PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 19/02754 Zitting 17 mei 2022 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940, hierna: de verdachte. De verdachte is bij arrest van 29 mei 2019 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens
- primair ‘medeplegen van witwassen’;
- primair ‘witwassen, meermalen gepleegd’;
- ‘medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, en opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst’ veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr, en verbeurdverklaring van twee onroerende zaken. Er bestaat samenhang met de zaken 19/02655, 19/02815, 19/02656 en 19/
- In de zaken 19/02655 en 19/02656 zal ik vandaag ook concluderen. In de zaken 19/02815 en 19/02814 is het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep op 8 juni 2021 ingetrokken. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft zes middelen van cassatie voorgesteld die ik in enigszins afwijkende volgorde zal bespreken. Het eerste middel
- Het eerste middel bevat de klacht dat het onder 1 en 3 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Voordat ik dit middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring van beide feiten, delen van de bewijsmiddelen en de op deze feiten betrekking hebbende bewijsoverwegingen van het hof weer.
- Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 en 3 bewezenverklaard dat: ‘
- hij in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 7 juni 2012 in Nederland en/of Duitsland en/of Luxemburg tezamen en in vereniging met een ander van een voorwerp, te weten een personenauto (merk Mercedes (met Luxemburgs kenteken [kenteken] )) heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die Mercedes was, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf;
- hij in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 4 september 2008 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse arbeidsovereenkomst (tussen [A] te Luxemburg en [mededader] ), - zijnde de arbeidsovereenkomst een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken hierin dat die arbeidsovereenkomst door hem, verdachte, en/of zijn mededader aan/bij de Belastingdienst, Douane Zuid, kantoor Roermond (Kapellerpoort) in een vrijstellingsprocedure is aangeboden/ingediend en bestaande die valsheid hierin dat met voornoemde arbeidsovereenkomst is voorgewend dat er een arbeidsrelatie bestond tussen [mededader] en [A] , terwijl in werkelijkheid deze arbeidsrelatie op dat moment niet bestond, en voornoemde arbeidsovereenkomst voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die arbeidsovereenkomst bestemd was voor gebruik als echt en onvervalst.’
- De bewezenverklaring van deze feiten steunt op (onder meer) de volgende (delen van) bewijsmiddelen (met weglating van voetnoten en verwijzingen): ‘
- Het eindprocesverbaal relaas van verbalisanten, op 31 mei 2013 opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdinspecteur, en [verbalisant 2] , brigadier, en [verbalisant 3] , hoofdinspecteur, politie Oost-Brabant, Afdeling Districtelijke Opsporing, voor zover inhoudend als relaas van verbalisanten (…): Opmerking hof: Bij hetgeen in dit relaasproces-verbaal is gerelateerd, voor zover tot het bewijs gebezigd, gaat het om vaststellingen van de verbalisanten op basis van in andere processen-verbaal of andere schriftelijke bescheiden neergelegde feiten en omstandigheden, welke stukken als bijlagen zijn gevoegd bij het relaasproces-verbaal. Het hof heeft deze vaststellingen van de verbalisanten gecontroleerd aan de hand van de bijgevoegde bijlagen en geconstateerd dat die vaststellingen juist zijn. (…) WITWASSEN ZWARTE MERCEDES, KENTEKEN [kenteken] (LUXEMBURG) 1.1 onderzoek inbeslaggenomen computer [mededader] Tijdens de doorzoeking op 24 december 2009 werd in het pand [a-straat 1-2] een computer in beslag genomen. Op deze computer kwam een document voor betreffende een uitspraak op een bezwaarschrift tegen een afwijzende beschikking op een verzoek om vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) door [mededader] . De uitspraak was gedateerd 4 september 2008 en was gericht aan [verdachte] , [plaats] .Volgens de feiten genoemd in deze uitspraak heeft [mededader] verzocht om vrijstelling BPM voor het gebruik van een Mercedes E320D met Luxemburgs kenteken [kenteken] op naam van de Luxemburgse vennootschap [A] . [mededader] verzoekt om vrijstelling omdat hij aangegeven heeft dat hij met ingang van 26 oktober 2004 is gaan werken voor [A] waarbij hij belast zou zijn met de acquisitie van auto’s en leasecontracten voor [A] De belastinginspecteur wijst het verzet af op de volgende gronden: - Uit informatie van de Luxemburgse autoriteiten blijkt dat men vanaf 30-06-2004 het BTW-nummer van [A] heeft ingetrokken omdat zij noch een geldige zetel noch een geldige “Handelsgenehmigung” bezat. - [A] is niet meer economisch actief op het moment van indiensttreding van [mededader] . - [A] heeft sedert haar oprichting geen werknemers in dienst gehad.- De Inspecteur verwijst bovendien in zijn uitspraak naar een arrest van het Hof Den Bosch d.d. 5 juni 2008 voor een soortgelijk geval van een [A] -werknemer waarbij het Hof oordeelde dat niet aannemelijk was gemaakt dat betrokkene ooit werkelijk als werknemer in dienst is geweest van [A] 1.2 Arrest gerechtshof Den Bosch d.d. 5 juni 2008 Bij de bescheiden genoemd onder paragraaf 1.10 (…) en paragraaf 1.1 is een uitspraak van de Belastingdienst Douane Zuid gevoegd d.d. 4 september 2008 waarin wordt verwezen naar een uitspraak van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch d.d. 5 juni 2008 (nr. 06/2012). Deze uitspraak is als bijlage 19 opgenomen in een verweerschrift van de Douane-Zuid dat in beslag genomen is bij de doorzoeking van 26 maart 2010 in het kantoor van [verdachte] . (…)1.5 tenaamstelling kenteken [kenteken] (LUX) Op 20 januari 2010 werd informatie verkregen van het Luxemburgse kenteken [kenteken] . Dit kenteken blijkt op naam te staan van [A] te Luxemburg. Dit is een bedrijf van verdachte [verdachte] . Op naam van [mededader] en verdachte [verdachte] staan geen voertuigen geregistreerd. 1.6 aantreffen documenten m.b.t. Mercedes met Luxemburgs kenteken [kenteken] Tijdens de doorzoeking in perceel [a-straat 2] te [plaats] werd een verzekeringsnota aangetroffen van de Mercedes met het Luxemburgse kenteken [kenteken] en een groene kaart aangetroffen van de Mercedes met het Luxemburgse kenteken [kenteken] . Aan de groene kaart was een kattenbelletje bevestigd, kennelijk afkomstig van Willem. 1.7 inbeslagname Mercedes met Luxemburgs kenteken [kenteken] Op woensdag 30 maart 2011 werd de Mercedes met het Luxemburgse kenteken [kenteken] in beslag genomen omdat dit voertuig stond gesignaleerd als ontvreemd. Bij de inbeslagneming spraken de verbalisanten met [betrokkene 2] die aangaf dat de auto al sinds 7 jaar hun eigendom was. (…) 1.9 verklaring getuige [betrokkene 2] Op dinsdag 2 februari 2010 omstreeks 12:55 uur verklaarde [betrokkene 2] o.a. als volgt, dat:- de auto, een zwarte Mercedes, met het Luxemburgse kenteken, [kenteken] , van haar is.- [betrokkene 3] deze auto gekocht heeft, maar zij er altijd in reed - zij een gezin waren en zij deze auto gebruikte. - de afgelopen zomer zij voor het eerst de autoverzekering van deze auto betaald heeft- de auto verzekerd is via een Luxemburgse verzekeringsmaatschappij. - de auto staat op [betrokkene 3] en haar naam staat voor de verzekering. - het kenteken volgens haar ook op [betrokkene 3] en haar naam staat. - zij verder alleen de belasting en verzekering voor deze auto betaalt. 1.10 bevindingen met betrekking tot aangetroffen bescheiden op computer verdachte [verdachte] Op de in beslag genomen computer van verdachte [verdachte] werd een groot aantal bescheiden aangetroffen die betrekking hadden op het voertuig, de Mercedes met het Luxemburgse kenteken [kenteken] en [A] Tevens werden bescheiden aangetroffen die betrekking hadden op een mogelijke dienstbetrekking tussen [A] en verdachte [mededader] . (…) 1.11 nader onderzoek inbeslaggenomen bescheiden in verband met dienstverband [A] . Onder de bij [verdachte] in beslag genomen bescheiden (zie paragraaf 1.4) bevinden zich onder andere de volgende stukken: AACD8608NL.4 Contrat d'emploi, Franstalige arbeidsovereenkomst tussen [A] . en [mededader] d.d. 1 oktober
- AACD8563.NL.14 Franstalige salarisstrook van [A] . voor werknemer [mededader] over de periode 01-01-2005 tot 31-01-2005 AACD8563NL15 Verder werd een verkoopfactuur aangetroffen van [A] . d.d. 10 december 2004 aan [mededader] met omschrijving" [omschrijving 1] € 1.500 plus 15% MWst € 225,- = € 1.725,-. AACD8622NL Verweerschrift Douane Zuid d.d. 2 december
- Als bijlage 22 bij dit document is correspondentie opgenomen van de Luxemburgse belastingdienst omtrent [A] . In een brief van 12 september 2005 wordt aangegeven dat [mededader] nooit werkzaam is geweest voor [A] . of een andere Luxemburgse firma en ook geen Luxemburgse belastingkaarten heeft aangevraagd. Onder de in beslag genomen computerbestanden bevonden zich de volgende documenten met vermelding van bestandsnaam en aanmaakdatum: Nr. Bestandsnaam Aanmaakdatum C02 Contrat d’emploi [mededader] .doc 09-11-2004 Contrat d'emploi, Franstalige arbeidsovereenkomst tussen [A] . en [mededader] d.d. 1 oktober 2004 met watermerk "Copie". C03 contrat d’emploi [mededader] , gesigneerd.doc 09-11-2004Contrat d'emploi, getekend exemplaar Franstalige arbeidsovereenkomst tussen [A] . en [mededader] d.d. 1 oktober 2004 met een salaris van € 1.300,- per maand. Het bewuste contract is volgens de aanmaakdatum pas op 9 november 2004 aangemaakt. De getekende versie krijgt als datum 1 oktober
- C04 verklaring t.b.v. [mededader] .doc 07-07-2004 laatst opgeslagen 22-12-2004Engelstalige verklaring van [A] d.d. 21 december 2004 dat [mededader] met ingang van 26 oktober 2004 werkzaam is voor [A] (…) 1.12 rechtshulp Luxemburg dienstbetrekking [mededader] -verzekering auto Middels een Rechtshulpverzoek werden op 23 december 2010 gegevens verstrekt door de Luxemburgse autoriteiten (De stukken werden door het onderzoeksteam ontvangen op 24 februari 2011). Doorzoeking kantoor accountant [B] en verhoor [betrokkene 4] d.d. 11 november 2010Bij een doorzoeking bij de accountant van [A] op 11 november 2010 werden diverse stukken in beslag genomen omtrent een dienstverband van [mededader] met [A] De betreffende accountant was [B] , gevestigd aan de [b-straat 1] te [plaats] die vertegenwoordigd werd door [betrokkene 4] . [betrokkene 4] verklaarde op 11 november 2010 dat hij in opdracht van [verdachte] salarisstroken voor [mededader] heeft opgemaakt voor salarisbetalingen van [A] over de maanden januari 2005 tot en met augustus 2005 maar dat er voor deze salarissen nooit betalingen zijn opgenomen in de boekhouding van [A] (noot verbalisanten: voor de jaren 2004 en/of 2005 zijn door verdachte [mededader] ook geen salarisinkomsten van [A] aangegeven voor de inkomstenbelasting.). Betreffende het voertuig [kenteken] zat er geen enkel document in de boekhouding van [A] . (Noot verbalisanten: voor het gebruik van het voertuig door [mededader] en/of [betrokkene 2] werden dus geen huurcontracten, leasecontracten, facturen voor jaarlijkse vergoeding, aankoop-en verkoopfactuur voertuig, en facturen voor belasting, onderhoudskosten en verzekeringskosten aangetroffen. Het voertuig [kenteken] bleek over de periode van 12 oktober 2004 tot 12 oktober 2011 wel verzekerd te zijn bij een Luxemburgse maatschappij op naam van [A] ; zie hierna.) Verzekeringskantoor [C]Op 2 november 2010 werd bij [C] , [c-straat 1] te [plaats] de huiszoeking betekend waarna de onderneming op 8 november 2010 stukken heeft uitgeleverd. Uit de stukken blijkt dat de naam [mededader] of [betrokkene 2] niet voorkomt in de administratie van [C] In de administratie komen de volgende nota’s voor m.b.t. het voertuig [kenteken] : Datum Nota Verzekeringsperiode Totaal-premiebedrag 19-10-2004 12-10-2004 tot 12-10-2005 € 3.203,93 22-02-2005 12-10-2004 tot 12-10-2005 € 1.637,30 (credit) € 1.566,63 06-09-2005 12-10-2005 tot 12-10-2006 € 1.355,12 05-09-2006 12-10-2006 tot 12-10-2007 € 1.355,12 04-09-2007 12-10-2007 tot 12-10-2008 € 1.355,12 03-09-2008 12-10-2008 tot 12-10-2009 € 1.355,12 04-09-2009 12-10-2009 tot 12-10-2010 € 1.355,12 03-09-2010 12-10-2009 tot 12-10-2011 € 1.355,12 (…) De premiebetalingen voor deze nota’s zijn slechts gedeeltelijk te volgen en geven het volgende beeld: betaaldatum betaalwijze betaalde bedrag 26-10-2004 Contant € 2.000,00 27-12-2005 bankoverboeking [D] B.V. € 1.355,12 15-01-2007 Verrekening € 1.355,12 29-10-2007 bankoverboeking [verdachte] € 1.236,41 29-10-2007 Verrekening € 118,71 20-10-2008 bankoverboeking [verdachte] € 1.355,12 26-10-2009 bankoverboeking [verdachte] € 1.355,12 De betaling van 27-12-2005 werd gedaan via een ABN-AMRO-rekening op naam van [D] B.V. De betaling van 29-10-2007 is gedaan vanaf de privérekening van [verdachte] bij de Deutsche Bank, konto-nr. […] . (zie paragraaf 1.10: AACD8616NL-01 en 02). (…) 1.21 samenvatting delict witwassen-valsheid in geschrift Het vermoeden bestaat dat de werkelijke eigendom van het voertuig Mercedes 320 CDI met Luxemburgs kenteken [kenteken] werd verhuld door gebruik te maken van een gebruiksconstructie met een Luxemburgs bedrijf genaamd [A] De verdachte [verdachte] was de bestuurder van deze rechtspersoon. Het voertuig is in Luxemburg geregistreerd op kenteken [kenteken] en gedurende de onderzoeksperiode heeft het kenteken ook op naam van [A] gestaan. Voor het gebruik van dit voertuig heeft [A] in 2004 eenmalig een bedrag gefactureerd aan verdachte [mededader] van € 1.500,- excl. BTW. Gezien de aanschafprijs van het voertuig is dit een vergoeding die in het normale economische verkeer als onzakelijk beschouwd kan worden. Het vermoeden bestaat dat deze vergoeding alleen de doorbelasting van de verzekeringspremie betreft. Het voertuig is in de onderzoeksperiode ook altijd verzekerd geweest op naam van [A] Volgens verklaring van verdachte [verdachte] heeft [mededader] de verzekeringspremies aan hem terugbetaald. Er zijn hiervan geen betalingsbewijzen aangetroffen. Verdachte [verdachte] heeft tevens verklaard dat [mededader] vermoedelijk de auto heeft uitgezocht bij de dealer. [verdachte] heeft de auto op naam van [A] gezet. [verdachte] wist niet wie de contante betaling verricht had. Boekhoudkundig had hij de contante betaling verwerkt via een boeking in een rekening-courant verhouding met degene die het aankoopbedrag betaald heeft. [verdachte] wist niet wie dit was. Twee jaar later zou hij het voertuig ver beneden de prijs verkocht hebben aan verdachte [mededader] . De verkoopprijs zou hij nooit ontvangen hebben doch verrekend hebben met de rekening-courant verhouding van degene die de aankoop betaald had. Getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat verdachte [betrokkene 3] [mededader] dit voertuig gekocht heeft en dat het voertuig verzekerd is via een Luxemburgse verzekeringsmaatschappij. Getuige [betrokkene 8] heeft verklaard dat [betrokkene 3] , haar vader, een Mercedes heeft gegeven aan haar moeder maar dat deze Mercedes eigenlijk van [betrokkene 3] is. Ten behoeve van een vergunning om vrijstelling van BPM heeft verdachte [mededader] stukken ingebracht die een dienstverband met de Luxemburgse vennootschap [A] moesten aantonen. Hiervoor zijn diverse (Franstalige) arbeidsovereenkomsten opgemaakt tussen [A] , met als vertegenwoordiger [verdachte] , en [mededader] . Van een van deze overeenkomsten is vastgesteld dat deze geantedateerd is. Verder wordt door de Luxemburgse autoriteiten aangegeven dat [A] nimmer personeel in dienst heeft gehad en dat verdachte [mededader] nimmer in dienst is geweest van [A] Voorts wordt aangegeven dat [A] sinds 30 juni 2004 geen activiteiten meer verricht heeft. Verdachte [mededader] verklaart dat [verdachte] de contactpersoon was van [A] maar dat hij het bedrijf [A] eigenlijk helemaal niet kent.Verdachte [mededader] heeft nimmer arbeidsinkomsten van [A] aangegeven voor de inkomstenbelasting.Uit de inkomensgegevens van [mededader] blijkt dat hij over onvoldoende inkomen en/of vermogen beschikt om een dergelijke grote uitgaaf voor de aanschaf van dit voertuig te kunnen doen. Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij [mededader] kende in verband met een justitiële zaak uit 1996 waarin hij ( [verdachte] ) ten onrechte in verband was gebracht met een criminele organisatie die zich bezig hield met omkatten. Uit de HKS-gegevens en politieregisters (…) blijkt dat verdachte [mededader] betrokken is bij diverse Opiumwetdelicten en vermogensdelicten in de periode vanaf 2002 tot en met 2009 en dat hij in de Politieregisters geregistreerd stond als veelpleger.
