PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/02417 B Zitting 10 mei 2022 CONCLUSIE T.N.B.M. Spronken In de zaak [klaagster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum ] 1991, hierna: de klaagster. 1Het cassatieberoep 1.1. De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft bij beschikking van 6 april 2021 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van het onder haar partner [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) in beslag genomen geldbedrag van € 15.135,00, ongegrond verklaard. 1.2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel heeft betrekking op de toetsingsmaatstaf die de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift heeft aangelegd. Het tweede middel is gericht tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift. 2De procesgang 2.1. Op grond van de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden, kan in deze zaak – voor zover van belang – de procesgang als volgt worden samengevat. 2.2. Op 26 mei 2020 is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen [betrokkene 1] voornoemd geldbedrag onder hem in beslag genomen. 2.3. Op 13 november 2020 is namens de klaagster door mr. C.M. Peeperkorn een klaagschrift ingediend met het verzoek tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 15.135,00. 2.4. Op 22 maart 2021 is het klaagschrift in de raadkamer behandeld. Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 6 april 2021 het klaagschrift ongegrond verklaard. 2.5. Tegen deze beschikking is namens de klaagster beroep in cassatie ingesteld. 3Het eerste middel 3.1. Het eerste middel klaagt dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd. 3.2. De bestreden beschikking houdt – voor zover van belang – het volgende in: “2. Beoordeling Op 26 mei 2020 is onder [betrokkene 1] , de partner van klaagster, voornoemd geldbedrag inbeslaggenomen. -standpunten- De raadsvrouw van klaagster heeft in raadkamer ter aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat een bedrag van € 15.135,- klaagster toebehoort. Het is geld dat zij gedurende twee tot drie jaar heeft gespaard. De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan klaagster en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, nu het Openbaar Ministerie zal vorderen dat het geldbedrag zal worden verbeurd verklaard of worden onttrokken aan het verkeer. De rechtbank overweegt het volgende. Gelet op het procesdossier, het verhandelde in raadkamer en de omstandigheid dat klaagster slechts een bescheiden inkomen heeft, is de rechtbank van oordeel dat op dit moment niet kan worden geconcludeerd dat buiten twijfel is dat klaagster als eigenaresse van het geldbedrag moet worden aangemerkt. Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard. 3. BeslissingDe rechtbank: verklaart het klaagschrift ongegrond.” 3.3. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de rechtbank met de overweging dat niet kan worden geconcludeerd dat buiten twijfel is dat de klaagster als eigenaresse van het geldbedrag moet worden aangemerkt, een te strenge – en dus een onjuiste – maatstaf heeft gehanteerd dan de bij een conservatoir beslag ex art. 94a Sv vereiste maatstaf, dat buiten redelijke twijfel is dat de klaagster eigenaresse van het geldbedrag is. 3.4. Ik stel voorop dat bij de vraag welke beoordelingsmaatstaf van toepassing is, ten tijde van de behandeling in raadkamer duidelijk dient te zijn welke bepaling of bepalingen aan het beslag ten grondslag liggen. 3.5. Bij een beslag dat is gelegd op de voet van art. 94 Sv geldt, in een geval als het onderhavige waarin het desbetreffende geldbedrag onder een ander dan de klager in beslag is genomen, als maatstaf voor de beoordeling van het klaagschrift
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.