PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/02090 Zitting 17 juni 2022 CONCLUSIE R.H. de Bock In de zaak Deliveroo Netherlands B.V.(hierna: Deliveroo)advocaat: F.M. Dekker tegen Federatie Nederlandse Vakbeweging(hierna: FNV)advocaten: S.F. Sagel & I.L.N. Timp Inhoudsopgave
- Inleiding en samenvatting
- Feiten
- Procesverloop
- Platformwerk
- Europese richtlijnen
- Nederlandse ontwikkelingen
- De kwalificatievraag na het Participatieplaats-arrest
- Gezag/werken in dienst van een ander 9 De vrije vervangingsclausule
- De vrijheid om te komen en te gaan
- Bespreking onderdeel 1: Ontvankelijkheid FNV en art. 3:305a BW (oud)
- Samenvatting van het arrest van het hof
- Bespreking onderdeel 2: Toetsingskader
- Bespreking onderdeel 3: Arbeid
- Bespreking onderdeel 4: Loon
- Bespreking onderdeel 5: In dienst van
- Bespreking onderdeel 6: Gedurende zekere tijd en het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW
- Bespreking onderdeel 7: Overige omstandigheden
- Bespreking onderdeel 8: Conclusie
- Conclusie 1Inleiding en samenvatting 1.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of de maaltijdbezorgers van Deliveroo (platformwerkers) in Nederland werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. Zowel rechtbank als hof hebben die vraag bevestigend beantwoord. Mijns inziens kan het arrest van het hof in stand blijven. 1.2 Bij de beantwoording van de vraag of de maaltijdbezorgers een arbeidsovereenkomst hebben met Deliveroo, draait het vooral om de invulling van het gezagscriterium. In lijn met mijn conclusie voor het Participatieplaats-arrestbepleit ik dat het bij het gezagscriterium niet zozeer gaat om de instructiebevoegdheid van de werkverschaffer ten opzichte van de werker. Veel belangrijker is of het werk organisatorisch is ingebed in de onderneming van de werkverschaffer. Als de werkzaamheden een wezenlijk onderdeel uitmaken van de bedrijfsvoering, zal daar snel sprake van zijn. Deze benadering sluit aan bij het wettelijke criterium, of het werk wordt verricht ‘in dienst van een ander’. 1.3 Alleen als de werker als zelfstandig ondernemer kan worden beschouwd, is géén sprake van organisatorische inbedding van het werk in de onderneming van de werkverschaffer. Het is als uitgangspunt het een of het ander: de werker werkt ‘in dienst van een ander’ doordat het werk is ingebed in de onderneming van die ander, of de werker heeft zijn of haar eigen onderneming. Hierbij geldt het primaat van de feiten: er moet gekeken worden naar de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden. 1.4 De contractsbepaling van Deliveroo dat de maaltijdbezorger vrij is om zich te laten vervangen, staat niet in de weg aan de kwalificatie als arbeidsovereenkomst. Dat geldt ook voor de contractuele vrijheid van de bezorger om te werken (‘in te loggen’) wanneer hij of zij dat wil. 1.5 De procedure is gevoerd door FNV. Daarmee is ook aan de orde of art. 3:305a BW (oud) ruimte biedt voor het verkrijgen van een verklaring voor recht dat de rechtsverhouding tussen Deliveroo en haar bezorgers, in afwijking van het schriftelijke contract, geldt als arbeidsovereenkomst. Mijns inziens is dat het geval. 2Feiten In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.1-2.11 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 februari
- 2.1 Deliveroo is in juni 2015 in Nederland begonnen met haar activiteiten. Via een digitaal platform worden onafhankelijke restaurants middels een bestel- en betaalsysteem gekoppeld aan klanten. Deliveroo biedt daarbij een online maaltijdbestel- en betaalsysteem aan, alsmede een bezorgdienst van de restaurants naar de klanten. 2.2 Van september 2015 tot in de loop van 2018 heeft Deliveroo bezorgers op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (voor maximaal 23 maanden) in dienst genomen. Het betrof een min-max oproepcontract met een minimum van een uur en een maximum van 160 uur per maand. Betaling vond plaats overeenkomstig het wettelijk (jeugd)minimumloon. 2.3 De werknemer was volgens het arbeidscontract en de Huisregels verplicht minimaal één shift in het weekend en één avondshift per week te werken. Er waren diensten van drie, vier of vijf uur gelegen tussen 11.00 uur en 22.30 uur. De werknemer diende voor een bepaalde deadline zijn beschikbaarheid aan te geven. Hij was in de hem toegewezen shift verplicht om gehoor te geven aan een oproep. Voor zover er onvoldoende aanmeldingen waren voor een dienst, kon daarop ook later worden ingeschreven. Tijdens de shift moest de werknemer maaltijden bij diverse restaurants ophalen met zijn eigen vervoermiddel en naar door Deliveroo opgegeven adressen van klanten vervoeren. Drie keer geen gehoor geven aan een oproep, zou ingevolge de arbeidsovereenkomst een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Tijdens zijn werkzaamheden diende de werknemer gekleed te zijn in Deliveroo kleding en de maaltijden te vervoeren in een Deliveroo-thermobox. Het was de werknemer niet toegestaan om voor andere (etenswaren)bezorgdiensten te werken. Hij moest zelf zorgen voor een smartphone of tablet om in te loggen op het bezorgsysteem van Deliveroo. 2.4 Per februari 2018 heeft Deliveroo besloten de arbeidsovereenkomsten met de bezorgers niet meer te verlengen. Bezorgers werken sinds 1 juli 2018 alleen nog op basis van een opdrachtovereenkomst. In de door Deliveroo tot 21 september 2018 gebruikte opdrachtovereenkomst was opgenomen dat de bezorger zich als ondernemer moest inschrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en over een btw-nummer moest beschikken. Sinds 21 september 2018 hanteert Deliveroo twee soorten opdrachtovereenkomsten: de Regular-overeenkomst en de Unlimited-overeenkomst. Op grond van de Regular-overeenkomst kan per vier weken maximaal € 603,92 (niveau 2019; 40% van het reguliere minimumloon; in augustus 2020 € 620,32 per vier weken) worden verdiend en is, vanwege fiscale regelgeving, geen btw-afdracht verplicht. (NB: het gaat hier in feite om het niet verschuldigd zijn van loonbelasting, zie subonderdeel 4.8). Bij gebruik van de Unlimited-overeenkomst kan meer dan € 603,92 per vier weken worden verdiend, en dient de bezorger btw in rekening te brengen en af te dragen. Betaling vindt in beide gevallen plaats per afgeleverde bezorging en op basis van facturering, waarbij de normale gang van zaken is dat Deliveroo namens de bezorger de aan Deliveroo gerichte factuur opstelt. Deliveroo houdt ook bij dat bij gebruik van de Regular-overeenkomst niet meer dan genoemd bedrag van € 603,92 per vier weken wordt verdiend: indien de bezorger 80% van dat bedrag heeft verdiend stuurt Deliveroo een bericht, en ook bij het bereiken van 90% van dat bedrag. Indien het volledige bedrag is verdiend kunnen die maand geen verdere opdrachten worden geaccepteerd. De opdrachtovereenkomst kan door de bezorger per direct worden opgezegd en voor Deliveroo geldt een opzegtermijn van een week. Normaliter zegt Deliveroo de opdrachtovereenkomst niet op, ook niet wanneer de bezorger geen werkzaamheden meer verricht. De hoogte van de betaling per afgeleverde bezorging is door Deliveroo in de loop der tijd gewijzigd. 2.5 Bezorgers moeten gebruik maken van een app om op hun telefoon bestellingen te ontvangen. Een bezorger kan via deze app inloggen. Tot maart 2020 hanteerde Deliveroo de self-service booking tool (hierna: het SSB-systeem). De bezorger kon met gebruikmaking daarvan kiezen of, wanneer, waar en voor hoe lang hij wilde werken. In het SSB-systeem kon de bezorger sessies reserveren of gereserveerde sessies annuleren, waarbij sommige bezorgers op een vroeger tijdstip in de gelegenheid werden gesteld die sessies te reserveren (priority access) dan dat andere bezorgers daartoe in de gelegenheid werden gesteld. Ook kon de bezorger op elk gewenst moment inloggen zonder vooraf gereserveerd te hebben. Hij kon ook besluiten in het geheel niet in te loggen tijdens een gereserveerde sessie (een ‘no-show’), later in te loggen (een ‘late log in’) of tijdens een sessie vroegtijdig uit te loggen (een ‘early log out’). Sinds maart 2020 hanteert Deliveroo in plaats van het SSB-systeem het zogenaamde Free Login-systeem. Dat systeem houdt in dat geen sessies meer van tevoren kunnen worden gereserveerd. Iedere bezorger kan op het door hem gewenste moment inloggen, zij het dat dat alleen kan op een moment en plaats waar Deliveroo een behoefte aan bezorgers voorziet. Uitsluitend bezorgers die zijn ingelogd kunnen een bestelling krijgen aangeboden. Een aangeboden bestelling kan geweigerd worden, waarvoor in het systeem onder andere een van de volgende redenen kan worden opgegeven: restaurant te ver weg, restaurant wachttijd, wegen gesloten, autopech/fietspech, einde beschikbaarheid, ‘dislike delivery area’ of overig. 2.6 Deliveroo maakt bij de toedeling van de bezorging van maaltijden gebruik van een algoritme, genaamd ‘Frank’ (hierna: ‘Frank’). Bezorgers die de overeenkomst hebben gesloten kunnen via deze app inloggen. Toen Deliveroo het SSB-systeem hanteerde konden bezorgers zich meteen beschikbaar melden en/of toekomstige sessies reserveren in een gebiedszone waarin zij wilden gaan werken voor Deliveroo; met de invoering van het Free Login-systeem kunnen bezorgers zich (alleen) direct beschikbaar melden. Verder kunnen de bezorgers via de app chatten met (een medewerker van) Deliveroo wanneer zij problemen hebben met het afleveren van bestellingen. 2.7 Deliveroo betaalt aan haar bezorgers een vast bedrag per afgeleverde bestelling. Ten tijde van het gebruik van het SSB-systeem (de situatie zoals die gold toen de procedure in eerste aanleg werd gevoerd) gold een vast bedrag per bezorgde bestelling van in 2018 gemiddeld € 6,00, in 2019 gemiddeld € 5,00 per bezorging. Indien vanuit een restaurant naar twee verschillende adressen een maaltijd moest worden bezorgd, gold die tweede bezorging als ‘stacked order’, waarvoor € 3,75 werd betaald. Daarnaast kende Deliveroo bonussen toe. De criteria daartoe en hoogte daarvan zijn in de loop der tijd herhaaldelijk gewijzigd. Ten tijde van het wijzen van het bestreden vonnis was de hoogte van de bonus afhankelijk van het aantal bezorgingen in een periode van veertien dagen, waarbij de hoogte van de bonus verschilde per periode en per bezorggebied, maar steeds inhield dat hoe hoger het aantal bezorgingen in een bepaalde periode was, hoe hoger de bonus. De bonus kon ook per regio verschillen. 2.8 Met de invoering van het Free Login-systeem per maart 2020 is zowel de hoogte van het vaste per bezorging te betalen bedrag gewijzigd, als de wijze waarop bonussen worden vastgesteld. Voor korte ritten wordt sindsdien gemiddeld een vergoeding betaald van € 3,50 per bezorgde bestelling, voor lange ritten een vergoeding van gemiddeld € 4,80 per bezorgde bestelling. Daarnaast worden nog steeds bonussen toegekend. In een bericht van Deliveroo op 6 mei 2020 staat hierover vermeld: “De wekelijkse incentives worden een keer per week geüpload op maandag. (…) De incentives per bestelling zijn afhankelijk van de locatie waar het restaurant zich bevindt.” 2.9 Voordat bezorgers (of hun vervangers) als zelfstandige kunnen beginnen bij Deliveroo moeten zij een aantal instructiefilms van Deliveroo hebben bekeken. 2.10 Volgens het contract kunnen bezorgers zich laten vervangen om de bezorging door een ander te laten verrichten, op voorwaarde dat de vervanger voor aanvang van de werkzaamheden een geldig legitimatiebewijs en een bewijs van het recht om in Nederland te werken toont. 2.11 Het materiaal levert de bezorger zelf, in ieder geval een smartphone en het vervoermiddel (een fiets, motorfiets, auto of scooter). 3Procesverloop 3.1 Bij inleidende dagvaarding van 27 juni 2018 heeft FNV Deliveroo gedagvaard voor de kantonrechter Amsterdam. FNV heeft, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair een verklaring voor recht gevorderd dat de rechtsverhouding tussen Deliveroo en haar bezorgers, in afwijking van de partijafspraak, is aan te merken als een arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in art. 7:610 lid 1 BW. Subsidiair – voor het geval de overeenkomst zowel voldoet aan de omschrijving van de arbeidsovereenkomst als aan de opdracht – is een verklaring voor recht gevorderd dat de bepalingen van de arbeidsovereenkomst op de voet van het tweede lid van art. 7:610 van toepassing zijn. 3.2 Deliveroo heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd. 3.3 Op 15 november 2018 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij beide partijen gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt. 3.4 Bij vonnis van 15 januari 2019 heeft de kantonrechter Amsterdam voor recht verklaard dat de rechtsverhouding tussen Deliveroo en haar bezorgers, in afwijking van het schriftelijke contract, (nog steeds) is aan te merken als een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 BW. Deliveroo is veroordeeld in de proceskosten. 3.5 Deliveroo is in hoger beroep gekomen van het vonnis en heeft een memorie van grieven genomen. 3.6 FNV heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd. 3.7 Deliveroo heeft op 4 maart 2020 een akte genomen ‘ter indiening aanvullende producties en correctie feitelijke onjuistheden’. Ook FNV heeft aanvullende producties in het geding gebracht. 3.8 FNV heeft bezwaar gemaakt tegen de akte van Deliveroo van 4 maart 2020, omdat die akte een verkapte conclusie van repliek is. 3.9 Het hof heeft bij brief van 9 maart 2020 bericht dat de akte van Deliveroo op een aantal onderdelen in strijd is met de goede procesorde en de twee conclusie-regel, zodat die onderdelen buiten beschouwing zullen worden gelaten. 3.10 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 september
- Partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. Van de mondelinge behandeling is geen proces-verbaal opgemaakt, althans dat bevindt zich niet in de procesdossiers die partijen in cassatie hebben overgelegd. 3.11 Op verzoek van het hof hebben beide partijen op 8 december 2020 een akte genomen om te reageren op het Participatieplaats-arrest van de Hoge Raad van 6 november
