deze beslissing zou zijn genomen, laat staan dat deze beslissing is genomen door de Hells Angels Haarlem als geheel. 131. Ook het OVC-gesprek tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en NN man [betrokkene 11] van 10 december 2015 maakt dit niet anders. Uit dit gesprek blijkt namelijk niet meer dan dat [betrokkene 1] tegen de NN-man [betrokkene 11] , kennelijk een bekende van [betrokkene 9] , zegt dat de van [betrokkene 9] verlangde betaling een beslissing is van de “jongens.” Een beslissing waaraan hij niets zou kunnen veranderen. 132. Overigens heeft het openbaar ministerie nog willen suggereren dat deze [betrokkene 11] cliënt [medeverdachte 4] zou betreffen. [medeverdachte 4] wordt echter [betrokkene 12] en geen [betrokkene 11] genoemd en ontkent ook dat hij de desbetreffende persoon uit het gesprek is. 133. Voorgaand OVC-gesprek betreft dan ook geen bevestiging voor de stelling dat de afpersing vanuit de Hells Angels Haarlem kwam en derhalve een clubaangelegenheid betrof. Integendeel. Voorgaand OVC-gesprek is wat de verdediging betreft juist kenmerkend voor de geraffineerde en doortrapte wijze waarop [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , door zich voor te doen als vriend van het slachtoffer, hun slachtoffers geld aftroggelden. 134. In dat verband is ook opvallend dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in het OVC-gesprek van 12 december met elkaar spreken over de afpersing van [betrokkene 9] en over geld dat zij moeten wegstoppen voor hun oude dag. Indien de afpersing van [betrokkene 9] daadwerkelijk een clubaangelegenheid betrof, dan zou aannemelijk zijn dat de opbrengsten daarvan ook aan de club zouden komen. Uit de OVC van zaaksdossier Millenium blijkt echter dat het geld van [betrokkene 9] in de zakken van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zelf terecht is gekomen. 135. In dat verband houd ik u het OVC gesprek van 5 januari 2016 voor tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in de auto: L: Ja jij zegt gisteren wel, jij geeft mij ruggies maar, ik heb jou ook ruggies gegeven gek, zonder mij had [betrokkene 9] nooit betaald. R: Ja, dat denk jij dat denk jij. L: Ja dat heb je toch gezien, een gesprekkie pik. R: Jaah omdat hij anders... ken maar moet jij eens opletten.. als ie.. gaat ie nog meer betalen. L: Ja, we doen het samen. R: Ja. 136. Wat de verdediging betreft blijkt al het voorgaande evident dat de afpersing van [betrokkene 9] heeft plaatsgevonden op instigatie en initiatief van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en deze geen verband hield met de club. [betrokkene 9] heeft ook geen enkele keer, direct of indirect, contact gehad met een van de leden van “de oude garde”. Ook over de betaling die hij zogenaamd aan de HAH zou moeten doen heeft hij nooit met een van hen gesproken. Uit OVC en de verklaring van [betrokkene 9] als getuige blijkt dat [betrokkene 1] zich tegenover hem voordeed als bemiddelaar en vriend, terwijl hij in werkelijkheid diens geld in zijn eigen zak stak. Gelet op al het voorgaande kan ter zake de afpersing van [betrokkene 9] , niet worden bewezen dat de leden van de “oude garde” hier op enige wijze betrokken zijn geweest, dan wel hier wetenschap van hebben gehad. [betrokkene 8] (Zaakdossier Breugel C-10 en C-27 paragraaf 4.5.2.) 137. In dit verband verdient ook het zaaksdossier dat gaat over het vertrek van [betrokkene 8] bij de Hells Angels Haarlem te worden besproken. In het dossier wordt namelijk gesuggereerd dat [betrokkene 8] , voormalig member van de Hells Angels Haarlem, bad standing uit de club zou zijn gezet, waarna aan hem een boete zou zijn opgelegd en zijn motor zou zijn afgenomen door de overige leden van de Hells Angels Haarlem. Ook deze verdenking wordt uitdrukkelijk door cliënten betwist. Het is correct dat [betrokkene 8] de club heeft verlaten. Dit vertrek is echter good standing geweest. Aan dit vertrek was geen enkele (vermogensrechtelijke) consequentie verbonden voor [betrokkene 8] . Sterker nog meerdere leden hebben ook verklaard dat hij – indien hij dat zou willen – gewoon terug kan komen bij de club. 138. Wat de verdediging betreft staan de verklaringen van cliënten hierover niet op zichzelf, maar vindt deze bevestiging in verschillende bewijsmiddelen in het dossier. Gelet op de expliciete verklaring van [betrokkene 8] zelf als getuige dat hij niet is afgeperst, alsmede het ontbreken van ondersteunend bewijs voor het tegendeel daarvan, volstaat de verdediging hier met citaten uit de verklaring van [betrokkene 8] als getuige. In dat verband treft u hieronder enkele citaten uit de verklaring van [betrokkene 8] als getuige, waaruit blijkt dat aan zijn vertrek bij de Hells Angels Haarlem geen consequenties voor hem waren verbonden. 139. Zo verklaarde hij: “Ikzelf denk dat ik weg moest vanwege die brief. Ik weet niet waarom ik door die brief eruit werd gezet. Ik kreeg een telefoontje. Ik heb niet met andere leden van de Hells Angels besproken dat ik die brief zou schrijven. Ik denk dat me dat kwalijk werd genomen. Ik moest alleen de club uit. Ik heb niets anders dan mijn hesje hoeven inleveren.” 140. En: “Toen ik de club uit ging heb ik mijn motor niet hoeven inleveren. Ik heb ook geen boete betaald. Ik ben niet bedreigd, of op een nare manier aangesproken door een van de verdachten in de strafzaak.” 141. Resumerend. De stelling dat [betrokkene 8] door één of meer leden van de Hells Angels Haarlem, waaronder de leden van “de oude garde” zou zijn beboet en/of afgestraft, vindt geen bevestiging in het dossier. Integendeel dit wordt door [betrokkene 8] uitdrukkelijk weersproken. Het bezit van een vuurwapen door [betrokkene 2] (zaaksdossier C-22) 142. Tot slot wordt door de rechtbank de vermeende wetenschap achteraf van het vuurwapenbezit van [betrokkene 2] genoemd. 143. Uit niets in het dossier blijkt dat dit mogelijke strafbare feit enig verband hield met de club, laat staan met cliënten. Noch dat de andere leden van het charter enige wetenschap hadden van dit vermeende verboden wapenbezit voordat dit wapen, nota bene in de woning van de vriendin van [betrokkene 2] tijdens een huiszoeking op 19 juli 2016 werd aangetroffen. 144. Als dit wapen al van [betrokkene 2] zou zijn, staat vast dat dit wapen bij zijn vriendin thuis is aangetroffen, niet in zijn huis, niet in het clubhuis en niet op zijn lichaam. Niet is vastgesteld of aannemelijk dat hij dit wapen bij één van de in het dossier genoemde strafbare feiten zou hebben gebruikt. 145. In het dossier bevinden zich geen OVC-gesprekken, tapgesprekken of andere bewijsmiddelen dat ooit over dit wapen en het bestaan daarvan is gesproken met cliënten, of in hun bijzijn, voordat het wapen in de woning van [betrokkene 2] werd aangetroffen. Niet kan dus worden gesteld dat cliënten daarvan op voorhand enige wetenschap, laat staan enig aandeel in hebben gehad. Noch is gebleken dat dit wapen in verband met de club of cliënten persoonlijk kan worden gebracht. 