ECLI:NL:PHR:2022:503
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer21/02526 Zitting 24 mei 2022 CONCLUSIE B.F. Keulen In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 3 juni 2021 door het Gerechtshof Amsterdam wegens (zaak A, parketnummer 13-179035-19) 1 en 2, telkens ‘diefstal’, veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden. Voorts heeft het hof de vordering van een benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Daarbij is de duur van de gijzeling op ten hoogste 38 dagen bepaald.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel klaagt dat het hof heeft verzuimd er in de motivering van zijn beslissing tot het voorwaardelijk opleggen van de ISD-maatregel blijk van te geven zich ervan te hebben vergewist of aan alle in art. 38m Sr gestelde voorwaarden is voldaan. Meer in het bijzonder zou het hof hebben verzuimd tot uitdrukking te brengen dat de voorwaarden als bedoeld in art. 38m, eerste lid, onder 2° en 3°, Sr van die bepaling zijn vervuld.
Het Hof heeft in verband met van de oplegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, het volgende overwogen: ‘De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor de in eerste aanleg bewezenverklaarde feiten veroordeeld en voorwaardelijk de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) opgelegd voor de duur van twee jaren met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman heeft verzocht af te zien van het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel en te volstaan met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en het stellen van bijzondere voorwaarden. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte zijn leven een positieve wending heeft gegeven en de noodzaak voor oplegging van de ISD-maatregel ontbreekt.
Het hof komt op basis van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte tot het navolgende oordeel. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in het verleden veelvuldig schuldig gemaakt aan vermogensdelicten. Ondanks eerdere veroordelingen heeft hij opnieuw twee diefstallen gepleegd. Dit zijn ernstige feiten, waarmee de verdachte opnieuw laat zien geen respect te hebben voor andermans eigendommen.
Het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte van 10 mei 2021 beslaat 61 pagina’s.
De verdachte heeft eerder een ISD-maatregel opgelegd gekregen, maar dat heeft hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Het hof heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport d.d. 6 mei 2021 van het Leger des Heils. Ondanks de vele ingezette interventies heeft er lange tijd geen gedragsverandering plaatsgevonden. Om gedragsverandering te bewerkstelligen is binnen zijn detentie ingezet op een strak plan van aanpak in Amersfoort, de plaats waar de verdachte verblijft. In dat kader gaan wonen en dagbesteding thans goed. De reclassering is van mening dat het strakke, ingezette traject voortgang dient te hebben, omdat de ervaring leert dat de verdachte zeer gemakkelijk gebruik maakt van eventuele onduidelijkheden en gegeven vrijheden. De reclassering adviseert tot oplegging van een voorwaardelijke lSD-maatregel.
De verdachte voldoet aan de wettelijke criteria voor oplegging van die maatregel.
In het voordeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte sinds de onderhavige feiten niet opnieuw is veroordeeld voor vermogensdelicten. Er is echter momenteel in het kader van de tenuitvoerlegging van een opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden wel sprake van elektronische monitoring van de verdachte, waardoor van echt vrij bewegen in de samenleving geen sprake is en niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat een strak regime kan worden losgelaten.
Het hof acht, alles afwegende, oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaren passend en geboden.’ 5. Artikel 38m, eerste lid, Sr luidt als volgt: ‘1. De rechter kan op vordering van het openbaar ministerie de maatregel opleggen tot plaatsing van een verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders, indien:
1°. het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
2°. de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan, en 3°. de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.’ 6. In HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5029 , rov. 2.6 heeft Uw Raad overwogen: ‘De rechter die de in art. 38m Sr bedoelde maatregel oplegt, zal in de motivering van zijn beslissing ervan blijk dienen te geven zich ervan te hebben vergewist dat aan alle in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan. Meer in het bijzonder zal hij met zoveel woorden tot uitdrukking dienen te brengen dat de voorwaarden als bedoeld in het eerste lid onder 2° en 3° zijn vervuld’.
Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte (…) misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 2 oktober 2019 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan deze feiten meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf en een maatregel, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen/maatregel en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.’ 12. In de onderhavige zaak zijn de bewezenverklaarde feiten begaan op 22 oktober 2018 en 28 april 2019. In het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 mei 2021 staat onder het kopje ‘Volledig afgedane zaken betreffende misdrijven’ onder meer een arrest vermeld van het Gerechtshof Amsterdam van 23 september 2015. In dat arrest, dat onherroepelijk is geworden op 4 juli 2017, zijn 6 maanden gevangenisstraf opgelegd die volgens het uittreksel tussen 7 maart 2014 en 3 september 2014 geëxecuteerd zijn. Aansluitend is een arrest tenuitvoergelegd dat het Gerechtshof Amsterdam op 3 februari 2014 heeft gewezen en waarin twee weken gevangenisstraf waren opgelegd. Dat arrest is onherroepelijk geworden op 18 februari 2014. Op 2 december 2015 heeft de Rechtbank Amsterdam de verdachte 2 jaren plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd. In dat vonnis, dat op 17 december 2015 onherroepelijk is geworden, zijn voorts vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Uit art. 38n, eerste lid, Sr volgt dat de maatregel geldt voor de tijd van ten hoogste twee jaren, te rekenen van de dag waarop de rechterlijke uitspraak waarbij hij is opgelegd, onherroepelijk is geworden. De eerste van de drie vermelde veroordelingen (van 3 februari 2014) ligt binnen de vijf jaar voordat het eerste van de beide diefstallen begaan is. En de ISD-maatregel was op dat moment volledig tenuitvoergelegd.