- 3.12 Bij arrest van 16 februari 2021 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en Deliveroo veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. 3.13 Deliveroo heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. 3.14 FNV heeft een verweerschrift ingediend. 3.15 Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Deliveroo heeft gerepliceerd en FNV heeft gedupliceerd. 4Platformwerk 4.1 Een onlineplatform kan omschreven worden als ‘een technologische, economische en sociaal-culturele infrastructuur voor het faciliteren en organiseren van online sociaal en economisch verkeer tussen gebruikers en aanbieders, met (gebruikers)data als brandstof’. Er valt een onderscheid te maken tussen sociale platforms (zoals Facebook, Twitter en LinkedIn) en transactieplatforms. Op transactieplatforms kunnen aanbieders van zaken, diensten of digitale producten in contact komen met afnemers, om vervolgens via dat platform of daarbuiten met elkaar een overeenkomst te sluiten. De meest klassieke vorm hiervan is de webwinkel, waarop een doorgaans professionele verkoper producten te koop aanbiedt. Verder zijn er intermediaire transactieplatforms, die zich in meer of mindere mate kunnen bemoeien met wat er op het platform gebeurt: te denken valt aan ‘elektronische prikborden’, maar ook aan bemiddelaars zoals Airbnb en Booking.com. Ook zijn er transactieplatforms waarbij het gaat om het leveren van diensten, dus waarop vraag en aanbod naar het uitvoeren van taken of klussen (‘gigs’) bij elkaar worden gebracht. Dat wordt wel aangeduid als de ‘gig economy’ (‘kluseconomie’). 4.2 Platforms brengen echter niet alleen vraag en aanbod bij elkaar, maar verzamelen ook systematisch, grootschalig en real time data over onder andere zoekacties, transacties en reviews. Dat ligt ook besloten in de onder 4.1 gegeven omschrijving: (gebruikers)data zijn de brandstof voor onlineplatforms. Deze data worden niet alleen gebruikt om de dienstverlening van het platform te verbeteren, maar worden ook gekoppeld aan adverteerders. Platforms doen hiermee ook aan commodificatie: de verzamelde gegevens worden omgezet in een economisch goed en kunnen worden verkocht aan derden. Het verhandelen van verzamelde data is daarmee een cruciaal aspect van het verdienmodel van veel platforms. 4.3 Het werken voor transactieplatforms (‘platformwerk’) heeft de afgelopen jaren een grote vlucht genomen. Naar schatting heeft in Nederland tussen de 1,2% en 22% van de beroepsbevolking ooit platformwerk gedaan en verdient tussen de 0,4% en 2,8% van de beroepsbevolking een hoofdinkomen met platformwerk. In relatieve zin is dat een laag percentage, maar in absolute zin gaat het om een aanzienlijk aantal werkenden (minimaal 34.000). Volgens Europese cijfers is platformwerk voor 1 tot 2% van alle werkenden in de EU de belangrijkste inkomstenbron en werkt 10% van de Europese beroepsbevolking wel eens als platformwerker. De Europese Commissie gaat in het voorstel voor de richtlijn over platformwerk (december 2021, zie over het richtlijnvoorstel onder 5.16 e.v.) uit van 28 miljoen mensen in de EU die werken via een digitaal platform. Het verschil tussen de Nederlandse en de Europese cijfers wordt veroorzaakt doordat in de Nederlandse cijfers alleen fysieke platformwerkers zijn meegenomen en in de Europese studies ook alle digitale platformwerkers. 4.4 De verwachting is dat het aantal platformwerkers de komende jaren zal stijgen. De Europese Commissie gaat ervan uit dat in 2025 het aantal platformwerkers in de EU zal oplopen tot 43 miljoen. Wat de ontwikkelingen in Nederland precies zullen zijn, is mede afhankelijk van de juridische ruimte om zzp’ers in te zetten als platformwerker, zo verwacht het Economisch Bureau van ING. 4.5 Ondanks dat de platformeconomie al zo’n twintig jaar bestaat, is zij nog verrassend weinig gereguleerd. De belangen in de platformeconomie zijn groot en divers. In de woorden van Wuisman en Van Slooten: ‘het gaat om waardecreatie versus monopolies, om privacy versus transparantie, waarheid versus frame, om efficiëntie versus de menselijke maat. Het gaat om kleine winkeliers die via Amazon wat verkopen, om taxichauffeurs die zich afhankelijk voelen van Uber, om hoteleigenaren die met Booking.com hebben te dealen en om communities die voor hun onderlinge interacties afhankelijk zijn van Facebook (Meta). Maar in Europa gaat het ook bijvoorbeeld om 500 platforms, 28 miljoen banen en 20 miljard aan omzet.’ Werken via een internetplatform 4.6 Er zijn verschillende manieren waarop via een internetplatform gewerkt kan worden. Soms wordt het werk niet alleen digitaal aan de werkende aangeboden, maar ook digitaal (online) uitgevoerd (‘crowdwork’). Voorbeelden hiervan zijn softwareontwikkeling of vertaalwerk. Als het werk daarentegen niet digitaal maar juist fysiek wordt verricht, wordt gesproken over ‘work on demand’ of ‘offline platformarbeid’. Platforms zoals Uber (vervoer) en Deliveroo (maaltijdbezorging) kunnen onder ‘work on demand’-platforms worden geschaard. 4.7 Platformwerk kan zeer verschillend van aard en complexiteit zijn. Het kan gaan om heel eenvoudig werk, maar er kan ook sprake zijn van specialistisch werk. Juist bij work on demand, zoals maaltijdbezorging, zijn vaak weinig specifieke vaardigheden nodig. De gemeenschappelijke deler van platformwerk is dat vraag en aanbod tot het verrichten van arbeid bij elkaar komen via een internetplatform (een app of een website). 4.8 Bij platformwerk zijn steeds minimaal drie partijen betrokken: het platform, de werkende en degene de dienst afneemt. Soms is daarnaast nog sprake van een vierde partij, zoals een restaurant, of zelfs een vijfde partij die bijvoorbeeld de financiële afhandeling regelt. Gelet op deze meerpartijenverhoudingen is bij de kwalificatie van de overeenkomst tot het verrichten van werk van belang jegens wie de werker zich verbonden heeft. Dat hoeft niet noodzakelijkerwijs het platform te zijn; het is ook mogelijk dat het platform een bemiddelende rol heeft en dat sprake is van een overeenkomst tussen de werker en de afnemer van de dienst. 4.9 Voor veel platformwerkers (in Nederland) is het platformwerk niet hun hoofdactiviteit. Tweederde van de platformwerkers combineert het platformwerk met ander betaald werk, zo blijkt uit onderzoek van het economische onderzoeksinstituut SEO. Daarbij is volgens onderzoek van TNO de helft tot tweederde van de platformwerkers jonger dan 35 jaar. Het combineren van banen is een fenomeen dat zich steeds vaker voordoet, mede veroorzaakt door het feit dat mensen van één baan niet meer kunnen rondkomen. 4.10 Er zijn grote verschillen in het aantal uren dat een platformwerker via platforms werkt. Gemiddeld maken taxichauffeurs en maaltijdbezorgers het meeste aantal uren, namelijk meer dan 20 uur per week. Veel mensen werken slechts korte tijd voor een platform, met name als het gaat om bezorging en huishoudelijke dienstverlening. Voordelen van platformwerk 4.11 Het werken via een platform biedt de werkende veel flexibiliteit. De flexibiliteit om zelf te bepalen wanneer, waar en hoeveel men wil werken, zijn belangrijke redenen om voor een platform te gaan werken. 4.12 Ook kan het werken via een platform de werkende autonomie bieden. Volgens SEO bestaat die autonomie echter vooral uit de vrijheid om niet te werken. De autonomie wordt in de praktijk begrensd door de beschikbaarheid van de opdrachten en door de mate waarin iemand afhankelijk is van de inkomsten uit platformwerk. Ingelogd zijn op de app of ingeschreven staan op een shift betekent niet dat er ook daadwerkelijk klussen beschikbaar zullen zijn. En als een werker eenmaal een opdracht heeft, is er weinig vrijheid in de uitvoering ervan. Werkers kunnen stress ervaren als de hoeveelheid werk die iemand krijgt, afhangt van het aantal klussen dat wordt geaccepteerd of de snelheid waarmee deze worden uitgevoerd. 4.13 Digitale platforms bevorderen innovatieve diensten en nieuwe bedrijfsmodellen en creëren tal van kansen voor consumenten en bedrijven, zo is te lezen in de toelichting op het voorstel voor een Europese richtlijn voor platformwerk (zie nader onder 5.16-5.26). Platforms kunnen vraag en aanbod van arbeid op efficiënte wijze op elkaar afstemmen en bieden mogelijkheden voor mensen om in hun levensonderhoud te voorzien of een extra inkomen te generen, met name ook voor mensen die mogelijk belemmeringen ondervinden bij de toegang tot de arbeidsmarkt. Ook biedt platformwerk mogelijkheden om een klantenbestand te creëren of te verruimen. Het biedt bedrijven een veel ruimere toegang tot consumenten, mogelijkheden om inkomsten te diversifiëren en nieuwe bedrijfsonderdelen te ontwikkelen. Nadeel van platformwerk: de zwakke sociaaleconomische positie van platformwerkers 4.14 Een belangrijk nadeel van platformwerk is dat de sociaaleconomische positie van platformwerkers zwak is. In de eerste plaats is het inkomen dat via platformwerk wordt verdiend in het algemeen laag. Platformwerk wordt vaak betaald op basis van een geleverde prestatie (een bezorgde maaltijd, een taxirit) en niet op basis van een uurloon. Daardoor is er geen zekerheid dat structureel (in een bepaalde periode) een bepaald inkomen wordt verdiend. Lage verdiensten worden verder in de hand gewerkt doordat de tijd die nodig is om een nieuwe opdracht te verwerven en de wachttijd tussen opdrachten in, niet wordt betaald. Volgens onderzoek is een platformwerker voor ieder uur betaald werk gemiddeld 20 minuten onbetaald bezig. 4.15 Betaling op basis van een uurloon zou overigens nog geen garantie zijn voor een betere beloning. Aangenomen dat op platformwerkers de Wet minimumloon (WML) van toepassing is (hetzij omdat zij werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst, hetzij op basis van art. 2 lid 2 sub b WML), dan nog is niet gegarandeerd dat een bepaald minimumuurloon wordt betaald. Anders dan bijna alle andere EU-landen kent Nederland namelijk geen minimumuurloon, maar alleen een minimummaandloon. De hoogte van het minimumloon per uur is afhankelijk van het normale aantal uren dat in een sector als voltijd geldt, de zogenoemde normale arbeidsduur (NAD). Daarmee ligt het minimumuurloon voor mensen die in een sector werken waar de gebruikelijke werkweek 40 uren is, lager dan voor degenen die werken in een sector waar dat de gebruikelijke werkweek 36 of 38 uren is. Doordat er geen wettelijk minimumuurloon is, is handhaving door de inspectie SZW moeilijk en is bepaald niet gegarandeerd dat betaald wordt volgens de normen ontleend aan het wettelijk minimumloon. In 2019 is een initiatiefvoorstel Wet invoering minimumuurloon ingediend, dat hieraan een einde moet maken. Het wetsvoorstel moet er ook voor zorgen dat het minimumuurloon verhoogd wordt. Per 1 juli 2019 lag dat tussen de € 9,44 en € 10,
- Voorgesteld wordt om het minimumuurloon te baseren op een 36-urige werkweek en het stapsgewijs te verhogen tot € 14,- per uur. Ook het huidige kabinet streeft naar de invoering van een minimumuurloon en naar verhoging van het minimumloon. 4.16 Vastlegging en verhoging van het wettelijk uurloon is mogelijk ook noodzakelijk in verband met een voorstel voor een Europese richtlijn om tot een toereikend minimumloon in de EU te komen, waarover de Raad en het Europese Parlement recent voorlopige overeenstemming hebben bereikt. Onder deze voorgestelde regelgeving blijven lidstaten vrij om de hoogte van het minimumloon te bepalen, maar zullen wel bepaalde drempels gaan gelden, onder meer dat het minimumloon voldoende moet zijn om basisconsumptie en vaste lasten van te betalen. 4.17 Een tweede punt van zorg is dat platformwerkers vaak werken onder slechte arbeidsomstandigheden. Zo zijn er regelmatig berichten in het nieuws over Uberchauffeurs of fietskoeriers die betrokken zijn bij verkeersongevallen. Deze werkenden worden bij uitstek blootgesteld aan het verkeersrisico, wellicht ook doordat een resultaatsafhankelijke beloning risicovol gedrag in de hand kan werken. Overigens doet zich ook hier een verschil voor tussen de bescherming van werknemers en opdrachtnemers: naar huidig recht is het niet vanzelfsprekend dat opdrachtgevers gehouden zijn een ‘behoorlijke verzekering’ af te sluiten ten behoeve van zijn bezorgende opdrachtnemers. 4.18 Zie ook de antwoorden van de minister van SZW naar aanleiding van Kamervragen naar aanleiding van de met dit cassatieberoep bestreden uitspraak: “Naast bovenstaande geldt dat de Inspectie SZW risicogericht toezicht houdt op de naleving van de arbeidswetgeving zoals de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), de Arbeidstijdenwet (Atw) en de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Het themaprogramma schijnconstructies, cao-naleving en fraude is onder meer gericht op mogelijke misstanden in de platform-economie en schijnzelfstandigheid. Daar waar de arbeidswetgeving mogelijk niet wordt nageleefd, bijvoorbeeld bij te laag loon of te lange arbeidstijden, wordt nader onderzoek gedaan naar de feiten en omstandigheden waaronder gewerkt wordt. Het programma horeca en detailhandel zet in op verbetering van de naleving van de Arbeidstijdenwet bij met name jeugdige maaltijdbezorgers. Als geconstateerd wordt dat de arbeidswetgeving is overtreden wordt gehandhaafd en kan bijvoorbeeld een bestuurlijke boete worden opgelegd.” 4.19 In de derde plaats werken platformwerkers veelal als zelfstandige en niet op basis van een arbeidsovereenkomst. Volgens het SEO-onderzoek uit 2018 worden in Nederland platformwerkers in ongeveer 60% van de gevallen als zzp’er beschouwd. In het voorstel voor een Richtlijn voor de verbetering van de arbeidsvoorwaarden voor platformwerk schrijft de Europese Commissie dat de werkenden bij negen van de tien platforms als zelfstandige te boek staan. Maar, zo voegt de Commissie toe, er zijn ook veel mensen die in een gezagsverhouding staan tot het digitale platform en dus in wezen een arbeidsovereenkomst hebben (“Volgens één schatting zouden tot vijf en een half miljoen mensen die via een digitaal platform werken het risico lopen dat hun arbeidsstatus verkeerd wordt gekwalificeerd”). Overigens werken niet alle maaltijdbezorgplatforms met zelfstandigen. Zo werkt Thuisbezorgd.nl met werknemers. 4.20 De afwezigheid van een arbeidsovereenkomst heeft tot gevolg dat werkers geen ontslagbescherming hebben. Zonder arbeidsovereenkomst missen werkers bovendien het ‘entreebiljet’ tot het overige arbeidsovereenkomstenrecht, het socialezekerheidsrecht en het pensioenrecht. Dat betekent dat zij geen recht hebben op doorbetaling bij ziekte, geen recht op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering en geen pensioen opbouwen. 4.21 Ook investeren platformbedrijven meestal niet of weinig in de scholing en ontwikkeling van platformwerkers. Vaak hangt dit niet alleen samen met de vluchtige arbeidsrelaties of krappe marges, maar ook met de vrees van werkplatforms om als werkgevers te worden gezien. 4.22 Een andere oorzaak van de zwakke sociaaleconomische bescherming van platformwerkers is dat juist zij vaak meerdere banen voor meerdere werkverschaffers hebben (al dan niet in loondienst), waarbij elk van de banen op zich te beperkt in omvang is om verzekeringsrechtelijke bescherming te krijgen. ‘Multi-jobbers’ blijken een aanzienlijk lager uurloon te verdienen dan degenen die één baan hebben. Bovendien bestaat er een risico dat deze werkenden een onverantwoord aantal uren werken, omdat er een grote druk is om veel uren te maken. Althans: een grote druk om beschikbaar te willen of moeten zijn om mogelijk opgeroepen te worden voor het verrichten van arbeid. 