- Proces-verbaal van verdenking (artikel 27 Sv), (…), opgemaakt op 24 oktober 2011 door [verbalisant 3] en [verbalisant 1] (…), voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven: (…)De verdachte [mededader] is op 16 juli 2010 veroordeeld voor overtreding van de artikelen 2 (onder B) en 10 van de Opiumwet. HKS-gegevens [mededader]Blijkens gegevens van het Herkenningssysteem (HKS) van de politieregio Brabant-Noord blijkt dat genoemde [mededader] geregistreerd staat als veelpleger en hij vele antecedenten heeft op het gebied van vermogensdelicten, van de Wet Wapens en Munitie en de Opiumwet. Antecedenten 1/32 waaronder de volgende: 30-12-09 V PL2110:HKS:09:99999 1 OPIUMW10.A 1/1 2 OPIUMW2.C VO 1/2 17-06-09 A PL21MT:HKS:09:53398 1 FEFW13.1.A WED1A.1 1/2 11-06-08 A PL2116:HKS:07:19957 1 SR416.1.A SR416.1.B 1/4 02-09-06 H PL2176:2 :06:21184 1 WV8.2.A L48 TRANS 1/2 01-09-03 H PL2110:HKS:03:16917 1 SR267.2 1/1 03-07-03 A PL2042:999:03:8454 1 SR310 OPIUMW 1/2 (…) MIB-gegevens [mededader] Blijkens de gegevens van het politiesysteem MIB wordt de verdachte [mededader] ook nog genoemd in diverse processen waarbij betrokkenheid bij andere strafbare feiten blijkt waaronder de volgende: Pleegperiode Rol Incident Pleegplaats 16-05-2009 betrokkene bezit softdrugs (lijst 2) [a-straat 3] [plaats] 29-10-2007 verdachte diefstal inbraak [d-straat] 03-07-2003 verdachte softdrugs [e-straat 1] [plaats] 20-05-2003 verdachte softdrugs [f-straat 1] 23-08-2002 betrokkene softdrugs [g-straat 1] [plaats]
- Proces-verbaal van verdenking (artikel 27 Sv) [verdachte] , (…) opgemaakt op 24 oktober 2011 door [verbalisant 3] en [verbalisant 1] (…) voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven: (…) InternetsearchUit onderzoek op de website http://www. [website] /2004/C/Pdf/c0243013.pdf bleek dat [A] was opgericht op 7 januari 2004 met o.a. de volgende gegevens: [A] , Gesellschaft mit beschränkter Haftung. Gesellschaftssitz: [plaats] , [h-straat 1] . [plaats] . mede-oprichter [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1940 te [geboorteplaats] en wonende te [plaats] , [l-straat 1] .
- Bijlage 8, proces-verbaal van uitlevering gegevens ex artikel 126 ND/UD Wetboek van Strafvordering door de Belastingdienst Oost-Brabant/kantoor 's-Hertogenbosch, (…) (…) Legaal inkomen [mededader] Uit een vordering 126nd WvSv ontvangen gegevens van de Belastingdienst Oost-Brabant/kantoor ‘s-Hertogenbosch blijkt dat verdachte [mededader] in de jaren 2004 t/m 2007 de volgende looninkomsten heeft genoten: Loongegevens 2004 2005 2006 2007 WWB (uitk. gem. Den Bosch) 6.773 99 - - [E] B.V. 982 1.834 1.720 Af: loonheffing 448- 403- 615- 577- Totaalloongegevens(netto) 6.325 678 1.219 1.143 Uit deze belastinggegevens bleek verder dat [mededader] over de volgende bank- en/of spaarrekeningen beschikte: Gegevens banksaldi 01-01-2005 01-01-2006 01-01-2007 01-01-2008 01-01-2009 48.68.53.659 ABN- AMRO - - 0 1.901 2.420 Totaal banksaldi 0 0 0 1.901 2.420 Uit de belastinggegevens bleek ook dat [mededader] nog geen aangiften inkomstenbelasting gedaan heeft over de jaren 2008 en
- [mededader] heeft wel aangiften omzetbelasting gedaan voor de activiteiten met zijn vanaf 1 januari 2008 gedreven eenmanszaak [E] . Daarbij zijn totale omzetten excl. omzetbelasting aangegeven van € 34.481
(2008)en € 18.589
(2009). De omzetbedragen betreffen zowel verkopen tegen het hoge OB-tarief (19%) als tegen het lage OB-tarief (6%). De omzetverhoudingen hoog (19%)-laag(6%) liggen in 2008 en 2009 resp. op 61,50% tot 38,50% en 43,96% tot 56,04%. Bij deze aangiften wordt ook voorbelasting teruggevraagd in verband met gedane inkopen, kosten en investeringen. Van deze voorbelasting (2008: €3.946 en 2009: €8.459) kan niet worden vastgesteld of deze betrekking hebben op inkopen tegen het lage of hoge OB-tarief. Indien er vanuit gegaan wordt dat de voorbelasting op de inkopen in dezelfde verhouding staat als de verhouding tussen de omzet hoog tarief en omzet laag tarief, zou dit betekenen dat de inkopen voor 2008 en 2009 berekend kunnen worden op respectievelijk € 38.101
(2008)en € 98.
- Op basis hiervan kan geconstateerd worden dat de gedane inkopen/kosten hoger zijn dan de behaalde omzetten. Zie onderstaand overzicht: 2008 2009 Omzet eenmanszaak (excl. BTW) 34.481 18.589 Af: inkopen berekend o.b.v. voorbelasting* 38.101* 98.575* 3.620- 79.986-
- Uitspraak van de Belastingdienst van 4 september 2008 op het bezwaarschrift (…), zakelijk weergegeven: (…) Geachte [verdachte] , Op 17 maart 2005 ontving ik uw brief d.d. 14 maart 2005, waarin u namens [mededader] bezwaar maakt tegen de afwijzende beschikking op diens verzoek om vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM). In verband met de samenhang van deze zaak met een beroepszaak met betrekking tot een andere werknemer van [A] , in welke zaak u eveneens als gemachtigde optreedt, hebben wij in juni 2006 afgesproken om de verdere behandeling van dit bezwaar aan te houden in afwachting van de laatste, onherroepelijke, uitspraak van de hoogste nationale rechterlijke instantie (eventueel na een prejudiciële verwijzing) in genoemde beroepszaak. Tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 5 juni 2008 inzake nr. 06/00212 heeft u volgens mijn informatie geen cassatieberoep aangetekend zodat deze onherroepelijk is geworden. Dat betekent dat ik uitspraak op bezwaar kan gaan doen met inachtneming van deze uitspraak. Feiten [mededader] heeft verzocht om te worden vrijgesteld van betaling van BPM voor een personenauto van het merk Mercedes, type E3200, met het Luxemburgse kenteken [kenteken] , in verband met het feit dat hij heeft aangegeven dat hij met ingang van 26 oktober 2004 is gaan werken bij een in Luxemburg gevestigde onderneming, genaamd [A] . (…) Beoordeling Uit de bestreden beschikking blijkt dat wel de gevraagde aankoopfactuur maar niet de verklaring van de Luxemburgse belastingdienst werd overgelegd. Of dit leidt tot het door u genoemde “volledig verzuim” van de zijde van belanghebbende is minder relevant. Van belang is vooral dat de beide bescheiden zijn opgevraagd ten behoeve van de beoordeling van het verzoek om vrijstelling op grond (…) van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM. [mededader] is naar eigen zeggen sinds eind oktober 2004 als vertegenwoordiger, belast met de acquisitie van auto’s en leasecontracten, werkzaam bij de in Luxemburg gevestigde leasemaatschappij en autohandel genaamd [A] . Uit informatie die de Luxemburgse belastingautoriteiten hebben verstrekt, blijkt dat sedert 30 juni 2004 het BTW-nummer van de firma [A] is ingetrokken, omdat zij noch over een geldige zetel noch over een geldige “Handelsgenehmigung” beschikte. [A] is niet meer economisch actief op het moment van de beweerde indiensttreding van [mededader] . Tevens merken de Luxemburgse autoriteiten op dat de firma sedert haar oprichting geen werknemers in dienst heeft gehad. [mededader] kan dus geen werknemer van [A] zijn. [mededader] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk in dienst is bij een in Luxemburg gevestigde onderneming. Alleen al daarom kan hij niet in aanmerking komen voor de vrijstelling op grond van artikel
- Ook het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft op 5 juni 2008 inzake nr. 06/00212 in een vergelijkbaar geval geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene ooit werkelijk als werknemer in dienst is geweest van [A] , onder verwijzing naar onder meer de vermelding dat deze firma nimmer werknemers heeft gehad. Conform dit oordeel verklaar ik het bezwaar van [mededader] ongegrond. Uitspraak Ik verklaar het bezwaar ongegrond.
- Bijlage 19 uitspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch Sector belastingrecht van 9 mei 2006 (…), zakelijk weergegeven: (…) 2.3 Bij het onder 2.2 vermelde formulier is als bijlage onder meer een door de belanghebbende en [A] ondertekend stuk gevoegd volgens hetwelk tussen hen met ingang van 1 augustus 2004 een arbeidsovereenkomst is gesloten. Volgens dit stuk bedraagt het basissalaris van de belanghebbende “€1.200,- (EURO mille deux cent cinquante)” bruto per maand. 2.
- Bij het onder 2.2 vermelde formulier is voorts als bijlage onder meer en namens [A] opgestelde schriftelijke verklaring van 31 augustus 2004 gevoegd, welke, voor zover te dezen relevant, luidt als volgt: "This is to certify that Mr. ... of ... is employed as a salesman by our company as of August 1st. 2004, his task primarily being the acquisition of sales contracts of both cars and lease agreements in Belgium and Germany, although sales activities in the Netherlands should not be excluded. Mr (Hof: kennelijk is bedoeld de belanghebbende) has been given the use of a Mercedes Benz SLK200, with the (Luxemburg) license plates nr. ….Although the above mentioned vehicle mainly serves the purpose of Mr. ... commercial activities on our behalf, private use is also allowed and does not incur private expense, other than petrol on longer distances. The same applies for Mr. ... family members.”. 2.
- Op 21 september 2005 heeft de Nederlandse belastingadministratie met betrekking tot [A] van de Luxemburgse belastingadministratie onder meer de volgende informatie ontvangen: “Die Gesellschaft (Hof: [A] ) hatte vom 7.1.2004 bis zum 30.6.2004 eine gültige Mehrwertsteuernummer. Der Gesellschaft wurde am 30.6.2004 die Mwstnummer entzogen da sie in Luxemburg weder über einen gültigen Sitz noch über eine gültige Handelsgenehmigung verfügt Der Umsatz für das Jahr 2004 wurde von Amtswegen geschätzt. Die aktuelle Steuerschuld (…) (ohne die Schätzung für das Jahr 2005) beträgt € 35.941,
- Die Gesellschaft hatte seit ihrer Gründung zu keinem Zeitpunkt Beschäftigte. Weder ... noch ... waren je bei der Gesellschaft [A] angemeldet. ... hatten lediglich eine luxemburgische Steuerkarte angefragt, waren jedoch noch nie bei einer luxemburgischen Firma beschäftigt, somit auch.nicht bei der [A] . 2.
- In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2004 heeft de belanghebbende geen inkomsten uit een buitenlandse dienstbetrekking aangegeven. (…) 4.
- Het Hof stelt voorop, dat op de belanghebbende de last rust te bewijzen dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de vrijstelling als bedoeld in artikel 14 van de Wet BPM juncto artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen
- 4.
- Naar het oordeel van het Hof heeft de belanghebbende, gelet op hetgeen onder 2.7 en 2.8 is vermeld, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk (…) gemaakt dat hij ooit werkelijk als werknemer in dienst is geweest van [A] . Veeleer acht het Hof aannemelijk dat de onder 2.3 en 2.4 bedoelde stukken uitsluitend zijn vervaardigd teneinde de belanghebbende in staat te stellen in Nederland gebruik te maken van een (dure) personenauto waarop geen BPM rust.
- Bijlage 15, tenaamstelling Luxemburgs kenteken [kenteken] , (…), zakelijk weergegeven: …) Transport 1 » Rechtspersonen 1 Vraag Tenaamstelling kenteken Type Personenauto Kenteken [kenteken] Chassisnr […] Merk Mercedes-Benz Serie E320 Kleur zwart Antwoord: Rechtspersonen 1 Naam [A] Adres [h-straat 1] [postcode] Vestigingsplaats [plaats]
- Bijlage 16, verzekeringsnota/groene kaart, (…), zakelijk weergegeven: (…) Bijgaande notitie van [verdachte] bij het toesturen van de groene kaart aan [mededader] : “Hoi ‘lekker ding’, (...) Bijgaand nog je groene kaart, met mijn excuses voor de vertraagde toezending. Groetjes. Willem.” (…)
- Carte internationale d’assurance automobile
- Emise sous l’autorité du bureau luxembourgeois des assureurs contre les accidents d’automobile.