Artikelen 38p en 38q Deze artikelen zijn ontleend aan de artikelen 38 tot en met 38b. Zij regelen de voorwaarden, waaronder de voorwaardelijke plaatsing kan worden opgelegd en gestalte krijgt.’ 27. Art. 38, vijfde lid, Sr houdt in: ‘Een voorwaarde kan de rechter slechts stellen, indien de ter beschikking gestelde zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarde.’ 28. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het voorstel van wet dat tot de invoering van de SOV leidde, is de volgende passage opgenomen: ‘Het wezen van een drangproject is dat een bepaalde strafrechtelijke reactie van de zijde van de overheid uitblijft onder de voorwaarde dat betrokkene meedoet aan een drangproject. (…) Naar mijn oordeel wordt het wezen van het drangtraject aangetast, indien betrokkene tegen zijn zin in het drangproject wordt gehouden. Ik meen dat verplichtingen langs andere weg moeten worden afgedwongen. Indien het enerzijds wenselijk is dat betrokkene zelf kiest voor een bepaald traject en het anderzijds wenselijk is dat er extra waarborgen zijn dat de met het gekozen traject beoogde doelstellingen worden verwezenlijkt, kan de rechter het voorgestelde artikel 38p Sr. toepassen: de voorwaardelijke oplegging van de SOV. Indien de voorwaardelijk veroordeelde niet voldoet aan de hem gestelde voorwaarden, kan de rechter ingevolge het voorgestelde artikel 38r op vordering van de officier van justitie alsnog de tenuitvoerlegging van de SOV gelasten.’ 29. Ook bij een ambulante behandeling is gelet op de gegeven omschrijving sprake van een drangproject. In het licht van de geciteerde passages komt de eerste lezing van art. 38p, vijfde lid, Sr juist voor. Derhalve is ook bij een ambulante behandeling een bereidverklaring vereist.
Het reclasseringsrapport van 6 mei 2021 is opgesteld door iemand die mij maar twee keer heeft gezien en nu een oordeel over mij wil vellen. Die vrouw belde mij op om het rapport te bespreken. Zij zei tegen mij dat het advies luidde een voorwaardelijke TBS-maatregel. Ik heb driemaal gevraagd wat zij bedoelde. En ik heb haar verteld dat zij niets voor mij heeft gedaan. Toen heb ik gezegd dat ik de verbinding ging verbreken. Daarna heb ik mijn begeleider gebeld en het uitgelegd. Die vrouw van de reclassering heeft het gesprek tussen ons niet goed weergegeven. Zij was er op gericht een ISD-maatregel aan mij op te laten leggen. Dus ik ben het er niet mee eens.
Alles gaat nu goed. Ik woon in [plaats] . Ik spreek nu andere mensen van ambulante hulpverlening. Ik spreek met hen af. Ook heb ik contact met Humanitas. Die willen ook dat alles van Amsterdam wordt overgedragen aan [plaats] . Omdat mijn contact met de reclassering Amsterdam niet goed loopt, wordt alles ingewikkelder. Ik doe gewoon mijn ding. Ik werk, ik heb geen gebiedsverbod om in Amsterdam te komen, maar ik kom er nauwelijks. Ik ben de persoon die steeds contact moet opnemen met de reclassering en hen om hulp moet vragen. Ik voel mij door Amsterdam in de steek gelaten en [plaats] ziet wel dat ik mijn best doe. Dan komt er, na maanden, zo’n advies waar ik van schrik. Ik werk al langere tijd en mijn financiële situatie is ook net geregeld. Ik wil gewoon geholpen worden, maar Amsterdam kan niets doen. Zij heeft mij maanden niet gesproken en komt dan met dit advies. Ik heb haar gevraagd of zij het zeker wist en dat was zo. Misschien heeft zij zich vergist, dat is menselijk. Ik begrijp u volkomen, het is het beste in contact te blijven en jezelf sociaal op te stellen. Het is de toon die de muziek maakt.