4.23 Ten slotte zijn platformwerkers kwetsbaar als gevolg van de aansturing door algoritmes. Daardoor hebben zij te maken met een onpersoonlijke aansturing, vaak op basis van anonieme beoordelingen van klanten. Dit kan leiden tot een onzorgvuldige bejegening. De Toelichting op het voorstel voor de Richtlijn platformwerk noemt in dit verband het risico van vooroordelen en discriminatie in algoritmische beheer, dat ook de ongelijkheden tussen vrouwen en mannen kan versterken. Door een gebrek aan transparantie over de werking van de algoritmes, is onduidelijk waarop sancties of beloningen van de werkers zijn gebaseerd. Ook kunnen de gegevens van platformwerkers worden verzameld op een manier die in strijd is met de AVG. De kwalificatie van arbeidsrelaties met een werkplatform 4.24 Het werken met zzp’ers (opdrachtnemers) is een bewuste keuze van platformbedrijven, zo blijkt uit onderzoek. De belangrijkste reden daarvoor is het laag houden van de kosten. Ook zou het passen bij het ‘klusgerichte karakter’ van het werk en de voorkeur van platformbedrijven om in verschillende landen hetzelfde bedrijfsmodel te hanteren. 4.25 Eén van de aspecten van het verdienmodel van ‘work on demand’-platforms, is het zo laag mogelijk houden van de transactiekosten van het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van arbeid. Bennaars noemt vijf manieren waarop platforms dit proberen te bereiken: (i) taken worden opgeknipt en eenvoudig gemaakt, zodat weinig scholing of training nodig is; (ii) door ratings worden beoordelingen en toezicht door het platform in feite uitbesteed aan de uiteindelijke afnemer van de dienst; (iii) de werker wordt betaald via stukloon of per taak; (iv) de inzet van algoritmes voor de verdeling van het werk; en (v) gebruik maken van een grote arbeidspool die wacht op een klus, waarbij wachttijd niet wordt betaald. 4.26 Volgens de SER draait het bij het verlagen van de transactiekosten door platforms in veel gevallen om het verleggen van deze kosten: niet alleen naar de consument maar ook naar de werkenden. Platforms externaliseren het planningsrisico door de kosten van overbezetting naar de werkenden te verschuiven. 4.27 Er bestaat geen wettelijke definitie van platformwerk. De vraag of een platformwerker werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst, moet dan ook beantwoord worden aan de hand van de gewone maatstaf van art. 7:610 BW. Daarbij spitst de discussie zich met name toe op het meest onderscheidende kenmerk van de arbeidsovereenkomst, namelijk het element gezag (‘in dienst van’). 4.28 De discussie of een platformwerker werkzaam is op basis van een overeenkomst die als arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd, is onderdeel van het bredere zzp-debat. Ook daarin spitst de discussie zich toe op de vraag of voldaan is aan het element gezag. Maar platformwerk heeft wel een aantal specifieke kenmerken, juist op het punt van de gezagsuitoefening. Zo is kenmerkend voor platformwerk dat het werk niet op één centrale plaats wordt uitgevoerd (onder toezicht van een leidinggevende). Daardoor is er geen fysiek contact tussen de werkers en het platform. Voor zover er wel contact is – bijvoorbeeld ten aanzien van de toedeling van taken – vindt dat plaats via internetapplicaties. Daarbij worden algoritmes gebruikt als sturingsmechanismes (‘algoritmisch beheer’). Dat geldt zowel voor (i) de toedeling van het werk, (ii) het geven van aanwijzingen voor de uitvoering van het werk, (iii) het monitoren van de uitvoering van het werk en (iv) het beoordelen van de platformwerker. In zijn algemeenheid geldt bovendien dat het geven van werkinstructies voor veel (fysiek) platformwerk minder relevant is, omdat de taak of klus in veel gevallen eenvoudig en afgebakend is. Ook kunnen werkinstructies in algemene voorwaarden bij de overeenkomst tussen platform en platformwerker zijn opgenomen, waardoor er geen nadere persoonlijke instructies aan de werker hoeven te worden gegeven. 4.29 Overigens zijn er grote verschillen in de bedrijfsorganisatie van platforms. Wat voor het ene platform geldt, hoeft dus niet te gelden voor een ander platform. Voor de beantwoording van de kwalificatievraag is dan ook van cruciaal belang dat er een goed zicht bestaat op de feitelijke werkwijze van het platform. 5Europese richtlijnen 5.1 In het kader van werknemerschap en platformwerk worden twee Europese ontwikkelingen besproken. Dat is in de eerste plaats de Richtlijn transparante arbeidsvoorwaarden van 20 juni
- Deze richtlijn is van belang omdat platformwerkers onder de werking van de richtlijn vallen, tenzij zij ‘echte zelfstandige’ zijn (zie onder 5.14 en 5.19). Als platformwerkers onder de werking van de richtlijn vallen, staat daarmee vast dat zij het recht hebben om ook voor anderen werkzaamheden verrichten (in loondienst of voor andere platforms). Dat is relevant, omdat veel platformwerkers ‘multi-jobbers’ zijn (zie ook onder 4.22). De consequentie van het feit dat een platformwerker de vrijheid heeft om ook voor anderen werkzaamheden te verrichten, is dat die omstandigheid geen gewicht meer in de schaal kan leggen bij de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst. 5.2 In de tweede plaats wordt besproken het richtlijnvoorstel van 9 december 2021 betreffende de verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk. Als deze richtlijn wordt aangenomen, zal in het Nederlandse recht een bewijsvermoeden moeten worden opgenomen dat, als aan enkele voorwaarden is voldaan, een platformwerker geacht wordt werkzaam te zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. Richtlijn transparante arbeidsvoorwaarden 5.3 De Richtlijn transparante arbeidsvoorwaarden beoogt onder meer om door middel van het vastleggen van minimumrechten de zekerheid en voorspelbaarheid van arbeidsrelaties te bevorderen. Dit tegen de achtergrond van de ingrijpende veranderingen die de arbeidsmarkten hebben ondergaan als gevolg van demografische ontwikkelingen en digitalisering. Die veranderingen hebben geleid tot het ontstaan van nieuwe vormen van werk, die soms aanzienlijk minder voorspelbaar zijn dan traditionele arbeidsrelaties en zo tot onzekerheid kunnen leiden over de toepasselijke rechten en sociale bescherming voor de betrokken werknemers. 5.4 De richtlijn dateert van 20 juni 2019 en op 1 augustus 2022 verstrijkt de termijn voor implementatie in nationale wetgeving. Het Nederlandse wetsvoorstel is ingediend op 11 november 2021 en ligt momenteel bij de Eerste Kamer. 5.5 De richtlijn schrijft onder meer voor dat een werkgever zijn werknemers van bepaalde informatie dient te voorzien (zie met name art. 4). Verder bevat de richtlijn een aantal minimumvereisten inzake de arbeidsvoorwaarden (hoofdstuk III), zoals een maximale duur van de proeftijd (art. 8), een strikte clausulering van nevenwerkzaamhedenverboden (art. 9), bescherming tegen variabele roosters (art. 10) en scholingsrechten (art. 13). Ook is bepaald dat een werknemer moet kunnen vragen om meer voorspelbare en zekere arbeidsvoorwaarden (art. 14). 5.6 De richtlijnbepaling over nevenwerkzaamheden, art. 9 met als opschrift ‘Meerdere banen’, houdt in dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat werkgevers hun werknemers niet verbieden om buiten het werkrooster om voor andere werkgevers te gaan werken. Wel biedt de richtlijn ruimte aan de lidstaat om vanwege objectieve redenen in uitzonderingen op dit verbod te voorzien, zoals gezondheid en veiligheid of zoals de integriteit van overheidsdiensten. 5.7 Op dit moment kent het Nederlandse recht nog geen regeling over nevenwerkzaamheden, behalve de verplichting van de werknemer om nevenwerkzaamheden te melden in het kader van de Arbeidstijdenwet. Het voorgestelde art. 7:653a BW brengt daar verandering in en luidt als volgt: “Artikel 653a
- Een beding waarbij de werkgever verbiedt of beperkt dat de werknemer voor anderen arbeid verricht buiten de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht bij die werkgever, is nietig, tenzij dit beding kan worden gerechtvaardigd op grond van een objectieve reden.
- De werkgever mag de werknemer niet benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte de in dit artikel aan hem toegekende rechten geldend maakt, ter zake bijstand heeft verleend of een klacht hierover heeft ingediend.” 5.8 Deze bepaling verlaagt de drempel voor werknemers om naast het huidige werk ook andere werkzaamheden te verrichten, in loondienst of als zelfstandige, aldus de memorie van toelichting. Hiermee gaat de voorgestelde implementatie verder dan noodzakelijk; de richtlijn regelt namelijk niets over werken als ‘echte zelfstandige’ naast een arbeidsovereenkomst. 5.9 Hoewel in de Tweede Kamer vragen zijn gerezen over deze implementatiebepaling, is het op dit punt ongewijzigde wetsvoorstel aangenomen en bij de Eerste Kamer ingediend. 5.10 In het initiatiefvoorstel voor de richtlijn transparante arbeidsvoorwaarden waren definities van werknemer en werkgever opgenomen. Voorgesteld werd om in art. 2 lid 1 op te nemen: “Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: a) “werknemer”: een natuurlijke persoon die gedurende een bepaalde periode tegen belo- ning prestaties verricht voor en onder gezag van een ander; b) “werkgever”: een of meer natuurlijke of rechtspersoon/personen die direct of onrecht- streeks partij is/zijn bij een arbeidsrelatie met een werknemer.” In de toelichting was opgenomen dat de definitie aan de rechtspraak van het HvJ EU is ontleend. 5.11 Deze definities ontbreken in de uiteindelijke richtlijn, aangezien een aantal landen moeite had met het idee van een Unierechtelijke definitie voor ‘werknemer’. 5.12 In art. 1 lid 2 valt nu te lezen dat de minimumrechten uit de richtlijn van toepassing zijn op ‘elke werknemer in de Unie met een arbeidsovereenkomst of arbeidsrelatie zoals omschreven in het recht, de praktijk of de collectieve overeenkomsten die van kracht zijn in elke lidstaat, met inachtneming van de rechtspraak van het Hof van Justitie.’ In punt 8 van de considerans (zie hierna onder 5.14) wordt onder meer verwezen naar Lawrie Blum, FNV Kiem en Ruhrlandklinik. 5.13 Een aantal lidstaten heeft in het onderhandelingstraject verklaringen afgelegd dat uit de verwijzing naar de rechtspraak van het HvJ EU niet mag worden afgeleid dat de begrippen uniform moeten worden uitgelegd. 5.14 In de considerans van de richtlijn wordt expliciet genoemd dat onder meer platformwerkers binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn zouden kunnen vallen. Dit in tegenstelling tot ‘echte zelfstandigen’, aangezien die niet voldoen aan de door het HvJ EU vastgestelde criteria om de rechtspositie van een werknemer te bepalen (mijn onderstreping): “
(8)In zijn jurisprudentie heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) criteria vastgesteld om de rechtspositie van een werknemer te bepalen Bij de uitvoering van deze richtlijn moet rekening worden gehouden met de interpretatie door het Hof van Justitie van deze criteria. Op voorwaarde dat zij voldoen aan die criteria, zouden huishoudelijk personeel, oproepwerkers, gelegenheidswerkers, werknemers die werken op basis van een vouchersysteem, platformwerkers, stagiairs en jongeren met een leercontract binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn kunnen vallen. Echte zelfstandigen mogen niet binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, aangezien zij niet aan deze criteria voldoen. Misbruik, op nationaal niveau of in grensoverschrijdende situaties, van de rechtspositie van zelfstandige als omschreven in het nationaal recht, is een vorm van valselijk gemeld werk die vaak verband houdt met zwartwerk. Er is sprake van schijnzelfstandigheid wanneer iemand die voldoet aan de voorwaarden die kenmerkend zijn voor een arbeidsrelatie wordt aangemeld als zelfstandige, met als doel te ontkomen aan bepaalde juridische of fiscale verplichtingen. Dergelijke personen moeten binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen. Of er sprake is van een arbeidsrelatie moet worden bepaald aan de hand van de feiten die verband houden met de daadwerkelijke uitvoering van het werk en niet aan de hand van de beschrijving van de arbeidsrelatie door de betrokken partijen.” 5.15 Dit komt er dus op neer dat een platformwerker binnen het toepassingsbereik van de richtlijn valt als voldaan is aan de criteria uit de rechtspraak van het HvJ EU om te bepalen of sprake is van een werknemer (in Europeesrechtelijke zin). Richtlijnvoorstel platformwerk 5.16 De Europese Commissie heeft op 9 december 2021 een voorstel gedaan voor een richtlijn ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk (hierna kortweg: Richtlijn platformwerk). De algemene doelstelling van deze ontwerprichtlijn is de verbetering van de arbeidsomstandigheden en de sociale rechten van mensen die via platforms werken, onder andere om de voorwaarden voor de duurzame groei van digitale arbeidsplatforms in de Europese Unie te ondersteunen. 5.17 Meer specifiek beoogt het richtlijnvoorstel
(1)dat platformwerkers de arbeidsstatus hebben (of kunnen verkrijgen) die overeenkomt met hun daadwerkelijke verhouding tot het platform, en dat deze werkers toegang krijgen tot de toepasselijke arbeidsrechten en sociale bescherming. Verdere specifieke doelstellingen zijn
(2)het bereiken van billijkheid, transparantie en verantwoordingsplicht bij algoritmisch beheer in de context van platformwerk en
(3)het verbeteren van de transparantie, traceerbaarheid en het bewustzijn op het gebied van platformwerk en handhaving van regels, voor alle mensen die via een platform werken. 5.18 Met het oog op de doelstelling vermeld onder
(1), bevat de ontwerprichtlijn onder meer een weerlegbaar (art. 5) rechtsvermoeden van werknemerschap (art. 4), dat in het nationale recht moet worden geïmplementeerd. Andere aspecten van het voorstel blijven hier onbesproken, zoals de regels over de toepassing van algoritmen, de verplichting voor platforms om de werkzaamheden bij autoriteiten aan te melden en een benadelingsverbod. 5.19 Het richtlijnvoorstel sluit dus niet uit dat men als zelfstandige voor een platform kan werken. In overweging 23 is vermeld dat het doel van de richtlijn geen belemmering mag vormen ‘voor de verbetering van de arbeidsvoorwaarden van echte zelfstandigen die platformwerk verrichten’. Die overweging vervolgt: ‘Wanneer een digitaal arbeidsplatform – louter op vrijwillige basis of met instemming van de betrokkenen – besluit om sociale bescherming, ongevallenverzekering of andere vormen van verzekering, opleidingsmaatregelen of soortgelijke uitkeringen te betalen aan zelfstandigen die via dat platform werken, mogen die uitkeringen als zodanig niet worden beschouwd als bepalende elementen die wijzen op het bestaan van een arbeidsverhouding.’ 5.20 Het richtlijnvoorstel definieert ‘digitaal arbeidsplatform’ als volgt (art. 1 lid 1): “een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een commerciële dienst verleent die aan alle volgende vereisten voldoet:
- a)de dienst wordt, ten minste gedeeltelijk, op afstand geleverd via elektronische middelen, zoals een website of een mobiele applicatie;
- b)hij wordt verstrekt op verzoek van een afnemer van de dienst, en
- c)hij omvat, als noodzakelijk en essentieel onderdeel, de organisatie van het werk dat door personen wordt verricht, ongeacht of dat werk online of op een bepaalde locatie wordt verricht” Dit is een ruime definitie, die veel meer ondernemingen omvat dan naar huidig spraakgebruik zou kunnen worden verwacht. 5.21 Art. 4 lid 1 van het richtlijnvoorstel bevat het rechtsvermoeden van een arbeidsverhouding: “Er is een wettelijk vermoeden dat de contractuele verhouding tussen een digitaal arbeidsplatform dat zeggenschap heeft over de uitvoering van werk in de zin van lid 2 en een persoon die platformwerk verricht via dat platform, een arbeidsverhouding is. (…)” 5.22 In lid 2 is vervolgens opgenomen wanneer sprake is van dergelijke ‘zeggenschap over de uitvoering van werk’, namelijk als aan ten minste twee van de vijf criteria is voldaan: “a. het niveau van de vergoeding wordt daadwerkelijk bepaald of er worden bovengrenzen vastgesteld; b. de persoon die platformwerk verricht, wordt verplicht specifieke bindende regels in acht te nemen met betrekking tot het uiterlijk, het gedrag ten aanzien van de afnemer van de dienst of de uitvoering van het werk; c. er wordt toezicht gehouden op de uitvoering van het werk of de kwaliteit van de resultaten van het werk wordt geverifieerd, ook met behulp van elektronische middelen; d. de vrijheid om het werk te organiseren wordt daadwerkelijk beperkt – onder meer door sancties –, met name de vrijheid om zelf de arbeidstijd of perioden van afwezigheid te kiezen, om taken te aanvaarden of te weigeren of om gebruik te maken van onderaan- nemers of vervangers in te schakelen; e. de mogelijkheid om een klantenbestand op te bouwen of werk voor derden uit te voeren, wordt daadwerkelijk beperkt.” 5.23 Voor ‘zeggenschap over de uitvoering van werk’ is het dus niet nodig dat aan al deze vijf criteria is voldaan; twee van de vijf criteria is voldoende. Een platform dat buiten het rechtsvermoeden wenst te blijven, is daarmee aanzienlijk beperkt in het aantal ‘werknemersachtige’ kenmerken. 5.24 Uit het richtlijnvoorstel volgt dat het begrip ‘zeggenschap over het werk’ heel ruim wordt geïnterpreteerd. ‘Zeggenschap over werk’ is veel méér dan instructiebevoegdheid; daarbij kan ook meespelen (in mijn woorden) of de werker ‘ondernemer-achtige’ trekken heeft, namelijk zelf zijn beloning kan bepalen (sub a); zelf een klantenbestand kan opbouwen (sub e); gebruik kan maken van onderaannemers of vervangers (sub d). Daarnaast kan van belang zijn of het werk in de organisatie van de werkverschaffer plaatsvindt (sub
- b)en of de werkverschaffer op enigerlei wijze toezicht uitoefent op de uitvoering of de resultaten van het werk (sub c). 5.25 Het rechtsvermoeden heeft betrekking op de contractuele verhouding tussen het platform en de werkende; het richtlijnvoorstel regelt niets over driehoeksrelaties (vgl. hiervoor onder 4.8). 5.26 Het rechtsvermoeden kan niet alleen worden ingeroepen in procedures tussen werker en platform. Ook publiekrechtelijke instanties kunnen zich op het rechtsvermoeden baseren (art. 4 lid 1, zie ook overweging 24). In de Nederlandse context valt hierbij te denken aan de Belastingdienst, het UWV en de Arbeidsinspectie. Daarmee kan de ontwerprichtlijn worden gezien als een instrument dat handhaving verbetert. 6Nederlandse ontwikkelingen 6.1 Zoals bekend is er In Nederland een groot aantal mensen werkzaam als zelfstandige, waarvan het maar de vraag is of zij werkelijk als zelfstandige kunnen worden aangemerkt. Door het werken als zelfstandige mist een grote groep werkers de bescherming van het arbeidsrecht. Bovendien, zo constateerde de Commissie Borstlap, werkt het onoverzichtelijke speelveld (oneigenlijke) concurrentie op arbeidsvoorwaarden in de hand. De commissie beschouwt het als de kern van haar advies dat we in Nederland de bakens moeten verzetten. Zij constateert dat met de huidige regels rondom werk, duurzame arbeidsrelaties worden ontmoedigd en externe flexibiliteit wordt gestimuleerd. Hierdoor komt het verdienvermogen van groepen werkers in het geding. Dit leidt tot een nieuwe ‘sociale kwestie’ (verschillen in bescherming en toerusting tussen categorieën werkenden nemen toe en deze versterken sociale scheidslijnen). Het maatschappelijk draagvlak voor de financiering van publieke uitgaven kalft af. 6.2 Het is een economische realiteit dat het in veel gevallen aantrekkelijker is om werkenden als zelfstandige in te huren dan met hen een arbeidsovereenkomst te sluiten. Ook voor werkenden kan het (op de korte termijn) financieel aantrekkelijk zijn om werkzaamheden als zelfstandige te verrichten en niet in loondienst. Deze economische realiteit is het gevolg van de jarenlange fiscale bevoordeling van het werken als zelfstandige ten opzichte van het werken in loondienst. De sterke toename van het aantal zelfstandigen kan dan ook worden gezien als een ‘beleidsmatig succes’. 6.3 Tot 1 mei 2016 werd met een Verklaring arbeidsrelatie (VAR) door de Belastingdienst vooraf beoordeeld of een zzp’er, freelancer of andere werker in fiscale zin als zelfstandige werd aangemerkt. Een VAR vrijwaarde de opdrachtgever voor het afdragen van loonbelasting en sociale premies. Als onderdeel van de per 1 mei 2016 in werking getreden Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) is de VAR afgeschaft. Vanwege uitvoeringsproblemen is de Wet DBA sinds haar inwerkingtreding niet gehandhaafd, behoudens ten opzichte van ‘kwaadwillenden’. 6.4 In de conclusie voor het Participatieplaats-arrest is uitgebreid besproken dat het kabinet, in het kader van de afbakening tussen werknemers en zelfstandigen, een webmodule wilde ontwikkelen zodat vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid kan worden verkregen over het zijn van ondernemer. Na diverse testfases is op 11 januari 2021 een pilot van zes maanden gestart, met als doel om zicht te krijgen op de werking van deze Webmodule Beoordeling Arbeidsrelatie en wat deze voor opdrachtgevers in de dagelijkse praktijk kan betekenen. De webmodule fungeerde tijdens de pilotfase – en nog steeds – als voorlichtingsinstrument, waarbij de uitkomsten geen juridische status hebben. 6.5 De resultaten van de pilot zijn in september 2021 met de Kamer gedeeld. Het voornaamste resultaat van de pilot is, zo blijkt uit de kamerbrief, dat de ‘informatie meer zicht verschaft op de beoordeling van arbeidsrelaties in de praktijk ten opzichte van het huidig wettelijk kader. Deze informatie helpt ook om meer zicht te krijgen op de wijze waarop de huidige kwalificatiecriteria uitwerken in en voor de praktijk.’ Het kabinet zet in op de verdere ontwikkeling van de webmodule; ‘dat kan bijdragen aan het vooraf verkrijgen van zekerheid voor zzp-ers over de aard van de arbeidsrelatie’. 6.6 De webmodule blijkt echter in veel gevallen geen indicatie te kunnen geven over de aard van de arbeidsrelatie. Aan 43% van de ondervraagde gebruikers heeft de webmodule niet meer duidelijkheid gegeven over de criteria die een rol spelen bij de beoordeling van de arbeidsrelatie. Al eerder was er twijfel geuit of de webmodule zal kunnen fungeren als instrument om vooraf zekerheid te geven aan werkenden en werkverschaffers. 6.7 In de kamerbrief van september 2021 is verder vermeld dat met zes sectoren, zorg, onderwijs, culturele en creatieve sector, bouw, technische installatie en de intermediaire sector (zzp-bemiddeling en tussenkomst), gesprekken zijn gevoerd over de wijze waarop wordt gewerkt (‘een breed maatschappelijk gesprek’). In alle gesprekken is benoemd dat onder de huidige wet- en regelgeving een deel van diegenen die als zelfstandige werken of waarmee wordt gewerkt volgens de juridische definitie, eigenlijk als werknemer kwalificeert. Ook is te lezen dat breed wordt onderschreven dat de behandeling van werkenden, ongeacht de contractvorm, gelijker zou moeten worden. Daarbij worden in vrijwel alle sectoren, met name door opdrachtgevers, de fiscale voordelen voor zelfstandigen genoemd als een overweging om als zzp’er te werken in plaats van in loondienst. Ook schrijft de minister het volgende: “Een tweede signaal dat in vrijwel alle sectorgesprekken terugkwam, is de behoefte aan duidelijkheid en zekerheid vooraf. De behoefte aan duidelijkheid ziet vooral op het gezagscriterium waarvan veel partijen aangeven deze als onduidelijk te ervaren. Tegelijkertijd blijft bij doorvragen abstract waar de onduidelijkheid precies zit. Veel gesprekspartners lijken relatief goed op de hoogte van de relevante criteria voor de beoordeling van arbeidsrelaties, wellicht ook mede door presentaties hierover. In de praktijk lijkt dan ook met name de (holistische) weging van de verschillende indicaties/contra-indicaties voor een arbeidsrelatie lastig. Een aantal gesprekspartners gaf daarbij aan dat verduidelijking van de wet op dit punt meerwaarde zou kunnen hebben: wat zijn doorslaggevende elementen bij de beoordeling van gezag?” Uit de sectorgesprekken komt dus naar voren dat er behoefte is aan duidelijkheid over het gezagscriterium. 6.8 Er is nu al ruim zeven jaar sprake van een fiscaal ‘handhavingsmoratorium’. Dit handhavingsmoratorium is vorig jaar voor onbepaalde tijd verlengd. Het ontbreken van overheidshandhaving draagt eraan bij dat de dwingendrechtelijke bescherming van het arbeidsrecht nog meer onder druk staat. Het fiscale gedoogbeleid biedt bedrijven de mogelijkheid om tamelijk risicoloos de grenzen kunnen verkennen. 6.9 Recentelijk heeft de Algemene Rekenkamer zich in het rapport ‘Focus op Handhaving’ zeer kritisch uitgelaten over het handhavingsmoratorium. Te lezen is onder meer dat de tot nu gehanteerde strategie, dat burgers en bedrijven zoveel mogelijk uit zichzelf regels naleven, met ondersteunende voorlichting door de Belastingdienst, niet werkt. De korte samenvatting is dan ook: “Uit de onderzochte cijfers, bestudeerde documenten en gehouden interviews over de handhaving bij arbeidsrelaties in de preventieve en de repressieve sfeer blijkt niet dat de Belastingdienst 6 jaar na invoering van de Wet DBA (beter) in staat is om schijnzelfstandigheid aan te pakken.” 6.10 De Rekenkamer concludeert ook dat het niet eenvoudig is om de problematiek van schijnzelfstandigheid op te lossen. Het simpelweg beëindigen van het handhavingsmoratorium zal niet werken, als niet eerst een aantal knelpunten worden aangepakt. Met stip op één staat dan dat de beoordeling of sprake is van zelfstandigheid of werknemerschap voor alle betrokkenen lastig blijkt. Maar alleen met duidelijke wetgeving kunnen burgers en bedrijven uit zichzelf regels naleven. Het tweede knelpunt is dat de bestaande fiscale en andere verschillen tussen werknemers en zelfstandigen het aantrekkelijk maken voor organisaties om te werken met zelfstandigen in plaats van werknemers in dienst te nemen (en, zo voeg ik toe, voor werkenden om als zelfstandige aan de slag te gaan). Het derde knelpunt is dat de Belastingdienst onvoldoende handhavingscapaciteit heeft. Het vierde knelpunt is dat het onderscheiden tussen loondienst en ondernemerschap arbeidsintensief is voor de Belastingdienst. 6.11 Zowel het handhavingsmoratorium van de Belastingdienst als het uitblijven van wet- en regelgeving om de arbeidsmarkt te hervormen en het arbeidsrecht te moderniseren (ter uitwerking van de voorstellen van de commissie Borstlap) roept ook in het publieke domein onverminderd kritische reacties op. Zo schrijft Marike Stellinga in het NRC van 28 mei 2022: “Bij de overheid is het nu al twee jaar oorverdovend stil. Begin 2020 kwam de commissie-Borstlap met zijn indringende advies. Als de overheid niet ingreep, dreigde een tweedeling tussen kansarm en kansrijk. Oplossing: flexwerk inperken en het vaste contract wat losser maken. Het nieuwe kabinet schreef vroom op Borstlap te zien als ‘leidraad’, maar een plan is er nog altijd niet. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt heerst intussen een beschamende wetteloosheid omdat de wet tegen schijnzelfstandigheid nu al zes jaar niet wordt gehandhaafd. Het kabinet moet, kortom, aan de bak.” 6.12 Het lijkt mij een illusie dat de Belastingdienst in staat is de Wet DBA effectief te handhaven, ook als het gezagscriterium is verduidelijkt, als niet eerst de financiële (fiscale) prikkels om met zelfstandigen te werken (en: als zelfstandige te werken) worden weggenomen. In feite staat dat ook in het rapport van de Rekenkamer: “We zien dat de bestaande fiscale en andere verschillen tussen werknemers en zelfstandigen het aantrekkelijk maken voor organisaties om te werken met zelfstandigen in plaats van werknemers in dienst te nemen. Dit leidt ertoe dat het verzet tegen handhavingsactiviteiten van de Belastingdienst toeneemt. Ook groeit hierdoor het aantal (schijn)zelfstandigen.” Kabinetsplannen; platformwerk 6.13 In oktober 2020 verscheen de SER-Verkenning ‘Hoe werkt de platformeconomie?’. Daarin is de aard en positie van platformbedrijven, de positie van platformwerkers en de handhaving van schijnzelfstandigheid onderzocht. Uit de verkenning blijkt dat de meeste werkplatforms in Nederland hun bedrijfsmodel hebben ingericht op het werken met zzp’ers. De SER constateert dat de rol die een platform vervolgens in de praktijk vervult bij de toedeling en uitvoering van de werkzaamheden, regelmatig de vraag oproept of materieel niet eerder sprake is van een arbeidsovereenkomst. De SER concludeert in deze platformwerkverkenning dat zolang er geen duidelijkheid is over de kwalificatie van de arbeidsrelatie van platformwerkers, de handhaving tekortschiet en consequenties van die kwalificaties zo groot blijven, er een oneigenlijke prikkel is om platformwerkers als zzp’er in zetten. Volgens de SER is er op korte termijn behoefte aan een politiek en beleidsmatig antwoord op deze discussie. 6.14 Op 11 november 2020 gaf het kabinet zijn visie op de rapporten van Commissie-Borstlap en de WRR. Zoals bekend, is in beide rapporten gepleit voor een fundamentele herziening van de regulering van de arbeidsmarkt. Het kabinet deelt op hoofdlijnen de analyse van beide rapporten. 