- Valable: du 12-10-09 au 12-10-10
- No. du chassis ou moteur; [kenteken]
- Catégorie et marque du véhicule: Mercedes
- Nom et adresse du souscripteur du contrat d’assurance (ou de l’utillisateur du véhicule): [A] [h-straat 1] [plaats]
- Bijlage 17, kennisgeving van inbeslagneming (…) en mutatie rapport (…) (…) Proces-verbaal van kennisgeving inbeslagneming artikel 94 Sv Inbeslagneming Plaats 's-Hertogenbosch Datum woensdag 30 maart 2011 Omstandigheden Aantreffen signaleerbaar voertuig Grondslag Dient als bewijs Reden Voertuig staat als gestolen/ontvreemd gesignaleerd voor Luxemburg Houder Achternaam [betrokkene 2] Voornamen [betrokkene 2] Beslag Onder de houder. Voorwerpnummer […] Uniek goednummer […] Voertuig Merk/type Personenauto Mercedes 211/E320 Kleur Zwart Land Luxemburg Kenteken [kenteken] Eigenaar Naam [A] Adres [h-straat 1] Plaats [plaats] (…) Mutatie rapport opmaakdatum woensdag 30 maart 2011 (document 633B) (…) Vandaag op 30-03-11 omstreeks 08.45 uur reden wij, rapporteurs, over de [i-straat] te [plaats] . Aldaar troffen wij bovengenoemd voertuig. Ons is bekend dat dit voertuig al een lange tijd hier staat geparkeerd. Op navragen bij de meldkamer, infodesk en N—Sis bleek na lang onderzoek het volgende: Het voertuig stond als gestolen gesignaleerd. De aangever is woonachtig op het adres [i-straat 1] . Het voertuig zou vanuit Luxemburg gesignaleerd zijn. Wij zijn ter plaatse gegaan op het adres [i-straat 1] . Aldaar spraken wij [betrokkene 2] . Deze gaf aan dat de auto al sinds 7 jaar hun eigendom is. [betrokkene 2] gaf aan dat haar ex-man ( [betrokkene 3] ) het voertuig in Luxemburg zou huren/leasen. [betrokkene 3] zou vervolgens op dit moment alweer 1 jaar gedetineerd zijn. [betrokkene 2] gaf aan dat zij niet wist dat er iets mis was met het voertuig en dat zij iedere maand haar verzekeringen en dergelijke betaalt.
- Bijlage 19, een proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 2] , (…), zakelijk weergegeven: (…) Op 2 februari 2010 te 12:55 uur hoorde ik, verbalisant [verbalisant 1] , in de hoekwoning [i-straat 1] te [plaats] , als getuige: Achternaam [betrokkene 2] Voornamen [betrokkene 2] De getuige verklaarde: "De auto, een zwarte Mercedes met het Luxemburgse kenteken [kenteken] is van mij. [betrokkene 3] (hof: [mededader]) heeft deze auto gekocht, maar ik reed er altijd in. Wij waren een gezin en ik gebruikte deze auto. Afgelopen zomer heb ik voor het eerst de autoverzekering van deze auto betaald. De auto is verzekerd via een Luxemburgse verzekeringsmaatschappij. Ik betaal verder alleen de belasting en verzekering voor deze auto."
- Bijlage 20, proces-verbaal van bevindingen van in beslaggenomen bescheiden/computerbestanden [j-straat 1] te [plaats] , (…), zakelijk weergegeven: Ik, verbalisant [verbalisant 1] , hoofdinspecteur van.politie, expert C Financieel Rechercheren, werkzaam bij Politie Brabant-Noord, Team Financiële Recherche, verklaar het volgende:
- Aanleiding Op 26 maart 2010 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden op het adres [j-straat 1] te [plaats] . Bij deze doorzoeking werden administratieve bescheiden alsmede een aantal computers inbeslaggenomen. Uit inbeslaggenomen bescheiden en computerbestanden is gebleken dat het Luxemburgse bedrijf [A] gerelateerd is aan de verdachte [verdachte] en [mededader] . Volgens deze bescheiden zou [A] een voertuig van het merk Mercedes E320CDI met chassisnummer WDB21 1026 1A682 160 gekocht hebben. Verder zou volgens deze bescheiden / computerbestanden [mededader] in loondienst geweest moeten zijn van [A] in de periode van 26 oktober 2004 tot 01-08-
- Hiervoor wordt verwezen naar de volgende inbeslaggenomen bescheiden en uitdraaien van computerbestanden. Bij de uitdraai van de computerbestanden is een uitdraai van de documenteigenschappen bijgevoegd waarin onder andere opgenomen zijn: - bestandsnaam: naam van het computerbestand - map: vindplaats waar computerbestand is opgeslagen - auteur:- aanmaakdatum: aanmaakdatum bestand
- Aangetroffen bescheiden IBN-nummer Korte omschrijving AACD8626NL.1 Duitstalige oprichtingsakte van [A] met als oprichters [F] en [verdachte] AACD8608NL.4 Contrat d’emploi, Franstalige arbeidsovereenkomst tussen [A] en [mededader] d.d. 1 oktober 2004 AACD8563.NL.14 Franstalige salarisstrook van [A] voor werknemer [mededader] over de periode 01-01-2005 tot 31-01-2005 AACD8608NL.2 Kopie factuur van Autoster d.d. 08-10-2004 aan [A] t.a.v. [verdachte] i.v.m. levering E320CDI voor totaal € 45.000,08 AACD8563NL.15 Verkoopfactuur van [A] aan [mededader] d.d. 10-12- 2004 Rechnung 2004-001 voor Jahresbeitrag van [kenteken] ad € 1.725 AACD8560NL.2 Factuur-AGF aan [A] d.d. 05-09-2006 voor verzekering E320CD1 kenteken [kenteken] over periode 12-10-2006 t/m 12-10-2007 AACD8616.NL-02 Bankafschrift Deutsche Bank van [verdachte] i.v.m. betaling verzekering [kenteken] dd. 26-10-2007 AACD-8616NL-01 Bankafschrift Deutsche Bank van [verdachte] i.v.m. betaling verzekering [kenteken] d.d. 12-10-2007
- Uitdraaien computerbestanden Nr. Bestandsnaam Aanmaakdatum C24 Uitspraak 4 september 2008 (05_42_3337_43 [kenteken] [mededader] .pdf 18-09-2008 Brief Douane Zuid aan [verdachte] d.d. 4 september 2008 i.v.m. uitspraak op het bezwaarschrift tegen de afwijzende beschikking BPM. In de uitspraak is op pagina de volgende passage opgenomen: “ [mededader] is naar eigen zeggen sinds eind oktober 2004 als vertegenwoordiger belast met de acquisitie van auto’s en leasecontracten, werkzaam bij de in Luxemburg gevestigde leasemaatschappij en autohandel genaamd [A] . Uit informatie die de Luxemburgse belastingautoriteiten hebben verstrekt, blijkt dat sedert 30 juni 2004 het BTW-nummer van de firma [A] is ingetrokken, omdat zij noch over een geldige zetel noch over een geldige “Handelsgenehmigung” beschikte. [A] is niet meer economisch actief op het moment van de beweerde indiensttreding van [mededader] . Tevens merken de Luxemburgse autoriteiten op dat de firma sedert haar oprichting geen werknemers in dienst heeft gehad. [mededader] kan dus geen werknemer van [A] zijn.”
- Een rapport Rechtshulpverzoek d.d. 23 december 2010, van de Dienst Gerechtelijke Politie, Sectie Internationale Rechtshulp van het Groothertogdom Luxemburg, (…) zakelijk weergegeven: (…) Op 11 november 2010 is de beschikking van huiszoeking en inbeslagneming betekend en uitgevoerd op het adres van de vennootschap [B] , [plaats] , [k-straat 1] . Opmerking : De bestuurder-gevolmachtigde van [B] , te weten [betrokkene 4] , deelde ons mee dat hij slechts weinig contact heeft gehad met [verdachte] en/of zijn vennootschap [A] . In deze context wenste [betrokkene 4] te verduidelijken dat hij de samenwerking en de relaties met de vennootschap [A] en [betrokkene 4] heeft verbroken in 2005, na problemen van laatstgenoemde met de Administratie voor Registratie en Staatsdomeinen [AED] (er zou een geschil geweest zijn tussen de AED en [verdachte] over activiteiten van laatstgenoemde) waarvoor [verdachte] een gezichtspunt verdedigde dat [B] niet deelde. Desgevraagd zei [betrokkene 4] de persoon [mededader] en/of [betrokkene 2] niet te kennen en hij heeft alleen contact gehad met [verdachte] voor wie hij de vennootschap [A] heeft opgericht, via de holding [F] . Deze vennootschap is niet direct verbonden met de economische begunstigde maar werd gebruikt voor de oprichting van de vennootschap die op het adres was gedomicilieerd. (…) Betreffende punt 3 van de beschikking heeft [betrokkene 4] ons een dossier overhandigd, getiteld 'Salarissen [A] ', met daarin verschillende stukken met informatie over de relaties tussen [mededader] en [A] , met name arbeidsovereenkomsten, salarisstrookjes, handgeschreven aantekeningen, geprinte mails. Betreffende de salarisstrookjes verduidelijkt [betrokkene 4] dat [B] deze salarisstrookjes heeft opgesteld op naam van [mededader] en van [betrokkene 6] , voor de maanden januari 2005 t/m augustus 2005 in opdracht van [verdachte] , maar er zijn nooit betalingen opgenomen in de boeken voor deze salarissen. [betrokkene 4] kan het bestaan van een of ander stuk met betrekking tot directe transacties tussen [A] en [mededader] en/of [betrokkene 2] niet aantonen. Betreffende het voertuig [kenteken] , genoemd in het rechtshulpverzoek, was er geen enkel document in de boekhouding en/of in de dossiers getiteld ' [A] ' en 'MKN'.
- Uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel voor Centraal Gelderland, (…), zakelijk weergegeven: (…) Op 10-01-2003 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 10-01-2003.Op 10-01-2003 is de inschrijving wegens opheffing van de onderneming ambtshalve doorgehaald. Laatstelijk stond ingeschreven: Rechtspersoon: Rechtsvorm: Besloten vennootschap Naam: [D] B.V. Ontbinding, reden ontbinding 10-01-2003 Ontbinding door de Kamer van Koophandel Einde rechtspersoon: 10-01-2003 (…) Functionarisgegevens uitgetreden functionaris(sen) rechtspers. (…) Naam: [betrokkene 7] / 3 Geboortedatum en -plaats: [geboortedatum] 1975, [geboorteplaats] Adres: [j-straat 1] , [plaats] Infunctietreding: 24-07-1995 Titel: Directrice Bevoegdheid: Alleen/zelfstandig bevoegd Uit functie: 30-09-2001
- Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , d.d. 14 mei 2012, (…), op ambtsbelofte en ambtseed opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 1] , (…), zakelijk weergegeven: (…).Ik heb (het hof begrijpt: [A]) opgericht namens onder andere [mededader] ; hij was er een van. Ik was de oprichter en [mededader] had geen inbreng.Ik doe alles in b.v. vorm. [mededader] en [betrokkene 6] werden geen aandeelhouders en ook geen directeur. Ik ging werken als rechtspersoon [A] ; [betrokkene 6] en [mededader] zouden voor eigen rekening werken. [mededader] en [betrokkene 6] kende ik in verband met een justitiële zaak in
- Ik werd aan hen gelinkt - ten onrechte - in verband met een criminele organisatie die zich bezighield met omkatten. Uit dien hoofde ken ik de naam [mededader] en van [betrokkene 6] uit [plaats] zonder hem ooit te hebben ontmoet.
- De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 mei 2019, zakelijk weergegeven: “Ik ken [mededader] nu ongeveer vanaf 2002/
- Hij was betrokken in een andere strafzaak waarin ook mijn naam werd genoemd. Ik heb deze strafzaak vervolgens gevolgd.’
- Het hof heeft in verband met het onder 1 en 3 bewezenverklaarde het volgende overwogen: ‘Verdachte was ingeschreven en feitelijke bestuurder van de Luxemburgse rechtspersoon [A] (hof: verder te noemen [A] ). Op 14 oktober 2004 is een personenauto van het merk Mercedes en met het Luxemburgse kenteken [kenteken] (hof: hierna telkens te noemen: de auto) gefactureerd op naam van [A] te Luxemburg voor een bedrag van € 45.000,-. Het kenteken van de auto heeft gedurende de gehele ten laste gelegde periode geregistreerd gestaan op naam van [A] . Uit informatie van de Luxemburgse autoriteiten blijkt dat op 30 juni 2004 het BTW-nummer van [A] werd ingetrokken omdat deze niet over een geldige zetel en een geldige “Handelgenehmigung” beschikte. Uit informatie van de Luxemburgse autoriteiten blijkt verder dat [A] sinds de oprichting geen werknemers in dienst heeft gehad. Bij doorzoeking in de woning van verdachte zijn aangetroffen:- een Franstalige arbeidsovereenkomst tussen [A] en [mededader] d.d. 1 oktober 2004; deze arbeidsovereenkomst vermeldt dat [mededader] vanaf 26 oktober 2004 in loondienst is bij [A] tegen een salaris van € 1.300,- per maand en is door [mededader] als werknemer en verdachte als werkgever ondertekend; - een factuur van [A] aan [mededader] betrekking hebbende op de auto ten bedrage van € 1.500,- en als omschrijving “An Jahresbeitrag” - een Engelstalige verklaring van [A] d.d. 21 december 2004 dat [mededader] met ingang van 26 oktober 2004 werkzaam is voor [A] . De accountant van [A] heeft verklaard dat hij in opdracht van verdachte salarisstroken voor [mededader] heeft opgemaakt voor salarisbetalingen door [A] maar dat er voor deze salarissen nooit bedragen zijn opgenomen in de boekhouding van [A] . In de administratie van [A] is geen enkel document aangetroffen dat betrekking heeft op het gebruik van de auto door [mededader] : geen huurcontracten, geen leasecontracten en geen facturen voor jaarlijkse vergoeding. [mededader] heeft nooit arbeidsinkomsten van [A] aangegeven voor de inkomstenbelasting in Nederland. Blijkens mededeling van de Luxemburgse autoriteiten is [mededader] nooit in dienst geweest bij [A] en heeft hij ook geen vergunning/toestemming gehad om te werken voor een Luxemburgs bedrijf. Ook overigens blijkt niet dat [mededader] in de tenlastegelegde periode voor een Luxemburgs bedrijf heeft gewerkt. Bij de doorzoeking van de woning van [mededader] zijn documenten aangetroffen met een verzoek van [mededader] om vrijstelling van BPM voor het gebruik van de auto. [mededader] verzoekt om vrijstelling omdat hij met ingang van 26 oktober 2004 is gaan werken voor [A] . De belastinginspecteur wijst het verzoek af. Verdachte heeft een brief – met datum 14 maart 2005 – gezonden aan de belastingdienst waarin hij bezwaar maakt tegen de afwijzende beschikking op het verzoek van [mededader] . Uit documenten blijkt dat de verzekeringspremies voor de auto zowel contant zijn betaald als door middel van bankoverboekingen van verdachte in privé en van een aan verdachte gelieerde rechtspersoon [D] B.V. Op 30 maart 2011 is de auto onder [betrokkene 2] , de ex-partner van [mededader] , in beslag genomen. [betrokkene 2] heeft verklaard dat zij deze auto al zeven jaren gebruikte. Eveneens heeft zij verklaard dat ze een gezin vormde (hof: met [mededader] ), dat zij altijd in de Mercedes heeft gereden en dat zij in de veronderstelling verkeerde dat [mededader] deze auto had gekocht, dat die Mercedes via een Luxemburgse maatschappij was verzekerd en dat zij eerst vanaf maart 2012 de verzekeringspremie en de belasting voor de auto is gaan betalen. Uit inkomensgegevens van [mededader] blijkt dat hij over onvoldoende inkomen en/of vermogen heeft beschikt om een dergelijke grote uitgave voor de aanschaf van deze auto te kunnen doen. Verdachte heeft verklaard dat hij [mededader] heeft leren kennen in het kader van een strafzaak die midden jaren ’90 diende, waarin hij aanvankelijk ook betrokken is geweest en dat hij daarna [mededader] is blijven “volgen”. Uit het strafblad van [mededader] volgt dat deze op 6 mei 1997 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is veroordeeld tot 4 jaren gevangenisstraf voor ‘de deelneming aan een criminele organisatie’. Uit politiegegevens volgt verder dat [mededader] betrokken is geweest bij diverse Opiumwetdelicten en vermogensdelicten in de periode vanaf 2002 tot en met 2009 en dat hij als veelpleger geregistreerd stond. Standpunten verdediging ten aanzien van de feiten onder 1 en 3 Het hof zal eerst feit 3 bespreken omdat het oordeel omtrent dit feit tevens van belang is voor de beoordeling van het standpunt van de verdediging ten aanzien van feit
