PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Nummer 21/04394 C Zitting 21 juni 2022 CONCLUSIE T.N.B.M. Spronken In de zaak [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, hierna: de verdachte. 1Het cassatieberoep 1.
(2), opgemaakt op 4 september 2020 door verbalisant 1103, voor zover inhoudende: Moment 1 – Camera " Red Diamond ”.De verdachte [verdachte] , wordt beschreven. Hij draagt donkere kleding, heeft een pet op het hoofd, houdt een bekertje vast met zijn linkerhand en staat langs de openbare weg, de [a-straat] , en wel op het parkeerterrein voor " [A ] ”. Moment 2 – Camera “ Red Diamond ”.Het is te zien, dat de verdachte [verdachte] , een wit kledingstuk, onder zijn donkere kleding, aan heeft. Moment 3 – Camera “ Red Diamond ”.De verdachte [verdachte] , verplaatst zich al rennend in een bukkende houding naar de richting van het schietincident, dus richting van de trap van het Chinese restaurant. Hij heeft het bekertje nog in zijn linkerhand en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn rechterhand. De witte onderkleding en pet op zijn hoofd zijn goed te zien. Moment 4 - Camera's “ Red Diamond ” en " McDonald’s ".Beelden van de camera's geïnstalleerd bij “ [A ] ” en [C ] , worden naast elkaar gelegd en is de verplaatsing van [verdachte] , van het opname vlak van de camera van "“ [A ] ”, naar het opname vlak van de camera van [C ] , duidelijk te zien. De verdachte [verdachte] , gaat rennend naar de richting van het referentiepunt. Moment 5 - Camera “McDonald's” .Herhaling van de beelden van “ [C ] ”. Daarbij is ook het witte kledingstuk onder de donkere kledingstukken duidelijk te zien. Als hij nabij de trap van het Chinese restaurant (referentiepunt) komt en wel tussen een witgelakte personenauto van het merk Hyundai, model i10 en een donkergroen gelakte personenauto van het merk Hyundai, Tucson, en zijn rechterarm gestrekt voor zich houdt, is er vervolgens een mondingsvuur waarneembaar. Moment 6Weergave van de plaatsen waar de patroonhulzen werden aangetroffen en door de afdeling Forensische Opsporing, werden gemarkeerd en fotografisch werden vastgelegd. Moment 7De looproute van [verdachte] , te herleiden uit de beelden van " [A ] " en “ [C ] ".Resume Resumerend kan worden gesteld: - Dat de verdachte [verdachte] , op de bewuste dag van het schietincident in donkere kledij gekleed was met daaronder een wit kledingstuk en een zwarte pet op het hoofd, - Dat aan de hand van de kledingstukken en de pet als hierboven omschreven, het gevoeglijk aan te nemen is, dat hij degene is die zich al rennend, en wel in gebukte houding, verplaatst naar de richting van het incident, - Dat hij een voorwerp gelijkend op een vuurwapen in zijn rechterhand heeft terwijl hij zich verplaatst naar de richting van het incident, - Dat hij nabij de trap van het Chinese restaurant (referentiepunt) komt, en wel tussen een witgelakte personenauto van het merk Hyundai, model i10 en een donkergroen gelakte personenauto van het merk Hyundai, Tucson, te oordelen aan het mondingsvuur, een schot lost uit een vuurwapen, dat er drie patroonhulzen zijn aangetroffen in de directe omgeving waar het mondingsvuur op beeld is gezien.
- De verklaring die [betrokkene 3] als getuige deskundige ter terechtzitting in hoger beroep op 5 februari 2021 heeft afgelegd, voor zover inhoudende: Er zit ongeveer 5 seconden tussen het wisselen van de beelden [A ] en die van [C ] ; de verdachte rent gebukt uit beeld van de [A ] en op het beeld van [C ] komt een gebukt rennend persoon weer in beeld. De afstand die in dat tijdsbestek van 5 seconden is afgelegd is ongeveer 14 meter.