146. Het openbaar ministerie stelt dat over de doorzoeking en het wapen is gesproken in het clubhuis en dat onder meer cliënten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] , aanwezig zijn geweest bij dit gesprek. De verdediging stelt zich op het standpunt dat uit het OVC-gesprek niet volgt dat cliënten aanwezig waren op het moment dat [betrokkene 2] de vondst van het wapen besprak. Cliënten stellen bovendien beiden geen herinnering aan dit gesprek te hebben. 147. Maar ook al zouden cliënten dit achteraf hebben gehoord. Dan heeft ook hier te gelden dat hij daarmee niet kan worden verweten dat hij daarmee die gedraging van [betrokkene 2] in zijn privéleven heeft ondersteund of gedoogd in het kader van een criminele organisatie. (…) 153. Ten aanzien van de andere genoemde feiten met betrekking tot de criminele organisatie merkt de verdediging dan verder graag het volgende op. Conclusie wetenschap op basis van de genoemde strafbare feiten 154. Kortom de vermeende wetenschap op basis van de vier genoemde strafbare feiten en ook de andere in het dossier genoemde strafbare feiten zijn volstrekt niet aan de orde en van een dergelijke wetenschap, al dan niet achteraf, is geen sprake geweest bij cliënten. 155. Mocht uw hof ten aanzien van al het voorgaande toch van oordeel zijn dat cliënten achteraf wetenschap hebben gehad over enige strafbare gedragingen door anderen, dan kan op basis van de bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat zij deze niet-club gerelateerde gedragingen hebben ondersteund op enige wijze. Er is onvoldoende bewijs voorhanden om te kunnen vaststellen dat de strafbare gedragingen zijn ontstaan door en voortkomen uit het lidmaatschap van de hoofdverdachten bij het chapter. Als sprake is geweest van strafbare gedragingen zijn die ontstaan door de hoofdverdachten zelf en vonden deze plaats buiten de club. In die gevallen waarin zij aangaven dat zij dit namens of in het kader van de club hebben gedaan, is tegelijkertijd vastgesteld dat zij misbruik hebben gemaakt van die club. Cliënten hebben echter nooit wetenschap gehad van dit misbruik, hooguit van de strafbare gedragingen die de hoofdverdachten vanuit zichzelf hebben gepleegd. Ook hebben zij geen wetenschap gehad van strafbare gedragingen in het clubhuis of anderszins direct club gerelateerd. 156. Het voorgaande leidt reeds tot de conclusie dat cliënt wegens gebrek aan wetenschap integraal dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. (….)Aandeel stichting164. Dan tot slot met betrekking tot de verweten strafbare gedraging van de stichting nog het volgende. Indien uw hof onverhoopt toch net als de rechtbank zou oordelen dat cliënte enige wetenschap achteraf heeft gehad van strafbare feiten die in het kader van het charter zijn gepleegd, dan is het eveneens noodzakelijk dat de stichting ook daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in de criminele organisatie. 165. De rechtbank heeft, net als het openbaar ministerie, dit aandeel geconstrueerd aan de hand van het feit dat cliënte het clubhuis en sporadisch haar bankrekening ter beschikking stelde aan het charter. Ik meen dat dit te kort door de bocht is om te stellen dat deze twee elementen strafrechtelijk verwijtbaar zijn voor deelname aan een criminele organisatie. Ik zal beide afzonderlijk bespreken. Clubhuis 166. Om te beginnen met het clubhuis. Zoals gezegd is cliënte eigenaar van het pand dat als clubhuis fungeert voor het charter Hells Angels Haarlem. Dit wordt ook bevestigd door de kosten die door haar worden voldaan voor onder meer UPC en de Nuon. De kosten daarvan worden afgeschreven van de bankrekening van cliënte en betreft geen ondersteuning voor strafbare gedragingen. 167. Ten aanzien van onderhoud aan het pand bestond contact tussen het bestuur van cliënte en het bestuur van het charter. De bestuurders van cliënte zijn niet elke dag aanwezig in het pand. Integendeel. Eén van hen louter met enige regelmaat op clubavonden. De ander zo goed als nooit. Ook is het bestuur van cliënte niet aanwezig bij bestuursvergaderingen of overige vergaderingen van het charter (al dan niet in het clubhuis). 168. Het enkele eigendom van het pand, dat al decennia en zonder enig probleem als clubhuis wordt gebruikt door het charter, maakt niet dat cliënte daarmee een wezenlijk aandeel heeft gehad in de verwezenlijking van enig crimineel oogmerk. Op de momenten dat het bestuur van cliënte aanwezig is geweest in het clubhuis zijn geen strafbare gedragingen gepleegd aldaar en als werd gesproken over strafbare gedragingen zijn dit gedragingen die zich buiten het clubhuis en het charter afspeelden. 169. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het clubhuis geenszins is gebruikt bij de gepleegde strafbare feiten, zoals de rechtbank heeft overwogen. Het ter beschikking stellen van een pand aan personen die buiten hun wetenschap om strafbare feiten plegen, maakt niet dat de eigenaar van dat pand strafrechtelijk verwijtbaar is. Dat gaat te ver en vindt geen steun in het recht. Ook niet wanneer de eigenaar dat weet. Fijn zal diegene het niet vinden, maar het maakt niet dat de eigenaar van dat pand voorts een criminele organisatie met die verdachten vormt enkel door het pand ter beschikking te blijven stellen. 170. Het ter beschikking stellen van het clubhuis heeft niet het plegen van misdrijven van de vier hoofdverdachten gefaciliteerd. Die hoofdverdachten hebben – naar weten van de bestuurders van cliënte – praktisch alleen maar buiten het clubhuis gehandeld en nimmer met wetenschap van cliënte het clubhuis daarvoor gebruikt. 171. Als voorbeeld is zaaksdossier C19-Boor. Daar zou in het clubhuis een vuurwapen aan Alcatraz Wanted zijn geleverd. Bestuurders van cliënte zijn in geen velden of wegen te bekennen en hebben hier ook nimmer iets vanaf geweten. Desondanks wordt uitgerekend dit feit genoemd door de rechtbank als voorbeeld voor het faciliteren van het clubhuis voor strafbare feiten. Maar dan moet de bewustheid bij cliënte wel blijken. En dat blijkt nergens uit. Het werd juist achter hun rug om gedaan, hetgeen derhalve een contra-indicatie is voor het faciliteren van het clubhuis voor het plegen van misdrijven. 172. Hetzelfde geldt voor het feit dat een vuurwapen zou zijn afgevuurd in het clubhuis. Ook daaruit blijkt geen enkele betrokkenheid/wetenschap bij de bestuurders van cliënte en is een voorbeeld voor het gebrek aan bewustheid van het faciliteren van het clubhuis. Daarnaast acht de rechtbank het bespreken van bepaalde dingen in het clubhuis relevant voor de deelname van cliënte. OVC 173. Wat werd er dan wel besproken in het clubhuis? Uit het strafrechtelijk onderzoek blijkt dat alleen OVC-gesprekken zijn opgenomen in één van de ruimtes in het clubhuis. Op basis van het dossier kan verder louter middels stemherkenningen blijken wie de aanwezige personen bij deze gesprekken zijn geweest op dat specifieke moment. 