- Ten aanzien van feit 3 De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Primair is daartoe aangevoerd dat bewijs voor het bestaan van de arbeidsovereenkomst (en dus ook de valsheid daarvan) ontbreekt. Ter onderbouwing is – kort gezegd – gesteld dat de arbeidsovereenkomst niet tot bewijs kan worden gebezigd omdat deze in de Franse taal is gesteld en niet in het Nederlands is vertaald en daarmee onbegrijpelijk is. De rechtbank heeft omtrent dit verweer het navolgende overwogen (blz. 5): (…) .. De in artikel 6 EVRM neergelegde beginselen van een eerlijk proces brengen mee dat in een procedure voor de Nederlandse rechter in principe de Nederlandse taal wordt gebezigd. Dat sluit niet uit dat er in een procedure gebruik wordt gemaakt van stukken die in een andere taal zijn opgesteld indien de inhoud van die stukken ook zonder vertaling door de procesdeelnemers op waarde kan worden geschat en een verdachte door een onvertaald processtuk als bewijsmiddel te bezigen, niet in zijn belangen wordt geschaad. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte (hof: [verdachte] ) als bestuurder van [A] betrokken is geweest bij het opstellen van deze Franstalige arbeidsovereenkomst. [A] is een in Luxemburg gevestigde onderneming. In dat land is de Franse taal een van de voertalen. Daarnaast is deze onvertaalde arbeidsovereenkomst op de computer van verdachte aangetroffen en is door of namens de verdachte in geen enkele fase van het geding om vertaling van de arbeidsovereenkomst verzocht, terwijl hij hierop wel is verhoord op 14 en 15 mei
- Daarom acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte de inhoud van de door hem ondertekende Franstalige arbeidsovereenkomst ook zonder een vertaling daarvan in de Nederlandse taal binnen het kader van het desbetreffende proces-verbaal en deze procedure heeft begrepen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de onvertaalde Franstalige arbeidsovereenkomst aan het bewijs kan bijdragen. De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat verdachte daardoor in zijn belangen is geschaad.” Het hof neemt vorenstaande overwegingen en beslissing van de rechtbank over, maakt deze tot de zijne en verwerpt op grond daarvan het primaire standpunt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bovendien verklaard dat hij deze ‘arbeidsovereenkomst’ heeft gesloten met [mededader] . Subsidiair en meer subsidiair is in de kern aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat van valsheid van de arbeidsovereenkomst sprake is omdat er daadwerkelijk een arbeidsrelatie tussen [A] en [mededader] heeft bestaan. Het hof overweegt dienaangaande als volgt: Uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt – voor zover voor beoordeling van dit standpunt van belang – van het navolgende: • het BTW-nummer van [A] is per 30 juni 2004 ingetrokken omdat zij niet over een geldige zetel of geldige “Handelgenehmigung” kon beschikken en niet meer economisch actief was;• [A] heeft sinds de oprichting geen werknemers in dienst gehad; • [mededader] heeft bij zijn aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2004 tot en met 2007 niet vermeld inkomsten uit dienstbetrekking bij [A] te hebben gehad; • van loonbetalingen aan [mededader] is niet gebleken. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat van het bestaan van een arbeidsrelatie tussen [A] en [mededader] niet is gebleken en dat de tussen [A] en [mededader] daaromtrent opgemaakte arbeidsovereenkomst vals is. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen. Voor zover de verdediging nog heeft aangevoerd dat [A] ondanks de intrekking van het BTW-nummer economisch actief is geweest en werknemers in dienst heeft gehad, is dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Ook de stelling van de verdediging dat, in weerwil van de verklaring van de accountant van [A] , (contante) salarisbetalingen door [A] aan [mededader] zijn gedaan wordt vanwege het ontbreken van voldoende onderbouwing verworpen. Gelet op het vorenstaande wordt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging ten aanzien van feit 3 in al zijn onderdelen verworpen. Ten aanzien van feit 1 De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat verdachte van – kort gezegd – het witwassen van de auto moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging gesteld dat: • verdachte geen betrokkenheid heeft gehad bij de verwerving van de auto, in welk verband door de verdediging tevens een voorwaardelijk getuigenverzoek is gedaan; • er geen sprake is geweest van medeplegen; • het aankoopbedrag van de auto niet van misdrijf afkomstig was en voor het geval dat anders zou zijn verdachte daarvan geen wetenschap heeft gehad; • er geen sprake is geweest van verbergen of verhullen van de betreffende auto. Het hof overweegt hieromtrent het navolgende. Toetsingskader witwassen Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (hof: witwassen) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of, ondanks de verklaring van de verdachte, het witwassen bewezen kan worden op de grond dat [het niet anders kan zijn dan dat] het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen. Het hof stelt in het licht van deze vooropstelling – puntsgewijs – op basis van de hiervoor ten aanzien van de feiten 1 en 3 weergegeven feiten en omstandigheden het navolgende vast: • de auto is gefactureerd en te naam gesteld van een aan verdachte gelieerd Luxemburgs bedrijf [A] dat op dat moment niet meer economisch actief was; • de vrouw van [mededader] heeft gebruik gemaakt van deze auto; voor het gebruik van die auto door de vrouw van [mededader] is geen economische grondslag gevonden; • de verzekeringspremies en andere vaste lasten van de auto zijn door verdachte in privé dan wel door een aan verdachte gelieerd bedrijf ( [D] B.V.) betaald; • [mededader] beschikte niet over het (legale) inkomen en (legale) vermogen om een dergelijke auto te kunnen kopen; • [mededader] werd in 1997 veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie tot een langdurige gevangenisstraf. Ten aanzien van het voorlaatste gedachtebolletje overweegt het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat de ten laste gelegde Mercedes behoort tot het luxere segment. Aanvullend overweegt het hof dat hiervoor ten aanzien van feit 3 is vastgesteld dat door verdachte, namens [A] , en [mededader] valselijk een arbeidsovereenkomst is opgemaakt waarbij in strijd met de werkelijkheid is voorgewend dat [mededader] in loondienst bij [A] was. Het hof is van oordeel dat de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Gelet daarop mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft waarom vorenstaande constructie via een Luxemburgs bedrijf is opgezet. Verdachte heeft verklaard om fiscale redenen samen met [mededader] de hiervoor weergegeven constructie met het Luxemburgse bedrijf [A] te hebben opgezet. Volgens verdachte was het de bedoeling om daarmee voor elkaar te krijgen dat kopers over de aanschaf van nieuwe auto’s geen BPM meer hoefden te betalen dan wel het bedrag aan BPM van de Nederlandse overheid zouden terugontvangen. De taak van [mededader] was het in dit verband om kopers van nieuwe auto met dat doel te werven, aldus verdachte. Het hof acht voormelde verklaring van verdachte op voorhand onwaarschijnlijk omdat daarmee nog geen antwoord is gegeven op de vraag waarom de ten laste gelegde auto “om niet” door [mededader] kon worden gebruikt en verdachte, [A] en andere aan hem gelieerde rechtspersonen zonder economische grondslag de verzekeringspremies en andere vaste lasten met betrekking tot die auto betaalden. Evenmin geeft de verklaring van verdachte antwoord op de vraag waarom bij deze constructie gebruik is gemaakt van een valse arbeidsovereenkomst en salarisspecificaties van een Luxemburgs bedrijf dat niet meer economisch actief was. Ook blijkt in het geheel niet van de “wervingsactiviteiten” door [mededader] zoals door de verdediging is gesteld. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat [A] nog wel degelijk economisch actief was, verwijst het hof naar zijn oordeel omtrent dat verweer ten aanzien van feit 3, te weten dat dit standpunt onvoldoende is onderbouwd. Het vorenstaande impliceert dat het naar het oordeel van het hof niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde auto van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte en [mededader] dat wisten. Door de aankoop van de auto te laten registreren op naam van [A] , een valse arbeidsovereenkomst op te laten maken tussen [A] en [mededader] en de verzekeringspremie alsook andere vaste lasten voor die auto onder meer in privé dan wel via een andere aan verdachte gelieerde rechtspersoon te laten betalen, heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander verborgen en verhuld wie de rechthebbende op deze auto was. Gelet hierop verwerpt het hof het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.’
- De steller van het middel richt zich, zo begrijp ik, in de eerste plaats tegen ’s hofs overweging waarin wordt verwezen naar het strafblad van [mededader] en naar politiegegevens betreffende [mededader] . Aangevoerd wordt dat de verdachte niet aan te merken is als een derde die aanspraak kan maken op incidentele verstrekking van politiegegevens. En ook de justitiële documentatie van de verdachte zou informatie betreffen die niet met de verdachte gedeeld kan worden. Dat een arrest in het openbaar wordt uitgesproken zou niet zonder meer meebrengen dat de verdachte bekend moet zijn geweest met de veroordeling van [mededader] door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 6 mei
- Nu een relevante relatie tussen deelneming aan een criminele organisatie in het (verre) verleden en de bewezenverklaarde feiten ontbreekt, zou het hof aan deze veroordeling ten onrechte redengevende kracht hebben toegekend.
- Het hof heeft onder 3 bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 4 september 2008 tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse arbeidsovereenkomst tussen [A] en [mededader] en dat hij deze arbeidsovereenkomst voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat deze bestemd was voor gebruik als echt en onvervalst. Het gebruik bestond in het aanbieden aan de belastingdienst van de arbeidsovereenkomst in het kader van een vrijstellingsprocedure. De valsheid zat erin dat de arbeidsrelatie niet bestond. Het strafblad van [mededader] en de politiegegevens betreffende [mededader] zijn niet redengevend voor de bewezenverklaring van dit feit.
- Onder 1 heeft het hof bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 7 juni 2012 tezamen en in vereniging met een ander van een Mercedes met Luxemburgs kenteken [kenteken] heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die Mercedes was, terwijl de verdachte en zijn mededader wisten dat deze Mercedes (on)middellijk afkomstig was uit enig misdrijf. In de overwegingen die op dit feit betrekking hebben, stelt het hof onder meer vast dat [mededader] niet over het legale inkomen en het legale vermogen beschikte om een dergelijke auto te kunnen kopen. Het hof stelt voorts vast dat [mededader] in 1997 voor deelneming aan een criminele organisatie werd veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf. Kennelijk heeft het hof in deze context ook betekenis gehecht aan de politiegegevens die op [mededader] betrekking hebben. Het hof heeft mede op basis van het strafblad van en de politiegegevens betreffende [mededader] vastgesteld en kunnen vaststellen dat de Mercedes (on)middellijk uit enig misdrijf afkomstig was.
- Uit de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen kan niet worden afgeleid dat het hof de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat de verdachte wist dat de Mercedes van misdrijf afkomstig was, heeft gebaseerd op de veronderstelling dat informatie over het strafblad dan wel politiegegevens van overheidswege met de verdachte gedeeld is. Het hof overweegt dat de verdachte heeft verklaard dat hij [mededader] heeft ‘leren kennen in het kader van een strafzaak die midden jaren ’90 diende, waarin hij aanvankelijk ook betrokken is geweest en dat hij daarna [mededader] is blijven ‘volgen’. Kennelijk heeft het hof uit deze verklaring en andere uit de bewijsmiddelen volgende aanwijzingen inzake de relatie tussen de verdachte en [mededader] afgeleid dat de verdachte wist dat de auto is aangeschaft met middelen die uit misdrijf afkomstig waren.
- Naar het mij voorkomt heeft het hof deze wetenschap ook uit die aanwijzingen kunnen afleiden. Ik wijs in dit verband op de notitie van de verdachte bij het toesturen van de groene kaart aan [mededader] ; de verdachte spreekt [mededader] daarbij aan met ‘lekker ding’ (bewijsmiddel 8). De verdachte heeft bij de politie verklaard: ‘ [mededader] en [betrokkene 6] kende ik in verband met een justitiële zaak in
- Ik werd aan hen gelinkt – ten onrechte – in verband met een criminele organisatie die zich bezig hield met omkatten’ (bewijsmiddel 14). In hoger beroep heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij [mededader] ‘nu ongeveer vanaf 2002/2003’ kent, dat deze ‘was betrokken in een andere strafzaak waarin ook mijn naam werd genoemd’ en dat hij die strafzaak ‘vervolgens gevolgd’ heeft (bewijsmiddel 15). De bewezenverklaring ziet op een periode vanaf 1 oktober
- Aan een en ander doet niet af dat, zoals de steller van het middel aanvoert, in de verklaringen van de verdachte niet rechtstreeks ‘bekendheid met de betrokken veroordeling van [mededader] gelezen (kan) worden’. Ik wijs er in dat verband op dat in cassatie niet kan worden onderzocht of conclusies van feitelijke aard die de rechter heeft getrokken uit feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld juist zijn. Dergelijke gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.
- De steller van het middel meent voorts dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte ‘een wezenlijke bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het gebruik maken van een valse arbeidsovereenkomst door deze in te dienen bij de Belastingdienst’. Derhalve zou het bewijs van medeplegen door de verdachte ontoereikend zijn.
- Het hof heeft in de bewijsoverwegingen onder meer vastgesteld dat bij de doorzoeking van de woning van de verdachte een Franstalige arbeidsovereenkomst tussen [A] en [mededader] d.d. 1 oktober 2004 is aangetroffen die door [mededader] als werknemer en de verdachte als werkgever is ondertekend. En dat de accountant van [A] heeft verklaard dat hij in opdracht van de verdachte salarisstroken voor [mededader] heeft opgemaakt. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de verdachte met een brief d.d. 14 maart 2005 bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzende beschikking op het verzoek van [mededader] om vrijstelling van BPM voor het gebruik van de auto. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op de in beslag genomen computer van de verdachte een aantal bestanden zijn aangetroffen die betrekking hebben op de valse arbeidsovereenkomst (bewijsmiddel 1, onder 1.10 en 1.11). En uit de bewijsmiddelen in hun geheel beschouwd blijkt ook van een bredere samenwerking met betrekking tot de Mercedes, waar het gebruik maken van de valse arbeidsovereenkomst onderdeel van uitmaakte (vgl. onder meer de bewijsmiddelen 8 en 11).
- Uit (in het bijzonder) deze feiten en omstandigheden heeft het hof naar het mij voorkomt het medeplegen van het gebruik maken van de valse arbeidsovereenkomst afgeleid en kunnen afleiden. Daaraan doet niet af dat de concrete bijdrage van de verdachte aan het feitelijk aanbieden/indienen van de arbeidsovereenkomst niet is vastgesteld. Dat aanbieden vond, zo volgt uit de bewijsmiddelen, plaats in het kader van een bredere (nauwe en bewuste) samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte, die ook het opstellen van de valse arbeidsovereenkomst en het gebruik daarvan in de bezwaarschriftprocedure behelsde.
- Het eerste middel faalt. Het vierde, vijfde en zesde middel
- Het vierde en zesde middel zien op de bewijsvoering van feit 2, het vijfde middel betreft de afwijzing van een onderzoekswens die met feit 2 verband houdt. Voordat ik deze middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring van feit 2, delen van de bewijsmiddelen en de op deze feiten betrekking hebbende bewijsoverwegingen van het hof weer.
- Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat: ‘
- hij in de periode van 1 december 2004 tot en met 7 juni 2012 in Nederland en/of Duitsland en/of Luxemburg en/of [K] van een voorwerp, te weten van een perceel/pand gelegen aan de [a-straat 1-2] te [plaats] , heeft verborgen/verhuld wie de rechthebbende op dat perceel/pand was en van voorwerpen, te weten (contante) geldbedragen de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verhuld, terwijl hij, verdachte telkens wist, dat die voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf;’
- De bewezenverklaring van dit feit steunt op (onder meer) de volgende (delen van) bewijsmiddelen (met weglating van voetnoten en verwijzingen): ‘
- Het eindprocesverbaal relaas van verbalisanten, op 31 mei 2013 opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdinspecteur, en [verbalisant 2] , brigadier, en [verbalisant 3] , hoofdinspecteur, politie Oost-Brabant, Afdeling Districtelijke Opsporing, voor zover inhoudend als relaas van verbalisanten (…): Opmerking hof: Hetgeen in dit relaasproces-verbaal is gerelateerd, voor zover tot het bewijs gebezigd, betreft vaststellingen van de verbalisanten op basis van in andere processen-verbaal of andere schriftelijke bescheiden neergelegde feiten en omstandigheden, welke stukken als bijlagen zijn gevoegd bij het relaasproces-verbaal. Het hof heeft deze vaststellingen van de verbalisanten gecontroleerd aan de hand van de bijgevoegde bijlagen en geconstateerd dat die vaststellingen juist zijn. (…) [betrokkene 7] Inkomens- en vermogenspositie [betrokkene 7] Op 26 februari 2010 werden bij de Belastingdienst Oost-Brabant gegevens opgevraagd met het oog op de vaststelling van de legale inkomsten en vermogenspositie van [betrokkene 7] . De gegevens werden van de Belastingdienst ontvangen op 8 maart
- Uit de belastinggegevens en de financiële jaaroverzichten van de ABN-AMRO en Kontoauszug 2004 Deutsche Bank Bauspar AG werd de inkomens- en vermogenspositie van [betrokkene 7] vastgesteld ten tijde van de aankoop en levering van de panden [a-straat 1-2] te [plaats] . INKOMEN [betrokkene 7] was ten tijde van de aankoop van de [a-straat 1-2] werkzaam bij [G] B.V., [m-straat 1] te [plaats] . Haar netto maandsalaris bedroeg in deze periode: Dec. ‘04: EUR 1.257,30 Jan. ‘05: EUR 1.254,14 Feb. ‘05: EUR 1.239,01 Mrt. 05: EUR 1.182,39 Apr. ‘05: EUR 1.248,59 Totaal brutoloon over 2004: EUR 17.706,- (van [G] B.V.) Totaal brutoloon over 2005: EUR 17.748,- (van [G] B.V.) Totale reiskostenvergoeding over 2005: EUR 1.392,- (van [G] B.V.)VERMOGEN Het vermogen van [betrokkene 7] bedroeg op 01-01-2005 EUR 42.263,75 (negatief). Specificatie: Vermogensbestanddeel Waarde per 01-01-2005 Eigen woning [j-straat 1] [plaats] , 50% gerecht. EUR 191.722,00 (= 50% WOZ) Eigen woningschuld EUR - 236.391,00ABN-AMRO [rekeningnummer 10] (privérekening) EUR 1.325,92ABN-AMRO 60.16.05.187 (Riant spaarrekening) EUR 45,37ABN-AMRO 47.60.10.675 (internetplus spaarrek.) EUR 0,00Deutsche Bank BausparAG [rekeningnummer 9] -01 EUR 1.033,96Totaal EUR - 42.263,75 Dit proces-verbaal van bevindingen betreft alleen de fiscale gegevens. (…) 2.2 onderzoek Kadaster Op 7 januari 2010 blijkt het pand [a-straat 1-2] te [plaats] in het Kadaster te staan en sinds 15 maart 2005 in eigendom te zijn gekomen van [betrokkene 7] . Uit bevraging bij het Kadaster op het adres [a-straat 1-2] te ’ [plaats] blijkt tevens dat er een tweetal hypotheken is afgesloten. Op 15 maart 2005 werd een hypotheek afgesloten bij DEUTSCHE BANK PRIVAT UND GESCHÄFTSKUNDEN AG te Essen (D). Daarnaast werd er een tweede hypotheek afgesloten bij [M] te Kleve (D). Deze tweede hypotheek werd afgesloten op 26 juni 2008 (noot verbalisant: bij deze tweede hypotheek blijken er geen gelden verstrekt te zijn, behoudens een betaling van € 10.000,- door [M] d.d. 2 december
- De eerste hypotheek betrof een bedrag van € 210.000,- en de tweede hypotheek betrof een bedrag van € 222.000,-.). (…) 2.12 Overgelegde bescheiden verdachte [verdachte] De verdachte [verdachte] heeft op 15 april 2010, kort na de doorzoeking van 26 maart 2010, vrijwillig een aantal bescheiden aan het onderzoeksteam ter beschikking gesteld. Deze bescheiden bestonden uit de notariële afrekening in verband met de overdracht van het pand [a-straat 1-2] te 's-Hertogenbosch d.d. 15 maart 2005 alsmede de betalingsbescheiden van het totale bedrag van de overige financiering ad € 222.500,-. Met uitzondering van een contante storting op 22-02-2005 heeft hij hiermee doen voorkomen of het gehele bedrag afkomstig was uit girale gelden. 2.13 verhoor getuige [betrokkene 9] (makelaar) Op 8 juni 2010 werd getuige [betrokkene 9] gehoord. Hij is een medewerker van [H] B:V. Ten aanzien van de betrokkenheid bij het pand [a-straat 1-2] te [plaats] kon hij zeggen dat hij dit pand namens de verkoper, [betrokkene 10] , verkocht heeft aan de uiteindelijke koper. De vraagprijs van het pand werd vastgesteld op € 425.000,- kosten koper. Het pand is uiteindelijk verkocht voor € 405.000,- kosten koper aan een Duitser genaamd [verdachte] . Volgens zijn agenda is dit pand op 1 december 2004 door deze [verdachte] bezichtigd. Na confrontatie met het feit dat de koopakte ook van 1 december 2004 is, verklaarde hij dat dat heel vreemd was. Hij dacht dat het pand ook geleverd was aan [verdachte] . [betrokkene 7] heeft hij nooit gezien. 2.14 uitlevering stukken makelaar Op 8 juni 2010 werden stukken gevorderd van [H] B.V. De stukken hadden betrekking op de verkoop van het pand [a-straat 1-2] . Op 1 december 2004 is het pand verkocht aan [verdachte] voor zichzelf of nader te noemen opdrachtgever. De koopsom werd bepaald op € 405.000,-k.k. De akte van levering zal uiterlijk 15 maart 2005 worden gepasseerd bij notaris [betrokkene 11] te [plaats] . Verder werd bepaald dat de koper een waarborgsom betaalt van € 50.000,- waarvan € 10.000,- uiterlijk 3 december 2004 dient te worden betaald en € 40.000,- uiterlijk 9 december
- 2.15 verhoor echtgenote verkoper pand [a-straat 1] te [plaats] Op 10 juni 2010 werd [betrokkene 12] , de echtgenote van de reeds overleden verkoper van het pand ( [betrokkene 13] ), [a-straat 1] te [plaats] , als getuige gehoord. Zij verklaarde onder andere dat de dierenwinkel [E] aan de [a-straat ] te [plaats] werd verkocht aan een man genaamd [verdachte] . Bij het tekenen van het koopcontract was een man aanwezig met tatoeages en gouden kettingen. Deze man noemde zich [mededader] . Genoemde [verdachte] kwam altijd met een auto met Luxemburgs kenteken. 2.16 uitlevering stukken verkoper pand Op 10 juni 2010 werden van getuige [betrokkene 12] stukken gevorderd met betrekking tot de verkoop van de [a-straat 1-2] . De stukken hadden betrekking op aanbetalingen van de koopsom ad EUR 10.000,- en EUR 40.000,- en op de notariële afrekening en op makelaar [H] . De bedragen van EUR 10.000,- en EUR 40.000,- zijn respectievelijk afkomstig van Duitse bankrekeningen op naam van [M] ( [betrokkene 7] is 50% aandeelhoudster en [verdachte] is bedrijfsleider c.q. bestuurder) en [verdachte] . (…)2.17 aanvullend verhoor getuige [betrokkene 9] (makelaar) Naar aanleiding van de verklaring van getuige [betrokkene 12] d.d. 10 juni 2010 dat [mededader] toch aanwezig was bij het ondertekenen van het voorlopig koopcontract werd getuige [betrokkene 9] nader gehoord op 11 juni
- [betrokkene 9] verklaarde onder meer dat: - hij nog wel weet dat [verdachte] gezegd heeft dat hij iemand had die het pand zou gaan gebruiken; - [verdachte] vertelde dat men een soort Makro voor diervoeders en dierbenodigdheden wilde gaan vestigen in dit pand. (…) 2.29 bevindingen financiering aankoop [a-straat 1-2] Op 09-03-2005 is vanaf Deutsche Bank rekening [rekeningnummer 1] op naam van [betrokkene 7] een bedrag van € 382.375,85 overgemaakt naar Raborekening [rekeningnummer 2] op naam van [J] in [plaats] . Als omschrijving is vermeldt 'Kaufpreis [a-straat 1-2] [plaats] '. De betaling van dit bedrag is gefinancierd uit een groot aantal bancaire ontvangsten. In dit proces-verbaal wordt aangegeven vanaf welke bankrekeningen deze bedragen afkomstig zijn. 2.30 bevindingen betaling waarborgsom [a-straat 1-2] Op 02-12-2004 is door de Deutsche Bank een betalingsopdracht opgemaakt voor de overboeking van € 10.000,- van bankrekening [rekeningnummer 3] op naam van [M] ( [betrokkene 7] is 50% aandeelhoudster en [verdachte] is bedrijfsleider c.q. bestuurder) aan ABN-AMRO rekening [rekeningnummer 4] op naam van [betrokkene 13] te [plaats] . Als omschrijving is op de betalingsopdracht vermeldt 'Vertrag vom 01.12.2004'. Op 08-12-2004 is door de Deutsche Bank een betalingsopdracht opgemaakt voor de overboeking van € 40.000,- van bankrekening [plaats] op naam van [verdachte] aan Raborekening [rekeningnummer 5] op naam van Notaris [betrokkene 11] en [betrokkene 14] te [plaats] . Als omschrijving is op de betalingsopdracht vermeld: [omschrijving 2] . (…) 2.31 bevindingen betaling [K] aan [betrokkene 7] Met boekdatum 24-02-2005 is vanaf ABN-AMRO rekening [rekeningnummer 6] op naam van [K] een bedrag van € 9.000,- overgemaakt naar Deutsche Bank rekening [rekeningnummer 7] op naam van [betrokkene 7] . Het bankafschrift heeft als adressering [plaats] . Voorafgaande aan de overboeking van bovengenoemde € 9.000-, heeft met boekdatum 18-02-2005 een kasstorting ad € 9.500,- op de ABN-AMRO rekening [rekeningnummer 6] op naam van [K] plaatsgevonden. 2.32 inbeslaggenomen document [K] - [verdachte] Bij de doorzoeking van het woning-/kantoorgedeelte van [verdachte] werd een bescheid in beslag genomen (IBN: AACD8556NL2) waaruit op te maken valt dat [verdachte] als vertegenwoordiger van [K] optreedt. 2.33 bevindingen contante storting € 10.000,- door [betrokkene 7] Met boekdatum 22-02-2005 is op Deutsche Bank rekening [rekeningnummer 7] op naam van [betrokkene 7] een bedrag van € 10.000,- gestort. 2.34 bevindingen betalingen [verdachte] / [betrokkene 15] aan [betrokkene 7] Een betaalopdracht d.d. 08-03-2005 betreffende een overboeking ad € 20.000,- vanaf Deutsche Bank rekening [plaats] op naam van [verdachte] naar Deutsche Bank rekening [rekeningnummer 7] op naam van [betrokkene 7] . De vermelding bij de betaalopdracht luidt als volgt: ' [a-straat 1-2] [plaats] ’. Een betaalopdracht d.d. 08-03-2005 betreffende een overboeking ad € 22.000,- vanaf Deutsche Bank rekening [rekeningnummer 8] op naam van [betrokkene 15] naar Deutsche Bank rekening [rekeningnummer 7] op naam van [betrokkene 7] . De vermelding bij de betaalopdracht luidt als volgt: ' [a-straat 1-2] [plaats] '. Een betaalopdracht d.d. 08-03-2005 betreffende een overboeking ad 23.000,- vanaf Deutsche Bank rekening [rekeningnummer 8] op naam van [betrokkene 15] naar Deutsche Bank rekening [rekeningnummer 7] op naam van [betrokkene 7] . De vermelding bij de betaalopdracht luidt als volgt: ' [a-straat 1-2] [plaats] '. Een betaalopdracht d.d. 08-03-2005 betreffende een overboeking ad € 18.000,- vanaf Deutsche Bank rekening [plaats] op naam van [verdachte] naar Deutsche Bank rekening [rekeningnummer 7] op naam van [betrokkene 7] . De vermelding bij de betaalopdracht luidt als volgt: [plaats] [a-straat 1-2] . (…) Een rekeningoverzicht van Deutsche Bank rekening [rekeningnummer 7] op naam van [betrokkene 7] (Gebuchte Umsätze) betreffende de periode 22-02-2005 tot en met 01-03-2005, waaruit blijkt dat [verdachte] op boekdatum 25-02-2005 een bedrag van € 9.500,- heeft verstrekt aan [betrokkene 7] . De vermelding bij de transactie luidt als volgt: ' [a-straat ] [betrokkene 7] .' Vanaf welke rekening van [verdachte] dit bedrag afkomstig is blijkt niet uit het overzicht. Voorafgaande aan bovengenoemde verstrekkingen, hebben de volgende contante stortingen plaatsgevonden: Op 14-02-2005 heeft een contante storting ad € 12.500,- op de Deutsche Bank rekening [rekeningnummer 8] op naam van [betrokkene 15] plaatsgevonden.Een kopie van het bankafschrift (Einzahlung) is als bijlage 6 bij dit proces-verbaal gevoegd. Op 21-02-2005 heeft een contante storting ad € 10.000,- op de Deutsche Bank rekening [plaats] op naam van [verdachte] plaatsgevonden. 2.35 rechtshulpverzoek Duitsland Op 23 november 2010 heeft er in het kader van een rechtshulpverzoek Duitsland een doorzoeking plaatsgevonden bij de accountant van [M] . Hierbij werden onder andere de jaarstukken van [M] in beslag genomen over de jaren 2004 tot met
- In deze jaarrekeningen komt geen vordering voor van € 222.000,- op [betrokkene 7] in verband met een mogelijke hypothecaire geldlening op het pand [a-straat 1-2] . (…) 2.45 gegevens belastingdossier [verdachte] - [F] S.A. Bij uitlevering van de belastinggegevens van [verdachte] werd in het belastingdossier van [verdachte] een afschrift aangetroffen (van een vervolgblad) van een notariële afrekening d.d. 15 maart 2005 inzake de overdracht van het pand [a-straat 1-2] . Op deze afrekening staat een handgeschreven aantekening: "Totaal 432.326,42 210.000 von DB 222.326,42 von [F] SA Luxemburg (via W.F.M.)" Het bedrag van € 432.326,42 betreft de aankoopsom (excl. div. provisies) van het pand [a-straat ] . Het bedrag van € 210.000,- betreft een hypothecaire lening van de Deutsche BankHet verschil is het bedrag van € 222.326,