Op vragen van de advocaat-generaal antwoordt de verdachte:
U vraagt mij of ik het eens ben met de bijzondere voorwaarden die in het reclasseringsadvies worden genoemd. Ik bevind mij al in die setting. Ik werk al mee aan dat soort zaken. U zegt tegen mij dat als ik mij aan de voorwaarden genoemd in het reclasseringsadvies houd, ik geen ISD-maatregel krijg opgelegd. Zoals ik het nu al doe, ik zou meewerken. (…) Ik houd mij aan alle voorwaarden.’ 32. Het advies van de reclassering van 6 mei 2021 houdt, voor zover van belang, het volgende in (met weglating van voetnoten): ‘2. Conclusie(…)[verdachte] woont op dit moment, gedurende zijn Penitentiaire Programma, bij zijn vriendin in [plaats] . Er is sprake van een Elektronische Monitoring (EM). Betrokkene volgt dagbesteding bij 50-50 package van het Leger des Heils in Amersfoort en zal over enige tijd behandeling volgen bij Inforsa. Zowel het wonen als de dagbesteding gaan goed. Voor de praktische zaken heeft cliënt begeleiding van Homerun DMH van Humanitas.
De reclassering is van mening dat het strakke, ingezette traject voortgang dient te hebben. (…) 3. Advies Advies over bijzondere voorwaarden Bij een veroordeling adviseren wij een voorwaardelijke ISD-maatregel met de onderstaande voorwaarden.
De behandeling start vanaf datum intakegesprek. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.’ 33. Blijkens het reclasseringsrapport van 6 mei 2021 kreeg de verdachte op dat moment reeds uitgebreide hulpverlening. Daarbij zou de verdachte over enige tijd een behandeling volgen bij Inforsa. Het advies van de reclassering hield in dat het ‘strakke, ingezette traject voortgang dient te hebben’ en dat aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel zou worden opgelegd met een aantal voorwaarden. De advocaat-generaal heeft vervolgens tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 mei 2021 aan de verdachte gevraagd of hij het eens is met de bijzondere voorwaarden die in het reclasseringsadvies worden genoemd, waarop de verdachte heeft geantwoord dat hij zich al ‘in die setting’ bevindt en ‘ik werk al mee aan dat soort zaken’. Voorts heeft de verdachte na de mededeling van de advocaat-generaal dat als hij zich aan de voorwaarden genoemd in het reclasseringsadvies zou houden hij geen ISD-maatregel opgelegd zou krijgen, geantwoord dat hij zou meewerken en dat hij zich aan alle voorwaarden houdt.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie eerder HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7082, rov. 2.6; HR 18 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9837, rov. 3.5; HR 29 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2549, NJ 2007/328, rov. 3.3; HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4109, NJ 2007/222 m.nt. Mevis, rov. 3.5; HR 14 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8975, NJ 2007/221 m.nt. Mevis, rov. 4.5.
Zie over de recidivevoorwaarde nader HR 14 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8975, NJ 2007/221 m.nt. Mevis, rov. 4.3.2 – 4.4) en HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2028, NJ 2021/217 m.nt. Ten Voorde.
Vgl. HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4109, NJ 2007/222 m.nt. Mevis.
In HR 29 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2549, NJ 2007/328 bleef cassatie achterwege. Uw Raad oordeelde in de betreffende zaak dat het ‘de voorkeur had verdiend dat het Hof met zoveel woorden zou hebben geoordeeld dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereiste’, maar dat het hof ‘met zijn oordeel dat aan alle in art. 38m Sr genoemde voorwaarden is voldaan in samenhang met zijn daaraan voorafgaande overwegingen omtrent de door de verdachte gepleegde reeks feiten veroorzaakte schade en overlast en omtrent de recidivekans’, in voldoende mate blijk had gegeven zich ervan te hebben vergewist dat de in art. 38m, eerste lid, onder 3°, Sr genoemde voorwaarde was vervuld. Van vergelijkbare overwegingen inzake overlast en recidivekans is in de onderhavige zaak geen sprake.
Vgl. Kamerstukken II 1999-2000, 26 023, nr. 215b, p. 13.
Het vierde lid is gewijzigd door de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82, in werking getreden op 1 januari 2020 ingevolge het Besluit van 18 december 2019, Stb. 2019, 507). Die wijziging is in dit kader niet van belang.
Kamerstukken II 1998/99, 26 023, nr. 3, p. 21.
Vgl. de Wet van 25 juni 1997, Stb. 282, waarin dit voorschrift als derde lid werd ingevoerd.
Kamerstukken II 1998/99, 26 023, nr. 5, p. 3.
In die zin ook F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, derde herziene druk, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 223: ‘Intramurale (ten hoogste twee jaar) of ambulante behandeling kan in de vorm van een bijzondere voorwaarde indien de verdachte zich bereid verklaart de behandeling te ondergaan’.