174. Er zijn geen beelden van deze ruimte beschikbaar en het blijft dus gissen wie er op welke momenten aanwezig is geweest wanneer mogelijk over strafbare feiten is gesproken. Iemand kan immers net zo goed weglopen uit die ruimte zonder dat dit blijkt uit de OVC-gesprekken. Bij enkele OVC-gesprekken is bovendien te horen dat mensen continu af en aan lopen, zonder dat kan worden vastgesteld wie deze personen zijn geweest. 175. Op basis daarvan conclusies trekken ten aanzien van de wetenschap van alle leden van het charter en/of het bestuur van cliënte, zoals het openbaar ministerie doet, kan niet worden gedaan. Temeer als mensen, bestuursleden van cliënte, ontkennen enige wetenschap te hebben gehad van bepaalde uitspraken door personen die te horen zijn op de OVC-gesprekken. 176. Het clubhuis was bovendien bij uitstek überhaupt geen plek waar [betrokkene 1] blijkbaar sprak over niet-club gerelateerde c.q. strafbare zaken met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , laat staan met anderen. Van dergelijke OVC-opnames is immers niets gebleken. 177. Verder blijkt uit de grote hoeveelheid aan tapgesprekken en OVC-gesprekken van de hoofdverdachten dat zij met name dingen bespraken in hun auto, via de telefoon en ook afspraken maakten met elkaar buiten het clubhuis. Dat dit clubhuis derhalve een zogenoemde spil was in een criminele organisatie wordt derhalve op basis daarvan weersproken. 178. Kortom, de overweging van de rechtbank omtrent het faciliteren van de criminele organisatie (van de vier hoofdverdachten) door het beschikbaar stellen van het clubhuis is te kort door de bocht en van onvoldoende gewicht om het aandeel van cliënte daarmee te onderbouwen. Blijkt dat aandeel, de deelname, van cliënte dan uit het beschikbaar stellen van de bankrekening aan het charter? Ik meen van niet. Financiën 179. Dat brengt mij tot het tweede argument van de rechtbank, de financiën. Uit het financieel onderzoek naar cliënte blijkt dat vanaf de bankrekening van cliënte betalingen werden verricht voor buitenlandreizen, alsmede enkele incidentele betalingen ten behoeve van het clubhuis, te weten een tafel, verzekeringen, UPC, gemeentebelasting en NUON. Geen van deze betalingen houdt op enigerlei wijze verband met enig (ten laste gelegd) strafbare feit. Dit zijn dan ook geen relevante bevindingen en geen bewijs voor een faciliterende deelname aan een criminele organisatie. 180. Daarnaast zijn in de tenlastegelegde periode (1 mei 2014 tot en met 26 januari 2017) bedragen overgemaakt naar penitentiaire inrichtingen ter attentie van [medeverdachte 4] , [betrokkene 1] en [betrokkene 14] . 181. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het overmaken van geld naar leden van de vereniging die het financieel moeilijk hebben, of dat nou detentie is, opname in een psychiatrisch ziekenhuis of schuldproblematiek, niet maakt dat met deze handeling een criminele organisatie wordt gefinancierd. Het sporadisch overmaken van geld ten behoeve van leden van een hechte groep, is geen strafbaar feit. Uit niets blijkt ook dat dit met zwart geld is gedaan dan wel op een stiekeme wijze wordt gedaan. Het betekent ook op geen enkele wijze dat het gedetineerd raken daarmee wordt gesteund of wordt bevorderd, zoals de rechtbank wel stelt. 182. Wat hier hooguit mogelijk uit zou kunnen blijken is dat de rekening is gebruikt om betalingen te verrichten die via de bank diende te geschieden en dat cliënte deze gunst verleende nu het charter niet over een bankrekening beschikte. 183. In dit kader acht ik het bovendien relevant aan uw hof voor te houden voor welk type feiten deze toenmalige leden gedetineerd zijn geraakt en dat dit geenszins te maken had met strafbare feiten die in het kader van het charter hebben plaatsgevonden. Het betrof in alle gevallen louter individuele feiten:a. [medeverdachte 4] zat gedetineerd vanwege een mishandelingszaak in IJmuiden.b. [betrokkene 1] zat destijds gedetineerd, omdat wapens waren aangetroffen in de woning van zijn schoonvader en zijn DNA was aangetroffen op één van deze wapens. 184. Uit het voorgaande blijkt dan ook dat de detenties van de leden, waar sporadisch geld naar is overgemaakt vanaf de bankrekening van cliënte, niets te maken hadden met het plegen van strafbare feiten binnen de ten laste gelegde criminele organisatie en/of in enig verband stonden met de Hells Angels Haarlem. 185. Dat maakt dat ook niet kan worden gesteld, zoals de rechtbank heeft gedaan, dat cliënte door deze overboekingen bewust een cultuur heeft laten ontstaan en laten voortbestaan waarin misdrijven werden gepleegd. De bankrekening is slechts sporadisch gebruikt en is op geen enkele wijze in rechtstreeks verband te brengen met een cultuur waarin misdrijven werden gepleegd binnen een criminele organisatie. Het type feiten waarvoor [medeverdachte 4] en [betrokkene 1] destijds vast zaten zijn daarvoor kenmerkend en hebben niets te maken met de Hells Angels. Bovendien is [betrokkene 1] vaker gedetineerd geweest en heeft hij - zo blijkt - nooit een andere keer financiële steun gekregen. Er is – kort gezegd – geen vast patroon/cultuur te ontrafelen ten aanzien van de overboekingen. 186. Concluderend stel ik mij op het standpunt dat tevens uit de financiële bevindingen van cliënte niet blijkt dat cliënte daarmee enig aandeel heeft gehad in enige criminele organisatie. De overwegingen van de rechtbank missen concrete onderbouwing in de bewijsmiddelen. In het bijzonder ontbreekt een direct verband met de overboekingen en het plegen van strafbare feiten in het kader van die organisatie. Deelname cliënt [medeverdachte 6] ≠ deelname cliënte de stichting Hells Angels Haarlem 187. Indien uw hof onverhoopt toch vaststelt dat de bestuurder, [medeverdachte 6] , wetenschap van en een aandeel bij een strafbare gedraging in het kader van het charter Hells Angels Haarlem heeft gehad, is er nog een belangrijk punt op basis waarvan uw hof - in tegenstelling tot de rechtbank - tot vrijspraak dient te komen. De deelname van één bestuurder betekent namelijk, wat de verdediging betreft, niet automatisch de deelname van cliënte als rechtspersoon. 188. Zoals u weet heeft cliënte namelijk twee bestuursleden, [medeverdachte 6] en [betrokkene 15] . Wat mij betreft is het niet mogelijk vast te stellen dat, wanneer [medeverdachte 6] deel zou hebben genomen aan een criminele organisatie, hij dit automatisch ook als bestuurder van cliënte heeft gedaan en dat hij ook namens haar een criminele cultuur heeft gedoogd dan wel gesteund. 189. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het feit dat één van de bestuurders iets zou hebben vernomen van een strafbare gedraging door leden van het chapter (de huurder van het pand van cliënte), niet maakt dat hij voorts namens de gehele rechtspersoon, cliënte, dit zou hebben getolereerd en dat deze strafbare gedraging vervolgens ook binnen de sfeer van die rechtspersoon valt. 190. Ten aanzien van dit standpunt wordt ondersteuning gevonden in de alom bekende “IJzerdraadcritena” die in 1954 zijn ontwikkeld. Deze criteria kunnen tevens fungeren als criteria voor het toerekenen van gedragingen van een natuurlijk persoon, in casu het eventueel nalaten van [medeverdachte 6] , aan een rechtspersoon zoals cliënte. De verdediging meent dat het nalaten van [medeverdachte 6] niet kan worden toegerekend aan cliënte. Op basis van het dossier volgt op geen enkel moment dat [medeverdachte 6] bepaalde handelingen, uitlatingen of nalatigheden heeft verricht die in de sfeer van rechtspersoon liggen. 191. Wetenschap van strafbare feiten (achteraf) die niet gerelateerd worden aan de bankrekening en het clubhuis van cliënte, vallen hoe dan ook niet in de sfeer van cliënte als rechtspersoon en zijn derhalve niet relevant. 192. De rechtbank heeft overwogen dat de vermeende stelling van de verdediging dat de wetenschap van [medeverdachte 6] over strafbare gedragingen niet de wetenschap van cliënte zouden impliceren, geen steun vindt in het recht. De verdediging heeft echter niet deze stelling geponeerd. Het betreft namelijk niet slechts de wetenschap van strafbare gedragingen, maar de deelname in zijn geheel aan een criminele organisatie. Die deelname van één van de twee bestuurders impliceert niet automatisch de deelname van de rechtspersoon. Die deelname van de rechtspersoon als geheel moet kunnen worden vastgesteld en daarvoor is enige mate van wetenschap en aandeel van alle bestuursleden noodzakelijk. 193. De verdediging meent dat de deelname van cliënte pas zou kunnen worden vastgesteld, als uit enig bewijsmiddel zou blijken dat alle bestuurders van cliënte op de hoogte zouden zijn geweest – in algemene zin – van de strafbare gedragingen van leden van hun huurder van het pand, die vervolgens hebben gedoogd en niet zouden hebben tegengesproken. 194. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de enkele wetenschap en aandeel van één bestuurder van cliënte, niet de deelname van cliënte aan de criminele organisatie bewijst. Voor deelname, hetgeen een actieve handeling dan wel bewust nalaten inhoudt, moet wat de verdediging betreft enige mate van gezamenlijkheid bestaan van alle leidinggevenden van een rechtspersoon. 195. (…) Hooguit zou kunnen worden gesteld dat, in de situatie dat [medeverdachte 6] op de hoogte was van een bepaalde geweldscultuur binnen het chapter, [medeverdachte 6] aan [betrokkene 15] dit had moeten vertellen in het kader van cliënte. Door dit echter niet te doen (daarvoor ontbreekt immers ieder bewijs) kan cliënte het laten ontstaan en voortbestaan van een bepaalde geweldscultuur niet strafrechtelijk worden verweten. 196. Het nalaten om te handelen door [medeverdachte 6] , kan dan ook niet als nalaten van cliënte worden gezien. Uit niets blijkt dat [medeverdachte 6] twee petten op heeft gehad en met goedkeuren en wetenschap van mede-bestuurder [betrokkene 15] niet heeft ingegrepen bij eventuele strafbare gedragingen of het laten ontstaan en voortbestaan bij een bepaalde geweldscultuur. Dat nalaten kan dan ook niet strafrechtelijk worden toegerekend aan cliënte. 197. Uit geen enkel bewijsmiddel blijkt dat [betrokkene 15] tijdens de ten laste gelegde periode bij enig overleg in het clubhuis is geweest en uit geen enkel OVC of tapgesprek blijkt dat [medeverdachte 6] of andere leden van de Hells Angels Haarlem met [betrokkene 15] hebben gesproken over strafbare feiten binnen de Hells Angels Haarlem. Ook kan niet worden gesteld dat de enkele wetenschap van en aandeel bij strafbare feiten bij één van de bestuurders van cliënte, maakt dat cliënte daar ook aan zou hebben deelgenomen. 198. Kortom, als uw hof al zou vaststellen dat cliënt [medeverdachte 6] achteraf wetenschap zou hebben gehad van strafbare feiten en daarmee een bepaalde cultuur zou hebben ondersteund, dan is dit alsnog, onvoldoende om cliënte te veroordelen voor deelname aan een criminele organisatie, nu [betrokkene 15] hier niets van af heeft geweten en geen enkel aandeel in heeft gehad. Ook dit dient te [plaats] tot vrijspraak van cliënte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs voor wat betreft het bestanddeel deelname. Conclusie 199. Kortom, uit al het voorgaande blijkt niet dat cliënte – uiterst subsidiair – daadwerkelijk enige wetenschap en enig aandeel heeft gehad in de vermeende criminele organisatie. Uit het enkele gegeven dat de stichting haar pand en sporadisch haar bankrekening ter beschikking stelde aan leden van het charter, kan niet de conclusie worden getrokken dat de stichting daardoor daadwerkelijk heeft deelgenomen aan die criminele organisatie. 200. Mocht uw hof al vaststellen dat enkel [medeverdachte 6] heeft deelgenomen aan het laten ontstaan en voortbestaan aan enige geweldscultuur, dan kan dat alsnog niet worden toegerekend aan cliënte. Voor deelname van cliënte is wat de verdediging betreft noodzakelijk dat cliënte door beide bestuurders een aandeel heeft gehad bij het laten ontstaan en voortbestaan van een bepaalde cultuur. Dat is echter hoe dan ook niet het geval geweest en raakt derhalve het wettig en overtuigend bewijs voor het bestanddeel deelname. (…) 206. Gelet op het voorgaande verzoek ik uw hof om cliënten dan ook – meer subsidiair – vrij te spreken van het ten laste gelegde feit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van de deelname aan enige criminele organisatie.’ 7. Het hof heeft in het bestreden arrest inzake de bewezenverklaring het volgende overwogen (met overneming van voetnoten): ‘Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan de verdachte tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie bewezen dient te worden verklaard, met dien verstande dat het niet bewezen kan worden dat de organisatie - tevens - het oogmerk heeft tot het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 141a, 170, 287, 289 en 312 Sr. Er is voldaan aan de vereisten die worden gesteld aan de strafbaarheid van een rechtspersoon. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie. Primair heeft de raadsvrouw daartoe naar voren gebracht dat enig oogmerk ontbreekt. Er was sprake van twee organisaties met twee verschillende oogmerken: binnen de Hells Angels Haarlem was er een organisatie bestaande uit [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, én een organisatie bestaande uit alle leden van de Hells Angels Haarlem, maar zonder [betrokkene 4] , die geen crimineel oogmerk had. Deze laatste organisatie was gericht op het voortbestaan van de Hells Angels Haarlem en de verdachte behoorde daartoe. Nergens blijkt uit dat de verdachte – in zijn algemeenheid – op de hoogte was van het plegen van strafbare feiten door [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en dat deze feiten namens het charter werden gepleegd. De verdachte heeft nimmer bijgedragen aan dan wel enige rol gehad bij een bedreigende en gewelddadige reputatie van het charter of bij strafbare feiten. De verdediging heeft – bij wijze van alternatief scenario – naar voren gebracht dat de hoofdverdachten (het hof begrijpt: [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3]) naar de buitenwereld, hebben opgetreden namens het hele charter, terwijl zij tegenover de overige leden van de Hells Angels deden alsof het ging om persoonlijke gedragingen. Ten aanzien van het belonen van het geweld, dat in verband wordt gebracht met het criminele oogmerk, geldt dat de betekenissen van bepaalde uiterlijke kenmerken en termen daar geen onderbouwing voor bieden, nu de betekenissen daarvan niet objectief kunnen worden vastgesteld. De verklaring die de verdachte over de patch ‘dequiallo’ heeft gegeven wordt niet weersproken door de inhoud van zijn strafblad. De term ‘omerta’ kan evenmin bijdragen aan de stelling dat geweld wordt beloond binnen het charter en dat daaruit het criminele oogmerk kan worden afgeleid. Als al sprake zou zijn van wetenschap van betekenissen, dan brengt dit niet mee dat de verdachte in zijn algemeenheid heeft geweten van een oogmerk tot het plegen van misdrijven. Voor zover geoordeeld zou worden dat sprake is van een organisatie waartoe de verdachte behoort én dat deze organisatie tevens het oogmerk had tot het plegen van misdrijven, is er onvoldoende bewijs dat de verdachte bewust heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, laat staan dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband op dit punt. De verdachte heeft geen wetenschap (achteraf) gehad van de gepleegde strafbare feiten gelieerd aan het charter en hij heeft ook geen wezenlijk aandeel gehad bij het laten voortbestaan van die criminele organisatie. De verdediging heeft onder verwijzing naar verschillende zaaksdossiers betwist dat de oude garde, waartoe de verdachte behoorde, vooraf wetenschap had van de door [betrokkene 1] , [betrokkene 3] of [betrokkene 2] gepleegde strafbare feiten en dat deze strafbare feiten zijn gepleegd in het kader van de club. Indien er al sprake was van wetenschap, is deze achteraf gekomen, waarna door de verdachte en de andere leden van het charter onverwijld is gehandeld door [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] uit de club te gooien. Daaruit blijkt eveneens dat de verdachte en de andere leden van de Hells Angels Haarlem eerder niet op de hoogte waren van het plegen van strafbare feiten door voornoemden. Het zelfregulerende vermogen van de club blijkt eveneens uit de maatregelen die zijn getroffen tegen getuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 8] . Naar het oordeel van de verdediging kan niet worden gesteld dat de verdachte een wezenlijk aandeel had in het laten voortbestaan van die criminele organisatie. Indien het hof zou oordelen dat de verdachte enige wetenschap achteraf heeft gehad van strafbare feiten die in het kader van het charter zijn gepleegd, dan is het eveneens noodzakelijk dat de verdachte ook daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in de criminele organisatie. Niet kan worden geoordeeld dat de verdachte een dergelijk aandeel heeft gehad door het ter beschikking stellen van het clubhuis en het sporadisch ter beschikking stellen van de bankrekening aan leden van het charter. Het clubhuis is niet gebruikt bij gepleegde strafbare feiten en het ter beschikking stellen van een pand aan personen, die buiten wetenschap van de verdachte om strafbare feiten plegen, maakt niet dat de eigenaar van dat pand strafrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. De OVC-gesprekken in het clubhuis nopen evenmin tot dat oordeel. Ook het sporadisch overmaken van geld naar (gedetineerde) leden maakt niet dat daarmee een criminele organisatie wordt gefinancierd. Ook in het geval het hof zou oordelen dat een van de bestuurders van de verdachte, namelijk [medeverdachte 6] , wetenschap heeft gehad van of een aandeel heeft gehad bij een strafbare gedraging in het kader van het charter Hells Angels Haarlem, dient vrijspraak te volgen. Niet kan worden vastgesteld dat het andere bestuurslid hiervan op de hoogte is geweest of daar een aandeel in heeft gehad. Het handelen/nalaten van [medeverdachte 6] kan niet aan de verdachte worden toegerekend, waarbij de raadsvrouw heeft gewezen op de zogenaamde “IJzerdraadcriteria”. Voor toerekening is enige mate van gezamenlijkheid vereist van alle leidinggevenden van een rechtspersoon. Beoordeling door het hof Voor beantwoording van de vraag of de verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, zal het hof hierna de bestanddelen “organisatie”, “oogmerk van de organisatie” en “deelneming aan de organisatie” bespreken. Het hof verwijst in een deel van de tekst van deze beoordeling met noten naar de betreffende bewijsmiddelen. Voor zover in de tekst geen noten zijn opgenomen, blijken de betreffende bewijsmiddelen uit de bijgevoegde bewijsmiddelenbijlage. De bewijsmiddelen uit de noten staan in beginsel niet in de bewijsmiddelenbijlage vermeld, maar in een aantal gevallen is sprake van een dubbele vermelding. Organisatie Beoordelingskader Volgens vaste jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon – om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt – moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (Hoge Raad 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378).Het hof leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af. De Stichting Hells Angels Haarlem (hierna ook: de Stichting) staat ingeschreven op het adres aan de [a-straat 1] te Haarlem en is eigenaar van het aldaar gelegen pand. [medeverdachte 6] is voorzitter van de Stichting. Hells Angels, charter Haarlem (hierna ook: Hells Angels Haarlem), maakt gebruik van het pand aan de [a-straat 1] te Haarlem als clubhuis. De Stichting beschikt over een bankrekening, die wordt gevoed door contante stortingen en vanaf welke rekening de vaste lasten voor het clubhuis worden betaald. De ‘treasurer’ (hof: penningmeester) van de Hells Angels Haarlem heeft de beschikking over de bankrekening van de Stichting. In de ten laste gelegde periode zijn [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] allen lid van dit charter. Binnen het charter is sprake van een strakke structuur met diverse functies. [betrokkene 1] is president, [medeverdachte 1] is vice-president, [medeverdachte 2] is ‘road captain’, [betrokkene 3] is ‘treasurer’, [medeverdachte 3] is ‘secretary’ en [betrokkene 2] is de ‘sergeant at arms’. [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn ‘full colour member’. De