PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/03352 Zitting 13 mei 2022 CONCLUSIE R.H. de Bock In de zaak 1. Schadecentrum Dongen V.O.F. 2. Autobedrijf Van Mossel B.V. 3. Van Mossel Sh
§ 4.47 en 4.48, en pleitnota hoger beroep § 28. In de procesinleiding wordt in voetnoot 8 verwezen naar Mv
A §§ 166 t/m 168: zij heeft de mededeling van [de financieel directeur] zelfs niet serieus genomen ”aangezien [de financieel directeur] wel vaker aan grootspraak deed” (geciteerd is uit § 166). Verwezen wordt naar HR 22 november 1974, NJ 1975/149.
§§ 4
.44, 4.45, 4.65, en pleitnota hoger beroep §§ 18 t/m 23.
§§ 4
.54 en 4.55, en pleitnota hoger beroep §§ 26 en 27.
§§ 4.68 en 4.69.
Verwezen wordt naar pleitnota hoger beroep §§ 12 t/m 16.
§§ 4
.4, 4.40, 4.41, 4.53, 4.65, en pleitnota hoger beroep §§ 3, 16 en 17.
§§ 4
.51 t/m 4.53, en pleitnota hoger beroep § 3.
§§ 4
.4, 4.42, 4.43, 4.53, 4.65, en pleitnota hoger beroep § 3.
§§ 4
.4, 4.40 t/m 4.43, 4.51 t/m 4.53, 4.58 t/m 4.61, 4.68, en pleitnota hoger beroep §§ 3, 17 en
- Verwezen wordt naar art. 4.5 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, in verbinding met art. 87 lid 6 Rv. HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9204, NJ 2012/174; HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077, NJ 2015/453 m.nt. Strikwerda (NRSL/Kompas). Zie mijn conclusie voor HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:274 (Nationale Politie), onder 3.13 en 3.
- M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag 2020 (2e druk), p.
- Zie ook mijn commentaar op art. 85 Rv in GS Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 4 (online, actueel t/m 01-06-2021). Zie daarover uitvoerig R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, 2011, p. 41-
- Zie ook R.H. de Bock, ‘Feitenonderzoek tijdens de mondelinge behandeling’, in: G. de Groot & H. Steenberghe (red.), De mondelinge behandeling in civiele zaken, 2019, p. 183-
- Zie meest recent HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600, JOR 2020/138 m.nt. D.R. Doorenbos, RvdW 2020/492, rov. 3.2.2 (in het kader van het verschoningsrecht van advocaten en notarissen). De zinsnede ‘ten dienste van een goede rechtsbedeling’ heeft de Hoge Raad voor het laatst gebezigd in het kader van de getuigplicht van art. 165 lid 1 Rv, te weten in HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, NJ 2010/471 m.nt. C.J.M. Klaassen (Verschoningsrecht mediator), rov. 3.
- Zie de Wet van 3 juli 2019 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht (Stb. 2019, 241) en het Besluit van 5 juli 2019 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht (Stb. 2019, 247). M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag 2020 (2e druk), par. 6.2.
- Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, p. 72 (Wet KEI). L.M. Coenraad, ‘Stukkenverdriet’, in: Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75e verjaardag (red. R.H. de Bock, R. Klomp en E. Schaafsma-Beversluis), Deventer 2020, par. 6.3.
- Idem A.V.T. de Bie en E.E. Kraan, Echtscheidingsprocesrecht, in: L.M. Coenraad, G.M.C.M Staats en A.H.N. Stollenwerck (red.), Compendium Echtscheiding, Den Haag 2019, p. 156-
- HR 29 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1186, NJ 1990/732; HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF1210, NJ 2004/172 m.nt. H.J. Snijders (Dipasa/ […]); HR 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9613, NJ 2008/554 m.nt. H.J. Snijders. HR 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9613, NJ 2008/554 m.nt. H.J. Snijders. HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF1210, NJ 2004/172 m.nt. H.J. Snijders (Dipasa/ […] ). Pauline Ernste, ‘Het wetsvoorstel Spoedwet KEI: een verruiming van regie van de rechter en de mogelijkheden rondom de mondelinge behandeling’, in: TCR 2019, nr. 3, p.
- Commentaar & Context. Rechtsvordering na de Spoedwet-Kei (red. H.M.M. Steenberghe), Den Haag 2020, p.
- Idem M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag 2020 (2e druk), par. 6.2.
- Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, p. 82 (Wet KEI). Zie de spreekaantekeningen hoger beroep onder
- Zie voorts het proces-verbaal van de mondelinge behandeling p. 3-4, waarin is te lezen dat door de voorzitter wordt gevraagd of het rapport harde gegevens oplevert, waarop het antwoord luidt ‘Het is een bevestiging van hetgeen wij hebben aangevoerd’. Zie bijv. art. 2.3.6 en art. 2.4.6 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, waarin voor bepaalde soorten zaken een uitzondering wordt gemaakt op de tiendagentermijn als het gaat om stukken die ‘van belang zijn en niet eerder konden worden ingediend’ (mijn cursivering). Zie hierover L.M. Coenraad, ‘Stukkenverdriet’, in: Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75e verjaardag (red. R.H. de Bock, R. Klomp en E. Schaafsma-Beversluis), Deventer 2020, par. 6.3.