- Vermoedelijk wordt hierbij aangegeven dat het verschil afkomstig is van [F] S.A. De afkorting W.F.M. is een afkorting die verdachte [verdachte] vaker gebruikt als afkorting voor zijn naam. De onderneming [F] S.A. betreft een Luxemburgse vennootschap die gelieerd is aan [verdachte] . Ik, verbalisant Voets, zie dat het handschrift op dit bescheid grote overeenkomsten vertoont met het handschrift van verdachte W. [verdachte] . Het betreffende bescheid is in het belastingdossier van [verdachte] terechtgekomen via de Duitse belastingdienst. Het vermoeden bestaat dat het bescheid gebruikt is om de herkomst van de eigen middelen te verantwoorden. Uit het geldstromenonderzoek (…) blijkt echter dat er geen bedragen zijn ontvangen van [F] S.A. te Luxemburg. Bij genoemd proces-verbaal is als bijlage 16 de oprichtingsakte van [A] gevoegd waarbij blijkt dat [F] S.A. samen met [verdachte] de oprichter was van [A] (…) (…) 2.47 Criminele activiteiten [verdachte] In de subdirectory "2006 fïod 24 januari 2006 (Centurion)" komt een bestand voor met de naam dossier O met aantekeningen.pdf. Dit bestand bevat een proces-verbaal van de Fiod van 34 pagina's. Uit een uitdraai van dit bestand voor de pagina's 1 t/m 10 (…) wordt het feitencomplex beschreven van een witwasdelict en valsheid in geschrift delicten. Dit bescheid is als bijlage 25 gevoegd bij het PV Financiering nr. 29-867254.40 In het witwasdelict wordt de modus operandi beschreven van een constructie van witwassen door middel van hypothecaire geldleningen die bedacht zou zijn door verdachte [verdachte] . (…) 2.49 bevindingen huurconstructie PV huur-verhuur Het pand [a-straat 1-2] is sinds 15 maart 2005 juridisch eigendom van [betrokkene 7] . [betrokkene 7] is de dochter van [verdachte] . Uit onderzoek is gebleken dat de totale stichtingskosten van het pand € 441.579,- bedroegen. Deze stichtingskosten zijn voor een gedeelte van € 210.000 gefinancierd bij de Deutsche Bank via een hypothecaire geldlening. De financieringslasten voor deze geldlening varieerden van ruim € 1.300,- per maand tot ruim € 1.500,- per maand. Het resterende gedeelte ad € 231.579,- zou gefinancierd zijn met eigen middelen. Uit het financiële onderzoek is echter gebleken dat dit geen eigen middelen van [betrokkene 7] zijn. Uit de in beslag genomen bescheiden blijkt bovendien dat er diverse provisies doorberekend worden voor de financiering van het pand en de betalingen die hiermee gemoeid waren. Deze provisies betreffen niet de normale provisies/kosten die in het economische verkeer door financiële instellingen en/of tussenpersonen berekend worden, zeker niet gelet op de hoogte van de in rekening gebrachte bedragen. In deze periode was het gebruikelijk dat de cliënt alleen de provisie betaalde die de hypothecaire instelling in rekening bracht en dat er geen opslagen of provisies betaald werden aan de tussenpersoon die de hypothecaire geldlening verzorgde. Voor zover er sprake zou zijn van een financiële dienstverlening in de familiesfeer (tussen vader en dochter [betrokkene 7] ) zijn de in rekening gebrachte provisies/kosten zelfs zeer ongebruikelijk daar normaliter in familieverhoudingen geen winstopslagen of provisies in rekening gebracht worden. Het pand [a-straat 1-2] bestaat uit een bedrijfsgedeelte op [a-straat 1] en een woninggedeelte op [a-straat 2] . Ten aanzien van het bedrijfsgedeelte [a-straat 1] zijn diverse huurovereenkomsten opgemaakt tussen [betrokkene 7] en anderen die hierna besproken zullen worden. Uit het financieel onderzoek (zie hierna) is gebleken dat de netto-huurlasten voor het bedrijfsgedeelte nr. 14 lagen tussen de € 1.400,- á € 1.500,- per maand en daarmee net dekkend waren voor de betaling van de maandelijkse hypotheeklasten van [betrokkene 7] die zij verschuldigd was aan de Deutsche Bank. In 1e instantie (huurcontract van 15 maart 2005) betaalde [E] B.V. een huur van € 2.000,- per maand aan [betrokkene 7] . [E] B.V. ontving maandelijks echter een bedrag van [L] B.V. van € 600,- omdat deze b.v. per dezelfde datum ( 15 maart 2005) een gedeelte (garage en buitenterrein) van het bedrijfsgedeelte terughuurde van [E] B.V.. De netto-huurlasten in die periode bedroegen daardoor slechts € 1.400,- per maand. [L] B.V. is een onderneming die gelieerd is aan [verdachte] , de vader van [betrokkene 7] . Vanaf juni 2008 betaalt [L] B.V. echter geen vergoeding meer aan [E] B.V., hoewel de contractperiode nog liep tot 31 maart
- Vanaf die periode betaalt [E] B.V. echter ook geen € 2.000,- meer aan [betrokkene 7] maar betaalt zij slechts nog een huurvergoeding van € 1.400,- per maand.Uit het financiële onderzoek blijkt bovendien dat in de periode dat er nog een huur betaald wordt van € 2.000,- per maand er van de bankrekening van [betrokkene 7] regelmatig worden afgeboekt naar [verdachte] , [betrokkene 15] (partner [verdachte] ) en [D] B.V. (een reeds in 2003 ontbonden vennootschap gelieerd aan [verdachte] ). Bij deze overboekingen, die regelmatig een omvang hadden van € 600,-, werden omschrijvingen gebruikt als "spesen", "anteil [plaats] ", "anteil [a-straat ] " en "winstaandeel". Bij de doorzoekingen zijn geen bescheiden aangetroffen die de grondslag van deze betalingen kunnen staven. [E] B.V. zou haar activiteiten per 01-01-2008 beëindigd hebben maar genoemde betalingen lopen nog wel via de bankrekening van [E] B.V. Per 1 januari 2008 gaat [betrokkene 3] verder met zijn eenmanszaak Dierenspeciaalzaak [betrokkene 3] . Deze eenmanszaak draagt hij per 1 augustus 2008 over aan [betrokkene 16] . In de computer van [verdachte] wordt hierbij een huurcontract aangetroffen tussen [betrokkene 7] en [betrokkene 16] waarbij [betrokkene 16] de bedrijfsruimte zou huren tegen een huurprijs van € 2.150,- per maand. Een getekend exemplaar hiervan wordt ook aangetroffen bij de doorzoeking van het pand [a-straat 1-2] . (…) [betrokkene 16] gaat ook € 2.150,- per maand betalen maar betaalt de huurpenningen aan [betrokkene 3] en niet aan [betrokkene 7] . Per 9 maart 2009 koopt [betrokkene 3] de onderneming weer terug van [betrokkene 16] . In deze periode (01-08-2008 tot 09-03-2009) ontvangt [mededader] € 2.150,- per maand en betaalt slechts € 1.500,- per maand door aan [betrokkene 7] . Vanaf 1 juli 2009 zet [betrokkene 3] de onderneming voort als eenmanszaak onder de naam [E] . Ook in deze periode betaalt [betrokkene 3] slechts € 1.500,- per maand aan [betrokkene 7] . Volgens in beslag genomen computerbestanden van de computer van [verdachte] is er in de periode juni 2009 - augustus 2009 gecorrespondeerd over een huurachterstand van [mededader] aan [betrokkene 7] . Opvallend in deze correspondentie is dat [verdachte] naast ontbinding van het huurcontract ook dreigt met de verkoop van het pand. [betrokkene 3] reageert hierop met de mededeling dat hij maar een geringe achterstand heeft en met de mededeling "als je dit wil doorzetten moet je doen heb dan ook nog een verrassing voor je"[verdachte] reageert hierop weer met de mededeling: "Als je het nodig vindt "verrassingen" te moeten verbinden aan mijn suggestie om maar te gaan verkopen, mocht dit nodig zijn, het zij zo". beëindigt zijn correspondentie met de mededeling dat hij dit schrijven niet per fax stuurt omdat hij niet weet wie er nog meer toegang hebben tot dat apparaat en bovendien de vijand soms wel eens meeleest en derhalve wel eens op verkeerde ideeën zou kunnen komen. Ten aanzien van het woninggedeelte [a-straat 2] is er geen enkele huurovereenkomst tussen [betrokkene 7] en anderen aangetroffen. In de computer van [verdachte] is wel een computerbestand aangetroffen waarin de concept huurovereenkomst is opgenomen met de huurders [betrokkene 17] en [betrokkene 18] . In dit bestand wordt echter [E] B.V. als verhuurder opgenomen. Het woninggedeelte is in het tijdvak tussen 15 maart 2005 tot eind 2009 voor een bepaalde periode verhuurd geweest aan derden en voor een bepaalde periode in gebruik geweest van de verdachte [mededader] en/of zijn partner en/of familieleden. De woning is feitelijk gehuurd door [betrokkene 19] en [betrokkene 20] . Getuige [betrokkene 19] (werkneemster [dagblad] ) verklaart dat [betrokkene 3] bij haar kwam om een advertentie te plaatsen voor de verhuur van deze woning. De vraagprijs was € 800,- per maand en zij had afgedongen tot € 750,- per maand. Na overleg met zijn vrouw was [mededader] akkoord gegaan. Zij gaf verder aan dat de naam [verdachte] haar niets zei en dat [betrokkene 3] zich gedroeg als de eigenaar van de woning. Voorts gaf zij aan dat er bij het huurcontract een Luxemburgse koopakte van het pand had gezeten die zij teruggegeven had aan [mededader] . Door getuige [betrokkene 20] , de medehuurster, werd een gelijkluidende verklaring afgelegd. Door verdachte [mededader] werd verklaard dat hij het woninggedeelte de eerste 2 à 3 jaar verhuurd heeft aan 2 meisjes en dat hij in 2007 bij de scheiding met [betrokkene 2] er zelf is gaan wonen. Daarna kwam zijn dochter [betrokkene 8] erbij wonen en nog later zijn andere dochter [betrokkene 21] . Ook hebben er de 2 vrienden van zijn dochters in gewoond en nog later, in 2009, zijn huidige vrouw [betrokkene 22] . Uit het financieel onderzoek (zie hierna) is gebleken dat de huuropbrengsten van het woninggedeelte geheel ten goede zijn gekomen aan de onderneming [E] B.V., waarvan [betrokkene 2] de enig aandeelhouder en directeur was. [E] B.V. heeft deze huuropbrengsten niet doorbetaald aan de juridisch eigenaar [betrokkene 7] . Voor de periode dat [mededader] c.s. zelf gebruik hebben gemaakt van het woongedeelte [a-straat 2] hebben zij hiervoor geen huurvergoeding betaald, niet aan de juridische eigenaar [betrokkene 7] en ook niet aan enige andere (rechts)persoon. (…) 2.50 bevindingen financiering PV financiering Het pand [a-straat 1-2] is sinds 15 maart 2005 juridisch eigendom van [betrokkene 7] . Uit onderzoek is gebleken dat de totale stichtingskosten van het pand € 441.579,- bedroegen. Deze stichtingskosten zijn voor een gedeelte van € 210.000,- gefinancierd bij de Deutsche Bank via een hypothecaire geldlening. Het resterende gedeelte ad € 231.579,- zou gefinancierd zijn met eigen middelen. Bij de aanvraag van de hypotheek van de Deutsche Bank wordt door [betrokkene 7] aangegeven dat zij beschikt over een bedrag van € 224.000,- aan eigen middelen bestaande uit “Barmittel und Kontoguthaben” (vertaling: contanten en banktegoeden). Uit het geldstromenonderzoek is echter gebleken dat dit geen eigen middelen van [betrokkene 7] zijn. (Opmerking verbalisanten: Vermoedelijk heeft verdachte [betrokkene 7] bij de aanvraag valsheid in geschrift gepleegd door voor te wenden dat zij beschikte over eigen middelen terwijl daar in werkelijkheid geen sprake van was.) Volgens de belastinggegevens van 2004/2005 van [betrokkene 7] had zij ook geen eigen middelen van een dergelijke omvang tot haar beschikking. Uit het geldstromenonderzoek is verder naar voren gekomen dat er voor een bedrag van € 222.500,- aan gelden van derden, niet zijnde de hypotheekhouder Deutsche Bank, zijn ingebracht om de aankoop van dit pand te financieren. Het bedrag van € 222.500,- bestaat uit een tweetal aanbetalingen van respectievelijk € 10.000,- d.d. 07-12-2004 plus € 40.000,- d.d. 08-12-2004 plus een bedrag van € 172.500,- dat het totaal is van de bedragen die door diverse partijen overgeboekt c.q. gestort zijn op de Duitse bankrekening van [betrokkene 7] . Deze diverse partijen bestonden uit een viertal rechtspersonen die gelieerd zijn aan [verdachte] zelf, zijn partner [betrokkene 15] en [betrokkene 7] . De vier rechtspersonen waren [M] (Duitsland), [D] B.V. (Nederland, hierna: [D] B.V.), [K] ( [K] ) en [A] (Luxemburg). Volgens het handelsregister blijkt [D] B.V. al vanaf januari 2003 ontbonden te zijn en volgens in beslag genomen bescheiden geven de Luxemburgse autoriteiten aan dat [A] . al vanaf 30 juni 2004 geen economische activiteiten meer mocht uitvoeren. Behoudens een contante storting groot € 10.000,- van [betrokkene 7] op 21-02-2005 bestaat het bedrag van € 222.500,- uit girale overboekingen van genoemde partijen. De overboekingen lijken daarmee ook een girale herkomst te hebben. Na de doorzoeking van 26 maart 2010 heeft verdachte [verdachte] dit ook voorgewend door vrijwillig een aantal documenten aan het onderzoeksteam te verstrekken waaruit zou moeten blijken dat er alleen sprake was van girale gelden. Uit het geldstromenonderzoek is echter gebleken dat de oorsprong van deze girale gelden blijkt te bestaan uit contante gelden die in een korte periode daarvoor op de diverse bankrekeningen van genoemde (rechts)personen) gestort werden en daarna, al dan niet via een andere bankrekening, uiteindelijk op de bankrekeningen van [betrokkene 7] en daarna op de bankrekening van de verkopende partij of de derdenrekening van de notaris terecht kwamen. In de periode van 01-11-2004 tot 09-03-2005 is er voor een totaal bedrag van € 222.100,- contant op deze rekeningen gestort. Kleine contante stortingen (€ 3.000,- of kleiner) zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. Het totaal bedrag van deze kleine stortingen in genoemde periode bedroeg overigens € 14.200,-. De contante stortingen varieerden van € 5.000,- tot € 20.000,- per contante storting en werden telkens binnen een periode van enkele dagen achter elkaar gestort. De wijze waarop dit is gebeurd is te bestempelen als het zogenaamde smurfen, waarbij men kennelijk de bedoeling heeft om onder de meldgrens te blijven ter voorkoming van meldingen van ongebruikelijke transacties. Er is geen zakelijke en/of economische grondslag aangetroffen voor deze contante stortingen en ook niet voor de diverse overboekingen die na deze contante stortingen plaatsvonden. Verder zijn er geen contracten, (leen)overeenkomsten, schuldbekentenissen, kwitanties en/of andere bescheiden aangetroffen waaruit de gedane overboekingen verklaard kunnen worden. De handelingen die plaatsgevonden hebben ten aanzien van de diverse overboekingen (…) dienen gelet op de beschikbare informatie ook geen redelijk bedrijfseconomisch doel. Ten aanzien van de financiering van deze in totaal € 222.500,- is verder nog een aantal ongebruikelijke condities te constateren zoals geen betaling van rentevergoedingen, geen afspraken omtrent terugbetaling/aflossing en geen zekerheidstelling voor de geleende bedragen. Uit bevraging bij het Kadaster op het adres [a-straat 1-2] te [plaats] is gebleken dat er een tweetal hypotheken zijn afgesloten. Op 15 maart 2005 werd een recht van hypotheek verleend aan de DEUTSCHE BANK PRIVAT UND GESCHÄFTSKUNDEN AG te Essen (D) met een hoofdsom van € 210.
- Op 26 juni 2008 werd een recht van hypotheek aan [M] te Kleve (D) met een hoofdsom van€ 222.
- (noot verbalisanten: bij deze tweede hypotheek blijken er geen gelden verstrekt te zijn, behoudens een rechtstreekse betaling van €
- 000 door [M]). De eerste hypotheek betrof een bedrag van € 210.000 en de tweede hypotheek betrof een bedrag van €222.