6.15 Met betrekking tot platformwerk is in de kamerbrief het volgende te lezen (mijn onderstreping): “Zoals hierboven aangegeven, oefenen veel platforms een bepaalde vorm van gezag uit die niet tot uitdrukking komt in «harde» instructies of voorwaarden, maar via onder andere prikkels en nudges. De platformwerkers zijn meestal ook duidelijk ingebed in de organisatie – sterker nog, zij vormen vaak de kern van de aangeboden dienst. Daarmee vertonen dergelijke platformwerkers in de praktijk grote gelijkenissen met werknemers, terwijl de werkende in de praktijk bijbehorende bescherming moet missen. Het ligt dan ook voor de hand om platformwerkers in dergelijke gevallen expliciet onder de werking van de arbeidsovereenkomst te brengen. De arbeidsovereenkomst biedt immers de arbeidsrechtelijke, arbeidsvoorwaardelijke en socialezekerheidsrechtelijke inbedding en bescherming die deze platformwerkers verdienen, inclusief de daarbij behorende fiscale behandeling van hun arbeid. Daarbij lijkt het simpelweg generiek bepalen dat platformwerk voortaan plaatsvindt op basis van een arbeidsovereenkomst geen begaanbare weg, om dezelfde redenen als waarom het kabinet eerder de Arbeidsovereenkomst bij Laag Tarief (ALT) niet heeft doorgezet. Het lijkt daarom het onderzoeken waard om de mogelijkheden te bezien om een rechtsvermoeden voor platformwerkers op te nemen in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Langs die weg kan bepaald worden dat een werkende die via een digitaal platform wordt gekoppeld aan opdrachten of opdrachtgevers en waarbij deze applicatie op enige wijze invloed uitoefent op de wijze waarop het werk wordt verkregen of uitgevoerd, vermoed wordt deze arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst uit te voeren. Een dergelijk rechtsvermoeden vergt uiteraard nadere uitwerking en nauwkeurige voorbereiding, maar zal er naar verwachting aan bijdragen dat platformwerkers gemakkelijker aanspraak kunnen maken op de bescherming die hun toekomt. Schijnzelfstandigheid in de platformsector kan met een rechtsvermoeden dan ook beter worden tegengegaan. Tegelijkertijd geldt: waar daadwerkelijk gewerkt wordt als zelfstandige, moet dat uiteraard ook binnen de platformeconomie mogelijk blijven. Als het platform of de werkende op basis van feiten en omstandigheden kan laten zien dat er daadwerkelijk sprake is van werken buiten dienstbetrekking, kan het rechtsvermoeden weerlegd worden en hoeft niet als werknemer gewerkt te worden. Bij de uitwerking wordt gekeken hoe het weerleggen van het rechtsvermoeden bij daadwerkelijk zelfstandig werken zo eenvoudig mogelijk gehouden kan worden, daarbij zoveel mogelijk aansluitend bij de wijze waarop p platforms werken en de voorwaarden die ze daarbij hanteren. De komende tijd zal het kabinet een start maken met de uitwerking of en hoe een dergelijk rechtsvermoeden geoperationaliseerd kan worden zodat het in de praktijk inderdaad ondersteuning kan bieden aan platformwerkers. Het kabinet zal daarbij bezien of een rechtsvermoeden ook mogelijkheden biedt om de rechtspositie van andere, specifieke groepen werkenden te versterken.(…)” 6.16 Uit de brief komt naar voren dat het kabinet van mening is dat (
- i)platforms vaak een bepaalde vorm van gezag uitoefenen en (
- ii)platformwerkers meestal duidelijk zijn ingebed in de organisatie, zodat (iii) het voor de hand ligt platformwerkers in deze gevallen onder de werking van de arbeidsovereenkomst te brengen. Om schijnzelfstandigheid tegen te gaan – (
- iv)zal worden onderzocht of met een rechtsvermoeden kan worden gewerkt. Als het platform of de werkende kan aantonen dat er daadwerkelijk sprake is van werken buiten dienstverband, kan het rechtsvermoeden worden weerlegd. 6.17 Het kabinet heeft hierna nog verschillende keren gerefereerd aan het voornemen om een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst voor platformwerkers uit te werken. Op dit moment is daarvoor echter nog geen wetsvoorstel ingediend. Redenen daarvoor zullen zijn dat er een lange kabinetsformatie is geweest, en dat in december 2021 de Europese Commissie met een voorstel is gekomen voor een richtlijn ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk. Ook in dit richtlijnvoorstel is een rechtsvermoeden voor een arbeidsovereenkomst opgenomen bij platformwerk (zie onder 5.18-5.26). Te verwachten is dat het aangekondigde voorstel voor een rechtsvermoeden nu zal worden vormgegeven ter implementatie van het richtlijnvoorstel. 6.18 De Nederlandse interdepartementale werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC) staat positief tegenover het in het richtlijnvoorstel opgenomen rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst voor platformwerkers, zo blijkt onder meer uit de volgende passage: “In diverse EU-lidstaten heeft de rechter geoordeeld dat platformwerkers – in de voorliggende gevallen – moeten worden beschouwd als werknemers. Deze tendens in de rechtspraak is (tot aan de hoogste rechter toe) in meerdere lidstaten, waaronder in Nederland, zichtbaar, maar nog niet in alle lidstaten. Dit veroorzaakt onduidelijkheid voor alle partijen. Onduidelijkheid die in de praktijk ten koste kan gaan van de bescherming en rechtszekerheid van werkenden. Het hoge aantal rechtszaken wijst op de noodzaak van meer duidelijkheid en om te komen tot een gelijk speelveld tussen de lidstaten en tussen arbeidsplatforms en andere bedrijven, en het voorkomen van een neerwaartse spiraal van arbeidsvoorwaarden. De wens om schijnzelfstandigheid tegen te gaan, in het bijzonder daar waar platforms gebruikmaken van aansturing via algoritmen (als nieuwe manier van uitoefening van »gezag»), is herkenbaar en sluit aan bij de nationale gedachtevorming (zie boven). Het richtlijnvoorstel biedt op het eerste gezicht dan ook een kans om de wensen op dat vlak te realiseren, ook met oog op een gelijker speelveld tussen lidstaten.” 6.19 De Tweede Kamer heeft bij het richtlijnvoorstel een parlementair behandelvoorbehoud geplaatst, vanwege het politieke belang van het voorstel. De Tweede Kamer wenst daarom informatieafspraken te maken met de minister, onder meer dat zij wordt geïnformeerd over iedere substantiële wijziging die moet worden aangebracht in het Nederlandse arbeidsrecht om aan de richtlijn te voldoen en over wijzigingen in de criteria voor het rechtsvermoeden van werknemerschap. 6.20 In juni 2021 heeft de SER het zogenoemde middellange termijn-advies (MLT-advies) uitgebracht. Het SER-advies – dat in feite een sociaal akkoord is – bevat een veelheid aan voorstellen, maar er worden weinig principiële keuzes gemaakt (waartoe het rapport van de Commissie Borstlap wel noopte). Met betrekking tot de zzp-problematiek is in het MLT-advies het volgende te lezen: “ De basis van de arbeidsmarkt. De meest acute problemen met schijnzelfstandigheid doen zich voor aan de basis van de arbeidsmarkt waar veelal de onderhandelingspositie van werkenden onvoldoende is om een adequaat tarief te bedingen. Daarom dient altijd een rechtsvermoeden van werknemerschap te gelden bij een tarief onder het maximumdagloon (30,- á 35,- euro per uur). Indien de werkende meent dat hij/zij werknemer is, is het aan de opdrachtgever voor de rechter te bewijzen dat dit niet het geval is. Webmodule en civielrechtelijke handhaving . Bij tarieven boven het maximumdagloon verandert er in principe niets. Disputen over de aard van de arbeidsrelatie worden tussen contractpartijen civielrechtelijk beslecht. De verdere ontwikkeling van een webmodule kan bijdragen aan het verkrijgen van duidelijkheid vooraf over de aard van de arbeidsrelatie. Publiekrechtelijke handhaving . Met de introductie van het rechtsvermoeden van werknemerschap en de daarbij geïntroduceerde norm wordt duidelijkheid gecreëerd. Daarmee kan het moratorium op publiekrechtelijke handhaving door de Belastingdienst worden opgeheven. Publiekrechtelijke handhaving dient zich te richten op gevallen aan de basis van de arbeidsmarkt (conform de geïntroduceerde norm voor het rechtsvermoeden) en bij vermoedens van kwaadwillendheid. Daarbij krijgen de professionele handhavers de ruimte om te handelen op basis van vertrouwen.” 6.21 De SER stelt dus een rechtsvermoeden voor voor alle zelfstandigen die werken met een uurtarief tot € 30,- á 35,- per uur. Dit moet de werkers aan de onderkant van de arbeidsmarkt beschermen. 6.22 Zo’n rechtsvermoeden kan publiekrechtelijke handhaving vereenvoudigen. Dat is van cruciaal belang, omdat zonder een effectief handhavingsmechanisme elke (jurisprudentiële) verduidelijking van het gezagscriterium niet tot enige wezenlijke verandering zal leiden. Maar dan nog geldt dat zolang werkverschaffers (en soms ook werkers) er groot financieel voordeel bij hebben dat níet op basis van een arbeidsovereenkomst wordt gewerkt, de aantrekkingskracht van het inschakelen van zzp’ers niet zal verdwijnen (zie ook onder 6.2). 6.23 Ook de Commissie Borstlap had al voorgesteld om te werken met een rechtsvermoeden. Dit rechtsvermoeden zou moeten gelden voor álle werkenden, dus niet alleen voor platformwerkers. De problematiek dat het arbeidsrecht niet meer goed past op nieuwe werkrelaties geldt immers niet alleen voor platformwerkers, maar voor alle zzp’ers. In de literatuur zijn voorstellen gedaan voor zo’n rechtsvermoeden. 6.24 In het regeerakkoord van 15 december 2021 ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ is het rapport van de Commissie-Borstlap en het MLT-advies van de SER als leidraad beschouwd voor de inrichting van de arbeidsmarkt van de toekomst. In het regeerakkoord valt verder te lezen: “Arbeidsmarkt en inkomen (...) Het eindrapport van de commissie Regulering van Werk (commissie-Borstlap) en het hoofdstuk “Arbeidsmarkt, inkomensverdeling en gelijke kansen” uit het SER MLT-advies vormen de leidraad voor hoe de inrichting van de arbeidsmarkt van de toekomst er uit komt te zien. (...) Helderheid voor zelfstandigen. Echte zelfstandigen worden ondersteund en ondernemerschap wordt gestimuleerd. De verdere ontwikkeling van een webmodule kan bijdragen aan het vooraf verkrijgen van zekerheid voor zzp-ers over de aard van de arbeidsrelatie. Schijnzelfstandigheid wordt tegengegaan door betere publiekrechtelijke handhaving in het geval van het vermoeden van werknemerschap. (…)” 6.25 De Minister van SZW is van plan om voor het zomerreces van 2022 aan de Tweede Kamer ‘een eerste hoofdlijnenbrief of eventueel verschillende brieven op deelclusters te sturen’ over de aanpak arbeidsmarkt van de toekomst. 6.26 Het lijkt mij onontkoombaar dat in bredere zin gewerkt gaat worden met rechtsvermoedens. Een geval-tot-geval-benadering, waarbij aan de hand van een ‘holistische benadering’ (wat dat ook moge zijn) moet worden beoordeeld of een werker werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst of als ‘echte zelfstandige’, is niet werkbaar. We kunnen niet verwachten dat voor elk van de 1,1 miljoen werkers die in 2021 werkzaam waren als zzp’ers, op individuele basis wordt vastgesteld of zij al dan niet werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. Daarbij komt: de werkenden die het meeste belang hebben bij een bevestigende beantwoording van deze vraag (dus: de grootste behoefte aan de beschermende werking van het arbeidsrecht), zullen in het algemeen degenen zijn die het minst in staat zijn om naar de rechter te stappen. Ook werkgevers hebben behoefte aan duidelijkheid over de arbeidsrelatie die zij aangaan met een werkende. Het is niet aanvaardbaar dat zo’n fundamentele en veelvoorkomende kwestie als de vraag of gewerkt wordt op basis van een arbeidsovereenkomst, niet op eenvoudige wijze kan worden beantwoord. De conclusie kan eigenlijk alleen maar zijn dat het recht hier tekort schiet. 6.27 Ook het Europese recht vereist dat werkers recht hebben op duidelijkheid over de vraag of zij al dan niet werken op basis van een arbeidsovereenkomst. Dit gaat althans gelden voor platformwerkers, indien het richtlijnvoorstel Platformwerk wordt aangenomen. Daarin is in art. 3 het volgende opgenomen: “Artikel 3 Correcte bepaling van de arbeidsstatus 1. De lidstaten beschikken over passende procedures om de correcte bepaling van de arbeidsstatus van personen die platformwerk verrichten, te controleren en te waarborgen, om na te gaan of er sprake is van een arbeidsverhouding in de zin van de in de lidstaten geldende wetgeving, collectieve overeenkomsten of praktijken, rekening houdend met de jurisprudentie van het Hof van Justitie, en om ervoor te zorgen dat deze personen de rechten genieten die voortvloeien uit het op werknemers toepasselijke recht van de Unie. (…)” 6.28 In de toelichting is vermeld dat ‘passende procedures’ ervoor zullen zorgen dat schijnzelfstandigen toegang kunnen krijgen tot de arbeidsvoorwaarden die zijn vastgelegd in het Unierecht of het nationale recht op basis van de correcte arbeidsstatus. 6.29 Dit is een goed uitgangspunt om ook buiten platformwerk te hanteren: er moeten passende procedures zijn om de correcte arbeidsstatus van werkers te bepalen. Op dit moment zijn die er niet. Dat gaat ten koste van de bescherming van werkers, maar ook ten koste van het algemeen belang. Het Nederlandse systeem van sociale zekerheid werkt alleen als alle werkenden die niet ‘echte zelfstandige’ zijn, ook bijdragen in de kosten. Vanwege de ordenende functie van het arbeidsrecht is schijnzelfstandigheid niet alleen op individueel niveau problematisch, maar ook op macroniveau. 7De kwalificatievraag na het Participatieplaats-arrest 7.1 In het Participatieplaats-arrest heeft de Hoge Raad het volgende overwogen over de kwalificatie als arbeidsovereenkomst: “3.2.2 Art. 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Indien de inhoud van een overeenkomst voldoet aan deze omschrijving, moet de overeenkomst worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Anders dan uit het arrest Groen/Schoevers wel is afgeleid, speelt de bedoeling van partijen dus geen rol bij de bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. 3.2.3 De hiervoor in 3.2.2 bedoelde kwalificatie van een overeenkomst moet worden onderscheiden van de – daaraan voorafgaande – vraag welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Nadat de rechter met behulp van die maatstaf de overeengekomen rechten en verplichtingen heeft vastgesteld (uitleg), kan hij beoordelen of die overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst (kwalificatie).” 7.2 Niet relevant is dus of partijen de bedoeling hadden om hun overeenkomst onder het bereik van art. 7:610 BW te laten vallen. Het gaat om de rechten en verplichtingen die partijen overeengekomen zijn. Het Participatieplaats-arrest zet, in de woorden van Verburg, ‘de schijnwerpers op de economische (materiële) werkelijkheid van hetgeen is afgesproken. Deze werkelijkheid beslist de kwalificatievraag.’ 7.3 Het Participatieplaats-arrest gaat uit van een toetsing in twee fasen. In de eerste fase (de uitlegfase) stelt de rechter aan de hand van het Haviltex-criterium vast welke rechten en verplichtingen partijen overeengekomen zijn. Volgens de Haviltex-maatstaf kan de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, niet worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. 7.4 In de tweede fase kwalificeert de rechter de overeenkomst: voldoet de inhoud van de overeenkomst aan art. 7:610 BW? Daarbij gaat het erom of sprake is van een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt (
- i)in dienst van de andere partij, de werkgever, (
- ii)tegen loon (iii) gedurende zekere tijd (
- iv)arbeid te verrichten. Het valt op dat, anders dan in Groen/Schoevers, de Hoge Raad een gezagsverhouding niet als element benoemt. In plaats daarvan wordt de wettelijke omschrijving, ‘in dienst van de andere partij’, gebruikt. 7.5 Het is de vraag of het Participatieplaats-arrest de gewenste duidelijkheid heeft gebracht. Op basis van een onderzoek van een aantal uitspraken van feitenrechters van na het arrest, concludeert Said dat deze uitspraken een zeer wisselend beeld laten zien. Rechters worstelen volgens haar met de toepassing van de tweefasentoets. Het onderscheid tussen de uitleg- en kwalificatiefase is in de meeste uitspraken niet zichtbaar en een uitdrukkelijke toepassing van de Haviltex-maatstaf blijft, op een enkele uitspraak na, veelal uit. 7.6 De belangrijkste boodschap van het Participatieplaats-arrest, dat niet van belang is of partijen daadwerkelijk de bedoeling hadden een arbeidsovereenkomst te sluiten, is in de literatuur positief ontvangen. Maar het arrest heeft ook kritiek en vragen opgeroepen. De kritiek richt zich op de volgende punten. 7.7 In de eerste plaats is de overweging van de Hoge Raad in rov. 3.2.2, ‘anders dan uit het arrest Groen/Schoevers wel is afgeleid’, niet goed te plaatsen. Ook de Hoge Raad zélf heeft in latere uitspraken namelijk de indruk heeft gewekt dat de op kwalificatie gerichte bedoeling van partijen wel degelijk een rol speelt bij de bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. In de woorden van Houweling & Loonstra: of de rechtspraktijk Groen/Schoevers niet juist heeft geïnterpreteerd – door geen scherp onderscheid te maken tussen uitlegfase en kwalificatiefase – ‘komt wellicht mede door wat ‘ruis’ op de lijn van de (af)zender’. 7.8 In de tweede plaats constateren verschillende auteurs dat van een strikte scheiding tussen de twee fasen geen sprake is en bovendien moeilijk werkbaar is. Eerder is sprake van een proces van ‘heen-en-weer gaan’ tussen uitleg en kwalificatie, waarbij de uitleg- en kwalificatievraag in onderling, dialectisch verband zullen moeten worden beantwoord. 7.9 In de derde plaats is onduidelijk hoe de Haviltex-maatstaf in de eerste fase moet worden toegepast. Met name is er discussie over de vraag hoe de aard van de overeenkomst en de ratio van art. 7:610 BW meeweegt bij de toepassing van de tweefasentoets. De Haviltex-maatstaf is ook veel meer toegesneden op een ‘statische uitleg’, dan op een ‘dynamische uitleg’, zoals aan de orde is bij een duurovereenkomst als de arbeidsovereenkomst. 7.10 In de vierde plaats rijst de vraag in hoeverre de partijbedoeling nog een rol speelt. Deze zal niet van belang zijn in de tweede fase, de kwalificatiefase, maar aangenomen wordt dat in het kader van de Haviltex-maatstaf de partijbedoeling waarschijnlijk toch nog een rol kan spelen. Als het gaat om ‘de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan contractsbepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten’, kan daarbij immers ook meespelen wat partijen voor ogen stond, de partijbedoeling dus. In dat geval zou met het Participatieplaats-arrest niet wezenlijk een nieuwe richting zijn ingeslagen. 7.11 Ten slotte heeft het Participatieplaats-arrest niet verhelderd bij welke inhoud van de overeenkomst sprake is van een kwalificatie als arbeidsovereenkomst. In de woorden van Boot: “Deze onduidelijkheid (‘wanneer leiden de overeengekomen en toegepaste rechten en plichten tot de conclusie dat er een arbeidsovereenkomst is?’) kan door de Hoge Raad worden opgelost, of door de wetgever. Het zou de rechtspraktijk ten goede komen indien de Hoge Raad komende tijd iets meer richting zou geven aan deze discussie dan de enkele suggestie dat de rechtspraktijk Groen/Schoevers verkeerd had begrepen.” Zie ook Frikkee: “Is het er eenvoudiger op geworden? Ja en nee. Duidelijk is dat we niet langer mogen afgaan op de kwalificatie die partijen zelf vooraf aan hun overeenkomst hebben gegeven. Wezen gaat nu echt voor schijn. Het beoordelen van de vraag of de arbeidsrelatie voldoet aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst in art. 7:610 BW blijft bij de huidige stand van zaken echter nog steeds ingewikkeld. Is er sprake van uitoefening van een gezagsverhouding in de zin van art. 7:610 BW, of vallen de aanwijzingen van de opdrachtgever/werkgever onder de instructiebevoegdheid van de opdrachtgever in de zin van art. 7:402 lid 1 BW? (…)” 7.12 Dit laatste punt heeft een aantal auteurs tot de slotsom gebracht dat (ook) na het arrest ons niets anders rest dan de ‘Duck-test’. 7.13 De kern van het probleem is mijns inziens dat het Participatieplaats-arrest geen handvatten geeft om te beoordelen of sprake is van een ‘echte’ arbeidsovereenkomst, of dat het gaat om een schijnconstructie om de kwalificatie als arbeidsovereenkomst te ontlopen. Als het schriftelijke contract zo is vormgegeven dat de ‘rechten en verplichtingen die partijen die partijen overeengekomen zijn’ bij elkaar opgeteld níet alle kenmerken van een arbeidsovereenkomst hebben (eerste fase), is het niet zo eenvoudig om te zien hoe dan kan worden ontkomen aan de conclusie dat géén sprake is van een arbeidsovereenkomst (tweede fase). In wezen is dit hetzelfde probleem dat kleeft aan de Yodel-uitspraak van het HvJ EU (zie onder 9.5 en 9.6): er wordt een lijstje met criteria gegeven om te bepalen of sprake is van een gezagsverhouding, maar daaraan wordt pas toegekomen als eerst is vastgesteld ‘dat geen sprake is van schijnzelfstandigheid’. Dat lijkt op een cirkelredenering. 7.14 Uitgaande van de overwegingen in het Participatieplaats-arrest, zullen we de Haviltex-maatstaf moeten gebruiken om zo nodig door ‘schijnconstructies’ heen te prikken. Hierbij zijn de volgende aandachtspunten van belang. 7.15 Een eerste aandachtspunt is dat bij bijvoorbeeld platformwerkers maar beperkt sprake is van een contract waarin ‘partijen hun verhouding hebben geregeld’, zoals de Haviltex-formule luidt. Het gaat immers vaak om standaardcontracten die eenzijdig door de werkverschaffer zijn opgesteld en waarin van de zijde van de werker geen enkele inbreng is geweest. Dat geldt zowel voor de voorwaarden waaronder het werk moet worden verricht als voor de hoogte van de beloning. Met deze wijze van totstandkoming zal rekening moeten worden gehouden bij de vaststelling van de inhoud van de overeenkomst. Dat kan via ‘de maatschappelijke positie van contractspartijen’, zoals die is verdisconteerd in het Haviltex-criterium. Dat rekening kan worden gehouden bij de maatschappelijke positie van de contractspartijen, betekent echter niet dat bij de kwalificatievraag gewicht in de schaal zou moeten worden gelegd door de omstandigheid dat de werker zich in een zwakke sociaaleconomische positie bevindt (vgl. hierna onder 8.20 en 8.21). Op dit punt gaat het er slechts om dat bij het vaststellen van de rechten en verplichtingen die partijen overeengekomen zijn, in aanmerking moet worden genomen of deze eenzijdig zijn opgelegd door de werkverschaffer, of in een onderhandelingsproces tussen gelijkwaardige partijen tot stand zijn gekomen. 7.16 Een tweede kanttekening is dat in de uitlegfase niet zozeer van belang is wat er in het schriftelijke contract staat, maar veel meer hoe feitelijk uitvoering is gegeven aan het contract. Ook in dit opzicht zou Haviltex ons op het verkeerde been kunnen zetten; de Haviltex-maatstaf is immers oorspronkelijk ontwikkeld voor de uitleg van een schriftelijk contract (niet zijnde een duurovereenkomst). Het kijken naar de feitelijke uitvoering van de overeenkomst, sluit wel aan bij rechtspraak van de Hoge Raad, namelijk bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat een rechtshandeling is verricht, medebepalend zijn bij de uitleg van die rechtshandeling. Ook in het Groen/Schoevers-arrest is overwogen dat bij de vaststelling van ‘wat tussen partijen te gelden heeft’, mede in aanmerking moet worden genomen ‘de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven’. Het gaat dus niet alleen om de initiële partijbedoeling, maar ook om de manier waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst. Overigens heeft er in de rechtspraak van de fiscale kamer van de Hoge Raad bij de kwalificatievraag altijd al meer nadruk gelegen op de feitelijke uitvoering van de overeenkomst. 7.17 Maar om het op scherp te stellen: in de Europese rechtspraak over het werknemersbegrip gaat het niet om de uitleg van het schriftelijke contract ‘mede gelet op de wijze waarop feitelijk aan de overeenkomst uitvoering is gegeven’; het is enkel de wijze van uitvoering. De onder 5.14 geciteerde considerans van de Richtlijn transparante arbeidsvoorwaarden is glashelder: ‘Of er sprake is van een arbeidsrelatie moet worden bepaald aan de hand van de feiten die verband houden met de daadwerkelijke uitvoering van het werk en niet aan de hand van de beschrijving van de arbeidsrelatie door de betrokken partijen.’ 7.18 En zie ook art. 3 lid 2 van het Richtlijnvoorstel Platformwerk (art. 3 lid 1 is hiervoor geciteerd onder 6.27): “Artikel 3 Correcte bepaling van de arbeidsstatus 1. (…) 2. Bij het bepalen of er sprake is van een arbeidsverhouding wordt hoofdzakelijk uitgegaan van de feiten in verband met de daadwerkelijke uitvoering van het werk, waarbij rekening wordt gehouden met het gebruik van algoritmen bij de organisatie van platformwerk, on- geacht de kwalificatie in een contractuele regeling die de betrokken partijen mogelijk zijn overeengekomen. Wanneer het bestaan van een arbeidsverhouding op basis van feiten vaststaat, moet de partij die de verplichtingen van de werkgever op zich neemt, duidelijk worden geïdentificeerd overeenkomstig de nationale rechtsstelsels.” 7.19 Het gaat hier dus om de feiten in verband met de daadwerkelijke uitvoering van het werk. In de toelichting op de bepaling is in de Ontwerprichtlijn te lezen dat de bepaling verduidelijkt dat moet worden uitgegaan van het beginsel van het primaat van de feiten. 7.20 Een derde kanttekening is dat in de uitlegfase niet alleen al vooruit zal moeten worden gekeken naar de kwalificatiefase, maar ook naar de uitkomst van de toetsing. In de woorden van Verhulp: “Om een cirkelredenering te voorkomen zal in de eerste fase al een inschatting moeten worden gemaakt van de rechten en verplichtingen die in de tweede fase geen rol meer behoren te spelen. Die inschatting kan niet goed plaatsvinden zonder een inschatting van de uitkomst. Bij de keuze van de voor de kwalificatie dienende rechten en verplichtingen zal naar mijn mening meer de nadruk moeten komen te liggen op de wekelijke verhouding tussen partijen en hun maatschappelijke positie, en op de bedoeling van de mogelijk toepasselijke regels. De verwijzing van de Hoge Raad naar de Halviltexmaatstaf biedt steun aan die gedachten.” 7.21 Wat Verhulp hier beschrijft, is niets anders dan het rechtsvindingsproces van ‘heen en weer gaan’ tussen feiten en rechtsregels. Vranken omschrijft dit als volgt: een continu proces van beginnen, bijstellen, toespitsen, opnieuw bekijken en uiteindelijk de knoop doorhakken. Om duidelijk te maken dat in dit proces óók steeds al vooruit wordt gekeken naar de uitkomst, gaat het in feite om een ‘rechtsvindingsdriehoek’. De oriëntatiepunten van deze driehoek worden gevormd door feiten, rechtsregels en de uitkomst van de rechterlijke beslissing. Dit is niet iets wat specifiek geldt voor de kwalificatievraag in het arbeidsrecht, maar dat aan de orde is bij élke vraag van rechtsvinding. 7.22 In dit proces van rechtsvinding zal ook voor ogen moeten worden gehouden wat het doel en de strekking van de wettelijke regels is. In dit geval: de beschermende werking die een arbeidsovereenkomst biedt aan de werker en de betrokken publieke belangen. Met andere woorden, reeds in de uitlegfase moet worden gelet op de strekking van de dwingendrechtelijke regeling van art. 7:610 BW. 7.23 Dat betekent overigens niet dat de kwalificatievraag gesubjectiveerd zou moeten worden, in die zin dat het van de persoonlijke omstandigheden van de werker (waaronder diens maatschappelijke positie) zou afhangen of wel of niet voldaan is aan de kwalificatie als arbeidsovereenkomst. De kwalificatie vraagt een objectieve toetsing. Daarmee is het niet van belang of een individuele werker ‘behoefte heeft aan arbeidsrechtelijke bescherming’ (vgl. ook onder 8.20 en 8.21) 7.24 Een vierde kanttekening is ten slotte de volgende. Problemen bij de vraag of iemand werkt op basis van een arbeidsovereenkomst dan wel als zelfstandige op basis van een overeenkomst tot opdracht, draaien bijna altijd om de vraag of voldaan is aan het element ‘gezag’ (’in dienst van de andere partij’). Als sprake is van een ‘strategisch vormgegeven contract’ om de kwalificatie als arbeidsovereenkomst te ontlopen, gaat het dan ook vaak om bepalingen die ‘op papier’ op de afwezigheid van gezag duiden. Een deel van deze bepalingen zal buiten beschouwing kunnen blijven doordat zij samenhangen met de partijbedoeling om hun overeenkomst buiten het bereik van art. 7:610 BW te houden, die juist géén rol mag spelen. Een ander deel van de bepalingen zal buiten beschouwing moeten blijven, omdat sprake is van bepalingen die in wezen zien op de gevolgen van de kwalificatie, maar geen element zijn in de wettelijke omschrijving. Zo is bijvoorbeeld de bepaling dat geen loon wordt doorbetaald bij ziekte, niet relevant voor de kwalificatie. Als eerst aan de hand van de wettelijke omschrijving is bepaald of sprake is van een arbeidsovereenkomst, blijkt daarna of zo’n bepaling rechtsgeldig is. 7.25 In de volgende paragraaf ga ik daarom nader in op het gezagscriterium. 8Gezag/werken in dienst van een ander 8.1 In mijn conclusie voor het Participatieplaats-arrest ben ik uitvoerig ingegaan op het gezagscriterium. De hoofdpunten vat ik kort samen, aangevuld met enkele nadere beschouwingen. Gezagscriterium heeft verduidelijking nodig 8.2 Een belangrijke constatering is dat het gezagscriterium behoefte heeft aan verduidelijking. De rechtspraak van de Hoge Raad is sterk casuïstisch. Daarin is niet één element aan te wijzen dat doorslaggevend is voor het bestaan van een gezagsverhouding, terwijl ook niet gezegd kan worden dat in ieder geval aan bepaalde eisen moet zijn voldaan. Uit die rechtspraak blijkt niet veel meer dan dat gezag zich op verschillende manieren kan manifesteren. 8.3 Hiermee is er onvoldoende houvast voor de rechtspraktijk om te beoordelen of voldaan is aan het gezagscriterium. Dat blijkt onder meer uit de sterk uiteenlopende feitenrechtspraak over de kwalificatievraag. Zo is in sommige PostNL-zaken geoordeeld dat geen sprake was van gezagsuitoefening over de pakketbezorgers, terwijl in andere zaken werd geoordeeld dat dat wél het geval was. Ook de uitspraken in de recente Volksbank-procedure waarin het draait om de vraag of haar voormalig CFO een arbeidsovereenkomst heeft, geven bepaald geen eenduidig beeld. Ook over platformwerk zijn uiteenlopende beslissingen genomen. 8.4 Dat de praktijk worstelt met het gezagscriterium blijkt ook uit de problemen bij het ontwikkelen van een webmodule ten behoeve van het verkrijgen van een opdrachtgeversverklaring van de Belastingdienst (zie onder 6.4-6.6). De invulling van het gezagscriterium is hierbij steeds de bottleneck. 8.5 Dit maakt het zeer gewenst dat het gezagscriterium wordt verduidelijkt. Zie ook de Commissie Borstlap: “De Commissie adviseert: (…) Heldere en eerlijke afbakening tussen werknemers en zelfstandigen (…) • Het gezagscriterium in artikel 7:610 van het BW (de definitie van de arbeidsovereenkomst) wordt eigentijds uitgelegd (meer nadruk op inbedding in organisatie en aard werkzaamheden). Dit wordt verduidelijkt in wetgeving.” Het ‘verduidelijken in wetgeving’ ligt niet bij de Hoge Raad, maar het geven van een ‘eigentijdse uitleg’ wél. Startpunt bij de invulling van het gezagscriterium: organisatorische inbedding 8.6 Als de Hoge Raad het gezagscriterium verduidelijkt (aanpast aan de eisen van de tijd), zou het startpunt moeten zijn dat het gaat om de organisatorische inbedding van het werk. Daarmee wordt bedoeld: is het werk ingebed in de organisatie van de werkverschaffer? Daarbij gaat het erom of het werk een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering van de werkverschaffer is. Als een leraar lesgeeft op een school, zal dat werk zijn ingebed in de organisatie van de school want het is een wezenlijk onderdeel van de kernactiviteit (‘bedrijfsvoering’) van de school. Hetzelfde geldt voor een verpleger die zorg verleent in een ziekenhuis. Gezichtspunten bij de vraag of bepaald werk een wezenlijk onderdeel van de organisatie van de werkverschaffer zijn: (