- De verklaring die de verdachte op 5 februari 2021 ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, voor zover inhoudende: Ik was op die avond in de [A ] . Ik stond voor de [A ] . De [A ] is boven de [F] en ik stond op de parkeerplaats voor het gebouw. Ik was samen met [betrokkene 2] (het Hof: [betrokkene 2] ) en mijn vrouw.”Voorts heeft het hof met betrekking tot het bewijs overwogen: “Bewijsoverwegingen De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de herkenningen van de verdachte op de camerabeelden door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet betrouwbaar zijn gezien het gebrek aan specifieke onderscheidende persoonskenmerken, alsmede gelet op de omstandigheden waardoor de herkenningen hebben plaatsgevonden. Voorts heeft de raadsvrouw vraagtekens geplaatst bij de wijze van opmaken van de compilatie van camerabeelden en bestrijdt zij dat de waar te nemen persoon op de verschillende beelden telkens dezelfde persoon betreft. Het Hof overweegt het volgende. In het dossier bevinden zich diverse (compilaties van) beeldopnames van de schietpartij. Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte als een van de schutters kan worden aangemerkt zijn de herkenningen door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , gedaan op basis van dit beeldmateriaal, van cruciaal belang. Bij de beoordeling van de herkenningen sluit het Hof zich evenals het Hof te Amsterdam (voetnoot arrest) aan bij de in de vakbijlage van het Nederlands Forensisch Instituut gegeven omschrijving van het begrip 'herkenning' "Herkenning vindt plaats op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld. Gezichtsherkenning van bekende mensen, zoals dat in het dagelijks leven door iedereen plaatsvindt, is een relatief snel en trefzeker 'holistisch' proces. De beoordeling vindt snel plaats, door (onbewust) allerlei aspecten af te wegen. De uitkomst van dit proces leidt tot de categorische, stellige uitkomst dat er wel of niet sprake is van herkenning, waarbij de beoordelaar vaak niet expliciet kan uitleggen waarom hij of zij een bepaalde conclusie trekt. (...) Herkenning van personen vindt niet alleen op basis van gezicht plaats, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, handen, lengte, postuur, kleding en manier van lopen en andere, soms onbewuste, voorinformatie zoals de locatie waar een persoon is gezien". Met het Amsterdamse Hof is het Hof voorts van oordeel dat aldus beschouwd verschillende elementen een rol spelen bij een herkenning - een 'holistisch proces' - dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kunnen beïnvloeden, is de mate waarin men de waargenomen persoon kent. Immers, hoe vollediger men van de betrokken persoon reeds een beeld heeft, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat dit op basis van uiterlijke kenmerken gebaseerde beeld van iemand waardevoller is, als dit is ontstaan en gevormd bij ontmoetingen in persoon, dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is. Bij de herkenningen in de onderhavige zaak acht het Hof de volgende omstandigheden van belang. De twee verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kenden de verdachte reeds ambtshalve. De herkenningen van de verdachte vonden plaats na het bekijken van bewegende camerabeelden. Die beelden zijn ter terechtzitting getoond en zijn naar het oordeel van het Hof voldoende duidelijk om enkele uiterlijke kenmerken van de persoon die daarop te zien is, te kunnen waarnemen. Op de camerabeelden van [C ] herkennen de twee verbalisanten de verdachte als de persoon op de [a-straat] die zijn rechterarm voor zich uitstrekt en ergens op richt. Beiden zien een mondingsvuur/lichtflits, dat/die er volgens hen op duidt dat een schot wordt gelost. Op de plek waar verbalisanten dit waarnemen zijn drie hulzen aangetroffen. Bij het terug kijken/achteruit afspelen van de beelden zien verbalisanten dat de persoon voorafgaand aan het schietincident ter hoogte van [C ] op straatstaat en dat diezelfde persoon - nadat iedereen op een gegeven moment wegvlucht en dekking zoekt - naar het incident toe rent en dat hij tenminste één schot lost.Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij de verdachte meerdere malen heeft ontmoet tijdens zijn werk als politiefunctionaris, dat hij de persoon die voorafgaand aan het incident op straat staat (donker gekleed, kort haar, donker petje en in zijn hand een bekertje) herkent als de verdachte en dat hij de verdachte herkent aan zijn houding en manier van staan/lopen en aan het feit dat hij niet zo'n groot gezicht heeft. Tevens ziet [verbalisant 1] dat de verdachte zich in de aanwezigheid bevindt van een andere persoon die hij herkent als [betrokkene 2] en dat hij ambtshalve weet dat de verdachte en [betrokkene 2] veel met elkaar omgaan. Verbalisant [verbalisant 2] , die de verdachte meerdere malen persoonlijk heeft ontmoet en gesproken in een ander onderzoek, herkent de persoon die voorafgaand aan het incident op straat staat (donkere broek, T-shirt, donkere schoenen, donkerkleurige pet met op de voorzijde een wit teken en achterstevoren gedragen, kort haar aan zijkanten en achterkant, kort baardje en lichtkleurig bekertje in linkerhand) als de verdachte en heeft verklaard dat hij de verdachte herkent aan zijn postuur, lichaamshouding, "loopje" en aan de vorm van zijn hoofd en aangezicht en dat hij ambtshalve weet dat de verdachte bijna altijd een petje draagt en lichte tot middelmatige baardgroei heeft. Tegen deze achtergrond is het Hof van oordeel dat de herkenningen van de verdachte door de twee verbalisanten betrouwbaar is. Daarbij neemt het Hof is aanmerking dat de beelden en de herkenningen van de verbalisanten steun vinden in de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, te weten dat hij die avond op het moment van schieten aanwezig was op het parkeerterrein voor de [A ] en dat [betrokkene 2] bij hem was. Het Hof ziet in hetgeen de raadsvrouw overigens nog heeft aangevoerd geen aanleiding aan de betrouwbaarheid van de herkenningen door de verbalisanten te twijfelen. Vervolgens ligt voor de vraag of de persoon die op de compilatie van camerabeelden van de [A ] en [C ] te zien is, en die op twee momenten even uit beeld verdwijnt steeds dezelfde persoon is. Het Hof stelt op grond van de beelden, in het bijzonder compilatie 2 die ook ter terechtzitting is getoond, het volgende vast. Vanaf 03:37:00 staat de persoon die door de verbalisanten is herkend als de verdachte op het parkeerterrein voor de [A ] . De verdachte heeft donkere kleding aan met een wit kledingstuk eronder waarvan de rand onder zijn bovenkleding uit komt, een pet op en een lichtkleurig bekertje in zijn hand. Vanaf 03:37:11 ontstaat commotie onder het publiek en rent iedereen weg. De verdachte rent om 03:37:13 links het beeld uit. Om 03:37:18 komt vanaf links een persoon rennend in beeld. Deze persoon heeft donkere kleding aan met een wit kledingstuk eronder waarvan de rand onder zijn bovenkleding uit komt, een pet op en een lichtkleurig bekertje in zijn hand. Het Hof concludeert op grond van het geringe tijdsverloop en de uiterlijke kenmerken dat deze persoon de verdachte is. Om 03:37:22, ter hoogte van een goudkleurige auto, is te zien dat de verdachte in zijn rechterhand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft. De verdachte rent gebukt uit beeld in de richting van de hap van het (nabijgelegen) Chinese restaurant. Vervolgens switcht de compilatie naar de camerabeelden van [C ] . Op deze aansluitende beelden is te zien dat een persoon gebukt rennend in dezelfde richting in beeld komt, zijn arm voor zich uit strekt en enkele seconden later met een vuurwapen schiet, waarbij mondingsvuur is waar te nemen. Deze persoon heeft donkere kleding aan met een wit kledingstuk eronder waarvan de rand onder zijn bovenkleding uit komt en een pet op. Gelet hierop alsmede gelet op de verklaring van de getuige-deskundige [betrokkene 3] ter terechtzitting in hoger beroep dat er tussen het moment dat de verdachte gebukt wegrent uit het beeld van [A ] en het moment dat een persoon met dezelfde uiterlijke kenmerken als de verdachte gebukt rennend in dezelfde richting als de verdachte in beeld van [C ] verschijnt ongeveer 5 seconden is verstreken en dat er in die 5 seconden ongeveer 14 meter is afgelegd, kan het Hof buiten redelijke twijfel vaststellen dat deze persoon wederom de verdachte is. Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang met de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, acht het Hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die op 18 november 2018 heeft geschoten op het slachtoffer [betrokkene 1] . De verweren worden verworpen.” 3Het eerste middel 3.
- Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting erop, klaagt over de begrijpelijkheid c.q. motivering van de bewezenverklaring, in het bijzonder voor zover deze steunt op de herkenning van de verdachte door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . 3.
- Het middel spitst zich toe op de verwerping van het verweer dat de herkenning van de verdachte door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onbetrouwbaar is en gaan uitvoerig in op de kwaliteit van de herkenningen van camerabeelden (bewijsmiddelen 3 en 4). Gesteld wordt dat deze herkenningen van onvoldoende kwaliteit zijn om de bewezenverklaring te kunnen dragen, zonder dat deze herkenningen bij persoonlijke waarneming van de herkende persoon en vergelijking met de filmbeelden door het hof enige bevestiging vonden en zonder dat het hof blijk heeft gegeven de mogelijkheid van forensische vergelijking van gezichtsbeelden onder ogen te hebben gezien, althans zonder uitleg waarom nadere bevestiging van de herkenningen achterwege kon worden gelaten. De steller van het middel meent daarom dat de bewezenverklaring niet toereikend althans niet begrijpelijk is gemotiveerd. 3.
- Volgens de toelichting op het middel heeft het hof (plichtmatig) enkele geijkte formules aangehaald die van belang zijn bij herkenningen op basis van camerabeelden, maar heeft het hof nagelaten zelf een behoorlijke toetsing van de gepresenteerde herkenning uit te voeren. 3.
- Vooropgesteld moet worden dat het is voorbehouden aan de feitenrechter om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. De invoering van de motiveringsplicht van art. 359 lid 2 Sv heeft geen wijziging gebracht in het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de rechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat daarbij niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Het voorgaande brengt mee dat de verwerping van een dergelijk betrouwbaarheidsverweer in cassatie slechts beperkt, namelijk op zijn begrijpelijkheid, kan worden getoetst en zelden tot cassatie leidt. 3.
- Het hof heeft het verweer van de raadsvrouw dat de herkenning van de verdachte door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet betrouwbaar is, gemotiveerd verworpen. Allereerst is door het hof vastgesteld dat de twee betreffende verbalisanten de verdachte reeds ambtshalve kennen. Door het hof is geconstateerd dat de herkenningen van de verdachte plaatsvonden na het bekijken van bewegende beelden die met een camera zijn opgenomen. Het hof heeft deze beelden tijdens de terechtzitting bekeken. Vervolgens heeft het geoordeeld dat de beelden voldoende duidelijk zijn om enkele uiterlijke kenmerken van de verdachte te kunnen waarnemen. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de herkenningen van de verbalisanten steun vinden in de verklaring van de verdachte zelf. Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat het de herkenning van de verdachte door de verbalisanten betrouwbaar acht en voor het bewijs zal gebruiken. 3.
- In aanmerking genomen wat door de raadsvrouw in hoger beroep is aangevoerd en met het oog op wat ik in randnummer 3.4 uiteen heb gezet over de reikwijdte van de motiveringsplicht op grond van art. 359 lid 2 Sv, is de verwerping van het hof van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. 3.
- Het middel faalt. 4Het tweede middel 4.
- Het tweede middel klaagt dat het hof de gevangenneming van de verdachte heeft bevolen zonder dat aan de daarvoor geldende voorwaarden werd voldaan, althans zonder daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag te leggen. 4.
- In verband met het volgende kom ik aan de inhoudelijke bespreking van dit middel niet toe. Ook indien de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt en de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof terugwijst, blijft op grond van art. 108 lid 4 Landsverordening van 5 november 1996 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafvordering St Maarten het door het hof gegeven bevel tot gevangenneming in stand totdat de einduitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, behoudens invrijheidstelling op grond van de art. 103, 105, 107 en 108 lid 5 van de Landsverordening. Het middel kan daarom bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. 4.