- Idem A.V.T. de Bie en E.E. Kraan, Echtscheidingsprocesrecht, in: L.M. Coenraad, G.M.C.M Staats en A.H.N. Stollenwerck (red), Compendium Echtscheiding, Den Haag 2019, p. 156-
- In voetnoot 26 van de procesinleiding wordt verwezen naar MvG §§ 5.11, 5.12 en 5.
- HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3264, NJ 2013/288, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.5 (Snuut c.s./Optiver). Vgl. GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv, aant. 11.2 (T.R.B. de Greve). GS Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 11.4 bij art. 843a (T.M.B. de Greve). A. Hammerstein, R.H. de Bock & W.D.H. Asser, Modernisering burgerlijk bewijsrecht, Den Haag 2017, p. 15-
- Het rapport is ook te vinden als bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr.
- Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht (Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht), Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr.
- A. Hammerstein, R.H. de Bock & W.D.H. Asser, Modernisering burgerlijk bewijsrecht, Den Haag 2017, p.
- De bewijsaanbiedingen en de vindplaatsen zijn overgenomen uit de procesinleiding. MvG blz. 17, noot
- MvG blz. 21, noot
- MvG blz. 23, noot
- MvG blz. 23, noot
- MvG blz. 23, noot
- MvG blz. 24, noot
- MvG blz. 27, noot
- MvG blz. 28, noot
- MvG blz. 33, noot
- MvG blz. 35, noot
- MvG blz. 38, noot
- MvG blz. 39, noot
- MvG blz. 43, noot
- MvG blz. 45, noot
- MvG blz. 49, noten 33 en
- MvG blz. 50 t/m 52 bij §§ 5.5 t/m 5.
- MvG blz. 52 en 53 bij §§ 5.11 en 5.
- MvG blz.
- MvG blz. 55 bij § 5.
- Pleitnota hoger beroep §
- Met name omdat op de vraag welke feiten relevant zijn, geen sluitend antwoord kan worden gegeven. Zie R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, Deventer: Kluwer 2011, par. 1.
- Zie over de reikwijdte van de waarheidsplicht ook C.J.A. Seinen, ‘De waarheidsplicht van art. 21 Rv en de voor de beslissing relevante feiten. Hoever reikt de zorgplicht van partijen ten aanzien van de waarheidsvinding?’, TvPP 2020/2, p. 29-
- Vgl. R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, Deventer: Kluwer 2011, par. 2.4.1, p. 53 en de daar in vtn. 42 genoemde bronnen. Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p.
- R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, Kluwer 2011, par. 2.4.
- HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706, RvdW 2011/1422, rov. 3.5.
- HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09675, NJ 2012/627 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3 Dit valt m.i. wel af te leiden uit HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706, RvdW 2011/1422, rov. 3.5.
- Zie daarnaast de conclusie van A-G Timmerman vóór dat arrest, onder 4.
- Dat geldt immers ook voor de hieraan voorafgaande vraag of sprake is van schending van art. 21 Rv: ‘Of partijen aan deze verplichting hebben voldaan, berust op een aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden uitleg van de gedingstukken en op waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht.’, zie HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09675, NJ 2012/627 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3 en HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:154, NJ 2016/92, rov. 3.3.
- HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09675, NJ 2012/627 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.
- Zie bijv. T.F.E. Tjong Tjin Tai, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 3 bij art. 21 Rv (online, bijgewerkt t/m 1 september 2020). Vgl. C.J-A. Seinen, ‘De gevolgtrekking die hij geraden acht. Sancties op schending van de waarheidsplicht’, TCR 2014/3, p. 85 en R. El Gamali & T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Waarheidsplicht en bewijslastverdeling’, TCR 2019/02, p. 60, waarin in dit verband wordt gesproken van een marginale toetsing door de Hoge Raad. Zie ten aanzien van een geraden gevolgtrekking (naar aanleiding van een niet-verschijning ter comparatie): HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2089, NJ 2006/327 ([…] / […]), rov. 3.3.
- Dat strookt met de algemene maatstaf uit HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659 m.nt. D.W.F. Verkade (Vredo/Veenhuis), rov. 3.
- M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag 2020 (2e druk), 11.12.2, p.
- Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 52-
- Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3, p.
- Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p.
- Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 2 (art. A). Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3, p. 21-
- Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3, p.
- Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3, p.
- Dagvaarding onder punt 1.6, 2.10-3.
- Pleitnota Van Mossel c.s. eerste aanleg onder punt 4-
- Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/209; Asser Procesrecht/Asser 3 2017/220; en G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken (BPP nr. 15) 2015/
- Vgl. HR 7 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1562, JBPr 2003/41 m.nt. CJMK, rov. 3.
- Zie G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken (BPP nr. 15) 2015/62 en Snijders/Wendels, Civiel appel 2009/207, beide verwijzend naar HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1177, NJ 1994/
- Zie ook A.M. van Aerde, ‘Bewijsaanbod’, in: H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, 2020, p.
- MvG onder punt 4.26-4.
- MvG onder punt 4.31-4.
- MvG onder punt 4.35-4.
- MvG onder punt 4.40-4.
- MvG onder punt 4.42-4.
- MvG onder punt 4.44-4.45.. MvG onder punt 4.47-4.
- MvG onder punt 4.51-4.
- MvG onder punt 4.54-4.
- MvG onder punt 4.58-4.
- MvG onder punt 4.68-4.
- Zie over deze [betrokkene 3] onder meer de dagvaarding onder punt 6.4-6.
- MvG onder punt 4.
- Verwezen wordt naar de MvA rnr. 10, verwijzing in voetn