- i)is sprake van het verrichten van kernactiviteiten; (
- ii)hebben de werkzaamheden een structureel karakter; (iii) wat is het organisatorisch kader waarbinnen de werkzaamheden werden verricht. 8.7 Soms is te lezen dat het ook gaat om de organisatorische inbedding van de werker. Mijns inziens ligt het zwaartepunt echter bij de inbedding van het werk in de organisatie van de werkverschaffer; als daarvan sprake is, zal de inbedding van de werker volgen. Dus áls het werk is ingebed in de organisatie, zullen daardoor de door de werkverschaffer uitgevaardigde regels, gebruiken en gewoonten op de werker van toepassing zijn. 8.8 Dit sluit ook aan bij de benadering van de Belastingdienst in het Handboek Loonheffingen, waarin het gaat om de werkzaamheden: “Er zal eerder sprake zijn van gezag als de werkzaamheden die de werkende verricht een wezenlijk onderdeel vormen van de bedrijfsvoering van de opdrachtgever. Uit jurisprudentie komt naar voren dat het moeilijk voorstelbaar is dat er geen sprake is van gezag bij werkzaamheden die een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering vormen (kernactiviteiten). Vaak zijn de werkzaamheden dan ook structureel ingebed in de bedrijfsvoering van de opdrachtgever.” 8.9 De aanwezigheid van een instructiebevoegdheid van de werkverschaffer is veel minder van belang. Reden daarvoor is dat het criterium ‘instructiebevoegdheid’ onvoldoende onderscheidend vermogen heeft. Ook bij een overeenkomst van opdracht heeft de opdrachtgever namelijk een instructiebevoegdheid ten opzichte van de werker (art. 7:402 lid 1 BW). Wat dat betreft is het jammer dat de Hoge Raad in het recente SIS-arrest
(2021)juist heeft benadrukt dat het bij gezagsuitoefening gaat om het moeten naleven van instructies en interne voorschriften van de werkverschaffer. 8.10 Bovendien zijn werknemers in het algemeen zelfstandiger gaan werken, waardoor zij minder instructies nodig hebben. Ook voor het uitvoeren van eenvoudig werk (of voor werk dat is opgeknipt in deeltaken) is weinig instructie nodig. Technologische ontwikkelingen maken het mogelijk dat instructies niet op de traditionele wijze worden gegeven, maar door software en algoritmes. Dan is het bijna niet vast te stellen of een werker instructies krijgt. Zie ook het rapport van de Commissie Borstlap: “Economische en maatschappelijke veranderingen hebben ertoe geleid dat de verhouding tussen werkgever en werknemer flink is veranderd ten opzichte van een eeuw geleden (…). Veranderingen als de verdienstelijking van de economie, het anders organiseren van het werk, toegenomen baanwisselingen en een gemiddeld hoger opleidingsniveau van werkenden zorgen ervoor dat het uitoefenen van gezag vaak niet meer plaatsvindt zoals voorheen. Deze ontwikkelingen hebben geleid tot een emancipatie van werkenden, die gemiddeld genomen meer autonomie bezitten en de afname van gezagsrelaties die gedomineerd worden door strikt toezicht en leiding door de werkgever. Het ontstaan van platformwerk is een illustratie van het verdwijnen van `oude' vanzelfsprekendheden in de organisatie van werk. Er is bij platformwerk bijvoorbeeld geen fysieke werklocatie, de contacten tussen werker en platform lopen vrijwel geheel digitaal en vraag en aanbod van werk/opdrachten worden zo scherp mogelijk op elkaar afgestemd. (…) De moderne gezagsrelatie bestaat niet zo zeer uit de bevoegdheid van de werkgever om instructies te geven, maar daaruit dat de werker deel uitmaakt van de organisatie van de werkgever en de toepassing van de door de organisatie uitgevaardigde regels, en de daar geldende gebruiken en gewoonten aanvaardt.” 8.11 Menegatti spreekt in dit kader van een ‘ongoing shift toward a new gateway to labour law protection, moving into territory beyond that of traditional subordination’. Hij schrijft verder: “In the current environment – with its steady move toward an ‘autonomisation’ of work – the control test has been losing its primacy in favour of the element of functional integration into the client’s business cycle, from which the worker is operationally dependent.” Het gaat dus niet om ‘control’, maar om ‘functional integration into the clients’ business cycle’. 8.12 Om te kunnen beoordelen of het werk een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering van de werkverschaffer is, moet er goed zicht zijn op wat die bedrijfsvoering precies inhoudt. Voor platforms betekent dit bijvoorbeeld het volgende. Platforms zoals Deliveroo verlenen een geïntegreerde dienst. De dienstverrichting van zo’n platform omvat méér dan het via een algoritme bij elkaar brengen van vraag en aanbod naar arbeid: de dienst die wordt afgenomen is het kiezen, bestellen, betalen en laten bezorgen van een maaltijd. De bedrijfsvoering van het platform is gericht op het verlenen van deze dienst. Daarmee is duidelijk dat de maaltijdbezorger onderdeel is van de bedrijfsvoering van het platform. Vergelijk ook de Uber-uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarin werd geoordeeld de vervoersdiensten de kernactiviteit van Uber vormen. Het standpunt dat Uber slechts een technologiebedrijf is, werd verworpen. 8.13 Als géén sprake is van inbedding van het werk in de organisatie van de werkverschaffer, heeft de werker in het algemeen zélf een onderneming en is hij dus een zelfstandig ondernemer. In feite gaat het om kwalificaties die elkaar uitsluiten: de werker is ingebed in de organisatie van de werkverschaffer, óf de werker is zelf ondernemer. Meer smaken zijn er niet in het civiele recht; er zijn geen ‘tussencategorieën’ tussen werknemers en zelfstandigen. De vraag kan dan dus ook van de andere kant worden benaderd: is de werker een zelfstandig ondernemer en is het werk daarmee dus niet ingebed in de organisatie van degene voor wie hij werkt? 8.14 Vanuit dit perspectief gaat het er dus om of de werker zelfstandig ondernemer is. Alleen als die vraag bevestigend kan worden beantwoord, is géén sprake van werk dat op basis van een arbeidsovereenkomst wordt verricht. Deze benadering vindt veel steun in de literatuur: als de werkende niet zelfstandig ondernemer is, is dus als uitgangspunt sprake van inbedding in de organisatie van de werkverschaffer en wordt dus gewerkt op basis van een arbeidsovereenkomst. 8.15 Dat een werknemer niet tevens ondernemer kan zijn, is in lijn met het Verdrag van de Europese Unie. Het vrij verkeer van personen (werknemers) en het vrij verkeer van diensten, sluiten elkaar expliciet uit (art. 57 VWEU). En precies die vrijheid van werknemers leidde in het Lawrie Blum-arrest tot het startpunt voor de ontwikkeling van een Europees werknemersbegrip in de rechtspraak van het Europese HvJ. Ook uit het FNV Kiem-arrest (waarnaar verwezen wordt in de Richtlijn Transparante arbeidsvoorwaarden, zie onder 5.3-5.15 ) volgt dat werknemerschap en ondernemerschap juridisch moeten worden onderscheiden. Dit volgt ook uit de Yodel-uitspraak (zie onder 9.5 en 9.6). 8.16 Ter beantwoording van de vraag of een werker zelfstandig ondernemer is, zou gebruik kunnen worden gemaakt van de volgende indicaties: - draagt de werker ondernemersrisico, inclusief de daarbij behorende mogelijkheid om een hogere winst of een hoger rendement te realiseren; - kan de werker zelf de prijs voor zijn of haar arbeid bepalen; - betaalt de werkverschaffer op factuur van de werker; - heeft de werker meerdere opdrachtgevers; - kan de werker zelf klanten werven en een klantenkring opbouwen; - kan de werker zich tijdens het werk presenteren met zijn eigen bedrijf; - is de werker al dan niet voor langere tijd (exclusief) werkzaam in dezelfde onderneming; - verschilt het werk van de kern van de bedrijfsvoering van de werkverschaffer; - heeft de werker een onderhandelingspositie ten opzichte van de werkverschaffer, bijvoorbeeld ten aanzien van arbeidsvoorwaarden; - heeft de werker een eigen arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioenvoorziening? 8.17 Deze benadering sluit aan bij het arrest FNV Kiem. Daarin oordeelde het HvJ dat iemand geen zelfstandige is als hij (
- i)onder leiding van zijn werkgever handelt voor wat betreft de vrijheid om zijn tijdschema van de plaats en de inhoud van zijn werk te kiezen, (
- ii)hij niet deelt in de commerciële risico’s van de werkgever en (iii) hij tijdens de duur van de arbeidsverhouding is opgenomen in de onderneming waarmee hij een economische eenheid vormt. 8.18 Door het antwoord op de vraag of voldaan is aan het gezagscriterium primair te laten afhangen van de organisatorische inbedding van het werk, wordt de rechtspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad ook meer in lijn gebracht met die van de fiscale kamer en van de Centrale Raad van Beroep. 8.19 Ook in de literatuur is er brede steun om meer belang te hechten aan de organisatorische inbedding van het werk en (het gebrek aan) ondernemerschap. Al vele jaren is gepleit voor een andere invulling van het gezagscriterium dan het al dan niet bestaan van instructiebevoegdheid. Daarbij is er vaak op gewezen dat het doel van het arbeidsrecht is dat in een situatie van maatschappelijke en economische ongelijkheid, bescherming wordt geboden aan de werkende. Hoe meer die machtsverhouding uit balans is, hoe meer aanleiding er is om via het arbeidsrecht die balans te herstellen, zo was reeds aan het begin van de twintigste eeuw de gedachte van de wetgever. Deze gedachte van ongelijkheidscompensatie is nog steeds actueel. 8.20 Overigens is het de vraag of bij de kwalificatievraag (steeds) zou moeten meewegen of een individuele werker feitelijk behoefte heeft aan bescherming van het arbeidsrecht (mede om daarmee toegang te krijgen tot sociale verzekeringen). Op zichzelf staat het buiten twijfel dat er vele werkers aan de onderkant van de arbeidsmarkt zijn die zich in een precaire positie bevinden, door een gebrek aan arbeidsrechtelijke bescherming én een te lage beloning van het werk, met vele negatieve gevolgen. Maar er zijn ook publieke belangen betrokken bij de kwalificatievraag. Zoals de ongewenste kloof tussen werkers mét en zónder een arbeidsovereenkomst, een gebrek aan solidariteit tussen deze groepen, afwenteling van kosten op het collectief, een te smal draagvlak voor de sociale zekerheid, en een uitholling van de maatschappelijke instituties die gebouwd zijn rond de arbeidsovereenkomst. Als we ook deze publieke belangen laten meespelen, is niet zo duidelijk dat en waarom een IT’er of communicatieadviseur die jarenlang voor dezelfde opdrachtgever werkt terwijl haar of zijn werk is ingebed in de organisatie van de werkverschaffer, wél zou kunnen werken als zelfstandige (met alle fiscale voordelen, zonder afdracht aan de collectieve kas), en een chauffeur niet. Helemaal lastig wordt het als we kijken naar bijvoorbeeld zelfstandige verplegers of leraren, die ‘zij aan zij’ werken met collega’s in loondienst, maar dan zonder de (als loodzware last ervaren) verplichtingen die het werken in loondienst met zich kan meebrengen. 8.21 Laagland en Said verwijzen op dit punt nog naar de wetsgeschiedenis, waarin de wetgever ervan uitging dat ‘bijna iedere arbeider, van welken maatschappelijken stand ook, die niet louter voor tijdverdrijf een dienstcontract sluit’, in zekere zin economisch afhankelijk van zijn werkgever is. Om die reden is in 1909 gekozen voor een uniforme regeling van het arbeidsrecht, en is geen onderscheid gemaakt naar maatschappelijke positie. Daarbij past niet dat er gedifferentieerd wordt naar gelang een behoefte aan arbeidsrechtelijke bescherming. Anders gezegd: de kwalificatievraag vraagt om een objectieve toetsing. 8.22 Last but not least is nog op te merken dat begrippen ‘gezagsverhouding’ en ‘ondergeschiktheid’ uit de wettelijke definitie zijn afgeleid, maar daarin niet zijn opgenomen. In de wet staat immers ‘in dienst van’. Ook in het Participatieplaats-arrest omschrijft de Hoge Raad de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Bij de invulling van de vraag of arbeid ‘in dienst van de andere partij’ wordt verricht, is het bepaald geen grote stap om te kijken of het werk is ingebed in de organisatie van de werkverschaffer en wie het economisch risico van de werkzaamheden draagt. 8.23 De vraag of het werk is ingebed in de organisatie van de werkverschaffer, komt heel dicht in de buurt van de vraag of het werk wordt verricht ‘in een bedrijf of huishouding van een ander’. Dat aspect werd reeds benoemd in de toelichting op Levenbachs voorontwerp voor titel 7.10 van het NBW