- Het middel is tevergeefs voorgesteld. 5Het derde middel 5.
- Het derde middel klaagt dat het vonnis van het hof aan nietigheid leidt, nu het in strijd met art. 406 lid 2 jo. art. 402 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten niet de bewijsmiddelen bevatte waarop het berustte, althans niet tijdig met die bewijsmiddelen is aangevuld. 5.
- De relevante artikelen luiden als volgt: Art. 402 Sv Sint-Maarten: “
- Het vonnis bevat het tenlastegelegde alsmede de vordering van de officier van justitie.
- De beslissingen vermeld in de artikelen 393 en 401, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.
- De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten of omstandigheden.
- Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.
- Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsontneming meebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet.
- Indien een zwaardere straf wordt opgelegd dan de procureur-generaal heeft gevorderd, dan wel een straf onvoorwaardelijk wordt opgelegd die vrijheidsontneming van langere duur meebrengt dan de procureur-generaal heeft gevorderd, geeft het vonnis steeds in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid. Hetzelfde geldt ingeval het Hof een zwaardere straf of maatregel oplegt dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.
- Het vonnis wordt binnen vier maanden na de einduitspraak aangevuld met de in het derde lid bedoelde bewijsmiddelen indien de verdachte een rechtsmiddel heeft ingesteld dan wel indien de verdachte of diens raadsman daarom verzoekt of de procureur-generaal dit vordert.
- Behoudens het gestelde in het derde lid geschiedt alles op straffe van nietigheid.” Art. 406 Sv Sint-Maarten: “
- In het geding in hoger beroep bevat het vonnis van het Hof, in de gevallen van artikel 393, de daarbij vermelde beslissingen.
- In de andere gevallen bevestigt het Hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg met gehele of gedeeltelijke overneming, dan wel met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van dat vonnis, wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen.
- Indien echter de hoofdzaak niet door de rechter in eerste aanleg is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, verwijst het Hof daartoe de zaak naar de rechter in eerste aanleg van hetzelfde rechtsgebied, tenzij door de procureur-generaal en de verdachte de beslissing van de hoofdzaak door het Hof is verlangd. In geval van verwijzing doet de rechter in eerste aanleg recht met inachtneming van 's Hofs vonnis.
- In geval van vernietiging van het vonnis van de rechter in eerste aanleg is het Hof niettemin bevoegd gedeelten daarvan, door daarnaar te verwijzen, in zijn vonnis over te nemen, voor zover zij niet aan nietigheid lijden. Indien het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg aan nietigheid lijdt, kan niettemin het vonnis, voor zover dit niet aan nietigheid lijdt, worden bevestigd.
- Indien de wettelijke voorschriften, waarop de oplegging van straf of maatregel is gegrond, niet in het vonnis zijn vermeld, kan het Hof er mee volstaan het vonnis alleen te dien aanzien te vernietigen en te doen wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen.
- Indien bij samenloop van meerdere feiten een hoofdstraf is uitgesproken en het hoger beroep slechts is ingesteld ten aanzien van een of meer van de feiten, wordt in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het vonnis de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.” 5.
- Art. 402 Sv kent de volgende toelichting: “Artikel 402Nota van wijziging: de gehele voorgestelde wijzigingen van artikel 402 is ingevoegd bij Nota van wijziging. De wijziging is het gevolg van een uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden dd. 13 juli 2010 (LJN. BJ8669), waarin vastgehouden werd aan de strikte tekst van artikel
- Een vonnis bevatte tot dan toe op het moment dat de zaak werd ingezonden naar de Hoge Raad wel de bewijsmiddelen, maar die ontbraken veelal op de dag van de uitspraak. Ook in onze regio werd gebruik gemaakt van de in Nederland inmiddels gelegaliseerde praktijk om de bewijsmiddelen eerst toe te voegen aan het vonnis nadat eventueel hoger beroep of cassatie werd ingesteld. Een dergelijke praktijk bespaart veel werk en dus ook veel geld. Met de voorgestelde wijziging wordt ook hier die praktijk gelegaliseerd. Los van het instellen van een rechtsmiddel dient het vonnis eveneens aangevuld te worden met de bewijsmiddelen indien de verdediging of vervolging dat verzoekt c.q. vordert.Tevens is bij nota van wijziging het tweede lid van artikel 402 gewijzigd. Deze voorgestelde aanvulling strekt er toe eveneens versneld in te voeren de verplichting van de rechter om, bij afwijking van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging of vervolging, de bijzondere redenen die daartoe hebben geleid expliciet in het vonnis op te nemen. Op deze wijze wordt de rechtspraak ook gediend en kan de jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van de in Nederland gewijzigde bepaling van artikel 359, tweede lid, NSv onverkort gelding krijgen, ook in het carabisch gebied.” 5.