leden dragen een hesje, de zogenaamde ‘colours’, waardoor zichtbaar is dat zij lid zijn van Hells Angels, charter Haarlem. Zij betalen contributie voor het lidmaatschap, met welke contributie de vaste lasten voor het clubhuis worden betaald, met uitzondering van [medeverdachte 5] , die daar de laatste jaren van is vrijgesteld gelet op zijn leeftijd en zijn financiële situatie. Leden van de Hells Angels Haarlem overleggen structureel in periodieke overleggen en op basis van ad-hoc belegde bijeenkomsten. Hells Angels Haarlem heeft eigen clubregels. De verdachte was bekend met deze regels. Beslissingen binnen het charter worden op democratische wijze genomen, waarbij alle leden een stem hebben in te nemen beslissingen. [betrokkene 4] is geen lid van Hells Angels, charter Haarlem. Ten tijde van de detentie van haar partner [betrokkene 1] was zij wel de cruciale schakel tussen [betrokkene 1] en andere leden van de Hells Angels Haarlem. Met name met [betrokkene 3] en [betrokkene 2] onderhield zij telefonisch contact en zij had ontmoetingen met hen, onder meer over club gerelateerde zaken. Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen de leden van de Hells Angels Haarlem, zijnde [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] , samen vormend Hells Angels, charter Haarlem, en de Stichting en [betrokkene 4] gedurende de ten laste gelegde periode. Oogmerk van de organisatie Beoordelingskader Het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht op het plegen van misdrijven, maar niet is vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is (HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148). Het oogmerk ziet op het feitelijke en gewenste doel van de organisatie. Daarbij is voor een bewezenverklaring voldoende dat het plegen van misdrijven wordt beoogd, zodat nog geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijke plegen daarvan. Het oogmerk behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken (HR 13 oktober 1987, NJ 1988/425). Voor bewijs van het bestanddeel "oogmerk" zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502 NJ 2008/559). De organisatie bestond, zoals hiervoor is vastgesteld uit de full members van het charter Hells Angels Haarlem, [betrokkene 4] en de Stichting Hells Angels Haarlem. Het charter Hells Angels Haarlem vormde daarbij het middelpunt van de organisatie. Bij het beantwoorden van de vraag of de organisatie het oogmerk had op het plegen van misdrijven komt naar het oordeel van het hof betekenis toe aan de volgende feiten en omstandigheden.A. Bedreigende en gewelddadige reputatie Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat het charter Hells Angels Haarlem een bedreigende en gewelddadige reputatie heeft. Uit diverse verklaringen en tapgesprekken blijkt dat slachtoffers van strafbare gedragingen door leden van de Hells Angels Haarlem geen aangifte durven te doen uit angst voor represailles en dat getuigen niet of nauwelijks durven te verklaren. Zo heeft getuige [betrokkene 16] in het contact met de politie verklaard dat de Hells Angels nergens voor terugdeinzen en tot alles in staat zijn. Ook blijkt uit zijn gesprek met de politie dat hij zeer angstig is dat de club erachter komt dat hij contact heeft met de politie. Hij durft van meerdere voorvallen geen aangifte te doen. Ook getuige [betrokkene 17] wilde geen verklaring afleggen of aangifte doen, omdat hij geen lopende schietschijf wil zijn in Haarlem. Uit de gesprekken met de politie en de tapgesprekken blijkt dat de getuige [betrokkene 7] , voormalig ‘hangaround’ van de Hells Angels Haarlem, angstig is, niet wil dat de leden van de club erachter komen wat hij de politie heeft verteld en hij hen tot alles in staat acht. Wanneer de politie bij de getuigen [betrokkene 18] en [betrokkene 19] langs komt, naar aanleiding van de mishandeling van [betrokkene 18] , geeft [betrokkene 19] aan geen aangifte te willen doen, omdat de Hells Angels dan ongetwijfeld langs komen en de ramen inschieten met mitrailleurs. Getuige [betrokkene 9] heeft verklaard dat hij in het verleden betalingen heeft moeten doen aan de Hells Angels Haarlem en dat hij in die tijd doodsbang was. Tenslotte verklaart ook getuige [betrokkene 20] , afgeperst en mishandeld door leden van de Hells Angels Haarlem, nauwelijks uit angst voor wat er kan gebeuren. Voornoemde getuigen zijn, met uitzondering van [betrokkene 17] , eveneens ter terechtzitting in hoger beroep gehoord. Gelet op de in hoger beroep afgelegde verklaringen, bezien in samenhang met de eerder door hen afgelegde verklaringen, kan het hof zich niet aan de indruk onttrekken dat een aantal van de getuigen nog steeds niet het achterste van hun tong heeft durven laten zien uit angst voor mogelijke represailles. Zo geeft getuige [betrokkene 16] enerzijds aan niet te weten van waaruit de opdracht om hem te dwingen zijn tattooshop te sluiten is gegeven, maar verklaart hij anderzijds: “Ik weet niet precies vanuit welke groep dit is gekomen, maar als er al twee aan je deur staan..” Dit, nadat hij even ervoor had gezegd dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan de deur stonden, daarbij doelend op [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , van wie hij wist dat ze lid waren van de Hells Angels Haarlem. Op de vraag of hij bang was antwoordt hij: “Weet u, ik had niet te maken met de plaatselijke roeivereniging en ik wist niet wie ik tegenover mij had.” Getuige [betrokkene 19] geeft aan zich delen van het gesprek met de politie niet meer te kunnen herinneren en evenmin dat zij contact heeft gezocht met [betrokkene 3] . Getuige [betrokkene 9] heeft verklaard dat hij het geld dat hij heeft betaald niet zag als een boete en dat hij zich nooit afgeperst heeft gevoeld. Tegelijkertijd verklaart hij: “Ik heb twee ouders en meerdere zaken en als je auto in de brand wordt gestoken (…).” [betrokkene 20] heeft verklaard dat het niet klopt dat hij bang was en dat de politie zoveel kan opschrijven. Voorts verklaart hij: “Als je een boete moet betalen, moet je het betalen. Ik wil er niets meer over verklaren. Ik ben er klaar mee. Ik heb ook tegen de agent gezegd dat ik geen represailles wilde.” Getuige [betrokkene 7] heeft voorafgaand aan het verhoor ter terechtzitting laten weten angstig te zijn te verklaren in het bijzijn van de verdachten. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij niet door tuig opgewacht wil worden vanwege het afleggen van een getuigenverklaring. Ook verklaarde hij op de vraag van medeverdachte [medeverdachte 2] of hij bang voor hem is: “Ik ben voor geen één van jullie individueel bang. Ik weet dat de club ver reikend kan zijn en een club waarmee ik niet op goede voet sta – en dat sta ik op dit moment niet – heeft de mogelijkheden om mij door anderen het leven zuur te laten maken.” Ten slotte is in hoger beroep ook oud-lid van de Hells Angels Haarlem [betrokkene 5] als getuige gehoord. Hij verklaarde eerder bij de politie bang te zijn dat de Hells Angels er via de advocaten achter komen dat hij wat heeft verteld. Daarmee geconfronteerd ter terechtzitting in hoger beroep verklaarde hij dat hij het niet zo tegen de politie heeft gezegd. Nadat wordt voorgehouden dat hij tot twee keer tegen de politie heeft gelegd dat hij angst had voor represailles, antwoordt hij dat dat misschien voor zichzelf was maar niet voor zijn vrouw en kinderen en dat hij het merkwaardig vindt dat de politie het zo heeft opgeschreven. Dat de leden van de Hells Angels Haarlem zich ook bewust zijn van deze reputatie, blijkt onder meer uit een uitlating die [betrokkene 2] doet tijdens de clubvergadering op 16 september 2016, in aanwezigheid van de verdachte en de overige leden van de Hells Angels Haarlem, namelijk dat het chapter Haarlem in Holland bekend staat als kei- en keihard. Ook zegt [betrokkene 1] in een telefoongesprek met [betrokkene 4] : “Wij zijn het beestachtige chapter” (...) ‘‘op een clubavond waar vier of vijf man van ons zijn, we steken de boel in de brand, gooien de krukken door de deur heen, ehhh ... wat doen we niet, er wordt gewoon geschoten binnen in het clubhuis.” De reputatie van de Hells Angels Haarlem komt tevens naar voren in een tweetal krantenberichten in het dossier van 30 april 2015 en 19 juni 2015. In het eerste bericht staat vermeld dat [betrokkene 1] de baas is van en nieuwkomer is binnen het beruchte chapter in Haarlem en hij in verband wordt gebracht met het plegen van strafbare feiten. In het tweede bericht staat vermeld dat Hells Angels Haarlem voorman [betrokkene 1] uit is op oorlog en een harde lijn hanteert. B. Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen Voorts leidt het hof uit de bewijsmiddelen af dat het plegen van strafbare gedragingen, met name geweld, door de Hells Angels Haarlem wordt aangemoedigd en beloond. In het clubhuis hangt een oorkonde met de tekst ‘Deathhead Purple Heart’. Op de oorkonde staat in het Engels dat een ieder die dit heeft verdiend zijn bloed heeft gegeven ter verdediging en eer van de Hells Angels. Het hof leidt uit het dossier af dat de zogenaamde patch ‘dequiallo’ verdiend kan worden door toegepast geweld door clubleden van Hells Angels richting overheidspersoneel. Deze term is in het clubhuis op de muur geschilderd. Vier leden van de Hells Angels Haarlem dragen deze patch: [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] . Dat de patch een andere betekenis zou hebben, zoals door medeverdachten ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht, acht het hof gelet op het navolgende niet aannemelijk. In een afgeluisterd gesprek noemt [betrokkene 1] [betrokkene 3] een slappeling omdat hij nog geen ‘dequiallo’ heeft en zegt dat hij [wijkagent] (hof: de wijkagent) in elkaar moet stompen. In de arrestantenbus op 26 januari 2017 zegt [betrokkene 3] dat ze voor zijn neus stonden en dat hij dacht aan ‘dequiallo’. Ook in een ander gesprek zegt [betrokkene 3] : “Als ik aangehouden word, ga ik voor dequiallo.” Ten slotte heeft [betrokkene 2] ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat verzet bij arrestatie een betekenis van ‘dequiallo’ is.Tijdens de clubvergadering van 16 september 2016 wordt het belang van het dragen van de patches door [medeverdachte 3] onderstreept: “Het is een sowieso een straf als jij je patch niet aan mag, of je nou een T-shirt mag dragen of niet het gaat om je patch.” Ook gebruikt Angels Haarlem de ‘ball been hammer’ (bolhamer) als symbool. Dit symbool is bedoeld voor leden die geverifieerd geweld namens de club hebben gebruikt. Op de motor van [medeverdachte 3] is een ‘ball peen hammer’ aangetroffen. Dat het plegen van strafbare feiten door de leden, van de Hells Angels Haarlem volstrekt normaal wordt gevonden en wordt geaccepteerd – en daarmee indirect wordt aangemoedigd – blijkt ook uit de inzamelingen die voor gedetineerde leden worden georganiseerd, de zogenaamde Big House Crew. Op 23 juli 2016 vindt een inzameling plaats voor [betrokkene 1] die op dat moment gedetineerd zit. In dat verband wijst het hof ook op de uitlatingen van [betrokkene 1] tijdens de clubvergadering op 16 september 2016: “we moeten wel aan de toekomst denken en (...) laten we hopen van niet maar ik ken vast komen, hij ken vast komen als jij woorden krijgt met je buurman en je slaat hem achterstevoren dan ken je ook vast komen”, “We kennen allemaal vastkomen” en “dan moet het niet zo zijn dat nu moeten jullie voor mij betalen maar als er twee of drie man vast zitten dan heb je een fucking probleem.” Op diezelfde clubvergadering zegt [betrokkene 1] : “Hee als justitie zijn shit beter had geregeld en van der Valk betere camera’s had gehad ja? Dan had hij vast gezeten, had hij vast gezeten, had hij vast gezeten en had ik vast gezeten ja?” De acceptatie van strafbare gedragingen door leden van de Hells Angels blijkt naar het oordeel van het hof eveneens uit de omstandigheid dat het niet de bedoeling is dat leden van de Hells Angels Haarlem (met de politie) praten. Dit volgt allereerst uit regel 12 van de clubregels van de Hells Angels Haarlem: “Alles wat Hells Angels H’lem met elkaar bespreken blijft tussen ons; dus wordt op geen enkele manier naar buiten gebracht.” Op een muur in het clubhuis staat ook groot de tekst ‘omerta (hof: de geheimhoudingsplicht/zwijgplicht)’ geschilderd. Na de aanhouding van leden van de Hells Angels Haarlem op 26 januari 2017 fluistert [medeverdachte 6] in de arrestantenbus: “zwijgen ... met alles” Tevens wordt op de clubvergadering van 16 september 2016 gesproken over het ‘sweepen van het clubhuis’, waarna [betrokkene 1] zegt: “je moet hier gewoon niet domme dingen lullen” en “we zitten allemaal van hier niet praten en daar niet praten als er echt wat te bespreken, wat we echt niet willen gaan we weg. Gaan we ergens anders heen simpel zat. Die dagelijkse dingen en die club dingen daar kennen we gewoon over praten.” Tijdens een andere clubvergadering wordt [medeverdachte 4] aangesproken dat hij zijn telefoon moet weggooien en een nieuw nummer moet nemen, omdat ‘ze alles terug kunnen halen’. Ten slotte blijkt ook uit een afgeluisterd gesprek van [medeverdachte 5] dat hij, wanneer een vrouw contact met hem zoekt die ervan wordt beschuldigd verdovende middelen te hebben gestolen vanuit het clubhuis van de Hells Angels te Haarlem, niet wil dat dit soort dingen over de telefoon wordt besproken. C. Misdrijven Tevens blijkt uit de bewijsmiddelen in het dossier dat leden van de Hells Angels Haarlem zich in de tenlastegelegde periode schuldig hebben gemaakt aan het plegen van misdrijven, die naar het oordeel van het hof rechtstreeks verband houden met het charter. Het hof maakt daarbij een onderscheid tussen delicten waarbij sprake is van (fysieke en/of verbale) intimidatie