(1972). 8.24 Levenbach heeft zich afgevraagd of ‘in dienst van’ behouden diende te blijven in de omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Die vraag heeft hij uiteindelijk bevestigend beantwoord. In de toelichting op zijn voorontwerp valt echter wel het volgende te lezen (mijn onderstreping): “(…) “(…) van meer praktische betekenis voor het ontwerp, is de vraag of de karakterisering van de arbeidsovereenkomst door het element van het “in dienst” van een ander arbeiden, met de gebruikelijke verduidelijking door de polaire begrippen “ondergeschiktheid” van de arbeider en “gezagsbevoegdheid” van de werkgever, niet beter vervangen zou kunnen worden door een karakterisering als contractueel “arbeid verrichten in een bedrijf of huishouding van een ander”. “(…) Het hiermee beoogde doel is dan vooral om aan degeen die arbeid verricht voor een ander en wiens juridische ondergeschiktheid onzeker is of moeilijk te bewijzen valt, doch die kennelijk maatschappelijk afhankelijk is van die ander, de bescherming van de wettelijke regeling van het arbeidscontract deelachtig te doen worden. Dat hierdoor minder grensgevallen zouden overblijven, valt te betwijfelen. Voorts is twijfelachtig of de grenstrekking van het functioneel arbeid verrichten “in” eens anders arbeidsgeheel in wezen een andere zou zijn dan die der ondergeschiktheid, daar een arbeidende persoon slechts niet zelfstandig voor, doch functioneel in eens anders arbeidsgeheel werkt, indien die ander enige bevoegdheid tot dirigeren van de arbeid heeft. Het functioneel werken in een vreemd arbeidsgeheel als kenmerk lijdt aan onduidelijkheid bij de grenstrekking tussen het functioneel “in” een het “voor” (in de zin van ten behoeve van) een arbeidsgeheel werken. Bovendien moet ter aanduiding van het (voor wetgeving veel te abstracte) begrip arbeidsgeheel gebruik gemaakt worden van enkele van de partijen als personen te onderscheiden begrippen die in het spraakgebruik meer bekend zijn, zoals de begrippen bedrijf of onderneming, beroep en gezin, die juridisch helemaal niet scherp omlijnd zijn. (…)” 8.25 Reeds 50 jaar geleden is dus overwogen om het aspect dat nu als ‘organisatorische inbedding’ wordt aangeduid, in de wet te verankeren. Organisatorische inbedding zou, als gezegd, in de omstandigheden van de hedendaagse arbeidsmarkt als een startpunt voor het verduidelijken van het gezagscriterium door de Hoge Raad kunnen fungeren (zie onder 8.6). Wetswijziging is daarvoor niet nodig, nu dit goed onder het element ‘in dienst van’ kan worden geschaard (zie onder 8.22). 9De vrije vervangingsclausule 9.1 Regelmatig is in literatuur en rechtspraak aan de orde of de verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid deel uitmaakt van de wettelijke omschrijving uit art. 7:610 lid 1 BW en daarmee een voorwaarde is voor kwalificatie als arbeidsovereenkomst. De eis van persoonlijke arbeidsverrichting heeft de afgelopen tijd steeds meer aandacht gekregen, doordat in werkcontracten wordt opgenomen dat de werker zich te allen tijde mag laten vervangen (een ‘vrije vervangings-clausule’). Rechtspraak Hoge Raad 9.2 Er is geen recente rechtspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad over de vrije vervangingsclausule of de verplichting om de arbeid zelf te verrichten. De laatste uitspraken dateren uit 1957 (Zwarthoofd/Parool) en 1969 (Heger/De Geïllustreerde Pers). In deze arresten overwoog de Hoge Raad dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat een overeenkomst waarin de werker zich kan laten vervangen niet als arbeidsovereenkomst kwalificeert, ‘daar het blijkens art. 1637a een van de kenmerken van de arbeidsovereenkomst is, dat een contractspartij zich verbindt arbeid te verrichten’. Hieruit is af te leiden dat de Hoge Raad de verplichting om de arbeid persoonlijk te verrichten beschouwt als een aspect van het element 'arbeid' (en niet van het element ‘gezag’). Hierbij past de kanttekening dat in beide arresten tevens het BBA van toepassing was; daarin was in elk geval vereist dat de arbeid persoonlijk werd verricht. 9.3 Ook uit fiscale rechtspraak van de Hoge Raad lijkt te volgen dat de eis van persoonlijke arbeidsverrichting een sub-element is van het criterium ‘arbeid’ in art. 7:610 BW en daarmee een onderdeel van de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Zo overwoog de fiscale kamer in het Gouden Kooi-arrest in 2011: “3.3.3 De Centrale Raad heeft als vereisten voor het aannemen van een dienstbetrekking gesteld een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Aldus is de Centrale Raad terecht uitgegaan van de criteria die gelden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. (…)” 9.4 In een recent arrest
(2022)heeft de fiscale kamer hiernaar verwezen: “3.2.1 Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een dienstbetrekking is maatgevend of de rechtsverhouding tussen de betrokken partijen een arbeidsovereenkomst is in de zin van artikel 7:610 BW. De inhoud van de tussen partijen gemaakte afspraken is bij die beoordeling relevant, evenals de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Deze beoordeling dient uit te wijzen of is voldaan aan de in artikel 7:610 BW gestelde vereisten, te weten een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, loon en een gezagsverhouding. (…)” Ook hier wordt de verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid kennelijk gezien als voorwaarde voor de arbeidsovereenkomst, waarbij ook hier de verplichting niet is gekoppeld aan het gezagscriterium, maar aan het element ‘arbeid’. Europese rechtspraak 9.5 In de Yodel Delivery-uitspraak overwoog het HvJ dat onder bepaalde omstandigheden geen sprake is van een werknemer in EU-rechtelijke context (hier ging het om de Arbeidstijdenrichtlijn) indien het de werkende, zoals in de voorgelegde casus, vrij staat (mijn onderstreping): “– to use subcontractors or substitutes to perform the service which he has undertaken to provide; – to accept or not accept the various tasks offered by his putative employer, or unilaterally set the maximum number of those tasks; – to provide his services to any third party, including direct competitors of the putative em- ployer; – to fix his own hours of “work” within certain parameters and to tailor his time to suit his personal convenience rather than solely the interests of the putative employer, provided that, first, the independence of that person does not appear to be fictitious and, second, it is not possible to establish the existence of a relationship of subordination between that person and his putative employer .” 9.6 Op het eerste gezicht zou uit de Yodel Delivery-uitspraak kunnen worden afgeleid dat de mogelijkheid voor de werker om anderen in te schakelen of het werk te verrichten, een aanwijzing is dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Echter, niet onbelangrijk, uit de geciteerde overweging blijkt ook dat éérst moet worden nagegaan of (
- i)geen sprake is van schijnzelfstandigheid (‘provided that, first, the independence of that person does not appear to be fictitious’), en (
- ii)of sprake is van ondergeschiktheid (provided that, second, it is not possible to establish the existence of a relationship of subordination between that person and his putative employer’). Met andere woorden, de mogelijkheid van een werker om zich te laten vervangen, zegt op zichzelf nog niets over de vraag of al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst. Daarvoor moeten we eerst vaststellen of sprake is van schijnzelfstandigheid, en (dus, zou ik denken) of de werker in feite ondergeschikt is aan de werkverschaffer. Feitenrechtspraak 9.7 Door feitenrechters is wel geoordeeld dat een vrije vervangingsclausule in de weg staat aan een arbeidsovereenkomst. Zo is in een van de PostNL-zaken geoordeeld dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst met een pakketbezorger die zich structureel door meerdere andere vervoerders had laten bijstaan, die meer routes had dan hij zelfstandig ooit zou kunnen rijden en die aldus een onderneming dreef. En in een uitspraak uit 2016 oordeelde het hof Amsterdam dat, gelet op de contractuele bepaling dat er geen verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting bestaat, niet kan worden gesproken van een verplichting om de arbeid persoonlijk te verrichten. Ook hier ging het om een pakketbezorger die de inzet van anderen als ondernemingsmodel gebruikte. In de uitspraak Persgroep oordeelde het Amsterdamse hof in 2018 dat krantenbezorgers geen arbeidsovereenkomst hadden. Aan dat oordeel was onder meer ten grondslag gelegd dat de bezorgers zich altijd konden laten vervangen (en dat dit in de praktijk ook gebeurde), zonder dat zij daarvoor toestemming van de Persgroep hoefden te vragen. 9.8 In deze uitspraken speelt vaak een rol of de mogelijkheid dat de werkverschaffer het recht heeft om een vervanger te weigeren, erop duidt dat géén sprake is van ondernemerschap. In sommige uitspraken is overwogen dat dat niet het geval is omdat de eisen die PostNL aan een vervanger stelt (VOG, geldig rijbewijs, entreetoets om met de scanner te kunnen werken), niet zien op de persoon van de vervanger, maar op objectieve eisen om de werkzaamheden te kunnen verrichten. In andere uitspraken is echter aangenomen dat dergelijke eisen een contra-indicatie zijn voor ondernemersvrijheid. 9.9 In de Deliveroo I-zaak uit 2018 werd geen arbeidsovereenkomst aangenomen. De overeenkomst kende de bezorger de mogelijkheid toe om zich te laten vervangen. De bezorger, die stelde dat hij zich nooit heeft laten vervangen, betoogde dat het vervangingsrecht een dode letter is, (onder meer) omdat Deliveroo eisen kon stellen aan de vervanger. De kantonrechter ging daar niet in mee en overwoog dat de omstandigheid dat Deliveroo van een vervanger vereist dat hij over de vereiste vaardigheden en training beschikt, nog niet betekent dat de vervangingsclausule een loze bepaling is. 9.10 In de Uber-uitspraak van de rechtbank Amsterdam is in het midden gelaten of de vervangingsmogelijkheid in de weg staat aan de kwalificatie als arbeidsovereenkomst, omdat vaststond dat de chauffeur een selfie moest maken zodat Uber kon controleren of hij of zij de arbeid persoonlijk verrichte. Beschouwing 9.11 Naar mijn mening is het onjuist om de verplichting de arbeid persoonlijk te verrichten te beschouwen als een element van de kwalificatie als arbeidsovereenkomst. Dat volgt al uit het feit dat art. 7:610 BW deze eis niet stelt. 9.12 De verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting is opgenomen in Afdeling 7 van Titel 7.10, waarin enkele bijzondere verplichtingen van de werknemer zijn opgenomen. Het gaat dus om een zelfstandige verplichting die op de werknemer rust, net als bijvoorbeeld de verplichting van de werknemer om zich te houden aan bepaalde voorschriften van de werkgever (art. 7:660 BW) of van een zieke werknemer om mee te werken aan zijn re-integratie (art. 7:660a BW). Dit betekent dat áls sprake is van een arbeidsovereenkomst, dat dan geldt dat de werknemer verplicht is om de arbeid persoonlijk te verrichten. 9.13 Deze uitleg sluit aan bij de wetsgeschiedenis van de Wet op de arbeidsovereenkomst. Daarin is te lezen dat de bepaling een einde zal maken aan ‘het in sommige streken des lands bestaande gebruik, dat maaiers, die arbeidsovereenkomsten aangaan, zelf slechts een deel van den bedongen arbeid verrichten en zich in dien arbeid door derden doen bijstaan, zonder daarvoor ’s werkgevers toestemming te vragen’. En in de memorie van antwoord is vermeld dat ‘de werkgever, die een arbeider in dienst neemt om zekeren arbeid voor hem te verrichten, […] recht [heeft] op de algeheele vervulling door dien arbeider van den bedongen arbeid’ en dat ‘(s)lechts wanneer de werkgever zijne toestemming verleent, het den arbeider vrij [moet] staan zich bij het verrichten van den arbeid de hulp van een derde te verzekeren’. Ook hier wordt dus het bestaan van een arbeidsovereenkomst verondersteld, en, daarvan uitgaande, de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting gestipuleerd. 9.14 De bepaling is, na redactionele wijziging, overgenomen in titel 7.10 NBW (art. 7:659 lid 1 BW). De memorie van toelichting vermeldt bij deze bepaling het volgende: ‘Dit artikel komt overeen met het huidige artikel 1639a. (…) In het systeem van het Nieuw Burgerlijk Wetboek vormt de bepaling een uitwerking van artikel 30 van Boek 6 dat bepaalt dat een ander dan de schuldenaar de verbintenis kan nakomen tenzij haar inhoud of strekking zich daartegen verzet. Het artikel is momenteel bijvoorbeeld van belang voor de duiding van contracten, bijvoorbeeld met oproep- en afroepkrachten, waarbij overeengekomen is dat de kracht zich door een derde mag laten vervangen, in die zin dat zo’n afspraak niet in de weg hoeft te staan aan het bestaan van een arbeidsovereenkomst.’ Deze toelichting is in lijn met de hiervoor uiteengezette strekking van de bepaling, namelijk dat het persoonlijk moeten verrichten van de arbeidsovereenkomst niet een voorwaarde is voor de arbeidsovereenkomst, maar een verplichting – waarvan afgeweken kan worden – die op de werknemer rust. 9.15 In de literatuur is wel te lezen dat de verplichting om de arbeid persoonlijk te verrichten wel een vereiste is voor een arbeidsovereenkomst. In de woorden van Sagel en Barentsen: ‘De arbeidsovereenkomst is van oudsher een overeenkomst van in hoge mate persoonlijke aard; de werkgever kiest de werknemer niet alleen om wat hij kan en doet, maar ook om wie hij is.’ Dat moge zo zijn, maar de wens van de werkgever om juist déze werknemer voor zich te laten werken, wordt ook vervuld wordt als de wettelijke verplichting wordt nageleefd dat de werknemer zich niet kan laten vervangen zonder toestemming van de werkgever. 9.16 Een bijkomend probleem is dat ook een opdrachtovereenkomst kan zijn aangegaan met het oog op een bepaald persoon en op grond van art. 7:404 BW is ook in dat geval de opdrachtnemer gehouden de opdracht zelf uit te voeren. Hierdoor is geen sprake van een onderscheidend criterium met de overeenkomst van opdracht. 9.17 Ook volgens de commissie-Boot
(2016)staat de vrije vervangings-clausule niet per definitie in de weg aan de kwalificatie als arbeidsovereenkomst. Het kabinet lijkt zich bij dat standpunt te hebben aangesloten. In reactie op het rapport van de commissie constateerde de staatssecretaris dat ‘(aan de onderkant van de arbeidsmarkt) relatief gemakkelijk buiten dienstbetrekking kan worden gewerkt als maar voldaan wordt aan het criterium ‘vrije vervanging’ terwijl (veelal aan de bovenkant van de arbeidsmarkt) men geacht wordt in dienstverband te werken zodra er sprake is van een ‘gezagsverhouding’.’ Deze criteria zijn toe aan herijking, schreef de staatssecretaris. 9.18 In de literatuur bestaat steun voor het standpunt dat een vrije vervangingsclausule in het contract tussen werkverschaffer en werker niet in de weg staat aan de kwalificatie als arbeidsovereenkomst. Zo stelt Bartens dat een ‘v