- Uit verkregen informatie via een rechtshulpverzoek Duitsland en uit in beslag genomen jaarrekeningen van [M] is vast te stellen dat er in de jaarrekeningen van [M] geen vordering voorkomt van € 222.000,- op [betrokkene 7] . Uit het geldstromenonderzoek is verder naar voren gekomen dat [M] slechts bij een zestal transacties naar voren komt als betrokken partij bij de financiering van het pand [a-straat ] met een totale omvang van € 38.000,-. Hiervan is slechts € 10.000,- direct in relatie brengen met een betaling voor de aankoop van dit pand, namelijk de aanbetaling van € 10.000,- op 7 december
- Volgens correspondentie met de belastingdienst over de aangifte inkomstenbelasting 2005 van [betrokkene 7] wordt hierbij door [verdachte] aangegeven dat er een bedrag geleend is van een Duitse [M] . Uit de in beslag genomen bescheiden blijkt bovendien dat er diverse provisies doorberekend worden voor de financiering van het pand en de betalingen die hiermee gemoeid waren. Deze provisies betreffen niet de normale provisies/kosten die in het economische verkeer door financiële instellingen en/of tussenpersonen berekend worden, zeker niet gelet op de hoogte van de in rekening gebrachte bedragen. Voor zover er sprake zou zijn van een financiële dienstverlening in de familiesfeer (tussen vader en dochter [verdachte] ), zijn de in rekening gebrachte provisies/kosten zelfs zeer ongebruikelijk. [verdachte] heeft in zijn verhoor verklaard dat hij wist dat de totale stichtingskosten € 440.000,- waren. Aan de notaris is slechts een bedrag van ruim € 431.000,- betaald. Door een derde zou dus nog een bedrag van ongeveer € 9.000 betaald moeten zijn voor de bemiddeling ten aanzien van de financiering. Voorts is het zeer ongebruikelijk dat bescheiden inzake de aankoop en financiering van het pand [a-straat ] werden aangetroffen in de woning van verdachte [mededader] . In de bij de doorzoeking op 26 maart 2010 in beslag genomen computer van [verdachte] komen diverse bestanden voor waarin documenten zijn opgenomen omtrent eerdere strafrechtelijke onderzoeken waarbij [verdachte] veroordeeld is of verdachte is. Het gaat hierbij om strafrechtelijke onderzoeken uit 1996 (valsheid in geschrift), 2006 (onderzoek Centurion, witwassen en valsheid in geschrift) en 2007 (onderzoek Mercurius, witwassen). Uit deze stukken blijkt onder meer dat hij directeur is geweest van [K] maar dat het bedrijf niet meer bestaat. Verder wordt in een proces-verbaal de modus operandi (constructie) beschreven die [verdachte] zou toepassen voor het witwassen door middel van het verstrekken van hypothecaire geldleningen (…). Uit de HKS-gegevens en politieregisters (…) blijkt dat verdachte [mededader] betrokken is bij diverse Opiumwetdelicten en vermogensdelicten in de periode vanaf 2002 tot en met 2009 en dat hij in de Politieregisters geregistreerd stond als veelpleger. [betrokkene 7] verklaarde dat zij voor de aankoop van het pand een bedrag van € 210.000,- (…) geleend heeft bij de Deutsche Bank en een bedrag van € 192.000,- van haar vader. Van deze lening van haar vader zou een notariële akte zijn opgemaakt bij notaris [betrokkene 11] . Zij verklaarde verder dat zij een nettosalaris had van € 1.300,- per maand (incl. reisgeld € 1.500,- per maand). Zij weet niets van een 2e hypotheek van [M] en ook niet van een lening van € 222.000,- van deze rechtspersoon aan haar. De reden dat zij deze niet opgenomen heeft in haar belastingaangifte is dat deze lening er volgens haar helemaal niet is. Zij heeft ook geen betalingen ontvangen van de andere rechtspersonen. Zij weet zeker dat zij van haar moeder Schildkamp geen geldbedragen ontvangen heeft in verband met deze aankoop. Door [verdachte] zijn wisselende verklaringen afgelegd over de herkomst van het geld. [verdachte] verklaarde in 1e instantie dat de aankoop van het pand diende als beleggingsobject van [betrokkene 7] en dat hij de aankoopprijs niet wist maar dat het pand all-in € 440.000,- gekost had. Daar Natasha zelf geen eigen middelen had heeft hij deze ingebracht. Hij had hiervoor in privé € 224.000,- geleend aan zijn dochter en hiervoor was later zekerheid gesteld, hij had de zekerheid via een BV laten lopen en had het geld geleend aan de b.v. (…). Deze had het weer doorgeleend, aldus [verdachte] . Later verklaarde hij dat het geld niet door [M] was doorgeleend maar dat het geld uit Luxemburg was gekomen, dat het geld van zijn eigen Luxemburgse bankrekeningen en die van zijn Luxemburgse bedrijven was gekomen, dat het allemaal giraal geld was geweest en dat hij begin jaren negentig deze bedragen al had. Uit het geldstromenonderzoek blijkt dat deze verklaring niet juist is omdat de Luxemburgse bankrekeningen pas in februari 2005 gevoed zijn met overboekingen van [D] B.V. en [M] en daarvoor nagenoeg geen creditsaldi hadden (…). Verder verklaarde [verdachte] dat hij in deze periode wel de beschikking had over grote bedragen aan contante gelden maar dat dit niet hetzelfde geld was waar wij nu over spraken. Hij kan dit aantonen met bescheiden die teruggaan naar de jaren zestig en tachtig en wijst er nog eens uitdrukkelijk op dat het eigen geld voor de aankoop van de [a-straat ] niet contant was maar giraal. Hij verklaarde verder dat hij [mededader] kende in verband met een justitiële zaak uit 1996 waarin hij ( [verdachte] ) ten onrechte in verband was gebracht met een criminele organisatie die zich bezig hield met omkatten. Verdachte wilde geen antwoord geven op de vraag of deze contante gelden waren aangegeven bij de belastingdienst. Bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 16 mei verklaarde [verdachte] dat het verhoor bij' de politie niet zo goed verlopen was. Hij verklaarde hier dat hij de gelden die hij onder andere voor dit pand had ingezet door hem verdiend zijn in Duitsland en dat dit ook aantoonbaar juist was omdat er in Duitsland over dat geld nog een procedure gevoerd was en dat het geld dus niet van [mededader] was. Uit een in beslag genomen aantekening in het belastingdossier van [verdachte] (…) kan het vermoeden ontleend worden dat als mogelijke verklaring voor de herkomst van eigen middelen deze afkomstig zouden zijn van de Luxemburgse rechtspersoon [F] S.A. Uit het geldstromenonderzoek komt echter naar voren dat er geen bedragen zijn ontvangen van [F] S.A. te Luxemburg. De wijze waarop deze onroerende zaak is gefinancierd is zo afwijkend van wat in het normale economische verkeer gebruikelijk is te achten, dat vermoed kan worden dat de verdachte(n) op zijn minst de aanmerkelijke kans op de koop toe heeft/hebben genomen dat de betreffende gelden van misdrijf afkomstig zijn. De ongebruikelijkheid zit in de volgende factoren: geen zakelijke bedingen ten aanzien van rentevergoeding, aflossingsplan en/of terugbetaling en zekerheidstelling voor de geleende bedragen, geen schriftelijke overeenkomsten en daarnaast ongebruikelijke hoge provisievergoedingen. Voorts zijn er belemmerende en/of verhullende handelingen verricht waardoor de feitelijke herkomst van de ingebrachte "eigen" middelen moeilijk vast te stellen is/was. Het handelen ten aanzien van deze gelden vertoont sterke overeenkomsten met de gebruikelijke witwastypologieën van het smurfen en de loanback-leningen. Met name het feit dat de gelden voor een groot deel afkomstig zijn van een tweetal rechtspersonen waarvan de één al ontbonden was ( [D] BV.) vóór het aangaan van de geldtransacties en de andere ( [A] ) op dat moment al geen (…) economische activiteit meer vertoonde duidt erop dat de werkelijke herkomst van het geld niet van deze rechtspersonen is. Ook dat het geld afkomstig zou zijn van een Limited van het [K] ( [K] ) wijst hierop. Opmerking verbalisanten: Verdachte [verdachte] treedt op als vertegenwoordiger van [K] Ook maakt deze Limited gebruik van het [postbus] , te [plaats] , dat tevens in gebruik is bij andere ondernemingen van [verdachte]. Verder is de gehele gang van zaken ten aanzien van het bijeenbrengen van de "eigen middelen" op de Duitse bankrekening van [betrokkene 7] zeer ongebruikelijk te noemen en past deze in de gebruikelijke fasen die bij het witwassen gehanteerd worden. In eerste instantie worden op de diverse bankrekeningen contante gelden gestort (plaatsingsfase). Daarna worden de gelden, direct of indirect, giraal overgeboekt naar de Duitse bankrekening van [betrokkene 7] waarbij bedragen ook worden opgesplitst. Deze handelingen hebben duidelijk kenmerken van de verhullingsfase of layeringfase. Hierbij doen zich situaties voor dat gelden contant gestort worden op een Nederlandse bankrekening van [D] B.V., daarna giraal overgeboekt worden naar een Luxemburgse bankrekening van [verdachte] en vervolgens weer giraal doorgeboekt worden naar de Duitse bankrekening van [betrokkene 7] . Een legale economische verklaring waarom de gelden op deze manier bijeengebracht moeten worden ontbreekt. Het vermoeden bestaat dan ook dat deze handelingen alleen ingegeven zijn om de herkomst van het geld te verhullen. Bovendien staan de gedane investeringen in geen enkele verhouding tot de legale inkomsten van verdachte [betrokkene 7] die slechts beschikte over een netto-maandsalaris van ongeveer € 1.300,-. (…) 4.9 vierde verhoor verdachte [verdachte] Op dinsdag 15 mei 2012 omstreeks 13.23 uur werd verdachte [verdachte] voor de vierde keer gehoord. Samengevat verklaarde hij: - de eerste contacten betreffende de aankoop zijn gelegd sinds eind 2004 - hij werd geattendeerd op het pand door [betrokkene 3] - hij heeft met de verkoper van het pand onderhandeld - hij schat dat eind november, begin december 2004 de koopakte werd ondertekend - het is mogelijk dat [mededader] bij de ondertekening aanwezig was - [mededader] was alleen daarbij uit interesse - hij ( [verdachte] ) wilde een belegging kopen voor zijn dochter - via de bank betaalde hij rechtstreeks een bedrag van € 50.000,- - de panden zijn maart 2005 geleverd- hij dacht dat de akte van levering plaatsvond bij notaris [J] in [plaats] - zijn dochter had geen gelden om te beleggen maar hij wel - hij weet niet meer wat precies de aankoopprijs was - hij weet dat hij een bedrag van € 440.000,- all-in betaalde - zijn dochter betaalde de helft van de Deutsche Bank en de andere helft betaalde hij- hij heeft op enig moment alle bankrekeningen in Luxemburg leeggemaakt en overgeboekt naar zijn bankrekening in Duitsland - hij had in de periode december 2004-maart 2005 grote contante bedragen in bezit maar dat was ander geld - hij wil niet zeggen waar dat geld vandaan kwam - hij geeft geen antwoord op de vraag of dat geld is opgegeven aan de belasting - hij wijst er nadrukkelijk op dat het eigen geld voor de aankoop van de [a-straat ] niet contant maar giraal was.
- Proces-verbaal uitlevering / bevindingen / vordering verstrekking gegevens ex artikel 126 ND/UD Wetboek van Strafvordering onder de Belastingdienst/FIOD-ECD te Eindhoven, relaas van verbalisant [verbalisant 3] , op 31 mei 2012 opgemaakt door [verbalisant 3] , buitengewoon opsporingsambtenaar, expert financieel rechercheren, Team Financiële recherche van de politie Brabant-Noord, voor zover inhoudend als relaas van verbalisant (…): (…)BEVINDINGEN Algemene persoonsgegevens Uit de aangeleverde overzichten blijkt dat [betrokkene 7] met de navolgende algemene persoonsgegevens vanaf 2008 geregistreerd/ beschreven staat bij de Belastingdienst/FIOD-ECD. - Burgerservicenummer (bsn): [bsn] ; - Persoonsadres: [j-straat 1] , [plaats] ; - [betrokkene 7] heeft samen met [betrokkene 23] (geboortedatum [geboortedatum] 1975) twee kinderen. NB. Volgens de gegevens van de Belastingdienst/FIOD-ECD is het persoonsadres van [betrokkene 23] : [n-straat 1] , [plaats] . Loon [betrokkene 7] heeft in de jaren 2004 tot en 2008 de volgende looninkomsten aangegeven: Jaar Werkgever Loon (bruto) Loonheffing 2004 [G] B.V. € 17.706 € 2.911 2005 [G] B.V. € 17.748 € 3.021 2006 [G] B.V. € 18.669 € 3.162 2007 [G] B.V. € 18.848 € 3.039 2008 [G] B.V. € 25.049 € 5.506 2009 [G] B.V. € 22.618 € 4.495 Daarnaast ontving [betrokkene 7] de volgende reiskostenvergoedingen: Jaar Bedrag 2004 € 0 2005 € 1.392 2006 € 2.292 2007 € 2.292 2008 € 4.768 2009 € 2.291 Opmerking: [G] B.V. (KvK nr. [nummer] ) is gevestigd op het adres [m-straat 1] , [plaats] . De bedrijfsomschrijving volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel luidt: bereiding van ijs en andere consumptie artikelen. Onroerende zaken Eigen woning [betrokkene 7] geeft in haar aangiftebiljetten van 2004 tot en met 2008 aan voor de helft (50%) gerechtigd te zijn tot de woning aan de [j-straat 1] te [plaats] . Verder geeft zij o.a. aan met betrekking tot de eigen woning: Jaar Eigenwoningschuld Rente/kosten eigen woning (50%) 2004 € 236.391 € 10.642 2005 € 237.350 € 9.615 2006 € 475.075 € 9.489 2007 € 466.016 € 10.516 2008 € 459.234 € 10.144 (…) Volgens de aangiften 2007 en 2008 zijn de leningen voor de eigen woning verstrekt door de Rabobank (2 leningen) en door Achmea. Overige onroerende zaken [betrokkene 7] geeft in haar aangiftebiljetten van 2007 en 2008 aan dat er nog een andere onroerende zaak tot haar bezittingen behoort. Het adres van deze onroerende zaak blijkt niet uit de aangiftegegevens. Verder geeft zij o.a. aan met betrekking tot de overige onroerende zaak: Jaar Waarde per 01-01 Waarde per 31-12 2005 € 0 € 243.000 2006 € 243.000 € 392.000 2007 € 400.001 € 550.000 2008 € 550.000 € 560.000 Uit de systemen van de Belastingdienst komt naar voren dat [betrokkene 7] vanaf 16 maart 2005 eigenaar (doch geen gebruiker) is van het panden [a-straat 1-2] , [plaats] . De WOZ-waarde 2005 tot en met 2008 van deze twee panden bedraagt: Jaar [a-straat 1] [a-straat 2] Totaal 2005 € 247.000 € 145.000 € 392.000 2006 € 247.000 € 145.000 € 392.000 2007 € 256.000 € 154.000 € 410.000 2008 € 273.000 € 166.000 € 439.000 Overige bezittingen De overige bezittingen betreffen saldi van bankrekeningen, spaartegoeden en/of spaarbewijzen. Het betreft hier de volgende saldi: Jaar Saldo per 01-01 Saldo per 31-12 2004 € 3.625 € 1.325 2005 € 1.325 € 3.208 2006 € 3.208 € 5.996 2007 € 5.996 € 9.147 2008 € 9.147 € 21.244 In 2005, 2007 en-2008 had [betrokkene 7] de volgende bankrekeningen:• ABN AMRO 476010675 (met een saldo per 31 december 2008 ad € 20.543); • ABN AMRO 559440995 (met een saldo per 31 december 2008 ad € 701). Overige Schulden Verder geeft [betrokkene 7] , naast de eigenwoningschuld, nog de volgende schulden aan: Jaar Schulden per 01-01 Schulden per 31-12 2005 € 0 € 382.375 2006 € 382.375 € 380.004 2007 € 380.004 € 379.990 2008 € 379.990 € 376.999 Buitengewone uitgaven [betrokkene 7] heeft in het jaar 2008 een bedrag van € 18.169 als buitengewone uitgaven aangegeven. In de jaren 2004, 2006 en 2007 zijn geen buitengewone uitgaven aangegeven. (…) Overige gegevens In 2005 en 2006 had [betrokkene 7] een bankrekening bij de Deutsche Bank BausparAG, [o-straat 1] te Frankfurt am Main. Deze bankrekening heeft IBAN-nummer [rekeningnummer 9] . Saldi zijn niet bekend. Wel werden over de jaren 2005 en 2006 rentes uitgekeerd van respectievelijk €34 en €
- [betrokkene 7] is met de volgende girogegevens bekend bij de Belastingdienst/FIODECD: - [rekeningnummer 10] (ABN AMRO Bank N.V.). [betrokkene 7] heeft volgens de gegevens van de Belastingdienst/FIOD-ECD geen kentekens op haar naam.