- Er is in de onderhavige casus geen sprake van het in ongerede geraken van de bewijsmiddelen. De aanvulling van het op 25 februari 2021 gewezen vonnis bevindt zich bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Gelet op de in randnummer 5.3 opgenomen toelichting en op de samenhang tussen de leden 3, 7 en 8 van art. 402 Sv Sint-Maarten, moet worden aangenomen dat de niet-vermelding van het zevende lid in lid 8 op een misslag berust en dat overschrijding van de in het zevende lid bepaalde termijn van vier maanden dus niet tot nietigheid leidt. 5.
- Het middel faalt. 6Het vierde middel 6.
- Het vierde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. 6.
- Namens de verdachte is op 25 februari 2021 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 11 oktober 2021 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De stukken zijn daarmee niet tijdig, te weten binnen zes maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad gezonden, zodat de redelijke termijn is geschonden. De inzendtermijn is met ruim een maand overschreden. Daarbij merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat de termijn van zestien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep is overschreden, zodat dit verzuim niet meer valt te repareren met een voortvarende afdoening door de Hoge Raad. Dit betekent dat de schending dient te leiden tot strafvermindering zoals de Hoge Raad gepast zal voorkomen. 6.
- Het middel is terecht voorgesteld. 7Conclusie 7.
- Het eerste en het derde middel falen. Het tweede middel is tevergeefs voorgesteld. Het vierde middel is terecht voorgesteld. Het eerste, het tweede en het derde middel kunnen met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan. 7.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 7.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m. nt. Buruma. Vgl. HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:454, NJ 2020/
- De tekst van dit artikellid luidt: “
- Een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding, dat voor het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn door het onderzoek op de terechtzitting is gevolgd, is, evenals een tijdens of na dat onderzoek verleend bevel, geldig voor onbepaalde tijd, behoudens invrijheidstelling ingevolge de artikelen 103, 105, 107 en 108, vijfde lid, totdat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, ook ingeval tegen de einduitspraak beroep in cassatie is aangetekend of de Hoge Raad de zaak overeenkomstig artikel 14 van de Cassatieregeling van de Nederlandse Antillen en Aruba naar het Hof heeft verwezen.” De inhoud van de tekst is gelijk aan art. 108 lid 4 Sv BES. Zie HR 9 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1661, een gelijksoortige zaak maar dan voor Bonaire. Voor Sint Maarten geldt nog steeds de Landsverordening van 5 november 1996 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafvordering. Het daarin opgenomen art. 108 lid 4 bevat geen tekstueel verschil, met het art. 108 lid 4 BES. Zoals dat geldt per 31 augustus 2012, Afkondigingsblad van Sint Maarten, Jaargang 2012, No. 25 Landsverordening van de 30e augustus 2012 houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering (Bijzondere opsporingsbevoegdheden en andere spoedeisende veranderingen). Afkondigingsblad van Sint Maarten, Jaargang 2012, No. 25 Landsverordening van de 30e augustus 2012 houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering (Bijzondere opsporingsbevoegdheden en andere spoedeisende veranderingen), p.
- Zoals wel het geval was bij HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2917, NJ 2015/243 m. nt. Reijntjes. De aanvulling dateert van 4 februari
- Vergelijk HR 19 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:
- HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m. nt. Mevis.