en feiten die verband houden met wapenbezit. Afpersing, dwang, bedreiging en mishandelingHet hof leidt uit het dossier af dat een aantal strafbare feiten zijn gepleegd jegens personen omdat zij lid zijn van een andere motorclub dan wel omdat concurrentie van andere motorclubs niet wordt geduld. De verhouding tussen de Hells Angels Haarlem en andere motorclubs komt onder meer een aantal keer ter sprake tijdens de clubvergadering van 16 september 2016. Zo zegt [betrokkene 2] : “wij kwamen er een paar weken geleden een tegen he? Ik dacht eerst No Surrender, ik rij de benzine pomp op, ik had bijna me stuur verbogen want er zaten een paar andere gasten, zat daar een Satu..” Ook [betrokkene 1] zegt: “Onze club is het belangrijkste wij moeten met elkaar door een deur kennen en waarom moet je handjes schudden met Satudarah” en “ik vind dat we alle recht van spreken hebben omdat we met heel veel dingen het voortouw hebben genomen en als enigste stad kunnen zeggen dat wij die kanker honden hier niet hebben en dat komt alleen maar door onze eigen houding die we hebben en wij kennen gewoon zeggen van luister als er geflikkerd word met die Satudarah’s, Bandidos, No Surender, Mongols, Outlaws die hele kanker zooi als Holland daar voor is dan krijgen we net als vorige keer gewoon weer tweestrijd.” In zaaksdossier C-02 Alt is getuige [betrokkene 17] in zijn café door zes leden van de Hells Angels in full colours gedwongen om zijn No Surrender-vest af te geven. De Hells Angels hebben [betrokkene 17] duidelijk gemaakt dat ze geen No Surrender in Haarlem willen. Toen [betrokkene 17] zijn lidmaatschap bij No Surrender niet had beëindigd, zoals hem door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] was opgedragen, is hij in hun bijzijn geslagen. In dossier C-13 Vuurduin is getuige [betrokkene 21] , lid van de motorclub Satudarah, mishandeld door [betrokkene 3] . Volgens een getuige werd er ook ‘tering Satudarah’ geroepen. Na dit voorval is er contact tussen [betrokkene 2] , als ‘sergeant at arms’ van de Hells Angels Haarlem, en de ‘national sergeant’ van Satudarah. Getuige [betrokkene 6] , lid van No Surrender, wordt in zaaksdossier C-15 Martini (met voorbedachte raad) mishandeld door [betrokkene 2] . Deze mishandeling vindt plaats vlak nadat [betrokkene 2] door [betrokkene 22] op de hoogte wordt gebracht van het feit dat hij een lid van No Surrender ziet rijden. Ten slotte blijkt uit de zaaksdossiers C-04 Begles, C-05 Bornrif, C-07 Stereo en C-08 Kasteel dat [betrokkene 1] tweemaal opdracht gegeven heeft tot brandstichting bij sporthal [A] in [plaats] . Bij een van die brandstichtingen heeft hij de opdracht daartoe via [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] gegeven, die voor de verdere uitvoering moest zorgdragen. [betrokkene 1] heeft ook op verschillende momenten dreigberichten naar [betrokkene 23] , de eigenaar van sporthal [A] , verstuurd. Door middel van deze dreigberichten en brandstichtingen heeft [betrokkene 1] [betrokkene 23] geprobeerd te dwingen om de jaarlijks georganiseerde choppershow van de motorclub Rogues MC geen doorgang te laten vinden. Tevens hebben een aantal strafbare feiten plaatsgevonden tegen personen die (voorheen) gelieerd waren aan de Hells Angels Haarlem. Toen de getuige [betrokkene 7] als hangaround bij de Hells Angels Haarlem wilde stoppen, is geprobeerd hem met geweld en bedreiging met geweld te dwingen zijn motor af te geven, waarbij [betrokkene 3] [betrokkene 7] een klap in het gezicht heeft gegeven (zaaksdossier C-14 Uitkijk). Ook [betrokkene 20] is door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] afgeperst (zaaksdossier C-18 Wester). [betrokkene 20] was lid van Alcatraz Wanted , een supportclub van Hells Angels Haarlem, en had – in de ogen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] – nagelaten een envelop met ingezameld geld te bezorgen bij de vrouw van een gedetineerd lid van Alcatraz Wanted . [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben daarin aanleiding gezien om aan [betrokkene 20] als lid van een supportclub een boete op te leggen. [betrokkene 20] moest om die reden een aantal keren naar het clubhuis komen, waar hij tevens klappen heeft gehad van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Tenslotte hebben ook een aantal strafbare feiten plaatsgevonden tegen willekeurige personen. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 3] [betrokkene 18] heeft mishandeld nadat hij eerder heeft geprobeerd hem te dwingen tot afgifte van een geldbedrag (zaaksdossier C-16 Westpoint). In de afgeluisterde telefoongesprekken verwijst [betrokkene 3] naar de Hells Angels en dat de club ermee gemoeid is. Tevens blijkt daaruit dat [betrokkene 3] zich na de mishandeling van [betrokkene 18] moet melden in Haarlem. Ten overvloede merkt het hof op, dat uit het dossier nog blijkt dat wanneer [betrokkene 3] erachter komt dat de getuige bij een andere motorclub zit, hij het helemaal een legitieme reden vindt en dat er dan helemaal op hem gejaagd gaat worden. Voorts blijkt uit het zaaksdossier C-17 Millennium dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] [betrokkene 9] hebben afgeperst door hem met bedreiging met geweld te dwingen tot de afgifte van € 10.000,-. Uit gesprekken in het dossier blijkt dat deze beslissing er lag en dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hieraan uitvoering hebben gegeven. Ten slotte is de getuige [betrokkene 16] door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] gedwongen om zijn tattooshop in Haarlem te sluiten. Alhoewel [betrokkene 2] en [betrokkene 1] voor dit zaaksdossier (C-01 Budel) zijn vrijgesproken, nu het sluiten van de tattooshop door [betrokkene 16] niet in de tenlastegelegde periode heeft plaatsgevonden, blijkt naar het oordeel van het hof uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep dat de getuige zich door de mededelingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , namelijk dat ze niet blij waren met de terugkomst van [betrokkene 16] in Haarlem en dat hij maar beter kon stoppen met zijn pas geopende tattooshop, genoodzaakt heeft gevoeld zijn tattooshop te sluiten. Wapens en munitie [betrokkene 1] en [betrokkene 3] hebben in het clubhuis van de Hells Angels Haarlem een vuurwapen en een geluiddemper voorhanden gehad (zaaksdossier C-19 Boor). Uit het dossier blijkt dat met dit wapen is geschoten, gelet op de kogel die in de openhaard van het clubhuis is aangetroffen. Conclusie met betrekking tot het oogmerk Het hof constateert dat de Hells Angels Haarlem een bedreigende en gewelddadige reputatie hebben en dat het plegen van strafbare feiten wordt aangemoedigd en beloond. Uit het voorgaande en de bewijsmiddelen in het dossier is tevens gebleken dat door de leden van de Hells Angels Haarlem strafbare feiten worden gepleegd uit naam van het charter en niet, zo