- Het proces-verbaal bevindingen verhoor getuige [betrokkene 9] , (…), zakelijk weergegeven: Ten aanzien van de betrokkenheid bij het pand [a-straat 1-2] te [plaats] kan ik zeggen dat ik dit pand namens de verkoper, [betrokkene 10] c.q. familie [familie] , verkocht heb aan de uiteindelijke koper. De vraagprijs van het pand werd vastgesteld op 425.000 kosten koper. Het pand is uiteindelijk verkocht voor 405.000 kosten koper aan een Duitser genaamd [verdachte] . Volgens mijn agenda is dit pand op 1 december 2004 door deze [verdachte] bezichtigd. Ik weet nog dat hij kwam aanrijden in een Mercedes met Duits kenteken. U confronteert mij met het feit dat de koopakte ook van 1 december 2004 is. Dit is heel vreemd. Wat er toen gebeurd moet zijn is dat [verdachte] dan mogelijk ‘s-morgens geweest is en dat hij ‘s-middags langs gekomen is om te tekenen. Ik weet nog wel dat het als een speer gegaan is. Maar normaal gaat dit niet zo snel. Ik dacht dat het pand ook geleverd was aan [verdachte] . Ik zie nu dat het pand geleverd is aan [betrokkene 7] . Deze persoon heb ik nooit gezien; tenminste daarvan kan ik mij niets herinneren.
- Het proces-verbaal bevindingen verhoor getuige [betrokkene 12] , (…), zakelijk weergegeven: De naam van de koper kan ik mij niet zo meer herinneren. U noemt mij de naam [verdachte] . Dit was inderdaad de koper. [verdachte] had ik al eerder gezien bij een bezichtiging van het pand [a-straat ] . [verdachte] kwam toen met het voorstel om een gedeelte van de koopsom contant te betalen. Ik weet niet meer precies hoeveel hij contant wilde betalen maar ik weet nog wel dat het veel geld was. [verdachte] zei dat hij het ook "zo" kon betalen. Wij deden echter nooit iets zwart en doen ook niets zwart.
- Het proces-verbaal bevindingen aanvullend verhoor getuige [betrokkene 9] , (…), zakelijk weergegeven: Op vrijdag 11 juni 2010 omstreeks 11:00 uur brachten wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , een bezoek aan het makelaarskantoor [H] B. V. om getuige [betrokkene 9] nader te horen omtrent zijn eerder afgelegde verklaring d.d. 8 juni
- In aanvulling op zijn verklaring d.d. 8 juni omstreeks 15:00 uur verklaarde de getuige [betrokkene 9] als volgt, nadat wij hem geconfronteerd hadden met de verklaring van getuige [betrokkene 12] d.d. 10 juni 2010 dat de heer [mededader] toch aanwezig was bij het ondertekenen van het voorlopig koopcontract: Ik kan mij niet herinneren dat [mededader] bij het ondertekenen van het voorlopig koopcontract aanwezig is geweest. Ik weet nog wel dat [verdachte] gezegd heeft dat hij iemand had die het pand zou gaan gebruiken. [verdachte] vertelde mij dat men een soort Makro voor diervoeders en dierbenodigdheden wilde gaan vestigen in dit pand. Het koopcontract is niet door ons ondertekend omdat ik geen makelaarsdiploma heb en derhalve geen officiële makelaar ben. U zegt mij dat mevrouw [betrokkene 12] verklaard heeft dat de makelaar pas later aansloot in dit gesprek. Dit zou kunnen. Ik weet nog dat het een haastklus was en dat het allemaal heel snel ging. Ook de onderhandelingen zijn heel snel gegaan. Wij hadden tot dan toe een hoogste bod van 370.000 euro op dit pand. Ik denk dat het eerste bod van [verdachte] op 400.000 euro gelegen heeft waarna wij een tegenbod van 410.000 euro gedaan hebben en wij per saldo op 405.000 euro zijn uitgekomen.
- Het proces-verbaal van bevindingen financiering [a-straat 1-2] , op 31 mei 2012 opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdinspecteur, en [verbalisant 3] , hoofdinspecteur, politie Brabant-Noord, Divisie Informatie en Opsporing, voor zover inhoudend als relaas van verbalisanten (…): (…) Onderzoekbevindingen 2.
- Aankoop/Financiering perceel [a-straat 1-2] [plaats] Het pand [a-straat 1-2] te [plaats] is op 1 december 2004 aangekocht door [verdachte] . De verkoper was [betrokkene 24] (inmiddels overleden). Er is een koopsom afgesproken van € 405.000 kosten koper. In het koopcontract is verder bepaald dat de koper een waarborgsom betaalt van € 50.000 waarvan € 10.000 uiterlijk 2 december 2004 en € 40.000 uiterlijk 9 december 2004 voldaan dient te zijn. Volgens de openbare registers is het pand [a-straat 1-2] op 15 maart 2005 door [betrokkene 24] geleverd aan koopster [betrokkene 7] , geboren [geboortedatum]
- Het pand betreft een woonhuis met bedrijfspand, met ondergrond, tuin, berging en verdere aanhorigheden ter grootte van 796 m
- (…) Uit een bij verdachte [mededader] inbeslaggenomen notariële afrekening d.d. 15 maart 2005 gericht aan [betrokkene 7] blijkt dat de totale aanschaffingskosten € 432.326,42 bedroegen. Uit het overzicht blijkt dat er een totaalbedrag van € 432.375,85 (€ 50.000 en € 382.375,85) aan betalingen is binnengekomen zodat een bedrag van € 49,43 gerestitueerd zal worden. Uit deze afrekening en een bij verdachte inbeslaggenomen bescheid van de Deutsche Bank blijkt bovendien dat hiervoor een tweetal hypothecaire geldleningen wordt afgesloten bij de Deutsche Bank van elk € 105.000 (totaal € 210.000). Uit een bij verdachte [mededader] inbeslaggenomen overzicht blijkt dat er een bedrag van minimaal € 224.000 uit eigen middelen is gekomen dat als volgt weergegeven is: Stichtingskosten volgens afrekening notaris € 432.326 Diverse kosten en provisies € 9.253 € 441.579Hypotheek € 210.000 € 231.579 Eigen middelen € 224.000Saldo € 7.579 Retour notaris € 50 € 7.529 Het bedrag van € 432.326 is het totale bedrag dat is betaald aan de notaris voor de aankoop van het pand [a-straat 1-2] , te weten € 405.000 en de aankoopkosten (notariskosten, overdrachtsbelasting etc.). Het bedrag van de hypotheek is vermoedelijk het totaal geleende bedrag bij de Deutsche Bank AG (2x 105.000 euro). Uit het overzicht blijkt dat er in totaal € 231.529 (€ 224.000 + € 7.529) betaald moet zijn uit andere middelen waarbij wordt aangegeven dat er al € 224.000 is betaald uit eigen middelen. Uit onderzoek in de inbeslaggenomen documenten is gebleken dat deze betalingen afkomstig zijn van de volgende bankrekeningen: Datum Bedrag Bankleitzahl Kontonummer Rekeninghouder Nr 07-12-2004 € 10.000,- [rekeningnummer 3] [M] 01 08-12-2004 € 40.000,- [rekeningnummer 11] [verdachte] 02 09-03-2005 € 382.375,85 [rekeningnummer 7] [betrokkene 7] 03 Totaal: € 432.375,85 Opmerking verbalisanten: Het achter deze betalingen opgenomen nummer verwijst naar de nummering die in paragraaf 2.5 (geldstromenonderzoek) gehanteerd zal worden om de feitelijke herkomst van genoemde betalingen aan te geven. De genoemde bankrekeningen zijn alle bankrekeningen die gehouden worden bij de Deutsche Bank AG, filiaal […] te Kleve. (Opmerking: [verdachte] is gemachtigd ten aanzien van de bankrekening [rekeningnummer 3] van [M] .) De betaling van € 382.37585 is afkomstig van de bankrekening van [betrokkene 7] bij de Deutsche Bank AG, filiaal […] , te Kleve met rekeningnummer [rekeningnummer 7] . Deze rekening is daarvoor gevoed met de volgende ontvangsten op deze bankrekening. Datum Bedrag Bankleitzahl Kontonummer Rekeninghouder Nr22-02-2005 € 10.000 contante storting [betrokkene 7] 0423-02-2005 € 12.500 [rekeningnummer 12] [verdachte] 0523-02-2005 € 12.500 [rekeningnummer 12] [verdachte] 0623-02-2005 € 12.500 ABN-AMRO [rekeningnummer 13] [D] BV 0724-02-2005 € 9.000 ABN-AMRO [rekeningnummer 6] [K] Ltd 0825-02-2005 € 9.500 [rekeningnummer 11] [verdachte] 0925-02-2005 € 6.000 ABN-AMRO [rekeningnummer 13] [D] BV 1028-02-2005 € 12.500 LU3600 [rekeningnummer 14] [A] 1101-03-2005 € 5.000 ABN-AMRO [rekeningnummer 13] [D] BV 1208-03-2005 € 20.000 [rekeningnummer 11] [verdachte] 1308-03-2005 € 18.000 [rekeningnummer 11] [verdachte] 1408-03-2005 € 22.000 [rekeningnummer 8] [betrokkene 15] 1508-03-2005 € 23.000 [rekeningnummer 8] [betrokkene 15] 1609-03-2005 € 105.000 hypothecaire lening 09-03-2005 € 1.313(-) ingehouden provisie/kosten 09-03-2005 € 103.687 [rekeningnummer 15] Deutsche Bank AG 1709-03-2005 € 105.000 hypothecaire lening09-03-2005 € 1.300(-) ingehouden provisie/kosten09-03-2005 € 103.700 [rekeningnummer 16] Deutsche.Bank AG 18 Totaal: € 382.500 totaalbedrag exclusief ingehouden provisies/kosten Het bedrag van € 382.500 bestaat uit een bedrag van € 210.000 (2x € 105.000) dat verkregen is uit een hypothecaire lening van de Deutsche Bank en een totaalbedrag van € 172.500 dat verkregen is uit diverse ontvangsten van personen en bedrijven die gerelateerd zijn aan [verdachte] en/of [betrokkene 7] . Via een geldstromenonderzoek is echter nader inzicht gekregen in het traject die de diverse geldtransacties hebben afgelegd. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 2.
- 2.
- Financiering via 1e hypotheek Deutsche Bank Kleve van € 210.000 De koopsom is deels gefinancierd met een tweetal hypothecaire geldleningen d.d. 15 maart 2005 bij De Deutsche Bank te Kleve (Dld) van in totaal € 210.000 bruto (exclusief inhouding provisies). Tijdens de doorzoeking op 26 maart 2010 werden in de woning/het kantoor van [verdachte] aan de [j-straat 1] te [plaats] diverse documenten inbeslaggenomen die inzicht gaven in de aanvraag van deze hypothecaire geldleningen. Hypotheekvoorstel d.d. 14-02-2005 Deutsche Bank aan [verdachte] AACD8621NL.
- Duitstalig hypotheekvoorstel waarin 2 leningen, elk groot € 105.000,-, worden aangeboden met termijnbedragen van resp. € 336,- en € 437,50 per maand voor de rentelasten en € 420,- voor een spaarpremie. In het hypotheekvoorstel wordt aangegeven dat [verdachte] een bedrag van € 224.000 zal inbrengen uit eigen middelen bestaande uit "Barmittel, Kontoguthaben". Aanvraag voor verhoging spaarpremie d.d. 19-02-2005 AACD8621NL.
- Duitstalige aanvraag voor verhoging van het bouwspaarkapitaal van € 50.000 naar € 105.000 waarvoor een spaarpremie gaat gelden van € 600 per maand. De maandelijkse lasten aan de beginperiode komen hierdoor totaal op: Rente lening 1 € 336,00Rente lening 2 € 437,50 Spaarpremie € 600,00 Totaal: € 1.373,50 (…) Bij de doorzoeking van het pand [i-straat 1] (woning [betrokkene 2] , partner [mededader] ) te [plaats] werd op 2 februari 2010 het volgende bescheid aangetroffen en in beslag genomen: Concept hypotheekakte (Duitstalig) d.d. 15 maart 2005 HEUV.H05.B.1.2.
- Betreft Duitstalige concept-hypotheekakte d.d. 15 maart 2005 tussen Deutsche Bank Privat- und Geschäftkunden AG en [betrokkene 7] in verband met een hypotheek van € 210.000,- waarvoor de onroerende zaak [a-straat 1-2] [plaats] als zekerheid gegeven wordt. Bij de doorzoeking van het pand [a-straat 1-2] te [plaats] werden op 2 februari 2010 onder andere de volgende documenten aangetroffen en inbeslaggenomen: Hypotheekofferte Deutsche Bank filiaal Kleve HEUV.H01 .BG.03.01+
- Offerte (vermoedelijk d.d. 14 februari 2005) gericht aan [betrokkene 7] , [j-straat 1] te [plaats] voor twee leninggedeelten, allebei groot € 105.000,- waarbij de totale lasten geoffreerd worden op € 1.193,50 en een aanpassing hierop d.d. 19 februari
- Ten aanzien van de hypothecaire geldleningen kan nog het volgende gesteld worden. Uit eerder ingesteld onderzoek was al vastgesteld: • de maandelijkse aflossings- en rentelast betreffende de hypothecaire geldleningen bedroeg in de onderzoeksperiode gemiddeld € 1.406,- per maand, en diende betaald te worden door [betrokkene 7] die feitelijk een parttime dienstbetrekking vervulde met een gemiddeld netto maandloon van € 1.368,- ;• Ten tijde van de aankoop van het pand [a-straat 1-2] (december 2004 t/m maart 2005) was het gemiddelde nettosalaris van [betrokkene 7] slechts € 1.233,21 per maand. 2.3 Overige financiering € 222.500 (excl. kosten extra provisies) De overige financiering bestaande uit de aanbetalingen van respectievelijk € 10.000,- d.d. 07-12-2004 plus € 40.000,- d.d. 08-12-2004 plus het totaal van de bedragen die gestort zijn op de Duitse bankrekening van [betrokkene 7] van € 172.500,- is dan totaal € 222.500,-. Hierin zijn nog niet begrepen de extra kosten die buiten de notaris in rekening zijn gebracht voor extra provisies. Het bedrag van € 222.500,- is in de periode van 7 december 2004 tot en met 8 maart 2005 via diverse bedragen en via afzonderlijke (rechts)personen bij elkaar gebracht op de Duitse bankrekening van [betrokkene 7] . Volgens de overboekingen op de Duitse bankrekening van [betrokkene 7] zouden deze gelden afkomstig moeten zijn van de volgende personen: • [verdachte] {= vader van [betrokkene 7] ); • [betrokkene 15] (= moeder van [betrokkene 7] ); • [betrokkene 7] zelf • [M] te Kleve, Duitsland. {Geschäftsführer = [verdachte] + Einzelprokura = [betrokkene 15] ); • [D] ) B.V. (in januari 2003 al opgeheven) • [K] Ltd, [K] { [K] Ltd heeft als [postbus] , [plaats] . Dit postadres gebruikt [verdachte] voor zijn ondernemingen. Bij het aangaan van een overeenkomst in 1999 werd [K] , vertegenwoordigd door [verdachte] ); • [A] te Luxembur (Geschäftsführer = [verdachte] ). 2.4 Overgelegde bescheiden verdachte [verdachte] De verdachte [verdachte] heeft op 15 april 2010, kort na de doorzoeking van 26 maart 2010, vrijwillig een aantal bescheiden aan het onderzoeksteam ter beschikking gesteld. Deze bescheiden bestonden uit de notariële afrekening in verband met de overdracht van het pand [a-straat 1-2] te [plaats] d.d. 15 maart 2005 alsmede de betalingsbescheiden van het totale bedrag van de overige financiering ad € 222.500,-. Met uitzondering van een contante storting op 22-02-2005 heeft hij hiermee doen voorkomen of het gehele bedrag afkomstig was uit girale gelden. (…) 2.
- Geldstromenonderzoek Naar de betalingen genoemd in paragraaf 2.
- (…) is door ons een geldstromenonderzoek ingesteld met het doel om de feitelijke herkomst van deze betalingen vast te stellen. Hierna zullen per betaling de onderzoeksbevindingen worden vermeld. Totaal overzicht geldstroom financiering [a-straat 1-2] V